Issuu on Google+

De redactie JAN WOUTERS (hoofdredacteur), voorzitter Vereniging voor de Verenigde Naties (VVN), gewoon hoogleraar Internationaal Recht en Recht der Internationale Organisaties, hoofd Instituut voor Internationaal Recht (K.U.Leuven) CEDRIC RYNGAERT (redactiesecretaris), wetenschappelijk medewerker, Instituut voor Internationaal Recht (K.U.Leuven), docent Universiteit Utrecht

NERI SYBESMA-KNOL, erevoorzitter VVN, emeritus hoogleraar Internationaal Recht (Vrije Universiteit Brussel) RIA HEREMANS, voormalig hoofd van het VN-Informatiecentrum voor België, Nederland, Luxemburg en de EU-instellingen SVEN BISCOP, senior research fellow Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen, professor Europese Veiligheid (Universiteit Gent) VERONIQUE JOOSTEN, assistente Internationaal Recht (Universiteit Antwerpen)

nr. 4

Globalisering is een proces waarbij de wereld steeds meer met elkaar verbonden raakt. Globalisering heeft grote voordelen. Maar er zijn ook gevaren aan verbonden. Zo dreigen arbeid, mensenrechten en milieu het slachtoffer te worden van een ongebreidelde economische expansiedrang. Dit boek gaat op zoek naar hoe een ‘andere’ globalisering zich kan voltrekken. Het gaat in een eerste deel na hoe multinationals ertoe gebracht kunnen worden zich maatschappelijk verantwoord te gedragen, met name in ontwikkelingslanden. Een tweede deel gaat na hoe de vrijhandelsregels afgesproken in de Wereldhandelsorganisatie verzoend kunnen worden met duurzame ontwikkeling. Het boek richt zich op iedereen die wil begrijpen wat de mogelijkheden zijn om het proces van globalisering en liberalisering aan regels te onderwerpen ter vrijwaring van de waarden die ons dierbaar zijn.

CEDRIC RYNGAERT doceert internationaal recht aan de Universiteit Utrecht. Hij is onderzoeksmatig verbonden aan het Instituut voor Internationaal Recht en het Centre for Global Governance Studies van de K.U. Leuven, en aan de Nederlandse Onderzoeksschool Mensenrechten.

WERELDVISIE Over de reeks

Anders globaliseren

FRANK MAES, ondervoorzitter VVN, docent Internationaal Recht (Universiteit Gent)

WERELDVISIE

Cedric Ryngaert

WERELDVISIE

Anders globaliseren is de vierde publicatie in een reeks toegankelijk geschreven boeken waarin de activiteiten van de Verenigde Naties in ruime zin kritisch in kaart worden gebracht. De thema’s die in deze reeks aan bod komen, zijn wereldomvattend en spreken iedereen aan die met de hedendaagse maatschappij begaan is: veiligheid, terrorismebestrijding, wapenbeheersing, vredesoperaties, mensenrechten, duurzame ontwikkeling, ontwikkelingssamenwerking, wereldhandel, vluchtelingen, milieu, zee, ruimte, internationaal recht, aids, drugsbestrijding, bevolkingsproblematiek, genderproblematiek, kinderen…

Anders globaliseren Mensenrechten, milieu en internationale handel Cedric Ryngaert

Bij al deze thema’s zal de rode draad duidelijk zijn, met name het belang van een geïnstitutionaliseerde samenwerking in een geglobaliseerde wereld. Om een zo breed en objectief mogelijk beeld te geven bij ieder van deze thema’s, worden bijdragen gebundeld van VN-specialisten en betrokkenen uit de academische wereld, de overheid en de niet-gouvernementele sector. In 2005 verscheen de eerste publicatie in deze reeks: J. Wouters en C. Ryngaert (red.), De Verenigde Naties: een wereld van verschil? In 2006 verscheen de tweede publicatie in deze reeks: J. Wouters en B. Pattyn (red.), Misdaden tegen de mensheid. In 2007 verscheen de derde publicatie in deze reeks: P. Van Kemseke, België in de veiligheidsraad (1946-2006).


M U LT I N A T I O N A LE O N DERNEM ING EN EN INTERNATIONAAL REC HT

De tien grootste multinationals ter wereld (Fortune Global 500, 2005) Onderneming

Registratie

Sector

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

VS VS VK/Nederland VK VS VS VS/Duitsland Japan VS VS

petroleum distributie petroleum petroleum auto’s petroleum auto’s auto’s auto’s petroleum

13. 18. 55. 82. 83.

Exxon Mobil Wal-Mart Royal Dutch Shell BP General Motors Chevron DaimlerChrysler Toyota Ford ConocoPhillips ... ING Fortis Dexia ABN Amro Royal Ahold

Omzet (miljoen dollar)

Winst (miljoen dollar)

339,938 315,654 306,731 267,600 192,604 189,481 186,106 185,805 177,210 166,683

36,130 11,231 25,311 22,341 -10,567 14,099 3,536 12,120 2,024 13,529

Ter vergelijking: het bruto binnenlands product van een aantal landen (in miljoen dollar) (bron: Internationaal Monetair Fonds, World Economic Outlook Database, april 2007) 1. Verenigde Staten 2. Japan 3. Duitsland ... 16. Nederland 17. België ... 24. Polen 25. Noorwegen 26. Oostenrijk ... 180. Sao Tomé & Principe 181. Kiribati

16

13,244,550 4,367,459 2,897,032 663,119 393,590 338,689 335,281 321,934 79 60


M U LT I N A T I O N A LE O N DERNEM ING EN EN INTERNATIONAAL REC HT

De ontwerpnormen van de VN-Subcommissie Mensenrechten Als je een onderneming aansprakelijk wil stellen voor een schending van het internationaal recht, moet je uiteraard weten welke internationale normen ondernemingen dienen na te leven. Een bepaalde gedraging van een multinationale onderneming kan misschien wel laakbaar zijn vanuit ethisch gezichtspunt, maar dat wil nog niet zeggen dat die gedraging ook juridisch toerekenbaar is aan die onderneming. Rechtsnormen zijn die ethische normen waarover de (internationale) gemeenschap het eens is dat ze zo fundamenteel zijn dat de (rechts)personen die hen schenden, aansprakelijk kunnen worden gesteld en sancties kunnen oplopen. Wat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen betreft, bestaat veel verwarring over de precieze grens tussen recht en ethiek. De Verenigde Naties hebben hiertoe in niet geringe mate bijgedragen, toen de VN-Subcommissie voor de Rechten van de Mens in 2003 de ‘Ontwerpnormen inzake de Verantwoordelijkheden van Transnationale Ondernemingen met betrekking tot Mensenrechten’ aannam.81 De Subcommissie is een technisch hulporgaan van de VN-Raad voor de Mensenrechten (voor 2006 de Commissie voor de Mensenrechten) en levert heel wat nuttig voorbereidend werk op het vlak van de bevordering van de internationale mensenrechten. De ontwerpnormen – die een ontwerp zijn en bijgevolg geenszins bindend zijn – bevatten een aantal mensenrechtenverplichtingen die rechtstreeks van toepassing zijn op ondernemingen, onder meer inzake gelijke behandeling, persoonlijke veiligheid, arbeid, corruptie, sociale, economische en culturele rechten, consumentenbescherming en milieu.82 Binnen hun ‘respectieve activiteits- en invloedssferen’ zouden ondernemingen deze rechten moeten bevorderen en eerbiedigen, al zou de primaire verantwoordelijkheid voor de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten wel nog steeds bij de overheid rusten.83 Ondernemingen zouden over de naleving van de mensenrechten dienen te rapporteren, onderworpen zijn aan internationaal toezicht, en slachtoffers van schendingen schadeloos moeten stellen.84 Dankzij de ontwerpnormen zou respect voor fundamentele rechten, anders dan onder de vrijwillige initiatieven, niet langer vrijblijvend zijn. Indien ondernemingen deze rechten schenden, zouden zij aansprakelijk zijn onder internationaal recht,85 en zou de VN hen daarop kunnen wijzen in het kader van haar toezicht op de nakoming van de mensenrechten. Door de ontwerpnormen wordt ook de problematiek van falende staten ondervangen – dit zijn staten met een nauwelijks of niet-functionerend overheidsgezag, die niet langer toezicht kunnen houden op de naleving van de mensenrechten op hun grondgebied. Ondernemingen actief op het grondgebied van een falende staat zouden de verantwoordelijkheid hebben om, bij afwezigheid van de primair verantwoordelijke overheid, zelf een overheidstaak op te nemen en de verwezen-

50


H A N DE L VE R SU S MI LI E U

van de beslissing niet binnen een redelijke termijn gebeurt, dienen de betrokken staten te overleggen over mogelijke compensatie. Die kan bestaan uit tariefverminderingen voor producten (om het even welke) die de winnende staat invoert in de verliezende staat. Als het overleg mislukt, kan de winnende staat naar de WTO stappen om toestemming te krijgen om beperkte handelssancties te nemen tegen de verliezende staat. Die sancties moeten in principe in dezelfde sector genomen worden als die waarover het geschil ging. Als het geschil over de invoer van (vervuilende) auto’s ging, kan de winnende staat de tarieven op de invoer van auto’s uit de verliezende staat verhogen. Maar als dat praktisch niet mogelijk is, kunnen de sancties ook andere sectoren treffen. Ze kunnen zelfs onder een ander akkoord, bijvoorbeeld het GATS-dienstenakkoord, genomen worden.

Over tonijn en dolfijnen Het ‘Tonijn-Dolfijn’-geschil tussen de Verenigde Staten en Mexico was het eerste geschil over de verhouding tussen handel en milieu dat het tot voor een panel bracht. Dat was nog voor de WTO het leven zag, in 1991. Voor 1995 bestonden er immers ook al panels onder GATT. De Verenigde Staten hadden een wet aangenomen die het gebruik van visnetten verbood waarin dolfijnen verstrikt konden raken. Die wet was voornamelijk gericht op de instandhouding van de dolfijnpopulatie in het oostelijke deel van de Stille Oceaan. Vissers mochten nog wel tonijn vangen, maar enkel als ze netten gebruikten die het gevaar op verstrikking van dolfijnen tot een minimum herleidden. Tegelijk droeg de wet de Amerikaanse regering ook op de import te verbieden van vis die gevangen was op dolfijnonvriendelijke wijze, dit is met een technologie die niet voldeed aan de Amerikaanse standaarden. De Amerikaanse regelgeving ter bescherming van dolfijnen was erg strikt en de vismethodes van andere landen voldeden niet aan de Amerikaanse standaarden. In het begin van de jaren 1990 verbood de Amerikaanse regering de import van tonijn uit Mexico. Mexico trok daarop naar een GATT-panel. Het vond dat de Verenigde Staten haar eigen milieuregels extraterritoriaal (buiten haar eigen grondgebied) toepaste, en de import van Mexicaanse tonijn op onrechtmatige wijze verbood. De Verenigde Staten verloren de Tonijn-Dolfijnzaak over de hele lijn. Het GATTpanel vond dat de VS moeite hadden moeten doen om een internationaal verdrag te sluiten over de effecten van visvangst op de dolfijnpopulatie. Bovendien was de Amerikaanse maatregel niet ‘noodzakelijk’ in de zin van Artikel XX van GATT, omdat de 90


H A N DE L VE R SU S MI LI E U

Vrijhandel en cultuur Er bestaat niet alleen een spanningsveld tussen milieu en handel. Ook andere nietcommerciële waarden, zoals arbeid en cultuur, kunnen op gespannen voet staan met de liberalisering van de wereldhandel. Hierboven zijn we al kort ingegaan op de vraag of handelsbelemmeringen gerechtvaardigd zijn wanneer exporterende staten fundamentele arbeidsrechten schenden. In dit onderdeel gaan we kort na of ongebreidelde vrijhandel de culturele diversiteit van onze wereld niet dreigt aan te tasten. Anders dan ‘milieu’ en ‘volksgezondheid’ heeft ‘cultuur’ tot nu toe geen prominente rol gespeeld in de WTO, maar mogelijk verandert dat binnenkort, wanneer staten de sector van de culturele diensten steeds verder gaan liberaliseren. Dankzij de globalisering en de technologische vooruitgang kunnen cultuuruitingen zich steeds makkelijker verspreiden over de aarde. Steeds meer mensen hebben toegang tot allerlei boeken, films, tv-kanalen en muziek. Als staten de handelsbarrières voor culturele goederen en diensten verder afbouwen, zal dit proces nog bespoedigd worden. Toch is er een schaduwzijde aan deze liberalisering. Het gevaar bestaat immers dat machtige spelers de handel in cultuurgoederen en -diensten gaan domineren. Dat zien we het duidelijkst in de filmindustrie, waar Amerikaanse Hollywoodproducenten veel meer geld ter beschikking hebben dan andere producenten. Omdat de Amerikaanse filmmarkt zo groot is, is de Amerikaanse release van een film vaak al rendabel. Een Amerikaanse producent kan zo’n film dan goedkoper mondiaal verspreiden. Hierdoor dreigt de globale filmconsumptie te veramerikaniseren. Cultuur die veramerikaniseert en homogeniseert, verschraalt. Cultuurconsumptie vindt geen aansluiting meer bij de culturele referentiekaders van de consument, en de sociale cohesie verbrokkelt. Daarom is het wellicht nodig dat er voldoende ruimte voor staten blijft bestaan om handelsbelemmeringen op te werpen. Tarieven en quota gaan misschien te ver, maar een staat zou zijn eigen cultuuruitingen preferentieel moet kunnen blijven behandelen, bijvoorbeeld door lokale filmproducties te ondersteunen of door publieke omroepen te subsidiëren. Dit alles moet binnen redelijke grenzen blijven natuurlijk, want culturele diversiteit is ermee gediend dat ook andere, buitenlandse cultuuruitingen toegankelijk blijven. Binnen de Wereldhandelsorganisatie bestaat er geen algemene culturele uitzondering, zoals we die bijvoorbeeld wel hebben voor het milieu. Wel is in het GATT-akkoord de mogelijkheid voorzien dat staten quota’s opleggen voor de vertoning van nationaal geproduceerde commerciële bioscoopfilms.91 Die bepaling kwam er vooral om de dominantie van Hollywoodfilms tegen te gaan. Tegenwoordig is het hanteren van quota’s enigszins uit de mode, al bestaan er in Frankrijk wel radioquota’s, op basis waarvan een minimumgedeelte van de uitgezonden songs van Franstalige origine

129


Anders globaliseren - inkijkexemplaar