Issuu on Google+

Als twee druppels water Pat Moon


Als twee druppels water


Copyright 2009 Pat Moon Deze publicatie wordt uitgegeven door Brabant Water, ’s Hertogenbosch Eerste druk van deze editie: 2009 isbn 9789061747550


Als twee druppels water Pat Moon

Brabant Water ’s Hertogenbosch


1

Het kleine propje papier gleed over het boek dat voor David openlag. Kelly, die naast hem zat, keek er met een zijdelingse, nieuwsgierige blik naar toen David er onopvallend zijn hand op legde, terwijl hij met één oogopslag zag, dat meneer Jones het niet had gemerkt. Het was een ‘iedereen leest les’ en dat telde ook voor meneer Jones, hoewel Mark, die dichterbij zat, wist te vertellen dat hij af en toe zijn totoformulier invulde of het kruiswoordraadsel van de krant oploste. Davids vingers maakten voorzichtig het balletje open, onder zijn tafel, zodat niemand het kon zien. Die manier van berichten doorspelen was een vondst van hem waarop hij apetrots was. Hij had ontdekt dat je met een gewone pen op een papieren zakdoekje kon schrijven. De inkt werd een beetje wazig, maar als je de letters wat groter maakte was het best leesbaar. Je kon het zachte papier tot een heel klein propje in elkaar frommelen, het viel geruisloos neer en je kon het stilletjes openmaken in de klas. Hij en Mark pasten die methode nu al een jaar toe en ze waren niet één keer gesnapt. Op het briefje stond: ook nog op het lijstje zetten: waterproef lucifers ik wacht op je na school David trok twee keer aan zijn linker oor om Mark duidelijk te maken dat hij de boodschap had gekregen en begrepen. Wat hadden ze nog meer nodig? Een blikopener, batterijen voor de zaklantaarn, proviand, brandhout, een braadpan, ... rrriiiiing! De schrille schoolbel onderbrak zijn gedachten. De klas kwam weer tot leven, stoelen werden met veel lawaai van 7


tafels weg geschoven, boeken klapten dicht, kinderen gaapten en strekten hun armen en benen. Meneer Jones keek op, wachtte tot het stil was en gaf toen tafel na tafel met een knikje toe stemming om weg te gaan. De tafel van David kwam het laatste aan de beurt. Toen hij zijn stoel optilde om hem op de tafel te zetten zag hij dat meneer Jones helemaal in beslag was genomen door een kleurenfolder van een gouden strand met palmbomen. paradijs voor zon zoekers stond erop. Toen David bij de kleedkamer kwam hoorde hij de luide stem van Warren Biggs boven de herrie uit van de kinderen die zich in de gang verdrongen. ‘Ik kan waterproef lucifers krijgen en hopen andere dingen: grondzeilen, touwen, noem maar op. Ik hoef het maar aan mijn vader te vragen. Geen probleem.’ David zag dat zijn vriend zijn schouders ophaalde. ‘Goed, Warren, dank je, maar het gaat om een overlevingskamp, alleen voor mij en Marsman. We zijn al weken met de voorbereidingen bezig.’ Op school werd David Marsh door iedereen Marsman genoemd. Het was in de kleuterschool begonnen en die naam was gebleven. Hij hoorde het liever dan David, het gaf hem iets speciaals en het paste uitstekend bij iemand als hij die veel belangstelling had voor ruimtevaart. Toen Jamie Cook vorige trimester zijn project maakte en maar niet kon vinden wanneer het eerste ruimtetuig op Mars was geland had meneer Jones gezegd: ‘Je kunt het beter aan Marsman vragen,’ en David had meteen geantwoord: ‘Viking, de eerste juni negentienzesenzeventig. De eerste foto’s ontvangen op zesentwintig juni.’ Als hij daaraan terugdacht, kreeg hij nog steeds een blos op zijn wangen van de verbaasde gezichten van de rest van de klas. Maar hij had er ook bij geleerd dat hij de drang om zijn kennis van feiten en data te spuien in bedwang moest houden. Hij had gezien dat Paul Harris die aan de andere kant van de klas zat, zijn handen boven zijn hoofd hield, om David duidelijk te maken wat een groot studiehoofd hij wel had. Mark keek David met een hulpzoekende blik aan. David drong zich tussen Mark en Warren om zijn jas van de kapstok te 8


pakken. ‘Mark heeft me alles over jullie kamp verteld,’ zei Warren. ‘Ik zou jullie kunnen helpen. Met spullen uit de winkel - voedsel met veel eiwit, nooduitrusting, wat je maar wilt. Wat denk je ervan?’ ‘Zo’n soort kamp is het niet,’ zei David. ‘We maken onze eigen schuilhut met takken en zo. Maar Marks vader heeft gezegd, alleen maar wij tweeën. Waar of niet, Mark?’ ‘Ja, juist,’ knikte Mark ijverig. ‘Nou, denk er nog maar eens over na,’ zei Warren. ‘Het zou de moeite waard kunnen zijn.’ Ze zagen hoe hij als een bulldozer zijn weg baande door de gang met zijn overvolle tas als een stormram voor zich uit. ‘Waarom heb je hem iets over ons kamp verteld?’ zei David beschuldigend terwijl ze over de speelplaats liepen. ‘Ben je gek!’ zei Mark. ‘Dacht je dat ik zoiets aan hèm zou vertellen? Hij zag me dat briefje schrijven en toen heeft hij het zowat uit me los gepeuterd met zijn mooie praatjes. Je weet hoe hij is.’ ‘Dat is precies waarom we hem er niet bij willen, snap je? Hij zou de hele tijd over zijn boomhut leuteren. Meneertje Weetal, die altijd een ander de schuld geeft als er iets misloopt. Dit is ons plan!’ ‘Ja, maar die dingen uit de winkel van zijn vader zouden we anders goed kunnen gebruiken,’ zei Mark. ‘Vergeet het maar,’ zei David. Al sinds halverwege het schooljaar maakten ze plannen voor het kamp en nu de vakantie over een paar weken begon slorpten de voorbereidingen al hun vrije tijd op. De grote tuin van Mark grensde aan een bos. Het was niet duidelijk waar de scheiding was, want de afrastering was verdwenen onder grote varens en struiken. Het bos was eigenlijk in de tuin binnengedrongen. In tegenstelling tot het kleine, nette tuintje van David, kon je je hier voorstellen dat je in de wildernis zat, en niet op een paar minuten afstand van de autofiles die in en uit Bromley probeerden te komen. Marks ouders vonden het best dat ze een kamp maakten, als ze maar geen domme dingen deden. Sindsdien hadden ze alle boeken 9


over ‘overleven’ gelezen die ze konden vinden. En nu nam het plan hen helemaal in beslag. De muren van Marks slaapkamer hingen vol plattegronden en tekeningen en lijsten. De stapel materiaal die steeds maar groeide, was door Marks moeder al lang naar de schuur verbannen. ‘Hoe staat het met de houtvoorraad?’ vroeg David. ‘Het hout van vorige week is droog,’ zei Mark. ‘We moeten er een zeiltje overheen leggen. En er zijn weer vrachten takken en denneappels afge vallen in het bos.’ ‘Goed, dan gaan we vanavond nog meer hout halen,’ zei David. ‘En zaterdag maken we wat te eten op een vuurtje. Ik heb een oude grill gevonden in de garage en moeder heeft gezegd dat ik hem mag hebben. Het rooster is ideaal om iets boven een vuurtje te bakken.’ Op de hoek van de Westlands Road gingen ze uit elkaar. ‘Ik kom langs zodra ik andere kleren heb aan getrokken,’ riep David. Hij zag het al voor zich: zij beiden, gehurkt bij het vuur met een pan sissende worstjes en eieren. Vanavond zouden ze een lijst opstellen van wat ze nodig hadden. Pas toen hij bij het tuinpoortje kwam, zag hij de paarse Mini van Eva staan. Hij noemde haar nooit oma of omoe. Iedereen noemde haar Eva: mamma, pappa en zelfs zijn kleine zus Lizzie. Vader zei dat het haar echte naam niet was. Ze heette Brenda maar toen zij gescheiden was zei ze tegen ieder die het horen wilde dat ze een nieuw leven was begonnen en dat ze voortaan Eva heette. Ze leek helemaal niet op de grootmoeders die hij kende en zeker niet op de moeder van zijn moeder, oma Robinson. Die kon hij zich nog maar vaag herinneren als een sombere, knorrige vrouw want ze kwam al eeuwen niet meer op bezoek. Aan opa Robinson had hij betere herinneringen. Hij wist nog dat hij op opa’s knieën paardje had gereden, op een liedje dat eindigde op ‘en viel in ’t water’. Als opa dat zong deed hij zijn knieën open en schoot David weg, maar net voor hij de grond raakte hadden opa’s grote handen hem weer vast. Dan schaterden ze het allebei uit en David vroeg: ‘Nog eens, opa, nog eens in het water, opa.’ Maar oma Robinson 10


lachte nooit. Ze zat met een nors gezicht in het niets te staren. Het was jaren geleden dat hij haar voor het laatst had gezien. Mamma was de enige die nog af en toe naar ze toeging, maar altijd alleen. Dan vertrouwde ze David voor een dag of twee aan Eva toe en trok naar Wimborne in Dorset, waar oma en opa woonden. Maar ze kwam altijd zo slecht gehumeurd terug, dat David die bezoeken vreselijk vond. Vader en moeder hadden er ook ruzie over gemaakt. Ze hadden de deur voor zijn neus dichtgedaan maar dat had hun harde stemmen niet kunnen dempen, vooral die van vader niet, die riep: ‘Ik kan dit niet toelaten! Ik wil niet dat ze ons gezin ook kapot maakt!’ David duwde het poortje van de achtertuin open. Op het gras was een feestje aan de gang met starende poppen, waggelende teddyberen en knuffeldieren die thee kregen van Lizzie in heel kleine kopjes. ‘Hoeveel klontjes?’ vroeg Lizzie aan een pinguïn met een schommelende hoed. ‘Dag lieverd,’ wuifde Eva hem vanuit haar tuinstoel toe. De bloembakken die op de grond stonden leken te vervagen naast Eva. Van haar gezicht was bijna niets te zien, ze droeg een zonnebril met een rood montuur en een gele hoed met een brede rand. Toen ze opstond bengelden haar grote zilveren oorringen en David zag dat ze een bonte zomerjurk droeg, zo groot als een tent, die een groot stuk van haar borst en haar rug bloot liet. Hij vond het leuk om haar te zien, maar hij was blij dat ze hem niet bij de school had opgewacht. ‘Waar is mamma?’ ‘Ha,’ zei Eva, ‘ze is weggeroepen.’ ‘Ik dacht dat ze tot volgende week niet zou worden opgeroepen,’ zei David. ‘Ze heeft gisteren nog nachtdienst gedaan.’ ‘O, nee,’ zei Eva. ‘Ze is niet naar het ziekenhuis. Ze moest naar je opa in Dorset. Kom, laten we een kopje thee drinken, dan vertel ik je alles.’ ‘Ik moet eerst even iets nakijken,’ zei David, terwijl hij zijn tas in de keuken op de grond gooide. ‘Ik ben zo terug,’ en hij 11


rende naar de tuin en verdween in de garage. ‘Er zijn er geen in de vrieskast,’ zei hij toen hij terug was en vier koekjes uit de trommel nam. ‘Ik moet aan moeder vragen om ze te kopen.’ ‘Waar heb je het over?’ vroeg Eva. ‘Wat kopen?’ ‘Worstjes. Voor zaterdag bij ons kampvuur.’ Eva fronste haar wenkbrauwen. Worstjes, daar was ze erg tegen, maar in plaats van een preek over de nadelen van de gemechaniseerde veeteelt te houden zei ze: ‘Het zou wel eens kunnen dat je moeder dan nog niet terug is, David.’ ‘Ze heeft er niets over gezegd dat ze zou gaan,’ zei David met zijn mond vol koekjes. ‘Ze is een paar maanden geleden al geweest. Ik wed dat ze weer de hele tijd zal mopperen als ze terug komt.’ Eva zette twee mokken thee op tafel. Ze zette haar zonnebril en haar hoed af, maar nu had ze weer last met een paar weerspannige krullen die uit haar haarkammen ontsnapt waren. ‘Herinner je je oma Robinson nog, David?’ ‘Een beetje, maar ik was toen nog erg klein. Kun je me wat geld lenen tot moeder terug is?’ ‘Geld? Waarvoor?’ ‘Worstjes. Daar had ik het net nog over. Die hebben we zaterdag nodig. Tenzij Marks moeder ze heeft. Dat hoor ik vanavond wel.’ ‘Luister, David, je oma is vanochtend ziek geworden. Ze heeft een beroerte gehad en ze is meteen naar het ziekenhuis gebracht. Dat is de reden waarom je moeder zo vlug weg moest.’ ‘Wanneer komt ze terug?’ vroeg hij terwijl hij het koekje oplepelde dat hij te lang in zijn thee had gedompeld. ‘Dat horen we vanavond als ze belt.’ ‘Weet pappa het al?’ ‘Ze heeft de school opgebeld voor ze is weggegaan. Hij komt naar huis zo gauw hij kan. Maar maak je geen zorgen ik heb beloofd dat ik zou blijven slapen. Eva zal op jullie passen, zelfs al moet ik geld dokken voor je walgelijke worstjes. Maar verwacht niet dat Ik ze ook nog ga bakken; sterker nog, ik wil ze niet eens ruiken, want anders...’ 12


Maar David was de trap al half opgelopen, hij trok zijn schooluniform uit en vroeg zich af waar hij zijn trui had gelaten. ‘Heb je mijn sportschoenen misschien ergens gezien, Eva?’ riep hij terwijl hij naar beneden rende. Hij liep de keuken in en bleef net lang genoeg staan om een zakje chips en een Mars in zijn zak te stoppen. Toen liep hij door de achterdeur naar buiten. ‘Hé, wacht eens even, we gaan dadelijk eten,’ riep Eva. ‘Bewaar het voor me,’ schreeuwde David. ‘Ik heb een belangrijke vergadering. Ben om zeven uur terug.’ En voor ze tijd had om iets te zeggen verdween hij in de garage om een paar tellen later het pad af te fietsen. Hij had wel zijn laarzen aangetrokken. ‘Ik lees hier dat een ervaren overlevingsspecialist de hele tijd kan leven van de groente die hij zelf kweekt. En dat alleen wie heel zelfstandig is zal overleven als de maatschappij in elkaar stort,’ mompelde David tussen twee happen van zijn Marsreep, terwijl hij aandachtig de bladzijden van ‘Overleven voor beginners’ bestudeerde. Mark manoeuvreerde de kruiwagen met denneappels en takken over de knoestige boomwortels naar de stapel hout en bleef even staan om op adem te komen. ‘Ik dacht dat je zou helpen,’ hijgde hij na een poosje. ‘Goede leiders weten wat ze anderen moeten laten doen,’ zei David zonder op te kijken. ‘Hier, moet je luisteren. ‘Jonge eekhoorntjes kunnen gebraden of gestoofd worden en smaken goed.’ Hij sloeg de bladzijde om. ‘Alle Britse slakken zijn eetbaar,’ ging hij verder. ‘Je hoeft ze alleen maar een paar dagen met sla te voeren om hun ingewanden schoon te maken. En hier staat een recept voor brandnetelsoep! Ik heb het!’ zei hij enthousiast. ‘Brandnetelsoep, gebraden eekhoorn tjes en slakkenpudding. Dat wordt smullen!’ Nu lag Mark op de grond te kronkelen, met zijn handen op zijn buik. ‘Ik denk dat ik ziek word,’ zei hij met een pijnlijk gezicht. ‘Wacht eens even,’ zei David. ‘Hier staat dat gebraden zwaan mais en donker is en naar vis smaakt.’ ‘Ik lust geen vis,’ zei Mark. 13


‘Wat jammer,’ zei David. ‘We hadden naar de tuin van de bibliotheek kunnen gaan om er een paar te vangen. Nee, achteraf bekeken geen goed idee. Er staat dat ze eigendom zijn van de koningin en worden beschermd door...’ David was halverwege van zijn zin gestopt omdat zijn oor door een denneappel werd getroffen. Hij keek op en zag dat Mark met een arm vol denneappels klaarstond voor de aanval. ‘Hé, dat is niet eerlijk. Jij hebt alle munitie,’ schreeuwde David terwijl hij opsprong. ‘Hier heb je er nog een,’ riep Mark en gooide weer een denneappel. ‘Oorlog!’ schreeuwde David en tien minuten later lag de helft van wat er in de krulwagen had gelegen verspreid in het gras. ‘Hoi pap,’ zei David toen hij de keuken binnenkwam. Vader zat aan tafel en keek een stapel archiefkaarten door. ‘Lieve hemel,’ zei hij toen hij even opkeek. ‘wat een rommel.’ Eva haalde Davids eten uit de oven en ging toen weer aan haar kant van de tafel zitten. In de dozen en schalen die voor haar stonden lagen zilverdraad, glazen kralen, edelstenen, ringen, gespen en sierknoopjes te flonkeren. Dat was het materiaal waar ze armbanden, oorringen, broches en kettingen van maakte, die ze op de markt verkocht. Lizzie, die haar pyjama al aan had en haar knuffelpinguïn tegen zich aanklemde, keek vol verrukking toe. ‘Die vind ik het mooiste,’ zei Lizzie terwijl ze een paar oorringen met blauwe en roze vlinders oppakte. ‘Kun je die voor me maken, Eva, alsjeblieft?’ Eva nam ze over, maakte met haar tangetje het zilverdraad los van de stekers en verving die door clips die ze met een draai van haar buigtangetje stevig vastmaakte. Toen boog ze zich naar voren en maakte ze voorzichtig vast aan Lizzie’s oren. ‘Alsjeblieft, schat. Maar ze zijn alleen voor feestjes, hoor. Niet als je naar school gaat.’ Lizzie gaf een gilletje van plezier en liep naar de hal om zich in de spiegel te bewonderen. 14


‘Er zit ui in die taart,’ zei David en schoof drie kleine stukjes naar de rand van zijn bord. ‘Uien zijn goed voor je,’ zei Eva. ‘Koolhydraten. Geven je energie.’ ‘Ik vind uien vies.’ ‘Hoe weet je dat als je ze nog nooit hebt geproefd?’ ‘Ik weet het gewoon,’ zei hij en hij onderzocht de rest van de taart met de aandacht van een expert van de opruimingsdienst die een bom onschadelijk maakt. ‘Ik vind uien lekker, hè Eva?’ zei Lizzie. ‘Jij natuurlijk wel,’ zei David. ‘Ik denk zelfs dat die pinguïn van jou uien lekker vindt.’ ‘Doe niet zo stom,’ zei Lizzie. ‘Iedereen weet toch dat pinguïns helemaal geen uien eten.’ ‘Ongelooflijk,’ zei vader die een circulaire bestudeerde. ‘Moet je luisteren naar sommige namen die volgend jaar in mijn cursus zitten Androcles Jarvis en Zorab Buckle. Waar halen die ouders zulke namen vandaan?’ ‘Ik hou wel van ongewone namen,’ zei Eva. ‘Ze geven karakter.’ ‘Ja, dat heb ik gemerkt,’ zei vader terwijl hij langs zijn neus wreef. ‘Grootgebracht worden in Penge met een naam als Philias was geweldig karaktervormend voor mij.’ Vader pronkte af en toe met zijn platte neus en vertelde dan hoe hij zijn naam verdedigde tegen de legendarische Norman Stebbings. De afmetingen en de kracht van die Norman leken iedere keer toe te nemen, tot hij er in Davids verbeelding uitzag als King Kong.

15


De jongen op de verbleekte foto leek zo goed op David, dat hij het zelf kon zijn of tenminste toch zijn dubbelganger. De foto stak in een koffer met nog een heleboel andere kiekjes van die jongen en boeken, tekeningen, oude schriften en zelfs een cadeautje dat nooit was opengemaakt. David ontdekte die koffer toevallig in de schuur van zijn opa toen hij er een weekje ging logeren. Wie was die jongen? Die tekeningen, die schriften, waren die van hem? En dan die lege kamer op de tweede verdieping, niet ĂŠĂŠn meubel, niets aan de muren, geen kleed op de vloer... Davids opa had een geheim, waar hij met geen mens over wilde praten, een geheim dat jaren onopgehelderd bleef. David wil dat raadsel oplossen. De gegevens die hij moeizaam ontdekt zijn als stukjes van een puzzel en langzamerhand wordt hem alles duidelijk. Hij leert niet alleen de jongen op de foto kennen, maar hij komt ook te weten, waarom zijn overleden oma zo vreemd deed. En het belangrijkste: hij leert van zijn opa houden.


Jeugdboek, Als twee druppels water