__MAIN_TEXT__

Page 1

15 SEPTEMBER 2016

MAGAZINE VAN DE TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN

De Opdracht: De techneut en zijn praatjes: het belang van soft skills

CEO SHELL MARJAN VAN LOON: ‘BRABANDERS ZIEN SNELLER DAT EEN GLAS HALFVOL ZIT’

TRIP DOWN MEMORY LANE: VERSTREKEN JAREN, GEBLEVEN TU/eVRIENDSCHAPPEN


02

FORWARD/

Steven Vos (1976), hoogleraar Design & Analysis of Intelligent Systems for Vitality & Leisure Time Sports. Zijn intreerede houdt hij op de vrijdag voor de Marathon Eindhoven, op zijn veertigste verjaardag: 7 oktober 2016.

s.vos@tue.nl

TEKST NORBINE SCHALIJ FOTO BART VAN OVERBEEKE

Rode draad

‘Na een studie sociale psychologie aan de KU Leuven ging ik aan de slag bij een spin-off van die universiteit, een onderzoeksbureau waar ik met economen en sociologen samenwerkte. Met bèta-onderzoek kwam ik vervolgens in contact als R&D-manager bij een privaat expertisecentrum en vervolgens ging ik promoveren in de bewegingswetenschappen aan mijn alma mater. Na postdocwerk daar ging ik werken in Nederland bij Fontys Sporthogeschool (FSH). Daar ben ik als lector verantwoordelijk voor de onderzoeksgroep ‘Move to be’. Door samenwerking met de TU/e ben ik gekomen waar ik nu ben; deeltijd hoogleraar breedtesport en vitaliteit. Hoe kunnen we slimme oplossingen gebruiken om mensen hun leven lang te laten sporten en bewegen? In het zoeken naar een antwoord op deze vraag komen al mijn domeinen bij elkaar.’

Marathon

Doelgroep Kruisbestuiving ‘Ik ben mijn eigen doelgroep. Ik ben zo iemand die graag wil sporten, maar het lastig vindt om dat te combineren met een baan waar ik ten volle voor ga én met mijn gezin - mijn vrouw en twee zoontjes van 6 en 2 jaar voor wie ik graag thuis wil zijn. Ik houd van hardlopen en fietsen, hoewel ik momenteel sukkel met blessures. Nu sport ik binnenshuis op een racefiets op een rollerbank.’

‘Tijdens studies naar het profiel van deelnemers aan hardloopevenementen in 2013 kwam ik in contact met Industrial Design (ID). In hardlooponderzoek vonden we een gezamenlijke passie. De samenwerking werd intensiever: de TU/e wilde iets met sport en wij deden iets met sport. We startten in 2014 met een gezamenlijk promotietraject waarbij een medewerker van FSH aio werd bij ID. Decaan Aarnout Brombacher en ik zijn zijn promotoren. En nu heb ik een eigen leerstoel.’

‘Aan de TU/e heb ik een kamer in Laplace; ik ben daar iedere maandag. Maar ook op andere dagen kom ik op de campus. Mijn werk op FSH en TU/e zijn zeer verweven met elkaar. Een van de opdrachten van mijn leerstoel is verbinding maken met diverse faculteiten. Ik heb al contacten met Data Science, Industrial Engineering & Innovation Sciences en de stedenbouwkundigen bij Bouwkunde. Ik beweeg me ook in de strategische alliantie met Universiteit Utrecht.’

TOLK

‘Ik voel me soms een tolk tussen Belgen en Nederlanders. Bij overleggen met beide nationaliteiten zeg ik tegen Nederlanders dat ze niet ongerust moeten worden wanneer ze niet direct iets horen. En tegen Belgen dat ze niet moeten schrikken van de directheid. Bij vergaderingen in België worden echte beslissingen vaak genomen bij de borrel achteraf. Dat is in Nederland anders, daar wil men zo open mogelijk spelen. Het is een andere werkwijze. Maar aan de eetcultuur van Nederlanders kan ik niet wennen.’

Op pagina 51 backward / met Jos Lichtenberg


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

no.15 SEPTEMBER 2016

36

Hoogleraar met grote behoefte aan vrijheid

04

Kersverse Graduate School Data Science in Bosch’ klooster

COLOFON Slash is het magazine voor externe relaties en alumni van de Technische Universiteit Eindhoven en verschijnt drie keer per jaar. Gehele of gedeeltelijke overname van artikelen uit Slash is alleen toegestaan na overleg met de redactie en met bronvermelding. Voor het gebruik van foto’s of illustraties is toestemming van de maker nodig. www.tue.nl/slash

08

Marjan van Loon, president-directeur Shell Nederland

Redactieadres Technische Universiteit Eindhoven, Commu­nicatie Expertise Centrum, Postbus 513, 5600 MB Eindhoven, e-mail slash@tue.nl, Tel (040) 247 33 30/247 4020 Hoofdredacteur Han Konings Eindredactie en coördinatie Brigit Span Bladconcept Maters & Hermsen Journalistiek, CEC. Vormgeving Natasha Franc

14

Wilt u adverteren in Slash? Meer informatie bij H&J Uitgevers, Tel (010) 451 55 10 Wilt u Slash ontvangen? Meld u aan op www.tue.nl/slash ISSN: 2212-8468

24 SPECIAL

Computer spoort slokdarmkanker op

SAI: Dertig jaar ontwerpen voor de industrie

40/41 PLANNER/ VERKENNER

49 NIEUWE RUBRIEK: VAN START

Formule 1 versus AFM

Verstreken jaren, gebleven vriendschappen

Redactieadviesraad drs. Steef Blok, prof.dr. Carlijn Bouten, mr.drs. Ben Donders, prof.dr.ir. Maarten Steinbuch Drukwerk Schrijen-Lippertz, Voerendaal

22 INGEZOOMD

KEEP IN TOUCH Interesse in samenwerking met de TU/e, in ­studeren, werken of promoveren aan de TU/e, of het contact onderhouden als alumnus? ­Alstublieft, onze contact­gegevens.

Samenwerking (strategisch ­partnership, contract research) TU/e Innovation Lab, +31 (0)40 247 48 22, Innovationlab@tue.nl Werken of promoveren Dienst Personeel en Organisatie +31 (0)40 247 20 90, jobs@tue.nl Ontwerpers­opleidingen Stan Ackermans ­Institute +31 (0)40 247 24 52, sai@3tu.nl Studeren (bachelor, master) Onderwijs en Studenten Service Centrum, +31 (0)40 247 47 47,

Vet van plastic afval scheiden

studeren@tue.nl Alumni +31 (0)40 247 34 90, alumninet@tue.nl Persvoorlichting en Communicatie Communicatie ­ Expertise Centrum +31 (0)40 247 48 45, cec@tue.nl, www.tue.nl


04 05

NU/

VAN KLOOSTER NAAR CAMPUS De geschiedenis van het klooster begint in de vijftiende eeuw, toen er nonnen introkken. Zij zouden er uiteindelijk zo’n tweehonderd jaar blijven. De Zusters van de Sociëteit van Jezus, Maria en Jozef betrokken het complex eind negentiende eeuw. De laatste zusters vertrokken in het voorjaar van 2016 en het pand is overgegaan van de congregatie op Kadans Vastgoed B.V. De TU/e en Tilburg University huren een vleugel van het complex. Afgesproken is dat zij ‘respectvol’ met het kloostergebouw, een rijksmonument, omgaan.

JADS ROOM De vroegere mensa wordt nu gebruikt als kantine en als centrale plek om informeel samen te zijn en te ontspannen.

In hartje Den Bosch, aan de Sint Janssingel, ligt het prachtige oude kloostercomplex Mariënburg, met een eeuwenoude kapel en een monumentale kloostertuin. Dit is de historische locatie voor de kersverse Jheronimus Academy of Data Science (JADS), een samenwerking tussen de TU/e, Tilburg University, de stad Den Bosch en de provincie Noord-Brabant.

DATA SCIENCE FLEXPLEKKEN Onderzoekers, promovendi en docenten die lesgeven en betrokken zijn bij de onderzoeksgroep kunnen werken op flexplekken.

DE EERSTE LICHTING De eerste lichting van de masteropleiding bestaat uit 22 masterstudenten en 16 pre-masterstudenten, die een half jaar enkele vakken moeten volgen voordat ze met hun master kunnen beginnen. Volgend collegejaar komt er naar verwachting ook een premaster voor hbo-studenten. Daarnaast starten er 9 studenten met de data science ontwerpersopleiding. Verder zullen er van zowel de TU/e als Tilburg University zo’n 25 wetenschappers en ondersteunend personeel aan de slag gaan in Den Bosch.


TEKST JUDITH VAN GAAL FOTO’S BART VAN OVERBEEKE

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

ZOLDER De zolder heeft verschillende studeeren overlegplekken.

MONUMENTALE PERENHAAG

STUDENTENWONINGEN EN COLLEGEZAAL Het streven is om het volgend collegejaar het andere deel van het complex in gebruik te nemen. In de kapel komt een collegezaal met 180 zitplaatsen. Verder worden er 70 tot 80 studentenwoningen gerealiseerd in het klooster. Die gaan de universiteiten niet zelf beheren en exploiteren; dat neemt Kadans Vastgoed op zich.

in een Bosch’ klooster

De aangrenzende tuin is monumentaal. Dat wil zeggen dat bezoekers voorzichtig moeten omgaan met alles dat groeit en bloeit. Studenten zullen bijvoorbeeld met de fiets aan de hand naar de stalling moeten; fietsen is niet toegestaan. Pareltjes in de tuin zijn onder meer de huizenhoge oude plataan en de meterslange perenhaag waar je onderdoor kunt lopen.

BEDRIJVEN Bedrijven, met name in Brabant, staan te springen om betrokken te worden bij de opleiding, vertelt Angelique Penners-Wouters, Director Operations van JADS. ‘Zo’n 420 bedrijven hebben interesse getoond en met enkele bedrijven zijn al samenwerkings­ overeenkomsten getekend.’ Studenten gaan ook met cases en datasets aan de slag die de bedrijven aanleveren. Het idee is dat startups in de Data Science-sector zich ook in het gebouw kunnen vestigen.

DRIE COLLEGEZALEN Op de eerste verdieping zijn drie collegezalen. In de eerste passen 24 studenten, in de tweede 70 en in de derde zaal zo’n 30 studenten.

JOINT BACHELOR EN JOINT MASTER De TU/e en Tilburg University zijn in september - beide op hun eigen campus - een joint bachelor Data Science gestart. Hiervoor hebben zich 45 studenten ingeschreven. Daarnaast kunnen studenten in Mariënburg de joint master Data Science Entrepreneurship volgen. In de master draagt de TU/e bij met colleges over techniek en ondernemerschap in het bijzonder en Tilburg University over ondernemerschap, ethiek en recht. Tilburg en Eindhoven behouden hun onderzoekscentra en in ’s-Hertogenbosch zit het gecombineerd onderzoekscentrum op het gebied van data entrepreneurship en data innovation.

JADS.NL


06 07

MEMO/

Studententeam past mierenNIEUW BOEGBEELD zuurtechniek toe bij VDL-bus ENERGY Laetitia Ouillet (38) is de nieuwe directeur van de Strategic Area Energy aan de TU/e. De voormalige Eneco-topvrouw gaat zich hard maken voor programma- en consortiumvorming met externe partijen, met onder meer focus op het vergroten van de derde-geldstroom en het Europese investeringsprogramma Horizon 2020. Ouillet ziet haar overstap als een uitgelezen kans om bij te dragen aan relevant onderzoek. ‘De hele energiesector lijkt op zoek naar nieuwe producten en diensten door de huidige energietransitie. Onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologie zijn van groot belang, ook om beleidsmakers en bedrijven te helpen de juiste keuzes te maken. De uitdaging ligt in het bij elkaar brengen van de beide werelden.’

Studententeam FAST (Formic Acid Sustainable Transportation) en VDL Bus & Coach werken sinds april samen aan de ontwikkeling van ’s werelds eerste stadsbus die op mierenzuur rijdt. Team FAST gaat een rangeextender ontwikkelen voor een elektrische bus. Deze met apparatuur gevulde trailer moet zorgen voor tweehonderd kilometer extra actie­ radius en wordt een showcase om de mierenzuurtechniek te promoten.

Activiteiten voor alumni Dit najaar organiseert de TU/e weer diverse activiteiten voor alumni. Op 11 oktober staat een carrière-event voor jonge alumni op het programma: de netWORKshop. Een mix van workshop en netwerken rond het thema ‘Stay or Go’. Op 20 oktober verzorgt professor Gerrit Kroesen een Open Lecture op High Tech Campus Eindhoven. Heb je de graveermomenten in Alumni Avenue gemist? Op 1 november is er een nieuwe gelegenheid om je naam en afstudeerjaar in het glas van de loopbrug te vereeuwigen. Kijk voor meer informatie en aanmelding op www.tue.nl/alumni-agenda Wil je onze Alumni Event nieuwsbrief digitaal ontvangen? Meld je aan via Alumninet (https://alumninet.tue.nl)

Alumnimeeting op DDW Hoe onderzoek, vormgeving en technologie kunnen leiden tot ontwerpen voor de toekomst is te ervaren in de tentoonstelling Mind the Step, één van de belangrijke trekpleisters van de Dutch Design Week (DDW), die plaatsvindt van 22 tot en met 30 oktober in het Klokgebouw op Strijp-S. De expositie is een samenwerking tussen de TU/e en Design United, een 3TU-initiatief waarin de ontwerpersopleidingen zijn vertegenwoordigd. Te zien zijn ontwerpen op verschillende

schaalgrootte: van wearables die in kleding verweven zitten en ons gedrag monitoren en sturen tot complexe gebouwen en innovatieve stadsuitbreidingen van de toekomst. De tentoonstelling is dagelijks geopend van 11.00 tot 18.00 uur. Voor TU/e-alumni wordt, net als voorgaande jaren, een aparte avondmeeting op dinsdag 25 oktober georganiseerd. Meer informatie is te vinden op www.mindthestep.nl.


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

KNALLENDE RECORD­POGING TIJDENS GLOW

De TU/e wil dit jaar tijdens het elfde Eindhovense lichtkunstfestival GLOW, dat plaatsvindt van 12 tot 19 november, een wereldrecord vestigen met een bliksemstraal van minimaal tachtig meter lang. Het spektakelstuk ‘Exploding Wire’, dat wordt uitgevoerd bij de Dommel, wordt gerealiseerd met behulp van een lange dunne koperdraad waarop een hoogspanningspuls van een half miljoen volt wordt gezet. ‘Daarmee krijg je een flits die knalt met grof geweld’, belooft Gerrit Kroesen, decaan van de faculteit Technische Natuurkunde en coördinator van de TU/e-bijdrage aan GLOW. De koperdraad moet elke tien minuten opnieuw worden gespannen. Dit klusje wordt geklaard door drones, met hulp van TU/e’s studententeam Blue Jay. Ook de Tesla Coil (zie foto) komt terug. Vijf jaar terug leverde de blikseminstallatie een stroom aan enthousiaste reacties op met zijn muzikale show. Kroesen wil een componist benaderen om een muziekstuk te schrijven voor de polyfoon spelende Tesla Coil. Boven de vijver bij het Hoofdgebouw komt een metershoog drie­ dimensionaal hologram, waarvoor een 3D-scan wordt gemaakt van een kunstwerk in het Van Abbemuseum. Ook de schoorsteen achter MetaForum wordt onder handen genomen; lichtarchitect en TU/e-alumnus Har Hollands maakte het ontwerp hiervoor.

IN TACHTIG DAGEN DE WERELD ROND MET ELEKTRISCHE TOERMOTOR STORM Eindhoven is op 14 augustus begonnen aan de World Tour met de zelfontwikkelde elektrische tourmotor STORM Wave. Op een goedgevuld 18 Septemberplein in het centrum van Eindhoven startte collegevoorzitter Jan Mengelers symbolisch de klok. Op 2 november, na tachtig dagen toeren, moeten de studenten weer terug zijn. Tijdens de eerste etappes werd het team nog geplaagd door materiaalpech. Maar na het vervangen van een onwillige inverter, de koppeling tussen het batterijpakket en de motor, kon de tocht voortgezet worden. Rond de tijd dat deze editie van Slash verschijnt, maakt het team per vliegtuig de oversteek van Shanghai naar Seattle. Daarvoor heeft de reis hen al gevoerd door onder meer Turkije, Iran (zie foto), Turkmenistan, Oezbekistan, Kirgizië en China. Op de diverse locaties waar de batterijen worden opgeladen, dikwijls universiteiten, worden lezingen verzorgd en demonstraties gegeven door de teamleden van STORM. follow.storm-eindhoven.com


08 09

KOPSTUK/

Wie Marjan van Loon van haar stuk wil brengen, zal zwaar geschut nodig hebben. De president-directeur van Shell Nederland schiet zelden in de stress. Of het nu gaat om de overgang naar duurzame energiebronnen, of het motiveren van jonge mensen voor de techniek, Van Loon denkt liever in oplossingen dan in problemen. Een kwestie van Brabantse inborst, denkt zij zelf: ‘Ik denk dat Brabanders sneller zien dat een glas halfvol zit.’

Marjan van Loon President-directeur Shell Nederland


10 11

KOPSTUK/

TEKST ENITH VLOOSWIJK FOTO’S VINCENT VAN DEN HOOGEN EN BART VAN OVERBEEKE

J

‘Je bent wie je bent, dat blijft er altijd in zitten’, zegt Marjan van Loon door de telefoon. Tussen twee afspraken in heeft ze nipt de tijd om wat vragen te beantwoorden. Een paar uur daarvoor heeft de president-directeur van Shell Nederland een publiek van jonge startups toegesproken in het Eindhovense PSV-stadion. Ze noemt die toespraak ‘een soort thuiswedstrijd’, aangezien ze ooit scheikundige technologie studeerde in Eindhoven. ‘Ik vind het belangrijk dat mensen zien wie ik ben, dus dat ik ook een Brabantse ben. Voor mij houdt dat in dat ik het beste uit vandaag probeer te halen en positief naar de toekomst kijk. Als er een probleem is, denk ik meer naar oplossingen toe. Ik vind het ook altijd leuk om te lezen wat er in Brabant gebeurt. Ik ben daar trots op. Alles wat mij terugvoert naar mijn wortels, volg ik met interesse.’

Bijna had haar carrière zich buiten Shell afgespeeld Even terug naar die wortels. Als middelbare scholiere in Helmond blijkt Van Loon goed te zijn in de bètavakken. Ze kiest daarom voor een studie Scheikundige Technologie in Eindhoven en studeert af op de geschraapte warmtewisselaar. Tijdens een recruitment-event

op de universiteit spreekt de studente met twee technische managers van Shell, die er bijna voor zorgen dat haar carrière zich buiten Shell gaat afspelen. Het tweetal vraagt naar haar studie, haar extra-curriculaire activiteiten, maar ook: hoe denkt ze zich als vrouw te gaan handhaven in een team van voornamelijk mannelijke techneuten? Die laatste vraag schiet Van Loon in het verkeerde keelgat. Pas nadat een recruiter haar belt en vraagt wat er mis is gegaan, laat ze zich alsnog door Shell binnen hengelen. Zelf vindt ze het een onbelangrijk voorval. ‘Dit was 26 jaar geleden. En ik kan oprecht zeggen dat ik me tijdens die 26 jaar bij Shell altijd gesteund heb gevoeld door een bedrijfsklimaat waarbij gelijke kansen als belangrijk worden gezien.’

SPRAAKMAKEND ‘Het gaat niet om dat ene perfecte voorbeeld, maar dat je mensen ziet met een grote diversiteit aan rollen. Dat er iemand tussen zit, van wie je zegt, ja, zo zou ik later ook kunnen zijn.’ ‘Het navigeren richting een energietransitie vergt een buitengewone en ongeëvenaarde coördinatie, samenwerking en leiderschap in alle sectoren van de samenleving. Shell richt zich in Nederland op windenergie en gas. Dat is noodzakelijk als we een lage CO2-uitstoot willen realiseren en tegelijkertijd economisch zinvol willen bezig zijn.’ ‘Startups kunnen veel leren van een groot bedrijf als Shell, maar ook Shell kan zoveel leren van deze partnerships. We moeten leren van de nieuwe ideeën, leren daarvan de toegevoegde waarde te zien en ze aan te jagen in plaats van dood te drukken. Of om ze juist niet meteen integraal over te nemen, maar om ze te verkennen en verder te ontwikkelen tot iets meer omvattends.’

Haar carrière bij Shell draait al snel rond de productie van vloeibaar gas, LNG. Ze werkt jarenlang in Australië en Maleisië, waarna ze in 2007 terugkeert naar Nederland om Global Manager LNG & Gas Processing te worden. Als vicepresident LNG (vanaf 2009) is ze onder meer verantwoordelijk voor alle R&D en het design van de Prelude FLNG, een drijvende LNG-fabriek van 480 meter lang. In een interview in Maritiem Nederland vertelt ze in 2014 dat ze zich vroeger vast een hoedje geschrokken zou zijn, als ze had geweten ooit zover te komen. Ze lacht als de uitspraak weer ter sprake komt. ‘Ik leef bij de dag, bij de baan die ik heb’, legt ze uit. ‘Als persoon zit ik zo in elkaar. Ik ben wel ambitieus, in de zin dat ik interessante dingen wil doen, maar ik heb er nooit waarde aan gehecht op welke lat van de senioriteit ik terechtkwam.’ Ook de werkcultuur bij Shell heeft volgens Van Loon bijgedragen aan haar succes. ‘Er is veel aandacht voor de ontwikkeling en de kwaliteit van vrouwen en andere minderheden op de werkvloer. Dit vind ik heel belangrijk, ik heb zelf ondervonden dat het je heel succesvol kan maken. Ik behoor tot een van de eerste generaties waarbij parttime werken werd ingevoerd als de kinderen nog klein zijn. Shell was een van de eerste bedrijven waarbij dat mogelijk was. Later maakte ik een internationale stap, waarbij ik twijfelde of dat wel zou lukken. Toen heb ik heel veel aanmoediging gekregen: probeer het gewoon en als er problemen zijn, dan kunnen we wel helpen.’ Eigenlijk was het niet eens de bedoeling om fulltime te blijven werken na de geboorte van de kinderen, vertelt ze. ‘Maar bij het vertrek naar Australië, waar


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

ook mijn man ging werken voor Shell, werd ik eigenlijk bij toeval leading partner. Achteraf was dat een omslagpunt: ik werd ineens binnengehaald als serieuze dame, veroorzaakt door het simpele feit dat mijn man langer op zijn werkvergunning moest wachten. Dat is essentieel geweest.’ Het blijft lastig, een vrouw in hoge positie interviewen zonder te beginnen over haar vrouw-zijn. Als bekend wordt dat Van Loon de nieuwe president-directeur van Shell Nederland wordt, kopt het Algemeen Dagblad zonder gêne: ‘Vrolijke Marjan runt zonder stress Shell en gezin’ - alsof dat voor haar mannelijke voorganger niet gold. Ook andere media benadrukken verwonderd dat Van Loon ‘geen man’ is en dus ook ‘niet afkomstig uit het old boys netwerk’. Van Loon lijkt er weinig moeite mee te hebben. Ze vertelt juist graag over dit aspect, in de hoop dat meer jonge vrouwen haar voorbeeld zullen volgen. ‘Ik denk dat rolmodellen belangrijk zijn. Ik heb zelf altijd datgene gedaan wat ik leuk vond, maar ik heb het ook altijd heel belangrijk gevonden dat ik naast mijn werk nog een gezin had, vrienden, hobby’s. Die moeten ook in mijn leven passen. Dat is voor mij nooit een barrière geweest. Ik merk dat vrouwen opgelucht zijn als ze horen dat ze ook nog een leven kunnen hebben als ze carrière maken.’

‘Duurzame energiebronnen moeten eerst betrouwbaar en betaalbaar worden’

LOOPBAAN MARJAN VAN LOON De Helmondse Marjan van Loon (50) studeerde Scheikundige Technologie aan de TU/e. Na haar afstuderen in 1989 kwam ze als chemisch technoloog in dienst van Shell, waar haar loopbaan in het teken zou komen te staan van de productie van LNG (Liquid Natural Gas). Vanaf 1997 bekleedde ze verschillende managementposities in Australië en Maleisië, waarna ze in 2007 terugkeerde naar Nederland om Global Manager LNG & Gas Processing te worden. Twee jaar later werd Van Loon benoemd tot vicepresident LNG. Sinds 1 januari is Marjan van Loon president-directeur Shell Nederland B.V. Van Loon is getrouwd en heeft twee kinderen.

Als president-directeur van Shell Nederland wil Van Loon samen met andere partijen hard gaan trekken aan de transitie naar een duurzame energievoorziening in ons land. Dit vereist volgens Van Loon een combinatie van dringende actie, realisme en langetermijnplanning door de regeringen en de industrie. ‘De transitie naar duurzame energiebronnen is een enorme uitdaging’, zegt ze. ‘Het vereist een ongekende samenwerking, investeringen en innovatie. Shell is een energiebedrijf dat stoelt op innovatie. We weten veel over de dragers en de gebruikers van energie en die kennis willen we gebruiken om een actieve rol te spelen bij die transitie.’


12 13

KOPSTUK/

Shell ziet een belangrijke rol voor gas en wind in de Nederlandse energietransitie en wil daar zelf ook een bijdrage aan leveren. Die intentie bleek bijvoorbeeld uit het bod dat Shell met Uneco en Van Oord uitbracht op de tender van de nieuwe windmolenparken Borssele 1 en 2 op de Noordzee. En ook bij een restwarmteproject in Rotterdam is Shell betrokken. De tender van Borssele 1 en 2 werd niet gewonnen door Shell. ‘Of Shell zich gaat inschrijven voor andere tender in Nederland? Stay tuned, zou ik zeggen. Ook elders in Europa en de wereld hebben we interesse. In die zin maakt het verlies van de Borssele tender niet zoveel uit. Je laat niet alles afhangen van een enkel project.’ Toch staat het bedrijf niet bepaald bekend als groene energie-aanjager. Sterker nog, toen de multinational onlangs de strategie voor de komende jaren bekendmaakte, bleek het bedrijf qua groeimogelijkheden vooral te mikken op de winning van gas en olie uit de diepzee en de petrochemie. Niet echt wat je noemt groene voornemens. ‘Duurzame energiebronnen moeten eerst betrouwbaar en betaalbaar worden’, verdedigt Van Loon de plannen. ‘Tot die tijd zijn er veel fossiele brandstoffen nodig, dus het vergt onderzoek om ook daarmee een lage dioxideuitstoot te bereiken. Duurzame energie is nog maar een klein deel, maar het groeit en dat gaan we verder uitbreiden.’ In een nieuwe divisie, New Energies, zijn verschillende onderdelen samengevoegd om dit voor elkaar te krijgen. ‘Het is niet en/of, maar en/en. Shell heeft zich duidelijk gepositioneerd als een bedrijf dat zijn rol wil spelen in de energietransitie. Op verschillende plekken, op verschillende manieren met verschillende snelheden.’ Haar toespraak in Eindhoven was gericht aan jonge hightech startups, met wie Shell open

samenwerkingsverbanden wil aangaan om te komen tot baanbrekende innovaties op het gebied van duur­zame energie. En hoewel het bedrijf eerder dit jaar aankondigde wereldwijd 2.200 banen te schrappen, zijn jonge, bevlogen ingenieurs volgens Van Loon nog altijd welkom. Sterker nog, als Shell Campus-ambassadeur tracht ze méér Eindhovens talent over de streep te trekken. ‘Dit is een tijd van grote veranderingen. Het is zo hard nodig om een nieuwe generatie te inspireren tot technologie en innovatie! Het zou jammer zijn als studenten uit Eindhoven niet te weten komen wat voor kansen hier voor hen liggen. Het imago van Shell is dat van een grote multinational, dat schept afstand. Ik doe daarom extra mijn best om uit te leggen dat ik, als Brabander, me altijd erg thuis heb gevoeld bij Shell.’

‘Ik heb me, als Brabander, altijd erg thuis gevoeld bij Shell’

Haar enthousiasme werkt aanstekelijk wanneer ze vertelt over de combinatie van techniek en management in haar werk. Of over het innovatieve karakter van de drijvende LNG-fabriek in Australië, waarvan aanvankelijk niemand geloofde dat het mogelijk was, maar die er dankzij slim samenwerken door afzonderlijke Shell-disciplines en toeleveranciers toch is gekomen. Een helse opgave, zou een ander kunnen denken, maar een goede vriendin vertelde het Eindhovens Dagblad ooit dat de presidentdirecteur nooit gestrest is. Klopt dat? Van Loon schiet in de lach. ‘Ja, het kan zijn dat zíj me nog nooit gestrest heeft meegemaakt!’ Even later geeft ze haar vriendin echter toch gelijk. ‘Ik ben inderdaad niet zo snel gestrest. Dat betekent niet dat ik achterover leun als er problemen zijn, maar ik ben altijd bezig met het vinden van oplossingen voor die problemen met het geloof dat we er wel uitkomen. Dat brengt me misschien ook weer terug op die Brabantse achtergrond. Ik wil niet generaliseren, ook buiten Brabant heb je natuurlijk mensen die zo in elkaar zitten, maar ik denk wel dat Brabanders sneller zien dat een glas halfvol zit. Dat heb ik tijdens mijn opvoeding wel meegekregen.’


14 15

ALUMNI/

TEKST ANTOINETTE VAN DER VORST FOTO’S BART VAN OVERBEEKE ILLUSTRATIES SHUTTERSTOCK/iSTOCKPHOTO

Verstreken jaren,

GEBLEVEN VRIENDSCHAPPEN


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Jaren geleden begon het, aan de TU/e. Hun studie, hun studentenleven, hun vriendschap. En ook al waaierden ze uit over verschillende werkgevers en woonplaatsen in binnen- en buitenland, hun band bleef. Voor altijd. Slash sprak met drie vriendenclubs van toen én nu. Met de jongens van toen, die weer even terug waren aan de universiteit. Met werktuig­bouw­ kundigen uit vroeger tijden, tijdens een reünie met hun hoogleraar. En met een relatief jonge TU/e-generatie, die zich vooral de nevenactiviteiten nog levendig herinnert. Wat heeft hun tijd aan de universiteit hen gebracht? Hoe kijken ze terug? Verhalen over een Moulinex kaasmolentje, een studentenhuis aan de Lijmbeekstraat en feesten organiseren in de kantine.


16 17

ALUMNI/

TEKST ANTOINETTE VAN DER VORST FOTO BART VAN OVERBEEKE

De kracht van ECHTE

VRIENDSCHAP

Even waren ze weer terug aan de TU/e. De mannen van nu, veertig jaar geleden afgestudeerd. Lopend door de gangen van de huidige faculteitsgebouwen komen direct de jongens van toen naar boven. Twinkelende ogen, een grap, een lach. Deze club van zeven - vijf scheikundigen en twee bedrijfskundigen - werd van studievrienden een hechte vriendengroep-voor-altijd. Ze delen ‘al een half mensenleven’ lief en leed, maakten mooie carrièrestappen en zagen elkaars gezinnen ontstaan. De vriendschap spat er vanaf.

S

peciaal voor Slash kwamen ze alle zeven weer samen op de universiteit: Bert van den Broek (64), Huub Gillissen (63), Ad Hagelaars (64), Martien van den Hoven (63), Ton Konings (63), Frans van Loon (64) en Jos Welzen (64). In MetaForum - de vroegere W-hal - begroeten ze elkaar met een hand en een klap op de schouder. Sommigen waren nog wel eens terug op de universiteit, anderen zijn er voor het eerst sinds 1976. Ze weten alles nog. Waar de bibliotheek was, hoe de labs eruitzagen. En de huidige labs in Helix, waar vandaag de dag Scheikundige Technologie gehuisvest is, hebben nu nog de meeste aantrekkingskracht. Terwijl een deel van de club in de gang staat te praten, sluipen Martien en Ad (Adje, voor insiders) door de openstaande deur van een lab. Er klinkt gelach, scheikundige termen zweven door de ruimte. Een kastdeur gaat open en ‘kling!’… een maatkolf sneuvelt. Ad staat met een grote glimlach met de scherven in zijn hand,

de rest van de mannen buldert van het lachen. ‘Dat kan er maar eentje zijn’, lacht Martien. ‘Altijd Adje. Dat was vroeger al zo. We moesten ooit een oplossing maken, waarvan we minimaal vijftig gram aan onze docent moesten laten zien. We hadden er weken aan gewerkt. Filtreren, destilleren, heel voorzichtig waren we. En op een dag, nét voordat we het spul moesten inleveren, liet Adje het uit zijn handen vallen. Daar ging al het harde werk. Onbetaalbaar.’

‘Na het studeren veranderde het beneden in ons huis in een soort illegale kroeg’

Deze club koestert ontelbaar veel herinneringen. Martien en Frans gaan all the way back naar de lagere school. Frans en Bert deden samen de studie Technische Bedrijfskunde aan de - toen nog Technische Hogeschool Eind­ hoven, de rest van de mannen studeerde Scheikundige Technologie. Hun gezamenlijke band? Die ontstond in 1972, in een studentenhuis aan de Lijmbeekstraat in Eindhoven. Ton: “Het huis was van mijn vader. Ik woonde er samen met Jos, Huub en Martien. Frans en Bertus kwamen geregeld over de vloer, zij waren vrienden van Martien. En ook Ad sloot zich bij ons aan. Ons studentenhuis was een centraal punt. Toen de kwaliteit van het eten in de Mensa wat omlaag ging en we niet allemaal zomaar meer in de Philipskantine in de stad mochten eten, gingen we zelf koken. ’s Avonds, nadat we allemaal klaar waren met studeren, veranderde het beneden in ons huis in een soort illegale kroeg. We hebben er heel wat beugelflessen Grolsch gedronken.’

‘We delen al veertig jaar mooie, maar ook trieste dingen’ Het was de start van een mooie vriendschap. De mannen zien elkaar een paar keer per jaar, maar in ieder geval eens per jaar zijn ze compleet en gaan ze, mét partners, een weekendje weg. Dan ondernemen ze samen van alles, van solexrijden tot koeien melken op een boerenbedrijf. Jos: ‘We hoeven elkaar niet elke week te zien om hecht te zijn. We volgen elkaar al meer dan veertig jaar en delen mooie, maar ook trieste dingen samen. De gespreksonderwerpen veranderden met de jaren mee: hadden we het vroeger vooral over onze carrières en kinderen,


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Van links naar rechts: Jos Welzen, Bert van den Broek, Frans van Loon, Martien van den Hoven, Ad Hagelaars, Huub Gillissen en Ton Konings. nu gaat het over de kleinkinderen en waar we ons op richten na ons pensioen.’ Sommigen in de club zijn al met pensioen, anderen werken daar naartoe. Allemaal wisten ze mooie functies te bemachtigen. Zo werkt Ad over de hele wereld voor Shell, had Martien diverse managementfuncties bij FrieslandCampina, is Ton project­ manager op chemisch gebied en werkt Huub in R&D bij Fujifilm. Jos was voor Philips als manager in Taiwan, Duitsland, Portugal en Spanje, Frans werkte onder andere als projectmanager bij ABN en Van Lanschot en als manager ICT & Facilities bij

ABAB Accountants en Bert was hoofd Informatiecentrum bij DAF en bekleedde verschillende functies bij ABNAMRO en RBS. Hoe kijken ze terug op de universiteit, heeft het hun de basis gegeven die ze nodig hadden? Jos en Martien: ‘Zeker wel. We hebben geleerd analytisch en bedrijfseconomisch te denken. Ons maken ze niks wijs.’ ‘Ook het samenwerken in groepen en praktisch werken hebben we hier geleerd’, vullen Bert en Frans aan. ‘En we deden alles zelf hè, toen we begonnen waren hier geen computers, zelfs geen rekenmachines. Wij weten nog hoe het echt moet. Ja, onze tijd hier heeft ons veel gebracht,

zowel op carrièrevlak als in vriendschap.’

Tranen gelachen Het zit erop. De mannen laten de TU/e opnieuw achter zich. ‘We zien elkaar snel weer’, zeggen ze tegen elkaar. En ze lachen. Dit is de kracht van echte vriendschap. Het doet denken aan het lied ‘Tranen gelachen’ van Guus Meeuwis, deze club. De mannen van toen, uit dat studentenhuis niet ver van de TU/e, veranderen nooit.

[…] Eén voor één druppelt het binnen
 De mannen van toen veranderen nooit
 Maar toch is er nog zoveel nieuws te verzinnen
 De mannen van toen veranderen nooit

 Ik heb tranen gelachen, onnozel gedaan
 En tenslotte tevreden, het licht uitgedaan […]


18 19

ALUMNI/

TEKST ANTOINETTE VAN DER VORST FOTO BART VAN OVERBEEKE

EEN LEVEN VOL

nevenactiviteiten

Vraag ze naar herinneringen aan hun opleiding Technische Bedrijfskunde en het valt eerst even stil. Hoe dat nou precies zat, welke vakken ze allemaal kregen? Dat is in de loop der jaren een beetje weggezakt. Wat ze nåast hun studie deden, dat weten ze nog wel. Herinneringen aan speciaalbier­ avonden in de AOR, aan de feesten en studiereizen die ze organiseerden, aan de lol die ze hadden samen, ze zijn nog levendig aanwezig. Door hun studie - begonnen in 1998 - raakten ze voor altijd met elkaar verbonden. En nog steeds is er een bijzondere vriendschap.

VLNR: Bob van Eekelen, Koen Cremers, Paul Enders, Francine van Venrooij, Mark Damen.


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Z

e hebben afgesproken op het terras van een restaurant in Veldhoven. ‘Lekker makkelijk vanuit het werk’, want drie van de zes vrienden van deze club werken bij het vlakbij gelegen ASML. Op de borden liggen hamburgers, frietjes, salades. In de glazen schuimt een biertje of fris. Paul Enders (36), Bob van Eekelen (39), Koen Cremers (38), Francine van Venrooij (36) en Mark Damen (35) praten bij over werk, de kinderen, vakantieplannen. Eén lid van de trouwe vriendenclub ontbreekt deze avond, maar wordt nadrukkelijk met naam genoemd: Onno Steins (38) hoort er ook bij. ‘Ik kan me van de studie niet zoveel meer herinneren’, lacht Francine. ‘Ja, we kregen logistieke vakken en - hoe heette dat ook alweer - calculus. Het was vooral een heel gezellige tijd. Onze vriendschap is ontstaan in de AOR. Daar was elke dinsdag een speciaalbieravond. Toen we samen betrokken waren bij het jaarboek van de studievereniging, leerden we elkaar beter kennen. We noemden onszelf de BDKHelden. Die benaming ontstond omdat we elkaar op een gegeven moment ‘held’ gingen noemen als iemand een goed resultaat behaald had. In plaats van ‘goed gedaan’, werd het ‘held!’

In de beginjaren van hun studie waren ze veel op één bepaalde plek op de universiteit te vinden, weet Koen nog. ‘We zaten altijd in de kantine van het Paviljoen. Muziekjes downloaden op onze laptops, chatten, de Top2000 downloaden.’ Francine en Bob weten het ook nog goed: ‘Daar ontstonden ook de ideeën voor feesten en studiereizen, die we vervolgens organiseerden.’ ‘We vonden de studie niet heel lastig’, vult Paul aan. ‘En als we dan toch in die kantine zaten, konden we net zo goed iets nuttigs doen.’

Het studentenleven werd volop geleefd Allemaal waren ze erg van de ‘nevenactiviteiten’. Ze leefden het studentenleven volop. Naast veel commissie- en bestuurswerk bij studievereniging Industria, waren de meesten ook actief bij andere verenigingen. Francine en Onno zaten bij de roeivereniging, Koen bij de motorvereniging en Bob bij de marketingvereniging. Paul zat in de organisatie van

het toenmalige TU/e-festival Virus. ‘Het valt mij op dat studenten van nu veel serieuzer met hun studie bezig zijn dan wij toen’, vertelt Paul. ‘Bij hen gaat het over beurzen en studievertraging. De druk om sneller je studie af te ronden is nu groter. In onze tijd was het heel aantrekkelijk om er iets naast te doen. Ik ben blij dat ik dat toen ook gedaan heb. Dat maakt het studentenleven zoveel leuker. Het feit dat dingen als de AOR en de Mensa verdwenen zijn, is misschien wel een uitdrukking van dat meer serieus studeren. Jammer.’ Paul glimlacht: ‘Ik heb mooie herinneringen aan de Bunker. Ik fiets er nog wel eens langs en dan denk ik: daar heb ik ooit mijn eerste euro’s gepind ’s nachts. En direct weer uitgegeven aan bier.’ Terugkijkend, zouden ze nu weer voor dezelfde studie kiezen? Het antwoord is bij allemaal ‘ja’. Mark: ‘het voordeel van Bedrijfskunde is dat je breed wordt opgeleid en dus ook breed bezig kunt zijn. Je kunt nog eens van baan wisselen.’ ‘En je leert tegelijkertijd na te denken als een ingenieur’, vult Paul aan. Opvallend aan deze club is dat de meesten - behalve Onno, die risicomanager is bij Van Lanschot - terecht gekomen

zijn in een baan in de logistiek. Mark: ‘Die vakken hebben ons tijdens de studie toch het meest uitgedaagd, denk ik.’

Er is nog steeds tijd voor ‘nevenactiviteiten’ Hoewel ze allemaal drukke banen hebben, is er in deze club nog steeds genoeg tijd voor ‘nevenactiviteiten’. Eens per jaar gaan ze samen met alle partners, kinderen en honden een weekend weg. Vaste prik. Als groep zien ze elkaar daarnaast zo’n twee, drie keer per jaar. Francine: ‘En in subgroepjes zien we elkaar ook. Op babybezoeken bijvoorbeeld, bij een housewarming, verjaardagen. We wonen bijna allemaal in Brabant, dus we hoeven niet heel ver te gaan.’ Als de hamburgers op zijn en de koffie besteld, nemen de vrienden nog even elkaars vakantiedata door. Na alle vakanties zien ze elkaar zeker weer. ‘En die barbecue, Paul, was die nou bij jullie of bij ons?’, checkt Francine nog even. Het volgend weerzien is nooit ver weg.


20 21

ALUMNI/

TEKST NICOLE TESTERINK FOTO MARGOT VAN DER WIJST

VIJFTIG JAAR LATER

terug om de tafel

Ooit zaten ze wekelijks samen om de tafel met het roemruchte gele vel om elkaars afstudeerprojecten te bespreken. Nu, precies vijftig jaar later, zitten de vijf oud-studenten Werktuigbouwkunde mét hun toenmalige hoogleraar weer bij elkaar. Geen discussies over uitgedachte constructies, maar mooie verhalen over de tijd van toen.

U

niek, zo vindt organisator Kees Mol (78) het weerzien met zijn oude studie­ genoten Ernst Schmidt (77), Bram Brugman (80), Nort Liebrand (73) en Han Cupido (76). Vooral omdat ook hun afstudeerhoogleraar Wim van der Hoek (91) vandaag in hun midden is. Halverwege de jaren zestig waren zij het eerste clubje studenten dat bij professor Van der Hoek afstudeerde. Een mooie gelegenheid om vijftig jaar na dato dit gezamenlijk te vieren, meende Kees en trommelde iedereen op voor een hapje en drankje. ‘In 1991 - bij ons 25-jarig jubileum - hebben we ook met z’n allen herinneringen opgehaald. Bij het afscheid werd al gekscherend geroepen: ‘Tot over 25 jaar, maar dan met professor Van der Hoek erbij!’ Het is toch heel bijzonder dat we hier nu daadwerkelijk zitten, allemaal relatief ongeschonden. Het voelt weer als vanouds.’ Op het terras van het Eindhovense restaurant De Luytervelde zit professor Van der Hoek genietend naar ‘zijn jongens’ te luisteren.

‘Ze lijken niets veranderd, ik herken die smoelen zo weer terug’ Tijdens hun afstuderen zette hij hen elke maandagmiddag om de tafel. Een gigantisch geel vel van een paar meter erop, waarop iedereen briljante ideeën of juist stommiteiten uittekende. Vaak werd er na afloop een stukje uitgeknipt zodat er thuis over nagedacht kon worden. ‘En weten jullie nog van dat Moulinex kaasmolentje tijdens het eerste tafelcollege?’, brengt Kees lachend in herinnering. ‘Ik dacht, wat doet dat stomme ding daar nu, maar het bleek het begin van een wetenschappelijke verhandeling over lageringen en drukkrachten.

Werktuigbouw zo uit het dagelijkse leven, een openbaring voor mij.’ Van der Hoek gniffelt. ‘Het is fijn om te zien hoe goed ze zijn terechtgekomen. Je voelt toch een beetje ‘vaderlijke’ verantwoordelijkheid. Ze lijken niets veranderd, ik herken die smoelen zo weer terug.’ Een goede baan, dat is wat hun studie aan de TU/e - toen nog TH hen gebracht heeft, knikken ze instemmend. Bram rolde het management in, Ernst maakte een switch naar personeelszaken en Kees vond zijn draai bij Philips waar hij een ‘echte techneut’ bleef. Ook Han is altijd een constructeur gebleven en bouwde tijdens zijn lange loopbaan bij Rockwool ‘een paar mooie dingen’. ‘En met Nort is de cirkel weer rond’, concludeert Van der Hoek met een twinkeling in zijn ogen. Na jaren in het bedrijfsleven trad hij uiteindelijk in de voetsporen van Van der Hoek, als deeltijdhoogleraar Continue Variabele Transmissietechniek aan de faculteit Werktuigbouwkunde.

Kennis die je tijdens je studie opdoet, neem je je hele leven mee, menen de heren. Soms zelfs letterlijk in het geval van Bram. De laatste jaren van zijn loopbaan bracht hij door in Ghana. Bij aankomst had hij de oude TH-dictaten in zijn koffer. ‘Ook het Duivels Prentenboek?’, vraagt Han. Een enorm gelach. Kees: ‘Dat was een van onze standaardwerken. Professor Van der Hoek bundelde voorbeelden - prentjes - van constructieprincipes, hoe die eigenlijk uitgevoerd moesten worden. Bij brand nam je dat als eerste onder de arm.’ Han excuseert zich en komt even later met een - brandveilig koffertje aanzetten. Er zit een vergeelde, nieuwste versie in van het Duivels Prentenboek uit 1970. Het prijsstickertje zit er nog op: twee gulden vijftig. Er wordt in gebladerd, oude foto’s en uitgeknipte krantenstukjes komen op tafel. En nog meer herinneringen: het zelf uitgezette midgetgolfparcours in de constructieruimte, de rekenschuif van Van der Hoek die ze met Sinterklaas in een koker


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

lasten en de krachtmetercompetitie. Nort: ‘Van der Hoek was een voorstander van praktisch onderwijs. Zo had hij eens een soort krachtmeter neergezet. Wat zijn krachten, wat doet het met je spieren en wanneer raken deze overbelast? Wij maakten er een onderlinge competitie van: stonden we driftig maanden te oefenen om een half kilootje meer weg te drukken dan het oude record’. Aan de TU/e is veel veranderd in de tussentijd. Kees: ‘Wij kwamen van de TH en waren bezig met

De liefde voor het vak, de interesse en verwondering zit nog diep

creëren. De echte werktuigbouwkunde bestaat niet meer, dat is meer mechatronica geworden. Ernst vult aan: ‘De productietechniek is weggedreven en zit nu bij de hbo’ers’. Desondanks zit de liefde voor het vak, de interesse en verwondering nog diep. Komen ze nog vaak op de TU/e? Kees bezoekt geregeld lezingen, Ernst houdt wel de literatuur bij, maar hoeft niet meer zo nodig naar de TU/e zelf - ‘die tijd ligt achter me’. ‘Ik ga toevallig morgen een rondje over de campus maken en mijn naam in de Alumni Avenue graveren, moeten jullie

ook doen, hoor’, tipt Kees. Dan is het tijd voor een champagnetoost en een uitgebreid diner. Wanneer ze weer samenkomen, weten ze niet. De 95ste verjaardag van professor Van der Hoek wordt geopperd als een mooie aanleiding. ‘Wie weet wat we nu weer bij ons afscheid roepen’, besluit Kees. ‘Als het uitkomt, zijn we zo weer bij elkaar, dat werkt als een zelfontbrandend lont. Plannen maken voor de lange termijn doen we op onze leeftijd niet meer, we leven bij de dag’.

Na vijftig jaar weer samen. Van links naar rechts: Han Cupido, Bram Brugman, Kees Mol, Ernst Schmidt, Nort Liebrand. In de stoel Wim van der Hoek met op schoot het Duivels Prentenboek.


22 23

INGEZOOMD/

AUTOMATISCHE DETECTIE VAN SLOKDARMKANKER TEKST TOM JELTES BEELD FONS VAN DER SOMMEN

De vroegste stadia van slokdarmkanker zijn moeilijk te herkennen en kunnen eenvoudig worden gemist. Bij mensen met langdurige reflux - waardoor de slokdarm geïrriteerd raakt door opkomend maagzuur - ontwikkelt zich afwijkend weefsel in de wand van de slokdarm. Zo’n zogeheten Barrettslokdarm is een van de belangrijkste risico­ factoren voor het ontstaan van slokdarmkanker. Het beginstadium van deze vorm van kanker is goed te behandelen, maar als deze niet wordt opgemerkt, is het risico op overlijden aanzienlijk. Samen met het Catharina Ziekenhuis ontwikkelde de Video Coding and Architectures Research Group van de TU/e daarom een techniek om de computer slokdarmfoto’s te laten onderzoeken op tekenen van slokdarmkanker. De resultaten mogen er zijn:

de com­puter presteert ongeveer even goed als de top­specialisten in het vakgebied. De afgebeelde foto’s tonen de doorsnede van een slokdarm, enkele centimeters boven de maag. De omcirkelde gebieden zijn door vijf experts en de computer (rechtsboven) aangemerkt als verdacht weefsel, duidend op beginnende slokdarmkanker. In een studie die onlangs werd gepubliceerd in het vakblad Endoscopy laten de onderzoekers zien dat hun algoritme in 38 van de 44 gevallen de juiste diagnose stelde; een percentage van 86 procent, terwijl specialisten tussen de 81 procent en 91 procent scoorden. Introductie van de automatische detectietechniek in alle ziekenhuizen zou daarom een belangrijke stap voorwaarts betekenen in de behandeling van slokdarmkanker.


WWW.FONSVANDERSOMMEN.NL/RESEARCH

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

86 procent

nauwkeurigheid van automatische slokdarmkankerdetectie


24 25

SPECIAL SAI/

SAI:

N E P R E W T N O R A A J DERTIG E I R T S U D N I E D R O O V De ontwerpersopleidingen moeten beter worden gestroomlijnd, zichtbaarder worden voor de buitenwereld, beter geïntegreerd raken in de onderzoeksgroepen en meer ondernemingszin losmaken bij de studenten: dertig jaar nadat de eerste ontwerpersopleidingen aan de TU/e van start gingen, zien de kartrekkers nog genoeg redenen om vooruit te kijken.

D

e behoeften van de industrie zijn van meet af aan leidend geweest. Dat was al zo in de jaren tachtig, toen de wet tweefasenstructuur de universiteiten dwong alle opleidingen te verkorten tot vier jaar: veel te weinig om TUstudenten klaar te stomen voor het werkveld, klaagde de industrie. De ontwerpersopleidingen vormden de oplossing: twee jaar extra studie, opgezet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, om de kloof tussen academische wereld en technische praktijk te dichten. Nu, dertig jaar later, mogen al ruim 3.750 mensen de graad ‘PDEng’, Professional Doctorate in Engineering, achter hun naam zetten. Dat is zeker een teken van succes, maar er kan van alles beter, denkt Jan Fransoo, decaan van de TU/e Graduate School en directeur van de 4TU-school for Technological Design, Stan Ackermans Institute (SAI). ‘In de eerste plaats moeten de opleidingen binnen de TU/e beter op elkaar worden afgestemd’, zegt hij. ‘De eindtermen van de opleidingen liggen vast, maar hoe die worden bereikt, loopt nu nog erg uiteen. Dat komt doordat de opleidingen vanuit verschillende faculteiten worden georganiseerd.’ Algemene vakken die de studenten van alle ontwerpersopleidingen moeten volgen, zullen centraal worden aangeboden. En zoals een examencommissie en een promotiecommissie het niveau van afstuderende master- en

PhD-studenten waarborgen, zo moet er ook een commissie komen die hetzelfde doet voor de afstuderende ontwerpers, denkt Fransoo. ‘We willen zo beter duidelijk maken aan de buitenwacht aan welke voorwaarden de afgestudeerden voldoen.’

‘Studenten leveren geen nieuwe kennis op, maar gaan met de nieuwste kennis aan de slag’ De bekendheid van die buitenwacht (lees: het bedrijfsleven) met de ontwerpersopleidingen is ook nog niet optimaal, beseft Fransoo. ‘De meerwaarde van het diploma is voor veel bedrijven nog niet duidelijk. In het verleden hebben we de opleiding gepositioneerd als een ‘master-plus’. Nu willen we de opleiding nadrukkelijker neerzetten als alternatief voor een promotie. Bij een promotie is het voor iedereen helder dat de selectiecriteria voor de kandidaten streng zijn en dat het nieuwe kennis oplevert. Hier is de selectie net zo streng en qua intellectuele expertise ligt het ontwerperstraject in dezelfde klasse als een promotietraject.

Alleen het doel is anders: studenten leveren geen nieuwe kennis op, maar gaan met de nieuwste kennis aan de slag.’ Dat bedrijven hiervan de meerwaarde inzien, is essentieel: in het tweede jaar moeten de studenten immers een project uitvoeren binnen een bedrijf. Het bedrijf betaalt hier ruim vijfduizend euro per maand voor. ‘Het voordeel boven een promovendus is dat een PDEng-trainee heel gericht aan een project werkt en binnen een jaar met resultaten komt’, zegt beleidsmedewerker Ben Donders. ‘Ze hebben een hoger niveau dan iemand met alleen een mastertitel en zijn goed getraind om een probleem te benoemen, een groot project op te pakken en op te lossen. Vaak blijft een de trainee hangen in het bedrijf om soortgelijke problemen op te lossen.’ Bij grote valorisatieprogramma’s kan een mix van PhD- en PDEngtrainees goed werken, zegt Donders. ‘Het kan gebeuren dat de PDEng een probleem uitspit om tot een probleemstelling te komen voor de promovendus. Of dat de promovendus de kennis oplevert die een PDEng omzet naar een product. Op de campus Chemelot in Geleen gebeurt dit al.’ Ongeveer een vijfde van alle PDEng-trainees is afkomstig van eigen masteropleidingen. De PDEng-opleiding maakt deel uit van de TU/e Graduate School, de onderwijstrajecten die stu-


TEKST ENITH VLOOSWIJK FOTO’S BART VAN OVERBEEKE

denten kunnen doorlopen zodra ze klaar zijn met hun bachelor: master, PDEng en PhD. Het is de bedoeling dat studenten al tijdens hun master kiezen voor een carrière als onderzoeker, ondernemer of ontwerper. De keuze voor een ontwerpersopleiding na de master wordt dan vanzelfsprekender dan nu. ‘We willen de masteren PDEng-trajecten beter koppelen’, zegt Fransoo. ‘Masterstudenten die uitblinken, kunnen alvast vakken uit het PDEng-traject volgen naast hun masteropleiding, zodat ze het ontwerperstraject sneller kunnen doorlopen. We hopen zo de beste masterstudenten aan ons te binden.’ In een ideale situatie zijn de ontwerpersopleidingen perfect geïntegreerd in de onderzoeksgroepen van de universiteiten. PDEng-trainees

Hoe werkt de ontwerpe rsopleiding ? De ontwerpers opleidingen zi jn twee­ jarige opleidin gen op het ge bied van technologisch ontwerpen. D e deel­ nemers hebb en de status va n betaalde werknemers aa n de universite it waar de opleiding plaa tsvindt. De op le id in gen zijn niet alleen gericht op het vergroten van technologi sche kennis, m aar ook op de toepassi ng hiervan in de praktijk. Er is ruime aand acht voor prof essionele vaardigheden , zoals commun icatie, project manag ement en team work. In het tweede jaar werkt de st udent als trainee aan een project bi nnen een bedrijf. Er zijn twintig ontwerpersop leidingen, verdeeld over de drie techni sche universiteiten en met het zw aartepunt in Eindhoven. Mogelijk start ook de Universiteit W ageningen, die zich onlangs aanslo ot bij de TU-fe de ratie, op termijn met ontwerpersop leidingen.

WWW.TUE.NL/PDENG

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

maken zo tijdens hun stage gebruik van de wetenschappelijke expertise van de vakgroep, terwijl de groep zich verrijkt met de input en feedback uit het bedrijfsleven. In de praktijk blijkt helaas dat die integratie soms nog te wensen overlaat. Dat had lange tijd deels te maken met de publish or perish-cultuur waarmee de hele wetenschappelijke gemeenschap kampt: onderzoekers worden vooral beloond voor de publicatie van wetenschappelijke artikelen in vaktijdschriften. Het begeleiden van ontwerpers krijgt zo minder prioriteit. Volgens Fransoo is dat in Eindhoven nu langzaam aan het veranderen. ‘Eindhoven heeft een beoordelingssysteem gecreëerd waarin het mogelijk is om credits te krijgen voor PDEng-begeleiding. Om te promoveren van universitair docent (UD) naar universitair hoofddocent (UHD) moet je bijvoorbeeld een aantal promovendi hebben begeleid, maar dat mogen ook PDEng-trainees zijn. De erkenning van die bedrage aan ontwerpersprojecten zorgt voor een geleidelijke kentering in de mentaliteit.’

‘We willen het aantal ondernemers vergroten’ Een groot deel van de afgestudeerde PDEng’ers komt terecht bij grote bedrijven; slechts weinigen zijn zo ondernemend om een eigen bedrijf te starten. Ook dat moet veranderen. ‘We willen graag het aantal ondernemers bij zowel de ontwerpers- als de PhD-opleidingen vergroten’, zegt Fransoo. ‘Dat is in het belang van de Nederlandse economie: succesvolle technostarters zorgen uiteindelijk voor een grotere groei dan wanneer ze bij bedrijven gaan werken. Binnen de opleidingen besteden we hier al aandacht aan: we geven trainingen in onder­ nemerschap, we nodigen alumni uit die succes­ volle ondernemers zijn geworden, maar het levert nog te weinig op. Misschien dat we bij de selectie van mensen al moeten kijken naar het ondernemende karakter.’

Alsof dat niet genoeg plannen zijn, moeten de ontwerpersopleidingen ook internationaal beter op de kaart komen. Buitenstaanders zien de opleiding nog vaak als een ‘net-niet-promotie’.

Toch is ook hier sprake van verandering, zegt Fransoo. ‘In Scandinavië en Engeland zijn al soortgelijke opleidingen en binnen Europa lopen nu discussies of er ook andere varianten van de PhD moeten komen. Als je kijkt naar de toegevoegde waarde voor de industrie, is het overgrote deel van de bedrijven vooral geïnteresseerd in nieuwe producten en werkende systemen. De PDEng-opleidingen passen daar goed bij.’


26 27

SPECIAL SAI/

ical Engineer Qualified Med Studierichting: care applicatie : Nemo Health rgketen rondom zo n va Opdrachtgever en er is Optimal ongeboren kind Project:  or real-time monitoren van vo

Bas Lemmens, Nemo Healthcare

‘PDEng-trainees leren kijken naar aspecten waar wij niet aan dachten’ ‘Als een zwangere vrouw bij de verloskundige aangeeft dat ze minder leven voelt, komt ze terecht in het ziekenhuis. Daar maken ze een CTG om de weeën- en hartactiviteit te meten. Dat gebeurt met banden met mechanische en ultrageluidsensoren om de buik. Het probleem is dat de band in twintig tot veertig procent van de gevallen niet goed werkt. Bovendien kost een opname in het ziekenhuis veel geld. Wij ontwikkelen een pleister die elektrofysische signalen opvangt. De pleister plak je op de buik. Zo zijn zowel weeën als de hartactiviteit van het kind beter te meten. Dat kan gewoon thuis of bij de verloskundige, met behulp van een webapplicatie: de data gaan via het internet naar het ziekenhuis, zodat de artsen op afstand, real-time, kunnen meekijken. We wilden een real-time bewakingsketen bouwen en de situatie in het ziekenhuis naar buiten trekken. Barbara Vermeulen heeft zich beziggehouden met het optimaliseren van die keten. Dat heeft er onder andere toe geleid dat we nu met een aparte router werken met een gsm-verbinding. Want wat als iemand geen of een slechte internetverbinding in huis heeft? Het gebruik van een eigen telefoon bleek een oncontroleerbare factor: wat als iemand die vergeet op te laden? Hoe voorkom je dat moeders door gebrek aan ervaring onnodig ongerust worden? En hoe omzeil je de zware ict-beveiliging in het ziekenhuis, hoe wissel je de data uit?

Bas Lemmens Dat soort dingen moet je goed onderzoeken om tot een oplossing te komen die niet klauwen met geld kost en die past binnen het denken en handelen van de betrokkenen. Het aardige van de ontwerpers­ opleiding is dat trainees leren heel bewust te kijken naar allerlei aspecten waar wij zelf niet over nadachten. Barbara heeft een goed concept opgeleverd. Met een verbeterde versie daarvan worden momenteel proeven gedaan bij twee verloskundige praktijken. Het grote voordeel van een PDEng-trainee is dat deze goed zelfstandig uit de voeten kan. De trainee analyseert vanuit een degelijke, wetenschappelijke basis de situatie en komt van daaruit met een passende oplossing.’

Barbara Vermeulen

‘Ik heb een bredere blik gekregen’ ‘Ik was medisch technicus bij het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven en was al op de hoogte van het project. Er waren altijd al sterke banden met de TU/e. Ik kende iemand die de ontwerpersopleiding had gedaan en vond dat een goede manier om samen iets moois te maken. Ik was afgestudeerd in 2000 en in 2013 begon ik dus opnieuw met studeren. In het eerste jaar moest ik heel vaak zoeken naar de beste werkwijze. Bijvoorbeeld, aan wie kun je een onderdeel van een project het beste uitbesteden? Kies je voor een voordelige Fontysstudent die er misschien lang over doet, of neem je iemand in dienst die meer kost, maar sneller klaar is? Juist dat voortdurend zoeken helpt in je groei als ontwerper. In de techniek wordt niet vaak aandacht besteed aan de menselijke kant van werk. Daarom vond ik de cursus Zelfreflectie en Commu­ nicatie heel nuttig. Je maakt kennis met de persoon die je bent. Dankzij de opleiding is mijn netwerk geëxplodeerd. Momenteel ben ik adviseur medische technologie in het Radboud UMC.

Barbara Vermeulen (links) Zonder deze opleiding had ik niet de overkoepe­lende blik gehad die ik nu heb. Ik kijk niet alleen naar wat er op een bepaald moment gebeurt, maar neem de invloed daarvan op allerlei gebieden mee. Ik heb geleerd om consequenties in te schatten op allerlei fronten, zoals landelijke wetgeving, ict-ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Ik heb een bredere blik gekregen.’


gn Systems Desi Automotive e Studierichting: iv or ot m to idstandaard vo : TNO Au nieuwe veilighe ertuigen met Opdrachtgever n va en er gr te In e vo Project:  ontwikkeling van autonom de O Automotive TN n va e ijz kw bestaande wer

Sven Jansen, TNO Automotive

‘Een investering in een PDEng-trainee is een kennisinvestering’ ‘Aansprakelijkheid is heel belangrijk in de automotivesector. Als er een ongeluk gebeurt en het komt voor een rechter, dan pak je de ISO-documentatie erbij en maak je inzichtelijk dat je naar de beste veiligheidsinzichten hebt gewerkt. Je bent dan als fabrikant niet aansprakelijk. De nieuwe ISO26262-standaard voor de ontwikkeling van autonome auto’s bevat een ontzettend uitgebreid protocol. Het is een document van ruim 450 bladzijden. Dat kan soms betekenen dat je zelfs rekening moet houden met de kosmische straling die het geheugen van een computerchip beïnvloedt. Als je alles toepast, ben je snel twee jaar bezig. Arash Khabbaz Saberi heeft uitgezocht hoe we de ISO26262werkwijze zo kunnen toepassen dat we toch op redelijk korte termijn een oplossing kunnen bieden aan onze klant. TNO maakt snel prototypes voor klanten, bijvoorbeeld een systeem waarmee autonome auto’s binnen de rijstrook blijven. Tijdens het eerste jaar moeten de PDEng-studenten een groepsopdracht uitvoeren. Wij hebben toen dit thema, functionele veiligheid, gelanceerd, omdat het zoveel facetten heeft. Arash was groepsleider en had veel

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

interesse om het onderwerp binnen TNO verder uit te werken. Vooral de niet-technische competenties zijn een heel sterke plus van de ontwerpersopleiding. De balans tussen technische - en soft skills zat bij Arash heel goed. Hij heeft een goede rapportage gemaakt met een degelijke onderbouwing, een heel mooi startpunt. Het is echter een oplossing op papier; nu willen we gaan kijken hoe deze uitpakt in de praktijk. Voor ons is het een geluk dat Arash dit in het kader van een promotie wil uitzoeken. Al lang geleden hebben wij onderkend dat de ontwerpersopleiding heel bijzonder is, dus jaarlijks worden een paar PDEng-trainees geplaatst binnen TNO. De investering in zo’n trainee is een kennis­investering voor TNO. Bovendien maken we op die manier kennis met potentiële nieuwe collega’s.’

Arash Khabbaz Saberi

‘De PDEng-studie werkt als een snelkookpan’ ‘Na mijn masterstudie Embedded Systems aan de TU/e zocht ik naar een baan in een interdisciplinaire omgeving op het gebied van robotica. Ik ontdekte al na een paar sollicitaties dat ik veel meer ervaring nodig had voor het soort banen dat ik leuk vond. Daarom begon ik in 2013 met de PDEng-studie Automotive Systems Design. Ik deed veel technische kennis op tijdens het eerste jaar, maar vooral de vakken op het gebied van soft skills vond ik erg interessant. Vakken als communicatieve vaardigheden en projectmanagement, evenals de persoonlijkheidstesten die we deden, zorgden ervoor dat ik mezelf beter leerde kennen. Juist die sociale vaardigheden kwamen enorm van pas tijdens mijn eindproject bij TNO Automotive in Helmond. Ik moest bijvoorbeeld eerst uitzoeken welke procedures rondom veiligheid ze bij de afdeling TNO Automotive op dat moment volgden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe stel je allerlei vragen zonder mensen teveel lastig te vallen? Verder moest ik allerlei documenten van TNO reviewen. Ik zorgde ervoor dat mijn feedback niet alleen negatief was, maar ook positieve punten bevatte. Anders nemen mensen je commentaar uiteindelijk niet ter harte. Gelukkig bleken ze bij TNO erg open te staan voor mijn suggesties.

Sven Jansen (links) en Arash Khabbaz Saberi Toen ik begon aan het project was TNO Automotive nog aan het aftasten welke rol de veiligheidsstandaard zou kunnen spelen. Inmiddels is functionele veiligheid een van de zes speerpunten. Daar heb ik een behoorlijke bijdrage aan geleverd, wat erg veel voldoening geeft. De PDEng-studie werkt als een snelkookpan, je leert ontzettend veel tijdens het eerste jaar. Die dingen kun je ook leren op de werkvloer, maar dan duurt het zeker vijf tot tien jaar. De opleiding is zwaar, je verdient minder dan in het bedrijfsleven en je wordt heel vaak uit je comfortzone geduwd. Maar op de lange termijn is dat het wel waard.’


28 29

SPECIAL SAI/

s - ICT neering System Electrical Engi of gn si De Studierichting: arch : Philips Rese g lichtsystemen Opdrachtgever oze aansturin dl aa dr n va g Storin Project:  al door wifi-signa

Paul Linnartz, Philips Research

‘De trainee vertaalt niet zo scherpe probleemstellingen naar concrete oplossingen’ ‘ZigBee is een draadloos communicatiesysteem waarmee bepaalde lampen van Philips zijn aan te sturen. Het werkt op dezelfde frequentie als wifi, dat zich vaak in dezelfde ruimte bevindt. Dat kan leiden tot storingen in de aansturing van het lichtsysteem. Het was al lang een punt van discussie en onderwerp van intern onderzoek. We wilden in kaart brengen hoe de systemen op elkaar zijn af te stemmen. En we wilden een apparaat ontwikkelen dat meetdata verzamelt over de berichtenstroom van wifi en ZigBee in een ruimte. Daarmee kunnen we nagaan of de theoretische modellen kloppen. Een afstudeerder van een masteropleiding heeft niet de looptijd en de diepgang om te komen tot een uitgewerkt meetinstrument. Een promovendus werkt in de loop van vier jaar juist veel meer toe naar wetenschappelijke publicaties. Er waren al theoretische modellen, maar we wilden graag een meetinstrument dat we konden gebruiken.

heeft Chara echter opgelost. Nu gaat ze als promovenda werken aan een meetopstelling waarmee het interne gedrag van een radionetwerk te meten is. Als klant kun je een vrij duidelijk beeld hebben van wat je wilt, maar vervolgens komen er allemaal onverwachte vragen naar boven: hoe autonoom moet het systeem werken? Moet het ook versleutelde berichten waarnemen? Juist het gaandeweg kunnen ontdekken van dergelijke specifieke vereisten, het vertalen van vragen naar wetenschappelijke problemen, leer je bij deze opleiding. Dat een trainee een in eerste instantie niet zo scherpe probleemstelling gaat vertalen naar iets heel concreets is heel aantrekkelijk voor een toekomstige werkgever.’

Chara Papatsimpa heeft een koppeling gemaakt van een bestaand wiskundig model en een meetopstelling. Daarmee kon ze heel veel berichten meten. Als de berichten versleuteld waren, bleken ze echter vaak buiten de meting te vallen. Dat is een van de praktische problemen die we nog moeten oplossen. De essentie van het moeilijke probleem

Chara Papatsimpa

‘Het vergemakkelijkte de overgang naar een ‘echte’ baan’ ‘Het probleem dat ik voor Philips moest oplossen, had ik thuis ook al ondervonden: als ik grote files aan het downloaden was, kon ik de kleuren van mijn Hue-lampen niet veranderen. Dat is wat ik echt leuk vind: zoeken naar een oplossing voor een probleem dat ik zelf zie. Ik heb vooral veel geleerd op het gebied van communicatie. Ik was gewend om altijd in mijn eentje te werken, nu moest ik een nieuwe aanpak leren. Soms riep ik mensen van Philips bijeen voor een vergadering, maar bleken ze het onderwerp helemaal niet zo belangrijk te vinden. In plaats van mijn gang te gaan en hier vervolgens over te communiceren, heb ik geleerd om allerlei stappen vooraf met anderen te overleggen. Verder waren de cursussen timemanagement en projectmanagement heel nuttig voor mij. Ik ben vrij chaotisch aangelegd en heb nu ontdekt dat het zinvol is om eerst alle stappen van een project op te schrijven. Na mijn master twijfelde ik wat ik wilde doen: werken in het bedrijfsleven, of onderzoek doen aan een universiteit. Dankzij de

Paul Linnartz en Chara Papatsimpa

PDEng-opleiding kon ik een kijkje nemen in het bedrijfsleven en uitvinden of me dat bevalt. Het vergemakkelijkte de overgang naar een ‘echte’ baan. Nu ik dit heb gedaan, weet ik wat ik wil. Ik ga mijn PDEng-project verlengen met een promotie, omdat ik het echt heel interessant vind. Natuurlijk had ik ook meteen kunnen promoveren, maar dan was ik altijd blijven twijfelen of dat wel de goede keuze was geweest. Ik wilde eerst alles zien. Ik wil graag onderzoek blijven doen en mijn eigen projecten bepalen. Dat kan binnen een bedrijf als Philips, maar ook binnen de universiteit. Als ik het onderwerp zelf maar interessant vind.’


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

ONTWERPERSOPLEIDING DATA SCIENCE LEERT STUDENTEN CREATIEF TE ZIJN Ooit gaven Franciscaanse nonnen in het Bossche klooster De Mariënburg les aan katholieke meisjes. Nu starten de TU/e en Tilburg University er in samenwerking met de provincie Noord-Brabant en de gemeente Den Bosch een splinternieuw opleidings­ centrum binnen het Jheronimus Academy of Data Science (JADS) initiatief. Post-masterstudenten kunnen er vanaf september een even nieuwe als vernieuwende ontwerpersopleiding Data Science volgen. Opleidings­ directeur Stef van Eijndhoven licht toe. Wat is de aanleiding voor deze nieuwe ontwerpersopleiding? ‘De nieuwe opleiding komt voort uit de ontwerpersopleiding Mathematics for Industry, die momenteel wordt uitgefaseerd. Dat komt door ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Daar is een geleidelijke overgang gaande van de klassieke modellering naar datamodellering. Voorheen werden wiskundige modellen gevormd op grond van hypotheses en natuurkundige principes. Er wordt steeds meer gemeten en er worden steeds meer data opgeslagen. We bereiken het punt dat de data zelf het model vormen. Van daaruit rijst de vraag wat de waarde is van dat datamodel. Machine learning op basis van big data, het ontdekken van patronen en doen van voorspellingen, dat is een andere tak van sport dan modelleren. Het vereist ook een ander type mensen.’ Wat voor soort mensen zoekt de opleiding dan? ‘In dit vakgebied is story telling heel belangrijk, een data scientist moet in staat zijn een verhaal uit data te halen. Dat vereist dat data scientists open en communicatief vaardig zijn. Ze moeten nieuwsgierig zijn naar het domein waar de data vandaan komen - of het nu gaat over voedsel, landbouw, gezondheid, of wat dan ook. We zoeken mensen met een blik gericht op de wereld om hen heen. Ook creativiteit speelt een erg belangrijke rol. Studenten worden niet aangemoedigd tot creativiteit tijdens hun academische vorming, de nadruk ligt op het vermijden van

het maken van fouten. Maar wie creatief wil zijn, moet juist wel fouten durven maken. ‘Creativity takes courage’, zei de kunstenaar Henry Matisse ooit.’

bepalen ze hun strategie en aan het eind van de week presenteren ze wat ze hebben gedaan. Elke module wordt afgesloten met het schrijven van een rapport.’

Hoe selecteren jullie zulke studenten? ‘Voorafgaand aan de opleiding is er een data challenge week, waarin we de kandidaten een assessment aanbieden. Daarin werken ze in groepjes aan bepaalde aspecten van datasets die door bedrijven worden aan­geleverd. Studenten die de opleiding al langer volgen, coachen de sollicitanten. Een week lang gaan de deelnemers heel intensief met elkaar om. Je ziet dan heel goed wie geschikt is om de opleiding te volgen en wie minder.’

Wat is de rol van de docenten bij deze nieuwe leerstijl? ‘De docenten zijn eerder coaches, die erop toezien dat studenten hun eigen leerdoelen bereiken. Voorafgaand aan het opzetten van deze opleiding hebben we veel gepraat met het bedrijfsleven. Zij bleken vooral creativiteit te missen bij net afgestudeerde ingenieurs. Als antwoord daarop geven we de studenten volledige verantwoordelijkheid voor wat zij leren. Wij reiken elementen aan, maar gaan ervanuit dat studenten fouten mogen maken. Voor een coach is dat best lastig, je bent geneigd mensen te behoeden voor fouten. Meer en meer wordt duidelijk dat de oude manier van instructie geven, colleges geven, zeker op dit niveau een gepasseerd station is.’

Hoe is de opzet van de opleiding? ‘De studie bestaat uit een jaar les en een jaar stage bij een bedrijf. Het eerste jaar is opgebouwd uit vijf modules. Drie daarvan zijn verplicht, twee moeten de cursisten zelf kiezen. In totaal zijn er negen modules waaruit gekozen wordt. Naast statistiek en software engineering is er aandacht voor ethiek, ondernemen, project management, financiering. We leiden een breed mens op. We werken met een nieuwe leerstijl, waarbij technische en niet-technische vaardigheden binnen elke module worden gecombineerd. Elke module heeft een thema. Bedrijven leveren datasets aan en de studenten werken vervolgens binnen teams aan bepaalde aspecten van de datasets gerelateerd aan het modulethema. De teams communiceren met de opdrachtgever, aan het begin van elke week

In het tweede jaar loopt de student stage bij een bedrijf, dat hiervoor betaalt. Wat krijgt het bedrijf ervoor terug? ‘Het bedrijf betaalt 5.400 euro per maand. Zeker voor middelgrote en kleine bedrijven is dit veel geld, maar er staat behoorlijk wat tegenover. Je krijgt twaalf maanden lang voltijd de beschikking over iemand die zowel een masteropleiding als deze opleiding heeft doorlopen. Daarnaast haal je expertise binnen vanuit de universiteit in de vorm van begeleiding, tien uur per maand.’ Waarom wordt de opleiding gegeven in een oud klooster in Den Bosch? ‘Het initiatief daarvoor kwam van de provincie Noord-Brabant. Het opleidingscentrum moet bijdragen aan de internationale positionering van Brabant als Data Science regio. Het is een schitterend historisch gebouw in het centrum van de stad met hypermoderne voorzieningen. Er komt een vleugel voor studentenappartementen en het is de bedoeling dat er ook start­ ups komen.’


30 31

ACHTERGROND/

GEÏNTEGREERDE FOTONICA IN STROOM-

VERSNELLING Bij het onderzoek naar geïntegreerde fotonica, optische materialen en optische communicatiesystemen loopt de TU/e al twee decennia voorop. Deze technologieën moeten de komende jaren grootschalig worden toegepast om te voorkomen dat de wereldwijde digitale infrastructuur vastloopt. Om de Eindhovense kennisvoorsprong vast te houden en uit te buiten, is het TU/e Institute for Photonic Integration opgericht.


TEKST TOM JELTES FOTO’S BART VAN OVERBEEKE

N

aar verwachting blijft het digitale dataverkeer de komende tien jaar exponentieel doorgroeien, en neemt met een factor duizend toe, terwijl de capaciteit van onze computers in diezelfde tijd slechts honderd keer zo groot wordt. Om het groeiende internetverkeer het hoofd te bieden, verrijst momenteel het ene megadatacentrum na het andere. Aan die groei zijn echter grenzen, al was het maar omdat het elektriciteitsverbruik van deze digitale knooppunten naar tientallen procenten van de wereldwijde stroomconsumptie dreigt te groeien. ‘Die energieconsumptie bedraagt nu al drie procent van het wereldwijde elektriciteits­ verbruik’, zegt Ton Backx, directeur van het Institute for Photonic Integration. Willen we over een paar jaar niet een veelvoud betalen voor een minder snelle internetverbinding, dan moet er dus snel iets gebeuren. De oplossing is gelukkig al in de maak. Informatie kun je namelijk veel sneller en energiezuiniger verwerken via lichtsignalen

a.c.p.m.backx@tue.nl

(optisch) dan in de vorm van elektrische stroompjes. Voor dataverkeer over grote afstand is optische communicatie via glasvezelkabels al gemeengoed. Maar lichttechnologie, ook aan­ geduid met de term fotonica, zal daarnaast moeten worden geïntegreerd in de servers van de datacentra en in de aansluiting naar de eindgebruikers. Anders gezegd: om filevorming op het digitale wegennet te voorkomen, moeten niet alleen de snelwegen optisch worden, maar ook de knooppunten en de toegangs­ wegen. En dat betekent dat er behoefte ontstaat aan geïntegreerde fotonica, waarin lichttechnologie wordt toegevoegd aan de ‘traditionele’ elektronische chips. ‘Binnen vier jaar moet fotonica-technologie worden toegepast in datacentra’, aldus Backx. ‘En daarom moeten we nu de stap maken naar het bedrijfsleven.’ Daar is niet alleen haast bij vanuit een technologisch perspectief, maar ook vanuit commercieelstrategisch oogpunt. Eind vorig jaar maakte president Barack Obama bekend dat de Verenigde

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

PHOTON DELTA Photon Delta is een publiek-private samenwerking tussen bedrijven, regionale overheden en kennis­ instellingen op het gebied van (geïntegreerde) fotonica die formeel per 1 januari van start is gegaan. Photon Delta, waarvan de TU/e penvoerder is, wordt voor de helft gefinancierd met een subsidie van OPZuid - het Europees Innovatieprogramma voor Zuid-Nederland. De overige 1,3 miljoen euro wordt opgebracht door met name Brainport en de TU/e. De dagelijkse leiding van Photon Delta is in handen van Ewit Roos, oud directeur-oprichter van BrightMove, een bedrijf - met de TU/e als mede-aandeelhouder - dat financiering biedt aan hightech-startups. De Rotterdamse economischjuridisch specialist heeft de komende vier jaar de leiding over de opbouwfase van Photon Delta waarvan overigens nog niet zeker is of het een stichting, coöperatie of bv wordt. Het doel van Photon Delta formuleert Roos als het ‘niet-toevallig valoriseren’ van de in het eco­ systeem aanwezige kennis. En dan met name door bedrijfsleven en wetenschap bij elkaar te brengen, te analyseren welk type bedrijven en diensten van toegevoegde waarde zouden zijn in de regio, en welke specifieke kennis nog ontbreekt. ‘We hebben hier al veel bedrijven die fotonische componenten maken’, zegt Roos. ‘De supply chain is goed ontwikkeld, en de Brainportregio is al groot binnen de Topsector High Tech Systemen & Materialen. Belangrijk is nu om te zien waar de gaten zitten, zodat we die gericht kunnen vullen.’

V.l.n.r. Ton Backx, Ton Koonen & Ewit Roos.


32 33

ACHTERGROND/

Voor de TU/e, maar ook voor de rest van Nederland, en zelfs Europa, is het van groot belang om die voorsprong vast te houden. Voorspeld wordt dat de markt voor geïntegreerde fotonica in 2020 zo’n vijftig miljard euro zal bedragen. Wie van die explosieve groei gaat profiteren, wordt de komende jaren beslist, zoveel lijkt duidelijk. Er is dus geen tijd te verliezen, vindt Backx. Staten 120 miljoen dollar stoppen in een fotonica-instituut dat de Amerikaanse achterstand met Europa op dit gebied moet doen inlopen. ‘En de achterstand op Europa, dat is de achterstand op ons, op de TU/e’, zegt Backx zelfverzekerd. Onderzoeksschool COBRA, waarin fotonica-gerela-

teerde groepen van Electrical Engineering en Technische Natuurkunde verenigd zijn, is wereldleider in het vakgebied, aldus Backx. ‘Uit de meest recente visitatie blijkt dat het COBRAonderzoek zo’n twee jaar voorloopt op de rest van de wereld.’

COBRA

Ton Koonen, hoofd van de groep Electro-optical Communications (ECO), is sinds 1 februari wetenschappelijk directeur van zowel onderzoeksschool COBRA als van het Institute for Photonic Integration als geheel. COBRA blijft wat Koonen betreft voorlopig in zijn huidige vorm bestaan, al was het maar omdat de onderzoeksschool twee jaar geleden een Zwaartekrachtsubsidie van twintig miljoen kreeg, waarmee het nog acht jaar vooruit kan. ‘Ook de naam COBRA moet blijven’, benadrukt Koonen. Omdat het instituut beduidend breder wordt dan de onderzoeks­school alleen, zal het instituut geen COBRA gaan heten, legt hij uit. ‘Maar de reputatie van COBRA is te waardevol om die naam helemaal niet meer te gebruiken.’ In de ontwikkelingstak van het nieuwe instituut staat de komende jaren veel te gebeuren, zegt Koonen. ‘Hoe krijgen we al die mooie dingen die we binnen COBRA uitvinden naar de echte wereld? Dat wordt de uitdaging voor het instituut.’ Binnen COBRA werken nu zo’n driehonderd onderzoekers, inclusief promovendi. De verwachting is dat daar binnen het instituut de komende vijf jaar nog eens driehonderd mensen bijkomen. ‘In de industrie zie je dat hoe verder je komt in de ontwikkeling van een product, hoe meer mensen erbij betrokken zijn. Het zou dus heel goed kunnen dat op termijn het zwaartepunt van het instituut bij de ontwikkelingstak komt te liggen.’

‘COBRA-onderzoek loopt twee jaar voor op de rest van de wereld’

Het Institute for Photonic Integration moet een volwaardig Research & Developmentinstituut worden, waarbij de onderzoekspoot wordt gevormd door COBRA, en de ontwikkelings­ tak zal bestaan uit een drietal Technology Centers, respectievelijk op het gebied van zogeheten (III-V)Materialen, Componenten-DevicesCircuits, en Systemen (zie ook kader ‘COBRA’).’ Zoals gezegd zullen binnen de Technology Centers de vindingen van COBRA worden doorontwikkeld tot prototypes waarmee de industrie aan de slag kan, waarbij Photon Delta een verbindende rol krijgt (zie ook kader ‘Photon Delta’). In dit verband wordt gesproken met grote technologiespelers

COBRA bestaat uit vijf onderzoeksgroepen: twee van Electrical Engineering - Photonic Integration (PhI) en Electro-optical Communications (ECO) - en drie van Technische Natuurkunde: Photonics and Semiconductor Nanophysics (PSN), Physics of Nanostructures (FNA), en Plasma and Materials Processing (P&MP). Deze groepen doen op drie niveaus onderzoek aan geïntegreerde fotonica: materialen (de groepen van TN), devices (PhI) en systemen (ECO). In aansluiting op deze drie niveaus zijn binnen het instituut ook drie Technology Centers gepland. ‘Op het niveau van materialen hebben we het dan over de ontwikkeling van geavanceerde fotonische materialen gebaseerd op de halfgeleider indiumfosfide’, legt Koonen uit. ‘Dat is een zogeheten (III-V)- materiaal dat vooral in de telecom wordt gebruikt, maar dat we ook geschikt proberen te maken voor andere toepassingen. De cleanroom van NanoLab@TU/e is al specifiek voor indiumfosfide ingericht.’

Uiteindelijk kunnen bedrijven hier prototypes laten maken Op het niveau daarboven, de devices, bestaat in feite al een Technology Center in de vorm van het Europese consortium Jeppix, waarvan de TU/e coördinator is. ‘Daarmee zijn we dus al het verst’, zegt Koonen.


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

binnen en buiten de regio, waaronder Philips, NXP, KPN, ASML en IBM. Voor het totale initiatief is de komende tien jaar zeker honderdvijftig miljoen euro nodig, schat Backx. Er wordt dan ook nog druk gekeken welke private en publieke instanties (zoals het ministerie van Economische Zaken, Brainport, de provincie Noord-Brabant, en de Europese Unie) willen bijdragen.

‘Het verlies van de koppositie kan ons land, en Europa, miljarden kosten’ De directeur is optimistisch over de bereidheid om de benodigde

investering op te hoesten. Door niet te investeren zouden we namelijk veel nieuwe werkgelegenheid en inkomsten mislopen. ‘Het verlies van de koppositie kan ons land, en Europa, miljarden kosten. Geïntegreerde fotonica zal de komende jaren een deel van de traditionele elektronica gaan vervangen, met name in data­ centers en voor telecommunicatie. Daarnaast heeft de technologie onder meer veel potentie voor biosensoren waarmee je snel en goedkoop medische tests kunt uitvoeren, bijvoorbeeld om huidkanker vast te stellen met een smartphone. De markt voor geïntegreerde fotonica gaat van vijftig miljard in 2020 groeien naar duizenden miljarden op langere termijn.’

samenwerken om tot de gewenste functionaliteit te komen. ‘Hoe dat precies vorm krijgt, zal nog moeten blijken, maar dat ligt allemaal in het verlengde van wat wij bij ECO nu doen in onze labs in Flux.’

‘Jeppix houdt zich bezig met generic photonic integration, een methode om optische integratietechnologie ook toegankelijk te maken voor externe partijen. Dan moet je denken aan een soort receptenboek met standaarden voor bepaalde fotonische componenten, die een bedrijf dan in elke aangesloten cleanroom kan laten maken.’ Dat moet op termijn leiden tot een systeem van ‘open access’ voor faciliteiten waar bedrijven prototypes kunnen laten maken. ‘De bedoeling is dat bedrijven met ontwerpregels in de hand hun eigen circuits kunnen ontwerpen, en die vervolgens bij ons kunnen laten maken, of in cleanrooms van de overige partners. Wij zullen hier overigens geen chipfabriek worden, het blijft bij prototypes. Voor de uiteindelijke massaproductie zijn er industriële partners.’ Op systeemniveau, tot slot, is er een System Prototyping Center gepland, dat zich zal buigen over hoe deze componenten in een systeem moeten

De vindingen van COBRA blijven overigens ook nu al niet volledig verborgen voor de buitenwereld. Zo ontstonden vanuit de onderzoeksschool de afgelopen jaren diverse spin-offs, waaronder PhotonX Networks (o.a. optische netwerkschakelaars), Effect Photonics (o.a. ontwerp van photonic integrated circuits en inpassen van afstembare lasers op optische chips) en Smart Photonics (productie van optische chips). Hoewel het zwaartepunt van COBRA nu ligt op het gebied van tele­ communicatie, is de verwachting dat de komende jaren meer aandacht komt voor andersoortige toepassingen van fotonica. Koonen: ‘Binnen het instituut zullen we meer aan medische sensoren gaan werken. Je kunt bijvoorbeeld sensors maken op basis van plastic fibers. Daarmee kun je goed meten hoe mensen bewegen in hun slaap; we praten momenteel met epilepsiecentrum Kempenhaeghe in verband met het onderzoek naar slaapstoornissen daar. Maar je kunt optica ook gebruiken in het verkeer, om de afstand tussen auto’s te meten, of de doorbuiging van vliegtuigvleugels. Er zijn meer dan genoeg toepassingen voor geïntegreerde fotonica te bedenken.’


34 35

5X1/

BETER ZOEKEN OP INTERNET Zoekopdrachten leveren nog vaak niet het gewenste resultaat, omdat de zoekmachines de vraag niet altijd zo interpreteren als hij door de gebruiker is bedoeld. Door de context mee te nemen, groeit de kans dat een zoekvraag het gewenste antwoord oplevert. Zowel expliciete context - zoals de zoekgeschiedenis en informatie over het gebruikersprofiel - als ogenschijnlijk irrelevante factoren - zoals het soort apparaat waarop de zoekactie wordt uitgevoerd, of dag en tijdstip - leveren relevante informatie. Yulia Kiseleva onderzocht hoe je dergelijke context het best kunt benutten in zoekmachines en webdiensten. Ze werkte hiervoor samen met de Russische zoekmachine Yandex, Microsoft Bing, Microsoft Cortana en Booking.com.

ZACHT WATER DOOR KLEINE PORIËN Als je met een membraan selectief bepaalde moleculen uit een vloeistof wilt filteren, dan helpt het als je de poriën heel klein kunt maken. Berry Bögels creëerde een membraan uit een mengsel van staafvormige vloeibare kristallen en hulpmoleculen - die hij na afloop van het vormingsproces weer verwijderde. Zo wist hij poriën te maken waarin bepaalde ionen, zoals calcium en magnesium, worden afgevangen, terwijl bijvoorbeeld natrium en kalium worden doorgelaten. Met dergelijke membranen kan water worden onthard in waterzuiverings­installaties om kalkaanslag tegen te gaan. Een belangrijk pluspunt is bovendien dat membranen van vloeibare kristallen goedkoop zijn om te produceren.

5X1 minuut

Slash spitte door de stapel meest recente proef­schriften en lichtte er vijf voor je uit. Dat is in vijf minuten informatie opnemen waar je anders uren aan had ­moeten besteden.


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

SCHIMMEL OP DE KORREL In ruimtes met een te hoge luchtvochtigheid loop je een groot risico op muurschimmel. Dat staat niet alleen lelijk; schimmels op de muur zijn - net als op voedsel - ook vaak ongezond. Ze scheiden namelijk allerlei stoffen af waarvoor veel mensen allergisch zijn. Er is nog veel onbekend over hoe snel schimmels precies groeien onder welke omstandigheden. Karel van Laarhoven slaagde erin om groeiende schimmels op een stukje gips te filmen met een microscoop, door met ijzeroxide contrast te creëren tussen het witte gips en de dito schimmel. Zulke filmpjes kunnen waardevolle informatie opleveren voor het ontwerpen van schimmelwerende materialen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de schimmels beter groeien naarmate de poriën van het materiaal fijner zijn.

BRANDSTOF UIT NANODRAADJES Flinterdunne draadjes gemaakt van galliumfosfide - honderd nano­ meter, zo’n duizend keer dunner dan een mensenhaar - zijn uitzonderlijk goed in staat om zonlicht om te zetten in elektriciteit. Zeker als je in ogenschouw neemt hoe weinig materiaal nodig is om zulke nanodraadjes te maken. Anthony Standing wist veel dunnere draadjes van galliumfosfide te ‘oogsten’ dan voorheen mogelijk was. Bovendien wist hij de efficiëntie van de nanodraden te verduizendvoudigen, totdat ze tienmaal beter werken dan conventionele zonne­ panelen. Hij gebruikte ze om zonlicht rechtstreeks om te zetten naar waterstof een belangrijke stap op weg naar de productie van zonnebrandstoffen.

STEUN VAN EEN ROBOTARM Mensen die door een progressieve spierziekte als Duchenne of ALS in een rolstoel zijn beland, ontbreekt het op een gegeven moment ook aan de spierkracht om hun eigen arm op te tillen. Zelfs eenvoudige handelingen, zoals een glas water pakken, worden daardoor een onoverkomelijk probleem. Ondersteuning met een soort robotarm kan voor deze mensen uitkomst bieden. Omdat het over­winnen van de zwaartekracht daarbij de meeste energie kost, ontwierp Bob van Ninhuijs een kunstmatig ‘schoudergewricht’ dat in horizontale richting vrij kan draaien, terwijl in verticale richting de zwaartekracht door magnetische krachten wordt gecompenseerd. Dat concept, waarop patent is verkregen, kan tevens nuttig zijn voor industriële robots.


36 37

VONK/

TEKST JOEP HUISKAMP FOTO’S BART VAN OVERBEEKE

‘MIJN BEHOEFTE AAN VRIJHEID BRACHT ME OP HET IDEE OM

HOOGLERAAR TE WORDEN’


d.c.nijmeijer@tue.nl

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

In 2016 maakte chemisch technoloog Kitty Nijmeijer (44) de overstap van Twente naar Eindhoven. Ze verdiende aan de Universiteit Twente haar sporen als wetenschapper. Met een TEDx lezing, een collegereeks in de Universiteit van Nederland, optredens in DWDD en innovatieve membraanprojecten zette ze zich ook daarbuiten op de kaart. Zoals met de blue energy centrale op de Afsluitdijk, die energie haalt uit het verschil in zoutconcentratie tussen zoet en zout water. Toch hoort wat de hoogleraar Membrane Materials and Processes betreft twijfelen ook bij succes.


38 39

VONK/

‘Ik ben geboren in Geleen. Mijn ouders waren beiden jurist, dus bèta zit niet in mijn genen. Maar we woonden letterlijk onder de rook van DSM: ik kon vanuit mijn slaapkamerraam de vlammen van het affakkelen zien. Op de basisschool knutselde ik graag met lego. Misschien komt daar mijn voorliefde voor techniek vandaan: iets bedenken, bouwen en uitproberen. Op de middelbare school wist ik al snel dat ik de technische kant uit wilde en na het vwo begon ik met chemische technologie aan de hts in Heerlen. De liefde bracht me daarna naar Twente, waar mijn vriend al studeerde. De combinatie van het theoretische met het experimentele van een universiteit trekt me. Toen ik stage liep bij Akzo Nobel realiseerde ik me voor het eerst hoe belangrijk ik de grote vrijheid in onderzoek aan een universiteit vind. Ik heb er dus heel bewust voor gekozen om te promoveren. Na mijn promotie kreeg ik de kans om binnen de onderzoeksgroep Membrane Science and Technology van de UT leiding te geven aan het onderdeel dat zich bezighoudt met contractresearch voor de industrie. Enkele jaren later werd ik universitair docent in dezelfde groep. Mijn behoefte aan vrijheid bracht me op het idee om hoogleraar te worden. En dat gebeurde in 2012.

‘Het geeft een fantastisch gevoel om gevraagd te worden’ Eind september 2015 kreeg ik een telefoontje van Jaap Schouten, de decaan van de Eindhovense faculteit Scheikundige Technologie. Hij wilde met me praten en viel met de deur in huis: had ik zin om naar Eindhoven te verkassen? Ik wist meteen dat ik dat wilde en een paar dagen later hebben mijn vriend en ik de knoop doorgehakt. Ik ben zeker niet uit onvrede weggegaan uit Twente; het begon

na vijftien jaar te kriebelen om iets nieuws te gaan doen. De vraag kwam dus precies op het juiste moment. De inhoudelijke keuzes van de faculteit ST hier in Eindhoven passen veel beter bij de lijn van mijn onderzoek. Twente zet sterk in op nanotechnologie en anorganische materialen. Mijn onderzoek gaat over het maken van polymeer mem­ branen voor industriële toepassingen en Eindhoven heeft sterke clusters rond zowel polymeren als de procestechnologie. Het geeft een fantastisch gevoel om gevraagd te worden. De rector van de UT, Ed Brinksma, gunde het me van harte, al vond hij het wel bijzonder jammer dat ik wegging.

‘Mooie proefschriften verdwijnen vaak in de kast; daar kan meer mee gedaan worden’ Mijn collega Zandrie Borneman besloot wat later om ook vanuit Twente naar Eindhoven te komen. We gaan aan de TU/e membranen maken voor nieuwe toepassingen, met name voor het terugwinnen van waardevolle componenten. Duurzame uitdagingen genoeg: in de biobased economy, in de voedingssector of in de waterzuivering. Om pesticides, drugsafval of hormonen uit water te filteren, heb je nieuwe membranen nodig. Maar we werken bijvoorbeeld ook aan het scheiden van gassen of het afvangen van CO2, eventueel in combinatie met het omzetten daarvan in brandstoffen. Ik vind het leuk om vanuit fundamenteel onderzoek te starten en dan naar een toepassing toe te werken. Zo hebben Zandrie en ik in Twente samengewerkt aan een project voor de ontwikkeling van membranen om water terug te winnen uit rookgassen van elektriciteitscentrales.

Ik ben het project begonnen en heb met name de fundamentele aspecten onderzocht. Hij is daar vervolgens mee verdergegaan en heeft gewerkt aan het vertalen van de academische inzichten naar een applicatie in samenwerking met industriële partijen. Hier in Eindhoven zullen we op dezelfde manier samenwerken, waarbij ik me bezighoud met het academische onderzoek en het geven van onderwijs, en Zandrie zich richt op het vertalen van het academische onderzoek naar technologische oplossingen voor concrete vragen vanuit de markt. Veel wetenschappelijk onderzoek levert mooie proefschriften op, die vaak in de kast verdwijnen, maar met die kennis kan meer worden gedaan, zowel voor de industrie als de samenleving. Ik waardeer de open cultuur aan de TU/e; dat bestuurders bijvoorbeeld aangeven dat er geen pasklare oplossingen zijn voor de uitdagingen die de groei van de universiteit met zich meebrengt. Ik voel een grote betrokkenheid bij de TU/e en heb me volop in het debat over die groei gestort. Hoe gaan we om met meer studenten, meer werkdruk en minder ruimte? De rector zei terecht: het gaat om de mensen. Als dat een van de leading principles van de universiteit is, moeten we dan onze staf die nu al zo betrokken is, nog zwaarder belasten? Onderzoekers steken heel veel extra tijd in hun werk, voor bijvoorbeeld het schrijven van onderzoeksvoorstellen, terwijl gemiddeld maar tien procent van de aanvragen gehonoreerd wordt.

‘Ik heb de verantwoordelijkheid om aan jonge mensen te laten zien dat twijfelen mag’


NR.15 NR.1SEPTEMBER NOVEMBER 2016 2011 / MAGAZINE VAN DE

heb ik ooit uitgesproken dat ik hoogleraar wilde worden en dat maakt je kwetsbaar. Ik vind dat ik de verantwoordelijkheid heb om aan jonge mensen te laten zien dat twijfelen mag. Zonder dat het de overhand krijgt natuurlijk. Ik zie mijn promovendi bijna iedere dag en ik denk dat ik goed kan inschatten hoe het met ze gaat. Zitten ze lekker in hun vel of weifelen ze om het lab in te gaan? Worstelen ze met het schrijven van hun dissertatie en vertonen ze uitstelgedrag? Als hoogleraar heb ik de verantwoordelijkheid om mensen daarop aan te spreken. Promovendi zijn hier om te leren, maar uiteindelijk is het de verantwoordelijkheid van de promovendus zelf om hier iets mee te doen.

‘Mijn passie ligt bij de inhoud’

Membraanfiltratie voor de productie van schoon drinkwater.

Ik ben voor het trekken van een grens: Je moet mensen niet verplichten om ook nog ’s avonds college te geven. Ik wil er voor zorgen dat de mensen in een prettige omgeving goede prestaties kunnen leveren. Een hoogleraar heeft een mooie positie

met veel vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid naar de maatschappij en de wereld. Terugkijkend op mijn loopbaan ben ik tevreden over mijn keuzes. Dat betekent niet dat ik niet regelmatig twijfel. Als UD

We bouwen nu een onderzoeksgroep op en daar wil ik ook de resultaten van zien. Ik heb in volle overtuiging voor de TU/e gekozen en heb ook de ambitie om de komende jaren hier te blijven. Ik ben niet bezig met wat ik over vijf of tien jaar wil doen. Mijn passie ligt op dit moment vooral bij de inhoud. Besturen? Dat zou ik in de toekomst mogelijk wel willen. Het zou me, denk ik, wel liggen omdat het gaat om verbinden, mensen samenbrengen en gezamenlijk iets creëren. Ik voel de verantwoordelijkheid om naast mijn werk ook maatschappelijk betrokken te zijn. Zo ben ik bijvoorbeeld lid van een Lions club in Twente en ik zoek ook hier weer zoiets. Heen en weer pendelen tussen Oldenzaal en Eindhoven heeft wel wat: beide plekken hebben een verschillend karakter. Het lijkt me leuk om straks bijvoorbeeld de Dutch Design Week en GLOW mee te maken.’

WWW.TUE.NL/MMP


40 41

PLANNER/VERKENNER

TEKST TINY POPPE FOTO MARKETING RENAULT SPORT F1

Beiden rondden aan de TU/e een studie af. De planner koos het pad dat het meest in lijn is met zijn opleiding. De verkenner waagde zich buiten de grenzen van zijn opleiding. Een logische keuze

Een droom die uitkwam

‘Van jongs af aan ben ik gefascineerd door auto’s. Als jongetje wilde ik autocoureur worden en ik ging graag karten. Het lag voor de hand dat ik iets met auto’s zou gaan doen na de middelbare school: dat werd Werktuigbouwkunde. Als Graduate Stress Engineer bij Renault Sport F1 zorg ik ervoor dat de onderdelen van de Formule 1-racewagen niet kapot gaan en dat deze zo licht en veilig mogelijk zijn. Dat betekent dat ik dagelijks berekeningen uitvoer en veel simulaties maak. Ik reken nieuwe onderdelen uit zodat we kunnen inschatten wanneer dat onderdeel stuk gaat en waar we materiaal kunnen besparen.’

‘Mijn studie, werkzaamheden bij URE en afstudeeropdracht samen hebben uiteindelijk tot deze baan geleid. Ik dacht: ‘Ik ga gewoon proberen om bij de Formule 1 binnen te komen’. Via LinkedIn heb ik afdelingshoofden van diverse Formule 1-teams benaderd. Vervolgens kreeg ik twee interviews bij twee teams waarna ik heb gekozen voor het F1-team van Renault. Ik had dit nooit verwacht, aangezien er gemiddeld rond de 200 sollicitanten zijn op een soortgelijke functie. Mijn droom kwam uit, dit is voor mij de ideale baan.’

Fantastische vooropleiding ‘In mijn werk is communicatie en efficiëntie erg belangrijk. Vanwege de tijdsdruk kunnen we ons geen lange vergaderingen veroorloven. Dat heb ik ook in mijn studietijd en in mijn periode bij University Racing Eindhoven (URE) geleerd. Dat was een fantastische vooropleiding voor deze baan. Vooral op het gebied van materialen en composieten, daar hield ik me toen ook al mee bezig. Vanuit URE heb ik voor mijn afstudeeropdracht de kreukelzone van de Formule 1auto onderzocht. Ik gebruikte microscopische vulmaterialen om het gewicht van kreukelzone te verlagen en tegelijker­tijd de veiligheid te verhogen.’

Teamgevoel ‘In de gewone auto-industrie komt gemiddeld elke vier jaar een nieuwe auto op de markt; wij doen dat elk jaar en soms brengen we in twee weken een nieuw onderdeel uit. Hierdoor maak ik lange dagen, maar het teamgevoel, het feit dat je snel resultaat hebt en dat de hele wereld je werk ziet, geeft me heel veel voldoening. In de toekomst zie ik mezelf in een senior functie waarin ik me meer bezighoud met het fundamentele ontwerp van een raceauto. Dit zijn namelijk de pijlers waarop een raceauto wordt gebouwd en die het verschil maken tussen eerste of tiende worden.’

PLANNER TIM VERMEER Leeftijd 28 Functie: • Graduate Stress Engineer bij Renault Sport F1 Studie: • 2006 - 2015 Mechanical Engineering, Polymer Technology, TU/e


TEKST HAN KONINGS FOTO BART VAN OVERBEEKE

VERKENNER THEODOR KOCKELKOREN Leeftijd 47 Functies • Partner McKinsey & Company • Voorzitter Committee on Emerging Risk van IOSCO • Voorzitter Taskforce G20/OECD • Bestuurder Autoriteit Financiële Markten (AFM) • Associate principle McKinsey & Company Studies • 1995 - 1996 MBA, INSEAD • 1987 - 1993 Electrical Engineering, TU/e

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Leuk, maar ook benauwend ‘De oorsprong van mijn fascinatie voor elektrotechniek ligt bij de elektronica bouwdoos die ik op mijn zevende kreeg van mijn vader. Dat vond ik zo leuk dat ik de rest van mijn jeugd ben blijven knutselen. Later deed de computer zijn intrede en kwam er de belangstelling voor informatica bij. Wil je met je opleiding iets bijdragen aan de wereld, dan betekende dat in mijn optiek: je specialiseren, promoveren en daarna aan de slag bij het NatLab. Dat leek me heel erg leuk, maar het benauwde me ook. Je bent dan alleen bezig binnen een specialistisch gebied, terwijl ik meer van de wereld wilde zien.’

Dankbare gezichten ‘Ik haalde in mijn eerste jaar mijn P, toen al vrij ongebruike­ lijk. Het verschafte me extra tijd en die investeerde ik in een adviesbedrijfje van een vriend. Voor de Bijenkorf hadden we een softwareprogramma gebouwd, dat we ter plekke ondersteunden voor de dames die ermee moesten gaan werken. Ik kan me nog hun dankbare gezichten herinneren en daarmee was mijn interesse voor advieswerk gewekt. Zo kwam ik bij McKinsey. Ze zochten mensen met een exacte achtergrond, omdat die strak en secuur kunnen nadenken. Mijn taak was om tussen grote, schijnbaar chaotische stukken informatie verbanden te leggen.’

Via adviesopdracht naar de AFM ‘Na acht jaar McKinsey wilde ik een kijkje nemen in de non-profit wereld. Via een adviesopdracht, die mede leidde tot de oprichting van de AFM in 2002, kwam ik in datzelfde jaar bij deze organisatie uit. De AFM was opgericht in reactie op schandalen zoals de aandelenlease. Haar opdracht: zorgen dat financiële instellingen hun klanten netjes behandelen. In 2008 werd ik er bestuurder, ten tijde van het uitbreken van de bankencrisis. De voorboden daarvan zagen we een jaar daarvoor al in de Verenigde Staten, maar dat Nederlandse banken door De Nederlandsche Bank (DNB) gered moesten worden, hadden DNB en wijzelf niet voorzien. De crisis gaf ons, net opgericht en wel, veel kansen om het handelen in het belang van de klant hoog op de agenda te krijgen en te houden. Als AFM-bestuurder was ik ook internationaal actief. Zo was ik voorzitter van een taskforce van de G20 en de OECD, die consumentenbescherming internationaal hoger op de agenda wilde krijgen. In Nederland waren we een van de koplopers geworden. In 2015 vertrok ik na bijna veertien jaar bij de AFM. Het afgelopen jaar heb ik mijn vrouw bijgestaan toen kanker bij haar werd geconstateerd. Dat gaat gelukkig de goede kant op en ik heb besloten binnenkort terug te keren naar McKinsey.’


42 43

DE OPDRACHT

DE TECHNEUT EN ZIJN ‘PRAATJES’

Het belang van soft skills voor de toekomstige ingenieur


TEKST NICOLE TESTERINK FOTO’S BART VAN OVERBEEKE

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Technici staan niet bekend als ‘praatjesmakers’. Toch zijn ook voor bèta’s communicatievaardigheden steeds belangrijker. Werkgevers leggen, naast technologische kennis, steeds meer de nadruk op soft skills als leiderschap, goed kunnen samenwerken en helder presenteren. Ook binnen het universitaire onderwijs is meer aandacht voor soft skills, onder meer in het SkillsLab, een online platform waar studenten hun vaardigheden kunnen verbeteren. Krijgt de nieuwe lichting studenten afdoende bagage mee om aan de nieuwe werkgeverseisen te voldoen? Of moet de universiteit deze niet-technische vaardigheden op een heel andere manier gaan aanbieden? Tussen de borrelende bezoekers van grand café de Zwarte Doos voeren vijf experts uit het bedrijfsleven en de universiteit een stevige discussie over ‘softe’ zaken.


44 45

DE OPDRACHT

S

chapen met vijf poten zijn de werknemers van de toekomst.’ Yvonne van Hest schuift de overige Opdracht-deelnemers een stapeltje papieren onder de neus. Vrijdagmiddag, in de zon op het terras van grand café de Zwarte Doos discussiëren vijf experts over de vraag hoe studenten soft skills tijdens hun studie moeten meekrijgen. Want dat er meer aandacht moet komen voor dergelijke vaardigheden is voor iedereen duidelijk. ‘We hebben recent laten onderzoeken hoe de vraag naar soft skills bij werkgevers de afgelopen acht jaar is veranderd. Vooral in de technische hoek zien we dat er in vacatures steeds meer nadruk wordt gelegd op samenwerken, leiding kunnen geven en helder presenteren; een toename van maar liefst 26 procent. En waar zijn die schapen? Een praktisch voorbeeld: het ictbedrijf van mijn broer. Vorig jaar heeft hij zeven mensen met een uitstekende ictachtergrond maar net niet de juiste soft skills aangenomen, er is er nu nog slechts één van over. Nu leidt hij mensen met uitstekende soft skills zelf op op ict-gebied. Dat is toch de omgekeerde wereld’, vindt Van Hest. ‘Juist daarom is vorig jaar het SkillsLab op de TU/e opgericht’, zegt Marc Vervuurt, zelf actief bij het online platform. ‘We zien dat de alumni die we aan grote bedrijven afleveren inhoudelijk heel sterk zijn, maar minder bedreven in professionele vaardigheden die ook heel belangrijk zijn voor je carrière. Dat besef moet landen. Er moet hier een cultuuromslag plaatsvinden waarin het gemeengoed wordt dat je naast inhoud je ook ontwikkelt in samenwerken, crisis­ management en presenteren. Studenten

zijn nu niet geïnteresseerd en ook vanuit de verschillende bestuurslagen is men nog niet erg enthousiast. Iets waarover ik zeer verbaasd ben.’ Student Alex Dings knikt. ‘Ik zou willen dat het veel serieuzer genomen wordt. In eerste instantie door studenten. Zolang ze er niet klaar voor zijn, kun je ondersteunen wat je wilt, maar doen ze er niets mee. Maar iedereen heeft een aandeel in die cultuuromslag die je noemt: STU, trainers, docenten, bestuurders. Van de student die een zesje voldoende vindt tot de opleidingsdirecteur die professionele vaardigheden niet integreert in het onderwijsprogramma.’ Nu hij zelf dagelijks bezig is met soft skills - zijn eigen bedrijf is door IBM uitgeroepen tot top-10 meest veelbelovende start-ups 2015/2016 - wil Dings zich hard maken om medestudenten te laten zien

hoe belangrijk het is dat je je product kunt verkopen en met klanten om tafel kunt.

‘Als je aan je soft skills werkt, werk je aan je sociale intelligentie’ Discussieleider Lucas Asselbergs - van huis uit psycholoog - kan het niet nalaten de tweede ronde te starten met een minicollege. ‘Sociale intelligentie bestaat uit

Alex Dings, deelnemer van de SkillsLab-pilot

Wendy Gehoel, Bsc, interne trainer en

2015 en bachelorstudent Software Science en Web Science, TU/e ‘Maak de vooruitgang in soft skills zichtbaar voor studenten in een leercurve - als onderdeel van het leerproces - en reken niet iemand af op één negatieve momentopname’

coach soft skills, ASML ‘Ken jezelf en ga vanuit daar de markt op, dan ben je niet afhankelijk van wat men van je vindt, maar sta je in je authentieke kracht en heb je veel meer te geven’


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Drs. Yvonne van Hest, BA, programma­

Dr.ir. Marloes van Lierop, opleidings­

manager (internationale) arbeidsmarkt­ ontwikkeling, Brainport Development ‘Zorg dat kinderen in het basisonderwijs al soft skills meekrijgen’

directeur bachelor Software Science en Web Science, TU/e ‘Wil je studenten het belang van soft skills laten zien, dan moet je het opnemen in de leerdoelen’

vijf elementen. Het in staat zijn om jezelf te kennen, naar jezelf te kunnen kijken; jezelf kunnen aansturen tot een prestatie; jezelf kunnen beheersen, in balans zijn met je omgeving; empathisch zijn, snappen wat een ander doormaakt; en tot slot een stukje maatschappelijke betrokkenheid, hoe sta je in het groter geheel? Als je aan je soft skills werkt, werk je aan je sociale intelligentie. Je leert te overleven in de maatschappij.’ Dan deelt hij gekleurde memo’s uit en vraagt de groep na te denken wat voor hen belangrijke aspecten zijn als het over soft skills gaat. Waar moet het in de kern om draaien? Even valt het stil, er wordt druk geschreven. ‘Ik denk dat het heel belangrijk is de taal van de techneut te spreken’, zegt Wendy Gehoel. ‘Ga via de cortex naar binnen, daarna kun je toepassen. Als je iets dus in een vergelijking kunt vangen, kun je met de techneut aan de slag. Neem AxB=C. Daarin is A het activating event, B het belief over het event en C de consequence. Er gebeurt iets en de manier waarop je daarover denkt, maakt dat je je blij, boos of gestrest voelt. Ik geloof dat je mensen in hun eigen kracht moet zetten. Mensen hebben snel negatieve en kritische beliefs waardoor je in de stress schiet, maar door bij jezelf een ander radiokanaal aan te zetten kun je daar supportive beliefs van maken. En dan is de consequence een groter zelfvertrouwen.’

Dings: ‘Je beschrijft hier dus eigenlijk de formule van het leven: zelfregulering, zelfperspectief en zelfkennis’. ‘Zo zou je dat inderdaad ook kunnen zien’, beaamt Gehoel lachend. Om serieuzer te vervolgen: ‘Als je aan het werk kunt zijn vanuit je innerlijke waarden en kwaliteiten creëer je een win-win situatie voor jezelf en je bedrijf.’ De enthousiaste Gehoel is op stoom. ‘Ook nog een element dat ik wil noemen is de balcony dance balance. Je hebt denkers en doeners, de verhouding tussen heel druk in de dans zitten en het reflecteren vind ik heel belangrijk als het om soft skills gaat.’ Van Hest wil de aansluiting primair, voortgezet en hoger onderwijs benadrukken. ‘Het gaat hier niet om iets wat we alleen op de TU/e moeten aanpakken. Ik ben ervan overtuigd dat we al op basisscholen moeten beginnen met anders leren en anders denken. De wereld gaat steeds sneller - wij hadden wekelijks op woensdagmiddag Paulus de Boskabouter op tv, nu heb je dagelijks duizenden zenders en youtube-kanalen om maar eens wat te noemen. Dat vergt een nieuwe manier om met nieuwe problemen om te gaan. Ik ben groot voorstander van het 3O-leren dat Brainport momenteel in samenwerking met regiobasisscholen ontwikkelt: onderzoeken, ontwerpen, ondernemen. Je ziet dat mooi verenigd in de First Lego League, een wed-

Marc Vervuurt, gildeleider presentatie­ vaardigheden SkillsLab TU/e en master­ student Medical Engineering, TU/e ‘Er moet een cultuuromslag plaatsvinden, docenten zijn nu bang dat onderwijs in soft skills ten koste gaat van de inhoud’

strijd voor scholieren om aan de hand van opdrachten de maatschappelijke rol van technologie te onderzoeken. Deze combinatie van creativiteit, technologie en entrepeneurschap is later essentieel.’ ‘En je ziet dat er in zo’n wedstrijd ook veel samengewerkt moet worden, dat vind ik ook een belangrijk element. Niet alleen verantwoordelijk zijn voor je eigen deel, maar ook bereid zijn een stapje meer te zetten’, vindt Marloes van Lierop.

Kun je het aan de TU/ wel op metaniveau over communiceren hebben? Asselbergs ordent ondertussen de gekleurde memo’s. Vervuurt mist de term ‘zelfreflectie’ nog op het grote bord. Gehoel: ‘Als ik even mag doorpakken? Misschien al een hint richting de oplossing, als je met elkaar kunt reflecteren, ben je al aan het samenwerken en ben je - onbewust met heel veel soft skills bezig.


46 47

DE OPDRACHT

En dan bedoel ik niet alleen reflecteren op de inhoud, maar juist op elkaars manier van samenwerken, wie draagt wat bij, hoe is je houding? Op deze manier ben je op verschillende niveaus bezig: individueel, interpersoonlijk maar ook als team. Hoe verder je komt, hoe sterker je team. Zo kun je uiteindelijk zelfs het team-ego overstijgen en high-performen, echt onderdeel zijn van een groter systeem.’ Asselbergs kruipt weer even in zijn psychologenrol en vraagt zich af of je het op de TU/e wel op metaniveau over communiceren kunt hebben; kun je praten over de manier van samenwerken of maak je het dan veel te soft? Dings: ‘Ik denk dat peer reviews de beste manier zijn om zoiets te doen, maar dan moet iedereen het wel serieus nemen. Het is makkelijk om samen onder een hoedje te spelen en te zeggen ‘Hee, we vinden elkaar allemaal niet tof, maar geven elkaar een negen en dan zijn we er weer vanaf’. Vul eerlijk de rubrics (analytische beoorde-

lingsschaal voor vaardigheden, red.) in en pak die cijfers mee in een proces. Het ene cijfer op zich zegt niets, juist het leerproces. Maak het persoonlijker, geef meer feedback en houd bij wat er gebeurt. En zo nodig kun je trainingen aanbieden.’ Leuk en aardig, meent Vervuurt, maar niet realistisch als we de studentengroei van de afgelopen jaren meenemen. ‘Het ontbreekt aan mankracht en financiële middelen.’ Van Hest veert op: ‘Ik heb een heel ander idee. Wij zijn bezig met een programma om vijftig­ plussers te blijven uitdagen en mentaal fit te houden, kun je dat niet koppelen? Ik ken genoeg techneuten in deze regio die goed kunnen presenteren, en weet zeker dat ze het heel waardevol vinden om op dit vlak met de TU/e samen te werken.’ Gehoel merkt op dat ze nog steeds de roep om verandering hoort. ‘We moeten inventariseren hoe we de studenten aan de soft skills

krijgen, wat triggert hen, wat kan intrinsiek motiveren? Van Lierop: ‘Ik ben hier al jaren mee bezig, het is enorm moeilijk de intrinsieke motivatie bij studenten aan te klikken. Als recentste experiment introduceer ik nu aan het eind van de bachelor een activiteit die hopelijk als wake-up call werkt waardoor ze het belang beseffen van professionele skills en daarmee in de master aan de slag kunnen. Studenten moeten pitchen voor een team van echte recruiters en krijgen daarna constructieve feedback. Het maakt meer indruk als een recruiter zegt dat een bepaalde houding niet overtuigt dan een docent die zelf ook niet al te best z’n colleges geeft. En het is in een reële context, tijdens een toekomstige sollicitatie gaat het er ook zo aan toe. Daarnaast zouden we in iedere vakbeschrijving moeten opnemen welke skills aan de orde komen, dan wordt zichtbaar hoe vaak het aan bod komt en beseffen studenten: ‘het is toch belangrijk blijkbaar’. En het niet facultatief houden, maar verplicht maken, in zoverre dat kan met de soms - op soft skills gebied ongemotiveerde en ongekwalificeerde staf.’ Dings: ‘Het zou al schelen als docenten de rubrics op dezelfde manier kunnen invullen zodat je een leercurve kunt nagaan.’ Gehoel zit op het puntje van haar stoel. ‘Weet je wat nog leuker zou zijn? Als er in een studentengroepje iemand zit die goed kan schrijven, de ander kan goed presenteren, laat elkaar helpen en tips geven.’ Dings zucht: ‘Dat is precies waarmee het SkillsLab is begonnen en waarmee de eerste versie ook is gefaald. Studenten nemen niet zoveel van elkaar aan.’ Gehoel: ‘Maar stel dat je als gildeleider trainingen mag volgen, dat motiveert. En je weet meteen hoe je je collega-studenten beter kunt begeleiden.’


NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

Soft skills zijn geen kunstjes, maar helpen je te overleven in de maatschappij

Dan gooit Asselbergs tot besluit nog een laatste keer olie op het vuur. ‘Moeten we niet van de term soft skills af? Ik heb te sterk het gevoel dat we kunstjes willen aanleren, terwijl het juist om Bildung gaat, een integraal onderdeel van het volwassen en rijp worden, snappen waar je staat in het totaal. Als student aan een universiteit draait het niet alleen om wat je leert, maar ook hoe je je manifesteert, welke contacten je opdoet en welk netwerk je daardoor opbouwt. We leiden hier toekomstige leiders op, die moeten meer kunnen dan een differen­

tiaalvergelijking oplossen. Soft skills zijn geen kunstjes, maar helpen je te overleven in de maatschappij. Laat studenten beseffen dat het studentenleven een laboratorium is van professionele vaardigheden, proef, ervaar!’ Tot een hapklare oplossing is het deze Opdracht niet gekomen, wel zijn er door de kruisbestuiving van universiteit en bedrijfsleven mooie lijntjes gelegd die daartoe kunnen leiden. En met de komst van een grote schaal bittergarnituur is de vrijdagmiddagborrel dan eindelijk ook aan deze tafel begonnen.


Op zoek naar een innovatieve oplossing voor uw organisatie? Onze technologisch ontwerpers denken graag met u mee! Wat hebben een detector voor roestvorming, een bloedsuikersimulatiemodel, een intelligent winkelraam en een planningssysteem voor vliegtuigservicing met elkaar gemeen? Ze zijn stuk voor stuk ontworpen door een PDEng trainee: een technologisch ontwerper in opleiding van de Technische Universiteit Delft, Technische Universiteit Eindhoven of Universiteit van Twente. PDEng trainees hebben een afgeronde universitaire ingenieursopleiding (MSc niveau) en aanvullend een extra jaar scholing gevolgd om zowel hun technische als ook hun persoonlijke en professionele vaardigheden verder te ontwikkelen. Tijdens het tweede jaar van hun ontwerpersopleiding gaan ze zelfstandig aan de slag met een uitdagende ontwerpopdracht in het bedrijfsleven. Hierbij ontvangen ze intensieve coaching vanuit de universiteit. Benieuwd wat de mogelijkheden zijn voor de inzet van een PDEng trainee voor uw organisatie? Kijk op www.4tu.nl/sai/corporate voor meer informatie.


49

VAN START/

In ‘Van Start’ vertellen TU/e-starters over hun eigen bedrijf.

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

TEKST TINY POPPE FOTO BART VAN OVERBEEKE

Hoe lang ben je al met TUSTI bezig?

TUSTI

‘Ruim een jaar geleden begon ik samen met Eline Stiphout, eigenaar van Stiphout Plastics, aan TUSTI. De naam is een combinatie van TU/e en Stiphout Plastics. Een paar dagen nadat ik mijn onderzoek had gepresenteerd aan dit bedrijf, besloten we gezamenlijk deze onderneming op te zetten. Zij doet de commerciële en ik technische kant. We vullen elkaar goed aan, want al heb je een prachtig product, als je het niet kunt verkopen, ben je nergens. Eline reist het hele land door en koopt de plastics op.’

Jan Kolijn Leeftijd 33

Hoe ben je op dit idee gekomen?

Functie mede-directeur TUSTI TUSTI is een spin-off van Stiphout Plastics en Polymer Technology Group Eindhoven (PTG/e) Studie Scheikundige Technologie, TU/e www.tusti.nl

‘Eline kwam in de markt grote hoeveelheden met vet vervuild plastic tegen, dat niet goed te recyclen is. Toen ik bij PTG werkte, een kennisinstelling en spin-off van de TU/e, kwam de vraag binnen om hier iets mee doen. Inmiddels heb ik een schoonmaakmiddel en samen met een machinebouwer een apparaat ontwikkeld om op een milieuvriendelijke manier plastic vetvrij maken. Dit plastic recyclet Stiphout Plastics tot kleine stukjes plastic waar emmers en regenpijpen van gemaakt kunnen worden.’

Wanneer ga je van start? ‘Ik wilde nu al in productie zijn. Maar de bedrijfsvoering en het ontwikkelen van het apparaat dat de plastic vetvrij maakt, kostte erg veel tijd. Omdat in de praktijk blijkt dat de inzamelaars niet alleen plastic met vetresten afleveren, maar diverse soorten plastic door elkaar, moet het apparaat daarop worden aangepast zodat deze ook verschillende soorten plastics kan scheiden. Want als het apparaat dat kan, dan verbetert de kwaliteit van het plastic en neemt de waarde van het materiaal toe. Dat maakt het commercieel veel interessanter.’

Wat heb je geleerd? ‘Als afgestudeerd scheikundige weet ik alles van schoonmaakmiddelen. Maar nu doe ik ook de bedrijfsvoering, overleg met machinebouwers en vraag subsidies aan. Soms ben ik een hele dag bezig om een Excelbestand te vullen met cijfers voor een financier en maak ik een begroting tot 2021. De dag erna sta ik tot mijn knieën in de vette plastics om de kwaliteit en het type plastics te beoordelen, de dag daarna vertellen we ons verhaal zo overtuigend mogelijk om de benodigde financiering voor onze apparaten bij elkaar te krijgen. Erg afwisselend dus, en het vereist veel verschillende soft skills.’

Wat is je eerste doel? ‘In productie gaan en geld verdienen. Het tweede doel is vervolgens een kennispoort te zijn voor iedereen die een probleem heeft op het gebied van recycling. Wij willen graag hét adres worden waar je naartoe gaat als je een recycleprobleem hebt.’

Aan wie of wat heb je het meeste gehad? ‘Aan Eline, mijn zakenpartner, maar ook aan Laurent Nelissen, de baas van PTG (Polymer Technology Group) en directeur bedrijfsvoering bij de faculteit Scheikundige Technologie. Hij heeft veel gelobbyd om ons idee te verkopen binnen de TU/e. Ook thuis krijg ik gelukkig voldoende ruimte, anders lukt het niet. Ik maak lange dagen, ben zelden om zes uur thuis.’

Tip voor andere starters. ‘Als je een goed idee hebt, moet je gewoon beginnen. Belangrijk om te weten is dat niets standaard is en vrijwel niets vanaf dag één goed werkt. Dus plan ruim.’


50

GESTELD/

‘Science is not merely concerned with understanding the world as it is, but just as much with the world as it can potentially be.’

‘You should not waste time searching for the job of your dreams, you have to create it.’

Stelling bij het proefschrift ‘Interacting with Light’ van Serge Offermans.

Stelling bij het proefschrift ‘Rethinking care processes: Does anybody have an idea?’ van Rob Vanwersch.

‘Wetenschappers en ingenieurs die werken aan het energievraagstuk zouden geen toekomstbeeld moeten verkopen waarin alle problemen zijn opgelost zonder in te leveren op luxe, zelfs als zo’n toekomst niet volkomen ondenkbaar is.’ Stelling bij het proefschrift ‘Passivating selective contacts for silicon photovoltaics - Solar cells designed by physics’ van Sjoerd Smit.

‘Het feit dat sporten wetenschappers beter maakt en wetenschap betere sporters geeft, betekent dat de conceptuele scheiding van lichaam en geest ongeldig is.’ Stelling bij het proefschrift ‘High-temperature separation of carbon dioxide and hydrogen by sorption-enhanced water-gas shift and palladium membranes’ van Jurriaan Boon.

‘People will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel.’ (Maya Angelou) Stelling bij het proefschrift ‘Patient-reported outcomes in perinatal care’ van Sophie Truijens.

‘Being nuanced and not opinionated are signs of true intelligence. That is why writing clear propositions is so difficult.’ Stelling bij het proefschrift ‘Studies on user control in Ambient Intelligent Systems’ van Bernt Meerbeek.

‘Het gebruik van het woord ‘groot’ voor dingen die ruim 100x kleiner zijn dan de dikte van een mensenhaar is misleidend’. Stelling bij het proefschrift ‘Droplets, fibers & crystals: controlling the nanostructure of polymer and perovskite solar cells’ van Hans van Franeker.

‘Stelling durven nemen is essentieel voor een zelfstandig onderzoeker en daarom zou het poneren van stellingen verplicht moeten zijn bij de promotie tot doctor.’ Stelling bij het proefschrift ‘Towards real-time detection of plate vibrations from acoustic measurements’ van Elise Moers.

‘Using social media moves people’s central question in life away from ‘What do I really like to do?’ to ‘What do other people like me to do?’ and ‘What can I post about it?’’

‘The craftsmanship of a construction worker is a combination of involvement, knowledge, intel­ligence, handcraft and experience. Therefore, striving to robotize this kind of craftsmanship will lead to nothing.’

Stelling bij het proefschrift ‘Rethinking care processes: Does anybody have an idea?’ van Rob Vanwersch.

Stelling bij het proefschrift ‘Droplets, fibers & crystals: controlling the nanostructure of polymer and perovskite solar cells’ van Hans van Franeker.

Stelling bij het proefschrift ‘Handstorm principles for creative and collaborative working’ van Frans van Gassel.

‘Onderzoek is als schaken. Het liefst begin je met een geniaal idee en een origineel plan, maar de opening is meestal vrij standaard en het vervolg is zo slim mogelijk improviseren.’


51

Jos Lichtenberg (1951), hoogleraar productontwikkeling voor de bouw, adviseur bij industriële bouwproducenten, schrijver van ‘Slimbouwen’. Houdt zijn afscheidsrede op 16 december 2016.

j.j.n.lichtenberg@tue.nl

TEKST NORBINE SCHALIJ FOTO BART VAN OVERBEEKE

Slimbouwen

‘Ik had een duidelijk beeld over de bouw en hoe ik die kon veranderen met mijn leerstoel. Ik zie de bouw als een vastgelopen organisatie die lijdt onder een enorme versnippering in veel gespecialiseerde bedrijfjes. Er moet mijns inziens meer industrieel worden gedacht. We bouwen nog steeds als de Romeinen, maar we moeten slimmer bouwen. Ik ontwikkelde een visie daarop die bekend werd onder de naam Slimbouwen. Slim als intelligent en slim als slanker, met minder materialen. Door studenten op te leiden, onderzoek te doen en lezingen te geven, wilde ik de bouwwereld helpen veranderen. En ik denk dat dat redelijk gelukt is; de markt heeft slimbouwen opgepikt. Er zijn nu wel honderd projecten in Nederland. Een goed voorbeeld is de Venco-campus in Eersel, in 2013 uitgeroepen tot meest duurzame bedrijfsgebouw van Europa. Het is ontworpen naar aanleiding van mijn boek Slimbouwen dat in 2005 is uitgegeven.’

Driedeling

‘Als THE-afstudeerder had ik het volgende idee: Ik ga eerst veel leren, dan ga ik oogsten met een goedbetaalde baan en als derde fase wil ik mijn kennis overdragen. Wat er gebeurde, was dat ik in 1976 afstudeerde als architect, en me meteen ging bezighouden met productontwikkeling in de industrie. Ook zette ik een adviesbureau op. Pas daarna ging ik in Delft promoveren op succesen faalfactoren in productontwikkeling. En in 2003 werd ik hoogleraar aan de TU/e. De driedeling heb ik dus losgelaten, maar de derde fase is wel uitgekomen.’

Toverstaf

‘Het hoogleraarschap werkt als een toverstaf. Er wordt beter naar je geluisterd en er wordt vaker om je mening gevraagd. In de vakwereld kennen veel mensen me. Ik gaf een tijdje terug wel zestig lezingen per jaar. Nu nog ongeveer dertig. Mijn eigen sterkte zit in mijn relatie met de buitenwereld. Mijn voldoening haal ik daaruit én uit de contacten met studenten, promovendi en een aantal collega’s.’

Op pagina 2 forward/ met Steven Vos

Keerpunt

‘Mijn plan om de bouwwereld vanuit de TU/e te helpen innoveren, werd plotseling afgebroken toen het bestuur van Bouwkunde in 2013 besloot de masteropleiding Building Technology stop te zetten. Ik vind het pijnlijk dat daar een streep door getrokken werd. Ik ben daarin vooraf niet gekend, en het kwam als een negatieve verrassing. Ik vind het, gelet op de marktvraag, nog steeds geen slim besluit.’

Active House

‘Om de procesinnovatie in de bouw te laten zien, heb ik naast mijn eigen slimbouwen een Deens initiatief omarmd dat Active House heet. Ik bouwde zo’n huis in Heeze-Leende, samen met bedrijven en de stichting Slimbouwen. Het is nu het enige Active House in Nederland. Ik woon er met mijn vrouw Karin, onze twee zonen waren het huis al uit toen we er introkken in 2014. Het is energie­leverend en comfortabel. Het huis vraagt heel weinig energie. Als Karin tien kaarsen aansteekt, merk je de warmte al.”


52

OORSPRONG/

Waterzuivering

NR.15 SEPTEMBER 2016 / MAGAZINE VAN DE

TEKST TOM JELTES FOTO SHUTTERSTOCK

Schoon water is van levensbelang - niet alleen als drinkwater en om mee te koken, maar ook voor de landbouw en zelfs de industrie. Waterzuivering kent dan ook een lange geschiedenis, die minstens teruggaat tot het India van vierduizend jaar geleden. Toch vindt ook nu nog veel vooruitgang plaats op het gebied van waterzuivering; aan de TU/e wordt hierop momenteel zelfs meer ingezet dan ooit tevoren.

Ca. 1750 voor Christus Indiase teksten geven al voorschriften over de behandeling die water moet ondergaan om het te kunnen drinken. Verhitten wordt genoemd, evenals het filteren van water met zand of grind. Ook het zevenmaal dopen van een gloeiend heet stuk koper wordt aangeraden om drinkbaar water te verkrijgen.

Ca. 1500 voor Christus In het oude Egypte wordt het mineraal aluin in poedervorm toegevoegd aan water om ongewenste deeltjes te laten bezinken. Dit levert water op dat helder is, maar niet noodzakelijkerwijs ziekte­ verwekkervrij. Afbeeldingen van deze methode zijn gevonden op de tombes van meerdere farao’s.

Ca. 400 voor Christus De Griekse arts Hippocrates, gezien als de grondlegger van de Westerse geneeskunde, ontwikkelt een stoffen zak die dient om gekookt water te filteren: de ‘mouw van Hippocrates’.

1627 De Brit Sir Francis Bacon experimenteert met het ontzilten van zeewater. Hoewel zijn pogingen met zandfilters weinig succesvol zijn, baant zijn aanpak wel de weg voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van waterzuivering.

1829 Londen wordt de eerste stad met een publieke watervoorziening met (zand)gefilterd water. De technologie is een kwarteeuw eerder geïntroduceerd door de Schotse industrieel John Gibb, die een deel van het voor zijn blekerij gefilterde water verkocht aan consumenten.

1854 De arts John Snow weet een uitbraak van cholera in Soho (Londen) te herleiden tot besmet drinkwater. Hij slaagt erin de bron te desinfecteren met chloor.

2006 Lukasz Grabowski promoveert aan de TU/e op een apparaat dat water zuivert met behulp van een gasontlading; een zogeheten corona. Hiermee kan hij per uur tweehonderd liter met fenol verontreinigd water schoonmaken.

2011 Maaike Kroon onderzoekt aan de TU/e een energiezuinige methode om zeewater te ontzilten, met behulp van zogeheten ionische vloeistoffen. Het zout trekt in de ionische vloeistof en wordt zo uit het water onttrokken.

2016 TU/e-promovendus Berry Bögels creëert een membraan op basis van vloeibare kristallen. De poriën in dit membraan houden bepaalde ionen tegen, terwijl ze andere doorlaten. Dergelijke membranen kunnen worden gebruikt om water te ontharden, om zo kalkaanslag tegen te gaan.

2016 Aan TU/e-faculteit Scheikundige Technologie start een nieuwe onderzoeksgroep: Membrane Materials and Processes. Onder leiding van hoogleraar Kitty Nijmeijer wordt hier gewerkt aan een nieuwe generatie membranen voor het zuiveren van water en het terugwinnen van waardevolle stoffen.

Profile for Slash

Slash 15 - september 2016  

Slash is het alumni- en relatiemagazine van de Technische Universiteit Eindhoven.

Slash 15 - september 2016  

Slash is het alumni- en relatiemagazine van de Technische Universiteit Eindhoven.

Profile for tueslash
Advertisement