6 minute read

Wanneer de familie toxisch is

Toen ik op de PAAZ (Psychiatrische Afdeling in een Algemeen Ziekenhuis)

terechtkwam was ik een tiener. Ik vierde er zelfs mijn achttiende verjaardag en

werd tijdens die opname dus een meerderjarige patiënt. Mijn vader had daarom

een documentje opgemaakt dat ik moest ondertekenen. Daarin stond dat ik,

ondanks mijn ondertussen verkregen meerderjarigheid, nog steeds wou dat de

psychiater mijn ouders op de hoogte hield. De psychiater nam het papier aan,

las het en vroeg: ‘Heb jij dat zelf geschreven of wou je vader dit?’ Vervolgens

scheurde ze het in stukken, smeet ze het in de vuilbak en zei ze ‘Ik heb niets

gezien. Was er nog iets?’ Dit deed ze niet omdat ze familie per definitie buiten de behandeling wilde houden. Wel omdat ze wist dat mijn familie de oorzaak van

mijn problemen was. Veiligheid is in de therapeutische relatie erg belangrijk.

Tekst: Els Lambrecht

Context en jeugdjaren

Begrijp me niet verkeerd, ook ik vind het goed dat naasten betrokken worden wanneer mensen het moeilijk krijgen. Daarnaast heeft recent onderzoek door psychiater Jim Van Os aan de universiteit van Utrecht* ons duidelijk gemaakt dat de meeste psychische problemen ontstaan in de context en/of in de jeugdjaren. Het is dus niet ondenkbaar dat familie soms mee aan de basis ligt van het psychisch lijden. Ik had geluk met een psychiater die dit behoorlijk snel inzag. Ervaringen met volgende hulpverleners waren daarin weleens anders. Zelfs toen ik eindelijk de moed had om aan te geven dat het thuis niet oké was, kreeg ik te horen dat ik dat niet mocht zeggen. Dit zegt veel over het taboe inzake kindermishandeling en huiselijk geweld, zelfs binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Veiligheid en geborgenheid

Ik werd als tienermeisje door mijn leerkracht Latijn naar het CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding) gestuurd omdat ik het moeilijk had. De hulpverlener daar beschreef me als suïcidaal. Ze zei me ook dat wanneer die suïcidaliteit verergerde, ik opgenomen zou moeten worden. Wat er vervolgens gebeurde zou je vanuit ziektekaders manipulatief kunnen noemen. Mijn huidige psycholoog noemt het overlevingsdrang en zelfbeschermend gedrag. Ik ging die suïcidaliteit namelijk uitspelen zodat ik opgenomen zou worden. Niet veel later werd ik opgenomen op een PAAZ.

Wat mij betreft maakte het niet uit op welke afdeling ik terechtkwam, als ik maar thuis weg was. Ik had op dit punt sowieso psychologisch hulp nodig. Het was zover kunnen komen omdat ik mezelf sneed, dat doe je niet zomaar. Of ik daarvoor echt een opname nodig had, is maar de vraag. Ik had vooral veiligheid en geborgenheid nodig. Dat kreeg ik daar ook, ik heb van de verpleging meer zorg ervaren dan ik thuis gewoon was.

Aan een PAAZ zijn daarnaast regels verbonden. Ze zorgden voor een veilig kader waartussen ik me kon en mocht begeven. Een vaak voorkomende problematiek is alcoholverslaving en dus was één van de regels dat alcohol drinken niet mocht. Deed je dat wel, moest je zeven dagen binnenblijven. Ook daar zag ik een kans. Het was donderdag, ik zou dat weekend naar huis mogen en net daarvoor had ik angst. Ik heb nooit veel alcohol gedronken, maar die donderdag kocht ik Bacardi Breezer, een alcoholhoudende (fris)drank die in mijn jeugd enorm populair was. Ik herinner me nog als de dag van gisteren dat één verpakking vier flesjes bevatte. Ik dronk snel twee flesjes leeg en voelde me licht in mijn hoofd. Ik twijfelde nog of ik de andere twee ook zou leegdrinken. Het idee helemaal dronken te worden schrok me echter af. Vervolgens ging ik terug naar de afdeling en zorgde ervoor dat de verpleging me zou ‘betrappen’. Toen ze het me vroegen, zei ik dan ook volmondig ‘ja!’ Mijn plannetje was gelukt, dacht ik. De volgende dag werd ik bij de psychiater geroepen en vertelde ze me doodleuk dat ik haar ook gewoon had mogen zeggen dat ik niet naar huis wilde. Ik bleef dat weekend op de PAAZ, maar ik was naar mijn gevoel ook door de mand gevallen.

Gezin

Later zou deze psychiater me nog een paar keer proberen te vertellen dat niet ik het probleem was, maar wel het gezin waarin ik opgroeide. Ik deed niet meer dan daarop reageren, zei ze me. Iets dat ik toen niet helemaal kon geloven, net omdat ik onder de rechtstreekse invloed van mijn familie leefde.

Dit ongeloof gaf een bijzondere dynamiek aan mijn opname. Ik was blij dat ik daar was, weg van het geweld en de toxiciteit thuis, tegelijkertijd bleef ik enorm loyaal aan mijn ouders. Ik heb de PAAZ meerdere keren gebruikt als toevluchtsoord. Achteraf gezien liet de psychiater het in de mate van het mogelijke toe, denk ik. Ik kreeg als het ware even ademruimte. Ze vertelde me ook elke keer dat ze me daar niet konden helpen en dat ik dus niet lang kon blijven. Een PAAZ is ook geen vluchthuis, laat staan dat het een structurele oplossing is. Die heeft ze overigens wel gezocht, deze psychiater was er namelijk rotsvast van overtuigd dat het beter met me zou gaan als ik thuis wegging.

Ik heb mezelf de opnames achteraf vaak verweten. Het ergste daarbij is dat mijn familie me daardoor nog meer kon misbruiken. Nu had ik officieel een stempel en was ik dus ziek. Mijn vroegere therapeut zei dat ik hierdoor de bliksemafleider van de echte problemen was geworden. Maar de meeste hulpverleners zagen het niet. En net iets te vaak bleven ze aandringen op het betrekken van de familie terwijl ik dat niet wilde. Familie betrekken was dan ook een zeer onveilige situatie voor mij.

“Ik heb van de verpleging meer zorg ervaren dan ik thuis gewoon was”

Belang van vertrouwen

In mijn familie werden psychische problemen tegen mij gebruikt. Mijn familie betrekken voedde dat misbruik zelfs. Mijn oproep is dan ook dat we daar oog voor houden. Ook bij minderjarigen is dit vaak een probleem. Niet alle situaties zijn zoals de mijne, maar het spreekt vanzelf dat dit een probleem kan geven in het vertrouwen dat noodzakelijk is in een hulpverleningsrelatie. Tieners zitten in een levensfase waarin ze liever niet te veel aan hun ouders vertellen. Wat moet je dan met een hulpverlener die je ouders op de hoogte houdt? Ik was zelf minderjarig toen ik op de PAAZ terecht kwam. Elke hulpverlener daar vertelde mijn ouders enkel over mij wat ik toestond. Ze waren daar behoedzaam in en dat werd vooraf met mij besproken, maar ook zonder zoiets te bespreken werd hier voorzichtig mee omgesprongen. Toen ik gedronken had, mocht ik dat weekend op de PAAZ blijven. De verpleging vertelde mijn ouders dat dit de beslissing was van de psychiater. Mijn vader begon vervolgens tegen de psychiater in kwestie te roepen dat ik minderjarig was, dat hij mijn vader was en dat hij dus het recht had mij mee naar huis te nemen. Daarop antwoordde ze heel rustig dat zij mijn behandelende psychiater was en dat zij daarom verantwoordelijk was voor mijn gezondheid. Dus had zij besloten dat het daarom beter was dat ik daar bleef. En ik? Ik stond erbij en ik keek ernaar. Met lichte bewondering zelfs, ze was de eerste die eens tegen mijn vader inging. Gelukkig zei ze, ondanks mijn minderjarigheid, niet dat ik daar zelfs voor gedronken had, of nog erger, dat ik het zelf was die niet naar huis wilde. Het resultaat was dat ik me veilig voelde op de PAAZ.

*Bronvermelding: Marsman, A., Pries L-K., ten Have

M., de Graaf R., van Dorsselaer S., Bak M., Kenis

G., Lin B.D., Luyckx J.J., Rutten, B.P.D.F, Guloksuz, S., van Os, J. (2020). Do Current Measures of Polygenic Risk for Mental Disorders Contribute to Population Variance in Mental Health?; Schizophrenia Bulletin, 46 (6), 1353–1362

This story is from: