Page 1

1


2


Worstel en kom boven N OL K O O IJ M A N S - EEN B IOGRA FIE

Tim de Hullu

3


4


IN HOU D

5 Proloog

70

9

73 Kampverhalen

Een voorbeeld voor velen

Worstelen om het worstelen

76

De visie

13

Historie herleeft

16

De toespraak

83

Voor de ander

21

Fruit met plekkies

84

Als een kunstenaar

86

Huisje in TsjechiĂŤ

88

Maatschappelijk loodgieter

25 Kwajongen 31

Nol en Corry

32

De lucifer

95

Trots zonder woorden

37

De beer en de Amerikaan

96

Op het juiste moment

40

De Pispaal

101 Prachtmeid

44

Tante Lien

106

Onverwoestbare vader

46

Keihard werken

108

Net als hij

49

Auto gejat!

114 Opa

52

De fruitbomen van Meerkerk

119 Afscheid

57

Een leven lang worstelen

120

Man in de Rijn

59 Afknijpen

122 74

62 Sportverdwazing

125

Dominee Helder

64 Beginnersfout

126

Bij elkaar

5


6


PR OLOO G

7


Een boek schrijven over iemand die je nooit hebt gekend, is een bijzondere ervaring. Ik moet zelfs bekennen dat voordat ik een in memoriam voor het AD Utrechts Nieuwsblad schreef, ik nog nooit van Nol Kooijmans had gehoord. Maar toen Corry Kooijmans tijdens het interview over haar man ineens aan mij vroeg: “Wil jij geen boek over Nol schrijven?”, wist ik al vrij snel: dit ga ik doen. Corry’s verzoek kwam namelijk precies op het juiste moment. Een tijdje daarvoor had ik besloten om te gaan doen wat ik het liefste wilde: biografieën schrijven. Ik was blij verrast dat er direct zo’n mooi verzoek op mijn pad kwam. Door de schitterende anekdotes die Corry, dochter Marion en oud-werknemer en worstelman Erwin Goris mij vertelden, kreeg ik het gevoel dat ik een prachtig boek zou kunnen maken over een volstrekt integer persoon. Dat laatste durf ik wel te stellen, want alhoewel ik Nol nooit heb ontmoet, heb ik hem door alle gesprekken met Corry, zijn kinderen, zijn oudste zus Cor, zijn goede vriend Henk van Hulst en mensen van De Halter toch een beetje leren kennen. Arnoldus Kooijmans was een stoere grote man, een rots in de branding. Een man voor wie worstelen op de eerste plaats kwam, maar die altijd voor iedereen klaarstond. Een man die vanuit een groot rechtvaardigheidsgevoel niet schuwde zijn spierballen te tonen. Een man met bepaalde eigenaardigheden, maar met het hart op de juiste plaats.

8


Ik vond het schitterend om een speurtocht door het leven van Nol Kooijmans te maken. Een tocht langs lachwekkende anekdotes, het oude Utrecht, sportprestaties, vakmanschap, familiebanden en vreugde en verdriet. Voor mij is dit boek een eerbetoon aan Nol ĂŠn het leven. Ik hoop dat u net als ik geniet van de verhalen die vertellen over alles wat een mens en een mensenleven kunnen zijn. Ik wil de familie Kooijmans hartelijk danken dat ik dit boek mocht maken. Het was mij een groot genoegen.

Tim de Hullu, Utrecht, april 2016

9


10


EEN V OOR BEELD V O O R V E L E N

11


Nol was een prachtmens. Een brok beton met een heel groot hart. Hij is vele malen Nederlands Kampioen worstelen geweest. Die kracht is hij nooit kwijtgeraakt. In 2000 en 2001 haalde hij op het WK Masters nog een respectievelijke 2e en 3e plaats. Nol zijn inzet voor de vereniging, de worstelsport en onze stad was tomeloos. Ik heb Nol leren kennen toen ik nog raadslid was. Krachtsportvereniging “De Halter� zat toen nog in het oude veilinggebouw. Een gebouw dat gesloopt ging worden en nieuwbouw was nodig. Nol wilde de vereniging graag in de wijk houden, omdat de vereniging een verbindende functie voor de bewoners heeft. Nol heeft vereniging U.K.V. De Halter verder gebracht. Natuurlijk is het een sportvereniging die meedoet voor de prijzen. Maar De Halter is veel meer geworden dan dat: Nol wilde topsport en recreatiesport met elkaar combineren. Een plek waar iedereen ongeacht komaf welkom is, waar omgangsvormen er nog toe doen. Een club die met het Paastoernooi het grootste Olympisch jeugdworsteltoernooi ter wereld organiseert. Een club die leeft. De Halter is een begrip in de stad. Natuurlijk heeft Nol alles wat er bereikt is niet alleen gedaan. Maar in mijn ogen maakte Nol wel het verschil. Hij zette de toon, zonder overbodige woorden. Met zachte stem dwong Nol respect en gezag af. Met zijn grote hart liet hij iedere bezoeker en sporter zich welkom voelen.

12


Het is een groot gemis dat Nol er niet meer is. Wat er wel is, is zijn nalatenschap: een sterke warme vereniging in een prachtig gebouw met nieuwe, jonge mensen die ook weer werken aan de sterke, mooie vereniging die De Halter is geworden. Met dank aan Nol. Wat ook blijft zijn mijn herinneringen aan Nol: een prachtmens. Een voorbeeld voor velen. Hans Spekman

13


14


HIS T OR IE HE R L E E F T

15


16


De oude veilinghal in Utrecht was tot de sloop in 2000 het decor van het jaarlijkse internationale Paastoernooi van De Halter

Foto De Halter

17


De toespraak

A

lle ogen in sporthal De Veiling bij de Croeselaan zijn op één man gericht. Een afvaardiging van de gemeenteraad van Utrecht is vanavond heel benieuwd wat Nol Kooijmans, voorzitter van worstelvereniging De Halter, ditmaal zal gaan zeggen. De vorige toespraak van

de rustige, sympathieke maar gezag uitstralende man had indruk op de politici gemaakt. Zijn vereniging, zo had Kooijmans in 1997 gezegd, zou de stad Utrecht twee ton aan guldens opleveren. Twee ton! En de uitleg klonk nog aannemelijk ook: De Halter haalde jongeren van de straat, bracht ze normen en waarden bij en hield daarmee de criminaliteit laag. Tel uit uw winst. Nol Kooijmans had in zijn woorden alles uit de kast gehaald voor zijn vereniging, want naast de sloop van de oude veilinghal (die als sporthal fungeerde, maar plaats zou maken voor nieuwbouw), was ook het oude veilinggebouw zijn leven niet zeker. En daar zetelde nou juist De Halter, de vereniging waarvoor Nol door het vuur ging. Zijn toespraak had gewerkt, zag Nol. Maar het was niet voldoende geweest. Na het afketsen van een verhuizing naar een nieuw sportcomplex, omdat het De Halter te veel geld zou kosten, was er sprake van dat het veilinggebouw toch kon blijven bestaan. En dat De Halter er na een grondige renovatie zou kunnen blijven. Maar sindsdien had de vereniging telkens wisselende gesprekspartners, bleef er onduidelijkheid en nam de onrust binnen de vereniging toe. Vanavond wil Nol Kooijmans daar een eind aan maken. De voorzitter vindt dat De Halter wel lang genoeg in de wachtkamer heeft plaatsgenomen, schetst alle gemeenteraadsleden een korte historie en komt dan ter zake: ,,Hoe staat het met de plannen voor renovatie van het voorgebouw?” De toon van de speech is vriendelijk, feitelijk en zonder verwijten. Maar wel met duidelijke wensen: de tussenmuur wordt verplaatst, de oude kleedkamers van de grote sporthal veranderen in een fitnessruimte en het geheel krijgt een flinke opknapbeurt. Zo. Net als in zijn vorige toespraak benadrukt Nol de meerwaarde 18


Foto Het Utrechts Archief

van De Halter. “Doordat wij overdag ook open gaan, kunnen we iets betekenen voor deze buurt. Wij kunnen een gedeelte van de jeugd opvangen die nu woensdagmiddag van de grote hal gebruik maakt. Als zij in de buurt zwerven, is dat geen goede zaak.� De woorden hebben effect. Direct krijgt Nol duidelijkheid. Het gebouw blijft bestaan en De Halter kan er blijven. Er komt een haalbaarheidsonderzoek 19


De familie Kooijmans, van links naar rechts:

De jonge Nol

vader Arnoldus, Nol, Cor (boven), Cisca (onder), Truus, moeder Sien en Ruud

De oude kaaszolder aan de Lange Nieuwstraat in 1943, nog voordat Nol er gaat worstelen

De sterke kant van worstelaar Nol was zijn lenigheid

20


naar de ontwikkeling van het voorgebouw en De Halter wordt bij alle gesprekken en plannen betrokken. Er zal nog wel wat water door de Oudegracht moeten voor de handen echt op elkaar kunnen, maar het resultaat mag er wezen: in 2003 is het vernieuwde gebouw helemaal klaar. Een nieuwe accommodatie met een kinderdagverblijf, een veel ruimere worstelzaal, een fitnessruimte en een veel grotere kantine. De Halter kan haar sportaanbod uit gaan breiden met sporten als gewichtheffen en powerliften en is klaar voor de toekomst. Worstelaars zijn niet de enigen die Nol dankbaar mogen zijn. Ook echte Utrechters, stad liefhebbers en mensen met oog voor geschiedenis ĂŠn de bewoners van de ontstane nieuwbouwwijk zullen het monument waarderen. Nergens vloeit historie zo mooi over in het nu en de toekomst. Het symmetrische pand heeft iets statigs, heldhaftigs en staat recht op een verdiept speelveldje. Alsof het plein onlosmakelijk verbonden is aan het complex. Als jochie moet je nieuwsgierig worden als je daar aan het voetballen bent: wat gebeurt daar allemaal in dat grote gebouw?

21


BIJNA IN DE FIK Nol mag dan de redder van het Veilinggebouw en De Halter worden genoemd, hij zorgde er in zijn jonge jaren als leerling-loodgieter bijna voor dat de hele hal afbrandde. Na de opening van het nieuwe gebouw blikt hij daar lachend op terug in een lokale krant: “Ik werkte op het dak toen de vlam van mijn brander onder de dakrand terecht kwam. Gelukkig kon ik het vuur zelf uitmaken.�

Foto De Halter

Het statige voormalige voorgebouw van de Veiling en clubgebouw van De Halter

22


Fruit met ‘plekkies’

O

p de kleine Nol had de oude veiling ook zo’n aantrekkingskracht. Het is vlak na de oorlog en Nol woont samen met zijn drie zussen en zijn broertje in een kleine woning aan de Boogstraat: één van de Zeven Steegjes in de Utrechtse binnenstad. Vader Arnoldus Kooijmans

is na een lange werkloze periode net weer aan het werk (onder meer in de wegenbouw en in de sigarenfabriek in gebouw De Gesloten Steen aan de Oudegracht), maar het blijft armoe troef. Alles wordt gedaan om maar centen binnen te halen. Als Arnoldus vorstverlet heeft en er ligt sneeuw, gaat hij langs de winkels om daar de stoep schoon te vegen. En als de Singel bevroren is en er wordt geschaatst, veegt Arnoldus de baan. Daarmee worden de eindjes aan elkaar geknoopt, maar het houdt allemaal niet over. Het gezin krijgt bonnen om eten te kopen. Om toch wat extra’s te bemachtigen, loopt Nol samen met zijn neef Jan de Nas helemaal naar de Groente- en Fruitveiling. Alles wat daar wordt weggegooid, neemt Nol mee naar huis. Met tassen vol komt hij bij z’n moeder aan: kijk eens aan, de oogst van de dag! Allemaal appels, sinaasappels en bananen die doorgedraaid (niet verkocht) zijn of waar ‘plekkies’ aan zitten en dus niet geschikt zijn voor verkoop. Maar moeder Kooijmans snijdt de rotte stukjes er gewoon vanaf, waarna ze weer heerlijke appelmoes kan maken. Zo kom je rond in die tijd. Mevrouw Kooijmans is het gewend. De oorlog zit er net op: jaren waarin ze zelf ook veel bij de Veiling te vinden was. Samen met andere vrouwen uit de straat ging ze in de hongerwinter richting het station, waar aardappelen werden gelost. Als er dan eens een aardappel uit een zak viel, raapte ze die direct op. Zo schraapte ze soms samen met een paar uien en wortels zo een potje hutspot bij elkaar. Voor haar en Nol, die haar derde kind en toen nog de jongste was. De andere twee meiden waren vanwege de oorlog uitbesteed aan een gezin in Denekamp en Nols vader zat ondergedoken. Dan had ze een heerlijk hapje gemaakt voor haar zoon, riep ze hem naar 23


binnen, maar zette Nol het midden op straat op een schreeuwen: “Ik lust geen hutspot!” Terwijl iedereen er op dat moment een moord voor zou doen. Tja, kinderen hebben daar geen weet van. Hij was nog maar een jaar of vijf. Veel van de oorlog kreeg Nol dan ook niet mee. Later hoort hij alle verhalen. Over het bombardement in de verderop gelegen Nicolaas Beetsstraat, waardoor de ruiten uit het huis sprongen, de scherven in de straat lagen en de gezinsleden met grote schrik onder tafel of in de hoek van de trap doken. Over zijn vader die tijdens de bevrijding vanaf zijn onderduikadres achter de Canadezen aanliep en sigaretten en chocola kreeg van die gasten. Over zijn hoogzwangere moeder (van Nols jongste zus) die toen tegen anderen riep “Je kunt een sigaret krijgen, maar dan moet je wel een luier meebrengen” en zo de hele babyuitzet bij elkaar ruilde. Over zijn zussen die met roodvonk in het ziekenhuis lagen toen hij geboren werd en zo onbedoeld de Duitsers buitenhielden, omdat die bezetters bang waren voor besmetting. En over vrouwen (waaronder zijn moeder) die bij het station kolen gingen stelen, gegrepen werden door de Duitsers en voor straf aardappelen moesten schillen in de Jaarbeurs. Het woord stelen heeft overigens geen negatieve klank. Het is schering en inslag. Kinderen krijgen juten zakken om hun middel geknoopt en worden de straat op gestuurd. Zo’n ‘tien kilo zak’ moet aan het eind van de dag vol zijn met aardappels: hoe dat gebeurt, maakt niet uit. Jochies gaan naar het station om planken van wagons te jatten. Bij drie planken hebben ze een bord pap verdiend en kan er thuis weer gestookt worden. Dat is geen stelen, dat is overleven.

24


Het ouderlijk huis van Nol in de Boogstraat

Foto Anna van Kooij (2016)

DE ZEVEN STEEGJES

Wat was hij er trots op. “Ik ben in één van de Zeven Steegjes geboren!”, zei Nol altijd. En terecht. De Zeven Steegjes staan symbool voor het oude Utrecht, waar nog steeds de echte Utrechters wonen. De steegjes vormen het laatste buurtje in Utrecht dat binnen de singels is gebouwd. Nol woonde in de Boogstraat, vernoemd naar bierbrouwerij De Boog aan de Oudegracht. Brouwer Willem de Kock liet het gebied bij zijn overlijden in 1761 na aan de katholieke kerk, die er in de negentiende eeuw huisjes neerzette om arme en kinderrijke gezinnen onderdak te bieden. Zeker in de begin-

25


tijden waren de woonomstandigheden niet zo goed: de katholieke kerk stimuleerde mensen veel kinderen te nemen, met als gevolg dat een gezin met tien kinderen op 45 vierkante meter woonde. In de Suikerstraat woonde zelfs een gezin met 21 kinderen! De ouders sliepen beneden en alle kinderen op zolder. Net zo krap als de huisjes waren, waren de straten: de Boogstraat waar Nol woonde, is nog geen tweeĂŤnhalve meter breed. Sinds de gemeente in 1952 de woningen van de kerk kocht, werd er regelmatig over sloop gesproken. Door opstand van bewoners kwam het nooit zover en de Utrechtse Maatschappij tot Stadsherstel restaureerde 128 van de 166 woningen om het buurtje te behouden voor de stad. Veel bewoners keerden na restauratie terug, waardoor er nu nog steeds nazaten van mensen van het eerste uur wonen (en hun familie en vrienden). Nols ouders vonden het huisje te klein worden toen hij een jaar of tien was, maar die jaren waren voldoende voor mooie herinneringen aan de saamhorigheid van de Zeven Steegjes. Bron: Zeven weergaloze steegjes, De Binnenstadskrant 2009

26


Kwajongen

H

et leven speelt zich jarenlang op straat af. Overdag ben je naar school en op straat, voor het eten kom je pas weer thuis. Nol is echt een straatjochie. Samen met neef Jan beleeft hij de wildste avonturen. Bij de Oudegracht is een limonadefabriek, waar schuiten gelost

worden op het water. Nol gaat er natuurlijk altijd even kijken. Hoe vaak Nol wel niet in het water duikelt?! Het is dat Jan hem telkens redt, anders verdrinkt hij een keer. Hij haalt altijd streken uit. Doet hij de zoute weck uit de weckpotten met groente bij de konijnen of gooit hij de beesten in de poepdoos. Regelmatig staan er mensen aan de deur. Dan heeft Nol weer op het plantsoentje gespeeld, wat verboden is. Zijn zus Cor heeft weleens zorgen over al die streken van Nol. Als oudste heeft zij een grote verantwoordelijkheid voor haar gezin en moet ze ook een beetje oppassen op haar jongere broer. Eens jaagt hij haar de stuipen op het lijf. Het is winter en er ligt ijs op de singel. Aan de overkant is een gat in het ijs gemaakt voor de brandweer, ook wel bijt genoemd. Op de rand van de bijt zit een jochie met z’n benen in het water te spetteren. Cor kijkt eens goed, wie is dat nou? “Oh nee, Nol!” Ze krijgt het doodsbenauwd. “Nol, kom hier jongen, dat is levensgevaarlijk!” Maar Nol blijft gewoon zitten. “Ik zit lekker joh!” Op z’n eigen tempo klimt hij er uit, er is niets aan de hand. Nol kent geen angst. Cor wél: straks is haar broertje onder het ijs beland! In de zomer heeft hij ook van die stunten. Nol springt zo in het grote bad, hupsakee. Maar hij is alleen even vergeten dat hij nog niet kan zwemmen. “Help!” Hij heeft altijd van zulke dingen. Nol is een kwajongen zonder kwaad te willen. Alleen bij die streken, in noodgevallen en tijdens het eten heeft hij contact met z’n broer en zussen, verder gaat ieder op straat zijn eigen weg. Dat geldt ook voor het worstelen van Nol. Zijn vader is zelf fanatiek en vaardig dammer en jeugdtrainer bij Ons Genoegen en is zeker trots op zijn zoon, maar heeft 27


Na een jaar of drie bij Olympia, kwam Nol bij De Halter terecht en zou er nooit meer weggaan

het te druk om bij worstelwedstrijden te kijken. En hoewel Cor Nols eerste worstelpak heeft gebreid (wat later vast enorm zou gaan jeuken), worden Nols worstelprestaties niet als iets bijzonders gezien. Ja, hij is goed, met kampioenschappen en medailles. Maar er wordt niet mee gepocht, nauwelijks over gepraat. En dus is het worstelen echt iets van Nol alleen. De sport ligt voor het oprapen, want de oudste vereniging van Utrecht, Olympia, begon op een zoldertje in de Moutstraat. En dat is in De Zeven Steegjes, om de hoek bij Nol. Daar maakt hij via neef Jan kennis met de worstelsport. Omdat zijn vader Olympia geen geschikte vereniging vindt, gaat Nol na een paar jaar naar concurrent De Halter, aan de andere kant van de Oudegracht. Op een oude kaaszolder aan de Lange Nieuwstraat maakt Nol vrienden voor het leven, zoals met Jan Tomassen. Nadat Nol en zijn gezin begin jaren vijftig naar de Plankstraat verhuizen, fietst Nol altijd eerst langs de Amsterdamsestraatweg om Jan op te pikken. Ze beleven mooie jaren, helemaal als De Halter verhuist naar 28


De Boogstraat is nog geen tweeënhalve meter breed

de Bollenhofsestraat in Wittevrouwen: daar is een prachtige sporthal. Als jeugdleden helpen ze de club dan al door er de kalk van de vloeren te krabben. Nol worstelt zijn eerste wedstrijden en blijkt een groot talent. Zijn lenigheid is zijn grote kracht, maar in die tijd wordt de nadruk op kracht gelegd. Met dubieuze trainingsmethoden. Om nekspieren en wervelkolom sterker te maken moet Nol minutenlang achterover op z’n hoofd leunen, met gewichten op z’n buik. Jarenlang zal hij nog last houden van bloeduitstortingen tussen zijn nekwervels. Het kan Nol weinig deren: hij is gegrepen door het worstelvirus. De sport geeft hem meer zelfvertrouwen en weerbaarheid. De kick van het winnen, het mentale spel; het is bijna verslavend. Worstelen wordt zijn leven.

29


DE VEILING

Eens bloeide de veilinghandel in Utrecht en omgeving, maar deze bestaat inmiddels niet meer. De enige herinneringen zijn de naam Veilinghaven en het voorgebouw van de Vereniging Groenten- en Vruchtenveiling Utrecht en Omstreken. Dat laatste is te danken aan Nol, die er voor zorgde dat het gebouw op de gemeentelijke monumentenlijst kwam te staan. Daarmee stelde hij de toekomst veilig van een stukje Utrecht-historie. De geboorte van de Veilingvereniging was in 1905. Met de oprichting gaven 22 leden, allemaal hoveniers, een antwoord op het verhandelen via de markt. Door continue aanvoer van kwaliteitsgoederen moesten de prijzen stabieler worden. Maar in het begin, met de fruithal op Vredenburg als veilinggebouw, zat het niet mee. Handelaren zagen in de veiling een concurrent en kochten partijen op voordat de veiling werd bereikt. Pas na de Eerste Wereldoorlog kreeg de Veiling het vertrouwen van een grote groep telers en handelaren en schoot de omzet van de veiling omhoog. Dat ging gepaard met een verhuizing ten westen naar een terrein van het spoor, waar in 1925 een groot gebied voor de veiling werd aangelegd. Het gebouw aan de Heycopstraat verrees, samen met een veilinghaven en spoorbanen. Tuinders uit de omgeving brachten hun goederen veelal per boot naar de Veilinghal. Nadat de veiling stopte, werd de Veilinghal een sporthal. De Halter kon het voorgebouw in 1975 betrekken en net als andere verenigingen gebruik maken van de veilinghal, die in 2000 werd gesloopt. Bron: Utrechtse Stichting voor Industrieel Erfgoed

30


Foto Utrechtse Stichting voor Industrieel Erfgoed

31


32


NOL EN C O R RY

33


De lucifer

H

ij is er weer hoor. En hij komt voor jou!” Als haar moeder dat zegt, weet de 16-jarige Corry Ummels wel hoe laat het is. Het meisje is aan het voetballen op ’t pleintje en ziet ‘m daar staan, op de hoek van de Tiendstraat: de jongen in wit overhemd en blauwe broek, bij-

tend op een lucifer. Dit is het signaal dat Nol Kooijmans, die sinds een paar jaar in de buurt woont, geen vriendinnetje heeft. “Laat hem maar lekker staan!”, zegt Corry bits, maar toch zoekt ze hem weer op. En krijgen ze weer verkering. Nou ja, verkering. Het meisje krijgt een ijslolly van de jongen en dat is het wel zo’n beetje. Het was niet direct echte liefde. Voor Corry was Nol eerst nog de nieuweling in de wijk die tot vervelens toe rondjes reed op zijn fiets. “Hij is een talentvolle worstelaar”, had haar vader eens gezegd. Nol worstelde bij De Halter en daar hielp Corry haar ouders weleens mee achter de bar. Echt contact hadden de twee nooit. Totdat het jaarlijkse Bevrijdingsfeest weer plaatsvindt en de liefde geheel op praktische gronden wordt beklonken. Corry heeft haar vaste vriendje bij zich op dat feest. Zo’n zekerheidje is wel handig, want als je in moeilijkheden komt, dan heb je tenminste iemand die het voor je opneemt. Dit exemplaar is alleen níet zo handig. Hij is een kop groter dan zij en die combinatie ziet er natuurlijk niet uit. En daar is Nol. Hij heeft precies hetzelfde probleem. Hij heeft verkering met een buurmeisje gekregen, maar dat meisje is weer een hoofd groter dan hij. Dus wat doe je dan? Dan ruil je maar van partner. Corry is er blij mee, Nol ook. Voor Nol is het dan al duidelijk: dit is ‘r. Later zal hij zeggen dat hij vanaf het begin van Corry is blijven houden. Bij Corry moet het groeien, maar op het feest is dat nog niet zo belangrijk. Eerst maar samen genieten. Ze wandelen achter het muziekkorps aan en hebben het reuze naar hun zin.

34


Diensttijd: Nol met ontbloot bovenlichaam

Elke zomer hebben Nol en Corry wel verkering. Alleen dán, want in de andere seizoenen zien ze elkaar niet zo veel. Corry werkt hard in de boekbinderij, Nol gaat vier dagen per week naar de avondschool. Omdat Corry ’s avonds op tijd binnen moet zijn van haar ouders, blijft er weinig ‘quality-time’ over. Wel komt Nol haar ophalen van gymnastiek en zien ze elkaar dus bij het worstelen. Zo groeien ze eigenlijk samen op, maar dat ze ook een liefdeskoppel worden, is best verwonderlijk. Ze zijn totaal verschillend. Corry is een dondersteen, Nol was bloedserieus. Corry vindt ‘m bij vlagen vreselijk saai. Hij komt haar altijd om half zeven ophalen om een stadswandeling te maken. Maar als Corry dan niet zegt dat ze iets wil ondernemen, zoals een bioscoopbezoek, gebeurt er ook he-le-maal niets. Lopen ze oeverloos door de stad en zegt Nol geen woord. Soms verveelt Corry zich zo enorm, dat ze dan ineens ergens belletje trekt en hard wegloopt. “Wat doe je nou!”, roept Nol dan. Op een gegeven moment heeft Corry het wel weer gezien en is de verkering ten einde. Totdat Nol dus weer op de hoek van de Tiendstraat staat, moeder Ummels haar 35


Meer foto’s van de diensttijd

36


dochter roept en alles opnieuw begint. Met haar moeder heeft Nol wél hele gesprekken. Heeft ie zo’n hele tocht geen woord tegen Corry gezegd, komen ze thuis, zegt haar moeder ‘Wil je een bakkie koffie jochie?’ en praat Nol honderduit tegen haar. Bij z’n meissie is hij schuchter en verlegen. Thuis heeft Nol nooit echt leren kletsen. Daar spreekt alleen zijn moeder. Als je er iets vraagt, geeft moeder antwoord. Niemand die hem echt kan ontdooien, behalve zijn schoonmoeder. Zij mag hem graag en toont veel belangstelling voor zijn worstelprestaties. Corry vindt het maar niets. Als Nol en haar moeder zo gezellig zitten te kletsen, zit zij zich te verbijten in de woonkamer. Het blijft lang een knipperlichtrelatie tussen Nol en Corry, totdat Nol zijn diploma’s op zak heeft en op z’n negentiende in dienst gaat. Nol heeft vriendinnetjes gehad en Corry had een tijdje een Duitse vriend, maar toch komen ze telkens bij elkaar. En ook voorgoed. In Nol vindt Corry de rust. Een jongen waar ze van op aan kan, met het hart op de juiste plaats. Ze komt in een rustiger vaarwater, haar vrienden krijgen allemaal vaste verkering. In die tijd komt ze Nol veel tegen. Als Nol in dienst gaat, ziet ze hem altijd bij de Singel. Nol gaat dan naar de trein, zij komt bij haar opa vandaan. Op een keer vraagt een vriend van Nol of Corry mee gaat minigolfen. Neemt Nol haar mee achterop zijn brommer. Vanaf dit moment is het echt aan en zal het ook niet meer uitgaan. Je zou kunnen zeggen dat de diensttijd daar voor zorgt. Het geheim: brieven schrijven. Soms komen woorden op papier beter over. Eens in de veertien dagen zien Nol en Corry elkaar, maar ze communiceren beter dan ooit. Prachtige proza schrijven ze, waardoor er wederzijds begrip ontstaat. En als ze dan praten, hebben ze ook echt iets om te bepraten. Al is het alleen maar vanwege alle belevenissen van Nol in het leger.

37


38


De beer en de Amerikaan

O

p de kermis in Eindhoven kun je vechten met een beer. Corry is op haar tweewekelijks bezoek op de legerbasis en loopt met Nol langs de berenkooi als de exploitant hen toeroept; “Deze man, die doet het wel hoor!” De jongedame schrikt terug. “Nou, deze doet het he-

lemaal niet, hoor!”, zegt ze. Inderdaad, Nol zal het deze dag niet tegen de beer opnemen, maar een week daarvoor – toen Corry er niet bij was – was dat helemaal anders. Dat Nol Kooijmans nergens bang voor was, liet hij aan zijn legermaten blijken door de strijd aan te gaan met een beest dat een paar koppen groter was dan hij. Het idee was als volgt: je deed een overall aan, betrad de boksring en moest proberen zo lang mogelijk in die ring te blijven. Dat hield niemand langer dan een minuut vol, want die beer gooide je zo de ring uit. Doorgaans gaven mensen het dan na een paar keer wel op. Maar Nol natuurlijk niet. Negen keer ging Nol de ring uit en in en als het aan hem lag kwam er nog wel een tiende keer bij. Daar staken mensen van de organisatie een stokje voor. Nadat zij Nol moesten bevrijden, omdat hij over de omheining klem was komen te zitten en ze de beer bij hem weg moesten houden, was het einde oefening. Een week later kon het dus wel weer, dacht de kermisman. Maar dankzij Corry gaat dat niet gebeuren. Af en toe moet ze haar geliefde behoeden voor gevaar, want dat ziet hij zelf totaal niet. Hij kent geen angst. Die eigenschap zorgt in zijn diensttijd voor de wildste belevenissen. De mooiste van allemaal staat in één van Nols brieven aan Corry, geschreven als hij in Noord-Holland op schietoefening is.

39


Di nsd aga vo nd

Li ev e Co rr y

r aa nge kom en. idd ag zij n wi j hie He lde r. Vr ijd agm n De uit j mi n ich tje va nog we l om Hi er een s een ber s aa n de zee toc h ees t. Ma ar het wa gew rm wa lijk r is beh oor uu r sch iet en. Di t we eke nd hie 7 tot ’s av ond s 6 va n ’s mo rge ns j wi n ete mo lik het oge nb dit bri efj e uit te hou den . Op t spi jt me da t ik oge nb lik sta at. He het op er die nd t, in die wi et ik op de ker He t is an der s wa n. Om 7 uu r mo mi nu ten gaa n ete n tie er ov j wi t den , om da n. Gi ste rzo kor t mo et hou aa n vr ij wo rst ele se, of we lte ve rst ket g sin ket te – rik nie t . Je beg rij pt mi s zij n, om – sch n 60 ma n na ar toe gen da ar me t zo’ gin ij W en. onn ker mi s beg vo or die jon gen s av ond is hie r de ige rs vr oeg en, ik een pa ar vr ijw ill ent rtt spo die n ze bij n 10 0 ma n, we l Co rr y da t toe hel e afd eli ng, zo’ t gew ees t. On ze wa l we me is t gaa n. He rk och t. Ee rst na ar vo ren mo est t wa s ste eds uit ve ma tro zen . De ten el ebo hel een rd er nog ioe n is we l vo or wa ren bin nen . Ve die mi lit air ka mp sol da at Sc hen k s wa ar Da rt. n de beu ek ha d ik aa n. wa s het bok sen aa een mi jn lan ge bro d uit get rok ken , all hem en en oen mi jn sch sch ree uw den te vin den . Ik ha d son aa ntr ad . Ze toe n ik teg en Jo hn en hor n ete mo pu bli ek nw ak ker de Co rr y, je ha d het mi jn str ijd lus t aa ig wa s het . Of dit eld gew ’, ns! ma ns, Ko oij 20 all em aa l ‘ K ooi jma hem we er zek er er op en vlo erd e rd e hem zel f we beu , hem e erd t. Ik vlo het tou w gin g we et ik ha ast nie an der e ka nt va n uit lie p en aa n de g rin de hij n wa s toe en mi jn an der e kee r. He t mo ois te hem bij zij n kop kom edi e. Ik gre ep ar ma jk rli tuu na t wa s eno rm e kla p op sta an sch eld en. Di g in. Di t gaf een hem ine ens de rin ik ide aa zw zo bor st en t de tijd om mi j ha nd ond er zij n gej oel . Ik kr eeg nie ebr oke n doo r het afg jk eli rk we t we rd de ker mi s de pla nk en. De ten gen s de sch oud ers n en op al die jon epe egr stg va rd . Ik we aa n gaa n kle den eig en aa n te kle den ben ik mi jn eig en n me e. Na der ha nd ma 0 50 l we lie pen ese nt wo u we ron d ged ra gen . Er om 7 uu r we er pr ik mo rge na vo nd of t ten die n va die ba as gew eld ig ve el mi en toe n vr oeg ik hn son . Di t tre kt te spe len vo or Jo der tan ens teg ond als als ik thu is ben . zen om de hel e av l me er hie r ov er Ik ve rte l je nog we . ben heb st jui ete n zij me e. En da t lit air en en dit mo r na tuu rli jk gel d nt ik ve rd ien hie wa er, rov hie ek s aa n Lo ma ar er sta an Ve rte l ma ar nik . Ik ben we l kor t, tot vr ijd aga vo nd y, rr Co s Du t. els nie ik al gel eze n ma g vo lge ns de reg t. Jo uw bri ef heb ar de ker mi s gaa na ik tot en cht gen s te wa lle n nog we l hie r een ste l jon mo et. Ma ar we zu va n ve rw ach ten er ik t wa d goe ijk nie t ouw en in je en ik we et eig enl za l nu ma ar ve rtr Du s Sc ha tje ik at. sta n doe te ons bei den zie n Co rr y wa t . Da g hoo r. ste va n je jon gen rr y het all erl ief n thu is en jij Co aa en oet Gr . heb ben … Ve el ku sje s en… Li efs No l.

40


Het briefje behoeft enige uitleg. Johnson is een roodharige Amerikaan die als attractie optreedt. Waarschijnlijk zo’n freefighter die je kent van de gevechten op televisie: met veel theater en geschreeuw. Een gemenerd is ie. Hij maakt Nol kwaad. En dat kun je beter niet doen. Als Nol Kooijmans boos wordt, verliest hij niet meer. Op een gegeven moment heeft Nol hem in een heupzwaai en denkt hij dat hij bijna de nek van zijn opponent breekt. Johnson kan geen kant meer op, maar tikt ook niet af. De scheidsrechter grijpt in om erger te voorkomen en roept Nol als winnaar uit. Loek, de man die volgens Nol niets van het gevecht mag weten, is Loek Alflen, Nols latere zwager, de geliefde van Corry’s zus. Alflen is een groot Utrechts worstelaar die eenmaal meedoet aan de Olympische Spelen. Nee, hij mag niets horen, want als het bij de worstelbond bekend wordt dat Nol geld verdient met worstelen (25 gulden als hij won), dan zal hij zijn amateurstatus verliezen. En dus niet meer in competitieverband voor De Halter kunnen worstelen. Die grote liefde mag hem absoluut niet ontnomen worden. 41


De Pispaal

L

ater krijgt Corry nog een brief. Met de boodschap: “Reken er maar niet op dat ik thuiskom, want ik krijg waarschijnlijk verzwaard.” Corry is wel wat gewend, maar deze opmerking komt binnen. Verzwaard betekent namelijk dat je na diensttijd naar Nieuwersluis moet; de cel

in. De straf die hem boven het hoofd hangt, heeft alles te maken met het beruchte worsteloptreden tegen de Amerikaan. Zoals Nol schrijft, had hij alleen zijn legerbroek nog aan toen hij door al die militairen als een held over de kermis werd gedragen. Daar ging het mis, want je moet in het openbaar je hele uniform aan hebben. De militaire politie kreeg er lucht van en toen hing Nol dus een zware straf boven het hoofd. Dat zal vaker gebeuren, want Nol is een brokkenpiloot die geen gevaar ziet. In 1961 gaat hij zwemmen in IJmuiden en haalt de reddingsbrigade hem terug. Eens gaat hij bij een dropping ‘even op een paard zitten’, waarna hij het paard een tik op zijn billen geeft, het paard op de loop gaat en Nol keihard op de grond klapt. Een andere keer vergeet hij z’n koper te poetsen of mist hij de bus en komt te laat in de kazerne. Dat soort overtredingen kunnen hem weinig schelen, want hij zal uiteindelijk nooit in de cel belanden. Nol weet dat hij belangrijk is voor het leger. Hij zit in een soort interne knokploeg, een patrouille, die moet ingrijpen als er legerofficieren vervelend worden. En hij geeft sportles. Nol zegt: als ik een straf krijg, dan ga ik die dingen ook niet meer voor jullie doen. Daarmee is de kous af. Bovendien heeft Nol een onbesproken imago. Van iemand die het opneemt voor de zwakkeren. Zoals soldaat de Hoon. Altijd is hij de pispaal. Die duwen ze in de wasbak en verzuipen hem half. Als Nol dat hoort, zegt hij tegen de boosdoeners: “Jullie blijven van hem af, want dat pik ik niet.” Waarop een van de vechtersbazen zegt dat hij Nol ook wel even te grazen zal nemen. Dat hoort Nol en hij stuift op hem af in de etensstal. “Wilde jij mij pakken? Laten we het dan maar gelijk doen, ga maar mee naar buiten.” De pestkop is totaal verbouwereerd, maar Nol zegt: “Ik ga voor niemand opzij en voor jou hele42


Foto Utrechts Archief (uit 1949)

De straat waar Corry opgroeide en waar ze Nol leerde kennen: de Tiendstraat, vlakbij de Amsterdamsestraatweg

maal niet.� Zo is Nol. Mensen die denken dat hij bang voor ze is, geeft hij het nakijken. Dat is een opmerkelijke tegenstrijdigheid. Aan de ene kant is hij dus een tikkie saai, maar aan de andere kant staat hij voorop en maakt hij de gekste dingen mee. Zo is hij met uitgaan geen losbol, maar gaat hij een knokpartijtje niet uit de weg. En dat is er nog weleens in de stad. Niemand die vindt dat 43


44

Nol met Dick van Ginkel. Ruimte voor meer foto’s


daar iets mis mee is. Mocht je daar zelf eens in verwikkeld raken, dan moet je in elk geval hopen dat je niet Nol en zijn maat Arie Alflen tegenover je hebt. Want dan ben je sowieso gezien. Ze pleuren zo over een auto heen bovenop een gevecht. Nol is onverwoestbaar; je kunt hem gewoon niet raken. Niet dat hij vecht om het vechten. Nee, er moet wel een aanleiding zijn. En voor Nol is die altijd dezelfde: onrechtvaardigheid. Hij vecht ook maar onder één voorwaarde: het moet een gelijke strijd zijn. Eens is hij in gevecht met iemand, die later wordt vastgepakt door andere jongens. Zij roepen Nol toe: ”Sla hem dan, sla hem dan!” Waarop Nol zegt: “Ben jij gek! Dat is toch niet eerlijk?” Hij stopt en het gevecht is direct voorbij. Nol houdt niet van oneerlijkheid. Maar als je hem aanraakt of je doet iemand anders iets, ja dan gaat hij ervoor. Met die eigenschappen geeft hij Corry vertrouwen dat hij er altijd voor haar zal zijn. Al kan ze met een worstelachtergrond wel haar eigen boontjes doppen; het gevoel is prettig. Bovendien is Nol een goedzak. Hij doet niets onreglementairs, gaat niet vreemd. Een rotsvast vertrouwen in haar man is de basis van een lang huwelijk.

45


Tante Lien

C

orry is niet altijd gewenst. Bij acrobatiekoptredens van Nol wordt ze vriendelijk verzocht thuis te blijven. Omdat Nol goed op zijn handen kan staan, is hij onderdeel geworden van acrobatengezelschap de Corito’s, waarmee hij optreedt voor zieken en bejaarden. Wanneer

Corry komt kijken, loopt alles in de soep. Ze kent het hele programma en ziet elk foutje. Eens vergeet iemand dat ie op moest staan in plaats van liggen en gaat Nol zo op z’n hoofd zitten. Niemand die het ziet, want ze kunnen het goed verbloemen, maar Corry ligt helemaal in een deuk. En dat zien de artiesten natuurlijk en dan raken ze – letterlijk – uit hun evenwicht. Gelukkig gebeurt dat niet vaak en met provinciaal turnkampioene Ans Nieuwenhuys en acrobaat Toon Janssen gooit Nol hoge ogen. Hij is de eerste in Nederland die met een plank op een rol een nummer doet. Dat laat hij ook weleens bij De Halter zien. Het trio doet evenwichtskunstjes op een tafel en oefent in de kapsalon van ‘Tante’ Lien Görts in de Hasebroekstraat. Nol vertoont zelfs in Tivoli zijn kunsten en reist het hele land af met cabaretgezelschappen en bekende namen als Rob de Nijs, Ria Valk en Imca Marina. Zonder Corry erbij draait het aardig, maar na drie jaar komt dan toch het demasqué van het gezelschap. Bij een auditie voor een tv-programma gaat het faliekant mis. Nol en Toon staan op hun handen, Ans ‘zweeft’ boven ze. Maar vooral Toon is zo nerveus dat het figuurtje van het trio zes keer achter elkaar als een kaartenhuis in elkaar stort. De jury heeft genoeg gezien. Game-over.

46


Een nummer met een plank op een rol. Samen met zijn Corito’s bracht acrobaat Nol iets unieks

47


Keihard werken

T

och kijkt Nol met veel vreugde terug op de acrobatenjaren, waarin hij ook nog leuk heeft bijverdiend. Veertig gulden per optreden, kreeg ie. Dat lijkt nu niet veel, maar in die tijd was het weekloon 85 gulden, dus een paar tientjes extra tikten al lekker aan. Bovendien

kan Nol het geld goed gebruiken om iets op te bouwen met Corry, met wie hij net getrouwd is. Denk bij dat huwelijk niet aan een romantisch aanzoek van een prins op het witte paard. Nee, net als de verkering was ook het huwelijk om praktische redenen gesloten: de anticonceptiepil was er nog niet en Corry en Nol wilden niet dat ze ongehuwd kinderen kregen en daardoor gedwongen moesten trouwen. Dan maar zelf, uit vrije wil. In de kantine van De Halter werd het huwelijk in 1963 gevierd. De wittebroodsweken zijn al net zo romantisch. De eerste drie maanden wonen beiden nog bij hun eigen moeder, want ze moeten nog sparen voor een huis. Nol werkt daar keihard voor. Na de lagere school is hij direct in de loodgieterswereld gaan werken. Hard werken loont: samen sparen Nol en Corry snel duizend gulden bij elkaar. Met die duizend gulden én een aanbetaling van de werkgever van Nol kunnen ze voor elfduizend gulden een woning aan de Beverstraat kopen. Een kale woning welteverstaan, want verder hebben Nol en Corry helemaal niets. Ze behangen een bovenkamertje en zetten er een bed neer. Een ander kamertje verhuren ze voor een tientje aan worstelaar Jan Canten en zijn vrouw Berna. Jan is metselaar en als tegenprestatie helpt hij Nol en Corry met bouwen. Beneden wordt alles gesloopt, waardoor het echtpaar twee jaar lang op de bovenste verdieping vertoeft. Al hun geld gaat naar de verbouwing. Nol sloopt alles tegelijk en heeft zijn mannetjes lopen: timmermannen, metselaars die hij kent. Dat is maar goed ook, want Nol kan veel zelf, maar niet alles. Hij wil eens gaan behangen, maar loopt om te beginnen zo met z’n voeten over het behang. Na een tijdje prutsen, zegt hij half lachend: “Corry doe jij dat maar, want ik kan dat niet.” Bij stommiteiten heeft 48


Nol en Corry trouwden in 1963

49


hij het typische Nol-lachje: een beetje grinnikend, licht schuddend met het lichaam. Hij zal het druk genoeg krijgen met dingen waar hij wél goed in is: worstelen, maar ook een eigen loodgietersbedrijf runnen. Om daar genoeg bagage voor te hebben, pakt hij na de bruiloft en na de geboorte van zijn eerste dochter Marion avondstudies op: in zes jaar haalt hij zijn diploma voor de ambachtsschool en de certificaten gezel en patroon. Op de hoek van de Wolter Heukelslaan in Oudwijk neemt hij op z’n 27e een winkel over. Ze kopen een woning in dezelfde straat (nummer 48), maar gaan daar niet wonen, omdat de woning boven de winkel vrijkomt. Nummer 48 wordt verhuurd. Zo zal Nol het vaker doen: een pandje kopen en dat vervolgens verhuren. Boven de loodgieters- en elektricienswinkel komen Willeke, Silvia en Arno ter wereld en wordt het een drukte van belang. De drie oudste kinderen liggen samen op een klein zolderkamertje en Arno ligt bij Nol en Corry. Voor Nol is er met een eigen winkel, worsteltrainingen en –wedstrijden én studie niet veel tijd voor vrouw en kinderen. Ze leven langs elkaar heen, maar dat leidt er niet toe dat ze echt uit elkaar groeien. Ja, ze kunnen flink ruziën voordat ze op vakantie gaan, maar dat hoort er bij. Omdat ze steeds minder samen hebben, zorgen ze de laatste tien jaar wel voor een gezamenlijke activiteit: dansen in Oud-Alblas. Nol vindt het beregezellig. De truc van het echtpaar is dat ze elkaar geheel in hun waarde laten. Als Nol weer eens laat thuis komt, dan accepteert Corry dat. Soms heeft hij wel vervelende dingen. Dat komt vooral door zijn communicatie, of beter gezegd het gebrek daar aan. Al leidt dat ook wel weer tot hilariteit waar tot in lengte van dagen nog om gelachen zal worden.

50


Auto gejat!

C

orry voelt blinde paniek als ze haar man thuis niet aantreft. Ze hebben die zaterdag samen in de winkel gewerkt, maar ’s middags om een uur of twee is Nol al naar huis gegaan, omdat hij een beetje pijn op zijn borst had. Dus blijft zij samen met de kleine Arno in de win-

kel. Maar nu is hij in geen velden of wegen te bekennen. Ze rijdt langs bij De Halter, Olympia en gaat naar een tabakszaak aan het einde van de Biltstraat, waar Nol na werktijd vaak lekker een sigaartje rookt en wat gaat kletsen. Maar die winkel zit al dicht, dus gaat Corry onverrichterzake weer naar huis. Half tien ’s avonds komt Nol thuis. De boot is aan. Een week lang is Corry kwaad en slapen ze apart. En denk maar niet dat Nol ook maar één woord spreekt over waar hij is geweest. De kleine Arno zegt op een gegeven moment: “En nu ga je het goed maken met mama, want jij bent fout geweest!” Uiteindelijk zegt Nol schoorvoetend sorry. Ik zal je krijgen, dacht Corry. Ze weet dus dat ie vaak bij de tabakszaak zit. Op een dag moet ze Silvia ophalen bij de kapperszaak waar zij werkt. Ze denkt dat Nol al naar huis is, maar wat ziet ze bij de sigarenwinkel staan: zijn auto, midden op de weg! Hey, denkt ze: ik heb ook sleutels van die auto. Ze opent de autodeur, steekt de sleutel in het slot en rijdt de auto zo de hoek om. Met haar eigen auto haalt ze Silvia op en gaat terug naar de zaak, want ze wil natuurlijk wel zien hoe hij reageert. Silvia en Corry zitten zich te verkneukelen in de auto als Nol maar blijft zoeken naar zijn auto. En dan ziet hij Corry. “Oh, jij hebt ‘m weggezet!” Het is even lachen, maar Corry is pisnijdig. Ze laat haar man volkomen vrij en toch flikt hij zoiets. Vaak is het niet eens bewust dat Nol iets anders gaat doen dan hij eerst aankondigde. Dan zegt hij tegen een klant dat hij eraan komt, maar is hij dat onderweg alweer vergeten en gaat hij iets totaal anders doen. Hij doet nooit wat hij van plan is, rijdt nooit rechtdoor. En hij is vreselijk eigenwijs. Als hij een verkeerde weg inslaat, dan gaat hij niet terug, maar blijft hij stug doorrijden. En hij komt er wel hoor, het kan alleen een 51


stuk gemakkelijker. Eens heeft Corry geen auto en ziet ze haar ouders heel weinig. Heeft ze met Nol afgesproken dat hij haar zal brengen, een klus opneemt in Zuilen, en haar daarna weer ophaalt bij haar moeder op de Tiendstraat. Dat brengen gaat goed, het ophalen niet. Tot half elf zit Corry te wachten, waarna ze maar met de bus naar hun huis aan de Wolter Heukelslaan gaat. Half twaalf komt Nol thuis. “Je zou me toch ophalen?!” “Oeps, vergeten!” Corry kan niet lang kwaad blijven. Als mensen kwaad op elkaar zijn, dan praten ze niet met elkaar. Maar na zo’n akkefietje gaat Nol gewoon verder met het leven en kletst tegen je alsof er niets is gebeurd. Daar moet Corry dan om lachen en zo is de kou weer uit de lucht.

52


Gein trappen: Nol en Corry met Isolde en Hans Werner in Volendam

De woning in Meerkerk, de thuishaven sinds 1977

Altijd was Nol bezig fruit te plukken

53


De fruitbomen van Meerkerk

V

anuit de broeikas met druiven klinkt een zware stem. “Cor, dit kopen we hoor!” Samen met Corry kijkt Nol eind jaren zeventig naar een ander huis. Hij is de woning nog niet binnen geweest of hij is er al uit. Er is zo veel ruimte om het huis en de boomgaard is prachtig.

Dit is waar hij van droomde, een boerderijtje ergens buiten de stad. En dit exemplaar even buiten Meerkerk, in de Alblasserwaard, is op slechts een half uur rijden van Utrecht. Hij kan alles gemakkelijk aanhouden: werk, worstelen. Corry roept nog: “Maar je bent nog niet eens binnen geweest!” “Dat hoeft niet, want dat gooien we toch plat!”, is het vastberaden antwoord van Nol. Binnen zes weken zijn ze verhuisd. En wat Nol zei, dat gaat ook gebeuren: zoals altijd wordt ook in deze woning alles leeg getrokken. Slaapt het hele gezin maanden met z’n allen op een klein kamertje. Ach, Nol En Corry zijn inmiddels wel wat gewend. Alles doen ze zelf, behalve het metselwerk en de vloeren. Nol bedenkt een ingenieus verwarmingssysteem met buizen onder de vloer: als de haard aangaat, wordt de vloer automatisch verwarmd. Lange tijd zal het goed werken. En zo wordt Meerkerk zijn nieuwe thuis, zonder dat hij Utrecht echt hoeft te verlaten. De ideale combinatie, want aan de Wolter Heukelslaan is het wel mooi geweest. Ook voor Corry. Op haar 35e ging de bovenwoning aan de Wolter Heukelslaan vreselijk benauwen. Met kinderen kon je in de krappe straat pal naast het spoor nergens spelen en dus gooide ze soms van ellende de winkel dicht en ging ze met de kinderen naar het Wilhelminapark. Toen Nol en Corry nummer 1 erbij konden kopen, waren de problemen nog niet voorbij. Omdat de winkel met sprongen vooruit ging en Corry het steeds drukker kreeg, liet ze de kinderen in de winkel spelen met alles wat daar lag. Ook dat werd haar te gek en Meerkerk was de uitkomst. Wat een omslag moet het voor de kinderen zijn: van de drukke stad naar het rustige platteland, waar gevoelsmatig oneindig veel speelruimte is. De keuze is bepalend voor hun toekomst, want net als Nol zullen zij de omgeving van 54


Nol met z’n zussen Truus (links) en Corry in de boomgaard in Meerkerk

Meerkerk nooit meer verlaten. Nol is vooral weg van de boomgaard. Die is heilig. Je moet er niet van opkijken als Nol tijdens zijn eigen verjaardag, met een kamer vol visite, ineens ervantussen is. Waar is Nol eigenlijk? “Oh, die is vast weer in de boomgaard.” En daar loopt hij dan: tussen de pruimen-, appel- en perenbomen, met sigaar in z’n mond. Zo komt hij tot rust. In zijn vrije tijd loopt hij altijd fruit te plukken. Zijn kinderen komen overal in huis vruchten tegen: in de schuren, op de terrastafel, op het terras, op het aanrecht, op de keukentafel en op elke schaal die er maar in huis te vinden is. Iedereen moet meegenieten van de gezonde vruchten en daarom kunnen ook de vaste klanten in Utrecht rekenen op een kistje vol. Iedereen die in Meerkerk langskomt en zijn auto niet op slot heeft, ziet bij thuiskomst dat z’n kofferbak vol fruit ligt. Om de fruitmand te verrijken, plant Nol er twee kersenbomen bij. Dat zal hij weten. Het lukt maar niet om de kersen rood te laten worden, want voor het zover is, hebben de spreeuwen ze al opgegeten. Nol probeert van alles om de vogels te verjagen: met een koeienbel met touw dat van buiten naar binnen loopt, blinkende cd-s, een ratel, blikjes, klappen in de handen. Meestal wint hij ’s morgens de strijd, maar als hij zich heeft verslapen, zijn de kersen 55


al weg. En als Nol dan naar zijn werk gaat, slaan de vogels alsnog toe. Corry kan Nols strijd op een gegeven moment niet meer aanzien. Ze koopt een pondje kersen bij de fruitzaak en hangt dat in de boom. Nol weet bij thuiskomst niet wat hij ziet. Eindelijk kan hij rode kersen plukken! Direct vliegt hij de boom in om een kers te plukken. Als hij ziet dat ze gewoon los in de boom hangen, weet hij dat hij voor de gek is gehouden. “Sodemieters, so-de-mieters!�

56


NIET PLUKKEN SVP! Bevangen door het fruitvirus, probeerde Nol ook Utrecht te verrijken met een fruitboom. Dat Utrechters nog niet veel verstand hadden van vruchten, getuige onderstaand krantenbericht:

57


58


EEN LEV EN LA N G W O R S T E L E N

59


60


Afknijpen

I

neens is er de grote wisseltruc. De worstelaars die Nol in de Franse gemeente Bagnolet ten oosten van Parijs voor zich ziet staan, zijn totaal andere figuren dan de mensen die zojuist bij het wegen als zijn opponenten zijn gepresenteerd. Nol is met zijn team van De

Halter als de kampioen van Nederland onthaald en blijkbaar zijn de Fransen zo onder de indruk van de Utrechters dat ze besluiten om stante pede een compleet ander team in te vliegen, vanaf een ander toernooi. Nol weet: het is de Fransen menens. Hij zal nu extra aan de bak moeten. Hij is al boven de veertig en de nestor van het team, maar zijn prestaties kunnen er nog steeds mee door. Laat ze maar komen, die Fransen! Hij treft een knaap van een jaar of twintig, een beer van een kerel. De jongen ziet de oudere Nol en schrijft de overwinning alvast bij. Kat in ‘t bakkie. Denkt ie. Op de mat blijkt het ‘oudje’ een krachtige gozer die hij niet zomaar omver krijgt. “Merde!” Uit een soort van wanhoop geeft de Fransoos Nol een kopstoot, maar die deinst nergens voor terug. Wel verschijnt er binnen enkele tellen een enorm ei op Nols gezicht. De bal bij zijn oog staat vol met bloed en op het punt van knappen. Het is verstandiger om te stoppen, denken anderen. Maar zij kennen Nol. Die gaat echt niet stoppen. Zeker niet in zo’n situatie. Hij laat zichzelf oplappen en gaat dan snel weer de mat op. Hij komt helemaal terug in de wedstrijd, gooit de beer op z’n bult en wint de wedstrijd. Het is een duel zoals Nol er veel zal worstelen: tegen een ogenschijnlijk beter iemand stijgt hij boven zichzelf uit. Voor een wedstrijd kan hij zich zoveel moed in praten, dat hij iets onoverwinnelijks over zich krijgt. En zie Nol Kooijmans dan maar eens te verslaan. Lukt je nooit. Bovendien beheerst hij een paar traditionele grepen als geen ander, zoals het afknijpen. Als hij in par terre zit (op handen en knieën) en een tegenstander op zijn rug duikt om hem omver te trekken, slaat Nol toe met die greep. Menig kampioen tuint er in en tot in zijn laatste wedstrijd houdt Nol zijn techniek intact. 61


In zijn topjaren – tussen zijn 22e en 28e – is een andere greep zijn handelsmerk: hij grijpt tegenstanders graag bij hun nek om vervolgens samen met ze achterover te vallen. Een zeer succesvolle, maar risicovolle manoeuvre. Hij zal er ook weleens een titel mee verliezen, omdat je zelf gemakkelijk op je rug kunt vallen. Maar vaak genoeg is het doeltreffend. Vier keer wordt Nol Nederlands kampioen in het licht- en middengewicht, in 1966 doet hij mee aan de Europese kampioenschappen in Essen en vijf keer pakt hij met het eerste

62


team van De Halter de landstitel. Deelname aan de Olympische Spelen en wereldkampioenschappen ontbreekt helaas op zijn palmares. Als Nol in de jaren zestig zijn gloriejaren beleeft, is er te weinig geld beschikbaar om af te reizen naar internationale toernooien. In 1960 gaan er wel Nederlanders naar de Spelen, zoals Utrechters Leo Piek, Loek van Alflen en Ab Rosbag. Maar dan is Nol nog te jong.

63


Sportverdwazing

W

orstelen is zijn passie. Als hij moet kiezen tussen een acrobatenoptreden op de vrijdagavond of een worstelpartij voor De Halter, kiest hij resoluut voor het laatste. Het worstelen is voor hem een ontspanningsmoment. Hij kan zichzelf helemaal leegknokken op

een training. Problemen van zich afzetten. Nol is bezeten van het worstelen. Eigenlijk is dat maar goed ook, want hij moet er veel voor doen. De plek in het eerste van De Halter krijgt hij niet zomaar. In de jaren vijftig zijn er momenten dat zes jongens staan te dringen voor één plek in de hoofdmacht. Met Theo Wammes en Jan Tomassen vecht Nol verhitte partijen uit om erbij te komen, wat lang niet altijd lukt. Maar hij zet door en vanaf 1963 staat hij zo’n twintig jaar in het eerste. Zelfs als hij na 1980 hoofdtrainer wordt, kan hij het niet laten af en toe de mat te betreden. Want zeg nou zelf, wie moet er anders de gaten vullen als er iemand uitvalt? In 1982 is zo’n moment. De Halter speelt een wedstrijd bij Simson in het Limburgse Schaesberg. Twintig minuten voor aanvang van zijn partij is hij zeven pondjes te licht. Helaas, zou je zeggen, maar Nol bedenkt een list. Op de kleedkamerbank zet hij veertien glazen water en vier glazen limonade. Op zijn gemak drinkt hij die leeg, tot grote verbazing van de anderen. De ogen van teamgenoot Henk Worst vallen bijna uit hun kassen. Na een glas of dertien wil Nol even indruk maken op de jeugd: “Hmmmm, dat smaakt!” In razend tempo slaat hij de resterende glazen achterover en gaat met klotsende maag richting weging. Ja hoor, hij is zwaar genoeg en mag gaan worstelen. De uitslag? Winst voor Nol. Later noemt Nol het een sportverdwazinkje. Gezond kan het niet zijn. Maar ja, doping is erger. Al doet Nol ook onverantwoorde dingen. Om af te vallen gaat hij naar badhuis Ozebi aan de Biltstraat en laat daar een kuip met kokend water vollopen. Wijdbeens staat hij met een handdoek voor zijn kruis op de zij64


kant van het bad. Een minuut of twintig; het is niet te harden, maar hij blijft het volhouden. Totdat er iemand op de deur klopt of alles wel goed gaat: de stoom komt met dikke wolken uit de kieren. Hij wordt creatief in snel afvallen. Met een dubbele laag trainingspakken aan traint hij een dag lang in het clubgebouw van De Halter om zeven pond kwijt te raken. En maar drinken, en maar zweten, en maar drinken… Het helpt, maar niet genoeg. Bij de weging voor de wedstrijd is hij nog een pondje te zwaar, waarna hij een plaspil neemt. Die heeft effect, maar niet het gewenste. Nol ziet de wereld voor een doedelzak aan en verliest de wedstrijd met verve. Hij is alleen nog tot een wankele kniebrug in staat. De dokter zegt later tegen hem: “Je hebt met vuur gespeeld. Eerst al dat vocht uit je lichaam kwijtraken en daarna nog een plaspil nemen. Levensgevaarlijk.” Nol is het met hem eens. De wijsheid komt met de jaren. Door meer routine en daarmee een groeiend spelinzicht kan Nol nog jaren met de besten mee. Bovendien blijft hij trainen. Hij wil de jeugd laten zien dat je ook als veteraan nog wedstrijden kunt winnen. Hij wil laten zien dat je wereldkampioen kunt worden.

65


Beginnersfout

A

l drie jaar heeft hij het in zijn hoofd. Nol wil meedoen aan de WK Masters: het wereldkampioenschap voor veteranen. Dit is de kans om voor het eerst in zijn leven een medaille op een wereldkampioenschap te halen. Hij schrijft zich in voor het toernooi in het Bul-

gaarse Plovdiv in 2000, maar komt er in aanloop naar het WK achter dat er voor voorbereiding weinig tijd is. De voorzitter van De Halter heeft zijn handen vol aan de organisatie van het internationale Paastoernooi, waar 600 worstelaars uit 14 landen aan meedoen. Dat zijn zulke drukke maanden; dan schiet worstelen er bij in. Wel pikt hij een toernooi mee in het Duitse Langenlosheim, waar hij eerste wordt van de 45-plussers. Twee weken voor aanvang van het WK komt Nol er achter dat hij nog flink aan de bak moet. Voor de 85 kg-klasse is hij maar liefst acht kilo te zwaar. Die moeten er nog vanaf! Als een malle slaat Nol aan het trainen en afvallen. Het lukt: tijdens de weging in Plovdiv zit hij één pond onder het maximaal toegestane gewicht. Hij is enorm gebrand op een goed resultaat. Het toernooi in Duitsland toonde dat Nol het nog kan. Wat zou hij klaar kunnen spelen? Helemaal alleen gaat hij naar Plovdiv, zonder coach. Alleen een Tsjechische vriend en een paar Bulgaren steken hem de helpende hand toe. Eenzaam hoeft hij zich in ieder geval niet te voelen. Nol heeft een enorm internationaal netwerk en komt veel bekenden tegen. Op de mat is dat anders. Zonder échte coach staat hij er alleen voor. Maar het gaat aardig. Hij is het nog niet verleerd en worstelt zich naar de finale, waar hij de Bulgaar Tzviatko Pashkulev treft. Natuurlijk zijn er nu ineens geen Bulgaren meer om hem te coachen en ook de vijfduizend supporters op de tribune hebben totaal geen oog voor Nol Kooijmans. Ze willen dat hun landgenoot gehakt maakt van de Nederlander. Met een oorverdovend kabaal schreeuwen ze hun landgenoot richting overwinning. Toch weet één Nederlander het la66


waai na dertig seconden te verstommen. Nol heeft zich mentaal weer helemaal in het gevecht vastgebeten en maakt een vliegende start. Direct scoort hij drie punten. Hij houdt het verschil vol en met nog twintig tellen op de klok lijkt er niets aan de hand. Nu moet hij niets meer weggeven, zou een coach hem toe hebben geroepen. Maar die is er niet en Nol geeft wél iets weg. Pashkulev vindt een uitweg en scoort een punt. De volle hal ruikt bloed en gaat er nog even flink achter staan. Zeker als Nol een straf voor passiviteit krijgt en in par terre moet. Pashkulev krijgt vleugels, grijpt Nol en werpt hem. Einde oefening, winst voor de Bulgaar. Nol is helemaal verbouwereerd. Wat is er de afgelopen halve minuut gebeurd? Een paar beginnersfouten achter elkaar, dat was hem nog nooit overkomen. Hij zal er later nog vaak aan denken, maar de antwoorden blijven uit. Op het toernooi zelf heeft hij niet veel tijd om er over te denken; hij moet nog een wedstrijd spelen om überhaupt een medaille te halen. Dat wordt nog een hele klus, omdat hij al in de tweede partij een flinke armblessure heeft opgelopen. Nol laat zich niet kennen, laadt zich nog één keer op en wint de laatste pot. Brons is binnen. Nog nooit heeft een Nederlander een medaille op een WK worstelen voor veteranen gewonnen. Nol is de eerste, maar blij kan hij niet zijn. Er had zo veel meer ingezeten. Achteraf volgen het besef van de goede prestatie en de waardering. Samen met rolstoeltennisster Esther Vergeer en schaatser Jochem Uytdehaage wordt Nol genomineerd voor de titel Utrechtse sporter van het jaar. Later zegt Nol in een interview met een lokale krant dat op zo’n manier een titel verspelen ook het mooie van de worstelsport is. “Je hebt pas gewonnen als de wedstrijd afgelopen is. Je conditie moet optimaal zijn. Ik zeg weleens, als je de conditie van een worstelaar kon vertalen naar een hardloper, dan liep hij de 100 meter onder de tien seconden.” Toch is het zuur lastig weg te spoelen. De enige op67


68


lossing: een snelle herkansing. Met een betere voorbereiding en met gezelschap. Hij vraagt worstelvriend Henk van Hulst mee te gaan naar Hongarije. Eigenlijk heeft Nol een liesblessure, maar hij laat zich niet kennen en haalt het zilver. Weer geen goud, maar gezien zijn fysieke gesteldheid is dit het hoogst haalbare. Hij heeft meer voldoening dan de vorige keer en het is bovendien gezelliger nu hij een vriend bij zich heeft. Henk pakt heel knap brons in het halfzwaargewicht. De twee drinken een welverdiend biertje op de puike prestaties. Ze gaan daarna nog twee keer samen naar een toernooi. Op Nols laatste WK Masters pakt Henk zilver; Nol levert wel goede prestaties, maar haalt geen medailles meer. Desalniettemin beleeft het tweetal mooie tijden. Zo’n WK is ook gewoon een uitje. Henk geniet van de humor van Nol. Volgens hem een verschrikkelijk droge humor. Hij weet soms niet of Nol iets meent of niet. Op een tribune in het Oostblok gaat Nol bij het Russisch volkslied ineens staan en doet alsof hij mee kan zingen. Nol heeft dan de grootste schik. Een andere keer staan ze op de luchthaven van Boedapest op hun tassen te wachten, die maar niet komen. Zegt Nol: “Ja, ik heb ze maar laten staan op Schiphol. Ik wilde eens kijken of jij ze mee zou nemen als ik het niet deed.” Dat is een grapje: de tassen zijn wel ingecheckt, maar wat blijkt: ze zijn in een ander vliegtuig terechtgekomen. Gelukkig betreft het ook een vliegtuig naar Boedapest, zodat de heren snel weer over hun bagage kunnen beschikken. Nol had Henk overgehaald om mee te doen. Hij zei: jij kunt nog aardig meekomen, er zit wel een medaille in. Henk zwichtte, net zoals hij op zijn 23e inging op het verzoek van Nol om in Utrecht te komen worstelen. Henk had korte tijd bij De Halter gezeten, maar woonde inmiddels weer in Oss. Hij kon later zelfs in Arnhem betaald worstelen, maar hij koos voor De Halter en zou er tot zijn 44e blijven. Twee keer per week trainen, een uurtje rijden. Voor 69


Henk was Nol de grote aanjager. Hij was een meester in het overtuigen. Dat deed hij slim: met complimenten en een blijk van vertrouwen in de ander. Ze zijn vrienden en kennen elkaar dan ook door en door. Ook op worstelvlak. Van Nols eigenaardigheden kijkt Henk niet meer op. Waar Henk de boel de boel laat en wel ziet hoe een worstelpartij zal verlopen, concentreert Nol zich ver voor de wedstrijd al op de partij. En kan ook nerveus zijn. Henk zegt dan “Kom op joh!”, om overconcentratie te voorkomen. Nol kan van iedereen winnen, weet Henk. Hij heeft vaak snel een voorsprong. Maar hij kan ook op het laatste moment een partij weggeven. Een voorsprong vlak voor tijd is geen garantie op winst. Niet omdat hij wegzakt of concentratie verliest, maar omdat hij wil blijven worstelen. Als er nog een halve minuut te worstelen is, moet je zorgen dat je niets meer weggeeft. Maar zo denkt Nol niet. Hij wil altijd maar doorgaan, blijven aanvallen. Proberen nóg meer punten te pakken. “Rustig, niks meer, niks meer!”, roept Henk. Maar vaak is er geen houden meer aan.

70


ERELIJST

Nol worstelt zo’n vijfduizend wedstrijden in

1959

Goud

Kampioenschap Zuid-Nederland

zijn leven en in de hoogtijdagen pakt hij elk

1960

Brons

Kampioenschap van Nederland

jaar wel een prijs. Vier keer wordt hij kampi-

1963

Zilver

Kampioenschap van Nederland

oen van Nederland, één keer is hij de beste

1965

Goud

Kampioenschap van Nederland

van de Benelux. De meeste medailles behaalt

1965

Brons

Kampioenschap van Midden-Nederland

hij met de Grieks-Romeinse stijl, waarbij al-

1966

Goud

Kampioenschap van Nederland

leen grepen vanaf het hoofd tot de heupen

1966

Goud

Kampioenschap van Midden-Nederland

zijn toegestaan. Vrije stijl doet pas zijn intre-

1967

Brons

Kampioenschap van Nederland

de als Nol een jaar of 35 is. Volgens zijn pres-

1968

Brons

Kampioenschap van Nederland

tatiekaart van de krachtsportbond wint Nol in

1969

Goud

Kampioenschap van Oost-Nederland

1980 zijn laatste nationale prijzen en dat zijn

1969

Goud

Kampioenschap van Zuid-Holland

er direct drie: Grieks-Romeins, Vrije stijl én

1969

Zilver

Kampioenschap van Nederland

Sambo, een samengestelde stijl van worste-

1969

Goud

Kampioenschap van Midden-Nederland

len waarbij de worstelaars een jacket dragen.

1970

Brons

Kampioenschap van Nederland

1972

Goud

Kampioenschap van Nederland

1973

Brons

Kampioenschap van Midden-Nederland

1973

Zilver

Kampioenschap van Nederland

1974

Brons

Kampioenschap van Midden-Nederland

1974

Goud

Kampioenschap van Nederland

1975

Zilver

Kampioenschap van Nederland (Grieks-Romeins)

1975

Brons

Kampioenschap van Nederland (Vrije stijl)

1979

Brons

Kampioenschap van Nederland

1980

Zilver

Kampioenschap van Nederland (Grieks-Romeins)

1980

Brons

Kampioenschap van Nederland (Vrije stijl)

1980

Zilver

Kampioenschap van Nederland (Sambo)

2000

Brons

WK Masters Bulgarije

2001

Zilver

WK Masters Hongarije

2006

Goud

Nederlands Kampioenschap Veteranen

71


Worstelen om het worstelen

N

atuurlijk, Nol worstelt om te winnen. Maar als je écht wil winnen, gooi je een gewonnen partij in het slot. Laat je niets meer aan toeval over. Dat doet Nol niet. Vindt ie zonde van het gevecht. Hij worstelt om het worstelen. Een mindere god zal hij dan ook nooit direct

op z’n rug gooien, waar een ander het meteen af zou maken. Nol gunt zijn tegenstanders ook een leuk potje worstelen. Soms tot afgrijzen van zijn gezinsleden, die zien dat Nol goed is en behoorlijk fanatiek kunnen zijn. Dochter Marion moet weleens een traantje laten als haar vader verliest. Helemaal als hij er meer uit had kunnen halen. Wanneer Nol in zijn nadagen in het eerste speelt, laat hij voor Marions gevoel bewust een wedstrijd lopen. Het is een duel met een clubgenoot van wie Nol vindt dat hij zijn plaats over moet nemen. “Dat moet je nooit meer doen!”, roept Marion. “Iemand moet winnen omdat hij beter is, anders niet!” Of Nol de partij ook echt bewust liet lopen, is niet helemaal duidelijk. Maar het past wel bij zijn karakter: hij denkt niet aan zichzelf, hij denkt aan de vereniging. Aan de jeugd, aan de toekomst van de worstelsport én aan de maatschappelijke toekomst van de jongens. Worstelaar Toaufik Elfalah heeft juist om die eigenschap blijvende herinneringen aan Nol. Samen met zijn trainer gaat de jonge Toaufik, dan nog Marokkaan, op uitnodiging van de Marokkaanse bond naar Casablanca voor een oefenwedstrijd. Het is vlak voor het Paastoernooi. Toaufik wint van de Marokkaanse kampioen en mag daarom een paar maanden blijven trainen bij de bond. Toaufik vindt het geweldig: zijn droom is om met het Marokkaanse team naar het WK en de Olympische Spelen te gaan. Nol heeft zijn bedenkingen. De jongen volgt nu nog de MTS. Zou hij die niet beter kunnen voltooien? Toaufik belt met z’n vader. Die is resoluut: zijn zoon moet nu naar huis komen. Toaufik moet hem teleurstellen, deze kans kan hij niet laten schieten. Een dag later staat ineens de vader van Toaufik op de Marokkaanse stoep om zijn zoon mee te nemen naar Utrecht. Tot op de 72


dag van vandaag verdenkt Toaufik Nol ervan zijn vader te hebben gevraagd naar Marokko te komen. Hij heeft er vrede mee, want hij weet hoe Nol is: worstelen is belangrijk voor hem, maar goede scholing en een goede toekomst niet minder. Nol keek naar andermans toekomst. Maar op dat moment wil Toaufik maar één ding: in Marokko blijven. Nog voor Pasen komt hij terug in Nederland en moet hij zich snel opladen voor het Paastoernooi. Gelukkig heeft hij Nol die hem snel klaar kan stomen. Wat geweest is, is geweest, houdt Nol zijn pupil voor. Laat je teleurstelling los en laat hier zien wat je kunt. Het helpt Toaufik enorm en hij worstelt een goed toernooi. Zo helpt Nol zijn hele team. Dat wat hij zelf had – mentale fitheid – kan hij overbrengen op zijn worstelaars. “Als het tussen de oren goed zit, heb je de wedstrijd al gewonnen.” De worstelaars gaan het geloven. Door de kracht van zijn woorden en de rustige manier van vertellen, denk je: verrek, hij heeft gelijk. Je krijgt zelf het idee dat je onoverwinnelijk bent. Een heerlijk gevoel en 73


een uitstekende voorbereiding op de wedstrijd. Nol ziet zijn worstelaars als gelijken. Waar andere trainers hun voorkeuren voor bepaalde worstelaars laten blijken, doet Nol dat niet. Iedereen die zich houdt aan de normen en waarden van De Halter heeft dezelfde kansen. Maar je moet wel je best doen. Nol houdt van discipline en hard werken en staat voor de worstelaars klaar als ze een zetje nodig hebben. Wanneer iemand zich met griep afmeldt en zegt dat hij het zo koud heeft, zegt Nol dat hij dan maar een extra trui aan moet trekken. Nog steeds te koud? Dan trek je toch nog een jas aan! En als iemand het aan de rug heeft en zegt dat hij z’n veters niet kan vast maken: “Dat doe ik wel voor je!” Alles voor de worstelsport. Nol boekt successen met zijn team. Apetrots is hij als De Halter voor het eerst in de Nederlandse worstelgeschiedenis met zes ploegen kampioen van Nederland wordt.

74


Kampverhalen

A

ls worstelaar is Nol veel in het buitenland voor trainingen en wedstrijden. Als trainer is dat net zo. Elk jaar gaat hij met z’n team naar TsjechiÍ, dat dan nog Tsjecho-Slowakije is, om er de kunst af te kijken. Worstelen is een grote sport in het Oostblok. Bedenk dat er in

Rusland meer dan een miljoen worstelaars rondlopen. Ook Tsjecho-Slowakije is een worstelland. De senioren van de vereniging in Teplice werken bijna allemaal in de fabriek van Glas Union. Als sporter krijgen ze vrij om te trainen. Worstelaars hebben een grote status. Dus trainen ze zich daar het snot voor de ogen. Daar kunnen de Nederlanders wel iets van leren en daarom heeft De Halter een deal met Teplice: als jullie bij ons komen, komen wij bij jullie. Beide partijen beleven er veel plezier van, niet alleen door het worstelen. De vereniging in Teplice regelt dat de Nederlanders hun geld niet bij de grens in hoeven te wisselen. En vervolgens op de zwarte markt marken en dollars kunnen wisselen voor kronen. Met tassen vol kristalglas gaan de Utrechters weer naar huis. Ook de Tsjecho-Slowaken worden blij: zij krijgen koffie, panty’s en spijkerbroeken van de Nederlanders en met marken en dollars kunnen zij luxe goederen kopen. Het land is dan nog communistisch, maar onderhuids merk je de onvrede. Die wordt niet uitgesproken, maar bij de mensen thuis krijg je onder het genot van een glaasje wel het een en ander te horen. Nol vindt het heel interessant en geniet van de buitenlandervaringen. En zoals altijd met sporters op reis, gebeuren er tijdens buitenlandtrips de mooiste dingen, waar nog tot in lengte van dagen over wordt gepraat.

75


EMMER WATER Op kamp worden de worstelaars baldadig en het plan ontstaat om trainer Nol eens goed te grazen te nemen. Omdat ze weten dat Nol ’s avonds nog naar het toilet zal gaan, plaatsen ze een emmer water boven zijn kamerdeur. De jongens wachten af. Ja hoor, de deur gaat open en de emmer met water valt bovenop Nol. “Sodeju, sodeju, sooo-de-mieters!” Verder doet Nol gewoon wat hij van plan was. De sporters hebben dolle pret. De volgende dag zijn ze benieuwd hoe hun trainer zal reageren. Nol zegt: “Lekker geslapen jongens?” En hij neemt de dag met ze door alsof er niets is gebeurd.

DE WEG KWIJT Naar een wedstrijd in Limburg rijdt Nol door Duitsland. Hij weet nooit de weg. Als de worstelaars na een toernooi in Berlijn weer naar huis gaan, zegt Nol: “Ga maar slapen jongens, ik rij de eerste twee uur wel.” Wanneer de mannen na een dutje hun ogen openen, zien ze een bord: ‘Stadtmitte 1,2 kilometer’. Ze hebben uren gereden, maar zijn nog steeds Berlijn niet uit.

KLAPPERTANDEN De worstelaars zijn op trainingskamp in Tsjecho-Slowakije en Nol slaapt op één kamer met een bestuurslid van De Halter. Een bestuurslid dat niet zo geliefd is bij de worstelaars. Daarom besluiten ze om zijn bed en toebehoren uit zijn kamer te verwijderen; Nols bed laten ze wel staan. De volgende ochtend worden ze streng toegesproken door Nol: ,,Dit wil ik niet meer meemaken. Het is De Halter onwaardig.” Na een hele preek, zegt Nol: “Deze man heeft de hele nacht geklappertand van de kou.” Worstelaar Henk van Hulst kijkt naar de overzijde van de ontbijttafel, waar het betreffende bestuurslid zit. Hij hééft helemaal geen tanden! Henk proest het uit van het lachen, waarop alle worstelaars volgen. De kou is uit de lucht en het voorval snel vergeten. 76


ELECTRIC BOOGIE “Als de mensen je een drankje aanbieden, kun je dat niet weigeren!” Trainer Nol geeft zijn worstelaars nog wat normen en waarden mee voordat ze een bezoek brengen aan worstellegende Vladimir Kochman in Tsjecho-Slowakije. Omdat drank relatief goedkoop is in het arme land, krijgen ze van Kochman het een en ander aangeboden. Van alles door elkaar. Omdat het een belediging is als je weigert, en Nol natuurlijk het goede voorbeeld geeft, gaat hij na de visite ladderzat terug naar het kuuroord waar ze slapen. Het is in de periode dat ‘Electric Boogie’ een danshype is. Midden in de nacht staat Nol in zijn onderbroek op de gang en zegt tegen de jongere worstelaars: “Ik kan ook wel zo dansen, hoor!” En daar gaat ie: schudden met z’n lichaam. Het is nog ritmisch ook. De volgende dag hebben de worstelaars flinke napret over het voorval. Nol niet. Hij heeft twee dagen een kater. En het dansje op de gang? Dat heeft volgens Nol nooit plaatsgevonden.

ARTISJOK Aanpassen aan andere culturen; Nol gaat er heel ver in. Zo is Nol eens in Marokko op bezoek bij de oom en tante van Toaufik Elfalah en staan er artisjokken op het menu. Iedereen daar weet: de bladeren moet je niet opeten. Nol denkt waarschijnlijk dat hij alles wat voor zijn neus ligt op moet eten, want onverstoorbaar schuift hij de hele groente naar binnen. Toaufik zegt nog: “Nol, je moet alleen het puntje opeten, niet de bladeren.” Waarop Nol antwoordt: “Jawel hoor, het smaakt lekker!” Alle Marokkanen liggen in een deuk. Wat is dat voor gekke kerel? 77


De visie “De vele duizenden partijen worstelen voor De Halter waren niet zo zwaar als de verantwoordelijkheid die ik nu voelde om de toekomst van De Halter zekerheid te geven. Maar ook deze partij kon het Halterbestuur winnend afsluiten.”

N

ol is aan het tellen geslagen en komt uit op een slordige zevenduizend uren extra bestuurswerk. Het is aan het begin van worstelseizoen 2005/2006 en voorzitter Nol schrijft in het voorwoord van clubblad De Krachtbron dat het nieuwe onderkomen van De Halter

inmiddels een feit is, met dank aan de tien uur per week die Nol kwijt was aan werk in de projectcommissie van de gemeente Utrecht. Het is nog niet zoals het wezen moet – het ventilatiesysteem werkt niet naar behoren en de fitnessruimte moet nog gevuld worden met apparaten, maar Nol is blij met het mooie lokaal. Net als andere keren doet Nol ook in deze versie van het voorwoord een beroep op de leden van De Halter. “Ik hoop dat alle leden er op zullen toezien dat het netjes blijft. En dat iedereen ook helpt ons gebouw netjes te houden. Tijdens de trainingen moeten flesjes en andere spullen altijd in de daarvoor bestemde afvalbakken gedaan worden en spugen op de grond of op de mat, mag nooit gebeuren.” Nol heeft normen en waarden hoog in het vaandel staan. Voor hem is iedereen gelijk, als je je maar weet te gedragen binnen de vereniging. Doe je dat niet, dan lig je er uit. Hij verlangt van leden dat ze niet vloeken, iedereen met respect behandelen en geen wapens op zak hebben. Een klein mesje vindt hij al een wapen. Aanpassen aan regels vindt Nol heel normaal. Dat heeft hij zelf bij andere verenigingen en in het buitenland ook altijd gedaan. Ook ziet Nol graag een grote betrokkenheid. Over een slechte opkomst bij een algemene ledenvergadering is hij teleurgesteld. Bij een vereniging moet je het met z’n allen doen. Iedereen is belangrijk. Neem zo’n clubgebouw. Natuurlijk: het is mooi en je kunt er als lid van profiteren. Maar het moet wel 78


Foto Het Utrechts Archief

De Halter wint in 1996 de Utrechtse Sportprijs. Nol krijgt hem overhandigd door wethouder Kernkamp

mooi blijven en daar moet je met z’n allen voor zorgen. Nol is hartstikke trots op de manier waarop het gebouw is ingericht. Hij heeft zelf het loodgieterswerk gedaan en met expertise en creativiteit van alle leden is de kantine schitterend geworden. Zo is de bar een voormalige balie van een bedrijf. Die hebben leden uit elkaar getrokken, verhoogd en aangelengd met brandwerende deuren. Twee parketteurs binnen de vereniging hebben de bar gelakt, waardoor nu niet meer te zien is dat de bar ooit een balie was. Mooi werk, maar je moet naar de toekomst blijven kijken. Nooit op je lauweren rusten. Nol kijkt vooruit en met zijn visie bereikt hij een heleboel. Veel mensen lopen met hem weg, sommigen niet. Nol weet goed wat hij wil en dan is het lastig om hem daar vanaf te krijgen. Niet dat hij een autoritaire voorzitter is: hij laat in de loop der jaren veel over aan andere bestuursleden, omdat hij daar een goed gevoel over heeft. Geeft anderen verantwoordelijkheden, zoals bij het jaarlijkse Paastoernooi, waar Nol één van de grondleggers van is. Natuurlijk zijn er weleens mensen met andere denkbeelden. En zijn er conflicten. Maar daar blijft Nol nooit in hangen. En kan dan resoluut zijn en neemt afscheid van leden. Nol vindt: als je problemen op de club hebt en je komt er niet uit, ben je gedwongen afscheid te nemen van mensen en moet je daarna gewoon weer verder gaan. Stilstand is achteruitgang. 79


Nol heeft duidelijk voor ogen waar de vereniging naartoe moet. Sterker nog: hij heeft een beeld van de toekomst van de Nederlandse worstelsport. Hoe belangrijk hij worstelen vindt, vertelt Nol in een interview met het Stadsblad op 16 maart 1977. “De wereld zou er heel anders uitzien als de jeugd in grote getale aan worstelen zou gaan doen. Heus, dat meen ik. Deze sport heeft wel degelijk een functie. Ieder mens heeft agressie. Vaak wordt dat verkeerd afgereageerd. Wat is nu mooier dan tegen een knaap van dezelfde leeftijd heerlijk je krachten te meten met gereglementeerde acties? We hebben op de club weleens jongens gehad, die je onder de criminelen kon rekenen. Na verloop van tijd waren het toffe knapen, die geen vlieg meer kwaad deden. Veel worstelaars hebben ook in hun maatschappelijk leven plezier van hun sport gehad. Leren incasseren en afzien, leren verliezen, maar ook leren doorbijten en vasthouden. Door blijven gaan op de weg die je voor jezelf had uitgestippeld.” Nol is dan 36 en doet in het interview een dringend beroep op de worstelbond, omdat hij vindt dat de talentvolle jeugd internationale ervaring mist. “Krijgen we hier Denen, Duitsers of Belgen, nou dan gaan ze er vlot aan.” Maar niemand in het buitenland die de jongens kent. “De bond moet daarom met die jongens de grenzen over.” En dan bedoelt Nol álle talentjes: ook die van Olympia en SDZ. Om bij te dragen aan een betere worstelsport, verricht Nol bondswerk. Hij wordt bondscoach en is namens de Nederlandse Olympische Worstelbond (NOW) afgevaardigde in de Koninklijke Nederlandse Krachtsportfederatie (KNKF). Daar zit hij in de technische commissie en de tuchtcommissie. Dat hij daarin veel kan betekenen voor andere verenigingen, blijkt uit een brief aan het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. 80


Aan Het College Burgemeester en wethouders., O.Z. Voorburgwal 197., Amsterdam.

2 juni 1987.

A,A.C.Hercules.,

Geacht College., Heden bereikte ons een noodkreet van de krachtsport vereniging Hercules, betreffende hun verenigingsgebouw. Al zeer lange tijd is bovengenoemde vereniging bezig om een geschikte nieuwe accommodatie te vinden. Names de Nederlandse Krachtsportbond willen wij U nogmaals wijzen op het grote belang van deze 85 jaar oude vereniging voor Uw stad. In het beteugelen van de agressie en criminaliteit hebben onze aangesloten verenigingen een enorme functie, waar geen buurt of clubhuis (waar ook veel ingestoken wordt) tegenop kan. In andere steden hebben de wethouders dit goed begrepen. Ondanks ons begrip voor Uw moeilijkheden in de huisvestingsproblematiek, hopen wij toch dat er nu met spoed een eigen sportgebouw aan Hercules toegewezen wordt. Zodat er een einde komt aan de onzekerheid en deze vereniging zich verder in het belang van Uw jeugd en stad verder kan ontwikkelen. U toont zeer veel wijsheid met zo’n besluit.,

Hoogachtend., Namens de Techn. Kommissie Worstelen K.N.K.B. A. Kooymans. P/A. Bonds Buro., Postbus 13., 2170 AA Sassenheim.,

81


Een goede maand later krijgt Nol een kopie van een brief van Hercules aan de nationale competitieleider: de gemeente Amsterdam heeft de vereniging een ander clubgebouw toegewezen. Net als in wedstrijden en tegenstanders, kan Nol zich ook in kwesties vastbijten. Hij is standvastig, weet wat hij wil bereiken. De toekomst van het worstelen en de worstelbond, heeft hij in zijn hoofd. Hij vreest voor het worstelniveau in Nederland en maakt daarom een meerjarenplan voor de Worstelbond om stapsgewijs naar een hoger niveau te komen en financieel onafhankelijk te worden. Daarbij hoort ook een regioplan: Nol wil regionale talentencentra in het leven roepen, waar vanuit worstelaars geselecteerd kunnen worden voor het nationale team. Hiermee wil hij jongeren interesseren voor het worstelen, ze meer uitdaging geven. Het regioplan wordt door clubs en hun leden positief ontvangen, omdat iedereen er van profiteert. Helaas, de bond fluit Nol terug. Het plan is immers niet in de begroting opgenomen. Nol stelt nog voor om het plan dan voorlopig zelf te financieren, maar als dat aanbod wordt verworpen, neemt hij ontslag. Waarschijnlijk komen zijn plannen te vroeg, denkt hij te groots voor het moment. Een paar jaar later ziet een identiek plan wel het levenslicht. Met zijn werk voor De Halter zal hij niet stoppen. Wel geeft hij in het najaar van 2007 een signaal af. Op de ledenvergadering stelt hij zich na zeventien jaar niet langer herkiesbaar als voorzitter van De Halter. Daarmee gooit hij niet de handdoek in de ring – hij blijft aan als interim en adviseur – maar hoopt hij ruimte te creëren voor iemand anders. Een nieuwe voorzitter zal zich moeten aandienen. Maar liefst 65 jaar is hij lid geweest van de vereniging en iedereen weet wat Nol Kooijmans voor De Halter heeft betekend. Het mooie vernieuwde gebouw is aan hem te danken, klinkt het. Waar bij veel mensen werk voor de vereniging zou gaan, is het bij Nol andersom: hij zet zijn werk aan de kant voor De Halter. 82


EEN TRAAN EN EEN LACH

Als voorzitter voelt Nol zich geroepen om te spreken op uitvaartdiensten van leden van De Halter. Zijn eerste woorden zijn bij de vader en schoonvader van Wim en Mia Cirkel. Er zullen er nog velen volgen. In 2013 gaan Nol en Corry naar een kerkje in Duitsland om worstellegende Leo Piek een laatste eer te bewijzen. De gasten zijn overwegend Duits, maar Nol doet de speech gewoon in het Nederlands. Ze verstaan hem toch wel. De twee zonen van Leo Piek vinden het fijn dat er met zo veel eerbied over hun vader wordt gesproken. In zijn toespraken brengt Nol de goede, maar soms ook slechte eigenschappen van iemand naar voren. Altijd met een vrolijke noot. Een memorabele toespraak is die over Piet Slingerland. In Den Haag wordt tijdens de begrafenis gevraagd of er nog iemand iets wil zeggen. Nol steekt zijn hand op. “Maar je hebt niks voorbereid”, fluistert Corry nog. Geen probleem, Nol doet het wel uit z’n hoofd. Hij begint met de worstelcapaciteiten van Piet: hij beschikte over een enorme slingergreep en was het enige zwaargewicht dat ook achterover durfde te gaan. Ineens neemt Nols verhaal een bijzondere wending. Hij begint een anekdote over Piet die tijdens een uitwedstrijd moet overnachten en de kamer deelt met Jan Tomassen. Jan maakt er een lekker bad voor zichzelf klaar, vol water en badschuim. Piet wil ook wel een bad nemen en komt uitgekleed vast op de rand van het bad zitten. Hij praat over koetjes en kalfjes met Jan, maar wat Jan niet weet is dat Piet onderwijl zijn behoefte in het bad doet. Piet laat vervolgens ‘per ongeluk’ een stuk zeep in het bad vallen en Jan gaat zoeken. Jan vindt het zeepje niet. Wel grijpt hij in een enorme drol. De hele zaal barst in lachen uit na het relaas van Nol. “Ja, dat was Piet, dat was Piet!” Na afloop bedanken de vrouw van Piet en kleinzoon Peter hem voor de manier waarop hij het vertelde. Nol zelf heeft de grootste schik. Meerdere keren vertelt hij vrienden nog over de speech. Of het ook echt Jan Tomassen was die in het bad zat, daar is twijfel over. Maar op de dag van de speech zei Jan: “Ja, dat was ik.” En hij lachte net zo hard als de anderen. 83


84


V OOR D E AN DE R

85


Als een kunstenaar

D

e ene na de andere worstelaar legt het af tegen hem. De 20-jarige Vehbi Hajdari uit Kosovo is begin jaren negentig via het vluchtelingencentrum in Zeist met De Halter in contact gebracht. Tijdens een eerste oefenmeting weet de worstelvereniging direct wat voor vlees

zij in de kuip heeft. Vehbi weegt 66 kilo, maar veegt zelfs met de zwaarste van de vereniging – ver boven de honderd kilo – de vloer aan. Voorzitter Nol Kooijmans komt even een kijkje nemen en ziet direct dat deze worstelaar uitzonderlijke kwaliteiten heeft. Nol kijkt als een artiest, zal Vehbi later zeggen. Als een kunstenaar. Iemand die geen verstand van worstelen heeft, ziet alleen twee mensen die elkaar proberen omver te duwen of te trekken. Kenners zien de finesses. Nol ziet het goed, want het betreft een worstelaar die in de jeugd tweede van Europa was geworden en bij de Joegoslavische selectie zat. Deze jongen is goud voor de club. Vehbi wil ook blijven, maar hij heeft een probleem. In Kosovo had hij het als worstelaar niet verkeerd, maar omdat hij naar eigen zeggen niet het leger in wilde, is hij gevlucht. In het vluchtelingencentrum vindt hij de omstandigheden maar niets. Dus zegt hij: ik wil wel bij jullie worstelen, maar dan wil ik wel dat jullie woonruimte voor me vinden. Nol weet een oplossing. Hij overlegt met Corry en besluit: Vehbi mag wel een tijdje bij hem in huis wonen. Samen met zijn Macedonische vriendin Luljeta krijgt hij in afwachting van een verblijfsvergunning een kamer in Meerkerk. Drie keer per week brengt Nol hem naar de trainingen en zaterdags naar de wedstrijden. Af en toe mag hij klusjes doen in het loodgietersbedrijf en als hij thuis is en Nol aan het werk, brengt Corry hem de Nederlandse gebruiken bij. Nol en Corry zijn heel gastvrij en respectvol. Houden rekening met de andere cultuur en schotelen de moslims bijvoorbeeld geen varkensvlees voor. Vehbi geniet van de bewondering die Nol voor hem heeft. Voor een duel tegen Amsterdam valt Vehbi in één week zes kilo af. Nol vindt het bijzonder dat iemand zo zijn best kan doen voor De Halter. Met Vehbi breken sportief mooie 86


tijden aan: sinds vijf jaar wordt De Halter eindelijk weer landskampioen. Maar Nol beseft ook dat Vehbi niet zijn hele leven in zijn huis kan blijven wonen. Helemaal als Luljet zwanger is geworden. Waarbij de bevalling overigens een bijzondere ervaring wordt voor Nols dochter Silvia. Ze moet Vehbi in het ziekenhuis ophalen, omdat hij zijn knie heeft verdraaid. Maar bij de gipsafdeling hoort ze dat Vehbi en Luljet bij de kraamafdeling zijn. Silvia denkt: ik zeg even gedag en dan ga ik weer. Maar Luljet gaat bevallen en omdat Vehbi nog niet goed Nederlands spreekt, vraagt het personeel aan Silvia om te blijven. En zo maakt ze de hele bevalling mee. Nol doet intussen alles om de verblijfsvergunning voor Vehbi rond te krijgen, maar dat blijkt moeilijk. Uiteindelijk kan het stel in Nederland blijven en vindt het een ander huisje. Jaren na dato is Vehbi Nol dankbaar voor alles wat Nol voor hem heeft gedaan. Hij ziet hem niet alleen als de voorzitter van zijn worstelvereniging en zijn ‘huisbaas’; hij ziet hem als familie. 87


Huisje in Tsjechië

D

at Nol en Corry altijd voor anderen klaarstaan, is voor anderen misschien bijzonder, voor het echtpaar is het vanzelfsprekend. Altijd hebben ze mensen over de vloer. Tijdens het Paastoernooi van De Halter verblijft een heel Tsjechisch team op de zolder in Meerkerk. En na-

tuurlijk mag een vriend van Nol die in scheiding ligt een tijdje in het huis verblijven. Dat geldt ook voor de Joegoslavische toptrainer Stefan Horvath die in de jaren negentig zes weken de trainingen van De Halter verzorgt. Omdat Nol overdag werkt, is Corry dan ineens alleen met de worstelman, maar dat kan haar niet deren. Ze verzint gewoon wat klusjes voor de beste man: hij kan mooi de fruitbomen snoeien. Ook voor de kinderen hoort de gastvrijheid er bij. Het past bij de goedheid van hun ouders. Goedheid die grenzen overstijgt. De banden met Tsjechië worden namelijk steeds hechter. Nol kent de worstelaars daar goed en heeft een warm contact met de hoogste baas van de vereniging, Vladimir Kochman. Op het moment dat Vladimirs dochter Alena een doodgeboren kindje krijgt, bedenken Nol en Corry wat ze voor hun worstelvriend kunnen betekenen. Het lijkt erop dat luchtvervuiling de veroorzaker is van de miskraam. Door de smog zijn er afwijkende waarden in het bloed van Alena. Alleen bij een verblijf in de bossen zal ze nog een kindje kunnen krijgen. Daar kunnen Nol en Corry wel voor zorgen. Ze kopen een schilderachtig vakantiehuisje in de bossen. Op naam van Alena, omdat dit in Tsjechië niet anders kan. Een goed jaar later, in 1992, komt een gezonde dochter ter wereld, die een prachtige jongedame zal worden. Van het huisje zullen ook Nol en Corry plezier hebben; regelmatig brengen ze er dagen door met vrienden en familie. En verdwalen ze in de bossen. Als Vladimir Kochman overlijdt, rijden Nol en Corry samen met Ria en Gijs van der Zouw van De Halter naar Tsjechië. Dat ze er zijn, wordt als een grote eer beschouwd.

88


89


Maatschappelijk loodgieter Het was altijd fijn zijn rode autootje te zien. Toen hij een nieuwe gekocht had, moest ik even wennen en zwaaide naar volstrekt vreemde mannen. Totdat ik een ezelsbruggetje had, het nummerbord begon met VB en ik maakte er VERY BIJZONDER van. ‘My home is my castle’ en Nol heeft me heel erg geholpen dit in stand te houden. Dit ging niet altijd zonder discussie en soms had ik gelijk: het bleek de schoorsteen. Nol heeft daar een functionele oplossing voor gemaakt en de lekkage was voorbij. Het heeft even geduurd, maar dan heb je ook wat. Hoe hij mij heeft geholpen met het vervangen van een balk: het was goud waard. Op de foto die ik maakte heb ik zoiets geschreven als: de goudschat die uit de kruipruimte komt. Ik leerde hem kennen vanuit zijn vak en leerde hem waarderen als mens. Voor mij ging het voelen alsof hij mijn broer was. Je kon van hem op aan, integer en respectvol.

D

it verhaal van één van de klanten van Nol is typerend voor het imago van de loodgieter. Nol bindt klanten met zijn vakmanschap, maar vooral met zijn karakter. Hij is een goedzak, iemand van wie je op aan kunt. En als er dan eens discussie is, of ze moeten weken

wachten tot Nol beschikbaar is, dan is dat niet zo erg. Het warme contact met de lieve man is net zo belangrijk. Voor het vervangen van een leertje blijft hij zo drie kwartier koffie drinken. Regelmatig neemt hij een kistje fruit mee en als een klant een keer krap bij kas zit, zegt Nol: “Dat komt de volgende keer wel.” Waarna hij het erbij laat zitten. Nol zal er veel voor terug krijgen. Met zijn klanten heeft hij een band voor het leven. Op den duur heeft hij dan ook steeds meer klanten op leeftijd en wordt zijn takenpakket uitgebreid. Neem mejuffrouw Van Soest, een vrouw uit Tuindorp. Op het laatst van haar leven kan het mensje door reuma haast niets meer. Als er geen hulp is of een onwe90


tende nieuwe kracht, komt Nol er aan en brengt de vrouw naar haar slaapkamer. Na de training of vanuit huis gaat hij dan naar Utrecht en de volgende ochtend weer, als mevrouw om 10 uur is aangekleed. Nol zoekt alles voor haar uit. Zo krijgt niemand het voor mevrouw Van Soest voor elkaar om een traplift te regelen. Nol helpt haar uit de brand. Hij weet inmiddels hoe de hazen bij de gemeente en zorgorganisaties lopen en de traplift komt er. Hij zet alles op alles om er voor te zorgen dat zij thuis kan blijven wonen. En dat doet hij niet alleen voor mevrouw Van Soest. Veel oude vrouwtjes zien hem graag over de vloer komen. Hij heeft charisma, een ondeugende lach. Nol kan de vrouwen op hun gemak stellen. Veel ouderen profiteren van zijn zorg. Als één van zijn cliënten moeite heeft om de trap op te komen, kunnen ze hem altijd bellen. Dan stapt hij onmiddellijk in Meerkerk in de auto en is met een klein half uurtje op de plaats van bestemming. 91


Ook voor zijn personeel is hij goed. Tot eind jaren tachtig heeft hij loodgieters en elektriciens in dienst, onder wie zijn zwager Willem en worstelgenoot Erwin Goris. Erwin kwam al eerder bij hem over de vloer, omdat hij goed met Nols dochter Marion overweg kon en begint op zijn achttiende met vakantiewerk bij Nol. Hij doet dan de MEAO. Maar Erwin vindt het werk veel te leuk en besluit: ik wil als loodgieter gaan werken. Thuis heeft dat wel wat voeten in de aarde en Nol gaat met Erwins ouders praten. Dat is een goede zet. Nol kent de vader van Erwin nog uit zijn tijd in de Beverstraat. Hij zegt: “Maak jullie niet druk, het komt goed. Ik zie het in Erwin zitten.” Erwin krijgt groen licht voor vier dagen werk en één dag praktijkschool. Onderwijs is nodig, want hij kent op dat moment nog niet eens het verschil tussen een bochtje en een knietje. In vier jaar tijd haalt Erwin tot tevredenheid van Nol alle vakdiploma’s. Als baas is Nol vrij relaxt. Hij is niet iemand die met de zweep bewind voert en laat veel over aan de zelfstandigheid van de medewerkers zelf. Dat werkt wel misbruik in de hand. Zo presteert loodgieter Theo het regelmatig om maandag ziek te zijn, maar bestaat het vermoeden dat hij door een glaasje te veel op zondag nog met een kater in zijn bed ligt. Op een gegeven moment zegt Corry dat Theo maar op een dinsdag ziek moet worden. Nol geeft veel verantwoordelijkheden aan zijn mannen. Hij staat ’s morgens vanuit Meerkerk weleens in de file en medewerkers moeten dan eigenlijk op Nol wachten om te weten wat voor klussen ze die dag moeten doen. Nol zegt dan: “Kijk maar in het boek”, verwijzend naar de papieren bundel waar het programma in staat. Nol geeft vertrouwen. Het bedrijf loopt jarenlang goed en is een begrip in Utrecht. Veel bekende Utrechters behoren tot de klantenkring en de medewerkers hebben altijd werk genoeg en veel variatie: allerlei kleine klusjes, zoals een wastafeltje plaatsen en een gootje vernieuwen, en veel dakwerk. Het gaat goed, te goed. Eind jaren tachtig is er zó veel werk dat Nol het over-

92


zicht kwijtraakt. Hij heeft te veel beloofd aan klanten, te veel hooi op zijn vork genomen. Tel daar een nieuw boekhoudsysteem bij op en je krijgt een hectische situatie. Offertes worden niet goed uitgerekend, waardoor er geld bijgelegd moet worden. Het groeit Nol boven de pet en om een vicieuze cirkel te doorbreken adviseert zijn boekhouder hem om klein verder te gaan en afscheid te nemen van zijn personeel. Dat doet Nol en hij gaat solo verder. Met Corry en later Marion in de winkel. Als Marion haar eerste kindje krijgt, vindt Corry het mooi geweest en trekt de stekker uit de winkel. Nu is het tijd voor de kleinkinderen. Nol blijft werken. Tot op het laatst, want voor hem is werk bijna net zo belangrijk als worstelen.

93


INSPECTEUR HENKIE

Marion staat te trillen op haar benen. De jonge meid is aan het werk in de loodgieterswinkel aan de Wolter Heukelslaan, als ze een onverlaat in de winkel ziet. Wanneer hij het pand verlaat, valt haar iets op: er ontbreekt een strijkijzer uit het assortiment. “Pa!”, roept ze. “Ze hebben een strijkijzer gejat!” Nol twijfelt geen seconde en rent de winkel uit, recht op z’n doel af. Welke woorden onvervalst Utrechts Nol precies gebruikt jegens de boomlange dief, zullen we op deze plek maar niet herhalen, maar ze hebben effect: de strijkbout gaat retour afzender. Het is niet de eerste keer dat Nol een rover of inbreker bij de kraag vat. Hij heeft er een neus voor. Inspecteur Henkie, noemt Corry hem. Ooit is hij een dag op pad om een gestolen antieke inboedel uit een pand aan de Wittevrouwensingel terug te vinden. Hoe hij het doet, doet hij het, maar Nol krijgt zijn spullen terug. Opvallend daarbij is dat Nol nooit de politie inschakelt. Dat vindt hij niet nodig: hij overtuigt de dieven zelf dat ‘het goede pad’ een betere keuze is.

94


De Wolter Heukelslaan

Foto Het Utrechts Archief

KAPOTJESAUTOMAAT

Ook in mindere tijden met de zaak kan Nol financieel het hoofd boven water houden, omdat hij in de loop der jaren her en der pandjes koopt en die vervolgens verhuurt. Vaak met goede huurders, soms is er gedoe. Zo heeft hij voor de benedenwoning aan de Wolter Heukelslaan 48 wel een heel goede huurder gevonden. Een dame die wel drie keer zo veel betaalt als de normale huur! Dat vindt Nol wel goed. Tot het moment dat hij een kapotjesautomaat aantreft in de gang en het vermoeden krijgt dat de huurster een dame van lichte zeden is. Nol sloopt de automaat van de muur, want die wil hij niet in zijn huis hebben. De prostituee laat hij nog wel zitten. Tot het moment dat hij geattendeerd wordt op een ruzie: een paar pooiers willen het huis in de fik steken en Nol treft de hoer naakt in de gang aan. Nol gooit de pooiers uit het pand, tilt de vrouw op en gooit haar zo in haar nest. “Geen commentaar, morgen ben je eruit!� De pooiers zijn zware jongens, maar zijn zo verbouwereerd door het optreden van Nol dat ze het ruime sop kiezen.

95


96


T R OT S ZOND ER W O O R DE N

97


Op het juiste moment

N

oem het telepathie, noem het toeval. Maar altijd als Nols oudste dochter Marion in de loodgieterswinkel staat en ze voelt zich onveilig of het loopt niet helemaal lekker, dan komt net haar vader aanrijden. “Gaat alles goed?”

“Nee!”, zegt ze dan en dan is haar vader er om haar uit de brand te helpen of gerust te stellen. Marion heeft het werken in de winkel overgenomen van haar moeder als ze zestien is. Doordeweeks is Nol bij klanten en staat Marion er alleen voor. Dat gaat altijd uitstekend, maar soms zit ze in de rats. Vooral als er gestolen wordt. Als Nol op tijd is, grijpt haar vader die inbrekers dan bij hun kladden. En als het al te laat is, zegt Nol: “Zoiets zou mij nooit overkomen.” Dat vindt Marion niet leuk om te horen. Dus als een drugsverslaafde op een dag heel slinks honderd gulden heeft weggenomen door de kassa met een chequeboekje open te wippen, besluit ze eerst niets te vertellen tegen haar vader. In plaats daarvan laat ze hem naar de winkel komen en geeft ze een situatieschets en zegt: “Dit is mij dus overkomen en het kan jou ook overkomen.” Nol zegt: “Ja, je hebt gelijk.” Daarmee voorkomt Marion boosheid bij haar vader, die hij eigenlijk alleen heeft als er iets wordt gejat. Hij kan totaal niet tegen onrecht. In andere gevallen is hij milder, merkt Marion nadat ze eens de bordeauxrode Renault Stationcar van haar vader leent en denkt deze heel netjes langs de straat te parkeren. Een aanhangertje staat in de weg: “Krrrrrrrgggg!” Marion springt uit de auto en ziet een grote kras bij de koplamp. Om haar vader maar niet direct onder ogen hoeven te komen, belt ze ‘m op, bang voor zijn reactie. “Oh”, zegt Nol, als hij het verhaal hoort. “Dat kan mij ook gebeuren.” Marion slaakt een zucht van verlichting. Bij zulke dingen is haar vader dus relaxt. Ach, hij heeft zelf ook weleens een ongelukje: er zitten tientallen deuken in zijn auto. 98


Marion en Nol tijdens de uitreiking van de koninklijke onderscheiding

Tien jaar lang vormen Marion en Nol een gestroomlijnd duo in de zaak: Nol kan er gerust op zijn dat zijn dochter de klanten naar behoren helpt. Ze is een meisje dat houdt van techniek en zal later het werk in de winkel nog weleens missen. Als Nol om de zaterdag bij haar in de winkel staat en zijn dochter een klant helpt, dan kijkt hij haar aan met een blik van ‘Ja, jij weet het beter dan ik’. Dan ziet ze dat hij trots op haar is. Dat zegt hij nooit zelf tegen haar, dat hoort ze van klanten. Soms kan hij haar ook afvallen: dan neemt Nol het tot teleurstelling van Marion voor klanten op. Wanneer ze tegen de ene klant wel mag zeggen dat Nol druk is met het Paastoernooi van De Halter en tegen de ander niet, vindt ze het even welletjes geweest met het gemopper van haar vader en weigert ze een paar dagen in de winkel te werken. Na dagen van stilte vraagt Nol vervolgens: “Ga je morgen weer mee naar de winkel of moet het nog langer duren?” “Als je normaal kunt doen wel!” En dan is het weer goed. Nol en Marion kunnen knetterend discussiëren, maar komen vaak op één lijn. Als ze 26 is krijgt Marion kinderen en stopt ze met de winkel. Het contact met haar vader verandert, maar net als vroeger is Nol er voor haar, zoals ooit in de winkel: als hij er écht moet zijn. 99


LINTJE “Ik vind dat mijn vader Dhr. A. Kooijmans senior een lintje zou horen te krijgen voor al het vrijwilligerswerk dat hij in zijn leven al heeft gedaan.� Zo begint Marion in september 2009 een brief aan de burgemeester van Zederik. Het schrijven laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er zijn redenen te over waarom haar vader een koninklijke onderscheiding verdient. Marion heeft ook al een idee voor het moment van onderscheiden: volgend jaar op de zaterdag voor Pasen. Dan vindt het veertigste paastoernooi van De Halter plaats in het jaar dat Nol zelf zeventig wordt. Marion regelt ook dat Nol door anderen, zoals een bestuurder van de Krachtsportfederatie en Worstelbond wordt aangedragen. Ze krijgt het voor elkaar; 3 april 2010 wordt voor Nol en Corry een onvergetelijke dag.

100


101


102


Prachtmeid

D

aar gaat ze: een klein blond meisje bovenop een pony, met een hollende vader naast haar. Naar de foto van Willeke, Wimpie en Nol kun je wel uren kijken. De vreugde, vrijheid en plezier spatten er vanaf. Willeke is een dondersteentje, met wie Nol een speciale band

heeft. Nol ziet zichzelf in haar terug: een doorzetter die zich blijft ontwikkelen. Eigenlijk loopt iedereen weg met de prachtmeid. Het hele dorp. Ze rijdt paard, voetbalt en is gewoon een hele knappe dame. Wil is bij veel betrokken, overal voor in. Ze zit in de organisatie van de Feestweek en doet veel vrijwilligerswerk in de kerk. Van binnen en van buiten is ze mooi, sprankelend. Een open persoon die voor iedereen een luisterend oor biedt. En een gelovig iemand. Samen met zus Silvia gaat ze naar een kinderdienst, omdat vriendinnetjes dat ook doen. De dienst maakt indruk op haar en Silvia, het geloof wordt belangrijk voor ze. Willeke heeft een rijk leven en leert in het dorp Ab kennen, met wie ze trouwt als ze 24 is. Er lijkt een mooie toekomst in het verschiet, tot dat ene gesprek in het ziekenhuis. Het begint met een klein bultje. Op huwelijksreis voelt ze iets raars in haar borst en ze besluit maar eens te checken wat het is. De pijn die het doet om het bultje te verwijderen, belooft niet veel goeds. En inderdaad. In eerste instantie lijkt de kanker nog goed te genezen. De tumor wordt weggehaald en Willeke krijgt dertig bestralingen. Na dat traject lijkt het toekomstperspectief rooskleurig. Maar een jaar later blijkt het toch mis te zijn. Er zijn afwijkingen in de lever geconstateerd. Willeke is ongeneeslijk ziek, chemokuren kunnen haar leven verlengen. Helemaal ontdaan rijdt Willeke naar Meerkerk om het slechte nieuws te brengen, tussendoor moet ze de auto aan de kant zetten. Als Corry op de fiets thuiskomt, staat Willeke op het pad.

103


De plotselinge pijn die Corry heeft, is nog nooit zo groot geweest en zal nooit meer zo groot worden. Dat is niet voor te stellen. Ook bij Nol slaat het slechte nieuws in als een bom. Bij het hele gezin. Maar Willeke geeft niet op. Vanaf het moment dat ze het bultje voelde heeft ze het leven vol opgepakt. Ze doet examen voor de opleiding Boekhouding, gaat tennissen, neemt weer een paard, leert saxofoon en piano spelen en richt het kerkkoor His Inspiration op. Ze krijgt alles onder de knie, terwijl ze weet dat ze gaat sterven. Het zijn drie jaren van ziekte, maar wel jaren waarin de aftakeling goed zichtbaar is, ze broodmager wordt. Wanneer ze stervende is, ligt ze in coma. De artsen zeggen dat ze waarschijnlijk niet meer wakker zal worden. Nol en Corry willen dat er continu iemand van de familie bij is om Willeke in de gaten te houden, want ze kan niet meer zelf slikken. Nol blijft een nacht bij haar en leest uit het boekje ‘Jezus Spreekt’ dat Willeke naast haar bed heeft liggen. Er staat in dat als je werkelijk wil dat God je antwoord geeft, je daar voor moet bidden. In het donker legt Nol zijn hand op het boek en bidt. Niet veel later wordt Willeke ineens wakker en komt overeind. Echt praten kan ze niet, maar woorden zijn niet nodig voor contact met haar vader. Een half uur zitten Nol en Willeke samen. Hun laatste moment. Willeke valt weer in slaap en zal twee dagen later op 28-jarige leeftijd sterven. Het overlijden van Willeke is omringd door bijzondere momenten. De dag dat ze overlijdt komen Nol en Corry op een stralende ochtend het ziekenhuis binnen. Er is geen wolkje aan de lucht, maar in het ziekenhuis zijn de dakramen open en ligt een plas water. De portier is stomverbaasd. Het had helemaal niet geregend. Ook rond de begrafenis gebeuren wonderlijke dingen, waar Nol, gelovig als hij is, het nog vaak over zal hebben. Willeke wordt opgebaard in de Ichthuskerk en haar echtgenoot Ab wil graag dat zijn vrouw in orchideeën komt te 104


liggen. Maar de begrafenisondernemer kan dat door het weekend niet op korte termijn regelen. Corry zegt: “Ab, maak je geen zorgen, ik kom wel aan orchideeën.” Dat zit zo: veertien dagen voor het overlijden van Willeke trouwde haar zus Silvia. Omdat bloemschikken Willekes hobby was, heeft ze voor Silvia het bruidsboeket verzorgd. Door een zoektocht naar orchideeën, weet Corry nog dat er in Vleuten een orchideeënkwekerij zit. Daar gaat ze op de zaterdag voor de begrafenis van Willeke met Silvia naartoe. Maar als ze bij de kwekerij aankomen voor de orchideeën voor Willeke, treffen ze een dichte deur. Ze staan op het punt weer weg te gaan, als er toch een vrouw opendoet. Corry doet haar verhaal en de mevrouw zegt: “Normaal zijn we altijd weg, maar op de een of andere manier wilde niemand vandaag de deur uit. We zaten gewoon op u te wachten.” De deur gaat open en Corry kan de orchideeën zo uitzoeken bij de mevrouw, die zelf ook borstkanker blijkt te hebben. Corry staat er en denkt: hoe kan dat nou? Daar blijft het niet bij. Op de dag van de begrafenis zit Corry met de kinderen buiten koffie te drinken als ze zegt: “Verrek, gaat het nu al regenen!” Waarop Marion aangeeft dat het volgens haar gewoon droog is. Corry laat de druppel op haar jas zien. Arno heeft ook zo’n druppel. Ze schenken er verder geen aandacht meer aan en op het moment dat ze het weer vergeten zijn komt er 105


een enorme windhoos uit de boomgaard. De emmers vliegen in de rondte. Corry zegt tegen Arno: “Kijk daar gaat ze, Willeke gaat weg.� Na de begrafenis komt de dominee van Willeke, dominee Helder, naar Corry toe, hij is gestuurd door Ab. Hij vertelt haar dat hij op precies hetzelfde tijdstip met de liturgie naar de kerk liep en ook een druppel kreeg. Corry kan er niet bij met haar verstand. Nol is er diep van onder de indruk. Als Nol spreekt over Willeke, lijkt het of hij het over een engeltje heeft. Het gemis van zijn dochter zal hem zijn leven lang bezighouden. Vooral in de eerste jaren heeft hij het zwaar. Maar daar praat hij niet over, zijn gezinsleden weten niet goed wat er in hem omgaat. Hij kan het niet opbrengen om anderen te troosten. Ondertussen lijkt het leven door te gaan. Nol gaat gewoon de deur uit om te werken. Tot het moment dat Corry bij het schrijven van de rekeningen erachter komt dat Nol veel langer weg is dan dat hij heeft gewerkt. Op een gegeven moment spreekt ze de buurvrouw van de voormalige loodgieterswinkel aan de Wolter Heukelslaan en die zegt: ik zie zijn auto altijd staan. In het pand zit nog een kantoortje en daar blijkt Nol de hele tijd te zitten. Daar is ie op zichzelf, met zijn gedachten en gemis. Corry bedenkt er iets op. Op dat moment hebben ze een huis aan de Stadhouderslaan, waar een kamer leegstaat. Corry maakt er een kantoortje van en gaat daar de boekhouding doen. Nol vindt dat een goed idee. Als hij klaar is met een klus kan hij daar naartoe en kan hij met Corry praten. Het gaat beter met hem, maar hij zal altijd over Willeke blijven praten. Vele klanten horen de verhalen en pinken samen met Nol een traantje weg.

106


WIMPIE

Nol kreeg van Corry’s broer een paardje, Wimpie. Hij was voor Willeke. Wimpie was een heel speciaal paardje dat zelf de kraan open kan draaien. Helaas moeten Nol en Corry het eigenwijze hengstje weg doen en Nol en Corry vrezen dat hij vervolgens naar het slachthuis wordt gestuurd. Een paar dagen daarna wordt Corry wakker van gehinnik en hoefgetrappel. Ze kijkt uit het raam en ziet Wimpie door de heg naar het raam kijken. Corry maakt Nol wakker en ook hij ziet Wimpie staan. Nol trekt snel zijn broek aan en sprint naar buiten. Maar van een paardje is geen enkel spoor. Navraag in de buurt leert dat er in de buurt geen pony is losgebroken. Een mysterie.

107


Onverwoestbare vader

E

en grote man staat in de hoge branding van de Noordzee. Drie kinderen krijgen de hoge golven in hun gezicht, maar geen nood: het been van hun vader biedt houvast. Ze grijpen het vast en laten het niet meer los. Bij hun onverwoestbare vader zijn ze veilig.

Als een rots in de branding, zo ziet Silvia Kooijmans haar vader. Wanneer ze een enge film met hem zit te kijken, schrikt zij zich rot en ziet ze naast zich dat haar vader niet eens met zijn ogen knippert. Hij zal ook op latere leeftijd een steun voor haar blijven. In een moeilijke privéperiode sleept hij haar er doorheen. Direct staat hij op de stoep en geeft hij haar rust. Hij zegt: “Je laat je eigen niet kennen, doet gewoon je make-up op en gaat de hond uitlaten.” Je gaat door, klapt niet in en laat zien dat je trots bent op jezelf. Dat heeft hij zelf altijd gedaan en geeft hij ook zijn dochter mee. Op haar achttiende verjaardag komt haar moeder aanzetten met een taart en is haar vader aan het worstelen, maar op de momenten die er écht toedoen, is hij er altijd. Slechts één keer ziet Silvia haar vader huilen: bij de dood van zijn vader, die net als Nol 74 jaar werd. Dat zelfs haar vader echt kan instorten is heftig om te zien. Maar het is ook goed om te zien dat ook hij maar een mens is. Dat maakt de connectie met haar vader misschien nog wel hechter. Ze hebben dingen die alleen van hun twee zijn: elke ochtend ontbijten ze samen met standaard twee sneetjes brood voor ieder. Het voelt vertrouwd met haar vader, de zondagen zijn fijn, huiselijk. Dan schalt de countrymuziek door de huiskamer, terwijl Nol staat te dansen in zijn onderbroek. Af en toe denkt Silvia wel: waar zit mijn vader met zijn gedachten? Want, oh, wat kan hij in dromenland zijn. Dan brengt hij Silvia naar school en ziet hij een stoplicht over het hoofd. “Stond er een stoplicht?”, vraagt Nol verbaasd. Later zal Silvia dat afwezige bij zichzelf herkennen, vooral in stressvolle periodes. Ook al is Nol niet bepaald een stresskip, er zijn tijden dat hij best veel aan zijn hoofd heeft. Problemen met personeel, soms geldzorgen (als hij zelf weer een goedkoop huisje op de kop had getikt) en natuurlijk alleen al combi108


Silvia naast haar steun en toeverlaat

Het kleine tuinhuisje aan de Twaalfhoevenseweg

natie gezin, worstelen én een grote boerderij. Op die boerderij en vooral op de boomgaard, is haar vader straalverliefd geworden. Dat geldt ook voor ‘het landje’, een vakantiehuisje aan de verderop gelegen Twaalfhoevenseweg met een stuk grond. Hij neemt Silvia er mee naartoe. “Ik wil het je eens laten zien.” Direct snapt Silvia wat haar vader bedoelt. Ze weet het niet zeker, maar waarschijnlijk heeft ze er hetzelfde gevoel bij als hij. Ze koopt het samen met haar vader en het wordt echt haar stekkie. Samen met haar ex-man maakt ze van een tuinhuisje een schitterend appartementje, dat ze af en toe probeert te verhuren. Als haar vader sterft, zegt hij: “Ik hoop dat je het nooit verkoopt.” Dat zal Silvia dus ook niet over haar hart kunnen verkrijgen. 109


Net als hij

M

aar papa, ik lijk steeds meer op jou.’ De songtekst van Stef Bos zal veel mannen bekend in de oren klinken. Hoe ouder je wordt, hoe meer vergelijkingen je ziet met je ouweheer.

Arno Kooijmans kan er ook niet omheen. Neem de manier waarop hij zijn eigen zoon Rowan opvoedt. Hij moet niet zo’n jochie zijn dat na elk tikkie loopt te janken. Zo was zijn eigen vader ook: stoeien met Nol deed soms echt wel zeer. En het hoeft ook niet altijd lekker te zijn. Met kickboksen trapt Rowan totdat hij tranen in zijn ogen krijgt. Waarop Arno zegt dat Rowan ’t toch echt zelf heeft gedaan. Daar wordt hij sterker van. Hij is zo hard als een kogel geworden. Gaat op het voetbalveld gewoon door en laat zich niet storen door wat er langs de lijn wordt geroepen. Van Arno heeft hij sowieso geen last, want die houdt zijn mond wel. Misschien dat hij in de rust wat aanwijzingen geeft, maar daar blijft het bij. Nol was ook nooit zo van het commentaar tijdens wedstrijden. In de jaren dat Arno worstelde – van zijn zevende tot zijn twaalfde – hoorde hij zijn vader alleen voor en na een wedstrijd. Bij zijn voetbalwedstrijden kwam Nol eigenlijk nooit kijken; op zaterdag stond hij in de winkel en moest hij naar het worstelen. Arno is zelfstandig loodgieter, net als Nol was. Als jochie ging hij al met z’n vader mee, in zijn vrije tijd en in vakantie. Soms, als ze bijvoorbeeld een dak moesten doen, dan meldde Arno zich ziek. Ach, het ging toch hartstikke goed op school. Het raakvlak werk zou altijd blijven, al groeiden ze op dat vlak wel uit elkaar. Arno ging mee met moderne technieken, Nol hield meer vast aan een traditionele manier van werken. Maar de wederzijdse interesse bleef. Arno ging naast zijn ouders wonen en als Arno dan spullen aan het laden was, kwam Nol naar buiten met z’n sigaartje om even te vragen wat hij aan het doen was. En Arno vond de verhalen van vroeger over de mooie klusjes met zinkwerk erg interessant. Het raakvlak was er, maar de werkwijze van de twee is duidelijk verschillend. Nol was van de losse hand. Hij kon voor een klein 110


Drie generaties: Nol, Rowan en Arno

klusje als een leertje vervangen wel een uur bij een klant blijven hangen. Arno is meer van het doorbuffelen; er moet immers ook geld worden verdiend. Eens stuurde hij zijn vader weg bij een klus, omdat hij met z’n geklets anderen van het werk hield. “Wat ben jij een slavendrijver, zeg”, zei Nol ’s avonds. Tja, vond Arno, met geklets laat je wel zo 100 euro liggen. Dat begreep Nol ook wel weer. Waarschijnlijk vond Nol dat het werk leuk moest blijven en dat is het zeker wel geweest. De twee hebben een hoop schik gehad. Waren ze op de Maliebaan aan het werk, kwam er ineens een fotograaf die een herfstfoto van ze wilde maken. Moest Nol bladeren over Arno heen gooien. Kwamen ze weer thuis met een mooi verhaal. Of ze waren in een studentenhuis aan het werk en hadden de bewoners nog zo gezegd even niet naar het toilet te gaan. Was er een studente toch gaan poepen en kregen ze letterlijk alle shit over zich heen. En zo zijn er wel meer hilarische verhalen; door hoe ze zijn maakten ze allebei 111


veel mee. Impulsiviteit is ook zo’n gemene deler. Zonder met het thuisfront te overleggen kochten ze samen voor 140.000 euro een huis aan de Eikstraat in Utrecht. Het was niet hun enige impulsaankoop. Thuis keken de vrouwen dan verschrikt op. Je probeert wat, vindt Arno. Soms gaat het goed, soms niet. Bij het huis wel: ze hebben de woning met winst verkocht. Nol had ook eigenaardigheden die echt alleen bij hém pasten. Arno kan er nu smakelijk om lachen. Maar hoe moet het zijn geweest toen hij als kleintje net had geworsteld tijdens het Paastoernooi en hij zag dat zijn vader zomaar zonder hem wegreed? Arno zette het direct op een rennen en bij de Croeselaan, waar Nol moest stoppen, had hij zijn vader pas te pakken. “Waar ga je naartoe?” Nol keek ‘m aan met een blik van ‘Oh, ben jij er ook nog’. Hij zou zijn zoon zo achter hebben gelaten. Blijkbaar was hij ergens anders met z’n gedachten. Een andere keer vroeg Arno Nol of hij hem kon helpen met een klus bij huis. “Ik kom er zo aan.” Even later reed Nol zo het erf af richting Utrecht. Arno belde hem: “Je zou toch helpen?” Waarop Nol antwoordde: “Ik heb vroeger ook nooit hulp gehad.” En toen Nol bij een werk op locatie patat zou gaan halen, kwam hij terug met kaasbolletjes en karnemelk. “Dat ongezonde spul is helemaal niet goed voor je!” Stond Arno daar met een beteuterde oudere medewerker, die zich zo had verheugd op een patatje. Arno keek er niet van op: zo was zijn vader gewoon.

112


PRESTATIEDRANG

Jarenlang probeert Arno zijn vader aan het skiën te krijgen. Het sporten, de buitenlucht, de natuur; hij vindt het echt iets voor Nol. Op het moment dat Nol al in de zestig is, is hij eindelijk de drempel over. In 2000 maken Nol en Corry voor het eerst hun meters op de borstelbaan in Dordrecht, waarna het stel met kennissen voor het eerst in Oostenrijk op skivakantie gaat. Hij vindt het helemaal fantastisch. Na al zijn verdriet om Willeke kan hij eindelijk weer lachen. Vanaf dat moment gaat hij elk jaar twee weken skiën. Al snel gaat hij alle pistes af; zwart, rood, het maakt hem niet uit. Omdat Arno daar nooit bij is, en heel benieuwd is of het klopt dat zijn vader zo goed kan skiën als dat hij zegt, besluit hij met een vriend een weekendje bij zijn vader aan te sluiten. Ze gaan samen van de zwarte piste. “Jij hebt moeite om mij bij te houden”, bluft Nol van tevoren. Het blijkt andersom. Arno houdt zijn vader op z’n dooie akkertje bij en heeft zelfs de tijd om achteruit te skiën en video-opnames te maken. “Wat een lul hé”, blikt Nol later terug. Dit keer won Arno, maar Nol kan taai zijn. Als ze samen hardlopen in het bos, houdt Arno het vaak eerder gezien dan zijn vader. Dan moet Nol gewoon nog even een stukkie door. Even laten zien dat hij meer kan dan de ander.

113


OEPS, OOK VERZAKT! Arno heeft net zijn rijbewijs als hij het idee opvat om even in het weiland te gaan crossen met de auto van zijn moeder, die niet thuis is. Dat gaat niet helemaal volgens plan. Het heeft geregend, waardoor de grond veel te zacht is. De auto raakt verzakt en het lukt niet meer om ‘m op eigen kracht het weiland uit te krijgen. “Sooo-demieters!”, reageert vader Nol. Geen nood, Nol heeft een idee. Hij kruipt achter het stuur van zijn eigen auto en komt zijn zoon wel even redden. Maar verrek, Nol komt ook vast te zitten! Een beetje lachend loopt hij zijn huis binnen: ze zullen de boer moeten inseinen. Met een tractor haalt hij de twee auto’s uit het weiland. Onder toeziend oog van met lichte schaamte lachende heren en breed lachende dames.

BOEM! Marion is tien jaar en Willeke zes als hun vader met oud en nieuw weer een groot vuurwerkpakket heeft gekocht. Het pakket moet in een doosje. Corry moet Willeke nog even helpen haar jas aan te doen, Marion gaat vast met haar vader mee naar beneden. Nol is van plan om de boel met zijn sigaar aan te steken. Alleen gebeurt dat iets te vroeg. Een stuk van zijn sigaar valt in de het doosje. Ternauwernood drukt Nol Marion weer naar binnen. BOEM! Het hele pakketje knalt uit elkaar en doet de winkelruiten trillen. Marion is zich een ongeluk geschrokken. Willeke is in tranen. Zij heeft niets van het vuurwerk gezien.

114


WINTER EFTELING “Daar krijgen jullie mij niet in!” Nooit is Nol in de Efteling geweest, totdat hij een pretparkbezoek cadeau krijgt van zijn kinderen. Nu moet hij wel. Er gaat een wereld voor hem open. Het is gelukkig voor Nol niet zo idioot druk en de familie beleeft weer iets wat nog vaak verteld zal worden. Ze besluiten een foto te laten maken waarvoor je je moet verkleden. Als de foto is gemaakt, moeten de gezinsleden op hun beurt wachten. De mensen voor hun krijgen de verkeerde foto, waarop het meisje achter de balie volledig in de stress schiet en begint te flippen. Arno schreeuwt: “Eruit jongens, ze wordt gek!” Maar Nol ontfermt zich over de stresskip. “Rustig maar meissie.” De foto zal nooit uitgeprint worden, maar de familie Kooijmans heeft in de Efteling de attractie van haar leven gezien.

115


Opa

N

ol staat op het Zeeuwse strand met een stuk panbrood in zijn hand. Om hem heen lopen de dochters van Silvia, Chloë en Cheyenne. Nol wil de meeuwen voeren, maar heeft z’n hand nog niet omhoog gedaan of er komt al een gigantische meeuw aangevlogen. Hij pikt het

stuk brood zo uit Nols handen, maar pikt ook een stuk uit zijn duim. “Soooooo-de-mieters! Jongens, dit moeten we niet meer doen, hoor!” De meeuw zou maar zo’n heel kinderduimpje opeten, het zal je gebeuren. Hij heeft een stuk uit z’n duim, maar denkt direct aan zijn kleindochters. Ze kunnen vreselijk lachen met hun opa. Bij Center Parcs Port Zélande gaat hij samen met de meiden van de glijbaan. Helemaal jeugdig wordt ie. De ouders van de meisjes zijn net uit elkaar en Nol wil ze even opvrolijken. Dat lukt. Hij is lief voor ze, ze kunnen altijd bij hem terecht. Hij stelt geen vragen, maar is er gewoon. Ook met Vivian en Rowan is Nol altijd in de weer. Omdat zij naast ‘m wonen, ziet hij ze het meest. Met Rowan loopt hij lekker buiten en vertelt hij hele verhalen over de boomgaard. Vivian is goed in gymmen. Als zij buiten op de trampoline staat, geeft oud-acrobaat Nol aanwijzingen. Salto voorover, salto achterover. Leuk, zo’n opa! Jordy, Chantal en Renate, de kinderen van Marion, zijn al iets ouder. Hun speech, uitgesproken op de uitvaart van Nol, vertelt goed hoe ze hun opa zagen.

116


117


118


Onze opa Onze opa was anders dan andere opa’s. Het was de opa die op zondag sport zat te kijken. De opa met wie we kersen gingen plukken. De opa die zei dat we fruit met vieze bruine plekken gewoon nog konden eten. De opa die uren achter het raam zat te staren naar de kersenbomen, om te zien of er spreeuwen in zaten. De opa die vaak in de boomgaard te vinden was, met een grote sigaar in zijn mond. Hij was de opa met de apartste verhalen, waar we erg om konden lachen. De opa die altijd zei dat we goed moesten eten, want we moesten er nog van groeien. Maar die nu 10 jaar later zei dat we juist moesten afvallen, anders worden we niet zo oud. De opa die altijd tegen Chantal zei: “Wat zit je er mooi bij in je huisje”. Die tegen Renate zei: “Het is hard werken op de boerderij”. En die tegen Jordy zei: “Jongen, jij komt er wel”. Hij was de opa die erg trots was op zijn kinderen en kleinkinderen, dit zei hij nooit maar iedereen wist dat dit zo was. De opa die heeft gestreden tot het laatst, net als hij deed bij iedere worstelwedstrijd. Hij was de opa die er altijd voor ons was als we hem nodig hadden. De opa waarvan we zeker weten dat hij altijd op ons zou letten, en zal sturen in het leven waar nodig is. De opa die we heel erg gaan missen. De opa waar we altijd van blijven houden. Hij blijft ons grote voorbeeld.

119


120


A F S C HE I D

121


Man in de Rijn

H

et is 2014 en Corry ziet sinds een tijdje iets aan Nol. Ze weet niet wat het is, maar het klopt niet. Hij krijgt heel diepe scherpe ogen met rode randen er omheen. Vandaag staan ze op het punt om naar Noordwijk te gaan, maar Nol doet nog even een dutje op de bank.

Corry laat ‘m maar liggen, er is geen haast. Maar hij slaapt zo twee uur achter elkaar. Hij voelt zich niet zo lekker, zegt hij, maar stelt voor om toch maar naar Noordwijk te gaan. Ze gaan en ze zijn de hotelkamer nog niet binnen of hij ploft weer op bed. De zondag in dat weekend gaat het beter, maar de dag erop is hij weer niet lekker. Nol is geen man die snel naar de dokter gaat, hij is nooit ziek. Het weekend erop gaat het al beter. Er volgen meer uitjes: ze fietsen lekker door de Veluwse bossen en vertrekken met hun vriendengroep op bus-bootreis naar Keulen en Koblenz. Daar blijkt dat er echt iets mis is. Onderweg wordt Nol niet goed. Hij heeft op een gegeven moment een hartslag van 56, maar daarna gaat het weer. Wat is het? Corry weet het niet. Het kan ook reisziekte zijn, normaal rijdt Nol altijd zelf. Toch twijfelt Corry, het voelt niet goed. De reis gaat verder en het gezelschap stopt langs de Rijn bij een redelijk grote plaats. Er is tumult. In de Rijn is een man gevallen, die in een geul is beland. Het water staat niet zo hoog dat de man kon verdrinken, maar hij moet er natuurlijk wel uitgehaald worden. Maar niemand die wat doet. Ook Nol niet. Nu weet Corry het zeker: er is iets aan de hand met haar man. Hij is niet zoals hij is. Als hij goed was geweest, was hij in het water gesprongen en had hij de man eruit gehaald. Maar Nol kan niet meer op zichzelf vertrouwen. Nu wordt de politie gebeld, maar met een Nol in goeden doen kwam de politie er nooit aan te pas. Nol helpt de politie wel en hij houdt nog een oogje in het zeil. Bij thuiskomst in Nederland wil Nol niet naar de dokter. De tweede dag wordt Corry boos. “Jij gaat gewoon mee.” Al direct na de eerste onderzoeken volgt slecht nieuws: de bloedwaarden zijn veel te laag. Van oktober tot december 122


zijn er alleen maar onderzoeken in het Antoniusziekenhuis. Een rotperiode, maar Nol en Corry proberen er het mooiste van te maken. Ze gaan al een tijd dansen in Oud-Alblas met allemaal ouderen en Corry droomt dat ze voor die ouderen een Sinterklaasfeest regelt. Met banketletters en al. Dochter Marion boekt een Sinterklaas en in december volgt er een schitterend feest, waarbij Nol en Corry niet vertellen dat Nol ziek is. Sinterklaas steekt iedereen de gek aan, waagt zelfs een dansje; er is dolle pret. Nol zit te genieten. De andere dansers vragen Nol hoe het is. “Je weet nooit hoe lang je leeft”, antwoordt hij. “Ach”, zeggen de dansers, “jij wordt hartstikke oud.”

123


74

D

at zou hij zelf ook graag willen. Zijn vader is op 74-jarige leeftijd aan kanker overleden en sindsdien speelt dat getal een belangrijke rol in zijn leven. Als hij maar ouder wordt dan 74. Maar in november – nog voor de leuke Sinterklaasavond – moet Nol naar het ziekenhuis voor

een buikscan. Hij is dan 74. Er zijn recent poliepjes in zijn darmen gevonden, maar hij blijft buikpijn houden en afvallen. Nol is niet de oude Nol. Mensen voelen aankomen dat er iets niet in de haak is. Ook dochter Marion. Daarom staat zij haar ouders bij als Nol en Corry de uitslagen te horen krijgen. Ze zijn koud binnen als er drie dokters binnenkomen. Inderdaad, het is foute boel. Er is kanker gevonden in de darmen, milt en de huid. Corry is helemaal in tranen en Marion denkt: ‘Ik moet sterk blijven voor mijn ouders.’ “Dit was het dan”, zegt Nol. “Mijn vader is ook 74 geworden.” In de spreekkamer denkt Marion logisch na. Op zich hoeft er geen man overboord te zijn. De tumoren kunnen wellicht weggehaald worden? De zorgelijke blik van de dokters stelt niet gerust. “We denken dat het van een melanoom komt.” Alle alarmbellen gaan rinkelen. Dertien jaar ervoor is bij Nol een gevaarlijke moedervlek weggehaald. Dat leek toen op tijd, maar nu blijken er dus toch uitzaaiingen te zijn door een melanoom, huidkanker die ontstaat in een moedervlek. De melanoom kan uitzaaien in het lichaam en het is niet te voorspellen waar de kanker verder terecht zal komen. Nols vader is aan dezelfde soort melanoom overleden. Bij de mensen om Nol heen vliegt de angst naar de keel. Bij Nol is er woede. Hij is boos dat hij ziek is, zoekt de schuld bij zichzelf. En voelt niet de kracht om nog tegen de ziekte te vechten. Terwijl iedereen om hem heen Nol als een strijder kent en denkt dat dit zijn grootste gevecht wordt, wil Nol het bijltje er bij neergooien. Ergens weet hij dat hij gaat sterven, zien mensen bij De Halter. Daarom roepen ze allemaal oud-worstelaars bijeen om Nol te verrassen met 124


een speciale worsteltraining. Om hem een hart onder de riem te steken. Als het moment daar is en Nol naar de sporthal wordt gelokt, loopt hij onder luid applaus de hal binnen, zwaar onder de indruk. Hij steekt zijn duim omhoog. Met ontroering ziet hij alle worstelaars om hem heen en geeft dan zijn laatste speech bij De Halter. “De ene arts was nog dramatischer dan de ander. Je kan wel zeggen dat ik op het eind eigenlijk met de dood in de schoenen stond. Ik had het eerst niet willen doen, maar voor mijn vrouw en kinderen heb ik toch besloten om het worstelpakkie aan te trekken.” Nol houdt het nieuwste worstelpak van De Halter omhoog en krijgt een staande ovatie van een volle sporthal. ‘Het worstelpakkie aantrekken’ is symboliek voor de strijd tegen zijn ziekte, die hij toch aan wil gaan. Hij wordt bestraald en krijgt immuuntherapie, maar na vier behandelingen blijkt het niet aan te slaan. Nol weet nu zeker, wat hij diep van binnen al wel wist: hij gaat sterven.

125


126


Dominee Helder

I

n de periode die volgt wisselen zware en mooie momenten elkaar af. Tijdens het ziekbed verzorgt Corry haar man; geeft hem te eten en helpt hem op het laatst naar het toilet gaan. Het gegeven dat hij gaat sterven, roept bij Nol extra emoties op. Nu weet hij ook wat

Willeke heeft moeten doorstaan. Het lijkt Corry goed als Nol een keer met dominee Jacques Helder gaat praten. Willeke besprak de dingen waar ze mee zat nooit met haar ouders of man. Wel met de dominee. Misschien dat hij het samen met Nol over Willeke kan hebben. De dominee werkt inmiddels elders, maar via-via krijgt Corry hem te pakken en ze vraagt hem te komen voor een gesprek. Willeke heeft Nol altijd bezig gehouden en nu kan hij met iemand praten die dicht bij haar heeft gestaan. Bovendien is Nol heel gelovig en is het fijn om samen met de dominee te bidden, ook al is Nol zelf katholiek. Hij heeft twee goede gesprekken met Jacques Helder. In het gesprek vlak voor zijn overlijden, waar Corry en Silvia ook bij zijn, gaat de dominee ineens naast Nol zitten. “Zal ik eens met u bidden?” Hij legt zijn hand op het hoofd van Nol. Niet veel later begint Nol heel hard te huilen. Hij huilde nooit, nu breekt hij. Het gebed met een ander heeft hij nodig in deze fase van zijn leven. Nol wendt zich tot de dominee en zegt: “Jij bent een beste kerel.”

127


Bij elkaar

M

arion zei ooit tegen haar vader: “Je sterft nog eens op die worstelmat.” Waarop Nol antwoordde: “Dat is ook de mooiste dood die ik kan hebben.” Een paar weken voor zijn overlijden is Nol erg met zijn afscheid be-

zig. Hij vraagt Marion en een aantal worstelaars bij zich om het over zijn begrafenis te hebben. “Ik zou wel door worstelaars gedragen willen worden.” De mannen van De Halter stellen voor om mannen van drie generaties te selecteren: Toaufik Elfalah, Vehbi Hajdari, Cees Cirkel, Fred Vos, Jorgo Lialiangas en Mickey van der Wal. Nol vindt dat een goed plan en heeft in zijn hoofd dat de mannen hem vanaf zijn huis wel naar de begraafplaats kunnen brengen, maar daar denken zijn gezinsleden anders over. Het is een dikke twee kilometer lopen. Hans Galesloot van De Halter heeft een oplossing: Nol kan in de Halter-bus worden gebracht, met de worstelaars lopend aan weerszijden van de bus en de familie erachter. Nol is geroerd, dit moet het worden. En iedereen weet: het afscheid van Nol gaat heel bijzonder worden. Nol heeft de kracht om zulke dingen nog te regelen, ook al verzwakt hij aanzienlijk. Het is eigenlijk niet voor te stellen, maar Nol zegt dat hij geen pijn heeft. Lange tijd kan hij het met paracetamol volhouden. Een dag voordat hij sterft weet iedereen dat zijn einde nabij is. ’s Nachts zien zijn kinderen hem nog en zit Corry aan zijn sterfbed. Op 10 september om zes uur ’s morgens blaast Arnoldus Kooijmans zijn laatste adem uit. De begrafenis wordt zoals Nol het zich had voorgesteld. Verschillende sprekers vertellen mooie verhalen over hem. Na de dienst brengt de bus van De Halter Nol naar zijn laatste rustplaats. De dragers lopen er naast en andere worstelaars dragen alle bloemen en vormen achter de bus een erehaag, waartussen alle mensen lopen die Nol een laatste groet willen brengen.

128


Voor zijn dood heeft Nol afscheid kunnen nemen van iedereen die belangrijk was in zijn leven. Worstelaars, zijn broer en zussen, kinderen, kleinkinderen. Maar er is één iemand van wie hij bewust géén afscheid neemt: Corry. Dat hebben ze zo afgesproken. Nol gelooft dat ze eens weer bij elkaar zullen komen. En tot die tijd zijn ze ook een beetje samen: zijn helft blijft bij haar en haar helft neemt hij met zich mee.

You’re my best friend You placed gold on my finger 
 You brought love like I’ve never known 
 You gave life to our children 
 And to me a reason to go on 
 You’re my bread when I’m hungry 
 You’re my shelter from troubled winds 
 You’re my anchor in life’s ocean But most of all you’re my best friend When I need hope and inspiration You’re always strong when I’m tired and weak I could search this whole world over You’d still be everything that I need. Don Williams

129


130


‘De manier waarop hij luisterde zal ik

nooit vergeten. Licht achterover leunend, een beetje ja knikkend, waarbij hij zijn mondhoeken op een bijzondere manier samentrok, dan nadenken over het gesprek’

‘De Halter en de totale worstelsport in

Nederland wordt gecondoleerd met het heengaan van de grote worstelheld’

Surinaamse Worstel Federatie

‘Prachtige vent die voor iedereen klaar-

stond. De Halter verliest een groot worstelaar en verenigingsmens’

‘Altijd een vriendelijk woord. Hij kende

iedereen en gaf iedereen aandacht’

‘Vol passie en mentale steun wist je het

beste uit de worstelaars te halen’

‘We herinneren Nol aan zijn inzet voor

het Paasworsteltoernooi en het behoud van de worstelsport als Olympische sport. Zijn overlijden is een groot verlies voor De Halter en de Nederlandse worstelwereld’

Paulus Jansen, wethouder Sport Utrecht.

131


132


Bronnen •

Interviews met: Corry Kooijmans, Marion Uittenbogaard, Silvia Kooijmans, Arno Kooij- mans, Corry Uijlenbroek, Henk van Hulst, Erwin Goris, Toaufik Elfalah en Vehbi Hajdari.

• Krantenartikelen: ‘Nol Kooijmans vertrekt voor zijn afscheidstoernooi – Laatste stap op worstelmat’ Anne Hiemstra, Het Kontakt. ‘Nol Kooijmans baalt van bronzen medaille’ Piet Versteeg. Het Kontakt, 10 augustus 2000. ‘Een leven in het teken van de worstelsport’ Ed van Tuijl. Het Kontakt, 6 mei 2010. ‘Het signaal van Nol Kooijmans’ Jacques van Willigenburg. AD Utrechts Nieuwsblad ‘Een brug op de mat, een handstand op tafel’ Martin Donker. Utrechts Nieuwsblad, 10 oktober 1998. ‘Bond moet met onze jongens de grens over’ Piet Imbos. Stadsblad Utrecht, 16 maart 1977 •

Clubbladen De Halter.

Archief Corry Kooijmans.

133


Colofon

134

Auteur:

Tim de Hullu

Opmaak:

Joyce Vanhommerig

Druk:

Pumbo.nl


135


Dit boek gaat over het leven van Nol Kooijmans, een worstelaar, loodgieter, voorzitter, echtgenoot, vader en opa. Hij groeit op in de Zeven Steegjes in Utrecht, waar hij gegrepen wordt door de worstelsport. Al snel komt hij bij krachtsportvereniging De Halter terecht. Daar zal hij nooit meer weggaan. Worstelen is zijn leven. Als worstelaar en trainer pakt hij prijzen; als voorzitter loodst hij de vereniging door onzekere tijden. Veel mensen hebben waardering voor de tomeloze inzet van Nol voor de worstelsport, maar vooral voor de persoon die Nol Kooijmans was. Betrouwbaar, betrokken en een tikkie vergeetachtig. Via het oude Utrecht leidt deze biografie je naar Meerkerk. Langs de pieken en dalen van een bijzonder mensenleven.

136

Voorbeeld Biografie De Biograaf  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you