Page 1

Het belang van het handelen van de welzijnswerker

foto: PHOTOWORK

Johnny van der Hansz, Stadscentrum-Straat, 1995, viltstift op papier, 30 x 70 cm

1

Marianne Potting


De Wet maatschappelijke ondersteuning en het daaruit afgeleide Welzijn Nieuwe Stijl zijn op dit moment de belangrijkste kaders voor het welzijnswerk en bepalen in hoge mate de taak, rol en opdracht van welzijnswerkers. Wmo en WNS gaan uit van een veranderde relatie tussen welzijnsprofessional en burger, waarbij de professional vooral een ondersteunende rol voor zelfregie dient te spelen en de burger vooral veel verantwoordelijkheid voor zichzelf, zijn naasten en zijn omgeving dient op te pakken (Van der Lans, 2010; Van Eijken, 2012). De veranderingen die met de invoering van de Wmo en WNS in het welzijnswerk gepaard gaan, worden door politieke en maatschappelijke verschuivingen ingegeven. De overgang van een verzorgingsstaat naar een participatiemaatschappij – het belangrijkste doel van de Wmo – brengt ingrijpende wijzigingen met zich mee in de verhouding tussen burgers en overheid. Welzijnswerkers staan aan het front bij deze veranderingen. Welzijnswerkers krijgen er een speciale opdracht bij: zij moeten Welzijnswerkers Nieuwe Stijl zijn. Oude manieren van werken voldoen niet meer; ze moeten vervangen worden door nieuwe rolen taakopvattingen. Welzijnswerkers moeten optreden als facilitator, stimulator en manager van de inzet van burgers (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2010).

2

Dit zijn ingrijpende veranderingen voor het welzijnswerk. En er komen nog meer veranderingen aan die een herijking van het eigen professionele handelen van welzijnswerkers noodzakelijk zullen maken: de toekomstige overheveling van de functies ondersteuning en begeleiding vanuit de AWBZ naar de Wmo, de invoering van de nieuwe

Participatiewet en de decentralisatie van de jeugdzorg zijn drie voorbeelden. Deze ontwikkelingen zullen opnieuw nieuwe vragen en eisen aan het welzijnswerk en daarmee aan de welzijnsprofessionals stellen. Deze ontwikkelingen veranderen overigens met de snelheid van de politieke actualiteit. Het is dus van des te groter belang dat het welzijnswerk in staat is snel te actualiseren en werkwijzen aan te passen aan veranderende eisen.

Legitimatie Welzijnswerkers zijn meestal de eerst aangewezen personen om de maatschappelijke opdracht van participatie van burgers vorm en inhoud te geven. Zij dienen kwetsbare burgers te ondersteunen maar ook burgers met draagkracht te stimuleren om hun kennis, ervaring en tijd in te zetten voor de samenleving in zijn geheel en kwetsbare burgers in het bijzonder. Hoewel er van welzijnswerkers dus veel verwacht wordt in het versterken van de participatieve samenleving, wil dat nog niet zeggen dat zij zonder meer het vertrouwen krijgen dat zij dat kunnen. Zeker nu er een discussie wordt gevoerd over de effectiviteit van de sociale beroepen komt de professional in het welzijnswerk onder druk te staan om zich te legitimeren, bij voorkeur aan de hand van uitgeteste, geprotocolleerde methodieken die hun effectiveit bewezen hebben. Zowel de overheid als de burger verwachten meer inzicht in de werkpraktijk van de welzijnswerker. Men wil weten wat er in dat werkveld gebeurt, waarom het gebeurt en wat men met die aanpak bereikt of denkt te bereiken (Dozy, 2008; Spierts, 2005; Tonkens, 2008). Een professional moet in staat zijn om antwoord te geven op beide vragen: Hoe ontwikkel ik een nieuwe stijl van werken?


En: Hoe kan ik deze legitimeren? Om die vragen te kunnen beantwoorden is voldoende inzicht belangrijk om de vaak abstracte maatschappelijke opdracht te vertalen naar haalbare en waarneembare doelstellingen, ontleend aan problemen of vragen die zich specifiek in een wijk, bepaalde situatie of doelgroep voordoen. Bewustwording van en reflectie op besluitvorming dragen bij aan het ontwikkelen van dit inzicht. Het helpt de professional niet alleen zijn aanpak te onderbouwen maar ook te vertalen naar de buitenwacht: de werker kan aangeven wat de successen en aandachtspunten zijn binnen een project of gekozen aanpak. Het lectoraat Sociale Integratie van Zuyd Hogeschool heeft in het onderzoeksproject Procivi (‘voor de burger’) met professionals een methodiek ontwikkeld om bij te dragen aan de legitimatie van de waarde van welzijnswerk. Deze methodiek gaat daarbij uit van de ontwikkeling van reflectieve professionals. Het ondersteunt professionals een onderzoeksattitude te vormen ten opzichte van hun eigen werk en hun functioneren en het helpt hen een professioneel vocabulaire te verkrijgen. Het doel van de methodiek is om instrumenten en werkwijzen te formuleren die professionals in hun praktijk kunnen toepassen om op doelstellingen, methodieken en resultaten te reflecteren én deze te vertalen naar de diverse belanghebbenden (Sniekers et al., 2009).

Onderzoeksopzet Procivi is gestart vanuit de gedachte dat de welzijnsprofessionals zélf de onderzoekers van hun eigen werkpraktijken zouden zijn. Het begon met invullen van een vragenlijst door welzijnswerkers over hun werk,

activiteiten, doelen, strategieën en samenwerking met vrijwilligers, partners en burgers. Vervolgens zijn zij in diepte-interviews nader bevraagd over ervaringen, meningen en ideeën over hun dagelijkse praktijk. De professionals en onderzoekers zijn daarna gedurende twee jaar regelmatig bijeengekomen (in totaal waren er 14 groepsbijeenkomsten). Deze bijeenkomsten hadden verschillende doeleinden, met als kernwoorden reflectie op werkpraktijken, communicatie met derden, onderzoeken van werkpraktijken en legitimering naar belanghebbenden. De welzijnswerkers verhelderden hun werkpraktijken, relevante begrippen en thema’s en voerden discussies met externe deskundigen en vertegenwoordigers van de verschillende domeinen in het werkveld. Zestien professionals van twee welzijnsorganisaties in Limburg vormden samen met vijf onderzoekers van het lectoraat Sociale Integratie de kern van het onderzoeksteam in het tweejarige project. De deelnemende professionals representeerden een brede range aan welzijnsmethodieken. De onderzoeksgroep vormde een goede afspiegeling van de breedte en reikwijdte van het welzijnswerk in Nederland. Alle professionals zijn aan het begin van het project uitgebreid geïnterviewd door de onderzoekers met behulp van semigestructureerde vragenlijsten. De data verzameld in de interviews zijn vervolgens in verband gebracht met data uit een documentanalyse van producten van de deelnemende organisaties, de projectbeschrijvingen van de professionals zelf en materiaal uit de groepsbijeenkomsten. Gedurende het onderzoek zijn de verzamelde gegevens steeds voorgelegd aan de deelnemers

3


voor feedback en verheldering. Dataverzameling en analyse vormden zo een cyclisch proces; de data werden gebruikt om de volgende stappen gezamenlijk in het onderzoeksproject te bepalen. Op verschillende momenten vonden er debatten plaats tussen de professionals en onderzoekers van het kernteam en bijvoorbeeld de studenten Social Work, vertegenwoordigers van gemeenten, leden van cliëntenraden en buurtplatforms, vertegenwoordigers van andere welzijnsorganisaties en adviesbureaus of onderwijsprofessionals. Naast discussie en debat stonden deskundigheidsbevordering en reflectie op de eigen werkwijze, doelen en strategieën door middel van intervisie centraal in de bijeenkomsten. Tenslotte hebben de onderzoekers en professionals twee reflectie-instrumenten ontwikkeld, getest en doorontwikkeld tot een algemeen inzetbaar en toepasbaar reflectieinstrument (Lamers et al., 2009; M. Sniekers et al., 2009).

4

Procivi kende belangrijke elementen van actieonderzoek. Actieonderzoek is het gehele proces waarbij een probleemsituatie wordt gediagnosticeerd, een verbeteractie wordt gepland en geïmplementeerd en de effecten worden gemonitord. Actieonderzoek is een cyclisch proces. Het doel is niet direct het ontwikkelen van een nieuwe theorie, maar het verbeteren van een praktijksituatie met behulp van de resultaten van het onderzoek zodat de professionals hun werk beter kunnen uitvoeren. Praktijkontwikkeling is de kern. Daarom is actieonderzoek ook bottom-up en komt de input voor ontwikkeling vanuit de werkers zelf (Creswell, 2005; Robson, 2002).

Plek binnen lectoraat Procivi heeft plaatsgevonden binnen het lectoraat Sociale Integratie van Zuyd Hogeschool. Het lectoraat Sociale Integratie stelt zich de opdracht om maatschappelijke veranderingsprocessen te analyseren en te conceptualiseren om zo te kunnen reflecteren op zowel de opleiding als de praktijk van sociale professionals. Het doel is daarbij om de kwaliteit van welzijnswerk en het onderwijs te verbeteren. Vragen rondom sociale integratie, participatie en burgerschap staan centraal en worden daarbij binnen de (regionale) maatschappelijke context geplaatst. Het hoofddoel van het lectoraat, onderzoek naar sociale integratie, wordt uitgewerkt binnen drie onderling samenhangende onderzoeksprogramma’s: 1. Onderzoek naar de sociale gevolgen van krimp en daarmee samenhangende ontgroening en vergrijzing. 2. Onderzoek naar de Wet maatschappelijke ondersteuning en met name naar de maatschappelijke opdracht daarin. 3. Onderzoek naar de veranderingen binnen jeugdzorg. Procivi maakte onderdeel uit van het onderzoeksprogramma naar de Wmo. Dit onderzoeksprogramma neemt de maatschappelijke opdracht van de Wmo als uitgangspunt, namelijk participatie voor en door alle burgers. Maar wat is die participatie en hoe kan deze bereikt worden? In het onderzoeksprogramma zijn drie lijnen te onderscheiden. De eerste lijn neemt de burger als uitgangspunt. Wat beweegt die burger om al dan niet een actieve rol in de samenleving te spelen? Hoe ervaart die burger de hem opgelegde verantwoordelijkheid? En wat heeft hij


nodig om die verantwoordelijkheid te kunnen en willen dragen? De tweede lijn zoomt in op een speciale groep burgers, namelijk de kwetsbare burger. Participatie voor en door iedereen is een mooi ideaal, en eigen verantwoordelijkheid en actief burgerschap zijn nastrevenswaardige doelen. Maar hoe zit het met burgers die de persoonlijke en/of maatschappelijke middelen missen om deze idealen en doelen (zonder ondersteuning) na te streven? Deze burgers zijn degenen voor wie de Wmo de ondersteuning wil regelen; ondersteuning door hun eigen netwerk en de burgers om hen heen en ondersteuning door professionals (direct of indirect via de inzet van door professionals begeleide burgers). Deze onderzoekslijn vraagt bijvoorbeeld aan kwetsbare burgers zelf hoe zij hun participatie willen vormgeven, wat zij daarbij nodig hebben en wat hun ervaringen zijn met de formele en informele ondersteuning die zij daarbij al dan niet krijgen. De derde lijn stelt de professional centraal. Waar burgers meer verantwoordelijkheid krijgen of moeten nemen, zijn het de welzijnsprofessionals die hen daartoe moeten stimuleren en hen daarin moeten ondersteunen. Participatie voor en door burgers als centraal uitgangspunt vraagt een specifieke taak- en rolopvatting van professionals. Deze onderzoekslijn zoekt samen met professionals antwoorden op vragen als: Wanneer ben ik een goede welzijnswerker? Hoe vertaal ik Welzijn Nieuwe Stijl naar mijn praktijk? Hoe krijg ik ‘mijn’ burgers mee in dit nieuwe proces? Procivi vond plaats in de derde onderzoekslijn, waarin de professionalisering van welzijnsprofessionals centraal staat.

Vertaling naar onderwijs Binnen het Procivi-project is er bewust ruimte gemaakt voor docenten en studenten van de faculteit Social Work. Er zijn meerdere onderzoeksactiviteiten georganiseerd waarbij studenten, docenten en praktijkprofessionals elkaar troffen. Professionals gaven als onderdeel van de module Interdisciplinaire samenwerking & legitimering colleges aan circa 200 tweedejaars studenten over hun praktijkervaringen en vroegen studenten te reflecteren op hun eigen praktijkverwachtingen. Die studenten hielden op hun beurt de professionals in speciale groepsbijeenkomsten een spiegel voor en vroegen ‘waarom’ en ‘hoe’ zij in hun dagelijkse praktijk handelen. Daarnaast waren 20 derde- en vierdejaars studenten en hun begeleidende docenten actief betrokken bij de uitvoering van het onderzoeksproject. Zij dachten mee in werkgroepen, waren betrokken bij het analyseren van de gegevens en organiseerden het slotsymposium. Al tijdens het project heeft Procivi zo een plek gekregen in het aanbod binnen het onderwijsprogramma van Social Work. Reflectie op eigen handelen staat centraal in de opleiding Social Work. In het sociaal agogisch werkveld moet het toekomstig professioneel handelen altijd gelegitimeerd kunnen worden. Reflectie en bewustwording gaan hieraan vooraf. Het ontwikkelen van de competentie tot effectief reflecteren is dan ook een zeer belangrijk doel van de opleiding tot welzijnsprofessional. In Procivi is daarom voor en door studenten Social Work van de verschillende afstudeerrichtingen een speciaal reflectie-instrument ontwikkeld: de diamant reflectie. Dit instrument krijgen studenten aan het begin van

5


hun praktijkperiode aangeboden om te leren reflecteren op hun eigen handelen. Het diamantmodel is een middel voor studenten om het eigen handelen zichtbaar te maken en om dat handelen vervolgens te kunnen beargumenteren. Het instrument helpt studenten regelmatig stil te staan bij wat ze doen, voor wie, waarom en hoe. Zo houden de studenten controle over het eigen leerproces en de persoonlijke, professionele ontwikkeling. Als een student dit voor zichzelf helder heeft, is de professionele legitimering en verantwoording naar anderen een kleine stap verder. Het verbindt zodoende verwachtingen van het werkveld met de verwachtingen van de opleiding ten aanzien van professionaliteit en legitimering door middel van reflectie (Sniekers, Dinjens, Lamers, Potting en Reverda, 2009).

6

kritisch durft op te stellen naar zijn eigen werkpraktijk en die van anderen.

Reflectie als uitdaging

Binnen Procivi is een werkwijze ontwikkeld om samen met welzijnswerkers een professionaliseringsproces in te gaan dat bijdraagt aan de vorming van communicatieve en reflectieve professionals. Deze werkwijze is in de praktijk ontstaan en gebaseerd op reële verwachtingen en ervaringen. Alle betrokken partijen zijn ervan overtuigd geraakt dat deze werkwijze binnen de eigen organisatie navolging en implementatie verdient, maar ook dat andere organisaties er hun voordeel mee kunnen doen. Daarom is de Methode Procivi in een methodiekboek beschreven dat weergeeft welke lijnen er gevolgd kunnen worden en welke werkvormen en instrumenten gebruikt kunnen worden om een dergelijk professionaliseringsproces te doorlopen (Potting, Sniekers, Lamers, Dinjens en Reverda, 2009).

Een van de belangrijke bevindingen van Procivi is dat reflectie als uitdaging en noodzaak moet worden gezien. Reflecteren zorgt ervoor dat professionals zich erkend voelen en zich aangesproken voelen als professionals. Reflectie zorgt voor een mate van autonomie die de professional krijgt, maar ook dient te nemen. Dat sluit aan bij een professionele houding. Als onderdeel van professionaliteit dient de welzijnswerker de eigen positie te bepalen binnen zijn discretionaire ruimte. Tegelijkertijd dient de professional een vocabulaire te ontwikkelen om over zijn of haar werk te praten en om zijn eigen, vanzelfsprekend geworden kennis, ervaring en inzichten in woorden uit de drukken. Dit bleek voor veel professionals een leermoment te zijn. Een dergelijk reflectie- en leerproces vereist een veilige en lerende organisatie die ruimte biedt voor reflectie, maar ook een welzijnswerker die zich open en

Een van de onderdelen van de Methode Procivi betreft twee reflectieinstrumenten voor professionals als hulpmiddelen om het gesprek te kunnen voeren met collega‘s (intervisiegroepen), leidinggevenden en/of externe partijen en om vorm te geven aan zijn lerende houding binnen de organisatie. Het beoogt niet zozeer het reflecteren op één gebeurtenis of situatie, maar de hulpmiddelen zijn gericht op reflectie op (kernthema‘s binnen) project of werkpraktijk. Het reflectie-instrument kan dus worden ingezet om handelswijzen en besluitvorming op individueel niveau in kaart te brengen en deze uit te dagen. Het helpt de professional zo om de vanzelfsprekendheid van zijn eigen handelen open te breken en inzicht te krijgen in het krachtenveld waarin hij opereert. Dit draagt bij aan de bewustwording van de eigen


werkpraktijk en handelsbekwaamheid waarin besluitvorming en onderbouwen van keuzes een belangrijke rol spelen: de welzijnswerker maakt zo de balans op van behaalde successen en valkuilen vanwaar hij concrete verbeterpunten formuleert (Lamers et al., 2009; Potting, Sniekers, Lamers en Reverda, 2010).

Conclusie Het onderzoeksproject Procivi is een wisselwerking geweest tussen professionals en onderzoekers, gericht op het expliciteren van kennis en ervaring, het verwoorden van de handelingspraktijk en het reflecteren op het eigen handelen. Het project heeft kennis opgeleverd over het handelen van professionals en een concrete werkwijze

met bijbehorende reflectie-instrumenten om dit handelen te expliciteren en te verbeteren. De centrale vragen in Procivi (Wanneer ben ik een goede professional? Hoe kan ik het belang van mijn handelen zichtbaar maken? Hoe kan ik de effectiviteit van mijn eigen handelen verbeteren?) zijn vragen die – zeker in het licht van discussies over Wmo en Welzijn Nieuwe Stijl – nog altijd actueel zijn. De resultaten van Procivi en de in het project ontwikkelde methodiek zijn doorvertaald en toegepast in lopende onderzoeken naar de professionalisering van het welzijnswerk binnen het Wmoprogramma van het Lectoraat Sociale Integratie.

Literatuur Creswell, J. W. (2005). Educational Research. Planning, Conducting and Evalutating Quantitative and Qualitative Research. Upper Saddle River, New Jersey: Pearson Education Inc. Dozy, M. (2008). Het is altijd het beroep van de toekomst geweest: De beroepsontwikkeling van het opbouwwerk. Zutphen: Walburg Pers. Lamers, C., Van Engelen, E., Dinjens, J., Potting, M., Sniekers, M. en Reverda, N. (2009). Professionalisering van de welzijnswerker: Zelfreflectie als instrument. Maastricht: CESRT, Hogeschool Zuyd. Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. (2010). De kracht van verbinden. Nationaal Programma Welzijn Nieuwe Stijl. Den Haag:

Ministerie van VWS. Potting, M., Sniekers, M., Lamers, C., Dinjens, J. en Reverda, N. (2009). Professionalisering van de welzijnswerker: Een Methodiekboek. Maastricht: CESRT, Hogeschool Zuyd. Potting, M., Sniekers, M., Lamers, C. en Reverda, N. (2010). Legitimizing social work: The practice of reflective professionals. Journal of Social Intervention, 19 (3), 6-20. Robson, C. (2002). Real World Research: A Resource for Social Scientists and Practitioner-Researchers. Oxford: Blackwell Publishing. Sniekers, M., Dinjens, J., Lamers, C., Potting, M. en Reverda, N. (2009). Professionalisering van de welzijnswerker. Een terugblik op twee jaar Procivi. Maastricht: CESRT,

7


Hogeschool Zuyd. Sniekers, M., Dinjens, J., Lamers, C., Potting, M. en Reverda, N. (2009). Professionalisering van de welzijnswerker: Diamant reflectie: een reflectie-instrument voor praktijkleren door en voor studenten. Maastricht: CESRT, Hogeschool Zuyd. Spierts, M. (2005). Een ‘derde weg’ voor de sociaal-culturele professies. In G. Brink, Van den , T. Jansen & D. Pessers (Eds.), Beroepszeer. Waarom Nederland niet goed werkt (pp. 234248). Amsterdam: Boom. Tonkens, E. (2008). Herwaardering voor professionals, maar hoe? Paper presented at the Raad voor het Openbaar Bestuur Lezing, Den Haag. Van der Lans, J. (2010). Er-op-af. De nieuwe start van het sociaal werk. Amsterdam: Augustus. Van Eijken, J. (2012). Sociaal werk en moderne burgers. In J. Van Eijken, H. Van Ewijk & H. Staatsen (Eds.), Samenleven is geen privézaak. Sociaal werk en actief burgerschap. Den Haag: Boom Lemma uitgevers.

8

Het belang van het handelen van de welzijnswerker  

Het belang van het handelen van de welzijnswerker