Page 1

“We are your Yankee Doodle Dandy come home” - Ron Kovic

Tim Chanet

Studentennummer: 00701591 Film- en Televisieanalyse Prof. Dr. Daniël Biltereyst m.m.v. Gertjan Willems Master Film- en Televisiestudies Academiejaar 2010-2011


Abstract Aan de vooravond van de eerste golfoorlog sprak Amerikaans president George Bush de natie toe. Volgens hem waren alle pogingen om tot een vreedzame oplossing te komen uitgeput. Militaire actie was volgens Bush nog het enige middel om de gewelddaden van Saddam Hussein te stoppen. Hij vroeg dan ook een groot offer van zijn land: de natie zou ten oorlog trekken. Toch was president Bush de maanden volgend op deze aankondiging nog nooit zo populair. Er was vrijwel geen tegenkanting tegen de oorlog en de pers hekelde elke onpatriottische gedachte (Hackett & Zhao, 1994; Hallin, 1994). Het volkslied stond zelfs bovenaan de hitlijsten en op straat werden petjes en T-shirts met nationalistische slogans verkocht (Billig, 1995, pp. 1-2). De nationalistische gevoelens werden voortdurend gereproduceerd. Aan het einde van de oorlog genoot de natie duidelijk van de overwinning. Men hield echter geen rekening met de duizenden Irakezen die om het leven waren gekomen. “The West was not counting its victims; it was enjoying its victory. The American flag was flying proudly.� (Billig, 1995, p. 2). Bovenstaand voorbeeld geeft aan hoe een nationalistisch sentiment mensen kan mobiliseren en hoe blind men kan zijn voor de soms gruwelijke repercussies ervan. Door middel van een literatuurstudie gaan we in deze paper dieper in op het nationalisme-thema. Eerst trachten we duidelijkheid te scheppen in het verwarrende lexicon rond nationalisme, om vervolgens de banaal nationalisme-thesis van Michael Billig (1995) te verduidelijken. Nationalisme komt namelijk niet alleen tot uiting in tijden van crisis, maar zit volgens Billig (1995) ook vervat in onze alledaagse handelingen en gebruiken. Daarnaast vestigen we ook aandacht aan de rol van de media in het representeren van de natie. Tot slot maken we een analyse van een film van regisseur Oliver Stone: Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989). Hierin trachten we sporen van nationalisme terug te vinden en tonen we aan hoe een nationalistisch gedachtengoed mensen kan mobiliseren, maar ook welke repercussies dat met zich mee kan brengen.

2


Inhoudstafel 1. Inleiding

4

2. Bronnenkritiek

5

3. Literatuurstudie

6

3.1. Nationalisme: een moeilijke definiĂŤring

6

3.1.1. Natie

6

3.1.2. Etnie

6

3.1.3. De Staat

7

3.1.4. Nationale identiteit

7

3.1.5. Nationalisme

8

3.2. Banaal nationalisme 3.3. Media en de representatie van de natie

8 11

4. Born On The Fourth Of July: situering

13

4.1. Born On The Fourth Of July

13

4.2. Een film van Oliver Stone

14

5. Born On The Fourth Of July: analyse

16

6. Conclusie

23

7. Filmografie

24

8. Bibliografie

24

3


1. Inleiding Het is vier juli: de nationale feestdag van de Verenigde Staten, en tevens de verjaardag van een jongen uit een klein stadje kort bij New York: Ron Kovic. Op de jaarlijkse Independence Day Parade krijgt hij een baseballpet van de N.Y. Yankees cadeau. Volgens zijn vader is hij een echte “Fourth of July firecracker”; een echte “Yankee Doodle Boy” volgens zijn moeder, waarmee ze verwijst naar een patriottisch musicalnummer uit 19041. Hij is, naar analogie met het liedje, “a real live nephew of my Uncle Sam’s, Born on the Fourth of July”. Hij lijkt met andere woorden voorbestemd om de natie, waar hij en zijn omgeving zo trots op zijn, te representeren. Het nationalisme dat uitdrukkelijk aanwezig is in Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989) komt al in de openingsscènes tot uiting. Toch is de film allesbehalve een verheerlijking van het Amerikaans nationalisme. Ron zal een hele transformatie doormaken tussen zijn onschuldige patriottische jeugd en zijn “coming home” op het einde van de film. Hij, en de natie die hij eens zo liefhad, zijn door zijn ervaringen in de Vietnamoorlog veranderd. Op de Republikeinse Conventie in 1972 zal hij aantonen wat van hem als Yankee Doodle Dandy gekomen is. Als een verlamde man in een rolstoel probeert hij de natie te overtuigen dat het oorlogsbeleid waar hij eens zo’n voorstander van was, verkeerd is: “Our wheel chairs, this steel, our steel, is your Memorial Day on wheels. We are your Yankee Doodle Dandy come home!” Het levensverhaal van Ron Kovic, verfilmd in Born On The Fourth Of July, toont de kracht van een nationalistische ideologie aan en welke repercussies dat met zich mee kan brengen. In deze paper gaan we dan ook dieper in op het nationalisme-concept. Eerst trachten we duidelijkheid te verschaffen in het verwarrende lexicon rond het begrip. Vervolgens beschrijven we het banaal nationalisme-concept van Michael Billig (1995), om de literatuurstudie af te ronden met de rol van de media in het representeren van de natie. Tot slot maken we een analyse van Born On The Fourth Of July. We gaan in deze film op zoek naar elementen die de natie, al dan niet op een subtiele manier, verbeelden of die een nationalistisch discours inhouden. We focussen daarbij vooral op het hoofdpersonage Ron Kovic die, zoals al eerder gezegd, een hele transformatie doormaakt. Zo willen we aantonen dat een nationalistisch gedachtengoed mensen tot veel kan aansporen, maar dat het tegelijkertijd ook zeer destructief kan zijn.

The Yankee Doodle Boy (2010, 27 september). Geraadpleegd op 15 december 2010 op het World Wide Web: http:// en.wikipedia.org/wiki/The_Yankee_Doodle_Boy. 1

4


2. Bronnenkritiek Om deze paper te schrijven hebben we heel wat bronnen geraadpleegd om zo een inzicht te krijgen in de basisconcepten rond nationalisme, banaal nationalisme en de rol van de media in de verbeelding van de natie. Het is onmogelijk om elke bron te bespreken. Daarom pikken we er hier enkele bronnen uit die een belangrijke bijdrage hebben geleverd in de ontwikkeling van deze paper. Het werk dat ons introduceerde in de basisconcepten van nationalisme was Nationalism van Anthony D. Smith (2001). In dit werk plaats hij verschillende visies omtrent deze concepten tegenover elkaar en destilleert er vervolgens op een kritische wijze zijn eigen definitie uit. Nationalism: Theory, Ideology, History is dan ook een geschikt werk om vertrouwd te worden met deze complexe materie en het lexicon dat er mee gepaard gaat. Hetzelfde geldt voor Banal Nationalism van Michael Billig (1995), hoewel hij op een ander element focust. Daar waar de meeste werken focussen op nationalisme dat tot uiting komt in de vaak gewelddadige, emotionele en politieke strijd om soevereiniteit, stelt Billig dat de natie in alledaagse handelingen en gebruiken verbeeld wordt. Nationalisme is dus dagelijks aanwezig in ons leven. Volgens Skey (2009, p. 333) was Billig een van de voorlopers “in marking something of a shift in focus as research began to move away from the more macro-scale theorising on nationalism to more empirical-based studies, that focused on issues of representation, contestation and localised meaning-making […]”. Toch stelt diezelfde Skey (2009) dat Billig een te sterke top-down-benadering hanteert en geen of weinig rekening houdt met de actieve kracht van het publiek. Daarnaast stelt hij dat het banaal nationalisme geen statisch gegeven kan zijn, en dat ook de socio-economische context in de analyse van banale vormen van nationalisme moet worden opgenomen. Met betrekking tot de analyse van Born On The Fourth Of July hebben Film Nation: Hollywood looks at U.S. History van Robert Burgoyne (2010), en Oliver Stones America: Dreaming the myth outward van Susan Mackey-Kallis (1996) een belangrijke bijdrage geleverd in ons inzicht in het werk van regisseur Oliver Stone, en de narratieve en visuele elementen in zijn film Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989). Susan Mackey-Kallis heeft ons ingeleid in het werk van Oliver Stone, en de thema’s die frequent terugkomen in zijn films. Daarnaast maakt ze een analyse van Born On The Fourth Of July die ons heeft geholpen met onze eigen analyse. Toch vinden we haar analyse wat te beknopt en te oppervlakkig. Wij zijn dan ook dieper ingegaan op de thematiek en de manier waarop nationalisme tot uiting komt in deze film. Een van de belangrijkste bijdragen van Robert Burogyne is dat hij de rol van de hedendaagse populaire film in het ontwikkelen van een nationaal bewustzijn en identiteit serieus neemt. Met betrekking tot Born On The Fourth Of July maakt hij een zeer interessante analyse over nationale identiteit, genderidentiteit en de rescue fantasy. Hoewel het een moeilijk begrijpbare theoretische bijdrage is, en ze niet meteen toepasbaar is op onze paper, geeft ze aan op welke alternatieve manier je een tekst kan lezen en zo nieuwe elementen kan blootleggen. Deze, en nog andere werken, hebben ons genoeg stof tot nadenken gegeven om de literatuurstudie die in de volgende paragraaf volgt tot een goed einde te brengen.

5


3. Literatuurstudie 3.1. Nationalisme: een moeilijke definiëring Nationalisme is een begrip dat vele ladingen dekt. Begrippen die aansluiten bij nationalisme, zoals natie, etnie of Staat worden dikwijls door elkaar gebruikt. Daarom proberen we deze begrippen te definiëren, om zo duidelijkheid te scheppen in het verwarrende lexicon. We doen dit voornamelijk aan de hand van het werk van Anthony D. Smith (2001). In Nationalism, theory, ideology, history geeft hij een goed onderbouwde definiëring van de verschillende concepten die vaak in één adem met de term nationalisme worden genoemd. 3.1.1. Natie Een eenduidige definitie van “de natie” is moeilijk te geven. Enerzijds kunnen we de natie definiëren aan de hand van objectieve criteria zoals een gemeenschappelijke taal, gebruiken, religie en territorium. Zo definieerde Stalin (1973, p. 61, geciteerd in Smith, 2001, p. 11) de natie als: “[...] an historically constituted, stable community of people, formed on the basis of a common language, territory, economic life, and psychological make-up manifested in a common culture.”. Anderzijds kunnen we subjectievere criteria toepassen, waarbij we vooral kijken naar gemeenschappelijke gevoelens en attitudes om een natie te definiëren (Smith, 2001, p. 11). Zo is de natie volgens Anderson (1983) een ingebeelde gemeenschap. Vermits de leden van de natie elkaar niet kennen, maar wel een gemeenschappelijk beeld hebben van de gemeenschap waartoe ze behoren, vormen ze een “imagined community”. De natie bestaat dus maar “[...] when a significant number of people in a community consider themselves to form a nation, or behave as the formed one.” (Seton-Watson, 1977, geciteerd in Price, 1995, p. 48). Toch moeten we enkele kanttekeningen maken bij zowel deze objectieve als subjectieve criteria. Daar waar de objectieve criteria de definiëring van de natie te zeer beperken, definiëren de subjectieve criteria de natie te ruim. Volgens Smith (2001, p. 11) wordt het door te focussen op sentimenten en verbeelde gemeenschappen moeilijk om een natie te onderscheiden van andere gemeenschappen zoals bijvoorbeeld regio’s en stammen. We kunnen de natie dan ook best definiëren door een balans te vinden tussen zowel de objectieve als de subjectieve criteria. Maar ook hier bestaat geen academische consensus over. De definitie van Smith (2001, p. 13) lijkt ons het natie-begrip het best te omvatten. Hij definieert de natie als “a named human community occupying a homeland, and having common myths and a shared history, a common public culture, a single economy and common rights and duties for all members.”. De natie moet dus een territorium bezitten en een publieke cultuur hebben om als natie herkend te kunnen worden. Daarnaast moet ze in zekere mate zelfbeschikkend zijn, of althans tot doel hebben om soeverein te worden (Smith, 2001, pp. 12, 25). 3.1.2. Etnie Nu we het natie-begrip gedefinieerd hebben kunnen we ons afvragen in welke mate een natie verschilt met een etnische gemeenschap. Volgens Smith (2001, pp. 12-14) zijn er niet zoveel verschillen tussen beide. Zowel een natie als een etnische gemeenschap hebben een eigen naam, gemeenschappelijke mythen en gedeelde herinneringen. Bij etnische gemeenschappen zijn er volgens Smith (2001, p. 14) echter geen gemeenschappelijke rechten en plichten tussen de leden en heeft de gemeenschap niet één gemeenschappelijke economie. Daarnaast zijn de leden verbonden door een bepaald cultureel element (zoals taal of religie), maar hebben ze geen eenduidige publieke cultuur. Daarenboven hebben etnische 6


gemeenschappen vaak enkel een band met hun historisch territorium en wonen ze er niet per definitie (Smith, 2001, p. 14). Een etnische gemeenschap is volgens Smith (2001, p. 13) dan ook “a named human community connected to a homeland, possessing common myths of ancestry, shared memories, one or more elements of shared culture, and a measure of solidarity, at least among the elites.”. Wanneer we de definities van de natie en een etnie vergelijken moeten we opmerken dat beide slechts theoretische omschrijvingen zijn. Wanneer we deze definities toetsen aan de praktijk komen we al snel in de problemen. Wat met polyetnische naties, of etnieën die vroeger een natie vormden maar door omstandigheden geen eigen territorium meer bezitten? Volgens Smith (2001, pp. 14-15) moeten we er ons dan ook bewust van zijn dat beide definities slechtst ideaaltypes zijn, en dat we dus moeten oppassen wanneer we ze zouden willen toepassen in de praktijk. 3.1.3. De Staat Het natie-begrip wordt ook vaak verward met de Staat. Toch moeten we beide begrippen onderscheiden van elkaar. Een Staat heeft een institutionele component, wat niet het geval is bij het natie-begrip. De Staat is opgebouwd uit instituten die een machtsmonopolie hebben binnen een bepaald territorium. De natie is anderzijds een beleefde gemeenschap, waarin men onder andere een bepaalde cultuur deelt (Smith, 2001, p. 12). Daarnaast zoeken naties steeds een zekere soevereiniteit (Smith, 2001, p. 25). Daarom hebben naties volgens Weber (1991) nood aan een eigen Staat. Toch vallen naties en Staten zelden samen. Wanneer we alleen rekening zouden houden met de objectieve criteria om een natie te definiëren (zoals taal en religie), is het zeer moeilijk om Staatsgrenzen te trekken. Hetzelfde geldt voor de subjectieve criteria. Vermits er, om Anderson’s (1983) termen te gebruiken, oneindig veel “imagined communities” bedacht kunnen worden, is het onmogelijk om grenzen te trekken die de verschillende subjectieve identiteiten kunnen omsluiten (Billig, 1995, p. 24). De natie en de Staat vallen dus zelden samen, of zoals Connor (1972, geciteerd in Smith, 2001, p. 17) het verwoordt: “the monolitic ‘nation-state’ - where state and nation are exactly coextensive, where there is just one nation in a given state and one state for a given nation - is rare.”. 3.1.4. Nationale identiteit Wanneer we spreken over nationale identiteit moeten we een onderscheid maken tussen het individuele en collectieve niveau van nationale identiteit. Op het individuele niveau valt op dat een persoon meerdere identiteiten kan hebben. Zo kan iemand man of vrouw, christen of moslim, dokter of loodgieter,... zijn. Anderzijds mogen we de collectieve nationale identiteit van een gemeenschap niet vereenvoudigen tot de aggregatie van de identiteit van de leden van die gemeenschap (Smith, 2001, pp. 18-20). We kunnen de handelingen en ideeën van het individu dus ook niet voorspellen aan de hand van de collectieve identiteit van de gemeenschap waartoe hij of zij behoort. “[...] the latter can only tell us something about the context of members’ dispositions and the constraints on those members.” (Smith, 2001, p. 19). Een collectieve identiteit is stabieler dan een individuele identiteit, vooral wanneer de collectieve identiteit bestaat uit culturele elementen, zoals bij naties of etnieën. Naties of etnieën zijn stabiel vermits de elementen waaruit ze bestaan (mythen, symbolen,...) vaak zijn ingebed in het collectieve geheugen. Hierdoor krijgen ze een duurzaam karakter (Smith, 2001, p. 19). Dat wil echter niet zeggen dat collectieve culturele identiteiten onveranderlijk zijn. Mythen, tradities, symbolen,... worden (bijvoorbeeld door nieuwe generaties) immers steeds opnieuw geïnterpreteerd. Toch vinden veranderingen enkel plaats binnen bepaalde grenzen. Zelfs revoluties resulteren volgens Smith (2001) uiteindelijk in waarden die ook in de vorige gemeenschap terug te vinden waren. 7


Wanneer we rekening houden met het verschil tussen het individuele en collectieve niveau van nationale identiteit, en de mogelijke transformatie van die identiteit, komen we tot de volgende definitie: Een nationale identiteit is “the continues reproduction and reinterpretation of the pattern of values, symbols, memories, myths and traditions that compose the distinctive heritage of nations, and the identifications of individuals with that pattern and heritage and with its cultural elements.” (Smith, 2001, p. 18). 3.1.5. Nationalisme Tot slot proberen we ook enkele kenmerken van “de” nationalistische ideologie samen te vatten. Maar eigenlijk bestaat “de” nationalistische ideologie niet. Nationalisme krijgt vaak een eigen invulling naargelang wie of waar men er gebruik van maakt. Er zijn dan ook verschillende vormen van nationalisme, waardoor het moeilijke is om een eenduidige definitie van nationalisme te destilleren (Smith, 2001, p. 21). Toch zijn er gemeenschappelijke kenmerken terug te vinden tussen de verschillende invullingen van nationalisme. Zo delen ze enkele basisproposities, fundamentele idealen en enkele cognitieve concepten (Smith, 2001, pp. 22-24). Volgens Smith (2001, p. 9) is nationalisme dan ook: “an ideological movement for attaining and maintaining autonomy, unity and identity for a population which some of its members deem to constitute an actual or potential “nation”.”. Daarbij houdt hij, door het woord maintaining te gebruiken, rekening met de voortdurende invloed die de nationalistische ideologie kan uitoefenen, zelf op naties die al lang bestaan. Daarnaast stelt hij dat de natie niet a priori hoeft te bestaan vooraleer ze er een nationalistische ideologie op na kan houden (Smith, 2001, pp. 9-10). We spreken hier echter wel over een algemene definitie van nationalisme die geen rekening houdt met de verschillende variaties in nationalisme die mogelijk zijn. Het is dus een definitie die enkel in theorie stand houdt. Toch weet Smith (2001, p. 9) drie doelen van nationalisme te destilleren: nationale autonomie, nationale eenheid en nationale identiteit. Nu we het verwarrende lexicon rond nationalisme enigszins hebben verduidelijkt kunnen we ons afvragen hoe naties in stand gehouden worden. Volgens Renan (1990) zijn naties immers niet absoluut en kunnen ze verdwijnen wanneer er geen duidelijke wil van het volk is om nog verder samen te leven. “If the members of the nation reject the idea of nationhood, then the whole business of national community collapses.” (Billig, 1995, p. 95). Toch wordt de natie voortdurend gereproduceerd. Volgens Balibar & Wallerstein (1991, p. 93) verbeeldt een gemeenschap zichzelf als een natie doorheen dagelijkse gebruiken. De natie is dus dagelijks aanwezig in het leven van haar leden, waardoor ze zichzelf kunnen identificeren en reproduceren als zijnde het volk (Billig, 1995, p. 95). Maar hoe vindt de natie dagelijks haar weg in het leven van mensen?

3.2. Banaal nationalisme Volgens Anthony Giddens (1985, p. 218) is nationalisme een ideologie die enkel aan de oppervlakte komt in tijden van crisis. Enkel wanneer de dagelijkse routine van mensen wordt gebroken grijpen ze terug naar de typische symbolen van de natie en leggen ze hun vertrouwen in een sterke leider. Nationalisme is volgens Giddens (1985, p. 215) dan ook niet van dag tot dag aanwezig in het leven. Hiertegenover staat de term banaal nationalisme, zoals omschreven door Michael Billig (1995). Volgens hem wordt de natie dagelijks weergegeven in het leven van mensen. “The thesis of banal nationalism [...]”, suggereert volgens Billig (1995, p. 93) dat “[…] nationhood is near the surface of contemporary life.”. Nationalisme maakt deel uit van de dagelijkse routines van de mens; de habitus. Teruggaand op de theorie van Bourdieu (1990), verwijst de habitus naar “een verworven, aangeleerd en duurzaam systeem van disposities (neigingen), die fungeren als onbewuste schema’s en op die manier het denken, handelen, 8


waarnemen en voelen van individuen bepalen.” (Verstraeten, 2009). De habitus vormt een tweede natuur, waarbij de geschiedenis waarvan de habitus het product is, vergeten kan worden. Mensen kunnen routinematig door het leven gaan. Men moet zich met andere woorden niet constant afvragen wat men aan het doen is of moet doen. Op die manier maakt de natie ook deel uit van het dagelijkse leven van de mens, ook al is hij of zij zich daar niet van bewust (Billig, 1995, pp. 42-43). Denk bijvoorbeeld aan Amerikaanse schoolkinderen die elke ochtend de Amerikaanse vlag begroeten. Ze zweren “allegiance to the flag of the United States of America and to the republic for which it stands, one nation under God, indivisible with liberty and justice for all”. De dagelijkse groet aan de vlag is een routine geworden; het is de manier waarop de schooldag start. Volgens Billig (1995, p. 50) wordt door deze ceremonie het nationale gevoelen aangescherpt, zonder dat de kinderen zich daar bewust van zijn. Het is eerder een routine, die al generaties in stand wordt gehouden 2. Volgens Coles (1986) wordt de betekenis van de ceremonie nog versterkt doordat het een routine is geworden. Ze maakt nu immers deel uit van het dagelijkse leven en is dus niet beperkt tot een bepaald moment of tot een bepaalde plaats. Nationalisme is dus constant aanwezig en baant zich volgens Coles (1986, pp. 59-60) een weg in het dagelijkse denken van mensen. Het bovenstaande voorbeeld illustreert hoe de natie, door middel van bepaalde symbolen, dagelijks haar weg vindt in het leven van mensen zonder dat men zich daar bewust van is. Maar ook in andere elementen van het dagelijks leven vinden we sporen van een nationalistisch discours terug. Zo ook in taal. Kleine woorden als “ik”, “jij”, “wij”, “zij”, “hier” en “daar” hebben een zekere nationalistische ondertoon, zonder dat we ons daar bewust van zijn. Door bijvoorbeeld te verwijzen naar onszelf, suggereren we meteen ook “een andere” (Billig, 1995, pp. 93-94, 106). Vooral in een politiek discours komt de natie sterk naar voren. In deze tijd, waarin politici via de massamedia een groot publiek kunnen aanspreken, kan een speech een eenheidsgevoel oproepen bij een natie. Zo haalt Billig (1995, p. 97) de overwinningsspeech van Nelson Mandela aan. Mandela begon zijn toespraak met “My fellow South Africans - the people of South Africa” en riep hiermee, en door te spreken over de gemeenschappelijke toekomst van de natie, een eenheidsgevoel op (Billig, 1995, pp. 96-97). Recenter kunnen we verwijzen naar de overwinningsspeech van de Amerikaanse president Barack Obama, waarin hij zich wendt tot alle lagen van de bevolking, en stelt dat de Verenigde Staten “have never been just a collection of individuals or a collection of red states and blue states; we are and always will be the United States of America3”. Hoewel de woorden op zich banaal zijn roept de betekenis ervan een gevoel van eenheid op (Billig, 1995, p. 97). Eigenlijk zijn er oneindig veel elementen in het dagelijks leven van mensen die de natie steeds opnieuw reproduceren. Denk bijvoorbeeld aan dialecten, het weerbericht, reclameboodschappen, straatnamen, munten, nationale gerechten, postzegels,...; allen zitten ze vervat in onze dagelijkse routines en reproduceren ze de natie zonder dat we ons daar bewust van zijn (Billig, 1995; Cusack, 2000; Fuller, 2008; Hearn, 2007, p. 660; Law, 2001, p. 302).

2

We kunnen er geen empirisch gegronde uitspraken over doen, maar toch lijkt het ons dat de allegiance to the flag enig bewust nationalisme inhoudt. Het mag dan wel een routine zijn; naar ons gevoel zijn studenten zich er wel degelijk van bewust waarvoor deze belofte staat. We kunnen ons moeilijk inbeelden dat schoolkinderen elke ochtend een gelofte doen zonder, al is het maar een enkele keer, stil te staan bij de woorden die hij of zij uitspreekt. Anderzijds zijn we het eens met Billig, door te stellen dat door het keer op keer herhalen van deze gelofte, ze routine wordt en zo dag na dag het nationale gevoelen aanscherpt. Toch lijkt het ons dat men zich, al is het latent, bewust is van deze natievorming. 3

De volledige overwinningsspeech van president Barack Obama vind u terug op: http://www.youtube.com/watch? v=jJfGx4G8tjo 9


Maar ook de massamedia reproduceren de natie dagdagelijks. Een analyse uitgevoerd op alle Britse kranten op 28 juni 1993 toonde aan dat er ook sporen van banaal nationalisme terug te vinden waren in de dagelijkse berichtgeving (Billig, 1995, pp. 109-125). Zo werd de term “the nation” veelvuldig gebruikt in de verschillende kranten. The Mail kopte bijvoorbeeld “one of the nation’s most wanted men”. De natie is hier zonder twijfel Groot-Brittannië. Hoe banaal ook, “the nation” herinnert de lezer eraan dat hij tot een bepaalde gemeenschap behoort (Billig, 1995, p. 116). Daarnaast hechtten de Britse kranten vooral aandacht aan binnenlands nieuws. Internationale berichten bereiken in sommige kranten wel de voorpagina, toch gebeurde de berichtgeving vooral vanuit een Britse invalshoek (Billig, 1995, pp. 117-118). De pagina’s waar het banaal nationalisme het sterkst aan de oppervlakte kwam waren de sportpagina’s. Op de dag van de analyse zou net de tweede week van het Wimbledon tennistornooi van start gaan. The Sun had de idee opgevat om, elke keer er een Brits tennisspeler uit het toernooi gespeeld werd, de Britse vlag lager op zijn mast te tekenen. Maar na de eerste week streed er, hoewel men het niet verwacht had, nog een Brit mee. De krant verheerlijkte de tennisspeler en drukte: “We’ve done it! Sun Sport’s Union Jack is still with us as the second week of Wimbledon gets underway today - thanks to Andrew Foster the only surviving Brit in the singles competition” (geciteerd in Billig, 1995, p. 120). Deze prestatie van Andrew Foster, en de manier waarover er gerapporteerd werd in alle kranten, was een mooie illustratie van hoe de sportprestatie van één man gevierd werd door de hele natie. Hoewel de lezer zich er wellicht niet bewust van was, zou hij deel uitmaken van een nationaal gevoelen dat heel het land trof. Deze anekdote geeft enerzijds aan hoe de massamedia een gevoel van nationale eenheid kunnen oproepen, en anderzijds hoe sport mensen uitnodigt om deel uit te maken van de overwinningen van “hun” natie en “hun” helden (Billig, 1995, pp. 119-121). De banal nationalism-thesis is echter niet vrij van kritiek. Volgens Michael Skey (2009) hanteert Billig (1995) een sterke te top-down-benadering wanneer hij schrijft over banaal nationalisme. Gebaseerd op het werk van Mirca Madianou (2005) stelt hij dat het publiek geen lege doos is dat mediaboodschappen zomaar overneemt (Skey, 2009, p. 336). Het grootste gebrek van de banaal nationalisme-thesis is volgens hem dan ook dat “[it] does not address how different constituencies might respond to the particular media texts or political speeches used as examples of the nation being flagged in a routine or taken-for-granted manner.” (Skey, 2009, p. 337). De theorie houdt dus geen rekening met het feit dat mensen zelf een identiteit construeren afhankelijk van de context en de tijd waarin ze zich bevinden (Skey, 2009, p. 337). We mogen volgens Skey (2009, p. 342) dus niet zomaar aannemen dat bepaalde representaties van de natie iedereen in de natie aanspreekt. We moeten rekening houden met de manier waarop verschillende groepen worden aangesproken, en hoe ze reageren (of niet reageren) op zulke representaties. Daarnaast is banaal nationalisme geen statisch gegeven volgens Skey (2009, pp. 340-341). Gebaseerd op het werk van Hutchinson (2004, 2006) stelt hij dat we niet mogen aannemen dat nationalisme, wanneer het eenmaal is ingebed in onze routines, onveranderlijk is. Economische veranderingen, oorlogen, migratie en zelfs natuurrampen kunnen bijvoorbeeld een explicieter nationalistisch gevoel naar de voorgrond brengen . Volgens Skey (2009, pp. 340-341) moeten we onze blik dan ook verruimen, en de ruimere socioeconomische context in de analyse van banale vormen van nationalisme opnemen. In de vorige paragrafen hebben we getracht een definiëring van de verschillende concepten rond nationalisme aan te reiken, en zijn we dieper ingegaan op de banaal nationalisme-thesis. Maar de rol van de massamedia in het algemeen, en film in het bijzonder, is slechts beperkt aan bod gekomen. Daarom gaan we in de volgende paragraaf na welke rol de media kunnen spelen in het verbeelden van de natie.

10


3.3. Media en de representatie van de natie Volgens Dhoest (2004, p. 40) zijn de media een belangrijke factor in de creatie van nationale en culturele identiteiten. Zo als we eerder al aanhaalden stelt Anderson (1983) dat de leden van een gemeenschap elkaar niet kennen, maar toch een gemeenschappelijk beeld hebben van de gemeenschap waartoe ze behoren. Ze vormen een imagined community; een identiteit die via een systeem van culturele representaties geconstrueerd wordt (Hall, 1992, pp. 291-292; Van Gorp, 2008, p. 22). Maar vermits de leden van de gemeenschap elkaar allemaal onmogelijk kunnen kennen is face-to-face communicatie 4 niet voldoende om een imaginaire band te ontwikkelen tussen alle leden van de natie. Volgens Anderson (1983) kan die band wel gecreëerd worden door middel van communicatietechnologieën. Naties ontstaan volgens deze gedachte dus niet zomaar uit zichzelf. Ze worden eerder geconstrueerd doorheen een discursief proces van natievorming (Castello, Dhoest, & O'Donnell, 2009, p. 1). Dit proces kan plaatsvinden via de massamedia. Volgens Castello et al. (2009, p. 2) zijn de media immers “[...] “powerful storytelling machines through which the narration of the national is spread and reaches us in our homes.”. In de negentiende eeuw hadden de printmedia volgens Anderson (1983) een significante impact op de ontwikkeling van het natie-concept. Verhalen, maar evenzeer een nationalistisch gedachtengoed, konden door middel van kranten en boeken immers sneller en over een groter territorium verspreid worden. De ontwikkeling van nieuwe communicatietechnologieën oversteeg met andere woorden de beperkingen van de face-to-face communicatie, waardoor een massa mensen die nooit in contact kwamen met elkaar nu wel een imaginaire band konden ontwikkelen (Dehamers, 1996, p. 26; Price, 1995, p. 51). Maar daar waar Anderson (1983) stil bleef staan bij de printmedia kunnen we de lijn doortrekken naar moderne communicatiesystemen zoals de audiovisuele media. Ook zij kunnen volgens Dehamers (1996, pp. 26-27) de natie helpen verbeelden. Daarenboven zijn de audiovisuele media er toe in staat een groter publiek te bereiken dan de printmedia, wat haar impact ook vergroot. Wanneer Price (1995, p. 52) het immers heeft over televisie stelt hij dat “if print media made people aware, however dimly, that there were millions of others sharing the same experience and reading the same material, television has an intensified impact […].”. Volgens Rancière (1977) zijn picturale vormen van massamedia, en vooral film, dan ook een ideaal middel om een nationaal gevoel op te wekken vermits het meteen voor alle klassen leesbaar is. Maar wat dan met de postmoderne, geglobaliseerde samenleving, waarin het medialandschap steeds internationaler opereert en individuen meerdere identiteiten kunnen hebben (Alcoff, 2003; Castello, et al., 2009, pp. 1-3)? Spelen de media dan geen rol meer in de hedendaagse natievorming, en zijn de verschillende nationale homogene identiteiten dan verloren gegaan? Volgens verschillende auteurs is dat niet het geval. Hoewel de nationale media steeds meer globale formats overnemen wil dat niet zeggen dat deze programma’s gestandaardiseerde mediaproducten zijn. Ze reflecteren namelijk ook lokale waarden en gebruiken. Het publiek kijkt immers liever naar programma’s met een zekere culturele proximiteit, waardoor globale formats vaak worden aangepast aan de lokale cultuur (Dhoest, 2008; Moran, 2000; Van Poecke & Van Den Bulck, 1994, p. 16; Waisbord, 2004, p. 381). Denk maar aan lokale kandidaten voor spelprogramma’s of culturele nuances in het telenovelle-genre, die er voor zorgen dat de natie steeds opnieuw gerepresenteerd wordt of dat ze op een banale manier wordt vertegenwoordigd (Aslama & Pantti, 2007; Turner, 2005; Van Den Bulck & Sinardet, 2005). Zo blijven volgens Dhoest (2006,

4

zie ook Hägerstrand (1986) 11


p. 104) “programma’s het voorwerp van nationale identificatie en blijven ze nationale banden versterken, hoe internationaal ze verder ook zijn.”. Daarnaast is het publiek ook actief betrokken bij de natieconstructie. De kijkers analyseren de elementen van de globale (film- en televisie)cultuur namelijk aan de hand van hun eigen interpretatiekaders, waardoor ze het nationale discours steeds opnieuw interpreteren, maar waardoor ook de grenzen tussen de “the national story” en de “the other nations’ story” versterkt worden (Castello, et al., 2009, p. 3). Doordat zowel de encodering als de decodering van globale formats vaak lokaal gebeurt, zal er volgens Castello et al. (2009, p. 2) ook geen homogene globale cultuur ontstaan. In de vorige paragrafen zijn we dieper ingegaan op de concepten rond nationalisme, hebben we het banaal nationalisme-concept zoals beschreven door Billig (1995) uitgediept en hebben we de rol van de media bij het verbeelden van de natie beschreven. Volgens verschillende auteurs (Anderson, 1983; Dhoest, 2004, p. 34; Hall, 1992, pp. 293-295; Shohat & Stam, 1994, pp. 101-104) spelen de media immers een belangrijke rol in het uitbeelden van de natie, en zijn ze bijgevolg een belangrijk element in de vorming van een identiteit. Door middel van een analyse van Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989) zullen we deze theoretische omschrijvingen trachten te toetsen aan de praktijk. We gaan na in welke mate en hoe de natie verbeeld wordt in deze film en of er ook sporen van banaal nationalisme in terug te vinden zijn. Maar in de volgende paragraaf zullen we de film eerst situeren en focussen we op de regisseur van Born On The Fourth Of July: Oliver Stone.

12


4. Born On The Fourth Of July: situering 4.1. Born On The Fourth Of July Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989), geregisseerd door Oliver Stone, is een adaptatie van de gelijknamige autobiografie5 van Vietnamveteraan Ron Kovic. De film beschrijft de levensloop van Ron, beginnend met zijn zorgeloze jeugd in Massapequa N.Y.. Hij is een typische Amerikaanse jongen, gefascineerd door baseball en met een jeugdige adoratie voor het leger. Geïnspireerd door een toespraak van een Marine Corps officier op Ron’s school, besluit hij in het leger te gaan. Het zijn onrustige tijden. De Amerikaanse troepen dreigen Vietnam binnen te vallen maar Ron kijkt er eigenlijk naar uit om te vertrekken. Hij schept op tegen zijn vrienden en vooral tegen het meisje waar hij al een hele tijd een oogje op heeft. Ron ziet zichzelf als de vertegenwoordiger van een nationale traditie; een traditie van militaire kracht en de juiste moraal. Maar wanneer zijn peloton per vergissing een bloedbad aanricht in een Vietnamees dorp (waarbij ook kinderen en vrouwen gedood worden), en hij uiteindelijk gehandicapt terugkeert uit de oorlog, ziet hij zichzelf als een slachtoffer van de nationalistische tradities en beelden die hem gevormd hebben (Burgoyne, 2010, p. 63). Later sluit hij aan bij Vietnam Veterans Against the War, een organisatie die protesteert tegen de oorlog. Ron raakt bij het brede publiek bekend wanneer hij samen met de Vietnam Veterans Against the War-beweging binnendringt op de Republikeinse Conventie van 1972, en daar protesteert tegen het beleid van de Amerikaanse regering. Vier jaar later zal hij zijn ervaringen echter met een groot publiek kunnen delen. Hij wordt uitgenodigd om te spreken voor de Democratic National Convention. De jongen die eens het leger en de traditionele Amerikaanse waarden zo adoreerde zal zich uiteindelijk volledig afzetten tegen het oorlogsbeleid van de Verenigde Staten. Daar waar hij een held wou worden door de natie te beschermen van een externe vijand, zou hij uiteindelijk een held worden door de natie te willen beschermen tegen zichzelf. De film werd goed onthaald en zou uiteindelijk zo’n 70 miljoen dollar opbrengen. Daarnaast kaapte hij heel wat prijzen (en nominaties) weg, waaronder een Oscar voor beste regisseur en vier Golden Globes. Geen slecht resultaat voor een film die met een budget van (naar Hollywoodtermen) slechts 14 miljoen dollar werd geproduceerd (IMDB, 2010). Toch was Born On The Fourth Of July niet vrij van kritiek. Volgens verschillende critici was de film te grotesk. Volgens McKinney (1990, p. 44) neigt Oliver Stone altijd een beetje naar een blind, intuïtief pictorialisme, maar is hij in Born On The Fourth Of July een stap te ver gegaan. Daarnaast geeft hij een te eenzijdig beeld van de oorlog en het levensverhaal van Kovic (McKinney, 1990, p. 45). Daarenboven representeert Ron volgens Appy (1990) de hele natie, waardoor zijn leven een te sterke symbolische dimensie krijgt. Hierdoor wordt het voor het publiek moeilijk om zich te identificeren met het personage; of zoals David Ansen (1989) schreef: “[the film] is trying so hard to be archetypical it ends up feeling unreal. You can’t connect to the characters because they’ve been deprived of personality; they’re simply white-bread symbols of deluded American patriotism.”.

5

Kovic, R. (1990). De Vietnamveteraan. Weert: M en P Boeken. 13


4.2. Een film van Oliver Stone6 “Oliver Stone is one of the most successful directors currently working in Hollywood. Able to balance political critique with character-centered dramas, he has found a way to sustain both a popular and controversial vision of America” - S. Mackey-Kallis (1996, p. 147) Oliver Stone werd geboren in 1946 in New York. Daar groeide hij, onder invloed van zijn vader, op als een fervent republikein. Als jongetje was hem een heilige schrik van het communisme aangepraat, waardoor hij later een sterke verdediger van de Koude Oorlog zou worden. Nadat hij stopte aan de Yale University, ging Stone les geven in het Vietnamese Cholon. Later zou hij echter bij het Amerikaanse leger gaan, om uiteindelijk op de slagvelden in Vietnam te worden ingezet. Na zijn terugkeer uit Vietnam ging hij terug naar de universiteit, waar hij film studeerde onder Martin Scorsese. Kort nadat hij afstudeerde zou hij al zijn eerste successen boeken als scenarist en regisseur (Mackey-Kallis, 1996, pp. 11-13). De politieke visie van Stone was ondertussen sterk veranderd. Geïnspireerd door ondermeer Warren Beatty’s film Reds (Beatty, 1981) zou hij zijn links gedachtengoed meer tot uiting laten komen in zijn films (MackeyKallis, 1996, p. 13). Dat was niet echt de gewoonte in Hollywood. Filmmakers deinsden enigszins terug om politieke kwesties in de openheid te brengen. Te ideologische films deden het niet goed in de bioscoop, zeker niet wanneer het ging om films waarin een andere dan de mainstream Amerikaanse ideologie werd getoond. Daarom bleven de meeste Hollywoodfilms, ondermeer om commerciële en pragmatische redenen, vrij centraal in hun politieke opvattingen (Christensen, 1987; Mackey-Kallis, 1996, p. 14). Oliver Stone is echter steeds in staat geweest om zijn politieke agenda in overeenstemming te brengen met commerciële successen (Mackey-Kallis, 1996, p. 15). De protagonisten in tal van Stone’s films zijn gevallen helden; gedood, verminkt of gedesillusioneerd door een bepaalde gebeurtenis. Denk maar in Jim Morrison in The Doors (Harari, Gramam, Kitman Ho & Stone, 1991), Richard Boyle in Salvador (Green & Stone, 1991) of Ron Kovic in Born On The Fourth Of July. Ron kan zijn politieke boodschap uiteindelijk wel overbrengen, maar blijft gevangen in zijn verminkte lichaam (Mackey-Kallis, 1996, pp. 8-9). Daarnaast voeren de protagonisten zowel een externe als een interne strijd. “[…] the journey outward - of action, energy, and rage - so often undertaken by Stone’s protagonists is slowly being replaced over the course of his films by the journey inward, a journey marked by interaction, silence, and the slow dawning of enlightenment.” (Mackey-Kallis, 1996, p. 9). Zo vecht Ron Kovic aan het begin van Born On The Fourth Of July letterlijk een externe oorlog uit, maar zal hij in het tweede deel van de film geconfronteerd worden met een interne strijd (Mackey-Kallis, 1996, p. 73). Daarnaast zijn de dood van John F. Kennedy en de Vietnamoorlog terugkerende thema’s in de filmografie van Oliver Stone (Mackey-Kallis, 1996, p. 9). Wellicht speelt de persoonlijke geschiedenis van Stone, zelf een Vietnamveteraan, hierin een belangrijke rol. Hij heeft volgens velen dan ook de nodige legitimiteit om als geschiedschrijver op te treden (Sturken, 1997, pp. 65, 68). Oliver Stone is echter niet vrij van kritiek. Vermits Stone de plot van zijn films vaak ophangt aan historische figuren, zoals John F. Kennedy en Jim Morrison, zijn zijn films volgens verschillende critici vaak historisch inaccuraat (Mackey-Kallis, 1996, p. 28). Stone’s film zijn dan ook in zekere zin contradictorisch. Enerzijds 6

Voor een ruimere beschrijving over het leven en werk van Oliver Stone verwijzen we u graag naar Mackey-Kallis (1996), Silet (2001) en Sturken (1997) 14


tracht hij de geschiedenis zo goed mogelijk te visualiseren; anderzijds spelen stilistische en narratieve kenmerken en fantasie een belangrijke rol in het reproduceren van die geschiedenis (Sturken, 1997, p. 65). Daarnaast zijn ze, zoals we eerder al aanhaalden, vaak te overladen met mythische voorstellingen (McKinney, 1990, p. 45). Volgens Sturken (1997, p. 67) en andere critici zijn Stone’s film dikwijls “[…] bombastic, assaultive, and devoid of nuance and ambiguity […].”. De personages worden te zeer als symbolen van iets groter voorgesteld, en niet het echte leven van de personages wordt gevisualiseerd (Mackey-Kallis, 1996, p. 75). Deze kritiek kadert binnen een ruimere discussie over de manier waarop hedendaagse films de geschiedenis representeren. Historische films moeten volgens James (1995) te vaak aan dezelfde standaarden voldoen als academische historische werken. Maar volgens haar mag een historische film niet zomaar een verzameling van feiten zijn. De feiten moeten geïnterpreteerd worden. Volgens James (1995) zijn historische films dan ook dikwijls controversieel, niet omdat ze fictie en geschiedenis met elkaar verweven, maar omdat fictie gebruikt wordt om de reeds geaccepteerde historische uitgangspunten uit te dagen. Toch zijn zowel voor- als tegenstanders van Oliver Stone het erover eens dat hij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld, en nog steeds speelt, in het verbeelden van de Amerikaanse geschiedenis voor de huidige en toekomstige generaties (Sturken, 1997, p. 65) In de volgende paragraaf gaan we dieper in op Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989). In een analyse van de film gaan we na in welke mate en hoe de natie verbeeld wordt.

15


5. Born On The Fourth Of July: analyse In een analyse van Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989) zullen we trachten de opgedane theoretische kennis te toetsen aan de praktijk. We kunnen de film via verschillende invalshoeken analyseren, zoals bijvoorbeeld de gebruikte cinematografie en het belang van de muziek. In Born On The Fourth Of July spelen beide immers een zeer belangrijke rol in het versterken van de inhoud van het verhaal en vormen ze bepaalde subtiele contrasten. Wij zullen echter vooral de inhoud van de film analyseren en ons focussen op de transformatie die het hoofdpersonage Ron Kovic doormaakt. Zijn persoonlijke geschiedenis is er een waarin de natie sterk aan bod komt, zowel in positieve als in negatieve zin. We zullen de film chronologisch bekijken en stil blijven staan bij de scènes die naar ons inziens de natie verbeelden en/of een nationalistisch discours inhouden. Door chronologische te werk te gaan is het mogelijk om ook de narratie van het verhaal mee te geven. Het verhaal zelf speelt immers ook een belangrijke rol in de representatie van nationalisme in Born On The Fourth Of July. Daarnaast zullen we trachten de banaal nationalisme-thesis te toetsen aan de hand van Born On The Fourth Of July. We zullen nagaan of er alledaagse elementen in de film terug te vinden zijn die de natie op een subtiele, vaak onzichtbare, manier verbeelden. Het is echter niet altijd even evident om sporen van nationalisme terug te vinden in een film. Nationalisme is, zoals we eerder al aanhaalden, een ruim begrip dat ook verschillende invullingen kent. De analyse die we zullen maken zal dan ook in zekere mate subjectief zijn. Het is niet mogelijk om alle sporen van een nationalistisch discours aan te duiden omdat deze niet altijd even zichtbaar zijn. Anderzijds mogen we de film ook niet over-analyseren. Het komt er dus op aan een balans te vinden tussen analyse en over-analyse. De openingsscène van de film schetst een idyllisch beeld. Ron Kovic, de protagonist van het verhaal, vertelt over zijn jeugd in het kleine stadje Massapequa, Long Island. We zien Ron soldaatje spelen met zijn vrienden. Gewapend met een speelgoedgeweer, een helm, en in de nodige camouflagekleuren spelen ze een schijnbaar historische veldslag na. Hierin vinden we al sporen van nationalisme en de banaal nationalismethesis van Billig (1995) terug. Voor de kleine Ronny en zijn vrienden is het slechts een spel, maar eigenlijk voeren ze een “wij versus zij”-strijd. De eigen groep moet de andere groep overwinnen. Ze representeren hun eigen fictieve natie. Teruggrijpend naar onze eigen jeugd is het niet onwaarschijnlijk om te veronderstellen dat elke groep wel een bepaald land representeert; en dan liefst het thuisland. Hoewel de kinderen het wellicht niet beseffen reproduceren ze de natie in hun dagelijks spel. Ze staan er echter niet bij stil dat ze de natie vertegenwoordigen. Het is enkel een spelletje om de tijd te verdrijven. Ze reproduceren de natie met andere woorden doorheen een dagelijkse routine. Daarnaast ontwikkelen ze ook een sentiment voor hun fictieve natie; een natie die verdedigd moet worden. Dit sentiment zal later wellicht bekend voorkomen wanneer de echte natie waartoe hij of zij behoort de steun van haar leden kan gebruiken. Vervolgens worden we meegenomen naar een parade ter ere van Independence Day, de nationale feestdag van de Verenigde Staten. We zien typische elementen van de Amerikaanse cultuur expliciet in beeld. De plaatselijke beauty queen, popmuziek en de nationale vlag zijn bijvoorbeeld duidelijk aanwezig. We zien eveneens een paar kinderen soldaatje spelen terwijl de parade aan de gang is. Volgens verschillende auteurs (Chaney, 1993; Eriksen, 1993) wordt de natie op feestdagen, zoals The Fourth Of July en Thanksgiving, uitdrukkelijk gerepresenteerd. Ook in deze scène staat alles in het teken van de natie. Ze maakt duidelijk dat de natie door allerlei symbolen gerepresenteerd wordt. Deze symbolen komen niet alleen naar boven op feestdagen, maar zijn vooral dan aanwezig. Ze helpen het individu de culturele eigenheid van de natie te herinneren, waardoor ook de nationale identiteit van het individu wordt aangescherpt.

16


Het Amerikaanse leger is uitdrukkelijk aanwezig doorheen de hele film. Net als in de vorige scène zien we enkele kinderen soldaatje spelen, maar verderop zien we ook de Amerikaanse troepen paraderen doorheen de straten van Massapequa. Ze worden met veel respect onthaald door het publiek. Ze worden gezien als de vertegenwoordigers van de natie; de verdedigers van hun land. Maar wanneer de oudstrijders voorbij komen worden Ronny, en wij als kijker, geconfronteerd met de keerzijde van nationalisme. De oudstrijders die in beeld komen zijn zwaar gehavend. Ze zitten in een rolstoel en schrikken bij het minste geluid. Deze scène geeft een zekere dichotomie aan die ook in de rest van de film aanwezig is. Enerzijds zien we het jeugdige enthousiasme van de kinderen die opgroeien met de gedachte dat soldaten helden zijn, en dat je moet vechten voor de natie. Anderzijds zien we de gruwel van de oorlog; de gewonden en de gebroken zielen. Ook de jonge Ron zal een zelfde proces doormaken. Maar wat deze en de volgende scène, waarin we Ronny baseball zien spelen en naar het vuurwerk zien kijken, vooral duidelijk maken is dat de jaren ’50 en ’60 volgens Burgoyne (2010, p. 64) gekenmerkt worden door “[…] the consensual nature of the society, the cocoonlike enclosure of a period in which the dominant culture was largely unchallenged.”. We vinden vrijwel geen ideologisch conflict terug in deze scènes. Er wordt vooral de nadruk gelegd op de naïviteit en de zelftevredenheid die kenmerkend is voor het leven in de kleine stadjes in het pre-Vietnamtijdperk (Jameson, 1991). Volgens Mackey-Kallis (1996, p. 76) verbeeldt Oliver Stone hier “Hometown U.S.A.”, een typisch Amerikaans stadje in een tijd waarin men de overheid en de American Dream niet in vraag hoefde te stellen. De typische elementen van de Amerikaanse cultuur, zoals popliedjes en baseball, zorgen er volgens Burgoyne (2010, p. 63) voor dat de gemeenschappelijke identiteit van de natie extra wordt aangestipt. In de volgende scène zien we een beeld dat ons terug doet grijpen naar Billig (1995, p. 97) wanneer hij het heeft over banaal nationalisme in een politiek discours. We zien Ronny, samen met heel de familie, kijken naar president John F. Kennedy die op televisie de natie toespreekt met de woorden: “let every nation know that we shall pay any price, bare any burden, support any friend, oppose any foe, to assure the survival and success of liberty.”. Hoe banaal deze woorden ook zijn, ze houden een zeker nationalistische discours in. Hij creëert namelijk een wij-zij verhouding. Door de woorden “let every nation know” deelt hij de wereld enerzijds op in naties, en stelt hij met “we shall pay any price […] to assure the surivival and the success of liberty” dat de eigen natie er alles aan zal doen om de vrijheid, een typisch element van de Amerikaanse cultuur, te bewaren. Verderop in zijn toespraak is hij explicieter in zijn nationalistisch discours: “And so my fellow Americans, ask not what your country can do for you; ask what you can do for your country.”. Kennedy richt zich met deze woorden rechtstreeks tot de natie en stimuleert zo, met de Vietnamoorlog in het achterhoofd, een nationaal gevoelen. Het nationalistisch discours wordt bij Ron dus al als kind geïncorporeerd in zijn alledaagse leven; enerzijds door zulke toespraken, anderzijds door het typische leven in een klein Amerikaans stadje, waarin de natie (al dan niet expliciet) steeds opnieuw gereproduceerd wordt. In de volgende scène die we willen bespreken komen twee officieren van The U.S. Marine Corps langs op de school van de inmiddels adolescente Ron. Met veel uiterlijk vertoon trachten ze de leerlingen aan te moedigen om in het leger te stappen. Ze spreken rechtstreeks de nationale gevoelens van de studenten aan. Ze verwijzen naar het verleden van het Amerikaanse leger, en stellen dat ze nog nooit een oorlog verloren hebben. De Marines zijn daarenboven altijd diegenen die als eerste paraat staan en de natie nooit in de steek laten. Ron heeft wel oren naar de woorden van de officieren. Wanneer hij later met zijn vrienden in de plaatselijke diner zit laat hij er geen twijfel over bestaan: hij zal zich inschrijven bij de Marines. Hij wil namelijk de oorlog tegen het communisme, dat zich volgens de jongens al in hun achtertuin bevindt, niet missen. Ron en zijn vrienden willen hun land dienen en deel uitmaken van de geschiedenis; net zoals hun 17


vaders die meevochten in de Tweede Wereldoorlog. En wanneer Stevie hen wijst op de gevaren die ze zullen tegenkomen schilderen ze hem af als een loser; geen échte man zoals zij dat wel zullen worden. Het nationalistisch discours is sterk aanwezig in deze scène. Zo spreken de Marines de nationalistische gevoelens van de studenten rechtstreeks aan. Daarnaast is Ron er van overtuigd dat het zijn plicht is om de natie te beschermen tegen een extern gevaar (Mackey-Kallis, 1996, p. 77). Diep vanbinnen wil hij niet naar Vietnam, maar hij ziet zichzelf als een vertegenwoordiger van een zekere nationale traditie; een traditie van militaire kracht en de juiste moraal (Burgoyne, 2010, p. 63). Dit komt sterk naar voor in een volgende scène, waarin Ron met zijn vader praat over de nakende oorlog in Vietnam. Ron’s vader is eerder sceptisch over de oorlog. Zelf een veteraan van de Tweede Wereldoorlog zijnde weet hij immers wat het is om aan het front te vechten. Het idealistische dat Ron nog in zich draagt is niet meer aanwezig bij zijn vader. Ron zegt dat hij al van kinds af voor zijn land wil vechten, wat onze stelling aan het begin van deze analyse enigszins ondersteunt. Doorheen het spelen van oorlogje met zijn vrienden, en de vele nationalistische beelden die dagelijks aanwezig waren in zijn leven, is hij opgegroeid met een zeker nationalistisch gevoelen; een gevoel dat hij zijn land moet beschermen. Hij verwijst ook rechtstreeks naar de toespraak van president Kennedy. “There is not going to be an America anymore, unless there are people who are willing to sacrifice. I love my country dad.”. Ron is dan ook bereid zichzelf op te offeren voor de bescherming van zijn land. Hij wordt hierin ondersteund door zijn zeer katholieke moeder. Volgens haar is het Gods wil dat hij tegen het communisme gaat vechten. Volgens Burgoyne (2010, p. 79) “[…] she inculcates the very values of individualism, male dominance, and xenophobia in her son that will ultimately result in the tearing apart of the familuy, the community, and the nation.”. Zij fungeert met andere woorden als de spreekbuis van de ideologie van de dominante cultuur; een ideologie die verschillende is van de communistische ideologie die bestreden moet worden. Vervolgens zien we Ron een militaire eenheid leiden in Vietnam. Ze naderen een klein onschuldig lijkend dorpje. Maar volgens een van zijn officieren zijn de inwoners van het dorpje gewapend en vormen ze een bedreiging voor de eenheid. Wanneer Ron’s eenheid het vuur opent op het dorp en ze vervolgens de schade gaan opmeten, wordt Ron geconfronteerd met de verschrikking van de oorlog. Hij is zelf niet gewond geraakt, maar onschuldige vrouwen en kinderen zijn omgekomen door een blind nationalisme dat hem en zijn eenheid al van kinds af aan is ingeprent. Hij probeert nog een alleen overgebleven baby te redden, maar hij moet vluchten voor de inkomende vietcongtroepen. Ron wordt hier geconfronteerd met het feit dat hij niet zozeer vecht voor zijn eigen natie, maar tegen een andere. Hij vecht een oorlog ver van huis, tegen een volk dat geen rechtstreekse bedreiging vormt, enkel tegen een ideologie die een bedreiging vormt voor de eigen Amerikaanse ideologie. Na een vuurgevecht met de vietcongtroepen schiet Ron per ongeluk zijn medesoldaat Wilson neer. Wanneer hij zich meldt bij zijn officier stopt die het incident in de doofpot. De afgelopen gebeurtenissen zullen Ron altijd blijven achtervolgen en zullen uiteindelijk een kantelpunt zijn van Ron’s blind nationalisme naar zijn oppositie tegen de oorlog. Later raakt Ron zelf zwaargewond in een vuurgevecht en wordt hij naar de Verenigde Staten gerepatrieerd, waar hij wordt verzorgd in het Bronx Veterans’ Administration Hospital. Het is een door ratten geplaagd hospitaal waar de veteranen zonder enig medeleven van het onderbemande ziekenhuispersoneel worden behandeld. Volgens Burgoyne (2010, pp. 65-66) is deze kritiek op het V.A. Hospital een embleem voor een ruimere kritiek op de Amerikaanse maatschappij. De makkelijkste manier voor het thuisfront om om te gaan met de Vietnamoorlog is om de gruwelijkste overblijfselen ervan -de gewonden, de verminkte lichamen en geesten- te negeren (Mackey-Kallis, 1996, p. 78).

18


Deze scène staat in schril contrast met de openingsscènes van de film. Daar waar de openingsscènes een idealistisch beeld gaven van het Amerikaanse leven, vol met nationalistische symbolen en gekenmerkt door nationale eenheid, zien we nu een een scène vol verschrikking, afzien en tragedie. Nationalisme heeft met andere woorden ook zijn keerzijde. Daar waar de jonge Ron een held wou worden door te vechten voor de natie en de eigen ideologie, wordt hij nu in de steek gelaten door dezelfde natie. Toch blijft hij trouw aan zijn land. Ondanks dat hij door de oorlog voor de rest van zijn leven gehandicapt zal zijn blijft hij ze verdedigen. Dat komt het best naar voren op het moment dat Ron wordt geconfronteerd wordt met televisiebeelden van de anti-oorlogbeweging en beelden van een brandende Amerikaanse vlag. De nationalistische gevoelens die hem zijn ingeprent in zijn jeugd zorgen ervoor dat hij ook na zijn traumatische ervaringen de natie blijft verdedigen, hoewel die hem letterlijk en figuurlijk heeft gebroken. Volgens Mackey-Kallis (1996, p. 78) slaagt Ron er niet in om de les die Vietnam hem had moeten leren te begrijpen. Zijn ongebreideld geloof in de natie wordt ook gerepresenteerd in het feit dat hij blijft geloven dat hij ooit opnieuw zal kunnen lopen, hoewel dat fysiek onmogelijk is. Toch zal hij zich uiteindelijk moeten neerleggen bij het feit dat hij voor altijd aan zijn rolstoel gekluisterd zal zijn en dat zijn nationalistische idealen hem de das hebben omgedaan. Hij zal met andere woorden ontwaken uit zijn blind nationalisme. De scène eindigt dan ook met een vooruitblik op de toekomst. In een droomsequentie zien we Ron waarin hij “rises from his bed and walks past his gray, unconscious roommates, fellow victims of institutional neglect, who seem te come to life as he passes - a sequence that foreshadows his later political role.” (Burgoyne, 2010, p. 66). Eenmaal terug thuis in Massapequa wordt Ron geconfronteerd met de realiteit van het leven in de Verenigde Staten. Iedereen bekijkt hem anders, inclusief zijn moeder. Daarnaast merkt hij dat de Vietnamoorlog gecontesteerd wordt in de V.S.; ook door zijn jongere broer. Hij gelooft niet in de oorlog, en wijst Ron nadrukkelijk op de destructieve kant ervan. “All they [the demonstrators] are trying to say Ronny is that they don’t want more people to come back like you. [… ]. You served your country, what did you get out of it? Look at you.”. Anderzijds wijst zijn jeugdvriend Stevie, nu de succesvolle eigenaar van een hamburgerrestaurant, hem er op dat er ook veel mensen in de Verenigde Staten onverschillig blijven met betrekking tot de Vietnamoorlog. Het is een oorlog die zich ver van het lokale leven afspeelt. Het gesprek tussen Ron en Stevie toont een mooi contrast aan. Aan de ene kant is er Stevie: hij werd als laf aanzien toen hij de andere jongens wees op de gevaren van de oorlog en de absurditeit van de sterke anti-communisme doctrine. Hij is thuis gebleven en is nu de succesvolle eigenaar van een hamburgerrestaurant. Hij maakt de American Dream waar, terwijl Ron die dweepte met de nationale ideologie gebroken terugkeert uit een oorlog waaraan hij nooit had mogen deelnemen. Hij is verraden door de gesocialiseerde, geïncorporeerde overtuiging dat je moet vechten voor je land. De persoonlijke mentaliteitsverandering van Ron wordt het eerst duidelijk in beeld gebracht wanneer hij op zijn oude kamer een foto van zichzelf terugvindt en in de reflectie ervan zijn verlamde zelf ziet. Hij herkent zichzelf en het land dat hij achterliet niet meer. We komen ook terug terecht op een Fourth Of July-parade zoals aan het begin van de film. Ron wordt nu zelf rondgereden in de stoet en deinst net als de oorlogsveteranen die hij in zijn jeugd zag terug bij het minste geluid van een voetzoekertje. Daarnaast ziet hij in het publiek zowel voor- als tegenstanders van de oorlog, evenals kinderen die zich net als zijn jonge zelf gedragen en klaar zijn om dezelfde fouten te maken. Wanneer Ron en zijn gesneuvelde jeugdvrienden met een toespraak geëerd worden en hij uiteindelijk ook zelf het volk moet toespreken, herinnert hij zich de verschrikking van de oorlog. Het gekrijs van het kindje dat hij in het Vietnamese dorp heeft moeten achterlaten zindert na in zijn hoofd, waardoor hij uiteindelijk geen woord meer kan uitbrengen. Volgens Berg en Rowe (1991) representeert het Vietnamese kind in verschillende films over Vietnam wat de Amerikaanse maatschappij haar eigen kinderen heeft aangedaan. Volgens ons verschilt Ron niet veel van het Vietnamese 19


kind. Beide zijn het slachtoffer geworden van dezelfde nationalistische ideologie. Het kind blijft alleen en getraumatiseerd achter nadat zijn familie is vermoord door een tegenstrijdige ideologie, terwijl Ron ook alleen en verraden door zijn eigen gedachtengoed door het leven moet gaan. Wanneer hij zijn oude liefde Donna gaat opzoeken aan de universiteit maakt hij persoonlijk kennis met het protest tegen de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog. Ze protesteren er tegen een incident op de Kent University, waarbij vier studenten die aanwezig waren op een protestactie tegen de invasie van Cambodja, werden neergeschoten door de Amerikaanse National Guard. Donna moedigt hem aan om deel te nemen aan het protest vermits zijn woorden als Vietnamveteraan zwaar doorwegen. Maar hij weigert met tegenzin omdat hij (hoewel hij het niet wil toegeven) de trap naar het universiteitsgebouw niet op kan met zijn rolstoel. Opnieuw wordt hij geconfronteerd met zijn beperkingen waardoor zijn ontkiemende standpunt tegen de oorlog verder aangewakkerd wordt. Zeker wanneer de opstand hardhandig door de politie wordt neergeslagen. Na een nieuwe tegenslag in een bar komt hij dronken thuis. Het komt tot een conflict tussen Ron en zijn moeder waarin hij voor het eerst uitdrukkelijk zijn teleurstelling in de natie verwoordt. Zijn moeder houdt hardnekkig vast aan de oude waarden van de maatschappij uit de jaren ’50, waarin het kapitalisme en het katholieke geloof centraal staan en het communisme bestreden moet worden. Ron ontdekt anderzijds de waarheid en probeert iedereen wakker te schudden (Mackey-Kallis, 1996, pp. 78-79): “That’s the problem, Mom. I’m not dead. I gotta live. I gotta live and I gotta roll around. I gotta remind you of Vietnam, and you don’t know. You don’t wanna see us. [...]. I believed everything they told us. “Go fight, go kill.” Sergeant Man, Marine Corps... It’s all a lie. We want to fight communism. [...]. Tell them [the neighborhood] all what they did to me. What they did to this whole block, this whole country. We went to Vietnam to stop communism. We shot women and children. [...]. Thou shalt not kill, Mom, thou shalt not kill women and children. Thou shalt not kill, remember? Isn’t that what you taught us? [...]. King, Kennedy, Kent State... fucking communism won. It’s all for nothing. Tell her, Dad, tell her. It’s a fucking lie. There’s no God- God is dead as my legs. There’s no God. There’s no fucking country.” - (geciteerd in Mackey-Kallis, 1996, p. 79). Met deze woorden drukt Ron zijn frustratie voor het eerst echt uit. Hij keert zich tegen de Amerikaanse maatschappij met de typische nationale symbolen die zijn nationalistisch gevoel aangewakkerd hebben. Heel de buurt, heel het land, is volgens Ron mee verantwoordelijk voor de jongens die sneuvelden in Vietnam omdat ze het thuisland wilden beschermen. Ze verdedigden namelijk de idealen die iedereen in de maatschappij in zich draagt; de idealen die van jongs af aan werden geïncorporeerd. Ze werden opgeroepen om tegen de oppositionele ideologie, die schijnbaar al in de achtertuin was, te strijden, en uit een loyaliteitsgevoel met de natie deden ze dat ook. Iedereen is dus mee verantwoordelijk omdat iedereen de natie in zich draagt en dagelijks reproduceert in zijn handelingen en gebruiken. Anderzijds stelt hij de onverschilligheid van sommige Amerikanen met het verloop van de oorlog aan de kaak. Vele jongens keerden nooit terug uit Vietnam of raakten er zwaar gewond. Ze zouden de natie dan ook moeten herinneren aan de gruwel die er aan de gang is in Vietnam. Maar de gruwel wordt volgens Ron weggestopt of gewoon niet gezien door diegenen die de oorlog verdedigen. Volgens hem heeft het communisme dan ook gewonnen vermits de natie enkel zichzelf ten gronde richt door de strijd tegen de oppositionele ideologie. De kiem van 20


de strijd tegen de oorlog die reeds aanwezig was in Ron komt vanaf nu volledig aan de oppervlakte. Hij zal zich later dan ook specifiek toeleggen op het protest tegen de oorlog. In de volgende scènes zien we Ron in een Mexicaans bordeel; een toevluchtsoord voor gewonde oorlogsveteranen. De prostituee is een veelvoorkomend personage in films en literatuur over Vietnam. Daar waar de prostituee vaak een symbool is voor raciale en seksuele tegengesteldheid vervult ze in de Vietnamliteratuur een gelijkenispositie met de Amerikaanse maatschappij. Volgens Burgoyne (2010, pp. 80-81) herinnert de prostituee, als verkoper van zichzelf, aan het beeld van de Amerikaanse maatschappij als een zielloos kapitalistisch systeem. Volgens hem hadden de Verenigde Staten ooit een zekere waarde, maar is ze door de drang naar geld haar waarde en authenticiteit kwijt geraakt (Burgoyne, 2010, pp. 80-81). Teruggaand naar Born On The Fourth Of July is de prostituee op het eerste zicht het tegengestelde van de katholieke waarden die Ron als kind door zijn moeder meegeven kreeg. Toch wordt er een sterkt verband gelegd tussen de moeder en de prostituee. Ron koopt voor “zijn vriendin” een kruisbeeldje; een object dat sterkt naar zijn katholieke moeder refereert. We kunnen dan ook een verband ontrafelen tussen beiden. De moeder wordt gezien als de verpersoonlijking van de Verenigde Staten; een vrouw die ooit een zekere waarde had, maar door een te sterk geloof in het Amerikaanse systeem haar waarde en authenticiteit is kwijtgeraakt voor Ron. Na zijn terugkeer uit Mexico gaat Ron naar het huis van Private Wilson, de soldaat die hij per ongeluk doodde op het slagveld in Vietnam. In een gesprek met zijn ouders en vrouw wordt duidelijk dat ook de familie Wilson een lange traditie heeft in het leger. Vader Wilson vertelt over zijn grootvader, vader, zichzelf en zijn zoon, en zegt dat zijn familie in elke oorlog waarin het land betrokken was heeft mee gevochten. En terwijl we een beeld krijgen van Private Wilson’s zoon die met een speelgoedgeweertje naar Ron richt zegt de vader van Wilson dat het wellicht niet de laatste oorlog zal zijn waaraan een lid van de Wilson-familie zal deelnemen. Dit geeft goed aan hoezeer mensen blijven vasthouden aan hun geloofsidealen. Meermaals geconfronteerd met de gruwel van de oorlog blijven ze sterke nationalistische gevoelens koesteren voor hun natie; zelfs wanneer de enige zoon van het gezin om het leven is gekomen bij de bescherming van de natie. Wij zien hier opnieuw een teken in van de sterke alledaagse incorporatie van de Amerikaanse waarden en gebruiken in het leven van mensen. Ook de familie Wilson maakt, net zoals Ron, deel uit van een trotste nationalistische traditie. Maar daar waar Ron een evolutie doormaakt en uiteindelijk tot “de waarheid” komt, blijft de familie Wilson vasthouden aan de traditionele waarden en idealen van de natie. Nadat Ron opbiecht dat hij Private Wilson gedood heeft is Wilson’s vrouw niet in staat hem te vergeven. Maar ze stelt dat God dat misschien wel kan. Wilson’s moeder vergeeft Ron in zekere zin wel. Ze begrijpt de pijn die hij doormaakt. Hierdoor ontstaat er volgens Burgoyne (2010, p. 83) een “three-way splitting of the maternal figure into demon, angel, and whore”. Enerzijds is er Ron’s moeder die de pijn van haar zoon niet begrijpt en blijft vasthouden aan haar idealen, en de prostituee die het Amerikaanse systeem vertegenwoordigt. Anderzijds is er Wilson’s moeder: de engel; eveneens ingebed in de militaire traditie van de natie, maar toch met een zeker medeleven voor Ron. Zij kan zich inleven in zijn pijn en zorgt er daardoor voor dat Ron terug op weg gaat met “a newfound resolve to declare the thruth about America’s involvement in Vietnam.” (Mackey-Kallis, 1996, p. 81). Hij zal dan ook aansluiten bij de Veterans Against War-beweging en deelnemen aan protestacties, ondermeer op de Republican National Convention of 1972. Wanneer hij via de pers de natie aanspreekt en de oorlog en het oorlogsbeleid veroordeelt, wordt hij hardhandig buitengezet op de Conventie. Toch kan hij nog een sterke boodschap meegeven: “Our wheel chairs, this steel, our steel, is your Memorial Day on wheels. We are your Yankee Doodle Dandy come home!”. Hij wijst de natie er met andere woorden op dat hij en de andere gewonde veteranen de echte oorlog vertegenwoordigen, en dat de 21


natie wakker geschud moet worden voor haar blind nationalisme. Het feit dat hij wordt buitengezet staat anderzijds symbool voor de nog blinde natie die vasthoudt aan haar traditionele waarden en oorlogsbeleid. Vier jaar zal Ron echter nog meer aandacht krijgen. Hij mag de natie toespreken op de Democratic Convention. Wanneer hij naar het podium wordt geduwd ziet hij flashbacks uit zijn jeugd. Ron heeft een lange weg afgelegd van het sterk Amerikaans gezinde jongetje dat vol bewondering naar de oorlogsveteranen keek, over de gebroken Vietnamveteraan die in de steek gelaten door zijn land zijn eigen thuis niet meer herkende, tot de Vietnamveteraan die de waarheid heeft ontdekt en zijn volk op hetzelfde verlichte pad wil brengen. Zoals Ron ook zelf verwoordt: hij is nu echt thuis gekomen.

22


6. Conclusie Zoals we in de literatuurstudie aanhaalden is nationalisme een vrij abstract begrip en krijgt het zijn eigen invulling naargelang de context waarin en door wie het gebruikt wordt. Daarnaast zijn er veel begrippen die in één adem worden genoemd met nationalisme maar eigenlijk verschillende nuances herbergen. Daarom zijn we deze paper gestart met duidelijkheid te scheppen in het verwarrende lexicon. Daarnaast hebben we gezien dat de media een ideaal middel zijn om de natie te verbeelden. Vooral in de audiovisuele media kunnen representaties van de natie worden getoond die meteen voor alle klassen leesbaar zijn (Rancière, 1977). Film speelt dus ook een belangrijke rol in het verbeelden van de natie en het oproepen van een nationaal gevoelen. Toch wordt dat nationaal sentiment niet altijd in positieve zin in beeld gebracht; zoals bijvoorbeeld in Born On The Fourth Of July (Kitman Ho & Stone, 1989). De eerste scènes van de film scheppen nochtans een idyllisch beeld van de Verenigde Staten uit de jaren ’50-’60. We zien het hoofdpersonage Ron Kovic als kleine jongen met zijn vrienden soldaatje spelen in de bossen van Massapequa en genieten van de typische elementen van de Amerikaanse cultuur. Hij houdt van baseball, en kijkt met volle bewondering naar de oorlogsveteranen die als helden onthaald worden in de jaarlijkse Independence Day Parade. De natie wordt voortdurend gerepresenteerd in de Amerikaanse vlaggen, popmuziek en andere typische Amerikaanse elementen. In deze openingsscènes vinden we tevens sporen van de banaal nationalisme-thesis van Billig (1995) terug. Het nationaal gevoelen vindt ook zijn weg in de alledaagse handelingen van de inwoners van Massapequa. Denk bijvoorbeeld aan Ron die een onschuldig oorlogsspelletje speelt of luid aangemoedigd een home run slaat in een baseballtoernooi. Het zijn allemaal alledaagse elementen die volgens Burgoyne (2010, p. 63) de gemeenschappelijke identiteit van de natie extra aanscherpen. Toch heeft dat nationaal gevoelen ook een destructieve kant. Deze destructieve kant wordt verpersoonlijk in het levensverhaal van Ron Kovic. De jonge Ron ziet zichzelf als een vertegenwoordiger van de natie en stelt het tot zijn plicht om het land en haar inwoners te verdedigen tegen het schijnbaar oprukkende communisme. Het nationalistisch gedachtengoed dat hem van kleins af aan is ingeprent doorheen alledaagse handelingen en symbolen komt volledig aan de oppervlakte wanneer hij zich inschrijft bij het U.S. Marines Corps. Hij zal echter al snel geconfronteerd worden met de keerzijde van een te sterke nationalistische ideologie wanneer hij in Vietnam een aantal onschuldige mensen doodt en uiteindelijk ook zelfs zwaar gewond raakt. Hij komt dan ook terecht in het Bronx Veterans’ Administration Hospital in New York, waar hij voor het eerst wordt geconfronteerd met hoe sommige mensen in het thuisland denken over de oorlog. Het V.A. Hospital staat symbool voor de maatschappij waarin de gruwelijkste overblijfselen van de oorlog worden weggestopt. En wanneer hij thuis komt en zichzelf en zijn omgeving niet meer herkent, voelt hij zich verraden door de nationalistische principes die hem hebben gevormd. Ron zal zich dan ook aansluiten bij de antioorlogsbeweging die hij voordien zo verafschuwde en de natie de waarheid met betrekking tot de Vietnamoorlog proberen bij te brengen. Wat Born On The Fourth Of July duidelijk maakt is dat de natie in alledaagse dingen gerepresenteerd kan worden en dat een nationalistisch gedachtengoed mensen tot veel kan aansporen. Toch kan nationalisme ook destructief zijn. De persoonlijke geschiedenis van Ron Kovic, die door Oliver Stone verfilmd werd in Born On The Fourth Of July, is daar de mooie illustratie van.

23


7. Filmografie Beatty, W. (Producer/Regisseur). (1981). Reds [film]. Green, G., Stone, O. (Producers) & Stone, O. (Regisseur). (1991). Salvador [film]. Harari, S., Graham, B., Kitman Ho, A. (Producers) & Stone, O. (Regisseur). (1991). The Doors [film]. Kitman Ho, A., Stone, O. (Producers) & Stone, O. (Regisseur). (1989). Born On The Fourth Of July [film].

8. Bibliografie Alcoff, L. (2003). Introduction. Identities: modern and postmodern. In L. Alcoff & E. Mendieta (Eds.), Identities: race, class, gender, and nationality. Malden: Blackwell. Anderson, B. (1983). Imagined communities: reflections on the origins and spread of nationalism. London: Verso. Ansen, D. (1989, 25 december). Bringing it all back home. Newsweek, 74. Appy, C. (1990, 23 maart). Vietnam according to Oliver Stone. Commonweal, 187. Aslama, M, & Pantti, M. (2007). Flagging finnishness: reproducing national identity in reality television. Television & New Media, 8(1), 49-67. Balibar, E., & Wallerstein, I. (1991). Race, nation, class: ambiguous identities. London: Verso. Berg, R., & Rowe, J.C. (1991). The Vietnam War and American culture. New York: Columbia University Press. Billig, M. (1995). Banal Nationalism. London: Sage Publications Ltd. Bourdieu, P. (1990). The logic of practice. Cambridge: Polity Press. Burgoyne, R. (2010). Film Nation: Hollywood looks at U.S. history. Minnesota: University Press of Minnesota. Castello, E., Dhoest, A., & O'Donnell, H. (Eds.). (2009). The nation on screen. Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing. Chaney, D. (1993). Fictions of collective life. London: Routledge. Christensen, T. (1987). Reel Politics. New York: Basil Blackwell. Coles, R. (1986). The political life of children. Boson, MA: Atlantic Monthly Press. Connor, W. (1972). Nation-building or nation-destroying? World Politics: a Quarterly Journal of International Relations, 24(3), 319-355. Cusack, I. (2000). African cuisines: recipes for nation-building? Journal of African Cultural Studies, 13(2), 207-225. Dehamers, K. (1996). Van een nationale naar een Europese cinema? Niet-gepubliceerde scriptie, Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen: Vakgroep Communicatiewetenschappen. Dhoest, A. (2004). De verbeelde gemeenschap: 50 jaar Vlaamse tv-fictie en de constructie van een nationale identiteit. Leuven: Universitaire Pers Leuven. Dhoest, A. (2006). Populaire televisie. Leuven: Uitgeverij Acco. Dhoest, A. (2008). Eigen fictie eerst? De receptie van Vlaamse tv-fictie en culturele identiteit. In H. Van Den Bulck & A. Dhoest (Eds.), Media, cultuur, identiteit: actueel onderzoek naar media en maatschappij (pp. 89-100). Gent: Academia Press. Eriksen, T.H. (1993). Ethnicity and nationalism. London: Pluto Press. Fuller, H. (2008). Civitatis Ghaniensis Conditor: Kwame Nkrumah, symbolic nationalism and the iconography of Ghanaian money 1957 - the Golden Jubilee. Nations and Nationalism, 14(3), 520-541. 24


Giddens, A. (1985). The nation-state and violence. Cambridge: Polity Press. Hackett, R.A., & Zhao, Y. (1994). Challenging a master narrative: peace protest and opinion: editorial discourse in the US press during the Gulf War. Discourse and Society, 5(4), 509-541. Hägerstrand, T. (1986). Decentralization and radio broadcasting: on the possibility space of a communication technology. European Journal Of Communication, 1(2), 7-26. Hall, S. (1992). The question of cultural identity. In S. Hall, D. Held & T. McGrew (Eds.), Modernity and its futures (pp. 273-325). Cambridge: Polity Press & Open University. Hallin, D.C. (1994). We keep America on top of the world. London: Routledge. Hearn, J. (2007). National identity: banal, personal and embedded. Nations and Nationalism, 13(4), 657-674. Hutchinson, J. (2004). Nations as zones of conflict. London: Sage. Hutchinson, J. (2006). Hot and banal nationalism: the nationalization of the masses. In G. Delanty & K. Kumar (Eds.), The SAGE handbook of nations and nationalism. London: Sage. IMDB (2010). Born On The Fourth Of July (1989). Geraadpleegd op 12 december 2010 op het World Wide Web: http://www.imdb.com/title/tt0096969/ James, C. (1995, 21 mei). These are works of art, not childrens schoolbooks. New York Times, 18. Jameson, F. (1991). Postmodernism, or, the cultural logic of late capitalism. Durnham: Duke University Press. Law, A. (2001). Near and far: banal national identity and the press in Scotland. Media Culture Society, 23(3), 299-317. Mackey-Kallis, S. (1996). Oliver Stone's America: dreaming the myth outward. Oxford: Westview Press. Madianou, M. (2005). Mediating the nation: news, audiences and the politics of identity. London: UCL Press. McKinney, D. (1990). Review: Born On The Fourth Of July. Film Quarterly, 44(1), 44-47. Moran, A. (2000). Popular drama: travelling templates and national fictions. In J. Wieten, G. Murdock & P. Dahlgren (Eds.), Television across Europe: a comparative introduction (pp. 84-93). London: Sage. Price, M.E. (1995). Television, the public sphere and national identity. Oxford: Oxford University Press. Rancière, J. (1977). Interview: the image of brotherhood. Edinburgh '77 Magazine, 2, 26-31. Renan, E. (1990). What is a nation? In H. K. Bhabha (Ed.), Nation and narration. London: Routledge. Seton-Watson, H (1977). Nations and states: an enquiry into the origins of nations and the politics of nationalism. Boulder: Westview Press. Shohat, E., & Stam, R. (1994). Unthinking eurocentrism: multiculturalism and the media. London: Routledge. Silet, C. (2001). Oliver Stone: interviews. Jackson: University Press of Mississippi. Skey, M. (2009). The national in everyday life: a critical engagement with Michael Billig's thesis of Banal Nationalism. The Sociological Review, 57(2), 331-346. Smith, A. (2001). Nationalism: theory, ideology, history. Malden, MA.: Blackwell Publishers Ltd. Stalin, J. (1973). The nation. In B. Franklin (Ed.), The essential Stalin: major theoretical writings, 1905-52. London: Croom Helm. Sturken, M. (1997). Reenactment, fantasy, and the paranoia of history: Oliver Stone's docudramas. History and Theory, 36(4), 64-79. Turner, G. (2005). Cultural identity, soap narrative, and reality TV. Television & New Media, 6(4), 415-422. Van Den Bulck, H., & Sinardet, D. (2005). The nation: not yet the weakest link? The articulation of national identity in a globalized popular television format. In L. Hojber & H. Sondergaard (Eds.), European film and media culture (pp. 137-158). Copenhagen: Museum Tusculanum Press.

25


Van Gorp, J. (2008). Post-Sovjet Rusland op zoek naar zichzelf: filmbeleid en nationale identiteit onder Yeltsin. In H. Van Den Bulck & A. Dhoest (Eds.), Media, cultuur, identiteit (pp. 21-36). Gent: Academia Press. Van Poecke, L., & Van Den Bulck, H. (1994). Het globale en het lokale. In L. Van Poecke & H. Van Den Bulck (Eds.), Culturele globalisering en lokale identiteit: Amerikanisering van de Europese media (pp. 9-39). Leuven/Apeldoorn: Garant. Verstraeten, H. (2009). Mediasociologie I. Gent: Universiteit Gent. Waisbord, S. (2004). Media and the reinvention of the nation. In J. Downing (Ed.), The Sage Handbook of media studies (pp. 375-392). Thousand Oaks: Sage. Weber, M., Gerth, H.H., Mills, C.W., & Turner, B.S. (1991). From Max Weber: Essays in Sociology. London: Routledge.

26

We Are Your Yankee Doodle Dandy Come Home  

Film analysis of Born On The Fourth Of July; including concepts about nationalism and film

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you