Page 1

Deel 1 Jonge kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong 1.1 Herkenning van jonge kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong 1.2 Behoeften van jonge kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong 1.3 Inspelen op behoeften van jonge kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong 1.4 Werken met Compact & Rijk 1.5 Tot slot

7


Net als andere kinderen, hebben (hoog)begaafde kleuters behoefte om bij een groep te horen waarbinnen ze zich geaccepteerd voelen, waarbinnen ze met elkaar kunnen spelen, geven en nemen, en ervaren hoe het is om met anderen samen te werken. Ze moeten zich niet alleen als individu volledig kunnen ontwikkelen, maar ze moeten ook ervaren dat hun individualiteit verplichtingen met zich meebrengt en dat ze respect moeten hebben voor de rechten van andere kinderen. Daarom is het aan te bevelen om de activiteiten uit Compact & Rijk niet uitsluitend individueel maar ook met anderen te laten uitvoeren. Bij het samen werken aan een opdracht kan gedacht worden aan de mogelijkheid om dat te doen met ontwikkelingsgelijken. Ook samenwerking met andere kinderen die over talenten beschikken die binnen de uitvoering van de opdracht relevant zijn en een positieve bijdrage kunnen betekenen voor het eindresultaat, is ons inziens een reële optie.

1.3 Inspelen op behoeften van jonge kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong Niet alleen signaleren waar kinderen behoefte aan hebben is van belang, u moet er ook adequaat op reageren. Pas dan is sprake van stimulering. Beschikbaarheid van gevarieerde materialen/activiteiten is daarbij niet voldoende; het moet gecombineerd worden met de juiste, dat wil zeggen op deze (hoog)begaafde kinderen afgestemde, stimulering en interactie (Mönks, 1995). Dit betekent bij een deel van de (hoog)begaafde kinderen rekening houden met hun specifieke kenmerken. Daartoe behoren de positieve signalen zoals hierboven genoemd, maar ook factoren als: neiging tot perfectionisme, ontwikkeling van faalangst en soms hun neiging tot betweterigheid. Enkele algemene tips voor de begeleiding van kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong: • Geef het kind op dezelfde wijze feedback voor zijn prestaties als andere kinderen. Vermijd het extra prijzen. • Geef eerlijke, kritische feedback en richt deze vooral op de wijze waarop u het kind hebt zien werken, waarop het de taak heeft aangepakt. • Streef ernaar om het kind te laten samenwerken met ontwikkelingsgelijken. Dat zijn leerlingen met een zelfde ontwikkelingsniveau en met vergelijkbare denkwijzen en sterke kanten. • Zorg voor voldoende cognitieve uitdaging. Dat hoeft niet perse door middel van spel, maar zeker ook door opdrachten. Deze moeten dan wel zoveel mogelijk open zijn (zie ook hierboven). • Omdat kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong over het algemeen een veel grotere woordenschat hebben dan hun leeftijdgenootjes doet u er goed aan om in uw begeleiding van hen daar rekening mee te houden. Gebruik daarom volwassen taal.

Rolverdeling leraar en leerling

Mensen worden niet door hoogbegaafdheid getroffen. Ze moeten er hard voor werken om de begaafdheid te realiseren. Dat geldt ook voor het jonge kind. De in potentie aanwezige mogelijkheden of talenten moeten namelijk wel ontwikkeld worden. Dat vraag van u een dubbele rol: die van regisseur en coach. Kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong zijn over het algemeen goed tot zeer goed in staat zich zelfstandig met een activiteit bezig te houden. Het is echter een misverstand om te denken dat ze daarom de verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces geheel zelf kunnen dragen. U als leraar bent en blijft eindverantwoordelijk en heeft in belangrijke mate de rol van regisseur. Het is onjuist om te denken dat deze kinderen uit zichzelf die activiteiten kiezen die bijdragen tot verdere ontwikkeling. Daarvoor hebben ze u nodig. Dat houdt niet alleen in dat u zorgt voor uitdagende activiteiten en een uitdagende omgeving, maar ook dat u ervoor zorgt dat ze die uitdaging daadwerkelijk oppakken. Dat doet u door in het persoonlijke contact uiting te geven aan uw verwachtingen ten aanzien van wat ze kunnen. Hoge, maar wel realistische verwachten leiden tot hoge prestaties. U laat merken dat u gelooft in de mogelijkheden van het kind en dat het die in deze activiteit kan waarmaken. Sander is 5 jaar en heeft een flinke ontwikkelingsvoorsprong. Op advies van de orthopedagoog kiest de leraar ervoor om aan Sander bouwopdrachten te geven, waar hij zich op stuk kan bijten. Ze zet de kist met bouwmateriaal klaar en nodigt Sander uit om te beginnen. Na enige tijd blijkt dat er nog niets uit zijn handen is gekomen. Hij is niet geïnteresseerd, denkt de juf. Pas nadat ze erbij gaat zitten en Sander op sleeptouw neemt door middel van globale suggesties en wat aanmoediging, komt hij los.

15


Deel 2 Activiteiten Activiteitenmatrix Compact & Rijk Motoriek • Tussendoelen grote motoriek • Tussendoelen kleine motoriek • Tussendoelen tekenontwikkeling • Activiteitenmatrix motoriek • Activiteiten Ruimtelijke oriëntatie en tijdsoriëntatie • Tussendoelen ruimtelijke oriëntatie • Tussendoelen tijdsoriëntatie • Activiteitenmatrix ruimtelijke oriëntatie en tijdsoriëntatie • Activiteiten Mondelinge taal en ontwikkeling van de geletterdheid • Tussendoelen mondelinge taal • Tussendoelen ontwikkeling van de geletterdheid • Activiteitenmatrix mondelinge taal en ontwikkeling van de geletterdheid • Activiteiten Ontwikkeling van het logisch denken en inzicht in cijfers en getallen • Tussendoelen ontwikkeling van het logisch denken • Tussendoelen inzicht in cijfers en getallen • Activiteitenmatrix ontwikkeling van het logisch denken en inzicht in cijfers en getallen • Activiteiten

21


Spelen met de tijd Geschikt voor

Omschrijving De kinderen doen allerlei activiteiten en meten met een eigen tijdmeter de duur daarvan op. Ze beleven wat ze kunnen doen in een bepaalde tijd.

Stappen 1. De kinderen maken (een) tijdmeter(s): Van een potje en een stevige (kartonnen) trechtervorm: Aan de onderkant wordt een klein puntje afgeknipt om zand door te laten. Het trechtertje wordt met zand gevuld (zet een streepje op de binnenkant van de trechter tot waar deze met zand gevuld moet worden. De hoeveelheid zand moet steeds hetzelfde zijn) en we kijken hoe lang het duurt voordat al het zand in het potje is gelopen. Van een potje en een stevig kartonnen bekertje: In het bekertje wordt een klein gaatje gemaakt, waardoor het water in het potje eronder druppelt. Van een bolletje klei of een kraal en een touwtje een slingerklok maken: Hang aan een touwtje van 1 meter een niet te licht voorwerp. De slinger moet vrij hangen. Eén slingerbeweging is ongeveer één seconde. 2. De kinderen bedenken allerlei dingen die ze kunnen doen gedurende de tijd waarin het zand of het water door de trechtervorm/het bekertje loopt. Of ze tellen het aantal slingerbewegingen die een bepaalde activiteit duurt. 3. De kinderen hebben een lijst die in twee kolommen is verdeeld, in de ene kolom schrijven en/of tekenen ze de activiteiten waarvan ze de duur gaan meten. In de andere kolom noteren ze het aantal erachter. Bijvoorbeeld kniebuigingen: 20x, jas aan- en uittrekken: 5x. Of: van de deur naar het raam lopen: 6 slingertjes. 4. De kinderen kunnen ook met ‘echte’ tijdmeters zoals een stopwatch, een zandloper of een kookwekker werken. 5. Eventueel kunnen kinderen een grafiek maken van hun bevindingen: Elke activiteit heeft een bepaalde kleur. In die kleur wordt ook het aantal hokjes (= ... aantal slingertjes) dat iets duurt, gekleurd. Bijvoorbeeld “kniebuigingen zijn de groene staaf, jas aan- en uittrekken is de gele staaf”. 6. Kinderen vergelijken de grafieken met elkaar. Wat duurt lang? Welke activiteit duurt kort, kost weinig, kost veel tijd?

82

Ruimtelijke oriëntatie en tijdsoriëntatie


Ontwikkelingsgebieden

Vooral: tijdsoriëntatie

Ook: mondelinge taal, ontwikkeling van de geletterdheid, ontwikkeling van het logisch denken, inzicht in cijfers en getallen.

Managementtips • Maak een voorbeeld van de tijdmeters of maak in een stappenplannetje zichtbaar hoe de tijdmeter(s) gemaakt worden. • Kinderen met een ongeveer gelijk ontwikkelingsniveau werken samen. • Laat kinderen om de beurt een activiteit bedenken waarvan ze de duur gaan meten, ze moeten het er samen over eens zijn. Doe voor hoe kinderen elkaar kunnen coachen, corrigeren en/of complimenteren. • Laat kinderen voor het meten eerst om de beurt schatten (en eventueel noteren ze hun schatting). Na het meten kunnen ze samen controleren of hun inschatting juist was. • Als kinderen ervaring hebben opgedaan met het tijdmeten, laat hen dan ook eens verschillende (tijd) meetinstrumenten met elkaar vergelijken.

Materiaal Materialen voor het maken van de tijdmeter(s). Een lijst in 2 kolommen waarop de activiteiten en de tijdsnotatie komen. Teken en/of schrijf en stempelmateriaal.

Wat hoor je? “Ik kon mijn jas wel 5 keer aan- en uittrekken voordat het zand was doorgelopen!” “Eén slinger is een seconde, na iedere 5 keer klappen we samen in onze handen”

Wat zie je? Kinderen die actief bezig zijn, tellen en noteren op hun werkblad.

Ruimtelijke oriëntatie en tijdsoriëntatie

83

Compact & Rijk Bazalt  

Uitgeverij Bazalt, Vlissingen. Een impressie van het boek.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you