Page 1


| rubriek|

Een tijdelijke werkplek in de sociale economie. Voor een groeiende groep mensen in de grootstad Brussel is het tegelijk een reddingsboei en een onvermoede springplank naar een ander, beter leven. Dat klinkt misschien wat theatraal. Maar voor mensen met meer tegenslag dan armslag in het leven is zo’n nieuwe kans krijgen écht iets enorms. Met de juiste omkadering ontdekken mensen diep in zichzelf vaak een sterke drive om er nog iets van te maken, de handen uit de mouwen te steken en er mentaal fysiek en financieel weer bovenop te komen. Dat wil niet zeggen dat sociale economie liefdadigheid is. Je moet er je plek in… verdienen. Een leerwerktraject is een stevige leerschool die je klaar moet stomen voor de reguliere arbeidsmarkt. Toch zijn de motivatie en het engagement er verrassend groot. Dat komt omdat tewerkstellingsprojecten over zoveel meer gaan dan over ‘werk’. Eigenwaarde en zelfvertrouwen zijn de fijne neveneffecten van de maandelijkse loonbrief, en minstens zo’n sterke wapens als nieuw verworven skills. Dat er zoveel trajecten bestaan, is de immense verdienste van de opbouwers. Beter kun je al die oprichters, initiatiefnemers en drijvende krachten niet noemen. PIOW of IO, het zegt niets over de goesting, de liefde voor mensen en het oog voor kwaliteit die erachter zitten. Want laat dat nu precies zijn wat we via deze publicatie in de verf willen zetten. Via de verhalen van Hamadou, Azzam of Aicha. Door te praten met sociaal ondernemers over verwezenlijkingen waarop ze trots zijn. Via een debat over instrumenten, omgevingsfactoren, organisatievormen. Over wat mogelijk of wenselijk is, wat er werkt en wat niet. Over de hamvraag of we sociale economie ook niet moeten organiseren rond permanente tewerkstelling. Of je met gesubsidieerde diensten en producten de vrije markt mag opgaan. Welke hybride modellen er mogelijk zijn. Over hoe we de sociale economie moeten organiseren in een snel evoluerende maatschappij, vooral. Inspireren over hoe we met zijn allen de sociale economie in Brussel werkbaar houden.

2

3


| in ho u d|

Colofon Deze publicatie werd gerealiseerd door Tracé Brussel vzw. Tracé Brussel vzw is erkend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als adviesagentschap inzake sociale economie. Het adviesagentschap biedt informatie, advies en ondersteuning aan verenigingen en ondernemingen omtrent erkenning als PIOW en IO. Erkende sociale economieprojecten kunnen er terecht voor opvolging en ondersteuning via netwerkactiviteiten en vormingsinitiatieven. Daarnaast volgt het agentschap het beleid op en signaleert mogelijkheden en knelpunten. Deze publicatie kwam tot stand dankzij de steun en medewerking van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse minister van Werkgelegenheid, GOB Brussel Economie Werk, de Brusselse sociale economie-initiatieven en Febio vzw. Tracé Brussel vzw werkt samen met en wordt ondersteund door Actiris, VDAB, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse overheid en lokale Brusselse besturen.

6

18

42

BIJGELEERD & GELANCEERD

GESPREKKEN

DEBAT

getuigenissen

Aicha (COSMOS): “dat dit mijn werk geworden is op mijn zevenenveertigste, het is echt de max”

D/2016/11.933/1

• Er zijn niet genoeg jobs in Brussel. Terwijl er zoveel wérk is

50

• Een nieuwe inschakelingsonderneming CASANOVO/CASABLANCO

• In Brussel ga je beter pragmatisch te werk SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN

Amadou (COSMOS): “ik leer Belgische desserts maken”

Design & druk DADDY KATE

Verantwoordelijke uitgever Steef Corijn – Tracé Brussel vzw Antwerpselaan 26 – 1000 Brussel

Rondetafelgesprek: De Brusselse Sociale Economie

FEBIO/CYCLO

Redactie Wieland De Hoon Fotografie Filip Claus (cover), Yves Coussement, Julie de Bellaing, Bart Dewaele, Lander Loeckx, Kobe Van de Putte, Aurore Dal Mas (foto D. Gosuin), Yves André-Recyclart.

ren geuren en kleu

• Bricoteam is klusjesdienst én sociale motor BRICOTEAM/EVA VZW

DE BELEIDSMAKER

• Vooral door leervermogen kom je vooruit

De visie van Didier Gosuin, minister van Economie en Tewerkstelling

INOPTEC+ Hamadou (MAKS): “ben je gemotiveerd dan kan je het ver brengen dankzij dit soort trajecten”

• Doelgroepmedewerkers de beste kansen bieden

52

FAMILIEHULP

• Goede grond moet je blijven verrijken EVA vzw

EEN INITIATIEF VAN

Azzam (ECRE): “een echte droomkans voor een vluchteling” IN SAMENWERKING MET

ANALYSE MET DE STEUN VAN

EN OOK

Professor Ludo Struyven

Farid (FIX): “de toekomst van veel vluchtelingen begint hier”

5


|g e t uige ni sse n| | rubriek|

|rubri ek|

bijgeleerd & gelanceerd

WIE ZIJN DE MENSEN WAAR HET IN DEZE PUBLICATIE ÉCHT OVER GAAT? WAT HEBBEN ZE ONS TE VERTELLEN, OVER ZICHZELF, HUN LEVEN, HUN ROOTS, HUN DROMEN EN HUN REALITEIT? HOE ZORGT DE BRUSSELSE SOCIALE ECONOMIE ERVOOR DAT ZE WEER AAN DE BAK KOMEN? EN HOE KOMT HET DAT JE WANNEER JE HUN VERHAAL LEEST, JE HET GEVOEL KRIJGT DAT ZE ALLEMAAL IETS MEEMAKEN DAT HUN LEVEN EEN NIEUWE WENDING GEEFT?

6

7


| ge t uigen i ssen |

“Sinds ik werk, zorg ik goed voor mezelf” kort voorgesteld: COSMOS

Cosmos vzw is een diensten­centrum voor Kuregemse senioren en wijkbewoners. Daarnaast stelt Cosmos 17 mensen (DSP en Artikel 60) tewerk in tweejarige contracten waarbij sterk op attitude wordt gewerkt. Cosmos vzw is erkend voor horeca (7 werknemers), maar er zijn ook administratieve krachten, animatoren, chauffeurs en de poetsploeg. Het derde luik is het beheer van de wijkinfrastructuur, waaraan in Kuregem een groot gebrek is. Cosmos beschikt in erfpacht over een zaal, Excelsior, voor buurtorganisaties die er met een korting op het gewone tarief terechtkunnen.

De Belgische Aicha heeft MarokkaansBerberse roots. Ze kan niet goed stilzitten, en dat is eerder een kwaliteit in haar job als gyminstructrice voor senioren bij Cosmos vzw.

“Ik draai hier hele zachte ambientmuziek”, glimlacht ze. “Voor dit doelpubliek moet je geen pompende beats gebruiken. Veertien mensen heb ik in mijn groep, maar dat wisselt al eens door ziekte of reisjes. Ik moet me beperken tot twintig.” Aicha komt uit een probleemrelatie: van haar conservatieve man mocht ze de deur niet uit om te gaan werken. Maar niets doen staat niet in haar woordenboek. “Ik ben dan begonnen als vrijwilliger bij de Vaart­kapoen in Molenbeek. Daar heb ik zes jaar een project geleid voor Maghrebijnse vrouwen van 18 tot 40 jaar. Gymmen kwam er toen al bij kijken, maar de muziek mocht wel luider”, lacht ze. “Ik was een vrouw aan de haard, een moeder van drie ook en financieel afhankelijk van mijn ex-man. Vrijwilligerswerk was een manier om mijn gevoel van eigenwaarde op te krikken.” “Omdat ik geen eigen inkomsten had, kon ik starten als artikel 60’er in het naaiatelier van de Welvaartkapoen: ik heb een diploma snit en naad. Daarna kon ik als gyminstructrice in een DSP-traject terecht bij Cosmos. Eigenlijk ligt dit me veel beter, want zo achter een naaimachine zitten, vind ik lastig. Nadat mijn contract afliep, ben ik voor een diploma multicultureel animator gegaan. Ik heb bij Cosmos gesolliciteerd en werd halftime aangenomen in een contract van onbepaalde duur. Voor mij is het allemaal heel erg wauw. Dat dit echt mijn werk geworden is op mijn zevenenveertigste, het is echt de max. Ook mijn gezondheid wint erbij. Als gyminstructrice moet je in vorm zijn, dus ik moét wel voor mezelf zorgen. Dankzij vrijwilligerswerk, artikel 60, DSP en natuurlijk

8

In Senegal werkte Amadou ook al in keukens

“Ik leer Belgische desserts maken”

Cosmos sta ik waar ik nu sta. Nu ga ik een project opzetten voor Maghrebijnse senioren via UFLED vzw (Union des Femmes Libres pour l’Égalité des Droits), ik heb een goede verstandhouding met de coördinatrice. Het zal erg lijken op wat we nu doen voor Belgische senioren. Wijkgezondheidscentrum Medikuregem maakt ook al publiciteit. Ik hoop dat het een succes wordt. Maghrebijnse vrouwen hebben toch wat drempelvrees voor een Nederland­ stalige vzw als Cosmos.”

Dat dit mijn werk geworden is op mijn zevenenveertigste, het is echt de max!

Het is gezellig druk op het middaguur in het sociaal restaurant van Cosmos vzw. In de schaduw van de parochiekerk van Kuregem lééft het. Het restaurant is toegankelijk voor alle wijkbewoners, maar de meeste kopjes zijn grijs en bebrild. De stemming is vrolijk, op het luidruchtige af. Voor veel senioren – Belgen en Kuregemnaars van vreemde origine – is Cosmos hun favoriete hangout. Kok Amadou neemt er vandaag de honneurs waar. Voor een Senegalees is Nederlands leren niet zo gemakkelijk. Ons gesprek verloopt dan ook in Frans, voor de twintiger Amadou ook een tweede taal want zijn moedertaal is Wolof. Tot zijn vijftiende is hij naar school geweest. “Maar ik neem lessen Nederlands. Op maandag en donderdag drie en een half uur, van negen tot half twee”, vertelt hij in het Nederlands – waarop hij prompt weer overschakelt op Frans.

9

“Sinds anderhalf jaar ben ik kok bij Cosmos vzw. Elke weekdag, soms ook tijdens het weekend.” In Senegal werkte Amadou ook al in keukens. Na zijn vertrek uit zijn geboorteland kwam hij terecht in een horecagelegenheid in Schaarbeek. Toen hij daarna werkloos werd, bood hij zich aan bij Actiris. “Met mijn ervaring hebben ze me hierheen gestuurd. Ik heb een test afgelegd en ik mocht blijven. Gelukkig, want ik was toen al twee jaar werkloos. Ik heb hier heel goed geleerd hoe je Belgische desserts maakt. Mijn traject eindigt over enkele maanden. Hierna wil ik zeker aan de slag in een restaurant, het maakt niet uit welk!”


| ge t uigen i ssen |

WIJKWERKING

“Wat wij denken dat vanzelf spreekt voor onze doelgroep­ medewerkers, is het vaak niet”

Een wit huis als hoeksteen van een plein kort voorgesteld: MAKS

Kuregem is niet de gemakkelijkste wijk in Brussel. Op een zonnige ochtend zonder een vuiltje aan de lucht, ontmoeten we er coördinator Mark D’Hondt van Cosmos vzw. We staan voor het witte hoekpand waar Cosmos binnenkort intrekt met sociale economiebedrijf MAKS vzw, dat zijn opleidingen voor werkzoekenden hierheen verhuist.

“Ons huidige dienstencentrum voldoet niet meer”, vertelt Mark. “Een nieuw pand vinden was niet eenvoudig, maar Samenlevings­opbouw en het Kenniscentrum Woonzorg waren kandidaat om mee te zoeken. Net als de collega’s van MAKS vzw, met wie we intergenerationele samenwerkingsprojecten opzetten. Zoals jongeren en ouderen een film laten maken over de wijk.” Het gebouw in de Jorezstraat is een prachtig pand uit 1935 in Bauhausstijl. Een voormalige drukkerij die leegstaat sinds september 2015. “Duizend vierkante meter”, zegt Mark trots. “Plek genoeg. Een gebouw delen is op zich niet uniek – er zijn Casablanco en Fix, O-zone met Baita en Atelier Groot Eiland – maar dit wordt een heuse synergie.” Samenwerken kan op verschillende manieren, hoopt hij. Wie uit een Cosmostraject komt, zal nu misschien ook vlotter terecht kunnen in een tewerkstellingsproject van MAKS vzw. Het sociaal restaurant wordt een echt buurtrestaurant. Het zal er de enorme ruimte delen met het dienstencentrum. “We krijgen eindelijk een professionele keuken”, zegt Mark D’Hondt. “Goed voor meer kansen op vast werk voor onze mensen. In de horeca moet je kunnen proeven van hoe het er in een echt restaurant aan toe gaat. We werven trouwens deeltijds een chef-kok aan om hen nog beter op te leiden.”

nze volgende DSP’er Animatie “ Omoét iemand uit de wijk zijn” We verkennen bewonderend de grote centrale ruimte en trappenhuizen in art-decostijl. Een glimlachende Afrikaanse man kruist ons pad. “Hij woont hier tijdelijk”, zegt Mark. “En houdt een oogje in het zeil. Handig, want hij kent de jongeren – en de dealers – uit de buurt. We hopen hier een nieuw publiek van Maghrebijnse senioren aan te trekken. Voor het bestaande publiek wordt het wel een hele stap om hierheen te komen.

Ouderen willen geen 250 meter wandelen in wat zij een gevaarlijke buurt vinden. Ze hebben wat pleinvrees. Maar de buurtbewoners kijken echt uit naar onze sociale organisaties.” De samenwerking met Alhambra kan een belangrijke hefboom worden voor succes. “Zeker, we hebben de lokale jeugd hier hard bij nodig. Onze volgende DSP’er Animatie moét iemand uit de wijk zijn. Met het jeugdhuis zetten we eerst een ramadanavond op. Er komt ook een pleinfeest. Een opendeurdag hebben we al achter de rug: de reacties waren geweldig. Onze sociale functie voor de buurt moet echt knallen. ‘s Avonds en tijdens weekends mogen allerlei buurt­ organisaties het gebouw gebruiken.”

e willen een open huis voor “ Wiedereen” “We willen een open huis waar mensen vrij kunnen kennismaken met de dienstverlening van MAKS vzw”, benadrukt ook directeur Veronique De Leener van MAKS vzw. “1500 bezoekers kunnen dagelijks terecht in de computerruimtes bij MAKS vzw. In Kuregem biedt dat vooral een meerwaarde aan jongeren van 10 tot 15 jaar. Dat publiek hopen we ook via dit nieuwe huis te bereiken. En we hopen dat jongeren tot 25 jaar die we graag als jobstudent aan de slag zien gaan, via het huis vlotter de weg naar ons toe zullen vinden.” Uitkijkend over de Kuregemse straten met Zuidstation en Pensioentoren in zicht, kun je je alleen maar optimistisch voelen over deze nieuwe start voor dit levendige stukje Brussel op een boogscheut van het centrum.

10

Het Kuregemse MAKS vzw werkt rond digitale empowerment van kwetsbare doelgroepen in de wijk. MAKS Digitaal organiseert digitale projecten voor kinderen, volwassenen en senioren, MAKS Werk coacht werklozen bij het vinden van een job en MAKS Grafisch Bureau voert grafisch werk uit voor klanten in de (non)profit terwijl het jonge talentvolle werklozen opleidt op de werkvloer. Er is een plaatsingsdienst met individuele begeleiding en opleidingen in ICT en grafische technieken. Het sociale economieluik van MAKS vzw bestaat uit het grafisch bureau en twee open computerleercentra (in Molenbeek en in Kuregem). Daarnaast zijn er de ICT-projecten in scholen. Laaggeschoolde werkzoekenden krijgen een opleiding als multimediaanimator. De technici, onthaalbedienden, multimedia-animatoren en webdesigners zijn allemaal doelgroepwerknemers.

Geen diploma, wél multimediainstructeur Hamadou Ka is een rijzige Senegalees met grijzende dreadlocks en een onderzoekende blik. Als begeleider is hij vast in dienst bij MAKS Grafisch Bureau. “Ik leid laaggeschoolden op met aanleg voor grafisch ontwerp”, vertelt hij in bedachtzaam Nederlands. “In die opleiding zitten programma’s

als InDesign of Illustrator, maar we werken ook op attitude. Zoiets vanzelfsprekends als op tijd komen, maakt het verschil voor een werkgever. De mensen hier hebben extreem verschillende achtergronden. Wat wij denken dat voor hen vanzelf spreekt, is het vaak niet. Goed je werkprocessen leren onderscheiden, bijvoorbeeld. Ben ik voor mijn plezier bezig, of zit ik in een workflow? Lijkt evident, maar is het niet altijd. Leren samenwerken is ook essentieel.” We houden Hamadou van zijn werk af: met een team van drie – waarvan er iemand ziek meldde – leidt hij de opmaak van de jaarverslagen van vereningingen als Chambéry en D’Broej in goede banen. Aan een website-update zijn ze ook bezig.

11

Hoe is Hamadou instructeur - chef d’équipe - geworden? “Ik ben een beetje een auto­ didact”, glimlacht hij. In Senegal was ik al bezig met lay-out, fotografie en video. Internet had ik niet, laat staan een diploma, maar het heeft me altijd al geïnteresseerd. Na mijn komst naar België kon ik in Molenbeek aan de slag als multimedia-animator bij een andere vzw. Toen zag ik de vacature voor deze job.” Hamadou kwam via een GECO-contract binnen bij MAKS vzw, waar de upgrade volgde tot voltijds begeleider.” De opleiding van MAKS zelf mocht hij dankzij zijn kennis overslaan. “Ik ben geslaagd in de technische tests, een module Quark­ Xpress moest ik wel nog volgen”, besluit hij. “Ben je gemotiveerd, dan kan je het ver brengen dankzij dit soort trajecten. Zelf blijf ik bijleren. Elektronica interesseert me geweldig: ik ben nu bezig met een camerastabilisator om op mijn eigen drone te plaatsen.” Goed nieuws voor het helikopter­zicht van MAKS vzw op de sociale economie in Kuregem.


|ge t uigeni sen| OPLEIDING

Derad-ict-alisering in de klas “Ik breng tieners IT-basics bij, zij begeleiden op hun beurt jongere kinderen”

Het enthousiasme en de naturel van Sara: je vindt het niet gauw. Zeker als je stilstaat bij het lastige parcours dat ze achter de rug heeft, is het extra mooi. Nu is Sara één van de jongeren die tewerkgesteld worden in de multimediaprojecten van MAKS vzw Digitaal. Sara vertelt ons over haar werk als hulpleerkracht voor een ICT-project in een Brusselse school. Als tweetalige Kuregemse is Frans haar moedertaal. School lopen deed ze in Halle en Vilvoorde. Geen uitzondering, zo’n traject, en goed voor vlot twee- of drietalige Brusselaars. Sara vertelt over het Capital Digital project waarbij ze betrokken is. “Ik ben hier al een jaar. Nog een half jaar te gaan, dus. Eerst kreeg ik een week opleiding digitaal portfolio”, vertelt Sara. “Daarna kwam ik terecht in Capital Digital, een project waarmee we jongeren programmeren bijbrengen via Scratch, een basisniveau programmeren. We hebben ook Pixel Floor, Scratch junior voor de iPad en ook voor smart­ phones is er een programma… We proberen hen in alle domeinen van

IT onder te dompelen.” Sara geeft les in scholen. Ik breng tieners IT-basics bij, zij begeleiden op hun beurt de jongere kinderen.” Kennisoverdracht waardoor jongeren waardevolle skills verwerven. Maar er is meer. In de school Anneessens-Funck begeleidt Sara ook een deradi­caliseringsprogramma via digitale storytelling. “Heel interessant, je kan met die jongeren gewoon praten over Bataclanterrorist Bilal Hadfi die er school liep. Geen taboe, ze begrijpen niet dat iemand zo ver kan doorslaan.” Of hoe je met je digital skills ook maatschappelijk hete hangijzers kunt aanpakken. En voor Sara zelf? Lesgeven is niet zo vanzelfsprekend voor iemand die zelf haar middelbaar diploma niet behaalde en vier jaar in de werkloosheid belandde. “Ik heb al veel bijgeleerd, maar ik wil verder. Bij Syntra ga ik verder een opleiding volgen. Dat plaatsje is al verzekerd. Ik wil web­ designer worden.” Als ze het kan combineren als animator of lesgeefster, des te beter. Dankzij MAKS vzw wint ze ieder geval het zelfvertrouwen om ervoor te gaan.

12

“Meer studie­ mogelijkheden voor vluchtelingen”

Computernerds welkom

De Europese Raad voor Vluchte­ lingen (ECRE - European Council on Refugees and Exiles) lijkt tegelijk wel en géén vanzelfsprekende werkgever voor ontheemde mensen met talent. Directeur Catherine Woollard licht toe hoe de samenwerking met INOPTEC leidde tot de aanwerving van Azzam Daaboul (lees zijn verhaal elders in deze publicatie). “In de mate van het mogelijke werken we met sociale ondernemingen, omdat het aansluit bij de waarden van ECRE”, zegt Catherine Woollard. “Maar we hebben Azzam vooral aangeworven omdat hij competent is. Zijn grafisch ontwerp, IT-ondersteuning en zijn bijdrage aan de pas gelanceerde nieuwe website van ECRE vinden we heel goed. Azzam is maar één voorbeeld van de miljoenen mensen in Europa met een achtergrond als vluchteling die hun bijdrage leveren. Ik vind het belangrijk dat ECRE mensen uit die doelgroep tewerkstelt. De meeste van onze vacatures vermelden dat we een voorkeur geven aan vluchtelingen en ECRE heeft nog meer stafleden met een achtergrond als vluchteling of banneling. Het helpt om ons werk bekend te maken via mensen die zelf meegemaakt hebben waarvoor we ons inzetten. Dat Azzam zijn studies niet beëindigde en geen diploma heeft, geeft niet. We waren ons bewust van zijn kwali­teiten. Zijn studies kon hij niet afmaken door de oorlog. Wanneer hij de kans krijgt om die draad weer op te pikken, gaan we hem zeker steunen. Azzam kan hogere studies aan. Voor een betere integratie op de arbeidsmarkt en om zich te ontplooien is het belangrijk dat vluchtelingen toegang krijgen tot opleidingen.”

“Een echte droomkans voor een vluchteling” Dat de Syrische oorlog leidt tot een enorme brain drain, illustreert het verhaal van Azzam Daaboul. Hij mocht aan de slag als IT’er bij de vluchtelingenorganisatie ECRE. “Dankzij mijn traject van acht maanden bij INOPTEC+”, glimlacht de bebrilde Syriër. “In 2011 kwam ik op mijn 21e uit Syrië naar België”, vertelt Azzam. “Ik had al ervaring met grafisch ontwerp en websites bouwen. In Syrië kluste ik bij als freelancer tijdens mijn opleiding tot bankverzekeraar. Door de oorlog moest ik mijn studies afbreken. Toen ik in België aankwam, hielp het dat ik al Engels kende, Nederlands heb ik natuurlijk vanaf nul moeten leren. Ik heb per mail gesolliciteerd bij INOPTEC+ en ja: ik mocht op gesprek. In september 2013 begon ik als artikel 60’er. Ik loste computer- of netwerkproblemen op bij klanten. Een verhaal met een leuk vervolg, want ECRE is klant van INOPTEC+. Ze zochten een grafisch vorm­ gever, de functiebeschrijving klopte met mijn profiel en plots kreeg dus ik uitzicht op een contract van onbepaalde duur.

13

Dat ik geen diploma heb, vonden ze geen probleem. ” “Toevallig kreeg ik datzelfde jaar de kans om aan de KU Leuven een driejarige opleiding als IT-technicus te volgen. Ik was geslaagd voor de toelatingsproef, maar ik koos voor werk. Mijn familie die toen in Egypte was, had het financieel erg moeilijk. Bij ECRE ben ik 20 procent van de tijd informaticus, het leeuwendeel van de job is grafisch ontwerp en webontwikkeling. Eigenlijk heb ik vooral aan zelfstudie gedaan via tutorials en e-learning. Twee keer per week ging ik naar de Nederlandse les. Ik stak bij INOPTEC+ vooral veel op over hoe je met klanten communiceert, de praktijk van het klanten servicen. Ik kon er ook met grote servers aan de slag. Héél positief, een echte droomkans voor een vluchteling. Ik heb dus geluk gehad, maar ik vind het jammer dat artikel 60’ers hun steun verliezen nadat hun contract afloopt. Juridische en administratieve hulp blijven echt wel welkom.”


| ge t uigen i ssen |

“Ik geef aanwijzingen én corrigeer hun Nederlands” Energiek laat de jonge Afghaanse ploegbaas Farid ons het ruime, heldere en goed uitgeruste atelier van FIX zien. Ploegjes mannen staan er te werken aan grote wandkasten en lockers besteld door verschillende Brussels scholen. Keukens en biblio-

kort voorgesteld: FIX

FIX vzw is een werkervarings­ project voor laaggeschoolde Brusselaars dat renovatie­ opdrachten uitvoert voor Nederlandstalige scholen in Brussel. Fix leidt langdurig werkzoekenden op voor een job in de bouwsector. FIX’ers zijn in loonverband, niet in opleiding, maar worden wel opgeleid tijdens hun job. Bij Fix werken artikel 60’ers, DSP’ers, instapstagiairs en mensen in een statuut deeltijds werken en leren. Ze vinden hun weg naar FIX via Actiris, JES, Groep Intro (of andere).

theken staan net zo vaak op de orderlijst. Op zijn tablet laat Farid ons enkele realisaties van ‘zijn’ schrijnwerkerij zien. Wat opvalt is de ultraprofessionele afwerking en het creatieve design. Dit is niet zomaar bandwerk. “We zijn bezig aan een gangkast van 21  meter lang”, zegt Farid in feilloos Nederlands. “Ik werk al drie jaar bij FIX, sinds een jaar ben ik begeleider. Vier man heb ik in mijn ploeg schrijnwerkers. Vijf jaar geleden ben ik uit Afghanistan gekomen waarna ik een jaar zonder papieren in een asielcentrum doorbracht. Toen kreeg ik een verblijfsvergunning.” Dankzij Farids doortastende natuur bleef hij niet bij de pakken zitten. “Ik volgde een opleiding aluminium en PVC bij Groep Intro. In Afghanistan had ik al een technische opleiding achter de rug, dat hielp. Ik wilde absoluut Nederlands leren. Aan het CVO Brussel volg ik nog steeds les. Door mijn job als chef heb ik hier echt mijn stek gevonden. Een tiental mannen heb ik de stiel al kunnen leren, ze zijn nu aan de slag bij bedrijven. Ik heb twee Marokkanen in de ploeg, een Afrikaan en een Roemeen. Onder elkaar spreken we Nederlands. Daar let ik echt op. Ik selecteer mee op motivatie.” Farid heeft heel wat in zijn mars, kiest bewust voor FIX. “De toekomst van veel vluchtelingen begint hier. Ik ben blij dat mensen iets van mij leren en ik wil alles doen om hen te helpen een job te vinden.”

14

Farid heeft heel wat in zijn mars, kiest bewust voor FIX OWNERSHIP

Eigenaarschap aanleren voor de job “In de bouwsector werd vroeger enkel rekening gehouden met je leercapaciteiten. Leer je te traag, dan word je gedumpt, meesmuilt instructeur Yves Verstuyf. “Die harde verhouding baas-werknemer gaat er gelukkig een beetje uit. Bij FIX willen we meer coachend gaan werken. We geven veel meer complimenten dan negatieve feedback. Vroeger delegeerde ik op ‘mijn’ werf het werk, nu neemt iedereen eigenaarschap op. Ik begeleid hen bij dat proces. Onze mensen worden gestimuleerd om zelf te denken en oplossingen te verzinnen. Ik observeer en stuur bij ook tijdens de wekelijkse (zelf)evaluaties. Voor privé­problemen kunnen ze ook bij mij terecht. Tijdens de ochtendbriefing vraag ik hén wat ik zal doen die dag. Die muur daar schilderen bijvoorbeeld (lacht). Tegen september is het de bedoeling dat alle instructeurs zo werken.”

15


| ge t uigen i ssen | NEDERLANDS

Nederlands leren, op de werkvloer zó geFIX’t. Nederlands leren weegt bij FIX zwaarder dan bij sommige andere sociale economie-initiatieven. Een bewuste keuze – en een extra uitdaging voor de tewerkgestelden en hun coaches. “We hebben een 30-tal mensen in de pool van 20 verschillende nationaliteiten” zegt directeur Eva De Smedt. “Van huis uit zijn daar nauwelijks Nederlandstaligen bij, maar velen staken wel al wat Nederlands op. Om te mogen starten bij FIX heb je op zich geen voorkennis Nederlands of vakkennis nodig. Een duidelijke motivatie om het allebei te leren absoluut wel – en daar zijn we streng in. Niveau 1.1 is het einddoel op het vlak van kennis van het Nederlands tegen het einde van het traject.”

Lanafi zou graag zelfstandige worden

Hoe vlot gaat dat, Nederlands leren op de werkvloer?

“Mohamed helpt mij als ik iets niet begrijp” Lanafi is een in Marokko geboren late veertiger, Mohamed is Belg en een stuk jonger. Allebei zijn ze als DSP’er lid van de schrijnwerksploeg bij FIX vzw. Mohamed werkt hier

pas een maand. Na een opleiding PVC bij Groep Intro kon ik hier terecht.” Daarvoor volgde hij een opleiding als hulploodgieter en schrijnwerker na een schoolcarrière in het BUSO-onderwijs in Zaveldal. Lanafi werkt al enkele maanden bij FIX in een DSP-contract. Daarvoor deed ik ook PVC en schrijnwerkerij via Groep Intro. Ik heb tien jaar ervaring in de bouw in Italië. Ik ben al zes jaar in België. Ik zag een video van FIX, het was echt iets voor mij. Dat we werken voor scholen vind ik supertof.” We verdelen het werk, zeggen Lanafi en Mohamed. Zo kunnen we veel bij­leren. Lamellomachine, vernissen, schuren…

Er komen altijd nieuwe opdrachten binnen. Soms klussen ze in de scholen, waar ze kapotte banken herstellen of kapstokken maken. Werk is er altijd. Het moeilijkste aan werk vinden is de dingen moeten uitleggen in het Nederlands, vindt Lanafi. Al het werk zit in Vlaanderen. “Daarom probeer ik nu Nederlands te leren en ervaring op te doen. Lastig wel. Communiceren in het Nederlands met de ploegbaas én je concentreren op het werk is niet simpel.” Gelukkig kan hij rekenen op Mohamed, die is Nederlandstalig. Mohamed hoopt dat hij na Fix hetzelfde werk kan blijven doen voor een werkgever. Lanafi zou graag zelfstandige worden: “ik hou van fabricatie”, zegt hij met zijn mooiste uitspraak.

16

“Hangt af van persoon tot persoon”, zegt Yves Verstuyf, instructeur van de schildersploeg. “Ik ben meer begeleider dan instructeur. Veel mensen hebben in hun thuisland nooit leren leren. Sommigen zitten met trauma’s: hoe benader je die? Hoe zorg je dat hun geest vrij genoeg is om zoveel bij te leren? Is de wil er, dan komen we er wel. Nodig, want ze leren niet enkel ‘werf’-Nederlands maar gaan ook ’s avonds naar de taalcursus. Bij hun start komen we er meestal snel achter of ze daartoe bereid zijn. Op de werf zijn er twee soorten taalcoaching. Eerst zes maanden instructeursgerichte coaching gericht op het laagdrempelig gebruik van Nederlands, daarna permanente taal­coaching die cursistof arbeidergericht is. Een halve dag per week per ploeg. Het is best wel intensief.”

Beginnen al die anderstaligen dan Nederlands met elkaar te praten? “Sommigen wel”, zegt Yves. “Het hangt af van de samenstelling van de groep en hun wil om ergens te raken. Nederlands is de sleutel tot de arbeidsmarkt: in Vlaanderen zijn er meer vacatures. Bovendien zijn er voor elke job waarvoor je Nederlands moet kennen stukken minder kandidaten dan voor jobs voor Franstaligen”, vult Eva De Smedt aan. “Doorstroom is voor FIX een vaste job in de bouw of als klusjesman, ook buiten het paritair comité van de bouw. Wie dat niet haalt, begeleiden we naar een andere sector. Toch vonden vorig jaar acht op de tien een job. Ook al investeren we veel in de technische kant van het beroep, het gaat niet alleen over leren werken. En we letten sterk individueel op de noden van de werkgevers. Die zijn héél tevreden en doen regelmatig een beroep op FIX.”

17


|g e s pre kke n| | rubriek|

|rubri ek|

geuren

& kleuren

OF ZE NU ACTIEF ZIJN IN IT, OUDERENZORG, MOBILITEIT, HORECA, BOUW OF EEN ANDERE ACTIVITEIT: DE ZORG OM HOE HET VERDER MOET MET HUN DOELGROEPMEDEWERKERS, IS WAT DE OPBOUWERS IN DE BRUSSELSE SOCIALE ECONOMIE BEZIGHOUDT. WE LATEN HET HEN GRAAG ZELF UITLEGGEN.

18

19


|ge sp rekken|

er zijn niet genoeg jobs in brussel

Terwijl er zoveel werk is

Liesbeth Driesen (FEBIO, CYCLO VZW)

E

en openhartig gesprek over rol, visie en keuzes van FeBIO (Federatie van de Brusselse Initiatieven voor de Ontwikkeling van de werkgelegenheid) met voorzitter Liesbeth Driesen, ook directeur van fietsonderneming CyCLO vzw.

FeBIO is de Brusselse koepel van organisaties die in de sociale inschakelingseconomie actief zijn. Onze meer dan twintig aangesloten vzw’s ontwikkelden haast allen een PIOW – project. “Klopt”, zegt Liesbeth Driesen. “FeBIO vertegenwoordigt zijn leden bij over­ heden, in het platform sociale economie, bij het bredere middenveld of bij partners zoals Tracé Brussel. Binnen het netwerk zetten we onszelf in de kijker en leren we van elkaar. De leden worden vaak met dezelfde uitdagingen geconfronteerd – en vaak ook niet, want hun omvang en de sectoren lopen sterk uiteen. Een adviserende rol speelt FeBIO ook.”

kort voorgesteld: CYCLO

Cyclo vzw promoot fietsen in Brussel via fietstechniek, recyclage en fietscultuur. De voertaal is een mix van Nederlands en Frans. “Taal is vooral een instrument om elkaar te begrijpen”, zegt Liesbeth Driesen. “Iedereen in een werkervaringstraject krijgt Nederlandse les. Zo willen we openheid creëren voor die andere taal en hoeven mensen niet in hun schulp te kruipen als er iemand Nederlands tegen hen praat. Die cultuur van openheid is iets waar nieuwkomers vertrouwd mee moeten raken, maar de klanten van onze fietsateliers verwachten het wel. ‘Tweetaligheid’ valt hier dus eerder pragmatisch in te vullen. Op dat vlak mag je niet verkrampen in Brussel, deze stad is te complex om rechtlijnig te denken.”

 et beleid moet onze maatschappelijke H meerwaarde in een breder kader vatten.

Is de diversiteit van FeBIO een sterkte of een belemmering? “Een sterkte: al onze leden zijn actief in de sociale economie”, benadrukt Liesbeth Driesen “Plus: ze hebben allemaal een eigen maatschappelijke doelstelling. Die combinatie maakt dat je anders naar doorstroom gaat kijken. Het beleid zou onze maatschappelijke meerwaarde in een breder kader moeten kunnen vatten. We willen onze rijkdom en maatschappelijk nut behouden én oplossingen kunnen voorstellen waarmee onze doelgroepen geholpen worden. Voor sommige leden ligt dat dubbele maatschappelijke nut in diensten die niet bestaan in de reguliere economie, of in het publiek waarvoor ze werken: boodschappen doen voor oudere mensen in de buurt, sociaal vervoer voor ouderen en gehandicapten zoals de Welvaartkapoen doet, klusjesdiensten voor armere mensen in de buurt. Anderen bieden meer reguliere diensten aan, maar wel op alternatieve manieren: maatschappelijke meerwaarde in de bouw zal eerder bij participatief management liggen. Veel leden houden er interessante combinaties op na: laagdrempelige sport en werkervaring (Buurtsport), werk en duurzame mobiliteit bij CyCLO. Het raakvlak van al die sectoren is een grote hefboom voor maatschappelijke meerwaarde.”

20

21


| ge s prekk en | Is CyCLO daar een goed voorbeeld van? Op welke manier? “CyCLO is aanwezig op acht plekken in de stad. We creëren werk­ ervaring en jobs dankzij fietsdiensten. Fietsen herstellen heeft een groot draagvlak in de stad, net als Recyclart dat heeft op het vlak van cultuur. Naar de buitenwereld toe stellen we ons niet per se voor als sociale economiebedrijf. De doorsnee fietser heeft daar weinig boodschap aan, maar intern en voor het netwerk is het wél belangrijk. Bovendien bindt stedelijkheid alle FeBIO-leden. De diversiteit van de stad, problemen die je er moet counteren als mobiliteit, armoede, huisvesting… We proberen allemaal oplossingen te vinden voor stedelijke problematieken. Als organisatie vormt dat je op den duur zélf. Weinig steden zijn zo heterogeen als Brussel, geen wonder dat al onze leden zulke divers samengestelde teams hebben.”

J  e krijgt goesting, je bent wakker, je neemt verantwoordelijkheid op. Daar gaat het over.

En weinig steden worstelen met zo’n torenhoog werkloosheidsprobleem...

Daarmee zeg je: voor die grote massa Brusselse werklozen zijn er verschillende invalshoeken nodig. “Blijven activeren en opleiden is de boodschap, investeren in iedereen. Werk emancipeert, het zorgt dat mensen niet achterblijven en vereenzamen. Daarom is de Brusselse sociale inschakelingseconomie ook zo belangrijk: we geven skills mee die je via een opleiding niet leert.

“Juist, en op doorstroom worden onze organisaties afgerekend, terwijl het een veel breder verhaal is dan enkel mikken op de reguliere arbeidsmarkt. Onze visie is dat je om doorstroom te creëren, je instroom onder controle moet hebben. Bij de start individueel screenen om te weten waar je op het einde van de rit uitkomt, is haast een noodzaak. Bij Cyclo denken we zélf na over competenties waarop we kunnen screenen om achteraf vast te stellen of we ons doel bereikt hebben. Op het vlak van psychosociale vaardigheden, over je goed voelen op je werk, zelfstandig en constructief deelnemen aan het werk en aan de samenleving, relationele vaardigheden, stabiliteit in je leven, collegialiteit, kunnen samen­ werken… allemaal broodnodige randvoorwaarden om je job goed te kunnen doen. En andersom: wie eenzaam is en voortdurend wil socializen tijdens het werk, heeft ook een probleem. Ten tweede zijn er de maatschappelijke competenties: een netwerk hebben, bijdragen aan de samenleving, zingeving, weten hoe een samenleving in elkaar zit, de culturele kloof waar veel mensen mee te kampen hebben. Het begint al bij weten dat een straatnaam kan doorlopen na een kruispunt. Vervolgens heb je arbeidsattitude: op tijd komen, verantwoordelijkheid opnemen, betrokken zijn, je niet van je stuk laten brengen door iets in je privéleven, psychische stabiliteit. Daarna pas zijn er die technische competenties. Daarmee alléén kom je er niet. Juist aan die andere, niet-technische competenties moeten we heel hard werken.”

“Van weerszijde zijn realistische verwachting­en nodig. Wie wrok koestert tegen de samenleving wegens teveel tegenslag in het leven, krijgt het moeilijk bij een werkgever. Vaak is het al een succes als we na een werkervarings­ traject iemand de samenleving weer in krijgen als vrijwilliger of via een opleiding. Je bent stabiel, je kan je handhaven, je krijgt goesting, bent wakker, neemt je verantwoordelijkheid op: daar gaat het over. Ken je de basis van iemands probleem, dan faal je niet in je doorstroom. Die boodschap is belangrijk voor overheden. Volgens mij ligt precies daar de maatschappelijke meerwaarde van een PIOW. Worden we verplicht om enkel richting reguliere arbeidsmarkt te werken, dan zullen we moeten selecteren bij de instroom en verliezen we de essentie van onze inschakeling in de samenleving.”

AKSENT

Sterke medewerkers, straffe service Aksent bestaat uit een dienstencentrum in de Schaarbeekse Brabantwijk, een ander in centrum Evere en huis-aan-huisdiensten in heel Brussel. Daarnaast richt een werkervarings- en opleidingsproject zich op ouderen en hulpbehoevenden. Doelgroepmedewerkers worden op verschillende manieren versterkt: door zelf een beroepsproject te mogen kiezen, door meer kansen op de arbeidsmarkt én een groter gevoel van eigenwaarde.

“Onze dienstverlening verbetert omdat onze medewerkers zélf sterker worden. De combinatie van een zorgopleidingstraject en kwaliteitsdienstverlening, we geloven er echt in. Aksent staat voor een waarderende manier van coachen, maatgerichte begeleiding en aandacht voor persoonlijke kwaliteiten. We zijn flexibel, gericht op een kwetsbaar publiek en houden rekening met meertaligheid en culturele diver­ siteit... en we zijn vasthoudend! Nog meer sociale economieprojecten in de zorgsector zijn hard nodig. De vraag is enorm. Laten we kijken voorbij de economische motieven, hokjesmentaliteit (het inpassen van mensen in statuten, waardoor veel werkwilligen uit de boot vallen) en het ‘juiste’ diploma. Aandacht voor de kwaliteiten van mensen en valorisatie van hun kennis en kunnen (bv. via EVC) is ook belangrijk. Met de beperkte financiële draagkracht van de klanten moet ook rekening gehouden worden. Een sociale economie met meer experimenteerruimte zou mooi zijn.”

skills mee “ Wdiee jegeven niet via een opleiding leert. RECYCLART Het besef dat het fijn is om te werken, je netwerk. Collega’s die elkaar spontaan helpen, samen gaan fietsen tijdens een weekend: dat is wat werk iemand geeft. Maar de realiteit is dat hoewel de overgrote meerderheid het wel wil, er gewoon niet genoeg jobs zijn. Hoewel er zoveel werk is: kijk maar om je heen. Het is de taak van privé, non-profit en overheid om werk te organiseren. Het afschaffen van uitvoerende, digitaliseerbare profielen – de koffiemadame, zeg maar – binnen een afgeslankte overheid is daar geen goed voorbeeld van. Als je mikt op doorstroom, moet er aan de andere kant werk voor die laaggeschoolden zijn. Want ook wie doorstroomt, blijft laaggeschoold. De kloof tussen vraag en aanbod op de Brusselse arbeidsmarkt blijft bestaan.”

D  oorstroom is vooral inschakeling in de samenleving. Dat is onze boodschap voor de overheid.

22

Horecamedewerkers, metaalarbeiders, schrijnwerkers en onderhoudstechnici… mét cultuur

Het stadsproject Recyclart ziet zijn omgeving als directe inspiratiebron. De deur staat wagenwijd open voor ‘de stad’, op cultureel, sociaal en economisch vlak. Als multidisciplinair kunstencentrum brengt Recyclart het volledige artistieke proces samen onder één dak, en faciliteert het door werk- en tentoonstellingsruimtes ter beschikking te stellen van jonge kunstenaars. Hun werk verspreiden via de kwaliteitsprogrammatie en -productie van Recyclart, design- en decorstukken, beeldende kunstinstallaties... “Recyclart stelt via het doorstromingsprogramma van het Brussels Gewest horecamedewerkers, metaalarbeiders, schrijnwerkers en onderhouds­ technici tewerk. De doelgroepmedewerkers zijn ondergebracht bij Fabrik & Bar Recyclart. Een kwetsbare doelgroep tewerkstellen binnen een organisatie met een cultuuropdracht biedt volop kansen om mensen met verschillende achtergronden en werkethiek met elkaar te confronteren – en van elkaar te helpen leren. Via het sociale economieproject zet Recyclart mee de schouders onder een creatieve stad, met een lokale, duurzame en solidaire visie als stevig fundament.”

23


| ge s p rekk en |

Een nieuwe inschakelingsonderneming! PIETER DEHON (CASABLANCO/CASANOVO)

C

asablanco renoveert gebouwen. Begonnen als kleine vzw met een tiental jongeren in een tewerkstellingstraject, nu een organisatie met een 60-tal doelgroepmedewerkers en een schat aan technische knowhow. De tijd is rijp voor een afsplitsing: met Casanovo is de eerste Nederlandstalige inschakelingsonderneming een feit. “Casablanco moet de uitzondering blijven, ondernemerschap de regel zijn”, zegt directeur Pieter Dehon.

“Sinds 2010 doen we mee aan aanbestedingen voor sociale economiebedrijven. En we halen opdrachten binnen, omdat we beschikken over de financiële en organisatorische middelen, efficiënt administratief opvolgen en tijdig opleveren. Tegelijk vind ik dat we moeten stoppen met nadenken over hoe we binnen de marges van sociale clausules kunnen werken. We hebben meer sociale economie-ondernemingen nodig. Sociale economie gericht op doorstroming of sociale tewerkstelling moet de uitzondering blijven.”

Sociale economie biedt volgens jou géén uitzicht op duurzame sociale tewerkstelling? “Tijdelijke gesubsidieerde contracten zonder uitzicht op duurzame jobs niet, nee. Zoals bouwvakkers die je tewerkstelt onder het paritair comité van de sociaal-culturele sector, verantwoord door een tijdelijke opleiding. Duurzaam zou zijn onder het paritair comité van de bouw. Sociale economie als ontwikkelingshulp voor een bepaalde doelgroep is één, sociale econo­ mie als alternatieve ondernemerschap, sociaal en democratisch, is twee. Het ene sluit het andere niet uit. Met Casablanco

Dubbele structuur, duidelijker doelgroepenbeleid

en Casanovo willen we laten zien dat het twee instrumenten zijn met hetzelfde doel. Daarin zijn we nu voorlopers, hoop ik.”

“Mensen op de sukkel met 20 jaar ervaring in de bouw, hebben ondersteuning nodig, maar moeten we hen een bouwopleiding en werkervaring bieden? Dat lijkt me wat kort door de bocht. Ook op het vlak van ons doelpubliek kan de dubbele structuur een antwoord bieden.”

Het beleid moet onze maat­ schappelijke meerwaarde in een breder kader vatten.

Hoe kwam je tot de conclusie dat jullie huidige structuur niet meer voldoet? “Onze economische activiteiten zijn na 15 jaar sterk gegroeid. We hebben meer personeel én technische knowhow. De grens is bereikt van wat we kunnen als vzw met een PIOW-erkenning. Ten tweede heeft economische activiteit een brede impact. Onze opdracht is niet enkel tewerkstelling creëren, maar ook inzetten op sociale huis­ vesting of een betere leefomgeving. Ten derde willen we een stukje alternatieve economie realiseren. Casablanco heeft altijd al die ambitie gehad. Het creëerde een spanningsveld dat we nu afbouwen dankzij twee coherente beleidskaders, via onze dubbele structuur.”

24

25


| ge s prekk en |

Blijft Casablanco als ‘uitgeklede’ PIOW niet verweesd achter? “Casablanco keert terug naar de basismissie: inzetten op een duidelijke, sociologisch gedefinieerde kansengroep. We willen opnieuw de kaart trekken van jongeren. Heel breed: op het vlak van school, naschoolse tijdsbesteding, schoolverlaten, goesting om weer opgeleid te worden. Werkervaring opdoen natuurlijk. De bedoeling is niét om een jeugdhuis te worden. Daar hebben we teveel technisch- en realisatie­potentieel voor opgebouwd.”

EAT

ART2WORK

Glimmende keukens om in te glimmen van trots

Bouw eens een podium op voor je eigen leven

Eat organiseert werkervaring in vier sociale horecazaken in Brussel: Taverne Ter Linden in Jette, Elan in Schaarbeek, Café ABC in Brussel en Nic-Nac in Laken. Werknemers in werkervaringsprojecten krijgen leerkansen op de werkplek, begeleiding en opleiding. “Een verhaal: hoe iemand na 12 jaar op straat leven bij ons terecht kwam, onderdak vond en elke dag naar Anderlecht ‘bak’fietste om maaltijden klaar te maken voor 60 mensen zonder papieren. Nu werkt hij al vijf jaar in dezelfde broodjeszaak én heeft hij een gelukkig gezinnetje. Of iemand die al enkele jaren kok is bij LDC de Harmonie. Of die jonge alleenstaande vrouw met drie kinderen die twee jaar lang de kneepjes van het vak kwam leren én daarbij heel wat extra uren meedraaide. Ze vond vast werk in de keuken van een woonzorgcentrum. Dankzij onze gerenoveerde gebouwen en professionele keukens laten we meer mensen werkervaring opdoen, bedienen we meer klanten en bewijzen we dat sociale economie topservice kan bieden.”

Laten we zelf de kaders bepalen “Definiëren en onderscheiden we zelf vanuit de sociale economie niet duidelijk de verschillende kaders, dan zullen anderen het voor ons doen: de politiek, maar ook de economie.”

“Op het werkproces dat onze restaurantploegen op maat hebben uitgewerkt zijn we supertrots. De takenpakketten beschrijven eenvoudig de handelingen en helpen om al doende de job te leren. Nuttig is ook het evaluatie-instrument van Maizenne om medewerkers te screenen. Hoog tijd dat de meerwaarde van sociale economie erkend wordt. De helft van onze middelen komt uit de eigen werking. Bovendien vloeit een meervoud van de financiële input in werkervaringsplekken later terug naar de maatschappij.”

26

ART2WORK helpt Brusselaars tussen 18 en 30 om regisseur te worden van hun eigen leven, door op een andere manier ‘werk’ te zoeken, te vinden en te houden. Het doel? Een vernieuwend expertisecentrum en labo zijn voor ‘vooruitkomen in het leven’. Met jobtraining, loopbaanbegeleiding en vernieuwende praktijken om jongvolwassenen in te schakelen in de maatschappij. Sociale vooruitgang en brede samenwerkingsverbanden die innovatieve dynamieken creëren, zijn de basis. Het sociale economieproject is de ploeg TECHNICS2START: een werkervaringstraject met een nadruk op arbeidsattitudes, via technisch en logistiek werk in de artistieke en evenementensector.

ART2WORK neemt zijn intrek in de voormalige brouwerij BelleVue en start met nieuwe programma’s. COACH2START is begeleiding op maat, even de tijd nemen en leren van elkaar. Daarna wachten drie programma’s: TECHNICS2START, JOB2START (een startjob op maat, in samenwerking met partnerbedrijven), BUS2START (een eigen zaak beginnen) en OFFICE2START (een gedeelde werkplek om een eigen zaak te starten). Via het programma STORY2WORK komen mensen aan het woord. Inspirerende, boeiende, onverwachte, onthullende verhalen van mensen die nieuwe richtingen inslaan en kansen grijpen, verankerd in de realiteit van de stad. In het beste geval leidt het tot een theaterstuk, een boek of een artistieke installatie die een andere kijk biedt op de rijkdom van Brussel.

Atelier Groot Eiland

Van Klimop tot Bel Mundo Atelier Groot Eiland is een vereniging voor sociale tewerkstelling, opleiding en werkervaring met als missie het recht op arbeid realiseren. De doelgroep bestaat uit laaggeschoolde, langdurige werklozen, OCMW-steuntrekkers, asielzoekers en mensen met een mutualiteits- of invaliditeitsuitkering.

Door de allerzwaksten op de arbeidsmarkt kansen te bieden, probeert Atelier Groot Eiland armoede te bestrijden.

27

“Onze cliënten-werknemers komen werken in één van de vijf ateliers: de schrijnwerkerij en atelier voor houtbewerking Klimop, het atelier voor manuele verzendingen Etiket, het arbeidszorg­project ArtiZan (atelier met ambachtelijke winkel), het stadslandbouwproject De kleine Zenne en maatschappelijk restaurant en cateringservice Heksenketel. Elke cliënt-werknemer krijgt intensieve traject­begeleiding. Door de allerzwaksten op de arbeidsmarkt kansen te bieden, probeert Atelier Groot Eiland armoede te bestrijden en doelgroepwerknemers te steunen in hun proces van (re)socialisatie, (re)integratie en emancipatie – kortom, in hun volwaardig mens-zijn.”


|ge sp rekken|

In de werkervaringscontracten is Solidariteit voor het Gezin een 15-tal jaar geleden ingestapt”, zegt regiomanager Ben Lombaerts. “Langdurig werklozen een kans geven vinden we belangrijk. DSP is daar één luik van, naast bijvoorbeeld geco. Mensen aan een job helpen, is intens. Maar het is het waard.”

BEN LOMBAERTS (SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN)

“ In Brussel ga je beter pragmatisch te werk”

KORT VOORGESTELD: SOLIDARITEIT VOOR HET GEZIN

Alle vormen van thuiszorg zoals thuisverpleging, gezinszorg, huishoudhulp (met en zonder dienstencheques) en kraamzorg maar ook woonvormen voor ouderen, zorgopvolging op afstand, oppashulp, vervoer, babysitters, onthaalouders, opvoedingsondersteuning… Solidariteit voor het Gezin heeft een brede werking. In overleg met de gebruiker kan een zorgcoördinator een combinatie van diensten op maat inzetten

Wat bedoel je met intens? “De begeleiding: dit gaat over mensen die op allerlei vlakken begeleiding nodig hebben. Komen ze ergens terecht waar ze passen, dan is dat een mooi eindresultaat.”

28

Klanten verwachten meteen topkwaliteit, maar dat kan niet.

Verschilt een DSP-profiel sterk van jullie reguliere werknemers?

Krijgen ze eerst een opleiding of gaan ze meteen aan de slag?

“In een Nederlandstalige organisatie spreekt het niet vanzelf dat het taalniveau zo laag ligt, maar we begeleiden hen zo goed mogelijk. Aan algemene basisvaardigheden als communiceren, zelfredzaam zijn, op tijd komen moet vaak ook gesleuteld worden. Administratieve of digitale kennis is nog zo’n punt. Bij een poetsdienst komt meer kijken dan je denkt. Je moet je prestatiebladen invullen en komt terecht bij mensen met verschillende culturele en maatschappelijke achtergronden. Bovendien verwachten klanten meteen top­ kwaliteit van mensen die uiteindelijk in opleiding zijn, ondanks het voordeeltarief. Hen wat laten groeien in hun job is er vaak niet bij.”

“Na de screening volgt een uitgebreide introductiesessie. Welke papieren heb je nodig, wat moet je in orde brengen, hoe pak je het praktisch aan… eerst worden ze hier op de afdeling aan het poetsen gezet, daarna geleidelijk aan bij klanten. We hebben ook wijkwerkingen waar ze vorming meekrijgen. Tweemaandelijks krijgen ze opleiding over communicatievaardigheden, ergonomie, poetstechnieken… De sector­ verantwoordelijken worden daarin zelf getraind volgens het train de trainerprincipe, zodat zij verder kunnen coachen. Officieel allemaal in het Nederlands, maar in de praktijk komt er heel wat Frans bij kijken. Onze sectorverantwoordelijke Nurcan spreekt systematisch éérst Nederlands met de kandidaten. Alleen moet het soms ook wel wat vooruitgaan.”

29


| ge s prekk en |

Leren jullie DSP’ers ook Nederlands tijdens de werkuren? “Wanneer ze in dienst komen, bepaalt het Huis van het Nederlands hun taalniveau. ‘s Namiddags na hun klantenbezoek volgen ze taalles. Daarbij is er een onderscheid tussen reguliere poetshulpen en dienstenchequewerknemers: wijkwerking en opleidingen verschillen voor beide groepen.”

Jullie hebben vijf mensen in een DSP-traject. Vlot te vinden tussen het grote aantal Brusselse werkzoekenden? “Er komen goede kandidaten uit de bus dankzij Actiris en de Brusselse Werkwinkels. Potentieel zijn er genoeg DSP’ers. Natuurlijk moeten die geschikt zijn voor ‘ons’ soort werk. We proberen nu de instroom te spreiden zodat niet meerdere mensen tegelijk vertrekken. Ook voor de begeleiding is dat beter.”

Zie je een evolutie sinds de start van het traject? Leggen jullie nieuwe accenten? “Er zijn meer mensen met een andere culturele achtergrond. Het matchen met de klant is moeilijker geworden. Ons Brusselse team DSP’ers verschilt in die zin niet zo sterk van de regulieren, van wie er zelf een aantal uit een DSP-project komt. In de Vlaamse Rand ligt dat anders.”

DSP’er kunnen vast in dienst komen

Waar komen de doelgroepmedewerkers later meestal terecht? “Ze worden verder begeleid of volgen een opleiding. Voor verzorgenden en poetshulpen zijn er maar een beperkt aantal plaatsen. Als DSP’er kom je na het traject niet noodzakelijk bij ons terecht, daar is de vraag niet groot genoeg voor. Dat geldt voor het reguliere team en - in iets mindere mate - voor de dienstencheques.” Maar is er een vacature en een DSP’er heeft een positief traject afgelegd, dan krijgt die zeker een kans om in dienst te komen.

Bricoteam is klusjesdienst én sociale motor INGRID VAN DEN MOOTER (BRICOTEAM)

N

aast Maison Biloba Huis is Bricoteam het andere project dat ontstond uit de Doelgerichte Interventie Planning in Schaarbeek. Bricoteam past woningen van ouderen aan, waardoor ze langer thuis kunnen blijven wonen.

Jullie Brusselse werking vormt een klein eilandje binnen een grote ‘Vlaamse’ organisatie… hoe houden jullie stand? “Brussel is complex én leerrijk. Wie hier leert rijden kan het ook in Parijs, zeggen we wel eens. Pragmatisch blijven is de boodschap. Gelukkig werken we steeds beter samen met organisaties als Tracé Brussel, Groep Intro of Huis van het Nederlands. Nemen we iemand in dienst, dan krijgen we meteen een telefoontje van het Huis van het Nederlands om hem of haar daar in te schrijven. Vroeger moesten we daar zelf voor bellen.”

Tracé Brussel, Groep Intro en Huis van het Nederlands zijn een echte hulp

“Handig zou wel zijn als mensen vooraf wat basisvaardigheden zouden verwerven: algemene kennis, omgaan met mensen, het openbaar vervoer nemen… vaak komen die opleidingen nu pas na het contract in beeld. Zelf gaan we onze begeleiding nog opvoeren en er komt coaching op de werkvloer. Klanten sensibiliseren om DSP’ers maximale kansen te geven, is wel hard nodig. Je mag geen onrealistische eisen stellen. Een rijbewijs helpt ook om aan de slag te kunnen in Vlaams Brabant. Voltijds met het openbaar vervoer valt in de praktijk moeilijk te regelen. Hoe meer opties, hoe meer mogelijkheden.”

30

Hun woonsituatie verbetert, de veiligheid in huis verhoogt. “Als je ouder wordt, is blijven wonen in je eigen buurt extra belangrijk”, zegt Ingrid Van den Mooter. “Bricoteam kon in 2009 starten omdat we van LDC Het Anker twee klusjesmannen in een betalende geco binnen aanvullende thuiszorg overnamen – ze moesten de werking van hun dienstencentrum terugschroeven. We werden erkend als sociale economieinitiatief met een subsidiëring van de VGC binnen het Stedenfondsprogramma. Tijdens drie Wijkcontracten raakten we in korte tijd flink vooruit. Dankzij de Wijkcontracten konden we twee medewerkers na hun artikel 60-tewerkstelling zelf aanwerven. Daar zijn mensen bij met heel wat kwaliteiten.”

Hoe verloopt een Bricoteaminterventie meestal ?

Chambéry-ploeg aan de slag.

31

“Klanten komen bij ons terecht via Wijkcontracten, flyers, doorverwijzers of mondtot-mondreclame. Er wordt een werkfiche opgesteld: leeftijd en inkomen, eindklant of bemiddelaar… na het probleem geanalyseerd te hebben, wordt er een planning opgesteld. Voor grotere projecten maken we eerst een offerte op. Dan volgt


| ge s prekk en | DE HARMONIE

de uitvoering, de werkfiche wordt afgetekend en de factuur opgesteld. De ploegbaas wordt daarbij altijd vergezeld door een medewerker in artikel 60, die zo leert om allerlei kleine herstellingen uit te voeren.”

een job omdat we selecteren op voortraject en EVC (elders verworven competenties). Evengoed gaan ze naar een opleiding, want na hun passage bij Bricoteam zijn het nog geen professionals. Weer werkloos worden komt ook voor. Vanaf 45, 50 jaar wordt een reguliere volof deeltijdse job vinden lastig.

 en uniform uitstroomprofiel E hebben we niet

Toch blijf ik geloven dat we mensen op weg kunnen helpen naar een voller leven. Bovendien bieden we een rustpunt voor allerlei administratieve en psychosociale moeilijkheden. Het Bricoteam is voor hen een supporter en verruimt hun netwerk. Nodig om vooruit te komen. We hadden een man met een zwaar oorlogsverleden van wie we dachten dat hij nooit een goede klusman zou worden. Na een jaar kwam hij ons stralend vertellen dat hij conciërge geworden was in een crèche. Wij hebben gewoon zijn goesting in een zinvolle dagbesteding weer aangewakkerd. Ook belangrijk om je te kunnen weren in deze samenleving.”

“Goed om allround te worden, maar ook om in te zien wat hij graag doet. Communicatief zijn als je bij iemand over de vloer komt, is ook nodig. Diplomatie en geduld hebben horen er bij. Na de klus bellen we om te horen of iedereen tevreden is. Maar daar blijft het niet bij. We hebben een stock en een wagenpark – we proberen iedereen een rijbewijs te laten behalen. Daar kun je niet zonder als arbeider. Onze tewerkgestelden volgen ook bouw- en productopleidingen bij bedrijven, zoals bij verfleveranciers.

Zijn er ook vrouwen aan de slag in de klusploeg?

Lijkt veeleisend voor deze doelgroep. Is het niet veel gevraagd? “Klanten op een goedkope manier kwaliteitsvol leren bedienen, is het doel”, zegt Ingrid Van den Mooter. “Die creativiteit gebruiken ze thuis ook. We hadden ooit een hele goede schilder: die is professioneel verder gegaan. Anderen blijven allround werken. Er zijn er ook die het niét kunnen. Bijvoorbeeld elektriciteit is complex. Er is geen uniform uitstroomprofiel, maar de meesten gaan richting loodgieterij en binnenhuisafwerking. 50 procent vindt

“Wel, we hadden ooit een Poolse kandidate, maar haar man zag het niet zitten”, zegt Ingrid Van den Mooter. “Daarom zouden we meteen twee of meer vrouwen aan boord willen halen, dan zijn ze niet de enigen. Onze klusmannen staan er zeker voor open. In het kader van de Wijkcontracten hebben we ‘klussen op hakken’ gelanceerd. Er zijn toen wat vooroordelen gesneuveld bij de mannen, maar het leidde niet tot vrouwen in de ploeg. Op termijn willen we de dienstverlening uitbreiden naar een opruimdienst. Ook gendertypisch, maar misschien een andere manier om vrouwen op werven te krijgen. Nu ja: in andere projecten zie ik helaas ook niet veel klussende dames.”

Van de oorlog naar de crèche, mooi toch?

32

Pardon, service!

Ruim baan voor professionele keukenervaring. Lokaal dienstencentrum De Harmonie bezorgt ouderen en zorgbehoevenden in de Noordwijk langer en kwaliteitsvoller zelfstandig woonplezier. Hun isolement doorbreken en zorgen dat ze (opnieuw) sociale contacten kunnen opbouwen met buurtbewoners, hoort daar ook bij. Een kleinschalig tewerkstellingsproject laat mensen werkervaring opdoen in de keuken van het dienstencentrum. “Een portret: een vrouw van 41 uit een gezin van erkende vluchtelingen met drie kinderen. Onderwijzeres in haar thuisland. Moeizaam Nederlands, Frans iets vlotter. Taarten bakken voor vrienden en familie als hobby, geen professionele keukenervaring. Als art. 60’er begon ze meteen aan Nederlandse les, het laatste half jaar volgde ze kookles bij

CVO COOVI. Nu is ze vast in dienst als keukenhulp in een rusthuis – én gelukkig.” “Een grote hulp: de evaluatie­ procedure die we met (het Brus­sels Samenwerkingsverband Sociale Horeca) Maïzenne opstelden: werkervaringsplan, evaluatie, zelfevaluatie… een nuttig houvast. Onze mensen worden begeleid door

ongediplomeerde koks die zélf bijscholing krijgen op de werkvloer van JES, via kooklessen bij CVO COOVI… een doelgroepwerknemer kan óók leiding geven.” “Steun binnen én buiten de sector is belangrijk: we hopen dat we nog lang met

Maïzenne kunnen samenwerken. Een kleinschalig werkervaringsproject als De Harmonie vult concrete behoeften in een buurt in. Onze kleine groep kun je nauw opvolgen, hun problemen flexibel aanpakken.”

DE KETJES

Mix met veel vitamientjes Kinderdagverblijf De Ketjes is er voor 0- tot 3-jarigen. De Ketjes heeft een werker­varings­project waarbij werkzoekenden werkervaring kunnen opdoen. Ze krijgen leerkansen op de werkplek, begeleiding en opleiding. “Het DSP-project biedt onze organisatie een bijzondere meerwaarde. Voor de begeleiding gebruiken we aangepaste methodieken uit onze eigen werking: een goede basis voor onze tewerkstellingsactiviteiten, het persoonlijke ontwikkelingsplan, de omgang met de kinderen,

ouders, team, organisatiewereld en tijdens de opvolgings- en functioneringsgesprekken.” “Via De Ketjes bieden we Brusselaars een nuttige dienst, maar ook tewerkstelling. We hopen dat Brussel competente medewerkers niet hoeft af te schrikken als werkplek. Kwaliteitsvolle kinderopvang creëert mee de toekomst, door kinderen met verschillende achtergronden sa­­men te laten ontdekken dat diversiteit anders maar niet minder is. Voor de ouders is het ook een eye-opener. Kinderopvang tussen 0 en 3 jaar is net zo belangrijk als de kleuterschool.

33

Daar mag best wat meer aandacht voor onze werkomstandigheden en verloning tegenover staan.”


|ge sp rekken|

Wie komt in aanmerking voor een IT-traject? Daar lijk je toch wat bagage voor nodig te hebben… “Een beetje IT-voorkennis is wel nodig, anders kom je er niet”, zegt Ludo Cattoor. “Wie start, heeft ooit wel een opleiding gevolgd of zelf praktijkervaring opgedaan. Een diploma is niet nodig. Vaak is de kennis die ze in hun land hebben opgedaan voorbijgestreefd of extreem basic, maar weten ze wél wat IT is. Op die basis kunnen we verder bouwen. Met wie instapt als artikel 60 of DSP bepalen we samen vooraf hoe lang de opleiding in het traject moet zijn. Voor sommige DSP’ers heb je meer dan twee jaar nodig. Tijdens hun eerste weken krijgen we daar inzicht in. Daarna volgen onze – intensieve – opleidingen tijdens de tewerkstelling in ons project. Tijdens interventies bij klanten worden ze vergezeld door een buddy.”

I

NOPTEC+ heeft een groot voordeel”, zegt directeur van INOPTEC + Ludo Cattoor. “We werken in de marge van een instelling voor beroepsopleidingen informatica. Is iemand zwak in netwerken, servers, switches of besturingssystemen, dan kunnen we daar op maat aandacht aan besteden.” Werk (kunnen) vinden in de privé is altijd het einddoel.

Vooral door leer vermogen kom je vooruit

kort voorgesteld: INOPTEC+

Inoptec levert allround IT-support aan vooral Brusselse organisaties: aan- en verkoop van IT materiaal, hardware-assemblage, installeren van netwerken, programma’s installeren en configureren. Klanten zijn bijvoorbeeld twee scholen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en organisaties in de sociaal-culturele sector. Privébedrijven zijn ook welkom als klant.

Operationeel verantwoordelijke Erwin Schroons vult aan: “Eerst is er een gesprek bij het OCMW, maar daar wordt enkel iemands motivatie duidelijk. Daarna komt een kandidaat hierheen voor de sollicitatie. Klopt het cv? Matcht het met ‘onze’ werkelijkheid? Daarna volgt een praktische computertest om te zien hoe ze een eenvoudig probleem aanpakken. Een niveautest, geen ingangsexamen. Leervermogen is in IT nog belangrijker dan elders. Het lijkt wel eens of wij de ‘beste’ langdurige werkzoekenden zouden ‘inpikken’, maar horeca, bouw of schilderen vergt niet de snelheid waarmee je moet bijleren in IT. Zelfs als je maar tot je vijftiende naar school bent geweest, kun je het ver brengen met leervermogen en motivatie. De meesten zijn enorm gemotiveerd. Dit gaat niet over domme of luie mensen. Ze willen deelnemen aan deze samenleving.”

 e meesten zijn supergemotiveerd. D Dit gaat niet over domme of luie mensen. Ken je te weinig Nederlands, dan moet je naar de les. Maar wat is ‘taal’?

LUDO CATTOOR EN ERWIN SCHROONS (INOPTEC+)

34

I T biedt je een hele waaier verrassende toegankelijke jobs.

“In het Nederlands met een klant kunnen communiceren over probleem en oplossing”, zegt Ludo Cattoor beslist. “Engels is geen oplossing. Onze klanten zijn meestal Nederlandstalig, net als het cursusmateriaal. Velen zoeken werk in eigen regio, en vaak is dat Vlaanderen. Typisch is dat ze op een IT-afdeling in een privébedrijf terecht komen. Werk vinden is niet altijd eenvoudig door het klassieke gat in het cv, door periodes zonder job. IT-bedrijven zien liever bachelors en masters komen. Ze zijn niet altijd overtuigd dat je met leervermogen en motivatie een hoog niveau kan bereiken. Wij moeten dubbel zoveel inspanning leveren als een gewone sollicitant, net als vrouwen met een hoofddoek. Maar gelukkig biedt de IT-sector heel wat verrassende én toegankelijke jobs.”

35


| g e s prek k en|

|ge sp rekken|

ELMER

50 doelgroepwerknemers gekwalificeerd voor de kinderzorg Hoe vergroot je welzijn, maatschappelijke kansen en participatie van gezinnen en kinderen? Bijvoorbeeld door buurtdiensten te organiseren met Nederlandstalige, laagdrempelige kinderopvang. Opleiding en tewerkstelling van medewerkers uit kansengroepen maakt er integraal deel van uit. Elmer begeleidde al meer dan 50 medewerkers naar een kwalificatie in de kinderzorg. De overgrote meerderheid vond een duurzame job in de kinderopvang of een aanverwante activiteit. Elmer zorgt dus voor doorstroom naar duurzame jobs binnen de eigen sector.

Doelgroep­medewerkers de beste kansen bieden FAMILIEHULP Elmer begeleidde al meer dan 50 medewerkers naar een kwalificatie in de kinderzorg.

“Coachen en begeleiden tijdens de opleiding staat centraal. Bij de aftrap zijn onze medewerkers laaggeschoold en langdurig werkloos, wanneer ze afstuderen zijn het gemotiveerde, gevormde medewerkers voor de kinderopvang.” “Voldoende soepele arbeidscontracten die omkadering en coaching mogelijk maken: dat is wat we willen voor de sociale economie in Brussel.”

JES

Wie je bent is zo belangrijk als wat je kan JES is een stadslabo voor kinderen en jongeren in Antwerpen, Brussel en Gent. Twee voorbeelden van de werking: de achttienjarige David groeide er via de oriëntatie bouw uit tot een volwaardige ploegbaas van een team met jongeren in een brugproject, artikel 60’ers en DSP’ers. Amadou, uit de opleiding horeca, werkte in de poetsploeg maar had meteen belangstelling voor het jeugdwerk. Na een animatorcursus werkt hij nu mee aan de jeugdactiviteiten.

36

“JES neemt de tijd voor zijn mensen en gaat zo breed mogelijk in zijn werking. Daar mogen we best trots op zijn. Persoonlijke ontwikkeling staat voorop. Eerst komen onze doelgroepwerknemers in een oriëntatie of een vooropleiding terecht. Dikwijls ook waar we zelf rekruteren. Vervolgens laten we niét hun technische competenties doorwegen, wel hun werkritme en andere attitudes die werkgevers belangrijk vinden. We laten hen vooral andere dingen ontdekken dan de taak waarvoor ze worden aangeworven. Onze wens? Nog sterker kunnen inzetten op de algemene ontwikkeling van jongeren, want daardoor wordt die des te duurzamer. Sociale economie draagt bij tot iemands algemene ontwikkeling. Het hoeft allemaal echt niet enkel gefocust te zijn op ‘een job’.”

Huishoudelijke taken bij zorg­behoe­ vende cliënten thuis: poetsen en beperkte huishoudelijke taken zoals klein verstelwerk, was en strijk en zelfs beperkte psychosociale ondersteuning.” Tot zover de functie–beschrijving. DSPcoördinatoren Renske Tondeur en Veerle De Vylder lichten toe.

Renske: “DSP’ers werden aanvankelijk ingeschakeld met onze vaste medewerkers, maar hun arbeidsattitude en poetstechnieken volstonden niet om solo in de thuiszorg te werken. Dat klanten de volle prijs betaalden voor hun diensten, was bovendien niet erg correct. De sectorverantwoordelijken kregen klachten. Daarom kwam er een DSP-werking met twee coördinatoren.” Veerle: “Sindsdien hebben we inlooptrajecten bij dienstencentra, woon-en zorgcentra en dagcentra, ‘laboratoria’ waar ze nog fouten mogen maken en we kunnen coachen op de werkvloer. Bij cliënten thuis ligt dat moeilijker.” Renske: “Aan het eind van hun traject mogen ze al eens bij cliënten gaan poetsen om te wennen aan het werkritme. Anders zou het net voelen als een nieuwe job wanneer ze vast in dienst komen. Idealiter staat het eerste jaar in het teken van opleiding en begeleiding, het tweede jaar is een stage bij de sectorverantwoordelijke bij een reguliere cliënt. Maar dat hebben we nog niet kunnen toepassen.”

Waar komen de meesten terecht en selecteren jullie in functie daarvan bij het begin van het werkervaringstraject? Renske: “Poetsdienst en woonzorgcentra. Sommigen volgen tijdens hun DSP-traject de

37


| ge s prekk en | opleiding tot polyvalent verzorgende. Dan kunnen ze ook terecht bij Familiehulp of bij Woonzorgcentra. Eigenlijk blijft iedereen wel binnen de (ouderen)zorgsector.” Veerle: “Wie start, heeft al een idee over de job en is gemotiveerd. Daarom raakt 70 procent aan de slag. Het streefcijfer van de Vlaamse Gemeenschapscommissie halen we doorgaans. Soms worden mensen ontslagen tijdens hun traject of stappen ze zelf uit.”

O  nze doelgroep­ medewerkers mogen tijdens hun werkuren vier halve dagen Nederlandse les volgen.

De oppasdienst in Brussel hebben jullie er ook bij genomen. Is dat dan geen moeilijke context om mensen te coachen? Renske: “Het is belangrijk dat onze doelgroep een bredere kijk krijgt op de zorgsector. Concreet houden ze mensen thuis gezelschap. Daarmee oefenen ze hun sociale vaardigheden. De oppasdienst werkt enkel met DSP-medewerkers. In de Rand hebben we ook een oppasdiens. We laten niet iedereen oppasdienst doen, want er zijn grote verschillen in arbeidsattitude. Het profiel van de aanvragers telt mee: zwaar hulpbehoevenden komen niet in aanmerking. De oppasdienst maakt deel uit van de combinatie poetsen en opleiding.”

Werkervaring is ook opleiding. Wat biedt Familiehulp de DSPcontractuelen op dat vlak? Renske: “Vier halve dagen Nederlandse les volgen tijdens hun werkuren hoort bij het pakket. Daarnaast is er de competentieversterking. Poetsopleiding en de Intro Zorg-opleiding volgen ze allemaal via een samenwerking met Groep Intro, Tracé Brussel en CBE Brusselleer. Daarnaast zijn er ad hoc vormingen georganiseerd door de werkbegeleider van Familiehulp. Bijvoorbeeld om kennis over onderhoudsproducten te verfijnen.”

MANUS: Handen uit de mouwen Is het echt een opstap naar kwalificerende opleidingen? Tewerkstelling in de zorg vereist een attest of een diploma. Na twee jaar is hun arbeidsmarktpositie niet echt versterkt. Renske: “We moeten rekening houden met de doelgroep. Instapniveau Nederlands 1.1 is een basisvereiste, want de cursussen starten vanaf dat niveau. Om een kwalificerende opleiding te volgen, is er een hoger niveau nodig: voor de opleiding tot polyvalent verzorgende minstens 2.3. Die kloof is te groot. Voor wie een voldoende basis Nederlands heeft, schakelen we Groep Intro in voor een vooropleiding Zorg. Daarmee verhogen ze hun slaagkansen voor de opleiding. Dan pas starten ze met de opleiding polyvalent verzorgende. Maar een niveau Nederlands 2 als basisniveau, dat blijven uitzonderingen.” Veerle: “Onze medewerkers zijn vaak alleenstaande moeders. De stap zetten naar een job is vaak al een enorme stap. ’s Avonds bijstuderen, spreekt niet vanzelf. De opleiding bij Solidariteit voor het Gezin is op taalvlak iets toegankelijker. Een DSP-medewerkster van Familiehulp volgt daar nu de opleiding polyvalent verzorgende. We willen onze medewerkers de beste kansen bieden, dus staan we daar voor open.”

Welke knelpunten zouden jullie graag aangepakt zien? “De motivatie daalt en het taalniveau gaat achteruit. De administratieve voorwaarden voor een DSP-contract vormen ook een belemmering. Om tegemoet te komen aan de grote vraag, zou starten in een parttime contract en opbouwen naar voltijds een oplossing kunnen zijn. Onze 10 DSP-contracten vullen we vaak niet vlot in: vooral mannen haken snel af. We missen de ondersteuning van Actiris op het vlak van toeleiding, opvolging en omkadering. We moeten elk jaar een evaluatie indienen bij VGC om aan te tonen of we de cijfers behaald hebben. Maar cijfers zeggen niet alles: het gaat tenslotte om mensen.”

38

De roots van Manus liggen in Antwerpen, waar de eerste stappen al in 1998 werden gezet. In 2009 volgde Mechelen, Manus Brussel startte in 2010. Sinds dit jaar is Manus ook actief in Gent en Turnhout. Het maakt van Manus een betrouwbare partner met meer dan vijftien jaar praktijkervaring – én een gedreven doorstroombedrijf met als credo: “Meer dan handen!” “Manus staat voor schoonmaak, groen en renovatie, maar iedereen die een extra paar handen nodig heeft mag op ons rekenen. Kwaliteit en duurzaamheid gaan hand in hand met sociaal ondernemen. We investeren volop in professionele en persoonlijke ontwikkeling. Een job bij Manus betekent voor onze arbeiders een start naar een nieuwe carrière. Laaggeschoolde, langdurig werkzoekenden worden eerst geactiveerd om vervolgens na een individueel begeleidingstraject - op korte of middellange termijn door te stromen naar een regulier bedrijf. Trots, vrolijk, ondernemend en goed georganiseerd: zo creëren we slaagkansen. Via positieve energie op alle niveaus van de organisatie, een arsenaal aan tools én duurzame partnerschappen realiseren we doorstroom voor wie een beschermde arbeidsomgeving niet langer een noodzaak is.”

DE PIANOFABRIEK

Fairtradeproducten uit Marokko De Pianofabriek is een gemeenschapscentrum met een bovenlokale interculturele werking, een opleidings- en tewerkstellingscentrum en een kunstenwerkplaats. Vijf medewerkers uit kansengroepen worden via tewerkstelling in het project Femimain begeleid naar betere kansen op de arbeidsmarkt. Femimain staat voor een eigen collectie fairtradeproducten geproduceerd door Marokkaanse vrouwencoöperaties. De collectie wordt in Brussel verkocht door de doelgroepmedewerkers.

“Dankzij Femimain zetten vrouwen in Marokko hun eerste stappen als ondernemer, met meer onafhankelijkheid, zelfbewustzijn en sociale mobiliteit als resultaat. De samenwerking is gebaseerd op gelijkheid en wederzijds begrip. Het sociale economieproject in Brussel versterkt de vaardigheden van onze gemotiveerde Femimain-ambassadeurs.”

Femimain staat voor een eigen collectie fairtradeproducten geproduceerd door Marokkaanse vrouwen coöperaties.

DE WELVAARTKAPOEN

Molenbeeks lichtbaken Het lokaal dienstencentrum van deze Molenbeekse vzw is de oudste deelwerking, maar de vzw Welvaartkapoen omvat ook een sociaal restaurant, een vervoerdienst, een naaiatelier en buitenschoolse opvang. De Welvaartkapoen helpt senioren, kansarmen en personen met een handicap om zo lang, comfortabel en zelfstandig mogelijk in hun vertrouwde omgeving te kunnen blijven wonen.

39

“Werknemers die niet op de reguliere arbeidsmarkt terechtkunnen, krijgen de kans om bij ons opleidingen te volgen en werkervaring op te doen. De Welvaartkapoen verwezenlijkt de doelstellingen door verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact te brengen en door samen te werken met andere organisaties in de buurt. Gelijkwaardigheid en respect voor de diversiteit in de samenleving zijn de belangrijkste waarden.”


| ge s prekk en |

Goede grond moet je blijven verrijken OCMW, senioren… een divers publiek dat dingen kon aanbrengen. Wonen voor ouderen, het financiële aspect van ouder worden, administratieve vereenvoudiging… Uit die DIP (Doelgerichte Interventie Planning) ontstonden twee initiatieven: Maison Biloba Huis en Bricoteam. Maison Biloba Huis is een alternatief woonzorg­ project voor ouderen van diverse origine. Het eerste model in Brussel waar alle overheden met woonzorgverantwoordelijkheden hun verantwoordelijkheid opgenomen hebben! Investeren in sociaal ontwikkelingswerk loont dus toch nog.”

LINDA STRUELENS EN INGRID VAN DEN MOOTER (EVA VZW)

S

ociale projectontwikkelaar EVA stampte een hoop projecten uit de grond die uitgroeiden tot succesvolle plaatselijke initiatieven. Bricoteam, de klusjesdienst die vooral aan de slag gaat bij vaak vereenzaamde ouderen, is er één van, maar er is ook het Maison Biloba Huis. Linda Struelens (Coördinator) licht toe waarom verzelfstandigende spin-offs creëren de moeite loont – en waarom het steeds lastiger wordt.

Méér initiatieven is absoluut een verdienste van het Brusselse sociale economiebeleid. “Maar veel organisaties bestonden al vóór 2004”, zegt Linda Struelens. “En die herinneren zich de toenmalige tewerkstellingsmiddelen nog. Allemaal opgedroogd nu. Nieuwe initiatieven ontwikkelen is stukken moeilijker geworden. Toen in 2007 Elmer, Aksent of De Buiteling verzelfstandigden, Elan opging in vzw Eat en Tewerkstelling Kureghem in MAKS vzw, is EVA blijven doorgaan als ontwikkelingsmotor. Een juiste keuze, want al die verzelfstandigde projecten zijn nu toonaangevend in hun sector. Voor EVA luidde het een nieuwe periode in. Het gebrek aan tewerkstellingsmaatregelen liet zich voelen. Kijk maar naar Bricoteam: daar is geen doorstromingsprogramma of bijhorende omkaderingsgeco. We werken met mensen in artikel 60, voor de omkadering zijn we aangewezen op PIOW-middelen.”

Biloba heeft geen PIOWerkenning. Is er een luik sociale economie?

I nvesteren in sociaal ontwikkelingswerk loont nog altijd.

“Bij Biloba zijn er artikel 60’ers aan de slag, maar het is inderdaad geen PIOW. De medewerkers in artikel 60 worden ingeschakeld bij het onthaal, de activiteiten en het onderhoud van de lokalen. Er zijn 15 sociale appartementen. Daarnaast wordt er een solidaire leefomgeving gecreëerd. Biloba heeft wel een erkenning als onthaalcentrum voor senioren, als eerste vanuit de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Vergelijk het met een lokaal dienstencentrum met vrijwilligers en mantelzorgers.” Of hoe sociale economie-initiatieven heel verschillende vormen aannemen, maar vooral veel gelijkenissen vertonen.

Wat blijft er dan nog wel mogelijk op het vlak van ontwikkeling en tewerkstelling? “Vertrekken vanuit concrete noden”, valt Ingrid Van den Mooter in. “En bedenken welke kwaliteitsvolle dienstverlening je daaraan kunt koppelen, en hoe mensen in Brussel die moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt erin aan de slag kunnen. De diversiteit in Brussel is onze drijfveer om nieuwe initiatieven te blijven ontwikkelen. Sinds 2007 zijn we eigenlijk weer van vooraf aan begonnen. Ouderenzorg was de nieuwe insteek. De noden groeien, veel mensen vallen uit de boot. Mensen van diverse origine herkennen zich moeilijk in de manier waarop zorg in onze samenleving georganiseerd is.” “In de Brabantwijk hebben we dan een tachtigtal mensen samengebracht om over nieuwe EVA-initiatieven na te denken. Verpleegkundigen, handelaren, senioren, mantelzorgers, stadswachters,

40

41


|deb at |

“Doe wat je moet doen

ook al is er geen markt voor”

O

pdracht nummer één: breng jullie eigen realisaties en troeven naar voren. Het leidde tot een staalkaart van verwezenlijkingen sinds het van kracht worden van de eerste ordonnantie over de sociale economie in 2004. Tot een heen en weer beamen en weerleggen van wat er gerealiseerd moet worden om sociale economie nog méér te maken tot een hefboom voor sociale verandering, tewerkstelling, opleiding en integratie. Ne verloop van tijd werd duidelijk tijdens het gesprek dat de precieze definitie van ‘doorstromen’ het hete hangijzer is. Elk onderwerp dat aangesneden werd, leidde onvermijdelijk weer naar de vraag wat een inschakelingseconomie moet zijn. Hoe smal of breed die geïnterpreteerd mag worden. Of opleiding, Nederlands leren en je maatschappelijke beter in je vel voelen, ook meetellen. Wat moet ‘doorstromen’ nu juist betekenen? Het is dé hamvraag voor een effectief en inclusief sociaal economiebeleid.

Debat HOE VEELZIJDIG IS DE BRUSSELSE SOCIALE ECONOMIE? WELKE ZIJN DE REALISATIES, MOGELIJKHEDEN, ROLLEN, UITDAGINGEN EN HOE ZIET DE TOEKOMST ERUIT? OP 27 APRIL 2016 GING EEN RONDETAFELGESPREK DOOR MET ACTOREN UIT HET BRUSSELSE VELD, ONDER LEIDING VAN VOORMALIG DE STANDAARDJOURNALIST GUY TEGENBOS, VAN 20002006 VOORZITTER VAN HET VLAAMS OVERLEGPLATFORM VOOR DE SOCIALE ECONOMIE EN MEERWAARDENECONOMIE (VOSEC).

DEELNEMERS RONDETAFELGESPREK: • Ingrid Pecquet (Directeur Recyclart) • Michel De Meûter (Directeur Manus Brussel) •P  ieter Dehon (Directeur Casablanco/Casanovo) •W  im Embrechts (Managing & Creative Director ART2WORK ) • T om Dedeurwaerder (Coördinator Atelier Groot Eiland) •P  eter Michiels (Directeur-Generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid)

• L udo Struyven (Hoofd Onderzoeksgroep Arbeidsmarkt HIVA – KU Leuven)

• Guy Tegenbos (Moderator)

Wat hebben jullie tot stand kunnen brengen sinds 2004? “Nog te weinig. In 2011 gingen dankzij Manus vijf mensen aan de slag in het reguliere circuit, in 2015 zes. Dit jaar mikken we op een dertigtal mensen. Arbeiders die het naar hun zin hebben in een tewerkstellings­ traject, motiveer je niet zo meteen om in de privé aan de slag te gaan – ook al is er een perfecte match met functie en bedrijf. Manus is ontstaan vanuit de Buurtwerking in Berchem Antwerpen en was oorspronkelijk helemaal niet zo doorstroomgericht. We hebben op dat vlak een omslag moeten maken. Daarom zijn we vorig jaar begonnen met Manus Services. Op locatie wordt een werkplaats gecreëerd

MICHEL DE MEÛTER:

42

voor telkens vijf mensen. Manus zorgt ter plaatse voor begeleiding. Dat werkt, want zo leert een potentiële werkgever onze arbeiders al kennen. De afspraak is dat drie mensen er sowieso aan de slag mogen.”

METEN IS WETEN. ZO KUN JE JUISTE BESLISSINGEN NEMEN Michel De Meûter

“Een bewuste keuze voor betere doorstroomcijfers op basis van echte contracten. Tegelijk gooi je je mensen niet voor de leeuwen en bespaar je hen de moeite

43

om zelf te moeten solliciteren. Dit jaar zijn we ook gestart met een doorstroommatrix. Hoe iemand evolueert binnen je organisatie, is moeilijk in beeld te brengen. We maken een momentopname van iemands capaciteiten tijdens de intake. Daarna wordt er geëvalueerd op basis van 15 punten. Een groot aantal scores maakt exacte conclusies mogelijk. Iemand is doorstroomklaar op basis van een totaalscore van bijvoorbeeld 80 procent. Pas dan matchen we met bedrijven. Dat kan dan heel snel. Doel bereikt: weer iemand begeleid naar een duurzame baan. Meten is weten. Zo kun je juiste beslissingen nemen.”


|deb at | WIM EMBRECHTS: “ART2WORK ontstond in 2007 specifiek om op doorstroming te gaan werken. Ik vond dat dat binnen de sociale economie te weinig gebeurde, maar we merkten dat die focus op doorstromen verlammend begon te werken en zelfs contraproductief was. Doorstromen - of niet - hangt heel sterk af van de arbeidsmarkt. Daarom begonnen we de nadruk te leggen op persoonlijk leiderschap. Vertrekt er iemand bij ons om een jaar lang de wereld te gaan ontdekken, dan vind ik dat fantastisch. Durf mensen de ruimte te geven. Dat geldt ook voor je studiekeuze. Doe wat je moet doen, ook al is er geen ‘markt’ voor. Sociale economie is een instrument om dat te bereiken. De culturele sector is een ‘klant’ voor de jongeren van ART2WORK, maar daarom verwachten we niet dat ze buitengaan als theatertechnicus.”

DOE WAT JE MOET DOEN, OOK AL IS ER GEEN MARKT VOOR Wim Embrechts

Bij ART2WORK zetten we in op sociale economie als een instrument, een middel om te mensen stimuleren om weer de teugels in handen nemen. Mét een rugzak waarmee ze verder kunnen en zich daarbij ook nuttig voelen. Werk is een basisvoorwaarde om mensen deel uit te laten maken van de maatschappij. Want wat zijn ‘goede doorstromingscijfers’ eigenlijk? Wat de administratie wil zien? Moet je meten na een dag, een jaar, drie jaar? Is doorstroom objectief kwantificeerbaar of is het een subjectief evaluatiemechanisme met een verhaal over iemands traject en achtergrond? Zegt een cijfer iets over iemand die dankzij ons openbloeide? Objectiveren werkt beperkend. Waarbij ik niét zeg dat we geen verantwoording moeten afleggen over de publieke middelen die we gebruiken.”

“In 15 jaar is Casablanco van 10 naar 70 mensen gegroeid, ondanks het feit dat we autonoom gebleven zijn: wij zijn niet gegroeid uit een OCMW en we hebben een gediversifieerde raad van bestuur en financiering. Met onze coöperatie Casanovo erbij denk ik dat we nu echt voorlopers zijn. Kijk: sociale inschakelingseconomie verhoudt zich tot coöperatieve economie als noodhulp tot ontwikkelingssamenwerking. Voorbij de acute hulpfase zijn structurele of duurzame oplossingen nodig. We werken in een context van continue sociale verandering, een groeiend precariaat, tewerkstelling die niet langer een doel is, maar louter een effect. Sociale economie gaat op zoek naar het antwoord hoe je binnen dat klassieke sociale vraagstuk tewerkstelling creëert.”

PIETER DEHON:

SOCIALE INSCHAKELINSECONOMIE VERHOUDT ZICH TOT COÖPERATIEVE ECONOMIE ALS NOODHULP TOT ONTWIKKELINGSSAMENWERKING TOM DEDEURWAERDER: “Onze doelgroep is iedereen die wil werken. We stellen relatief weinig beperkingen in omdat we uitgaan van een positief mensbeeld. Ik ben het eens met collega Wim Embrechts: werk is meer dan inkomen. Het is vooral isolement doorbreken, zelfvertrouwen en eigenwaarde creëren. Belangrijk voor Brussel, met zijn 1 op 5 mensen met psychosociale problemen en 1 op 3 in armoede. Atelier Groot Eiland pakt het breed aan. Enerzijds zijn we een doorstroomatelier. Iemand die het goed doet, proberen we met een jobcoach naar de reguliere arbeidsmarkt toe te leiden. In onze trajecten heb je sterkere – bijvoorbeeld technisch geschoolde – en minder sterke profielen. Na een maand of twee zien onze instructeurs dat iemand een goede schrijnwerker wordt, of eerder bagagesorteerder voor de luchthaven. In onze werking kan sociale economie ook een eindstation zijn. In Vlaanderen kan dat in een sociale werkplaats (in Brussel niet, nvdr), maar ook wij proberen iedereen een vorm van tewerkstelling aan te bieden. Ons luik ondernemerschap willen we

44

verder uitbouwen om tewerkstelling te creëren binnen onze eigen werking. Essentieel in onze werking is trajectbegeleiding. Onze mensen leren technische vaardigheden en attitudes. Daarbij willen we ieders bandbreedte respecteren én liefst ook vergroten. Trajectbegeleiding creëert de juiste randvoorwaarden. Kinder­ opvang organiseren is een mooi voorbeeld.”

Pieter Dehon

“Recyclart startte met Europees geld om een verwaarloosd stuk Brusselse binnenstad nieuw leven in te blazen. Nu hebben we een bloeiende atelierwerking. Recyclart maakt mooie dingen, creëert nieuwe ruimten. Onze niche is sterk. Wat we produceren, vormt tegelijk een kruisbestuiving die jonge mensen helpt om zich te ontwikkelen tot artiest of designer. Het tweejarige doorstroomprogramma biedt hen de tijd om open te bloeien en rustig te landen. Tijdens dit gesprek valt het me op dat persoonlijke ambities sterk de koers bepalen van een organisatie. Wel, zelf ben ik ook geëvolueerd van een louter omkaderende rol naar meer focus op wat we allemaal willen bereiken.” INGRID PECQUET:

“Hoe je vanuit een inclusieve filosofie kunt inzetten op duurzame tewerkstelling hangt niet af van wat je wil realiseren, maar van de context waarin je werkt. In 15 jaar is er ontzettend veel veranderd. Nu moeten we af van de beperkingen van een vzw. Tewerkstelling moeten we zelf realiseren binnen de sociale economie. Alleen kan ik me daarbij niet engageren voor een rechtstreekse, gestage doorstroom van Casablanco naar Casanovo. Het subsidievraagstuk of de ‘oneerlijke concurrentie’ die daaruit zou voortvloeien vind ik in dat opzicht niet relevant: bedrijven kunnen ook enkel mensen ontslaan zoals ze nu doen omdat er een sociaal vangnet bestaat.”

IN ONZE WERKING KAN SOCIALE ECONOMIE OOK EEN EINDSTATION ZIJN Tom Dedeurwaerder

ONS DOELPUBLIEK WORDT MONDIGER, DAT IS EEN UITDAGING Ingrid Pecquet

“Onze doorstroomresultaten? Wim haalde het net aan: wat is dat juist? Naar een andere opleiding, een andere sociale economieproject? Gaat het enkel over een volledig traject? Voor de beleids­ makers telt alleen de reguliere arbeidsmarkt. Dan gaat het bij ons over 50-60 procent doorstroom, wat wij zelf heel behoorlijk vinden. Het verschilt per sector. Voor horeca had je lang 90 procent tewerkstelling, bouw is dan weer problematischer.”

“Kritisch blijven vind ik nu even het belangrijkste. De laatste jaren is de impact van de superdiversiteit van de stad erg groot geworden. Ons doelpubliek is veranderd, mondiger geworden. In ons metaal-, hout, infrastructuurateliers en horecaproject lieten mensen zich drie jaar geleden leiden vanuit een hulpvraag. Nu maken jongeren meteen duidelijk waar ze naartoe willen. Het zorgt voor meer wisselwerking en maakt de organisatie interessanter, vind ik. Qua doorstroming? We halen 80 procent voor horeca. Bouw en metaal liggen moeilijker: rond de 50 procent. Naar opleiding leiden we weinig toe. Mensen komen soms wel terug als ze hun werk verliezen. Dat kan bij Recyclart.”

45


| deb at| Brussel heeft maar één vorm van sociale economie. Inschakeling in het reguliere arbeidscircuit is het hoofddoel. Ondertussen rijpen de geesten voor verandering – lees: permanente sociale tewerkstelling. Wat zijn daarbij de hete hangijzers en waar moeten de beleidsaccenten liggen?

PIETER DEHON “Staat sociale economie voor inzetten op trajectbegeleiding, begeleiding van werkzoekenden en opleiding, dan spreekt inschakeling vanzelf. Inzetten op productie is al evenzeer een optie. Die twee doelen moet je wel scheiden. Een doelgroepmedewerker mag geen goedkoop manusje-van-alles zijn. Tijdelijk gesubsidieerde, precaire arbeid wordt stilaan de norm als je juichberichten leest zoals ‘de sociale economie zit in de lift’. Wanneer je volop de kaart van productie en inkomsten wil trekken, dan kan dat niet als vzw’tje dat wil ondernemen én tegelijk subsidies wil vangen.”

“Wil je als vzw economische meerwaarde bieden, dan beland je in een spanningsveld. De beste mensen wil je immers graag houden. In dat geval wordt doorstroming eigenlijk een contradictie. Vanuit de kant van de organisatie krijg je mogelijk verwarring als je zo’n en-en verhaal wil aanhouden. Ik ben voorstander van vzw’s die inschakelen, opleiden en begeleiden als hoofddoel behouden. Het beleid moet tegelijk een ondernemersdynamiek creëren. Investeren in lokale diensten, maar ook breder, zodat laaggeschoolden er ook in terecht kunnen. In een compartiment voor projecten die dichter bij het reguliere economische circuit liggen.”

LUDO STRUYVEN:

“Het huidige Brusselse sociale economiebeleid maakt wel degelijk een verschil”, benadrukt PETER MICHIELS. “In 2005 waren er 27 erkende en gefinancierde projecten. In 2016 zijn dat er 107, samen goed voor 8,9 miljoen euro overheidssteun. Vergeleken met de andere gewesten is dat mooi. Toch is er een update nodig. In 2012 hebben we de boot gemist: toen was er even sprake van sociale werkplaatsen in Brussel, maar dat voorstel is gesneuveld. Daarom moeten we eerst de sector grondig in kaart brengen om tot betere monitoring, afstemming en bijsturing te komen. Wie zijn de doelpublieken? Wat is de definitie van doorstroming? De overheid en de belastingbetaler hebben recht op kwantificeerbare data, waarbij je natuurlijk ook kwalitatief moet finetunen.”

EERST DE SECTOR GRONDIG IN KAART BRENGEN Peter Michiels

“Meten is weten, maar het hangt ervan af hoe je dat doet. Hoe definieer je een doelgroepwerknemer of doorstroming? Hoe bepaal je subsidies? Wie krijgt toegang tot die duur gesubsidieerde plaatsen? De realiteit op de werkvloer moet de leidraad zijn voor politieke keuzes. Wat er geproduceerd wordt, is daarbij niét vrijblijvend. Bijdragen en creëren is een fundamentele menselijke behoefte. Het regelgevend kader moet daar rekening mee houden. Mijn advies is daarom om niet exclusief op doorstroming te blijven focussen. Ook permanente tewerkstelling moet mogelijk blijven. In Vlaanderen dreigt de slinger te ver door te slaan in de richting van doorstroming.”

LUDO STRUYVEN:

■ Innovatie, marktvraag en project­werking: de doos van pandora?

INSCHAKELEN, OPLEIDEN EN BEGELEIDEN BEHOUDEN ALS HOOFDDOEL Ludo Struyven

“Waarom zouden we alsmaar moeten innoveren?” PIETER DEHON

Net als in de reguliere economie moet de sociale economie mee met zijn tijd, vinden velen. Maar dan gooi je het kind misschien weg met het badwater, zegt Pieter Dehon: “De drang naar innovatie kan sociale economie zelfs banaliseren omdat er onduidelijkheid ontstaat. Adjectieven als ‘circulair’, ‘duurzaam’ of ‘innovatief’ doen vergeten waar het over gaat. Sociale economie hoeft niet per se innovatief te zijn.”

“Aan onze toegangscriteria hoeft wat mij betreft niet gesleuteld te worden. In Brussel zijn die relatief eenvoudig. En hoe dan ook: ik werk alleen met mensen die goesting hebben om de handen uit de mouwen te steken. De enige manier om resultaat te boeken. Ik voel me ook best verantwoordelijk voor alle werkingsmiddelen die we krijgen.” WIM EMBRECHTS:

AAN DE TOEGANGSCRITERIA HOEFT NIET GESLEUTELD TE WORDEN Wim Embrechts

46

47


| deb at| “Antwerpen en Gent hanteren al sociale clausules voor aanbestedingen. Dat moet ook in Brussel kunnen, op voorwaarde dat het dan echt gaat over doelgroepwerknemers die bij Actiris geregistreerd zijn als werkzoekende, waardoor je dankzij je gewonnen aanbesteding ook effectief de Brusselse werkloosheid mee aanpakt.”

LUDO STRUYVEN:

■ Nederlands in de Brusselse sociale economie

OOK IN BRUSSEL SOCIALE CLAUSULES VOOR AANBESTEDINGEN INVOEREN

TOM DEDEURWAERDER: “De beleidsinstanties moeten beter op elkaar afgestemd raken. Iedere maand moeten wij 16 types verlof­ fiches van onze artikel 60’ers doorgeven aan verschillende OCMW’s waar telkens anders wordt gewerkt. Werk is gewest-, onderwijs gemeenschapsmaterie. Die situatie maakt ons het leven moeilijk. Daarnaast willen we het beleid graag meegeven dat er steeds meer oproepen zijn voor ‘innovatieve’ tijdelijke projecten, maar laten we de structurele ondersteuning voor sociale economiebedrijven daarbij niet verwaarlozen.”

Ludo Struyven

Zelfs een basiskennis Nederlands biedt werknemers in de sociale economie meer kansen op werk, daar is bijna iedereen het over eens. Maar falend onderwijs en een groot aantal drop-outs leiden tot een nog grotere uitdaging: analfabetisme.

WIM EMBRECHTS: “Moeten

“Het aantal school­verlaters dat niet kan lezen, rijst de pan uit”

MICHEL DE MEÛTER: “Manus

wil de laatste stap zijn voor de reguliere economie. Wie niet ingeschakeld kan worden, moet je op een andere manier opvangen. Daarom denk ik wel dat een verfijning van de compartimentering zin kan hebben. Er zijn mensen bij Casablanco die naar ons kunnen doorstromen. Bij Manus worden ze verder begeleid. Daarna zijn ze klaar voor de arbeidsmarkt.”

MICHEL DE MEÛTER

“Bij Recyclart is de grootste groep anderstalig”, zegt Ingrid Pequet, “maar we bieden basiscursussen Nederlands aan. Net als leren lezen en schrijven. We bereiken diverse doelgroepen via de DSPdoorstromingscontracten omdat de diplomavereisten heel laag zijn. Maar dat voel je ook aan de taalbeheersing.” Wim Embrechts vult aan: “De meeste jobs bevinden zich in de Vlaamse Rand. Mijn mensen moeten vooral daar werk zoeken. Vooral om het ijs te breken bij het eerste contact is Nederlands belangrijk. Politiek is dat natuurlijk nog een ander paar mouwen.” Dat Nederlands essentieel is, beaamt Tom Dedeurwaerder: “80 procent van de werkzoekenden in Brussel is ééntalig, maar voor 46 procent van de vacatures is er een taalvereiste. In economie, IT of beheer is taalkennis belangrijk, in de bouw veel minder. Begin je bij ons in de horeca, dan ben je verplicht om taallessen te nemen. In de bouw niet. Daar is het belangrijker dat je een VCA-attest hebt, een rijbewijs…”. Er is een groter probleem, zegt Michel De Meûter: “Analfabetisme belemmert doorstromen pas echt, nog meer dan kennis van het Nederlands. Zelfs Belgische jongeren kunnen soms geen veiligheidsinstructies lezen. Jammer dat alfabetiseren ook tot onze opdracht hoort. Het aantal schoolverlaters dat niet kan lezen of schrijven, rijst de pan uit.” De overheid is zich bewust van het probleem. Peter Michiels: “Het probleem wordt nu wél erkend. Nog nooit werd in een Brussels Gewestelijk regeerakkoord zoveel verwezen naar bruggen leggen naar onderwijs en tussen gewest- naar gemeenschapsbevoegdheden.”

PIETER DEHON: “Hoe

ondersteun je sociale ondernemingen die geen vzw zijn? Jobkortingen zijn zeker een mogelijkheid. Hervorm de arbeidsmarkt en de economische realiteit. Met Casanovo willen we inzetten op openbare aanbestedingen met een tewerkstellingsplan. Zo geef je aan hoeveel effectieve tewerkstelling je kan realiseren op zo’n aanbesteding. Nu gaan publieke investeringen naar economische actoren die geen sociale return bieden.”

DOELGROEPEN FIJNER INDELEN OM NIEUWE PADEN TE KUNNEN BEWANDELEN Ingrid Pecquet INGRID PECQUET: “We maken zelf al een selectie tussen onze doelgroepen. Ik vind ook dat we naar prijsconcurrentie moeten in de sociale economie. Logisch, we leveren kwaliteit. Een fijnere compartimen­ tering laat je misschien toe om als organi­ satie andere paden te bewandelen zoals andere werkplekken en meer institutionele bewegingsvrijheid.”

48

“Het Maatwerk­decreet in Vlaanderen biedt zeker voor­ delen. Het rugzakprincipe leidt er ook toe dat discussie over oneerlijke concurrentie wat gaat liggen, zeker in de bouw­sector waar dat heel sterk leeft. Overigens counteren we die kritiek door te benadrukken dat we mensen opleiden, ook voor het reguliere bouwcircuit, en dat we producten afleveren met maatschappelijke meerwaarde zoals kwaliteitsmeubels uit afvalhout.” TOM DEDEURWAERDER:

we een betere regelgeving of naar meer financiële middelen voor de sociale economie? Ligt voor de hand: de huidige beleidssituatie motiveert mij helemaal niet om te innoveren. Zoek je naar nieuw en beter, dan krijg je geen steun. Van zodra je je erkenning hebt, mag je je plan trekken. En dat is goed - maar ook frustrerend.”

MICHEL DE MEÛTER: “Wij werken niét marktverstorend. Als we alle aanbestedingen zouden winnen, dan lag het anders. Ik vind dus ook niet dat er voor ons clausules moeten zijn op basis waarvan we niet kunnen deelnemen aan die aanbesteding.”

SUBSIDIES VORMEN TROUWENS MAAR EEN DEEL VAN ONZE FINANCIERING Ingrid Pecquet “Eigenlijk gaat dit verhaal over sociale clausules. Opleiding, stage, werk… allemaal criteria die kunnen doorwegen bij een aanbesteding. In ons lastenboek dienstencheques hebben we sociale clausules ingeschreven. Sodexo heeft zich ertoe verbonden om een doelgroepwerknemer die via Actiris geselecteerd werd aan te nemen. Zowel op lokaal als op gewestelijk niveau kun je zo dus ook aanbestedingen winnen.”

PETER MICHIELS:

49

EEN BETER BELEID ZORGT AUTOMATISCH VOOR MEER MIDDELEN. Ingrid Pecquet “Niet alles hoeft gesubsidieerd te worden. In Brussel krijgen 55.000 mensen een leefloon van het OCMW. Daarvan zou je twee derde kunnen inschakelen en naar een job toeleiden, maar van die 40.000 zijn er nog geen 4000 die in artikel 60 terechtkomen. Er moet dus niet meer geld naar organisaties als Manus gaan, wel naar activering. Armoedebestrijding is vooral zorgen dat mensen aan het werk raken. MICHEL DE MEÛTER:


| v is ie|

Dit nieuwe kader effent de weg naar een meer adequate financiering van de huidig erkende projecten als PIOW (Plaatselijke Initiatieven voor de Ontwikkeling van de Werkgelegenheid) en IO (Inschakelingsonderneming). Ondanks de aanzienlijke middelen die nu al worden ingezet, blijken deze ontoereikend te zijn om alle projecten structureel te financieren.

Tijd voor de sociale economie

Didier Gosuin (MINISTER VAN ECONOMIE EN TEWERKSTELLING)

D

Een nieuw wettelijk kader

e sector van de sociale economie is in volle ontwikkeling: nieuwe banen met een sociale meerwaarde, een economie met een ‘menselijker’ gelaat, een volwaardig alternatief in het normaal economisch circuit. Eind 2015 vertegenwoordigde deze sector in het Brussels hoofdstedelijk gewest 785 ondernemingen, goed voor 18.500 banen (cijfers ConcertES asbl). 84% van deze ondernemingen zijn VZW’s en 4% zijn coöperatieve vennootschappen met sociaal oogmerk. De activiteiten concentreren zich voornamelijk in Brussel-Stad, Sint-Gillis, Elsene en Schaarbeek.

Minister Didier Gosuin beseft maar al te goed het toenemend belang van deze sector als opkomend economisch model. Vandaar zijn steun aan sociale ondernemers en lokale ondernemingen. Met de Small Business Act, goedgekeurd op 30 juni 2016, werd een alternatief economisch model erkend dat tegemoetkomt aan de noden van het gewest en van een steeds toenemend aantal ondernemers en burgers. “Ik beschouw de ontwikkeling van Brusselse sociale ondernemingen als één van mijn prioriteiten. Vandaar dat een nieuw wettelijk kader weldra tot stand komt via de goedkeuring van een ordonnantie op de sociale economie in 2017. Ook de overgehevelde bevoegdheden – via de zesde staatshervorming – worden geïntegreerd in dit nieuw wettelijk kader”, aldus minister Gosuin.

50

Belangrijk is de sociale economie-ondernemers ertoe aanzetten verder te kijken dan enkel de socioprofessionele inschakeling van doelgroepwerknemers. De dynamiek van de sociale economie beoogt tevens de creatie van nieuwe banen en een lokaal verankerde toegevoegde waarde die inspeelt op de behoeften van Brusselaars. Een merendeel van promotoren in de sociale economie zet immers niet altijd in op sterke inschakelingsprogramma’s. Ook deze groep verdient ondersteuning.

Versterken van innoverende sociale ondernemingen Met een oproep voor innoverende projecten krijgt de sector de gelegenheid zich verder uit te bouwen met een grotere diversiteit aan ondernemers. De Brusselse regering bekrachtigde de keuze van de selectiecommissie op 29 september 2016 waarbij 14 projecten samen 500.000 € subsidies kregen, een bedrag dat bijdraagt tot de economische ontwikkeling van het Brussel gewest. Deze gefinancierde projecten van sociale verenigingen en ondernemingen beklemtonen een democratisch en participatief bestuur. Laureaten met talrijke en diverse ideeën waarvan enkele voorbeelden: Bees.coop met een webtoepassing voor een toekomstige coöperatieve supermarkt die de relatie met haar tientallen coöperanten beheert. Verder was er Casablanco met de ontwikkeling van een partnerschap voor de uitbouw een nieuw kader voor de sociale economie in Brussel. Kilti ondersteunt dan weer de groei van starters in de culturele sector. Maar er was ook Velofabrik, een coöperatieve vennootschap in hartje Brussel die polyvalente fietsen bouwt met voornamelijk (80%) onderdelen vervaardigd in Europa. Daarnaast Permafungi, een stedelijk landbouwproject op de site van Thurn en Taxis, beroemd voor zijn champignons die nu ook ernaar streeft om de teelt van witloof in de hoofdstad opnieuw aan te wakkeren. Bah voyons verdeelt geschenkmanden gevuld met lokale kunst- en cultuurproducten zoals CD’s, DVD’s, vinylplaten, concerttickets, boeken en tickets voor tentoonstellingen. Groupe One beoogt dan weer via zijn centrum rond hergebruik van grof afval de samenhang tussen lokale actoren in de sociale economie te versterken.

51

Eveneens het vermelden waard: het computerontwikkelingsproject EasyMyCoop, De Overmolen een studieproject voor beheer van vastgoed met sociaal oogmerk of Mag-Ximize, een partnerschap om middelen en diensten te delen van het Agentschap Alter, de ‘Revue Nouvelle’ en ‘Politique’, opiniërende en analyserende publicaties omtrent sociaal beleid.

De sociale economie, zegt u? De uitbouw van de sociale economie gaat gepaard met een betere toegang tot de Brusselse steunmaatregelen die Brusselse ondernemers kunnen aanvragen. Innoverende Brusselse starters moeten samen met de sociale ondernemingen één van de speerpunten worden van de hoofdstedelijke economie. Ze beschikken over een sterk economisch en sociaal potentieel. Maar minister Gosuin wil nog een stap verder gaan. “Niet enkel oog hebben voor omzet maar ondernemingen concreet ondersteunen in hun overgang van opstartende naar groeiende onderneming. Dit veronderstelt een verbetering van de economische context. Als we daarin slagen, volgt de meerwaarde die gepaard gaat met nieuwe banen.”. In deze dynamiek instappen verzekert de sociale ondernemingen een mooie toekomst. Kortom, een hoopvol signaal in een actuele sombere economische situatie met tal van herstructureringen en collectieve ontslagen. Sociale economie beantwoordt vaker aan lokale of regionale behoeften. De ‘nieuwe’ banen zijn meestal lokaal verankerd en toegankelijk voor kortgeschoolde Brusselaars. Deze dynamiek staat voor socio-professionele inschakeling van werkzoekenden en draagt bij tot een economische ontwikkeling waar vooral Brusselaars baat bij hebben.


| rubriek|

|analy se|

sociale economie in brussel :

SOCIAAL ONDERNEMERSCHAP EN SOCIALE INNOVATIE: HET ZIJN BEGRIPPEN DIE TOEKOMST EN VERBEELDING OPROEPEN, MAAR DAAROM NOG NIET ZOVEEL VERSCHILLEN VAN DE AL LANGER BESTAANDE BEGRIPPEN ‘SOCIALE ECONOMIE’, ‘LOKALE ONTWIKKELING’ EN ‘BUURTDIENSTEN’. LUDO STRUYVEN (HIVAKU LEUVEN & UNIVERSITÉ SAINT-LOUIS DE BRUXELLES) LICHT UITGEBREID DE BRUSSELSE CONTEXT TOE.

de cirkel van innovatie

Ludo Struyven (HIVA-KU LEUVEN & UNIVERSITÉ SAINT-LOUIS DE BRUXELLES)

G

emeenschappelijk aan al deze activiteiten (en aan het kluwen van definities) is dat het gaat om initiatieven die niet primair financiële winst vooropstellen, maar ‘maatschappelijke meerwaarde’, en wel op volgende vijf domeinen: economie, arbeid, tewerkstelling van doelgroepen, bestuur en ecologie.

Twee dimensies komen altijd terug, zij het in wisselende combinaties. Aan de ene kant is er de dimensie van de tewerkstelling van groepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt, met een beperkte ‘rugzak’ aan schoolse kwalificaties, met weinig tot geen kansen bij ‘reguliere’ werkgevers. Het uitgangspunt dat hier wordt gehuldigd is dat wordt vertrokken van de vaardigheid die deze personen wél bezitten en verder kunnen verwerven in een begeleide werkomgeving. Deze dimensie primeert bij de zogenaamde sociale inschakelingseconomie, gericht op tewerkstelling van moeilijk te plaatsen doelgroepen. Aan de andere kant is er de dimensie van het creëren van coöperatieve oplossingen, dus not-for-profit, door diensten ‘op de markt’ aan te bieden in het commerciële of niet-commerciële circuit. Deze dimensie primeert als men het heeft over sociale ondernemingen. Voor deze laatste is er een specifiek kader voor steunverlening (denk aan de Europese regelgeving voor concurrentie en diensten van algemeen economisch belang), maar voor het overige opereren zij binnen een kader dat geldt voor elke andere organisatie in de non-profit of in de profitsector.

Meer dan sociale inschakeling Specifiek in het Brussels Gewest zijn er de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid (PIOW) en de inschakelingsondernemingen (IO). PIOW’s en IO’s samen vormen een honderdtal organisaties, die 1.500 doelgroepwerknemers tewerkstellen. Op ruimere schaal zijn er de dienstencheque-ondernemingen en de specifieke tewerkstellingsmaatregelen sociale tewerkstelling voor leefloners (artikel 60/61), sociale inschakelingseconomie (SINE), Doorstromingsprogramma (DSP), en maatregelen voor weinig geschoolde jongeren. Deze laatstgenoemde vier maatregelen staan op jaarbasis voor 4.800 à 6.500 tewerkgestelde Brusselaars. In derde instantie zijn er in het Brussels Gewest 14 vestigingen van beschutte werkplaatsen, die naar schatting 1.600 doelgroepwerknemers tewerkstellen. Samen behoren ze nog tot de inner circle van de sociale inschakelingseconomie. Het bereik wordt veel ruimer als

52

53


| analy se|

we ook de erkende coöperaties meetellen. Verder zijn er de vso’s of vennootschappen met sociaal oogmerk, te onderscheiden van vzw’s. Een aantal zit vermoedelijk al vervat in de voorgaande categorieën. Tot slot zijn er ook in de social profit sector initiatieven die dicht aanleunen bij de sociale economie, doordat ze voldoen aan criteria voor sociaal ondernemen, maar voor het overige sterk gelijken op elke andere onderneming. Aldus gerekend komen we al vlug tot een honderdvoud aan organisaties en tienduizenden doelgroepwerknemers, maar exacte cijfers ontbreken bij gebrek aan monitoring. Wel is duidelijk dat de sociale inschakelingseconomie slechts een fractie vormt van de sociale economie in ruime zin. Dit brengt ons bij een dubbele vaststelling: de sector van de sociale economie in Brussel is veel uitgebreider dan we geneigd zijn te denken, maar deze is nog niet goed gedocumenteerd.

Groeipad voor de sociale economie

Ons recente onderzoek toonde aan dat één van de knelpunten met het geregionaliseerde doelgroepenbeleid erin bestaat dat doelgroepkortingen aan werkgevers vooral ten goede komen aan pendelaars die komen werken in Brussel.

Sociale economie volstaat niet als we kijken naar het grote aandeel werklozen, leefloners en andere inactieven onder de Brusselse beroepsbevolking. Zoals de westerse economie in het algemeen wordt een grootstedelijke metropool zoals Brussel in nog sterkere mate getekend door de paradoxale combinatie van hoge productiviteit en onvolledige werkgelegenheid. We hebben in Brussel te maken met een situatie waarin het ‘normaal’ wordt dat meer dan 20 procent van de beroepsbevolking zonder werk zit, waarvan een groot deel laaggeschoolden. Tegelijk is er in Brussel ook een verdichte aanwezigheid van onvervulde behoeften aan kwaliteitsvolle diensten en mogelijkheden tot herstelactiviteiten (zoals succeservaringen) voor personen die veraf staan van het arbeids­circuit of met een arbeidshandicap, waarvoor de sector van de sociale economie een oplossing kan bieden. Hierin ligt nog een potentieel voor groei van de sector, meer dan in de rest van het land, en voor tewerkstelling van kwetsbare doelgroepen. Dit vereist een groeipad. Om die reden ben ik voorstander van de mogelijkheid om verschillende tewerkstellingssubsidies te blijven combineren als sociale economie-onderneming, bijvoorbeeld dienstencheque-activiteit met SINE. In Vlaanderen is deze combinatie niet meer mogelijk. De sociale inschakelingseconomie zal uiteraard nooit substantieel het probleem van hardnekkige werkloosheid onder bepaalde doelgroepen kunnen oplossen. Maar het vormt wel een noodzakelijk sluitstuk van het doelgroepenbeleid, waarmee een groot aantal ondernemingen en vestigingen in Brussel doelgroepen aanwerven en gedurende een eerste tijd gesubsidieerd tewerkstellen. Ons recente onderzoek toonde aan dat één van de knelpunten met het geregionaliseerde doelgroepenbeleid erin bestaat dat doelgroepkortingen aan werkgevers vooral ten goede komen aan pendelaars die komen werken in Brussel, veeleer dan aan Brusselse werkzoekenden zelf. Het Brussels Gewest tendeert om voor de aanwervingsstimuli voor bedrijven af te stappen van het spoor van doelgroepkortingen, en te kiezen voor het model van de werkkaart, gebaseerd op de geactiveerde uitkering die wordt ingezet als

loonsubsidie. Deze optie blijft dichter bij de doelstelling om de aanwerving te bevorderen veeleer dan de hoge loonlasten te compenseren. Actiris krijgt de mogelijkheid om de aanwervingssubsidies gericht in te zetten op in Brussel wonende werkzoekenden. Deze optie vergroot ook de coherentie tussen het doelgroepenbeleid en de sociale inschakelingseconomie. Waar het Brussels Gewest nog meer zou kunnen op inzetten, is de gesubsidieerde jobcreatie in bestaande ondernemingen. Zo maakt het Vlaamse Maatwerkdecreet een onderscheid tussen maatwerkbedrijven en maatwerkafdelingen. De eerstgenoemde komen in de plaats van de huidige beschutte en sociale werkplaatsen, de laatstgenoemde komen in de plaats van de huidige invoegbedrijven. Ook initiatieven zoals (niet-betaalde) arbeidszorg in Vlaanderen bieden een oplossing voor wie helemaal niet in een beschermde maatwerkomgeving terecht kan. Economische evaluatiestudies zijn meestal negatief over de tewerkstellingseffecten van directe jobcreatie in de publieke of non-profitsector, omdat doorstroming naar ‘regulier’ werk niet effectief is gebleken. Veelal is er zelfs een averechts effect, doordat het stigmatiserend werkt. Wat doorgaans ontbreekt in deze evaluaties, is een meting van de toegevoegde waarde van de activiteit die wordt voortgebracht; men bekijkt de arbeidsplaats enkel vanuit tewerkstellingscriteria. Deze studies hebben bijgedragen tot de wijdverbreide perceptie in beleidskringen (versterkt door OESO, IMF, EU) dat men best twee maatregelen combineert: enerzijds ervoor zorgen dat enkel de moeilijkst bemiddelbare werkzoekenden in de gesubsidieerde jobs in de sociale economie terechtkomen, en anderzijds een doorstromingsvereiste opleggen voor iedere tewerkgestelde werknemer. Dit is ook de weg die het Vlaamse Gewest volgt met het Maatwerkdecreet.

Doorstroming als fetisj van beleid Dit brengt ons tot het diepgeworteld probleem van doorstroming en aansporing van tijdelijkheid. Op zich staat het principe al haaks op wat sociale economie beoogt

54

55


| analy s e|

|rubri ek|

te zijn: een plek van duurzame werkgelegenheid. Vaardigheidsontwikkeling vergt daarbij langdurig oefenen. Men kan zich afvragen hoe iemand op één of twee jaar tijd een vaardigheid kan ontwikkelen waarmee hij of zij op de reguliere arbeidsmarkt terecht kan. Het is trouwens een illusie dat werknemers het probleem van te lange ervaring bij één bedrijf kunnen omzeilen door een innerlijk arsenaal aan vaardigheden te ontwikkelen dat hen van bedrijf naar bedrijf kan brengen. De tijdelijke werkervaring beschermt hen niet om opnieuw langdurig werkloos te blijven. Vanuit de sociale ondernemer gezien, deze ziet niet alleen zijn betere werknemers vertrekken, tegelijk wordt hij verplicht om zijn vaardig geworden werk­nemers te vervangen door nieuwe kandidaten uit de meest kwetsbare groep. Wat op gespannen voet staat met de producti­ viteit en kwaliteitsvolle dienstverlening die hij als sociaal ondernemer ook m ­ oet bieden.

Tewerkstellings­succes korte termijn, hoewel waardevol op zich, reflecteert ook een te enge benadering van succes.

Dit conflicterende mechanisme zit vervat in het Vlaamse Maatwerk­ decreet. Laten we dit even vertalen naar de Brusselse context. Voor Brussel zou dit betekenen dat Actiris een gelijkaardige rol van ‘poortwachter’ gaat spelen als VDAB in Vlaanderen. De kandidaten voorselecteren en toeleiden op basis van een uniform screeningsinstrument. Het werkondersteuningspakket bepalen voor werkzoekenden waarvoor geen automatisch recht geldt. Minstens om de vijf jaar dit pakket herzien om doorstroming naar het normaal economisch circuit te bevorderen. Dit laatste kan ook een reguliere aanwerving zijn bij de sociale economie-onderneming. De Vlaamse overheid beoogt dus een strakke regie over wie ‘toeleidbaar’ is en wie ‘doorstroombaar’ is. Uiteraard is het positief dat doorstroming bevorderd en ondersteund wordt, net zoals de Brusselse arbeidsmarkt als geheel gebaat is met meer job-naar-job transities van werknemers. Maar het perverse is dat Actiris die transitie vanuit de sociale economie zou regisseren voor iedere doelgroepwerknemer. Om dit uitvoerbaar te maken zou een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding van Actiris vereist zijn. Ten gronde rijst de vraag of het uiteindelijk doel van doorstroming wel wenselijk is in de huidige Brusselse context met massaal veel werkzoekenden op de arbeidsmarkt. Tewerkstellingssucces op korte termijn, hoewel waardevol op zich, reflecteert ook een te enge benadering van succes. In dit verband valt er zeker wat te leren van de nieuwe vorm van resultaatfinanciering bij Social Impact Bonds, waarmee momenteel in een groeiend aantal grotere steden, waaronder Brussel, wordt geëxperimenteerd. Bij deze initiatieven wordt tewerkstelling verfijnder gemeten, en worden nog andere kosten-baten afwegingen in rekening gebracht, zoals de terugverdieneffecten doordat blijvende afhankelijkheid van uitkeringen en andere kosten (bv. medische kosten; criminaliteit) worden uitgespaard op langere termijn. Slotsom, ook evaluaties van de sociale inschakelings­ economie zijn gebaat met een meer duurzaam perspectief en maken de cirkel van innovatie rond.

56

57


Aksent ¦ ART2WORK ¦ Atelier Groot Eiland ¦ Baita Clean Office ¦ Beeldenstorm ¦ Buurthuis Bonnevie ¦ Buurtsport Brussel ¦ Buurtwerk Chambéry ¦ Buurtwerk Noordwijk, De Harmonie ¦ Casablanco ¦ Casanovo cbva ¦ CAW Brussel – Foyer Leger des Heils ¦ Cosmos ¦ CyCLO ¦ De Buiteling ¦ De Ketjes ¦ De Welvaartkapoen ¦ eat ¦ Elmer ¦ EVA Bricoteam ¦ Familiehulp ¦ FIX ¦ INOPTEC+ ¦ JES ¦ Maks ¦ Manus Brussel ¦ Overmolen ¦ Pianofabriek ¦ Recyclart ¦ Sociaal Vervoer Brussel ¦ Solidariteit voor het Gezin ¦


Profile for Tracé Brussel

Sociale Economie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest  

Sociale Economie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest  

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded