Issuu on Google+

BelgiĂŤ - Belgique PB 3500 Hasselt 1 12/867

Duurzaam bodembeheer Propere grond, propere lucht Cadmium versus levende cellen Planten onder stress? Natuurbehoud kent vele vormen Milieubeleid in stroomversnelling

Magazine 2006

Universiteit Hasselt

afgiftekantoor 3500 Hasselt 1 erkenning: P303505

4

eerste jaargang | 2006

verschijnt viermaal per jaar

januari | april | juli | oktober

DOS

n e u e i l i M houd e b r u u t a N

SIER


.

INHOUD

E D I TO

Wanneer u dit vierde nummer van het Universiteit Hasselt Magazine in uw brievenbus vindt, is het nieuwe academiejaar bijna een maand oud. We hebben deze zomer niet stilgezeten; dat zal u ongetwijfeld via de media hebben vernomen. Het erkennings-

Inhoud | pagina 2

Edito | pagina 3

“Milieuproblemen zijn altijd multidisciplinair” | pagina 4-7

dossier voor Rechten verhuisde van de tafel van de Erkenningscommissie naar de Vlaamse regering en ligt nu voor aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), die de onderwijskwaliteit van ons voorstel zal toetsen. We hebben er alle vertrouwen in: de opleiding Rechten wordt een unieke opleiding in Vlaanderen, zowel qua inhoud als qua onderwijsconcept. Het wordt de eerste opleiding in Vlaanderen die het Europees recht – het Ius Commune - als uitgangspunt neemt voor de opbouw van het curriculum. Ook het onderwijsconcept, dat gebaseerd is op het probleem- en opdrachtgestuurd onderwijs, is nieuw in Vlaanderen. De opleiding wordt daarenboven een samenwerkingsverband tussen drie universiteiten: met name de tUL-partners Universiteit Maastricht en

Een gesprek met prof. dr. Jaco Vangronsveld, directeur van CMK Duurzaam bodembeheer: de integratie van vele disciplines | pagina 8-9

Propere grond, propere lucht | pagina 10-13

Een guerrillaoorlog: cadmium versus levende cellen | pagina 14-16

Stamcellen en stress: de platworm als ‘proefdier’ | pagina 17-18

Planten onder stress? Kom nou! | pagina 19-21

Monitoring van de visfauna in de verlegde Witte Nete | pagina 22-24

Het juridisch statuut van de watermolens | pagina 25-26

Milieubeleid in stroomversnelling | pagina 27-30

UHasselt, aangevuld met de KULeuven. We mogen dit academiejaar 513 nieuwe eerstejaarsstudenten verwelkomen. Dat is zo’n 11 procent meer dan vorig jaar. De grootste stijging is voor rekening van Geneeskunde: hier zijn 56 nieuwe eerstejaars ingeschreven, een stijging van 51 procent. Het Visitatierapport Geneeskunde van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) bestempelde ons als beste bacheloropleiding van alle universiteiten. Dat blijkt een heel belangrijk argument voor studenten. Hetzelfde geldt ook voor de opleiding Biomedische Wetenschappen, die eveneens een positief rapport kreeg en nu 7 procent meer eerstejaars mag noteren. Ook de Wetenschappen zitten opnieuw in de lift; bij Chemie is het aantal studenten zelfs meer dan verdubbeld. Onze nieuwe visie op Wetenschappen slaat duidelijk aan bij 18-jarige jongeren. De unieke combinatie van een degelijke gestructureerde basiskennis in een bepaalde discipline aangevuld met verbredende opleidingsonderdelen uit andere domeinen bereidt dan ook uitstekend voor op het beroepsleven van wetenschappers waarin steeds meer de nadruk ligt op multidisciplinariteit.

• Harmonisatie van milieuaansprakelijkheid in Europa

• Sanering en ontwikkeling van onderbenutte industriële terreinen

• De monetaire sociale baten van bodemsanering

Het biologieonderwijs aan de Universiteit Hasselt is excellent | pagina 31

Het woord ‘multidisciplinariteit’ is gevallen. Als er in de Wetenschappen één thema is dat multidisciplinair moet worden aangepakt, dan zijn het milieuproblemen. En daarover gaat nu precies dit themanummer. We krijgen hierin een overzicht van het uiteenlopend onderzoek van het Centrum voor Milieukunde (CMK). Opnieuw stellen we vast dat er een nauwe band bestaat tussen onderzoek en

De opleiding Milieucoördinator – Niveau A brengt theorie en praktijk bij elkaar | pagina 32

onderwijs want door het toenemend aantal onderzoeksprojecten binnen het CMK wordt het alsmaar belangrijker om goede studenten te rekruteren voor doctoraatsonderzoek. De CMK-stafleden zijn vragende partij om aan de UHasselt in het kader van de tUL-opleiding Levenswetenschappen - Biomedische

KORT nieuws | pagina 33-42 Colofon | pagina 43

Wetenschappen ook een afstudeerrichting ‘moleculaire gezondheidswetenschappen’ te organiseren met een duidelijke profilering naar ‘milieu en gezondheid’. Een dergelijke mastervariant zal ook een belangrijke aantrekkingskracht hebben op biologie- en chemiestudenten met een interesse voor milieu. De mogelijkheid om een dergelijke master op te starten, wordt momenteel bestudeerd. Stilzitten zullen we ook dit academiejaar niet doen.

WWW.UHASSELT.BE  | UHasselt Magazine | oktober 2006

Luc De Schepper | Rector

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 


INTERVIEW tiebeeldanalysesysteem, zeg maar een soort van ‘stethoscoop’ voor het bepalen van de gezondheidstoestand van planten ontwikkeld.”

“Milieuproblemen zijn altijd multidisciplinair” Een gesprek met prof. dr. Jaco Vangronsveld, directeur van CMK

Het Centrum voor Milieukunde (CMK) bestaat bijna tien jaar. In 1997 werd het milieuonderzoek, dat al geruime tijd bestond in enkele onderzoeksgroepen van de UHasselt, samengebracht in het CMK. “We wilden de krachten bundelen over de vakdisciplines heen: milieuproblemen zijn immers altijd multidisciplinair en worden dus best als zodanig aangepakt.” Dat zegt directeur Jaco Vangronsveld in een gesprek met de redactie. “Ook wilden we het milieuonderzoek meer stroomlijnen rond enkele gemeenschappelijke kerncompetentiedomeinen.” Tien jaar CMK: tijd dus voor een terugblik met een duidelijk oog voor de toekomst.

Eerst iets over de kerncompententies van het CMK. Kunt u die even omschrijven? Jaco Vangronsveld: “Omgevingsstress in het algemeen en de effecten ervan op levende organismen meer in het bijzonder, verontreiniging van bodem, water en lucht vormen duidelijk een rode draad door het onderzoek binnen het CMK. Het in kaart brengen van biodiversiteit vormt een andere kerncompetentie. Uiteraard is er grote aandacht voor de economische en juridische aspecten van vervuiling, sanering en algemeen milieubeleid. Beleidsondersteunend milieukundig onderzoek sluit hier overigens ook nauw bij aan.”  | UHasselt Magazine | oktober 2006

Omgevingsstress, zegt u, wat moeten we ons daarbij voorstellen? “Stress kan bij planten worden veroorzaakt zowel door pathogene (micro-) organismen (biotische stress) als door vervuilende stoffen (abiotische stress). Deze vormen van stress veroorzaken bij planten een aantal moleculaire en biochemische responsen die zeer gelijkaardig zijn.” “De studie van effecten van stressfactoren is het oudste onderzoeksdomein van het CMK, waarin we met de jaren vooral in de ‘niche’ van de studie van de effecten van zware metalen op organismaal, fysiologisch, biochemisch en recent ook

n

rancke

V ngrid Door I

“Het onderzoek naar de interacties tussen micro-organismen met hun gastheerplanten die blootgesteld zijn aan milieustress (metalen en organische contaminanten) is de afgelopen jaren sterk in belangrijkheid toegenomen. Micro-organismen kunnen defensiesystemen in planten activeren. Op die manier degraderen giftige componenten en immobiliseren ze metalen in bodems. Micro-organismen zijn dikwijls objectieve bondgenoten in verontreinigde ecosystemen, vaak omdat ze zich sneller genetisch kunnen aanpassen aan verontreinigingen dan hogere organismen.”

Het verdwijnen van de biodiversiteit is de jongste jaren een wereldwijd probleem geworden. Ook het CMK helpt mee aan de inventarisatie van de biodiversiteit?

moleculair niveau een degelijke nationale en internationale reputatie opbouwden. In Vlaanderen en België neemt het CMK in dit domein een erg ‘centrale’ positie in. In de afgelopen jaren werd het onderzoeksveld verruimd van planten en schimmels naar dieren en de mens. Het groeiend aantal publicaties in zeer goede tijdschriften toont aan dat dit onderzoek internationaal gewaardeerd wordt en dat het een belangrijk aspect blijft voor de verdere uitbouw van het CMK.” “Om ‘stress’ bij planten te meten op een niet-destructieve wijze (= zonder de plant te ‘kwetsen’) werd recent binnen het CMK een draagbaar fluorescen-

“We hebben op dat vlak inderdaad een ruime ervaring. De nadruk ligt vooral op ecologisch belangrijke groepen en dit zowel in het zoetwater als in het marien milieu. Hierbij kijken we voornamelijk naar gebieden en ecosystemen die kwetsbaar zijn en door antropogene activiteiten bedreigde gebieden (zowel chemische als fysische aantasting). De resultaten van dit onderzoek zijn bovendien voor een zeer breed publiek toegankelijk omdat zij terechtkomen in databases die via internet raadpleegbaar zijn. Gegevens met betrekking tot het mariene milieu worden verzameld in een database die met medewerking van CMK-stafleden beheerd wordt door het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ). Gegevens met betrekking tot waterlopen in Vlaanderen zijn weldra via de VIS-databank raadpleegbaar. Bovendien krijgt

dit onderzoek een bijkomende dimensie door de studie van de diversiteit binnen populaties, waarbij de studie van de genetische aanpassing van populaties aan milieustress een belangrijke onderzoekscomponent vormt.”

Elk milieuaspect heeft ook een economische, politieke of juridische kant. Waar precies ligt de CMK-expertise op dit vlak? “Binnen het CMK concentreren we ons vooral op de kosten-batenanalyse van het milieubeleid, in het bijzonder van deze maatregelen die direct of indirect verband houden met bodemvervuiling. Het economisch-theoretisch onderzoek omvat de modellering van de welvaartseffecten van bodemvervuiling en –sanering. Qua toepassing gaat bijzondere aandacht naar het meten van de totale, dus private én sociale, baten van een sanering. De hedonistische prijsmethode is hierbij een belangrijk onderzoeksinstrument. Saneringstechnieken worden mede beoordeeld op hun kostenefficiëntie, hierbij spelen de mogelijkheden tot kostenrecuperatie een belangrijke rol. In het bijzonder voor zachte saneringstechnieken is het onderzoek naar de valorisatie van de biomassa cruciaal. De combinatie van fytoremediatie (d.i. een techniek waarbij zware metalen ter plaatse uit de bodem worden verwijderd met behulp van planten, n.v.d.r.) en het winnen van hernieuwbare energie uit biomassa is voor het Vlaamse, nationale en Europese milieubeleid economisch erg relevant.”

expansie of ontwikkeling wordt bemoeilijkt door de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging of bodembedreigende activiteiten, n.v.d.r.) krijgen de nodige aandacht, voor wat hun sanering betreft, maar ook voor wat herbestemming aangaat.” “Ook bekijken we binnen het CMK de relevantie van het internationaal en Europees milieubeleid voor de Vlaamse milieuwetgeving. Denken we daarbij aan de implementatie van leefmilieuverdragen en Europese richtlijnen, toepassing van financiële stimuli, integratie van milieuzorgsystemen…”

Via de media heeft het CMK vooral een ‘gezicht’ gekregen als expert op het vlak van het beheer van verontreinigde bodems. “Dit is natuurlijk een duidelijk ‘zichtbaar’ resultaat van ons onderzoek. De resultaten dragen zeker bij tot het oplossen van een acute vraag vanuit onze maatschappij. Op het vlak van duurzaam beheer en gebruik van verontreinigde bodems én het ontwikkelen en bestuderen van de fundamentele mechanismen van nieuwe ‘zachte’ chemische en biologische technieken voor remediëring van verontreinigde bodems en (grond)water heeft het CMK inderdaad een stevige nationale reputatie verworven. Ook op internationaal vlak is de reputatie in dit domein trouwens eveneens als zeer degelijk te omschrijven, getuige het zeer grote aantal lezingen op congressen (waarvan heel wat op uitnodiging) en het hoge

“De economische benadering wordt vanuit juridische hoek ondersteund, waarbij de implementatie van decreet- en regelgeving in verband met vervuilde gronden en sites wordt bestudeerd. Vooral de brownfields (dit zijn vaak voormalige industriële terreinen of sites, waarvan de oktober 2006 | UHasselt Magazine | 


aantal citaties van artikels van onze stafleden over dit onderwerp. Het CMK wordt bijvoorbeeld bij de meeste initiatieven voor Europese onderzoeksprojecten met betrekking tot duurzaam beheer, gebruik en sanering van verontreinigde bodems en (grond)water als partner gevraagd. Het CMK was partner in 4 van de 6 goedgekeurde fytoremediatieprojecten van het vierde en vijfde kaderprogramma van de EU. Ook met groepen in de Verenigde Staten wordt samengewerkt.”

Houdt het CMK zich ook bezig met het hergebruik van afvalproducten?

“Ook wordt het, gezien het steeds toenemend aantal onderzoeksprojecten binnen het CMK, alsmaar belangrijker om goede studenten op te sporen en te rekruteren voor doctoraatsonderzoek. Tot op heden stromen heel wat studenten met interesse voor milieuonderzoek door naar masters in andere universiteiten; dit maakt het natuurlijk moeilijker om ze ‘terug te halen’ voor een doctoraat

“Naar analogie met de andere masters in de biomedische wetenschappen, bijvoorbeeld Bio-elektronica en nanotechnologie, moeten we streven naar een brede instroom vanuit de biomedische en de klassieke wetenschappen. Een dergelijke master zou ook uniek zijn in Vlaanderen en ongetwijfeld ook een instroom van studenten uit andere universiteiten voor gevolg hebben. Wat meer is, we zijn er

van overtuigd dat de aanwezigheid van een tweede cyclus een stijging van de instroom in de bachelors biologie en chemie zou meebrengen. Het realiseren van een dergelijke masteropleiding zal op termijn uiteraard bijkomende investeringen in personeel en middelen noodzakelijk maken. Aan de organisatie van dergelijke master zullen vanzelfsprekend de verschillende CMK-partners participeren, maar zal ook samengewerkt worden met onderzoeksgroepen binnen het Biomedisch Onderzoeksinstituut (BIOMED), de UM, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) en andere onderzoeksinstellingen.”

lt.be

 | UHasselt Magazine | oktober 2006

hasse

.

Jullie expertise op onderzoeksvlak is indrukwekkend. Blijft er eigenlijk nog tijd over om studenten op te leiden?

k.u w.cm

“Ook dit onderzoeksveld wordt multidisciplinair benaderd. Zowel economische, gezondheidskundige als biologische en ecologische aspecten worden onderzocht. Zo werd de economische impact van de benutting van openbare hengelwateren onderzocht. De resultaten worden gebruikt ter onderbouwing van de ruimtelijke structurering in Vlaanderen, het duurzaam beheer van de natuur en op-

“Uiteraard. Het CMK telt momenteel zo’n 45 stafleden. Sommigen werken exclusief mee aan onderzoeksprojecten, maar de meesten nemen daarbij diverse lesopdrachten op. In de bachelors biologie en chemie komen natuurlijk heel wat milieugerelateerde vakken aan de orde, maar ook in de opleidingen TEW en handelsingenieur (bijvoorbeeld de afstudeerrichting Beleidsmanagement), biomedische wetenschappen en verkeerskunde komen milieuaspecten aan bod.”

omdat ook elders onderzoeksgroepen in de ‘milieurichting’ actief zijn, die dan vanzelfsprekend een gedeelte van de meest beloftevolle elementen ‘afschuimen’. De tUL-afstudeerrichting ‘moleculaire gezondheidswetenschappen’ wordt momenteel alleen aangeboden aan de Universiteit Maastricht (UM), met een programma dat dicht aanleunt bij de afstudeerrichting ‘klinische moleculaire wetenschappen’. Gezien de duidelijke belangstelling van heel wat bachelorstudenten biomedische wetenschappen voor het onderzoek binnen het CMK, lijkt het ons opportuun om ook aan de UHasselt de afstudeerrichting ‘moleculaire gezondheidswetenschappen’ te organiseren met een duidelijke profilering naar ‘milieu en gezondheid’. Bovendien zal een dergelijke master ook een belangrijke aantrekkingskracht hebben op biologie- en chemiestudenten met een interesse voor milieu.”

//ww

“Een belangrijke sterkte, ook voor de toekomst, zijn hierbij zeker de mogelijkheden tot multidisciplinaire benadering (biologische, chemische en economische/juridische aspecten) die binnen ons centrum al bestaan. Op basis hiervan werden tijdens afgelopen jaren enkele projecten van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) verworven. De recente aanvraag en toeken-

Jullie gebruiken ook zoetwatervissen in relatie met natuur en gezondheid. Kunt u daar iets meer over vertellen?

pervlaktewateren alsook de volksgezondheid. Vanuit dit onderzoek kan een link gelegd worden naar de humane dimensies van de problematiek. Resultaten uit dit onderzoek werden al meermaals meegedeeld op internationale congressen.”

http:

“Via het ontwikkelen van geavanceerde chemische karakterisatiemethoden van milieumatrices draagt het CMK bij aan het onderzoek naar het hergebruik van afvalproducten, bijvoorbeeld biomassa (al dan niet vervuild met zware metalen en/of organische contaminanten).”

ning (2005) van een groot BOF-project is een ander voorbeeld van het streven om deze multidisciplinaire aanpak nog meer gestalte te geven. Ook de deelname van het CMK aan het Milieu- en energietechnologie InnovatiePlatform (MIP) is hierop gebaseerd. Belangrijk is in dit verband het geïntegreerd onderzoek vanuit een chemische benadering naar de valorisatie van biomassa als groene energiebron en/of feedstockrecycling via thermische behandeling. Deze topic speelt in op de verhoogde interesse zowel vanuit energieoogpunt als vanuit de valorisatiemogelijkheden van organische afvalstoffen uit diverse sectoren, o.a. zuiveringsslib, waar er een hoge nood is aan adequate verwerkingstechnieken zoals bijvoorbeeld de recuperatie van zware metalen.”

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 


Dit project integreert al deze aspecten in het licht van hun bijdrage tot de economische efficiëntie van bodemsanering. De focus ligt in het beoordelen van de haalbaarheid van fytoremediatie in het kader van duurzaam bodembeheer. De toepassing op de regio ‘de Noord-Kempen’, een groot agrarisch gebied tussen Vlaanderen en Nederland, gekenmerkt door historische vervuiling met zware metalen, vormt een uitstekende gevalstudie.

Duurzaam bodembeheer: de integratie van vele disciplines de plant-beschikbaarheid van metalen in de grond te verhogen. Dit kan leiden tot een verhoging van de metaalopname door de plant. Om dit te optimaliseren is een grondige kennis van de interacties tussen die bacteriën en hun ‘gastplant’ noodzakelijk.

Het Europese beleid inzake bodemvervuiling convergeert naar een integratie van milieu-, gezondheids-, ruimtelijke-, en economische aspecten. Een dergelijke benadering noemt men ‘Duurzaam bodem-

Toekomstgerichte techniek

beheer’. In 2006 start het CMK met een studie op dit domein gefinancierd vanuit de BOF-middelen. Door Robert Carleer, Theo Thewys, Jaco Vangronsveld en Jan Yperman

De financiële kosten blijken van primair belang bij het ontwerpen van een bodemsaneringsproject. In het geval van zeer grote vervuilde oppervlakten, weliswaar gekenmerkt door een matige pollutie, ligt er een opportuniteit voor de (lage kosten) fytoremediatietechniek (sanering met behulp van planten die de contaminatie verhelpen en waarvan de geoogste biomassa nadien mogelijk kan gevaloriseerd worden). Tot op heden werd de meeste inspanning geleverd op het domein van de milieu-biologie, -scheikunde, -agronomie ter verbetering van de fytoremediatie als werkzame techniek, vooral voor de performantie in het ophalen van zware metalen. Dit onderzoek gebeurt voornamelijk in laboratoria.

Recupereren van kosten De implementatie van fytoremediatie als praktische oplossing werd en wordt verhinderd door de verwachting dat de sanering even snel zou gebeuren als bij klassieke (veel duurdere) saneringstechnieken. Hierbij vertoont fytoremediatie een groot nadeel aangezien het een veel trager proces is. Indien fytoremediatie echter kan gecombineerd worden met inkomsten genererende

 | UHasselt Magazine | oktober 2006

activiteiten, dan zal deze ‘time constraint’ – dikwijls beschouwd als de ‘Achilles hiel’ van fytoremediatie – veel minder belangrijk worden. Het recupereren van kosten, ook als criterium bij de selectie van planten, is het onderwerp van toekomstig onderzoek. In het bijzonder de valorisatie van de geoogste biomassa vertoont toekomstmogelijkheden in het kader van de zoektocht naar hernieuwbare energiebronnen. De fyto-accumulatoren wilg, populier, koolzaad en zonnebloem hebben hierbij interessante valorisatiemogelijkheden en zijn dan ook het voorwerp van onderzoek (zie figuur).

Sleutelelementen De implementatie van fytoremediatie heeft behoefte aan een ruime economische invalshoek, verschillend van de tot nu toe uitgevoerde ruwe schattingen over de ‘prijs’ van fytoremediatie in vergelijking met andere technieken. Sleutelelementen hierbij zijn: • de technische performantie, • de economische ‘leefbaarheid’ ervan, ondersteund door de valorisatie van de biomassa.

Het onderzoek inzake de performantie om de vervuiling weg te nemen blijft natuurlijk essentieel bij het selecteren van een geschikte accumulator-plant. Met het oog op het recupereren van de saneringskosten, zal deze selectie ook oog hebben voor mogelijkheden tot valorisatie van de geoogste biomassa. Verschillende ‘valoriseerbare’ plantensoorten worden getest op hun performantie: koolzaad (levert bio-olie en vergistbare restfractie waarin de metalen zitten), (energie)maïs (kan vergist worden tot bio-ethanol en/of biogas) en wilg en populier (kunnen verbrand of gepyrolyseerd worden). Er worden cultivars uitgezocht die zoveel mogelijk valoriseerbare biomassa opleveren en die, indien mogelijk, zoveel mogelijk metalen accumuleren. Ook worden er nieuwe strategieën ontwikkeld om de metaalopname in deze soorten te verhogen. Hierbij gaat de aandacht uit naar bacteriën in de rhizosfeer (dicht bij de wortel) en binnenin de plant. Beide kunnen, in geval van een goede ‘samenstelling’, de groei van plant bevorderen en dus meer biomassa opleveren. Tegelijkertijd zijn bepaalde bacteriën in staat om de oplosbaarheid en bijgevolg

Inzake de mogelijkheden om de biomassa te converteren tot energie en/of andere waardevolle producten, is pyrolyse een toekomstgerichte techniek. Hierbij wordt vooral gedacht aan flash pyrolyse (snelle verhitting in afwezigheid van zuurstof) en dit bij lage temperatuur. Dit heeft als grote voordeel dat het krakingsproces van hoogmoleculaire verbindingen tot een minimum wordt beperkt, wat de valorisatie naar bio-olie/bio-diesel en/of

als energiebrandstof als naar secundaire grondstof verhoogt. De lage temperatuur zorgt ervoor dat de zware metalen (en metalloïden) achterblijven in het residu (asrest) en dus niet opnieuw in het milieu terechtkomen. Er gebeurt dus een concentratie aanrijking, waardoor een verdere valorisatie/recyclage van de zware metalen haalbaar wordt. De samenstelling van de bio-olie in het kader van recuperatie van chemische producten met toegevoegde waarde (feedstock recycling) al dan niet na upgrading (o.a. derivatisatie) worden eveneens onderzocht. Tenslotte worden de mogelijkheden van co-firing (d.i. het gecombineerd thermisch behandelen met andere afvalstoffen) bestudeerd. Al deze aspecten

kort omloop hout

houtschilfers

worden uitgevoerd in de CMK-laboratoria. Anderzijds is er ook samenwerking met een industriële partner met het oog op een upscaling en industriële toepassing.

Regelgeving Elk remediatieproject moet rekening houden met bestaande regelgeving inzake ruimtelijke ordening en bodemsanering. De analyse van de wettelijke technieken om restricties in het bodemgebruik in het kader van een sanering af te dwingen is dan ook heel belangrijk.

bijstook

wilg/populier

BIOMASSA zonnebloem

pyrolyse: • bio-olie als fuel, en/of als feedstock voor chemicaliën • recuperatie van zware metalen

elektriciteit

biodiesel, bio-ethanol, enz. pure plantenolie

koolzaad

lokale verwerking

verkoop zaden

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 


t h c u l e r e p o r p , d n o r g e r e P ro p Door Robert Carleer, Jan Yperman en Sonja Schreurs

Limburgse Associatie We bouwen eveneens verder aan de samenwerking tussen CMK en de Onderzoeksgroep Nucleaire Technologie van de Xios Hogeschool Limburg, zoals vooropgesteld in het academiseringsplan. De samenwerking resulteerde o.a. in twee doctoraatsbeurzen, toegekend in het kader van de Limburgse Associatieovereenkomst, en in een aantal eindwerken. Binnen de opleiding Nucleaire Technologie vindt dit multidisciplinaire onderzoek aansluiting bij het zwaartepunt milieuonderzoek. Dit zorgt ervoor dat bepaalde opleidingsonderdelen (specifiek milieugerichte en ondersteunende wetenschappelijke) nauw verbonden blijven, met het onderzoek.

Duurzaam bodembeheer integreert aspecten van milieu, gezondheid, ruimtelijke ordening en economie. Fytoremediatie is zo’n duurzame aanpak. De biomassa moet achteraf nog wel verwerkt worden. Daar willen we het hier over hebben. Stofdeeltjes zijn een ander probleem. Hoe kunnen we daar paal en perk aan stellen. Een bijdrage van de Toegepaste Scheikunde.

De strijd tegen vuil in de bodem van biomassa tot bio-olie via flash pyrolyse

Nog meer projecten

Fytoremediatie is een zachte saneringstechniek: speciaal uitgezochte planten onttrekken polluenten, zo-

Andere projecten in het verlengde van thermische behandelingen van afvalstoffen en hun milieu-impact zijn:

als zware metalen en metalloïden, uit de bodem, waardoor bioaccumulatie kan optreden. De fytoremediatietechniek wordt reeds geruime tijd bestudeerd binnen CMK en dit vanuit verschillende invalshoeken.

Formation and partitions of dioxines, surrogates and precursors (2006-2009)

Een belangrijk aspect is het zoeken naar een geschikte verwerkingsmethode van de groene afvalstroom

Flanders-Poland (2003-2006) Wroclaw University of Technology, Wroclaw (in afsluitfase) The potential of catalytic desulphurization and dechlorination in waste materials and in coal.

(biomassa) die verkregen wordt na het oogsten.

Een van de mogelijkheden die door de onderzoeksgroep Toegepaste Scheikunde onderzocht wordt, is de conversie van biomassa tot energie (bio-olie/biodiesel) en waardevolle chemische producten.

Pyrolyse? Pyrolyse is een thermische behandelingstechniek waarbij de biomassa verhit wordt in afwezigheid van zuurstof. Hierbij worden hoogmoleculaire verbindingen door thermische degradatie (kraking) omgezet in kleinere, condenseerbare producten. Alhoewel pyrolyse onder verschillende 10 | UHasselt Magazine | oktober 2006

omstandigheden kan worden toegepast biedt flash pyrolyse het hoogste rendement aan bio-olie. In dit geval is een hoge opwarmsnelheid, een goed gecontroleerde eindtemperatuur (400-500 °C) en een korte verblijftijd van de gevormde vluchtige verbindingen in de reactor vereist. In principe wordt via flash pyrolyse uit biomassa een gasvormige fractie verkregen, een condenseerbare fractie (bioolie) en een vaste asrest. Het opconcentreren van de zware metalen in de asrest wordt beoogd door een geschikte keuze van de pyrolyseparameters.

Bio-olie In het kader van een doctoraatsonderzoek werd een compacte semi-continue reactor gebouwd. Dit laat toe verschillende pyrolyseparameters te onderzoeken en te optimaliseren. Biomassa-gerelateerde parameters worden bestudeerd door verschillende biomassa’s te onderzoeken en te vergelijken. Een ander aandachtspunt is de valorisatie van de geproduceerde bio-olie en de resterende char. Dit vereist een grondige chemische karakterisatie en analyse van zowel de biomassa als de gevormde pyrolyseproducten. Hiervoor wordt

een analysestrategie op punt gesteld waarbij een heel arsenaal van complementaire analysetechnieken wordt ingezet. Een andere uitdaging is het valoriseren via postbehandelingsmethoden waarbij bijvoorbeeld chemische modificaties en co-firings worden uitgetest en geëvalueerd om zowel de calorische waarde te bevorderen als chemische producten met toegevoegde waarde te bekomen.

Het goedgekeurde BOF project (2006-2010) ‘Durable land management of heavy metal contaminated areas. A biological, chemical, economical and juridical approach’ is een interdisciplinair project binnen CMK waar biologen, chemici, juristen en economisten de krachten bundelen om de verschillende aspecten voor duurzaam bodembeheer middels fytoremediatie te bestuderen. Daar hoort de verwerking van biomassa bij.

Flanders-China (2003-2006) Chinese academy of Science, Institute of Coal Chemistry, Tanyuan Transformation and controlling pollutants during coal combustion. Flanders-Poland (2004-2006) Wroclaw University of Technology, Wroclaw Co-pyrolysis of heavy metals containing biomass with coal: an environmental friendly and economical solution.

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 11


En wat met de lucht?

Fijn stof is een belangrijke vorm van luchtverontreiniging en vormt een ernstig probleem voor de volksgezondheid. Interreg IIIA Het Centre de Recherche Metallurgique (CRM) uit Luik, de Rheinische Westfälische Technische Hochschule Aachen(RWTH), de Hogeschool Zuyd(Heerlen) en het CMK (Toegepaste Scheikunde) van de UHasselt hebben hun expertise gebundeld om nieuwe technologieën tegen fijn stof te ontwikkelen. Het project kadert in het Interreg IIIA programma van de Euregio Maas-Rijn en wordt financieel ondersteund door Europa. De UHasselt kan rekenen op een cofinanciering van de Provincie Limburg. Het project focusseert zich op het ontwikkelen en uittesten van innovatieve

Pr 12 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Valorisatie van zware metalen en biomassa na thermische behandeling technieken om fijn stof te agglomereren. De bedoeling is de emissie van fijn stof te beperken. Twee benaderingen worden onderzocht: stofagglomeratie door ultrasoonbehandeling enerzijds en het toevoegen van sticking reagentia anderzijds. Stofclustering wordt hierdoor bevorderd waardoor collectie kan gebeuren door geavanceerde elektrostatische precipitatoren (ESP) gebaseerd op holle elektroden. Het CMK (Toegepaste Scheikunde) staat in voor de chemische karakterisatie en de analyse van het fijn stof vóór en na behandeling.

Carolien Lievens

Optimalisatie van flash pyrolyse van biomassa aangerijkt met zware metalen via fyto-extractie: karakterisatie van bio-olie. Mark Stals

Flash pyrolyse van gecontamineerde biomassa en valorisatiemogelijkheden. Tom Cornelissen

Formation and partitions of dioxines, surrogates and precursors. Palina Tsytsik

g e r ope

p , d ro n

e r e ro p

t h c lu

.

Fijn stof Door hun groot specifiek oppervlak, door hun zeer kleine diameter (< 10 µm) dringen kleine deeltjes tot diep in de longen door. Door de aanwezigheid van polluenten (o.a. zware metalen, PAK’s) verhogen ze het risico op hart- en vaatziekten en luchtwegenaandoeningen aanzienlijk. In 2005 werd de Europese richtlijn 1999/30/ EG van kracht, ze bevatte nieuwe grenswaarden voor fijn stof. In het geval van fijn stof spreekt men van PM10, PM2.5 en PM1 naargelang de deeltjes respectievelijk kleiner zijn dan 10, 2,5 of 1 micron. Per 1 januari 2005 mag het jaargemiddelde niet hoger zijn dan 40 µg/m3. Voor het daggemiddelde geldt een maximale waarde van 50 µg/m3. Een maximale overschrijding van 35 dagen is toegestaan. De fractie PM2.5 neemt steeds in belang toe. In de VS wordt gesproken over een grenswaarde voor het jaargemiddelde van 15 µg/m3. Ook in de Europese Unie zijn nieuwe normen in de maak voor PM2.5.

Doctoraatsonderwerpen

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 13


. cadmium versus levende cellen Onderzoek naar toxische effecten in cellen en de verdediging daartegen

Door Emmy Van Kerkhove en Ann Cuypers

Zware metalen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Van sommige metalen, zware en andere, hebben we heel kleine hoeveelheden nodig. Zo moeten we bijvoorbeeld voldoende - maar ook weer niet teveel - ijzer, koper, mangaan, zink, selenium, kobalt, chroom innemen, om de scheikundige processen in het lichaam optimaal te laten verlopen. Dit zijn essentiële elementen zoals dat heet. Cadmium en lood daarentegen zijn helemaal uit den boze. Deze zware metalen vallen onze cellen aan, evenals trouwens overdosissen van verschillende van de essentiële elementen.

Het halfleven van cadmium in de nier is 10 à 30 jaar. Dat betekent dat het 10 à 30 jaar duurt voor een nier de helft van zijn Cd-inhoud weer verliest. Maar niercellen kunnen slecht beginnen te functioneren, als het cadmium de overhand krijgt. We zien substanties verschijnen in de urine die daar niet horen. Calcium bijvoorbeeld: onze botten ontkalken; kleine eiwitten enz. Niercellen kunnen afsterven en het cadmium opnieuw loslaten. We zien het dan o.a. verschijnen in de urine. Dat betekent dat er al schade kan opgetreden zijn. En dat de guerrilla is uitgebroken en rondwaart in het lichaam. Wat gebeurt er nu zo allemaal wanneer cadmium een cel binnenraakt? Wat zijn vroege, al dan niet reeds toxische, effecten? Dat is wat ons in de celfysiologie bijzonder interesseert. En vooral, hoe kun je zo snel mogelijk weten dat er iets aan de hand is. Vooraleer er al echt schade is opgetreden.

Fundamenteel onderzoek of ‘war against terror’ Om dat te weten te komen is fundamenteel onderzoek nodig naar de eerste verschijnselen in een cel. Welke processen, welke organellen, welke celeiwitten worden door cadmium het eerst aangevallen? Welke nieuwe eiwitten maakt de cel aan ter verdediging? Kun je die meten? Langs welke weg, door welke signalen kan de cel zich verdedigen?

Blootstelling aan cadmium >> Opgenomen door de lever >> Doorgegeven aan de nier >> Verstoring van de nierfunctie: • Verminderde reabsorptie • o.a. verlies van calcium

o.a. kanker

>>

De bloedvaten rond de darm bevatten de vers opgenomen voedingsstoffen, maar ook eventuele ongewenste indringers. Dit bloed wordt eerst naar de lever gestuurd en daar gescreend. De levercellen liggen in de frontlinie: ze halen indringers en schadelijke stoffen weer uit de circulatie en doen er wat mee: onschadelijk maken, wegstoppen, terugsturen naar de darm via het galvocht en zo opnieuw uit het lichaam verwijderen. Cadmium in casu wordt voor het grootste deel tijdelijk opgeslagen, weggestopt in de levercellen, vastgegrepen door de zeven tentakels van een zwavel bevattend eiwit, het metallothioneïne. De thiolgroepen ofte zwavel bevattende groepen op een eiwit zijn immers verlekkerd op een metaal zoals cadmium, ze hebben er een grote affiniteit voor zoals dat heet. De levercellen beginnen nieuw metallothioneïne aan te maken en slaan op die manier de eerste aanval af. Bepaalde levercellen kunnen dit echter niet blijven bolwerken, ze geven er de brui aan en plegen zelfmoord (apoptose) of gaan gewoon kapot (necrose). Het Cd-metallothioneïne ontsnapt weer in de bloedbaan en gaat rondzwerven in het lichaam. Het kan nu alle organen bereiken. En alle eiwitten gaan aanvallen o.a. die thiolgroepen bevatten. Het kan daardoor een waaier van schadelijke effecten veroorzaken.

Guerrilla

Een volgend, erg geviseerd doelwit is de nier. De nieren, kleine organen van amper driehonderd gram, krijgen immers ongeveer een vijfde van het totale bloeddebiet toegestuurd dat door het hart telkens wordt weggepompt. Dat is enorm veel in verhouding tot de rest van het lichaam. Als je weet dat het hart van een volwassen mens in rust zo’n vijf liter per minuut wegpompt, kun je het natellen. Een enorme hoeveelheid bloed is dat op een dag. Van dat bloed wordt telkens een hoeveelheid vocht in de nierbuisjes gefilterd. De niercellen “zien” op die manier de filterbare inhoud van het bloedvocht ongeveer 60 maal per dag passeren. De buisjes zijn enkele millimeter lang, maar het eerste deel ervan, de proximale tubulus, slaagt er meestal in al wat aan cadmium in het niervocht aanwezig is, weg te nemen. Waarom doen die niercellen dat? Om te beginnen zijn ze erop getraind om kleine eiwitten, in dit geval metallothioneïne, te recupereren uit het urinevocht. Dat daar cadmium op vastzit is pech. Verder is het ook zo dat de niercellen meer dan 99 procent van het gefilterde vocht (water, zout) terug naar het bloed sturen. Cadmium zou meer dan honderd keer worden geconcentreerd in het niervocht en zo de niercellen stroomafwaarts kunnen beschadigen. De niercellen gaan hun eigen metallothioneïne aanmaken en stapelen het cadmium op. Ze stoppen het weg. De vijand in krijgsgevangenschap. Voor jaren!

>>

14 | UHasselt Magazine | oktober 2006

De vijand is binnen

De vijand in krijgsgevangenschap

>>

Een guerrillaoorlog:

Cadmium (Cd) raakt heel moeilijk door de huid, maar kan wel in onze lichaamsvochten binnendringen via de ademhaling of via opname doorheen de darm vanuit het voedsel of het drinkwater. Van het cadmium, aanwezig in stofdeeltjes die we inademen, of in sigarettenrook, kan ongeveer 10 tot zelfs 50 procent worden opgenomen in het bloed. 1 à 5 procent van het cadmium uit de darminhoud zou het lichaam worden binnengesmokkeld, naar het bloed toe, via de darmwand.

Osteoporosis Itai-itai (Japan)

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 15


Zandraket (Arabidopsis thaliana) gedurende 3 weken blootgesteld aan verschillende cadmiumconcentraties

Wat we momenteel proberen te onWanneer heeft die cel haar limieten bereikt, en moet ze zich terugtrekken (apoptose)? Of wordt ze zelfs helemaal vernietigd (necrose)?

Een woord over de cellulaire

processen.

Over

oxidatieve stress. Over de balans tussen pro- en antioxidantia. Over de vragen die we ons stellen. Bij de mens, maar ook bij andere organismen zoals dieren, planten, schimmels... treden er in de cellen heel wat biochemische reacties op. Dit om het ‘normale’ functioneren van het organisme toe te laten. Energie is hierbij duidelijk de drijvende kracht. We halen die uit voedsel, water en zonlicht. Cellulaire energieproductie is een aaneenschakeling van processen die enkel goed kan verlopen indien er voldoende zuurstof aanwezig is, vandaar de noodzaak om op tijd en stond onze longen goed vol te zuigen.

16 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Zuurstof is een heel bijzonder molecule. Het is onder normale omstandigheden zeer weinig reactief. Toch weten we allemaal dat roesten een oxidatieproces is, waar zuurstof aan te pas komt. Hoe kan dat? Dat kan omdat zuurstof omzettingen kan ondergaan tot veel schadelijkere, reactieve zuurstofvormen. Gebruik van zuurstof in cellulaire processen is gevaarlijk en vergt dan ook een sterke controle. Om na te gaan of een cel zich al dan niet goed voelt in zijn vel, kunnen we ons de cel best voorstellen als een weegschaal. Aan de ene kant liggen bompakketjes klaar om een aanslag te plegen (pro-oxidantia zoals reactieve zuurstofvormen of ‘ROS’), aan de andere kant liggen de instructies om die aanslagen te verijdelen (anti-oxidantia zoals vitamines en enzymen). Zolang deze twee in evenwicht zijn met elkaar is alles normaal en ondervinden we geen hinder. Door ‘stressfactoren’ zoals ziekte, veroudering, ozon, UV-straling, vervuiling,… kan dit evenwicht verstoord worden in het voordeel van pro-oxidantia. De cel zal dit voelen en het evenwicht proberen te herstellen door ook de anti-oxidantia te laten toenemen. Maar als het onevenwicht te groot wordt, komen de bompakketjes vrij en voeren ze een terreuraanslag uit op de cel. We spreken dan van oxidatieve stress, die schade veroorzaakt aan de cel. De continue terreurdreiging (oxidatieve stress) houdt de cellen zeer alert. Ze zullen snel reageren op veranderingen in de omgeving. Zware metalen kunnen op cellulair niveau oxidatieve stress induceren en dat ligt waarschijnlijk mee aan de basis van de vele (toxische) effecten op orgaanniveau.

Stamcellen en stress: de platworm als ‘proefdier’

derzoeken is of oxidatieve stress een belangrijke link vormt tussen de blootstelling aan zware metalen enerzijds en de uiteindelijke ‘schadelijke’ effecten op het organisme anderzijds. Vandaag wordt er in het CMK onderzoek verricht op enkele organismen. We hopen dit in de toekomst nog verder uit te breiden. De cellulaire processen worden bestudeerd op verschillende niveaus (DNA-RNA-eiwitten-metabolieten). We proberen op die manier om een geïntegreerd beeld te krijgen van de respons op metaaltoxiciteit. Bijzondere aandacht gaat naar de balans tussen pro- en anti-oxidanten.

We willen de geheime tactieken van deze vijand decoderen. Eens we dat kunnen, zullen we beter gewapend zijn om in te grijpen.

Dat vervuiling van het leefmilieu met zware metalen ernstige

Door Tom A

rtois

gevolgen heeft voor mens, plant en dier is algemeen bekend. Het onderzoek naar de precieze effecten van deze metalen en de mechanismen die daarbij een rol spelen is echter nog in volle gang. Essentieel in dit type onderzoek is de keuze van een geschikt testorganisme.

Vrijlevende platwormen (turbellaria) zijn in dit verband uitstekende modelorganismen voor studies naar de effecten van milieuvervuilende stoffen. Ze zijn gemakkelijk te kweken, vertonen verschillende types van toxicologisch responsen en komen talrijk en in alle habitats voor. Bovendien bezitten zij belangrijke fysiologische en biochemische systemen die vergelijkbaar zijn met deze van hogere organismen, met inbegrip van de mens. In de onderzoeksgroep Biodiversiteit, Fylogenie en Populatiestudies hebben we dan ook besloten om de vrijlevende, mariene platworm Macrostomum lignano als testorganisme te kiezen (figuur 1). Deze dieren zijn 1 tot 1,5 mm groot, transparant en leggen in optimale omstandigheden minstens één ei per dag. Zoals alle platwormen beschikt deze soort over een verzameling ongedifferentieerde cellen: de stamcellen of neoblasten. Deze

cellen zijn de enige in het lichaam van de volwassen worm die in staat zijn tot deling. Ze kunnen zich bovendien differentiëren of omvormen tot eender welk ander type cel, waarbij ze dan wel hun delingscapaciteit verliezen. Deze groep van stamcellen staat niet enkel in voor de vervanging van afgestorven weefselcellen (de zogenaamde cell turnover), maar geeft aan de platworm ook een enorme capaciteit tot regeneratie. De dieren zijn dan ook in staat hun volledige lichaam te regenereren wanneer ze gewond geraken. Zo is gebleken dat uit een groep van 4000 cellen een volledig lichaam kan regenereren, en dat terwijl een volwassen individu toch wel uit gemiddeld 25.000 cellen bestaat. Voorwaarde is wel dat het centrale zenuwstelsel onaangetast is, anders kan regeneratie leiden tot misvormingen, zoals het tweekoppig “monster” in figuur 2. Stamcellen kunnen zichtbaar gemaakt wor-

Figuur 1: Een levend exemplaar van het testorganisme Macrostomum lignano

Figuur 2: Tweekoppig “monster” van Macrostomum lignano na regeneratie met een beschadigd centraal zenuwstelsel (naar Egger, In Press).

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 17


Planten onder stress? den met een techniek die enkel delende cellen kleurt. Hierbij maken wij gebruik van een kleurstof die met de fluorescentiemicroscoop zichtbaar kan gemaakt worden (een zogenaamde fluorescente merker). Een voorbeeld hiervan wordt gegeven in figuur 3. Op die manier kan de populatie stamcellen bestudeerd worden in alle mogelijke omstandigheden, ook bij dieren die blootgesteld zijn geweest aan metaalstress.

graden van blootstelling. Bovendien bestuderen we de uiteindelijke bestemming van de neoblasten onder verschillende omstandigheden. Zo kan bijvoorbeeld nagegaan worden of de vervanging van bepaalde weefsels sneller of trager gaat verlopen al naargelang de dieren meer of minder metaalstress ondergaan. Daarnaast worden de effecten van blootstelling aan metalen op het moleculaire niveau verder uitgediept. Aan de hand van subletale metaalconcentraties wordt er een duidelijker en vollediger beeld van de effecten op de werking op metabolisch en eiwitniveau gevormd. Verder worden een aantal aspecten in verband met oxidatieve stress bestudeerd (zie ook artikel ‘Guerrillaoorlog’). De oxidatieve stressinductie wordt enerzijds direct bepaald door gehalten aan reactieve zuurstofvormen te meten (en eventueel te lokaliseren) met behulp van fluorogene merkers. Er wordt daarenboven gekeken naar een aantal aspecten van het antioxidatieve verdedigingssysteem met als doel te achterhalen in hoeverre het organisme zich gaat handhaven bij een realistische blootstelling aan cadmium.

Binnen onze onderzoeksgroep doen we onderzoek naar de macroscopische, microscopische en moleculaire effecten van cadmium en kwik tijdens de regeneratie. Uit een studie met een ander modelorganisme is gebleken dat bij regeneratie het aantal stamcellen in een milieu met zware metalen minder vlug stijgt dan in controle regeneranten. Verwacht wordt dat ook bij ons organisme de regeneratie vertraagd wordt. Om deze hypothese te bevestigen, wordt in de eerste plaats nagegaan wat er gebeurt met het aantal stamcellen bij regenererende dieren. In een volgende stap wordt gekeken naar de morfologische ontwikkeling van de verschillende organen bij verschillende

.

Figuur 3: Exemplaar van Macrostomum lignano waarbij de stamcellen gekleurd zijn met een fluorescente kleurstof (merker). Elk groen stipje is een stamcel.

18 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Kom nou!

d Valcke Door Rolan

Wist u dat bomen, struiken, heesters, land- en tuinbouwgewassen groeien in sterk wisselende omstandigheden? Ze zijn onderhevig aan een grote waaier aan stresstoestanden. Temperatuurschommelingen, droogte of wateroverlast, wind, regen en onweer, fel zonlicht of zware bewolking, bezoedeling door zware metalen of organische producten beuken er maar vrolijk op los. Maar “vluchten kan niet meer”. Nochtans slagen planten er in om op een merkwaardige en eigenzinnige wijze te overleven en zich telkens weer aan te passen aan deze wisselende omstandigheden.

We weten allen dat planten licht nodig hebben om te groeien. Planten beschikken namelijk over een unieke eigenschap: zij absorberen licht, zonne-energie, en gaan dit gebruiken om uitgaande van koolstofdioxide (CO2), water (H2O) en mineralen de eigen lichaamscomponenten zoals suikers en andere biologische verbindingen op te bouwen. Dit proces grijpt plaats in de chloroplasten, gelokaliseerd in de bladeren en wordt ‘fotosynthese’ genoemd (synthese via het licht (‘foto’)) . Een belangrijk ‘afvalproduct’ van dit fotosyntheseproces is zuurstof (O2) waarvan u als lezer afhankelijk bent om zelf te overleven.

En weet u ook dit? Bent u een fervent pizza-eter of lust u graag een pakje friet? Leest u graag een goed boek, zittend in een comfortabele zetel met een lekker glaasje wijn of een

biertje aan de open haard? Zo ja, weet dan dat dit alles het resultaat is van het fotosyntheseproces. Het deeg gebruikt om de pizza te bakken is afkomstig van de zaden van graangewassen; de groenten zoals tomaten, groene pepers en ajuinen, de kruiden, de vruchten zoals appelen en peren, zijn rechtstreekse producten van de fotosynthese. De kaas, het spek en zelfs de ansjovis op uw pizza zijn het resultaat van dieren die planten eten, geproduceerd door de fotosynthese. De zo lekkere, in plantaardige olie gebakken frietjes, rijk aan zetmeel, worden ingepakt in papier, dat net als de bladzijden van uw boek of het hout in de open haard, opgebouwd is uit cellulose. Zetmeel en cellulose zijn polymerisatieproducten van suikers, en ja, ook de alcohol en de tanninen in uw glaasje wijn, aan dit alles ligt het fotosyntheseproces aan de basis.

Lichtenergie De absorptie van lichtenergie en de omzetting ervan in een chemisch bruikbare vorm, het zogenaamde ATP (‘adenosine triphosphate’) vereist de gecoördineerde werking van pigment-proteïnecomplexen. Deze bevinden zich in de interne membraanstructuren, de thylakoïdmembranen, van de chloroplasten. De pigmenten zoals chlorofyl en carotenoïden absorberen de blauwe en rode componenten van zichtbaar licht en komen in een geëxciteerde toestand (de groene component van zichtbaar licht wordt niet geabsorbeerd waardoor planten er groen uitzien). Het energierijke elektron dondert nu als een neerstortende waterval doorheen een reeks membraan gebonden complexen als het ware naar beneden en zal een soort turbine aandrijven, namelijk het enzym dat ATP zal synthetiseren. Het ‘gat’ gevormd in het eerste complex wordt opgevuld door oktober 2006 | UHasselt Magazine | 19


. een elektron dat afkomstig is van de splitsing van water waardoor O2 gevormd wordt. Ons elektron is ondertussen aangekomen in een tussenstation waar het een tweede keer geëxciteerd geraakt door absorptie van lichtenergie. Ook hier zal het elektron naar beneden donderen en uiteindelijk gecapteerd worden door een molecule, het NADP (‘nicotineamide adenine dinucleotide phosphate’), het biologisch reductans. In een tweede reeks van reacties, verzameld in de ‘Calvin-Benson cyclus’, zullen het ATP en het NADPH de CO2 ‘reduceren’ (dus omvormen) tot een suiker (bijvoorbeeld glucose). Zoals we weten is geen enkel systeem 100 procent efficiënt. Ook hier zal een gedeelte van de geabsorbeerde lichtenergie verloren gaan als warmte of worden uitgestraald onder de vorm van licht, maar nu door de plant zelf. Dit proces wordt ‘fluorescentie’ genoemd. Het uitgestraalde licht is steeds rood van kleur. Deze terugstraling (emissie) verloopt via een ingewikkeld patroon (figuur 1). Dit patroon weerspiegelt de wijze waarop de hoger beschreven processen verlopen. Iedere gezonde plant wordt gekenmerkt door haar specifiek fluorescentiepatroon, een soort van ‘barcode’. Door middel van gevoelige CCD-camera’s kan een dergelijk fluorescentiepatroon van een volledig blad of van een vrucht (bijvoorbeeld een appel) in ‘beeld’ gebracht worden (figuur 2). Deze benadering kun je vergelijken met een beeld opgenomen van een stukje landschap vanuit een satelliet. Planten die onder stress geplaatst worden zullen afwijkende fluorescentiepatronen laten zien (figuur 1). De plaats waar een infectie met een virus heeft plaatsgevonden of de route die een zwaar metaal volgt binnen in het blad kan op een ‘eenvoudige’ wijze zichtbaar gemaakt worden. 20 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Beeldanalyse Om dit mogelijk te maken werd in de onderzoeksgroep ‘Moleculaire en Fysische Plantenfysiologie’ een draagbaar fluorescentie-beeldanalysesysteem ontworpen en gebouwd. Hierdoor kan de fysiologische toestand van meerdere plantenorganen zoals bladeren of vruchten, op niet-destructieve wijze gedurende het volledige experiment en op het veld gedurende een volledig groeiseizoen opgevolgd worden. De opnames van fluorescentiepatronen van volledige bladeren en vruchten geeft tevens een goed beeld omtrent de ruimtelijke verdeling. De ‘verspreiding’ van een specifieke stress-factor van bijvoorbeeld een zwaar metaal doorheen een blad kan continue opgevolgd worden.

De fluorescentie-beeldanalysetechniek kan vergeleken worden met de stethoscoop van de arts. Bepaalde afwijkingen van het normale gezondheidspatroon bij de mens kunnen door de arts gedetecteerd worden door met de stethoscoop te ‘luisteren’ naar de patient. Op basis van deze bevindingen zal de arts de patiënt een genezende behandeling voorschrijven of de patiënt doorsturen naar een specialist. Door middel van de fluorescentiebeeldanalysetechniek kunnen wij kijken hoe de plant ‘zich voelt’ en of er al of niet remediërend moet worden opgetreden.

Leer van levensverschijnselen… En meer concreet nu, wie zijn we en met welke topics houden we ons allemaal juist bezig?

Infecties door pathogenen, bezoedeling door zware metalen of organische contaminanten, plotse veranderingen in omgevingsvoorwaarden worden weerspiegeld in een gewijzigde fysiologie van de plant die dit zichtbaar maakt in haar fluorescentie-emissie patronen.

Onderzoeksgroep Moleculaire en Fysische Plantenfysiologie, een moeilijke naam? Schijnbaar wel, maar de termen illustreren wel het interdisciplinaire karakter van de groep. In de verschillende onderzoekstopics vormt ‘plantenfysiologie’ de rode draad. Volgens Van Dale is dit de “leer van de levensverschijnselen van de planten en de wetten welke aan die verschijnselen ten grondslag liggen”. Ze worden benaderd vanuit twee invalshoeken, met name vanuit de ‘moleculaire biologie’, wat betekent: de “wetenschappelijke discipline die zich bezighoudt met de chemische basis van erfelijkheid en celdifferentiatie, door de studie van DNA, RNA en eiwitsynthese” en vanuit een fysisch (of ‘natuurkundig’) oogpunt, wat betekent: “betrekking hebbende op de natuur”.

Figuur 1

Figuur 2

We houden ons bezig met de toestand van planten in gezonde en ongezonde omstandigheden. • Eerst komt de vraag hoe plantengroeistoffen (ook wel eens plantenhormonen genoemd) de groei en de ontwikkeling van planten regelen in normale omstandigheden. We concentreren ons hierbij meer specifiek op de regeling van het fotosyntheseproces. • We verdiepen ons in een ‘geboortefenomeen’, met name de bloemknopvorming en de bloei-inductie bij appel en peer. Net zoals in de eerste topic gaan we na hoe plantengroeiregulatoren dit proces sturen. • Dan kijken we wat er fout kan gaan: we zijn werkzaam in de problematiek rond de infectie van fruitbomen, zoals appel en peer, door een bacterie, de zogenaamde perenvuur bacterie. Infecties zijn meestal catastrofaal. Sinds het verbod van het gebruik van antibiotica, is er slecht één effectieve remedie meer, de boomgaard rooien en opbranden! Wij trachten ‘uit te vissen’ hoe het infectiepatroon verloopt, hoe de bacterie erin slaagt om in de plant te overleven en zich te verspreiden en hoe de plant zelf hierop reageert. Het moet toelaten om een betere methode te vinden om de infectie te lijf te gaan. • We onderzoeken het effect van cadmium (een zwaar metaal) op de groei van de plant en meer specifiek op het fotosyntheseproces bestudeerd. Deze topic sluit nauw aan bij de activiteiten van de groep Milieubiologie.

In al deze onderzoeksgebieden worden niet alleen moleculair-biologische technieken gebruikt maar ook het fluorescentie-beeldanalysesysteem, of m.a.w. de ‘Chlorofyl fluorescentiebeeldanalyse’, die we hierboven beschreven. Het is een meer fysische techniek, die al heel nuttig is gebleken.

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 21


Een paling die na verdoving in de onderkaak van een merkteken werd voorzien en terug in de Witte Nete werd vrijgelaten.

Monitoring van de visfauna in de verlegde Witte Nete Natuurbehoud is belangrijk aandachtspunt voor CMK De Witte Nete, met zijn speciale bewoners zoals de Europees beschermde kleine De nieuwe meanderende beek wordt uitgegraven.

modderkruiper en rivierdonderpad, is nog één van de in Vlaanderen zeldzaam geworden zuivere en visrijke beken. Voor de uitbreiding van een zandgroeve werd beslist om deze beek over een lengte van

Door Alain D

e Vocht

2 kilometer om te leggen. De nieuwe loop kreeg terug haar

Rivierdonderpad (Cottus perifretum) met een groen merkteken onderaan op het rechterkieuwdeksel.

meandering die ze rond 1880 had en werd in een natuurzone met rietgordels ingebed. De realisatie van deze omlegging met natuurherstel werd door het CMK begeleid en in een monitoringstudie wordt het herstel van de nieuwe loop samen met het studiebureau Aeolus onderzocht. Hiervoor werden vissen zoals kleine modderkruipers en rivierdonderpadden met fluorescerende elastomeren gemerkt. Het project en deze beekbewoners kregen hierbij koninklijke aandacht.

de aanwezige populaties duurzaam kunnen behouden worden. Een bijkomend probleem is de isolatie van dit beektraject. Stroomopwaarts vormen een duiker en sifon onder de weg en het kanaal Herentals-Bocholt vismigratieknelpunten. Ook stroomafwaarts blijft ondanks het aanpassen van een oude watermolen nog een migratieknelpunt aanwezig. Hierdoor wordt de spontane rekolonisatie belemmerd.

Van nieuw naar oud Een traject van de Witte Nete in Dessel werd in het voorjaar van 2006 voor de uitbreiding van een zandwinning van SCR -Sibelco omgelegd. In het beektraject dat verdwijnt komen 21 vissoorten voor, waarvan kleine modderkruiper (Cobitis taenia) en rivierdonderpad (Cottus periphretum) zeldzaam zijn in Vlaanderen. Beide soorten genieten bovendien Europese bescherming als Habitatrichtlijnsoort. Vlaanderen heeft dus een verantwoordelijkheid naar Europa toe om deze populaties duurzaam in stand te houden. De populatie kleine modderkruiper in het bekken van de Kleine Nete en in de Witte Nete is de belangrijkste in Vlaanderen. De omlegging van deze waterloop werd in de milieueffectrapportage als 22 | UHasselt Magazine | oktober 2006

mitigerende maatregel voorgesteld. Met het monitoringonderzoek, dat zowel door het bedrijf Sibelco als door de Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie) wordt ondersteund, onderzoeken we de al te vaak verwaarloosde effectiviteit van een dergelijke maatregel. Het onderzoek laat toe om in de toekomst gefundeerde en geoptimaliseerde voorstellen te kunnen formuleren.

Het probleem Het omleggen van een waterloop is een drastische ingreep maar biedt ook mogelijkheden naar herstel toe. Vele van onze waterlopen in zandige gebieden zijn immers rechtgetrokken en uitgediept. Ook dit

deel van de Witte Nete is hier niet aan ontkomen. Het nieuwe tracé herstelt de landschappelijke meandering van de Witte Nete zoals die op het einde van de 19e eeuw aanwezig was. Bij de aanleg probeerden we de noodzakelijke habitats voor beekvissen en meer specifiek de doelsoorten kleine modderkruiper en rivierdonderpad te optimaliseren. Een nieuw aangelegde waterloop blijft echter de eerste jaren nog onstabiel en sterk onderhevig aan erosie. Oevererosie kan in veel sterkere mate optreden omdat de oevervegetatie nog ontbreekt of nog maar recent tot ontwikkeling is gekomen. Het ecosysteem bevindt zich nog in een pioniersfase. Pas na rijping en het stabiliseren van het ecosysteem zal duidelijk worden of

Om landbouwgronden beter te ontwateren en om water sneller af te voeren, werden in het verleden vele beken in Vlaanderen rechtgetrokken. Vaak ging dit gepaard met een sterke achteruitgang van de typische beekflora en –fauna. Vele van onze typische beekvissen zijn momenteel zeer zeldzaam geworden. Beekprik, rivierdonderpad, bermpje, serpeling en kopvoorn komen nog slechts in een beperkt aantal waterlopen voor. Om tot een herstel van deze vispopulaties te kunnen komen moet niet alleen de waterkwaliteit goed zijn maar is ook een goede natuurlijke beekstructuur noodzakelijk. Met het verleggen van de Witte Nete werd

getracht om de loop van de beek te herstellen. De oude kaarten waren daarbij een belangrijk hulpmiddel om de juiste meanderig en sinuositeit te bepalen. Door het ‘gevroet’ van graafmachines, dumpers en bulldozers kreeg de nieuwe beek en vallei vorm. De uitvoering van het project werd continu opgevolgd en bijgestuurd waar nodig. Het was uiteindelijk Koning Albert die de nieuwe beekloop plechtig opende en enkele gemerkte kleine modderkruipers en rivierdonderpadden in hun nieuwe habitat vrij liet.

Gemerkte vissen Het monitoringproject dat de ontwikkeling van deze waterloop volgt, begon met het vangen, merken en overbrengen van de vispopulatie van de oude in de nieuwe loop van de Witte Nete. In de eerste plaats wordt de vispopulatie onderzocht door bemonsteringen met een elektrovistoestel. Deze bemonsteringen worden in het voorjaar en najaar uitgevoerd. Uit deze bemonsteringen wordt informatie bekomen over de soortensamenstelling, de aantallen en mogelijk een indicatie voor de voortplanting van deze soorten in het

nieuwe beekdeel. Het merken van de vissen laat toe om na te gaan of dezelfde vissen aanwezig blijven of migreren. Bij de traditionele bemonsteringen kan immers nooit worden nagegaan of de vissen die bij de laatste bemonstering worden aangetroffen nog dezelfde zijn als bij de eerste. Mogelijk spoelen juvenielen van stroomopwaarts steeds in en migreren ze verder stroomafwaarts in ongunstige omstandigheden (bijvoorbeeld verontreiniging, lage waterstand, te hoge stroomsnelheid). De vissen worden met zichtbare geïmplanteerde fluorescerende elastomeren gemerkt. Deze merkers zijn vervaardigd van siliconen en worden in fluorescerende kleuren geleverd. Ze worden onderhuids geïnjecteerd en zijn uitwendig zichtbaar. De fluorescentie

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 23


Koning Albert, de bedrijfsleiding van SCR-Sibelco en vertegenwoordigers van de UHasselt bij de plechtige opening van de nieuwe waterloop

Het juridisch statuut van de watermolens Een voorbeeld van geïntegreerd milieubeleid Watermolens vormen een belangrijk historisch erfgoed langs vele waterlopen in Vlaanderen. De mens gebruikt immers al 2.000 jaar waterkracht om molenstenen te doen draaien. In de middeleeuwen telde Vlaanderen ongeveer 700 watermolens. Ze werden gebruikt voor de meest uiteenlopende toepassingen: graan malen, hout zagen, olie slaan, papier maken, vlas zwingelen, enzovoort. Vandaag is het aantal watermolens in Vlaanderen herleid tot 358. Het Vlaams Gewest wenst een geïntegreerd milieubeleid rond watermolens te voeren dat diverse doelstellingen realiseert, zoals erfgoedzorg, integraal waterbeleid, landbouw en natuurbehoud. Door An

ne Mie D

laat toe dat de merktekens ook gebruikt kunnen worden bij gepigmenteerde vissen zoals rivierdonderpad. De merkers worden aangebracht in de huid op het kieuwdeksel of van de onderkaak. Deze groepsmerkers zijn vooral geschikt voor populatieonderzoek. Verschillende soorten en leeftijdsklassen kunnen worden gemerkt door combinaties van kleuren en plaatsen waar het merkteken wordt ingebracht. De merkers laten toe om na te gaan of de vissen migreren of zich stroomop- of stroomafwaarts verplaatsen. Ook vissen die zich stoomopwaarts en stroomafwaarts van het onderzoeksgebied bevinden werden gemerkt. Dit stelt ons in staat om na te gaan of deze vissen bijvoorbeeld de oude watermolen kunnen passeren of niet. De bekomen informatie laat toe om de duurzaamheid van de populatie te beoordelen. 24 | UHasselt Magazine | oktober 2006

In een latere fase zal met radiotelemetrisch onderzoek van enkele individuele vissen de habitatbinding en het habitatgebruik worden onderzocht. Hiervoor worden een beperkt aantal vissen gevangen en worden radiozendertjes ingeplant. De vissen worden drie tot zes maanden gevolgd met behulp van een antenne en ontvanger. In tegenstelling tot beide vorige onderzoeksmethodes moeten de vissen niet meer opnieuw gevangen worden. Van op de oever kunnen de vissen worden gelokaliseerd tot op een meter nauwkeurig. Hierdoor kan informatie verzameld worden over het habitatgebruik overdag en ’s nachts of in verschillende seizoenen. Hierbij wordt informatie bekomen over de grootte van het leefgebied (home range) en de door de vissen gebruikte habitats. Bij de bemonsteringen overdag bevinden de vissen in ondiepe waterlopen zich

meestal in hun schuil- of rustplaats. Bij het invallen van de schemering en ’s nachts wordt meestal gefoerageerd en kunnen de vissen zich tientallen of honderden meters verplaatsen naar deze gebieden. Het onderzoek levert dus veel informatie op over het habitatgebruik van beekvissen en over mogelijke knelpunten voor de vispopulatie in Vlaamse beken en rivieren. Uit een vorige studie in een kleinere waterloop bleek het ecosysteem zich zeer snel te herstellen en werd vastgesteld dat de vroeger aanwezige vissoorten in de nieuwe meanderende loop in grotere aantallen voorkomen.

Om die reden gaf de Afdeling Europa en Milieu van de Administratie Leefmilieu (momenteel de Afdeling Internationaal Milieubeleid van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie) de Universiteit Hasselt de opdracht tot het uitvoeren van een studie over het juridisch statuut van de watermolens. De studie, die uitgevoerd werd door juristen die verbonden zijn aan het Centrum voor Milieukunde (CMK), nam een aanvang op 1 maart 2005 en liep over een periode van negen maanden.

Molenrecht Het rechtsstatuut van de watermolens nam in de loop der tijden uiteenlopende vormen aan. Oorspronkelijk beschikte elkeen over het recht om een watermolen op te richten en een stuw of sluiswerk op een waterloop te plaatsen, op voorwaarde dat

raye en

Tom Nu le

ns

hij hierdoor geen schade toebracht aan anderen. Met de komst van de feodaliteit kwam hier echter verandering in. Het molenrecht, het recht om een watermolen op te richten en uit te baten, kwam in handen van de landsheer en de plaatselijke heren. Het stuwrecht, het recht om het water van een waterloop tot op een bepaald peil op te stuwen en daarmee het rad van een watermolen in beweging te brengen, werd een noodzakelijk accessorium van het molenrecht. Diegene die beschikte over het molenrecht, beschikte eveneens over het stuwrecht. Een derde juridisch instrument was het recht van molenban. Dat recht hield in dat een plaatselijke heer de inwoners van zijn rechtsgebied kon verplichten hun graan exclusief op één welbepaalde watermolen, de banmolen, te laten malen. oktober 2006 | UHasselt Magazine | 25


.

Milieubeleid in stroomversnelling Bij een dossier ‘Milieu en natuurbehoud’ denken we onmiddellijk aan wetenschappelijk onderzoek op het vlak van biologie en chemie. Maar we zeiden het al vaker in dit nummer: milieuproblemen zijn altijd multidisciplinair. Een

De taak van de onderzoekers bestond erin na te gaan of het historische molenrecht, het stuwrecht en het recht van molenban nog steeds bestaan en wat hun precieze inhoud is. Wie vandaag een watermolen wil oprichten en uitbaten, heeft daarvoor nog steeds de toestemming van de ‘landsheer of plaatselijke heer’ nodig. De octrooien die in het feodaal tijdperk verleend werden, zijn immers vervangen door stedenbouwkundige vergunningen, natuurvergunningen en milieueffectrapporten. Het recht van molenban werd na de Franse revolutie definitief afgeschaft. De meeste watermolens beschikken echter nog over het stuwrecht, dat gekwalificeerd wordt als een onherroepelijk genotsrecht op het water van een waterloop.

belangrijk wetenschappelijk domein vormt ongetwijfeld het milieubeleid. Precies dit aspect willen we op de volgende pagina’s in de kijker zetten.

Geïntegreerd beleid Om een geïntegreerd beleid rond watermolens te kunnen voeren, wil het Vlaams Gewest een coherent regelgevend kader uitwerken. De onderzoekers werden daarom verzocht een uitgebreide analyse te maken van de regelgeving en het beleid die van toepassing zijn op watermolens. De beleidsdomeinen die aan bod kwamen, zijn de burgerrechtelijke aspecten, de ruimtelijke ordening, de erfgoedzorg, het natuurbehoud en het bosbeheer, het integraal waterbeleid, de vismigratie en de alternatieve energie. De eigenaar of gebruiker van een watermolen moet de rechten van de oevereigenaars van de waterloop waarop de watermolen zich bevindt, respecteren. Zo mag hij het water van de waterloop niet opstuwen tot boven het pegelpeil. Indien hij dat toch doet en er ontstaat schade in hoofde van een derde, kan hij strafrechtelijk en burgerrechtelijk aangesproken worden. 26 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Watermolens zijn binnen het Vlaams Gewest gelegen in zeer diverse ruimtelijke zones. Vaak bevinden ze zich in waardevolle of ruimtelijk kwetsbare gebieden, wat het uitvoeren van werken of handelingen aanzienlijk bemoeilijkt. Zonevreemde watermolens zijn onderworpen aan een restrictiever vergunningsregime dan zone-eigen watermolens.

Monument Ongeveer de helft van de watermolens is beschermd als monument, als onderdeel van een stads- of dorpsgezicht en/of als onderdeel van een landschap. De bescherming brengt een aantal rechten en plichten voor de eigenaar of gebruiker van de watermolen mee.

zonder gevolgen voor de habitatkwaliteit en de vrije vismigratie in de omgeving van de watermolens. Het potentieel ontwikkelbaar vermogen van de inrichting van de bestaande watermolens in het Vlaams Gewest als kleine waterkrachtcentrales bedraagt slechts 4,1 MW. Toch kan de inwerkingstelling van watermolens voor de elektriciteitsproductie economisch verantwoord zijn. Het opwekken van alternatieve energie kan immers een middel zijn om een eeuwenoud monument een hedendaagse functie te geven en zo te bewaren voor de toekomst.

Het succesvolle opleidingsonderdeel ‘Milieubeleid’ in de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen integreert milieueconomische en milieujuridische aspecten van het milieubeleid. De analyse van dit beleid gebeurt vanuit het standpunt van de gemeenschap (de overheid), de bedrijven en de consumenten. De juridische behandeling omvat de bevoegdheden voor het beleid, de milieu- en ruimtelijke planning, het sectorale milieurecht, de sociale regulering, de aansprakelijkheid voor schade aan gezondheid en milieu enz. Economische beleidsinstrumenten omvatten niet alleen de klassieke vormen zoals heffingen en subsidies, maar ook nieuwere voorstellen zoals bijvoorbeeld verhandelbare emissierechten. Verder gaat de economische benadering in op het waarderen van diverse milieubaten. Milieukostenmodellen worden kritisch onderzocht. Dit mondt uit in de kosten-batenanalyse van milieu-investeringen. Ten slotte volgt een analyse betreffende de vraag hoe men de betaalbaarheid van milieumaatregelen kan beoordelen. Dit onderwijs wordt ondersteund door gedegen wetenschappelijk onderzoek. Dit blijkt onder meer uit de drie doctoraten van het departement Economie & Recht die zich momenteel in de eindfase bevinden en die op de volgende bladzijden kort worden voorgesteld.

Watermolens maken gebruik van een stuwsysteem dat het water van een waterloop opstuwt om op die manier een waterrad of turbine in werking te stellen. Het opstuwen van het water blijft echter niet oktober 2006 | UHasselt Magazine | 27


Harmonisatie van milieuaansprakelijkheid in Europa:

Sanering en ontwikkeling van

onderbenutte industriële terreinen: een juridische benadering

een rechtseconomische analyse

Doctoraatsonderzoek Kristel De Smedt

Doctoraatsonderzoek Bernard Vanheusden

In het laatste decennium werd de Europese Unie meermaals gecon-

Bernard Vanheusden startte in 2001 met zijn doctoraatsonderzoek

fronteerd met ernstige, door de mens veroorzaakte, schade aan het

getiteld “Brownfields Redevelopment: naar een duurzame stadsont-

milieu. Het ongeluk in de Roemeense mijn Baia Mare in januari 2000,

wikkeling. Rechtsvergelijkende analyse betreffende de sanering van

waar cyanide zware vervuiling veroorzaakte van de rivier Tisza, is

sites”. Het onderzoek betreft de sanering en de ontwikkeling van

slechts een voorbeeld van de vele incidenten.

brownfields vanuit juridisch oogpunt.

Door dergelijke incidenten en de publieke verontwaardiging die daarmee gepaard gaat, ontstond op Europees niveau belangstelling voor een geharmoniseerde milieuaansprakelijkheidsregeling. Op 21 april 2004 werd de Richtlijn Milieuaansprakelijkheid aangenomen. Het voornaamste doel van de Richtlijn is het vaststellen van een kader voor milieuaansprakelijkheid, op basis van het principe dat de vervuiler betaalt, voor het voorkomen en herstellen van milieuschade.

De term brownfields komt overgewaaid uit de Verenigde Staten. Brownfields zijn verlaten of onderbenutte industriële terreinen of sites waar expansie of ontwikkeling wordt bemoeilijkt door de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging. Vele terreinen liggen in een stadskern. Vroeger was het de gewoonte dat bedrijven dicht bij het stadscentrum werden gebouwd. Het bedrijfsleven moest door de economische expansie echter meer en meer beginnen uitkijken naar nieuwe, grotere oppervlakten, met het gevolg dat heel wat ondernemingen volledig werden getransfereerd naar een plaats buiten de stad. Heel wat terreinen werden onderbenut en de gebouwen erop geraakten vervallen. Vaak ging dat gepaard met een complete verwaarlozing van mogelijke effecten op het milieu. Nu zijn dikwijls hele buurten rond brownfields verloederd en hebben omliggende terreinen sterk aan waarde moeten inboeten. Brownfields hebben echter een actief potentieel voor hergebruik en ontwikkeling in de ruimste zin. De ontwikkeling ervan kan een antwoord bieden op de groeiende vraag naar industrieterreinen. Tegelijkertijd kan het de druk op de resterende open ruimte doen dalen.

Politiek gevoelig item

Harmonisering

.

De totstandkoming van de Richtlijn Milieuaansprakelijkheid(1) had veel voeten in de aarde. Zowel in academische als in politieke kringen werd lang en hevig gediscuteerd over de vraag of Europa milieuaansprakelijkheid kon harmoniseren en of een geharmoniseerde milieuaansprakelijkheidsregeling dan werkelijk beter zou zijn om milieuschade te voorkomen, en eventueel te saneren. Harmonisatie van milieuaansprakelijkheid raakt inderdaad politiek gevoelige begrippen, als subsidiariteit en soevereiniteit. De vraag rijst daarom: welke redenen zijn er om, vanuit rechtseconomisch perspectief, milieuaansprakelijkheid in Europa te harmoniseren?

Het doctoraat van Kristel De Smedt onderzoekt welke redenen er zijn voor de harmonisering van aansprakelijkheidsregels voor milieuschade (specifiek voor bodemschade) in Europa, vanuit een rechtseconomisch perspectief. Zij onderzoekt tevens wat de gevolgen van harmonisering zijn. Het theoretische deel van het onderzoek past public interest en private interest theorieën toe op de Europese besluitvorming en onderzoekt op welk reguleringsniveau milieuaansprakelijkheid best beslist kan worden in een federaal systeem. Als casus wordt dan de Richtlijn Milieuaansprakelijkheid geanalyseerd en worden de redenen voor harmonisatie, zoals aangedragen door de Europese Commissie, getoetst aan het theoretische kader. De bijdrage die dit onderzoek zal leveren, is de bestaande theorie in verband met federalisme verfijnen door een duidelijker beeld te geven van alle factoren en beweegredenen die meespelen bij de harmonisering van aansprakelijkheidsregels voor milieuschade en specifiek voor bodemschade in Europa. De tekst van het doctoraat is zo goed als afgerond. De Doctoraatscommissie wordt binnenkort samengesteld.

Richtlijn ‘betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade’ 2004/35/EG, Pb. L 143/56 van 30.04.2004 1

28 | UHasselt Magazine | oktober 2006

titeit soms niet eens meer te achterhalen is. Bovendien gaat het om vervuilde of mogelijk vervuilde percelen. In veel gevallen is de omvang van de verontreiniging niet bekend en staat de verantwoordelijkheid voor de saneringskosten ter discussie. Daardoor schrikken brownfields heel wat investeerders en projectontwikkelaars af.

Complexiteit

Het is de bedoeling dat aan de hand van de bevindingen in het proefschrift het huidige regelgevende kader in het Vlaams Gewest met betrekking tot brownfieldontwikkeling geoptimaliseerd wordt en het verdere ontstaan van brownfields in de toekomst kan worden tegengegaan. Het onderzoek focust daarvoor hoofdzakelijk op de milieurechtelijke aspecten (bijvoorbeeld bodemsanering, leegstand van bedrijfsruimten). Daarnaast komen onder meer ook privaatrechtelijke (bijvoorbeeld aansprakelijkheid), administratiefrechtelijke (bijvoorbeeld ruimtelijke ordening) en fiscaalrechtelijke aspecten aan bod. Verscheidene van deze aspecten zijn sterk beïnvloed door het Europees recht (bijvoorbeeld initiatieven rond bodembescherming, Milieuschaderichtlijn, kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu).

De overheid is zich bewust van het probleem en grijpt sinds enkele jaren in. Zij botst echter op een onaangepaste wetgeving. De verlaten percelen behoren vaak tot onderscheiden eigenaars, wiens iden-

In eerste instantie zouden we geneigd zijn terug te grijpen naar de wetgeving in verband met bodemsanering, maar het is duidelijk dat de enge benadering

vanuit onze bodemsaneringswetgeving onvoldoende oplossingen biedt voor brownfields. De wetgeving houdt niet voldoende rekening met de complexiteit van sommige situaties. Een perceelsgebonden aanpak slaagt er niet in ten volle de verwachtingen in te lossen en geeft aanleiding tot een weinig slagkrachtige aanpak. De verontreiniging betreft namelijk soms tientallen percelen. Een meer collectieve aanpak van dergelijke verontreinigingen moet mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling van brownfields dient daarom duidelijk in een veel ruimer kader gesitueerd te worden, waarbij onder meer de ruimtelijke ordening, economische ontwikkeling en huisvesting aan bod komen.

Politieke agenda Het onderzoek gaat gepaard met een rechtsvergelijkende analyse van de regimes in de Verenigde Staten, Nederland en de drie Belgische gewesten. De jongste jaren hebben namelijk meer en meer landen deze problematiek op de politieke agenda geplaatst. De regelgeving in het Vlaams Gewest vormt daarbij het uitgangspunt. Het is in de eerste plaats de bedoeling om tot aanbevelingen te komen voor het Vlaamse brownfieldbeleid. Het komt er op aan een coherent geheel van rechtsregels en beleidsmaatregelen voor te stellen. Een betere afstemming van al de toepasselijke juridische regels zou moeten bijdragen tot een duurzamere stadsontwikkeling. oktober 2006 | UHasselt Magazine | 29


De monetaire sociale baten van bodemsanering Doctoraatsonderzoek Frederik Clauw

“Het biolo Univ g e rs i t i e o n d e r w eit H assel ijs aan d e t is e xc e l l OPLEIDINGEN ent”

Decennia lang hebben industriële activiteiten de omgeving waarin wij leven zwaar vervuild. Lucht-

De leden van de onderzoeksgroepen Milieubiologie, Fysische en moleculaire plantenfysiologie

vervuiling en bodemvervuiling krijgen alsmaar een hogere plaats op de agenda van problemen die

en Biodiversiteit, fylogenie en populatiestudies, samen de vakgroep Biologie, zijn de ruggen-

prioritair moeten worden behandeld. Beide kunnen immers een directe bedreiging vormen voor de

graat van de bachelor in de Biologie. Sinds de omvorming naar de BaMa-structuur is deze oplei-

volksgezondheid. Frederik Clauw focust zich in zijn doctoraatsonderzoek op de economische gevol-

ding zeer vernieuwend, aantrekkelijk en modern. En dat is niet onopgemerkt voorbij gegaan: de

gen van bodemverontreiniging, toegespitst op een ‘case study’ in verband met de zware metalen

grote instroom van nieuwe studenten bewijst dat overduidelijk.

(i.c. cadmium) verontreiniging in de Noorderkempen. Door Ernest Schockaert

CMK-expertise

En ten slotte – maar niet het minst belangrijk – worden er in het CMK jaarlijks drie tot vijf doctoraten gerealiseerd. Meerdere van de doctorandi worden daarvoor gerekruteerd bij studenten van andere universiteiten die in het CMK al eerder onderzoek in het kader van hun licentiaatsverhandeling of masterproef deden.

In de bachelor Biologie worden de uiteenlopende CMK-expertise aangesproken maar dit is bijzonder duidelijk in het pakket keuzevakken in het derde jaar, waarin alle onderzoeksgroepen van het CMK een rol in spelen.

s

Overigens wordt er ook in de bachelor Chemie (optie Levenswetenschappen), in de opleidingen Toegepaste Economische Wetenschappen en Verkeerskunde een beroep gedaan op de onderzoeksgroepen van het CMK. In de opleiding Biomedische Wetenschappen spelen de leden van het CMK eveneens een belangrijke rol. Niet alleen komen zij in diverse ‘blokken’ van de opleiding aan bod, maar verzor-

erwij

Momenteel wordt er hard gewerkt aan het organiseren en inrichten van een milieugerichte master binnen de opleiding Biomedische Wetenschappen. Deze opleiding verkeert momenteel nog in een ’embryonaal’ stadium; de ‘geboorte’ voorzien we in het academiejaar 2007-2008.

e/ond

30 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Milieugerichte Master In november 2005 werden in Vlaanderen de biologieopleidingen gevisiteerd (te vergelijken met een externe audit). De Visitatiecommissie was duidelijk gecharmeerd door het curriculum en de wijze waarop het wordt geïmplementeerd. Het definitieve rapport wordt eerstdaags verwacht.

selt.b

Ruimtelijke analysemethodes De centrale onderzoeksvraag van het doctoraat luidt: “Hoe gaan verschillende risico maatstaven voor bodemvervuiling de schattingen voor de sociale baten van een potentieel saneringsprogramma beïnvloeden?” Inzake de dataverwerking en presentatie doen we een beroep op ruimtelijke analysemethodes via een implementatie in een geografisch informatiesysteem. De impact van de afstand tot de vervuilingsbron en van de geschatte cadmiumverontreiniging op de vastgoedwaarde wordt hierbij statistisch geverifieerd. Om de terugkoppeling te maken naar de werkelijke gezondheidseffecten voortvloeiend uit de bodemverontreiniging maken we eveneens gebruik van de resultaten uit epidemiologische studies.

gen zij een volledige major en minor in het derde jaar die zeer in de smaak vallen bij de studenten. Ook worden een belangrijk aantal eindwerken in de Biomedische Wetenschappen gerealiseerd in de onderzoeksgroepen van het CMK.

.uhas /www

Hedonistische prijsmethode Het schatten van de monetaire baten van het ‘gezond maken’ van de bodem is een moeilijke oefening, omdat er hierover geen economische marktwerking is. Om de monetaire baten van een potentiële bodemsaneringsoperatie in te schatten gebruiken we de hedonistische prijsmethode. Deze methode probeert de individuele bereidheid tot betalen voor een goed waarvoor geen markt bestaat (de zuiverheid van de bodem) te achterhalen via het gedrag van individuen op een andere markt (prijzen van onroerend goed). De prijzen van onroerend goed reveleren bijgevolg in een bepaalde mate de bereidheid tot betalen om de risico’s verbonden aan bodemvervuiling te vermijden. We kunnen ons hierbij een huis inbeelden als een samengesteld goed waarbij alle aparte componenten, bijvoorbeeld aantal kamers, oppervlakte, tuin en dus ook bodemkwaliteit bijdragen tot de prijsvorming. De bedoeling is dus de bereidheid tot betalen voor een zuivere bodem uit de prijs te filteren.

In het eerste bachelorjaar is het aantal biologische opleidingsonderdelen sterk toegenomen. De studenten voelen van in het begin aan dat ze tot heuse biologen worden opgeleid. De moleculaire benadering in de biologie draagt daar ongetwijfeld toe bij.

http:/

Er bestaan een drietal manieren om de risico’s verbonden aan bodemverontreiniging te benaderen: wetenschappelijk, sociaal en economisch. De wetenschappelijke benadering probeert te identificeren welk de vervuilende substanties zijn, de verspreidingswegen enz., door het uitvoeren van site onderzoek. Met andere woorden het risico wordt op een formele manier ingeschat. Een toepassing hiervan vinden we in het door het Vlaamse bodemsaneringsdecreet sinds 1995 voorgeschreven oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek. De sociale benadering daarentegen probeert te achterhalen welke de perceptie van de bevolking is ten aanzien van het risico. De invalshoek van economen ligt tussen de vorige twee benaderingen. De aanpak is ook formeel en kwantitatief, maar is tegelijk gebaseerd op menselijke voorkeuren, m.a.w. objectieve (wetenschappelijk) en subjectieve (perceptie) componenten worden geïntegreerd om het risico in te schatten.

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 31


De o pleid ing Milie ucoö rd i n a to OPLEIDINGEN

r–N i ve a u A

... brengt theorie en praktijk bij elkaar. Sinds een tiental jaren moet een groot aantal bedrijven van klasse I een milieucoördinator niveau A aanstellen: een gevolg van het decreet van 19 april 1995 (Belgisch staatsblad 4 juli 1995) over bedrijfsinterne milieuzorg. Bedrijfsinterne milieuzorg heeft een dubbele bedoeling:

KORT nieuws

het stimuleren van duurzame productiepatronen en het beheersen en beperken van de milieubelasting die een bedrijf veroorzaakt.

O F F I C I Ë L E S TA R T van het ACADEMIEJAAR in Hasseltse Grenslandhallen

Door Dirk Franco

eidin gen

32 | UHasselt Magazine | oktober 2006

e/opl

De cursusmodules worden telkens afgesloten met een examen. Een eindverhandeling moet aansluiten op de onderwerpen

selt.b

Voor de eerste cursus meldden er zich 18 cursisten aan. Ondertussen hebben er zich in totaal al 95 cursisten ingeschreven voor deze opleiding en in oktober starten we met de zevende cyclus. Het programma is gespreid over anderhalf kalenderjaar en wordt georganiseerd op vrijdagnamiddag telkens tussen 14 en 20 uur.

die in het programma aan bod komen. Naast de grondslagen van de milieuwetenschappen (chemie, biologie, recht en economie) wordt er uitgebreid aandacht besteed aan zorgsystemen. Vervolgens wordt thematisch overgegaan naar de diverse onderdelen, hierbij worden zowel de juridische, technologische als economische facetten uitvoerig toegelicht. Zowel relationele, sociale en communicatieve vaardigheden als teamwork behoren tot de noodzakelijke tools van een milieucoördinator. Tot slot staan er eveneens een aantal bedrijfsbezoeken op het programma.

.uhas /www

Deze postacademische vorming is erkend door AMINAL en laat masters én mensen met de nodige praktijkervaring toe om het certificaat milieucoördinator niveau A te halen.

http:/

In januari 1997 startte de Limburgse unief met de opleiding Milieucoördinator niveau A. Onder de leiding van algemeen coördinator prof. dr. Dirk Franco werd een programma gemaakt dat beantwoordt aan de voorschriften in het decreet. Hiervoor werd een team samengesteld bestaande uit UHasselt-stafleden en externe docenten, die geselecteerd werden op basis van hun deskundigheid en praktijkervaring. Hierdoor wordt zowel de wetenschappelijke degelijkheid als de praktische relevantie gewaarborgd.

Op 27 september 2006 opende de Universiteit Hasselt, samen met haar partners in de Limburgse Associatie, met name de Provinciale Hogeschool Limburg (PHL) en de XIOS Hogeschool Limburg, het nieuwe academiejaar. Een kleine 3.000 nieuwe eerstejaars starten dit jaar aan UHasselt en de twee hogescholen. De XIOS Hogeschool Limburg mag rekenen op een stijging van 13,5 procent bij de eerstejaars: grotendeels te danken aan het opvallende succes van de nieuwe richting Bouwkunde. “We zijn maandag gestart met de professionele bachelor Bouwkunde waar het Limburgse bedrijfsleven al geruime tijd naar uitkeek. We hadden gemikt op 30 tot 50 studenten, het zijn er uiteindelijk 162 geworden,” aldus een tevreden XIOS-algemeen directeur Dirk Franco. Ook Universiteit Hasselt mag rekenen op 11 procent meer studenten. “Daarmee is UHasselt koploper onder de Vlaamse universiteiten,” benadrukte rector Luc De Schepper. Vooral Geneeskunde scoorde aan de unief met een stijging van 51 procent. En dat heeft dan weer veel te maken met het positieve rapport dat de opleiding van de Vlaamse visitatiecommissie kreeg. Bij de PHL zagen ze een daling, omdat ze vorig jaar opvallend met 20 procent waren gestegen. Meer dan 60 opleidingen biedt de Limburgse Associatie intussen aan en vanaf volgend academiejaar komen er daar normaal nog twee bij: Rechten aan de UHasselt en Pop & Rock aan de PHL. Nieuw is ook de ‘interfacedienst’ die voor meer samenwerking moet zorgen tussen de scholen en het bedrijfsleven. Intussen zijn er 7 spin-offbedrijfjes uit de unief gegroeid maar dat moeten er meer worden: via geld uit het Limburgplan worden twee mensen aan het werk gezet om het onderzoek van unief en hogescholen bij de bedrijven te promoten, te zorgen voor netwerking in het bedrijfsleven én tegelijk de uitvindingen de nodige aandacht en bescherming te geven. De rector kondigde meteen ook een nieuw initiatief aan. “Tot nu toe vonden de gesprekken over de verdere uitbouw van onderzoek en samenwerking voornamelijk plaats binnen de formele structuren die de associatie daarvoor heeft opgezet. Daartoe kan het uiteraard niet beperkt blijven: de eigenlijke initiatieven voor onderzoeksprojecten moeten van onderuit groeien. Daarom is het belangrijk dat de personeelsleden van de partnerinstellingen het lopende onderzoek leren kennen. Om dat te bereiken plant de associatie op 23 november 2006 de ‘Dag van het Onderzoek’, een ideale gelegenheid om collega’s te ontmoeten en kennis te maken met hun onderzoeksprojecten, die zich zowel binnen de academische als binnen de professionele opleidingen situeren.” oktober 2006 | UHasselt Magazine | 33


U N I V E R S I T E I T H A S S E LT b e k r o o n t meest verdienstelijke ALLOCHTONE student

E e r s t e S t o e t d e r T O G AT I in Hasseltse binnenstad Een 45-tal professoren van de Universiteit Hasselt trok op 27 SEPTEMBER 2006 voor het eerst in toga’s – ontworpen door Stijn Helsen - door de Hasseltse binnenstad. Met deze Stoet der Togati willen de beleidsverantwoordelijken de unief een herkenbaar gezicht geven. De korte optocht trok van de ambtswoning van de gouverneur tot aan het stadhuis. Een kleine 100 mensen – veelal familie en vrienden van de togati, maar ook studenten en personeelsleden - stonden alvast bewonderend langs de straat te kijken. De ontvangst door de gouverneur ging gepaard met de uitreiking van de Prijs Erebeheerder Willy Goetstouwers. In het stadhuis werden de togati ontvangen door burgemeester Herman Reynders: “Onze wandeling zal geschiedenis schrijven en is een duidelijke blijk van de band die de unief met haar provincie en de provinciehoofdplaats heeft.” Nadien luisterden proffen en genodigden naar een gesmaakte toespraak van prof. dr. Patrick Reygel over ‘Dokter Willems. Een markante Hasselaar’.

KORT nieuws 34 | UHasselt Magazine | oktober 2006

T O G A’ S , S T O E T É N P E D E L DANNY SMETS trad bij de opening van het nieuwe academiejaar voor het eerst op als pedel van onze universiteit. Daarmee herstelde de UHasselt nog een oude traditie in eer. Een pedel was in de middeleeuwse universiteitssteden “een gezagsdrager die, in toga gekleed en gewapend met een staf, de rector en de professoren moest beschermen tegen het gepeupel”. Hij moest ook examens, promoties en doctoraten aankondigen en openbare aangelegenheden organiseren zoals intredes, kerkdiensten, processies. Voorts stond hij in voor het innen van inschrijvingsgelden en boetes, het bijhouden van een strafregister, het beheer van universitaire gebouwen en de ordehandhaving bij het jonge volkje dat na de cursussen aardig uit de bol kon gaan. Het ambt ontstond aan de universiteit van Parijs in 1245. De eerste pedel van de Universiteit Hasselt is Danny Smets. De inhoud van haar functie is – gelukkig maar - grondig gewijzigd ten opzichte van haar ‘voorvaderen’. “Een pedel heeft nu een louter ceremoniële taak bij officiële plechtigheden”, zegt Danny. “Zo leid ik de Stoet der Togati en zal ik ook aanwezig zijn bij de uitreiking van eredoctoraten. Voorts doe ik gewoon mijn werk bij de administratie van de universiteit: inschrijvingen, infodagen, examenroosters, deliberaties, punten verzamelen, diploma”s opstellen, doctoraten voorbereiden. Zowat alle Vlaamse universiteiten hebben een pedel, aan de KULeuven zelfs één per faculteit.” Over de reden waarom zij als pedel werd aangeduid, zegt Danny: “Ik vermoed dat mijn staat van dienst de doorslag heeft gegeven. Alle medewerkers - academisch of niet, full- of parttime, vastbenoemd of tijdelijk - krijgen hier een volgnummer en ik heb nummer zes van de plusminus tweeduizend toegekende nummers. De houders van de eerste vijf nummers zijn ofwel overleden of niet langer in dienst. Met mijn start in 1972 heb ik dus de grootste anciënniteit en waarschijnlijk was dat de reden waarom men mij pedel heeft gemaakt.”

,

Met de Bijzondere Prijs Erebeheerder Willy Goetstouwers wil de Universiteit Hasselt jaarlijks een allochtone student of medewerker in de kijker zetten. Zo wil de universiteit rolmodellen creëren om andere allochtone jongeren ertoe aan te zetten om naar het hoger onderwijs te gaan. “In Limburg zijn er 12 tot 15 procent allochtonen, maar aan onze universiteit studeert amper 5 procent. Om meer allochtone studenten naar de unief te krijgen, willen we een ambassadeur creëren,” stelde rector Luc De Schepper. “Die vonden we in de persoon van UGUR YILDIRIM, een pas afgestudeerde handelsingenieur uit Beringen”. Uit handen van Ivo Vandekerckhove, hoofdredacteur van Het Belang van Limburg, kreeg de laureaat een cheque van 1.250 euro. “Zoals veel allochtonen twijfelde ook jij eerst om de stap naar de unief te zetten. Je dacht dat het te moeilijk was. Maar gelukkig, mede dankzij de steun van je ouders, heb je die stap toch gezet. Da’s belangrijk: want jouw toekomst, is ook onze toekomst,” prees Ivo Vandekerckhove. De hele familie van Ugur was voor de gelegenheid afgezakt naar de statige gouverneurswoning van Steve Stevaert. Ugurs moeder werd er letterlijk en figuurlijk in de bloemetjes gezet. Zelfs de Turkse ambassadeur woonde de plechtigheid bij. “Ik sta er zelf van te kijken”, zei een beduusde Ugur. “Zoveel aandacht had ik niet verwacht. Maar ik ben blij, zeker voor mijn familie. Want deze prijs is vooral een waardering voor hun inspanningen.” Zijn ouders, van Turkse afkomst, hebben vijf zonen. Vier van hen hebben met succes hogere studies gedaan. Maatschappelijk werker, graduaat elektromechanica en twee afgestudeerde handelsingenieurs. De jongste zit nog in het middelbaar. Ugur zelf had op het einde van de plechtigheid ook een boodschap: “Voor de autochtone bevolking: ‘Kijk, we kunnen het toch, we zijn niet zo anders’. En voor de allochtonen: ‘Kijk, jullie kunnen het, zorg dat je je doel behaalt’.”

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 35


Vlaamse regering principieel akkoord met voorstel BACHELOR RECHTEN

BIOMED sluit akkoord met VIB

Op voorstel van minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke, heeft de Vlaamse Regering op 22 september 2006 principieel ingestemd met het voorstel van de Universiteit Hasselt om in samenwerking met de KULeuven en de Universiteit Maastricht een bacheloropleiding in de Rechten op te starten. Het voorstel moet nu nog worden voorgelegd aan de NederlandsVlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), die de onderwijskwaliteit van het voorstel zal toetsen. Als ook de NVAO het voorstel positief heeft beoordeeld, kan de Vlaamse regering de definitieve toelating geven om de opleiding in te richten. Deze hele procedure zal rond feburari 2007 zijn afgerond. Eerder beoordeelde de Erkenningscommissie de aanvraag voor een bachelor Rechten negatief. De UHasselt heeft van de mogelijkheid gebruikgemaakt om een hernieuwde aanvraag in te dienen bij de Vlaamse regering. Met een gezamenlijke organisatie tussen drie universiteiten (Universiteit Hasselt, Universiteit Maastricht en Katholieke Universiteit Leuven) komen we nu tegemoet aan de bezwaren van de Erkenningscommissie. Er komt immers geen volledig nieuwe opleiding, maar wel een gezamenlijke opleiding met een belangrijke deelname vanuit de KULeuven, vooral voor wat het Belgisch recht betreft. Door deze samenwerking blijven de extra investeringen ook beperkt en wordt er optimaal gebruikgemaakt van de capaciteit die reeds in Vlaanderen aanwezig is. De krachtenbundeling past helemaal in de plannen van Frank Vandenbroucke voor rationalisatie van het hoger onderwijs. De opleiding creëert immers een betere kwaliteit door samenwerking en specialisatie. Door te bouwen op de bestaande onderzoekssamenwerking tussen de KULeuven en de Universiteit Maastricht zijn er garanties voor een goede verwevenheid van onderwijs met onderzoek en een goede sturing van het onderzoek. De nieuwe, gezamenlijke opleiding wil zich van bestaande opleidingen onderscheiden door de inhoudelijke Europees rechtsvergelijkende aanpak en de vernieuwende onderwijskundige invulling.

U H A S S E LT h e e f t n u o o k e e n

Het Biomedisch Onderzoeksinstituut (BIOMED) van de Universiteit Hasselt heeft een samenwerkingsakkoord afgesloten met de technologietransferdienst van het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB). VIB zal BIOMED ondersteunen bij de omzetting van de eigen onderzoeksresultaten in producten ten dienste van de patiënt. VIB zal zijn expertise ook mee inzetten bij de realisatie van nieuwe spin-offs van de UHasselt in het domein van de levenswetenschappen. Prof. dr. Piet Stinissen, directeur van BIOMED: “Via deze overeenkomst kunnen we nu voor de valorisatie ons eigen onderzoek samenwerken met een topinstituut in Vlaanderen. Die samenwerking is van groot belang voor de groei van ons onderzoeksinstituut, maar biedt ook belangrijke perspectieven voor onze regio. De samenwerking met VIB brengt immers belangrijke expertise naar Limburg voor de uitbouw en versterking van de biotech en medische technologie sector, en past perfect in de plannen die we hiervoor samen met de lokale overheid en LRM trachten te ontwikkelen.“ Dr. Rudy Dekeyser, vice-algemeen directeur van VIB en directeur van de tech-transferdienst van VIB: “De biotechnologie sector zit sterk in de lift in Vlaanderen. VIB heeft de ambitie om een sterke katalysator en partner te zijn in deze groei. De recente oprichting van VIB’s zesde start-up en de opening van VIB’s tweede bio-incubator vorige week zijn illustraties van deze ambitie. We zijn verheugd dat we nu ook samenwerken met BIOMED en de Universiteit Hasselt en hopen op deze manier ook een bijdrage te kunnen leveren aan de versterking van de levenswetenschappensector in Limburg.”

BIOMED-onderzoek in

WETENSCHAPSWINKEL Vanaf dit academiejaar participeert de UHasselt in ‘Wetenschapswinkel’, een initiatief van de Vlaamse regering in het kader van het actieplan ‘Wetenschap maakt Knap’. Een Wetenschapswinkel is een virtuele winkel waar non-profitorganisaties terechtkunnen voor wetenschappelijke ondersteuning in de vorm van onderzoek en advies tegen een zo laag mogelijke kostprijs. Vele organisaties zijn op zoek naar wetenschappelijke antwoorden op maatschappelijke vragen. De Wetenschapswinkel treedt op als bemiddelaar bij het zoeken naar antwoorden op deze vragen en brengt de organisaties in contact met studenten en wetenschappers van de universiteit. Anderzijds creëren deze vragen extra mogelijkheden voor maatschappijgericht onderzoek aan de UHasselt. Meer info vindt u op

www.uhasselt.be/wetenschapswinkel

KORT nieuws 36 | UHasselt Magazine | oktober 2006

‘Journal of Proteome Research’ Het gerenommeerd vaktijdschrift ‘Journal of Proteome Research’ plaatste in haar julieditie een artikel van het Biomedisch Onderzoeksinstituut in de schijnwerpers. Deze highlighted papers verschijnen op de startpagina van de webversie van het tijdschrift en krijgen zo extra aandacht. In dit artikel beschrijft de BIOMED-proteomicagroep onder leiding van professor Johan Robben de resultaten van hun zoektocht naar eiwitten die specifiek zijn voor multiple sclerose. De onderzoekers slaagden erin om 148 eiwitten te identificeren in het ruggenmergsvocht van multiple sclerose- en controlepatiënten. Zestig eiwitten werden voor het eerst aangetoond in ruggenmergsvocht. De eiwitten die uitsluitend werden teruggevonden bij multiple sclerosepatiënten komen in aanmerking voor validatie als kandidaat-biomerkers in multiple sclerose. oktober 2006 | UHasselt Magazine | 37


UNIEK STUDIECENTRUM voor revalidatieonderzoek bij MS-patiënten De Provinciale Hogeschool Limburg (PHL) en de UHasselt openden op 1 september een nieuw studiecentrum voor revalidatieonderzoek bij MS-patiënten. In dit studiecentrum zal wetenschappelijk onderzoek worden uitgevoerd naar nieuwe revalidatiebehandelingen voor multiple sclerose (MS). De PHL zal voor dit onderzoek nauw samenwerken met het Biomedisch Onderzoeksinstituut (BIOMED) van de Universiteit Hasselt. De PHL en UHasselt versterken zo hun onderzoekssamenwerking in de Limburgse universitaire associatie. De opening van het studiecentrum in Hasselt is het resultaat van een vruchtbare samenwerking tussen het departement Gezondheidszorg van de PHL en het Biomedisch Onderzoeksinstituut van de UHasselt. In dit studiecentrum zullen vorsers van de PHL en de UHasselt samen onderzoeken welke bewegingsprogramma’s geschikt zijn voor MS-patiënten. MS is een ontstekingsziekte van het zenuwstelsel waarbij geleidelijke verlamming optreedt. De ziekte is ongeneeslijk maar er bestaat medicatie die het ziekteproces kan vertragen. Over de rol en effecten van bewegingsprogramma’s bestaat veel onduidelijkheid. Recente studies tonen aan dat aangepaste bewegingsprogramma’s positieve effecten kunnen hebben op spierkracht en functionaliteit zonder een toename van MS-symptomen. Op die manier kan dit de algemene levenskwaliteit ver-

beteren. De Hasseltse onderzoekers, onder leiding van prof. dr. Bert Op ’t Eijnde van de PHL en prof. dr. Piet Stinissen van de UHasselt, willen nu bestuderen op welke wijze geschikte revalidatieprogramma’s de levenskwaliteit bij MS-patiënten kunnen bevorderen. Dit onderzoeksprogramma wordt gefinancierd door het Vlaamse IWT (het Instituut voor de Aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) en verloopt in samenwerking met diverse regionale ziekenhuizen, MS-klinieken en de MS-liga. Er wordt ook samengewerkt met bedrijven in de medische sector. Aan de studie zullen ongeveer 50 patiënten deelnemen. Geïnteresseerde personen kunnen

contact opnemen met de projectleiders. De samenwerking tussen de PHL en UHasselt past in de zogenaamde academisering van de hogeschoolopleidingen. Kinesitherapie (PHL) is één van de opleidingen waarvoor die academisering – dat wil zeggen de opleidingen meer baseren op de onderzoekscapaciteit van de unief of hogeschool - moet gebeuren. De associatiefaculteit Kinesitherapie begeleidt de uitbouw van gezamenlijke onderzoeksprogramma’s tussen hogeschool en universiteit in het domein van de revalidatiewetenschappen. De opening van het nieuwe studiecentrum en de start van het MS-onderzoeksprogramma is een eerste concreet resultaat van deze associatiefaculteit.

D o o r b r a a k r o n d S O C I A L E R E G I S T R AT I E VA N S T U D E N T E N v a n h e t H o g e r O n d e r w i j s in Limburg De Universiteit Hasselt engageerde zich in haar Opdrachtverklaring om “Jongeren uit alle samenlevingsgroepen gelijke onderwijskansen te bieden”. Een werkgroep, waarvan alle Limburgse hogescholen en de UHasselt deeluitmaken, onder voorzitterschap van erebeheerder Willy Goetstouwers en vicerector Mieke Van Haegendoren, bereikte een akkoord rond een gemeenschappelijke sociale registratie van studenten. Acties naar specifieke groepen is maar mogelijk als deze groepen geïdentificeerd kunnen worden in het geheel van de studentenpopulatie. Hetzelfde geldt voor de opvolging van de instroom en de studievoortgang van welbepaalde groepen. De verzameling van gegevens zoals thuistaal, herkomst en gezinssituatie bieden de mogelijkheid tot een gerichte aanpak en het herkennen en wegwerken van onbedoelde drempels.

EEN GEZOND HART VOOR IEDEREEN Voor de Universiteit Hasselt staat de ontwikkeling het menselijk potentieel van haar studenten en personeelsleden centraal. De universiteit wil niet enkel een boeiende plek bieden om te studeren en te werken maar tevens op het vlak van gezondheid de hoogste kwaliteit bieden. Een voorbeeld hiervan is het rookstopbeleid dat twee jaar geleden van start is gegaan, ruim vooraleer het wettelijk verplicht werd. Verder wordt sinds enkele jaren het sporten en het gebruik van de fiets en openbaar vervoer gepromoot. De Universiteit Hasselt geeft bijvoorbeeld reducties voor meerdere sportfaciliteiten in de omgeving. Op initiatief van de rector en de beheerder gaan er in samenwerking met de arbeidsgeneesheer dit academiejaar drie nieuwe gezondheidsbevorderende projecten van start: Y preventieve medische onderzoeken voor personeelsleden vanaf 45 jaar; Y extra aandacht voor ‘gezonde voeding’; Y de optimalisatie van de EHBO met o.m. voorziening van een automatische externe defibrillator.

“Een universiteit met een hart” is aan de UHasselt dus duidelijk geen loze uitdrukking.

KORT nieuws 38 | UHasselt Magazine | oktober 2006

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 39


‘ N V O N D E R N E M E R S TA L E N T ’ leidt ondernemers op Een initiatief waarmee de UHasselt de creatie van nieuwe bedrijven wil bevorderen, is de ‘NV Ondernemerstalent’. Ondernemerschap scoort bij hogeropgeleiden nog steeds ondermaats in Vlaanderen. Daarom werd het idee opgevat om studenten de kans te geven om al tijdens hun studies een eerste praktische ervaring met het ondernemerschap op te doen. De faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen van de UHasselt heeft hiertoe een ‘NV Ondernemerstalent’ opgericht, in samenwerking met Dexia en de LRM als externe kapitaalverschaffers. Deze nv biedt de studenten de mogelijkheid om een eigen onderneming op te richten, autonoom hun bedrijf te organiseren en te beheren en dit voor de minimumduur van een jaar. De ‘NV Ondernemerstalent’ gaat dit jaar van start en zal gedurende dit eerste jaar enkel toegankelijk zijn voor de studenten TEW en Handelsingenieur. Bedoeling is om dit initiatief al volgend academiejaar uit te breiden naar alle faculteiten van de UHasselt en later ook naar de academische opleidingen aan de XIOS Hogeschool Limburg en de Provinciale Hogeschool Limburg (PHL). Daarbij zal aangesloten worden bij de reeds lopende initiatieven inzake ondernemend opleiden en de ‘Virtuele Onderneming’ aan de hogescholen.

“tUL is een interessante P R O E F T U I N V O O R E U R O PA” “De transnationale Universiteit Limburg is een interessante proeftuin voor onze plannen rond een doorgedreven samenwerking tussen universiteiten op Europees niveau en komt op het juiste moment om ons langetermijnbeleid voor te bereiden.” Dat heeft Europees commissaris voor Onderwijs Jan Figel deze zomer gezegd in een gesprek met een ‘inter-Limburgse’ delegatie bestaande uit de rectoren Luc De Schepper (Universiteit Hasselt) en Gerald Mols (Universiteit Maastricht), de voorzitters Theo Kelchtermans (UHasselt) en Jo Ritzen (UM) en de Belgisch-Limburgse Europarlementsleden Ivo Belet (CD&V) en Frieda Brepoels (N-VA). Eigenlijk kwamen de Limburgers bij Figel pleiten voor een Europees statuut op korte termijn voor de tUL, de eerste grensoverschrijdende universiteit in Europa, die met name Jo Ritzen en Theo Kelchtermans graag omgedoopt zouden zien tot ‘Europese Universiteit Maastricht-Hasselt’. Figel was verrast te horen dat de universiteiten van Hasselt en Maastricht in het kader van de tUL al gezamenlijke diploma’s aanbieden. Hij vindt de tUL een interessant proefproject om het langetermijnbeleid van de Europese commissie voor te bereiden, en dat hij daarom wil steunen. De EUcommissaris werkt aan een commissievoorstel voor de vereenvoudiging van samenwerking tussen universiteiten over de landsgrenzen heen dat klaar zou moeten zijn tegen volgend voorjaar.

KORT nieuws 40 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Uitbouw van de L I M B U R G S E W E T E N S C H A P S PA R K E N De Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) en het stadsbestuur van Genk hebben een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling van het mijnterrein van Waterschei. LRM verkoopt het mijnterrein van Waterschei aan het stadsbestuur, dat als nieuwe eigenaar een actieve rol wil opnemen in de ontwikkeling van de site tot hoogwaardig bedrijvenpark. Op dit bedrijvenpark komt ook een wetenschapspark dat ontwikkeld wordt door de Leuvense én de Limburgse Associatie. Een glunderende burgemeester Jef Gabriëls zegt hierover: “Wetenschapsparken vormen een belangrijk instrument bij het stimuleren van een kennisintensieve economie. Door de bedrijvigheid die op wetenschapsparken ontstaat, wordt innovatief onderzoek op een visibele manier omgezet in economische activiteit en tewerkstelling. Dankzij het partnership met de UHasselt en op basis van de innovatie-inspanningen van de KULeuven en haar Associatie, zal het mogelijk zijn om het wetenschapspark Waterschei uit te bouwen tot een dynamische kern van economische groei en welvaartscreatie.” UHasselt-rector Luc De Schepper vult aan: “De UHasselt is bijzonder actief op het vlak van toegepast onderzoek. In Vlaanderen is zij in relatieve termen zelfs koploper: de UHasselt richtte tot nu toe een zevental spin-off bedrijven op, en de omvang van de portefeuille aan contractonderzoek voor bedrijven bedroeg in 2005 maar liefst 60 procent van de werkingstoelage van de universiteit. We zijn verheugd dat we samen met de KULeuven tot een principiële overeenkomst zijn gekomen om de beide Limburgse wetenschapsparken verder uit te bouwen. We zullen dat wellicht doen via kruisparticipatie in de beheerscomités: de UHasselt krijgt een zetel in het wetenschapspark in Waterschei en wij kunnen de KULeuven een zetel aanbieden in het wetenschapspark in Diepenbeek. Bovendien zullen we samen een paritair overlegcomité vormen dat bepaalt welk type bedrijven de respectievelijke wetenschapsparken zullen aantrekken.” KULeuven-rector Marc Vervenne noemt deze ontwikkeling een begin van een beloftevolle samenwerking: “De besprekingen met de UHasselt zijn op voet van gelijkwaardigheid verlopen. Limburg mag ons niet zien als de oude Leuvense Alma Mater die deze regio wil kolonialiseren. Integendeel, wij willen samen initiatieven nemen die ten goede komen aan de ontwikkeling van de Limburgse regio. Mét respect voor ieders eigenheid en met een grote openheid naar Europa.”

© White Light

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 41


KINDEREN OP DE UNIEF

Universiteit Hasselt Magazine is het infoblad van de Universiteit Hasselt. Het verschijnt viermaal per jaar en is gratis voor alle geïnteresseerden in universitair onderwijs en onderzoek. Universiteit Hasselt Magazine is de opvolger van het LUC-Nieuws (1981-2005).

Kinderen van personeelsleden van de

KIEKEBOE!!

UHasselt konden de eerste twee weken van juli deelnemen aan een sport- of kleuterkamp. Er is een hele campus om ‘ontdekkingen’ te doen, maar de kids

colofon

gingen ook op uitstap naar de kinderboerderij en het sport- en speelbos in Kiewit. “In totaal waren er zo’n 80 kinderen op kamp,” vertelt sportcoördinator Dries Schuurmans. “Als herkenning kregen ze allemaal een t-shirt met de veelbelovende tekst ‘Future Master of

Redactieraad Luc De Schepper | Betty Goens | Marie-Paule Jacobs | Geert Molenberghs | Marjan Vandersteen | Mieke Van Haegendoren | Ingrid Vrancken

the University Hasselt’.”

Eindredactie Ingrid Vrancken | Communicatieverantwoordelijke UHasselt

Zakdoek leggen niemand zeggen...

Vormgeving Gisèle Doise | Grafisch medewerkster UHasselt

Foto’s Marc Withofs | Fotograaf UHasselt Mine Dalemans

Secretariaat Linda Bradt | Administratief medewerkster UHasselt

Druk Drukkerij Profeeling | Beringen

Verantwoordelijke uitgever Marie-Paule Jacobs | Beheerder UHasselt

KORT nieuws 42 | UHasselt Magazine | oktober 2006

Universiteit Hasselt | Campus Diepenbeek | Agoralaan – Gebouw D | BE-3590 Diepenbeek tel.: 011 26 81 11 fax: 011 26 81 99

oktober 2006 | UHasselt Magazine | 43


COLUMBUS HAD ER ÉÉN, WIJ HEBBEN ER ACHT.

ONZE ACHT ONDERZOEKSINSTITUTEN: INSTITUUT VOOR GEDRAGSWETENSCHAPPEN - SEIN

Diversiteitsbeleid Vrouw en management Personeelsbeleid Veiligheid Lokaal bestuur

CENTRUM VOOR STATISTIEK - CENSTAT Data-analyse Volksgezondheid Klinische studies

INSTITUUT VOOR MATERIAALONDERZOEK IMO Geavanceerde materiaalsystemen Materiaalsystemen voor elektronica Biosensoren Materiaalanalyse

INSTITUUT VOOR MOBILITEIT - IMOB Verkeersveiligheid Mobiliteit

KENNISCENTRUM VOOR ONDERNEMERSCHAP EN INNOVATIE - KIZOK

BIOMEDISCH ONDERZOEKSINSTITUUT BIOMED

EXPERTISECENTRUM VOOR DIGITALE MEDIA EDM

CENTRUM VOOR MILIEUKUNDE - CMK Milieutoxicologie en -sanering Omgevingsstudies Milieueconomie Milieurecht

KMO’s en familiebedrijven Corporate governance & finance Innovatie en internationalisatie Regionale omgevingsindicatoren

Computer graphics Multimedia- en communicatietechnologie Mens-machine interactie

Neuro-inflammatoire en auto-immune ziekten Cellulaire en moleculaire biotechnologie

PRAKTIJKGERICHT INNOVATIEF ONDERZOEK VOOR ONDERNEMINGEN DIE KIEZEN VOOR DE TOEKOMST Voor wetenschappelijk onderzoek van topkwaliteit hoeft u niet ver te gaan. De Universiteit Hasselt doet immers veel meer dan enkel jongeren opleiden. Ook onderzoek speelt een belangrijke rol binnen onze unief. Maar liefst acht onderzoeksinstituten, goed voor meer dan 300 onderzoekers, zijn verbonden aan onze universiteit. En de opgebouwde expertise? Daar kunnen alle KMO’s en bedrijven via contractonderzoek en consultancy een beroep op doen.

U N I V E R S I T E I T VA N D E T O E K O M S T

INFO: MARK SMEYERS, TEL. 011 26 80 02, MARK.SMEYERS@UHASSELT.BE, WWW.UHASSELT.BE/ONDERZOEK/INSTITUTEN


magazine-04-06