Page 42

Over Maarten van Ham Prof. Dr. Maarten van Ham studeerde Economische Geografie aan de Universiteit Utrecht en promoveerde daar in 2002. Hij werkte als onderzoeker bij het Max Planck Instituut in Berlijn, bij de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam. In 2006 werd hij Lecturer bij de Universiteit van St. Andrews in Schotland. In 2011 werd daar hij op 39-jarige leeftijd benoemd tot hoogleraar, waar hij nog een kleine aanstelling heeft. In datzelfde jaar benoemde de TU Delft hem tot hoogleraar Stedelijke Vernieuwing en Wonen.

precies wat hij 10 jaar geleden verdiende of wat zijn postcode was? Daar zitten dus veel fouten in. Je kunt mensen ook ieder jaar een vragenlijst sturen, maar dat is weer vreselijk kostbaar en er zullen er veel afvallen in de loop der tijd. Wij maken voor ons onderzoek gebruik van registerdata. Wat dat betreft zijn we in Nederland een gelukkig land. Bijna overal ter wereld heb je alleen volkstellingen, dan weet je maar eens in de tien jaar iets. In Nederland hebben we sinds de jaren negentig de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal Bureau voor de Statistiek verzamelt al die gegevens en koppelt die weer aan informatie over huishoudens, werk, woningbezit, noem maar op. Daarmee kunnen we mensen in de tijd volgen en kijken wat de effecten zijn van het wonen in een bepaalde omgeving op de individuele uitkomsten. Uiteraard is ons onderzoek omgeven door allerlei regels, zodat de privacy gewaarborgd is. Sociologisch en ruimtelijk onderzoek met behulp van grote databestanden, dat is dus wat we doen. De complexiteit en de omvang van die data maken het zo interessant. En de hoge ruimtelijke resolutie. In onze modellen is Nederland verdeeld in vierkantjes van 100 bij 100 meter. Dat zijn vier miljoen vierkantjes. We weten zo’n 100 kenmerken per vierkantje, zoals werkloosheid en bevolkingssamenstelling. Al die data koppelen we aan die twintig miljoen mensen die in het GBA zitten, dan heb je het over honderden miljoenen gegevens. Behalve per vierkantje, kunnen we ook kijken naar de vierkantjes eromheen en die daaromheen, dus op verschillende schaalniveaus. Hoe veranderen buurten over langere perioden en wat zijn de geschiedenissen van de bewoners? En hebben die geschiedenissen dan invloed op de

42

uitkomsten van mensen? Kijk je waar iemand de afgelopen tien, vijftien jaar heeft gewoond, dan zie je bijvoorbeeld jongeren uit gegoede buurten die een paar jaar in een slechtere buurt wonen tijdens hun studie, dan hun eerste baan krijgen en weer opklimmen. Je ziet ook jongeren in achterstandsbuurten opgroeien die daar nooit uit wegkomen. Als je dan als uitkomst vindt dat het tien jaar wonen in een armoedeconcentratiewijk een negatiever effect heeft op je inkomen dan het twee jaar wonen in zo’n wijk, dan kom je in de richting van een causaal verband. De waarde zit hem in het onderzoeken van die patronen. Dat is fundamenteel onderzoek. Je kunt die uitkomsten vervolgens weer meer diepgang geven door ze te koppelen aan gegevens uit andere onderzoeken. Het CBS doet bijvoorbeeld ieder jaar onderzoek naar de beroepsbevolking en naar de woningmarkt. Daarvoor worden dan 100.000 mensen geïnterviewd en die krijgen vragen als: bent u gelukkig, hebt u last van werkstress, hebt u wel eens contact met uw buren, lekt uw woning? Dat is allemaal informatie die niet standaard in de database zit. Dus op gezette tijden weten we nog veel meer. Op die manier kijken we bijvoorbeeld naar de relatie tussen persoonlijkheid en buurteffecten. Het idee is dat je persoonlijkheid beïnvloedt of je last hebt van het wonen in een achterstandswijk met veel problemen als armoede en criminaliteit. Ben je heel resilient – veerkrachtig – dan zou je daar geen moeite mee hebben. Dat onderzoeken wij met behulp van een survey waarmee jongeren de afgelopen vijftien jaar zijn gevolgd, die we koppelen aan de registerdata. Zo kun je ineens vijftien jaar terugkijken in de tijd. Alleen in Zweden hebben we eigenlijk dezelfde datarijkdom als in Nederland.

Highlights 2015 NL  

Highlights TU Delft 2015