Page 1

HET KIND VAN DE REKENING taalonderwijs Nederlands in een Franstalige stad

HOE BRUSSEL HET NEDERLANDS AAN EEN GROOT DEEL VAN HAAR INWONERS ONTZEGT


Een mondje Nederlands voor iedereen portret van een doorsnee Brusselaar

het NUT van ’t Nederlands, of een NUL voor Nederlands? taalonderwijs sinds tien jaar dezelfde problemen Rudi Janssens (VUB)

het groeiend belang van het Nederlands in Brussel Gunther Vanneste (Huis van het Nederlands)

Brussel in een patstelling Luckas Vander Taelen (Groen!, Vlaams Parlementslid)

onderzoeksresultaten het (taal)onderwijs in Brussel + HET STATUUT van het NEDERLANDS

het nut van samenwerking La réunion ferait la force Gunther Vanneste de rol van de politiek Willy Segers (N-va, Vlaams parlementslid) het standpunt van de N-va

Taalonderwijs 2.0 bètaversie Het Huis van het Nederlands fabriekje van sociale vooruitgang het immersie-experiment vier leerlingen op het Institut de la Sainte-Famille in Schaarbeek, en directeur Alain Dehaene over de moeilijkheden


Het onderwijs in Brussel als barometer van de samenleving

Brussel is de laatste tientallen jaren sterk in beweging geweest. Vanaf pakweg 2000 kwam de nieuwe immigratiegolf goed op gang, en het schoolsysteem probeert met die evolutie om te gaan. Benjamin Wayens, onderzoeker aan de ULB, verwoordt het mooi: “Het onderwijssysteem volgde. Maar het volgde zoals het kon, wat eerst heeft geleid tot scholen die met de beschikbare ruimtes hebben gegoocheld, die alles hebben volgestouwd wat volgestouwd kón worden. Vandaag zijn er klassen in voormalige sanitaire lokalen.” Het nijpend gebrek aan plaatsen in de scholen is echter niet het enige probleem waar het Brusselse onderwijs voor staat. De beleidsbasis die gelegd werd in het federaliserende België van de jaren ‟60, en die toen grotendeels beantwoordde aan de realiteit, voldoet vandaag niet meer. De twee belangrijkste Gemeenschappen richten het onderwijssysteem nog steeds in op een basis van een toendertijd geldend tweeledig Nederlands- en Franstalig denken, maar de klassen zitten ondertussen voor de helft vol met nieuwkomers uit andere taalgebieden. Geen enkele school ontsnapt aan deze tendens van internationalisering, ook de blanke eliteschool niet, ook de school buiten Brussel niet, in de Rand. En zelfs tot in Aalst, waar Frans- en anderstaligen nog betaalbare woningen vinden, en een plaatsje in de klassen, grijpt die verbrusseling om zich heen. Een groeiende grootstad waar twee onderwijsnetten opereren die niet of nauwelijks samenwerken, is dat een positieve keuze? Het onderwijs staat onder druk door de groeiende groep zogenaamde „taalzwakke‟ leerlingen – anderstalige nieuwkomers die bovenop de Franstalige Belgen komen. Allen kijken ze richting het Nederlandstalig onderwijs, dat de beste reputatie heeft. De motivatie van de ouders om hun kinderen naar een Nederlandstalige school te sturen, is hun bekommernis om van hen meertaligen te maken die een voetje voor hebben op de werkvloer. Brussel is een institutioneel kluwen, en veranderingen in het beleid lijken opgesloten in een impasse. Rudi Janssens (VUB) merkt op dat zijn onderzoek van vandaag op identiek dezelfde stootstenen botst als dat van tien jaar geleden. De Brusselse politici zouden wél genoeg realiteitszin hebben en blijk geven van terreinkennis en liefde voor hun stad, maar mede door de verscherping van de communautarisering in België, een land dat feitelijk geen land is, is een deblokkering voorlopig onmogelijk.

p.2 edito


portret van een doorsnee Brusselaar

Mohamed E. werkt bij: MIVB/STIB woont in: Schaarbeek droom: tramchauffeur worden Wat is jouw niveau Nederlands? “Ik heb een basiskennis Nederlands, maar ik kan me niet echt uitdrukken. Ik versta wat de mensen me zeggen. Ik zit nog ver van het Selor-niveau af, dat vereist is om over te gaan van het arbeiders- naar het bediendenstatuut.” Selor is nogal theoretisch van opzet. Leer je daarmee ook echt de spreektaal? “Ik had een intensieve cursus bij de STIB van drie dagen, inderdaad met veel aandacht voor grammatica en weinig voor praten. Je leert er de belangrijkste dingen die voor de job zullen tellen, als de mensen de weg komen vragen en zo. Het minimum. En de Nederlandse benamingen van de metrohaltes.”

Op welke school zat je? “Twee jaren op Leon Blum, en daarna het Atheneum Verwee, dichtbij het gemeentelijk plein van Schaarbeek.” Hoe was het Nederlands daar? “Er was er een beetje. We moesten kleine tekstjes opzeggen, met afbeeldingen bij, zonder dat we per se wisten wat het betekende. Om de goeie uitspraak te hebben. Het was van buiten p.3

leren. “Mijn grootmoeder heet… “, zo‟n dingen. We zaten met 30 in de klas, waarvan er misschien tien al wat basiskennis hadden, en de rest die het moeilijk had om te volgen. Het gaat snel voorbij, op de basisschool. Het was ook moeilijk om ons te doen concentreren.” Goeie leraars gehad? “Eén keer, een Nederlandse, één jaar. Voor de rest hadden we één leraar die alle vakken gaf, in het lager, van het eerste tot het zesde jaar. Voor Nederlands kregen we fiches, die we van buiten moesten leren, voor de uitspraak. Toen ik in het middelbaar kwam, zag ik dat anderen al de basis kenden van het werkwoord, de vervoeging, terwijl wij dat nooit gezien hadden.” Denk je dat meer Nederlands je zou helpen in Brussel? “Er zijn twee gemeenschappen, het Nederlands is een taal die je moet leren als je hier leeft. Niet alleen voor het werk, helemaal niet, ook voor de cultuur. Ik werkte met een vriend die veel naar Vlaanderen ging, en ik had graag Nederlands kunnen spreken. Gent is mooi, of Aalst… Hij deed leveringen voor ziekenhuizen, en zo leerden we een paar woordjes bij. Ik heb ook een collega die in Zottegem woont, en die elke dag naar Brussel komt pendelen. Zijn Frans is goed, we appreciëren hem. Een echte Vlaming, die daar ook trots op is.” Waar droom je van? “Ik wil tramchauffeur worden, met een contract van onbepaalde duur. Er zijn drie weken opleiding, en daarna is de keuze vrij aan de chauffeur of hij ook nog drie maanden opleiding Selor doet om het bediendenstatuut te hebben en Nederlands te kennen. Dat is een surplus voor de integratie en voor veel andere dingen. Je moet gewoon de wil hebben.”


het nut van ’t Nederlands, of een nul voor Nederlands?

p.4


1 de problemen van het taalonderwijs in Brussel op/een/rijtje “In Brussel is er een algemene ontevredenheid over het taalonderwijs. Men is op zoek naar een andere manier om taalonderwijs te geven. Na al die jaren studie beheersen de leerlingen de drie talen - Nederlands, Frans en Engels - nog onvoldoende. Heel veel kinderen groeien ook op en spreken thuis geen enkele van die drie talen. En die groep groeit nog.”

Rudi Janssens (VUB) Brussel 19 april 2012

het capaciteitsprobleem en de internationalisering “Het grootste actuele probleem in het onderwijs is het capaciteitsprobleem. Volgens de cijfers van het Planbureau verhoogt het aantal schoolgaande jongeren tussen 2000 en 2030 met 50%. We zouden toch tenminste kunnen verwachten dat de twee netten onder elkaar gaan afspreken hoe ze dat gaan oplossen.”

Het Koninklijk Atheneum Etterbeek (middelbaar onderwijs) is een Nederlandstalige school met een goede reputatie en strenge leefregels. De klas binnenwandelen met oortjes is niet toegelaten. In het eerste jaar is er een inschrijvingsstop van 140 nieuwe leerlingen. Steven Thielemans is leerkracht Nederlands en houdt zich ook bezig met taalpolitiek.

Steven Thielemans leerkracht Nederlands op het KAE (Koninklijk Atheneum Etterbeek) over de groei van de leerlingenpopulatie Brussel 12 mei 2012 Aan de zij-ingang van de school staan containerklassen. Ook hier het capaciteitsprobleem?

p.5


“Ja, we barsten uit onze voegen. Vijf jaar geleden waren hier 600 leerlingen, of 550, en nu zijn er al bijna 800, denk ik. We hebben in het derde jaar klassen van gemiddeld 24 leerlingen, wat de limiet is, zeker om een taal aan te leren. Ik vind twintig al veel. De instroom van anderstaligen wordt elk jaar groter. Tien jaar geleden was het hier 70% puur Nederlandstalig, toen ik hier begon, en nu 30% of zo.”

samenwerking “Maar de problemen worden een beetje onder de mat geschoven. Er is totaal geen samenwerking tussen de twee onderwijssystemen om dat op te vangen. In Brussel zijn we echt totaal gescheiden onderwijswerelden, met heel weinig samenwerking. Er zijn wel kleinere experimentjes, maar niet echt een beleid om samen te werken. Er is ook versnippering, met soms drie ministers van onderwijs langs één kant. In het Nederlandstalig onderwijs zijn er twee stromingen. Enerzijds: “We zijn het onderwijs voor Nederlandstaligen”. Als je die redenering volgt dan kom je tot een inkrimping. De andere stroming, de wettelijke in feite, zegt dat het onderwijs weliswaar gegroeid is uit twee taalgroepen, maar dat de keuze vrij is (in Brussel). De Franstaligen van hun kant betogen dat het Frans dat thuis wordt gesproken door hun schoolkinderen, ook maar matig is. Dat effect speelt dan ook nog sterker omdat er langs Franstalige kant zoveel meer scholen zijn. En dan is er ook een stroming die zich afvraagt waarom er Nederlands zou moeten geleerd worden.

Nederlands onderwijs heel goed zou zijn, in de meer elitaire scholen, en dan een aantal zwakke scholen waar weinig aandacht aan de taal wordt besteed. Als er geen toegang is tot die betere scholen, redeneren de mensen dan dat het beter is om hun kinderen naar de Nederlandstalige scholen te sturen. Nog zoiets: niet elke gemeente in Brussel richt Nederlandstalig onderwijs in. In andere landen is de gemeente vaak verantwoordelijk voor het lager onderwijs. Zij weet dan ongeveer wie er in de gemeente woont, kan plaatsen voorzien en is ook verantwoordelijk voor beide taalgroepen. In Brussel niet.” Is er hoop dat de twee netten meer gaan samenwerken? “Ik denk dat het capaciteitsprobleem hen zal dwingen om te gaan samenwerken. Wat we nu zien is dat het Gewest zich meer en meer met het onderwijsdebat gaat mengen, waarmee ze in theorie haar bevoegdheid overschrijdt . Ze doet dit in eerste instantie door het creëren van onderwijsplaatsen. De leraars zouden ook tweetalig moeten zijn, en daaraan wordt van aan de basis al niet gewerkt. Ook de lerarenopleiding zelf schiet nog tekort. Daar worden voor de overgrote meederheid leraars gevormd die voor een eentalige klas zullen gaan staan.”

Er is een heel sterke selectie te zien binnen het Franstalig onderwijs: een groep waar het

het lerarentekort En wat met de vooroordelen tegenover Vlamingen en het Nederlands, die historisch gegroeid zijn? “Dat is zo een beetje het discours dat heerst, maar ik denk dat ze vooral niet genoeg leraars hebben. En ook in het Nederlandstalig onderwijs heeft men te weinig leerkrachten. De mensen vanuit de brede rand rond Brussel komen in Brussel studeren, maar zoeken daarna een job in p.6Vlaanderen, waar ook de makkelijkste

scholen zijn. ‟t Is gemakkelijker lesgeven als de grootste groep van de klas Nederlandstalig is. In Brussel groeien de kinderen ook op in een dominant Franstalige omgeving.”

Taalattitudes “De noodzaak om Nederlands te leren zit vooral in het feit dat je Nederlands moet kennen als je een job wil. Vlaanderen is economisch sterker dan Wallonië voor het ogenblik. Elke dag komen er ook 300 à 350 000 mensen - denk ik - uit


Vlaanderen in Brussel werken, dus als men handel wil drijven… maar de houding van Nederlandstaligen en Franstaligen tegenover elkaars taal is toch wel negatief. We spreken de taal meer uit economische overwegingen.

De allochtonen, of hoe je ze ook noemt, hebben eigenlijk niet direct een band met het Nederlands of het Frans, en gebruiken de talen op een meer utilitaire manier. Zij identificeren zich niet meer met de gemeenschappen.”

Steven Thielemans “Dit jaar hebben we besloten om alle talen toe te laten op de speelplaats” Wat weegt er door op de speelkoer, Nederlands of Frans? De leerlingen vertellen me dat het afhangt van groepje tot groepje. “Zo is dat. Het is ook zo dat ze dit jaar besloten hebben om alle talen toe te laten op de speelplaats. In de praktijk was het al jaren zo dat er Frans werd gesproken achter onze rug. De directie heeft besloten om de knoop door te hakken, om niet hypocriet te blijven doen, in de wetenschap dat iedereen graag zijn eigen taal spreekt. Eenmaal in het gebouw spreek je Nederlands, en wij moeten de leerlingen daar ook echt op aanspreken, en indien nodig bestraffen. Die omschakeling is soms heel grappig. Dan beginnen ze in het Frans, en zodra ze over de dorpel stappen, gaan ze verder in het Nederlands, of ze beginnen een zin in ‟t Nederlands, en dan komt er een Frans woord tussen, of andersom. In het derde jaar proberen we echt de taal een beetje positief te stimuleren, met een „taalrap‟. Het feit dat Nederlands ook cool kan zijn, tof en hip, en dat niet alles enkel cool en hip is in het Frans. Dat lukt wel redelijk goed. Ze zingen elkaars liedjes mee, onbewust zijn ze toch met Nederlands bezig. We doen ook een groot dictee Nederlands, zoals op TV, met het eerste, tweede en derde jaar in een grote zaal en een lector.” De buurt rond de school is wel Franstalig? “Ja, zeer Franstalig, de Franstalige hogere klasse (met leerlingen die naar de twee Franstalige scholen in de buurt gaan, nvdr). Het is een heel rare situatie hier. We hebben vroeger eens een gedichtendag gehouden, waarbij we gedichten gingen voorlezen van deur tot deur, maar dat was geen succes, want de mensen verstaan soms gewoon geen Nederlands.” De kinderen die hier naar school komen, komen dus niet uit de buurt? “Heel weinig. We hebben kinderen van overal, Etterbeek, Elsene, overal in Brussel, Schaarbeek, en ook kinderen uit de Rand, Nederlandstaligen uit Overijse, Hoeilaart…” En die komen af op de reputatie van de school? “Ten eerste, maar ten tweede hebben we ook een schoolbus, die de kinderen daar gaat oppikken en naar hier brengt. Dat is een pendeldienst in samenspraak met De Lijn, om toch die Nederlandstalige instroom te behouden. Die bus is een belangrijke factor, naast onze goede reputatie, denk ik.”

De sociale selectie “Volgens de PISA-onderzoeken, die driejaarlijks uitgevoerd worden op kinderen van 15 en waarbij verschillende vaardigheden getest worden, zien we dat België het enige land is waar de allochtone groep per generatie achteruitgaat. Ondanks alle maatregelen die erop gericht zijn om dat tegen te gaan, lukt het niet. In een land als Finland is het beroep van leraar hoger gewaardeerd, ook financieel, en kleuterleiders en leraars in het lager onderwijs studeren allemaal af aan de universiteit.” p.7

Nederlands vereist voor lagergeschoolde jobs “De grootste groep werklozen zijn eentalig Franstalig. Vroeger was het mogelijk om lagergeschoolde jobs in het Frans te doen, maar nu is daarvoor ook kennis vereist van Nederlands en Engels. Taalonderwijs zou hieraan moeten verhelpen. In het beroepsonderwijs zou naar verluidt hier en daar geen Nederlands meer gegeven worden. Net daar zijn er loodgieters of electriciens die dat ook wel nodig hebben. Met Frans alleen komen ze er niet langer. Ook de arbeidsmarkt is gesplitst, en de bedrijven in de Rand verschijnen in het Nederlands op de website van de VDAB en gaan in Vlaanderen recruteren.”


De afstand tussen schooltaal en spreektaal “Het taalprobleem blijft ook moeilijk omdat de schooltaal zoveel verschilt van de gewone spreektaal. Bleek bijvoorbeeld bij een onderzoek in Leuven dat er een zeer abstracte taal werd gebruikt in wiskundelessen, zodat de leerlingen het moeilijk hadden met het begrijpen van de wiskunde zélf. Als er bezuinigingen zijn in het onderwijs, zijn de eerste dingen die wegvallen de projecten en experimenten, zoals de Foyer in Molenbeek, dat niet langer subsidies ontvangt. Al die inspanningen sneuvelen dan. Dan raakt men niet echt aan de basisstructuren, en men krijgt

ook niet echt de vakbonden over zich. Het model van taalonderwijs was daar nochtans heel succesvol. De thuistalen kregen er een zekere waarde (Spaans, Italiaans, Turks, nvdr). In de kleuterklas of het eerste leerjaar werd er heel veel thuistaal gesproken, b.v. Italiaans, en stilaan werd dat dan door het Nederlands vervangen. Zo lopen de kinderen minder leerachterstand op, en waarderen ze de taal ook meer. De resultaten op het einde van het secundair onderwijs waren veel beter dan op andere scholen. In de meeste scholen is een andere taal spreken „een probleem‟. Maar het is natuurlijk ook veel arbeidsintensiever. Als men echter ergens wil in investeren, dan zal het wel in het onderwijs moeten zijn.”

2 het groeiend belang van het Nederlands in Brussel Het deficit van het Nederlands taalonderwijs in Brussel blijkt uit het massale succes van het Huis van het Nederlands. Kort na hun middelbare schooltijd beseffen heel wat Franstalige jongeren dat ze meer Nederlands nodig hebben voor de arbeidsmarkt. En dan schrijven ze zich in voor een taalopleiding, want wat ze op school leerden schiet tekort om in het echte leven mee aan de slag te kunnen.

Gunther Vanneste (directeur van het Huis van het Nederlands) Brussel 15 mei 2012

Waarom Nederlands leren in een stad als Brussel? “Er zijn twee strekkingen: mensen leren ofwel Nederlands door de economie, ofwel door het sociale. Wat mij betreft heb je in Brussel geen Nederlands nodig voor het sociale. Geen Nederlands spreken op straat hoeft geen sociaal isolement te betekenen. De vraag is wat het Nederlands oplevert voor een mens. Uiteindelijk komt het erop neer dat iedereen een goeie job voor zichzelf wil, of voor zijn kind. En sturen de ouders dan hun kind naar het Nederlandstalig p.8 onderwijs omwille van de kwaliteit, of is het

omdat ze weten dat ze later meer kans hebben als ze Nederlands en Frans spreken? Ik denk dat weinig ouders effectief bezig zijn met het pedagogisch aspect, maar meer met het feit dat ze hun kinderen meer kansen willen geven. Als we bij de volwassenen navragen waarom ze Nederlands leren, dan is het antwoord „werk‟, en af en toe iemand die het voor zijn kind doet dat in een Nederlandstalige school zit. Sommigen geven aan dat ze het doen omdat ze een Nederlandstalige buur hebben, maar als je doorvraagt, blijkt dat ze dan toch in het Frans blijven praten met die buur.”


“Het succes van het Nederlands in Brussel nú hangt samen met de economische situatie, het gegeven dat Vlaanderen op dit moment beter

presteert dan Wallonië of het Franstalige gedeelte. En Brussel zit opgesloten met haar 1 miljoen inwoners en te weinig arbeiders- en bediendenjobs. Al die logistieke bedrijven zitten in die Rand, in Vlaanderen. De gevolgtrekking is snel gemaakt: de lagergeschoolde vindt zonder Nederlands moeilijker en moeilijker werk, want de derde dienstensector is zich buiten Brussel aan het vestigen. DHL, IBM, Toyota, allemaal gaan ze naar de Rand, omwille van de mobiliteit. In Brussel zelf zit meer de internationale of de louter Brusselse administratie. Als we binnen 20 jaar misschien een heel andere economische situatie gaan kennen, dan weet ik niet of de aandacht voor het Nederlands in Brussel nog van dezelfde orde zal zijn.

3 de internationalisering van Brussel en de 'patstelling' waar de stad zich in bevindt „De problemen in het onderwijs in Brussel zijn symbolisch voor alle problemen in Brussel‟

Luckas Vander Taelen (Vlaams Parlementslid, Groen!) Brussel 9 mei 2012

Volgens Luckas Vander Taelen zijn er in Brussel problemen “zo groot als een olifant die in de gang staat maar die niemand wil zien”. En verandering op korte termijn, hoewel hoogstnodig, lijkt haast onmogelijk. De politiek weet zich vooralsnog niet aan te passen aan de realiteit van de stad, die meer en meer internationaliseert. Bourgeois begrijpt het niet, en de Franstaligen begrijpen het niet.

Er zijn evidente problemen voor het onderwijs in Brussel, zoals het capaciteitsprobleem. Zou er vooruitgang kunnen gemaakt worden, mochten p.9 de onderwijsnetten kunnen samenwerken?

“Brussel is in een zeer transformatieve fase. In de jaren ‟80 was Brussel een kleine, burgerlijke stad, met twee gemeenschappen, en nu, dertig jaar later, is het een begin van een metropool, waar geen enkele


gemeenschap nog doorslaggevend is. Het probleem is dat, in tegenstelling tot in andere steden waar hetzelfde gebeurt, er hier geen onderwijs is dat zich aan die stad heeft aangepast. Het onderwijs wordt beheerd door de twee Gemeenschappen, de Vlaamse en de Franse. Iedereen weet eigenlijk dat dit een achterhaald schema is, en dat we op termijn zullen moeten evolueren naar een regionaal gestuurd onderwijs.

onwil van de Franstaligen Het onderwijs in Brussel stelt zeer specifieke eisen, voornamelijk omdat het moet beantwoorden aan een zeer muliculturele, internationale context. We hebben echter een zeer zware erfenis te verwerken. Van Vlaamse kant is er veel wantrouwen, terecht vind ik, tegenover de Franse Gemeenschap, omdat die zich in het verleden niet heeft laten kennen als een goeie organisator van onderwijs, bijvoorbeeld wat betreft taalonderwijs. Tot op heden laat dat veel te wensen over. Aan de basis is er iets aan het schuiven: ouders die hun kinderen in het Vlaamse onderwijs steken of die ijveren voor immersie-onderwijs. Maar aan de top zien we toch nog altijd dat ze het moeilijk hebben om toe te geven dat Brussel geen Franstalige stad meer is. Brussel is een stad waar het Frans gebruikt wordt als lingua franca, maar die aan het internationaliseren is. In bepaalde gemeenten zijn de Belgen van vroeger al in de minderheid. Het eerste voorbeeld hiervan is Sint-Joost. Het onderwijs is daar niet op afgestemd, en het Franstalig onderwijs evolueert naar een tweedeling, met elitescholen en „écoles poubelles‟. Aan Vlaamse kant heb je een ander probleem. Daar is er een soort terughoudendheid om het aantal scholen uit te breiden. Omdat de minister duidelijk niet die richting wil uitgaan, moet hij een andere oplossing vinden, wil hij voldoen aan de p.10 gerechtvaardigde vraag van de Vlaamse

ouders om een plaats te vinden voor hun kinderen in het Vlaamse onderwijs in Brussel. Als je dus niet gaat voor een massale uitbreiding, waar ik wel voor pleit, omdat je dan Franstalige en allochtone kinderen kan aantrekken en daarvan drietalige Brusselaars maken, wat mijn ideaal is, dan kom je onvermijdelijk terecht in een systeem van uitsluiting, waarbij je je scholen in feite moet afsluiten voor een anderstalige instroom omdat je anders je Vlaamse kinderen niet kan bedienen. Dat is een problematiek die nog eens bovenop de Belgische problematiek komt, met de verschillende netten: Gemeenschapsonderwijs, katholiek onderwijs en gemeentelijk onderwijs. De problemen die we nu hebben met het onderwijs zijn symbolisch voor alle problemen in Brussel, namelijk dat het niet is aangepast aan de evolutie van de stad. En eigenlijk hebben we geen tijd meer, het moet onmiddellijk gebeuren.”

Die terughoudendheid van de Franstalige top, is dat een gene daar anders tegenover? de Brusselse Franstalige top bo “Dat denk ik, ja. Ik heb dingen zien veranderen. Het Nederlands w gemakkelijker bediend in het Nederlands dan vroeger, je ontmoet tweetalig zijn, het gevolg van schoolcarrières in het Nederlandstal iemand van de Franstalige pers, dan spreekt die negen op de tien vroeger ondenkbaar was, nog geen tien jaar geleden. Maar vaak basis niet onmiddellijk gepaard met een verandering in de politiek in termen van macht. Al die burgemeesters bijvoorbeeld, die gaan stad, maar aan het behouden van de macht, terwijl de mensen de en vinden dat hun kind drietalig moet zijn. Dat is de dramatisch bevindt.”

“Van Franstalige kant is er nog altijd niet veel bereidwilligheid om samen te werken, ondanks de retoriek daarrond, en ondanks de stappen langs Vlaamse zijde.” “Samenwerking vereist een staatshervorming. Maar voor wanneer is dat?” “Er is een revolutionaire beweging bezig wat betreft de samenstelling van Vlaanderen. Men weet dat nog niet en men heeft daar geen antwoord op. Bourgeois heeft daar geen antwoord op.”


Kan er op korte termijn iets wankelen, als de basis immers verkleint waar de machthebbers hun macht aan vast kunnen klinken? “Dat is bijna uitgesloten. De electorale basis is heel vreemd samengesteld. Je hebt gemeentelijke verkiezingen in een grootstad, en de macht op regionaal vlak is ook mede bepaald door de macht op gemeentelijk vlak. Het Brussels Parlement is, langs Franstalige kant dan, voornamelijk bevolkt door schepenen en burgemeesters, die dus hun gemeentelijke belangen komen verdedigen. Ik denk dat dat een gevaarlijke patstelling is, omdat we zitten met mensen die vanuit een gemeentelijke logica redeneren, en dat daarom de problemen van Brussel niet worden aangepakt. Zelfs de regionale basis is belachelijk, de fictie die we gecreërd hebben om dat een Gewest te noemen. Het Brussels Gewest is in feite een kleine Europese grootstad. Het minste dat je kan doen, is die tussenstructuren volledig afschaffen, Brussel helemaal hertekenen, de gemeenten afschaffen, en de stad onderverdelen in districten waar de „burgemeester‟ de regionale bevoegdheden kan decentraliseren. Wat we nu hebben zijn negentien gemeenten die kunnen ingaan tegen bijvoorbeeld het nieuw regionaal mobiliteitsbeleid. Ik denk niet in gemeentelijke structuren. Ik kan me niet voorstellen dat je Terkamerenbos ziet als een onderdeel van 1000 Brussel. Een immigrant is anders dan een geboren Brusselaar, die gemeentelijk denkt. Ik kwam hier aan, ik kocht een huis in Vorst, en ik voelde me een Brusselaar. Dat is een groot verschil in mentaliteit. Dat is de moeilijke overgang waarin we nu zitten, de stad is nog geen echte stad geworden, en ik denk dat dat nog een jaar of twintig zal duren. Alleen zullen we zo lang niet meer kunnen wachten. De Vlaamse Gemeenschap kan echter denken: ‘Wij vertegenwoordigen 17% van de

p.11

schoolgaande jeugd, de rest moet de Franstalige Gemeenschap maar oplossen’? “Ja, dat is de mentaliteit. Maar de Vlamingen moeten opletten dat ze geen te verwaarlozen minderheid worden in hun eigen stad. Als je een generatie krijgt die Nederlands spreekt, dan zal er veel meer empathie zijn met de Vlamingen dan dat je een generatie afstoot naar het Franstalige onderwijs. Ik pleit er echt voor om op een doordachte manier mensen te vormen die Nederlands gaan praten, zonder te mikken op een „vervlaamsing‟. Dat is heel belangrijk om begrip te hebben voor de situatie van de Vlamingen. Je moet je goed realiseren dat als er steeds minder Vlamingen komen, of steeds minder mensen die geneigd zijn om Vlaams te stemmen, dat je met een gewaarborgde vertegenwoordiging gaat zitten die beantwoordt aan een minuscule minderheid, en dat is niet houdbaar. Iedereen weet dat dat een probleem is dat binnen een paar jaar gaat exploderen.” Ondertussen is er een uitstroom uit Brussel naar Vlaamse scholen, tot in Aalst. “Ja. In Aalst heb je heel veel Afrikanen, die trouwens Nederlands spreken. Dat is nieuw voor Aalst. Al die kindjes gaan in Aalst naar school. Er is een revolutionaire beweging bezig wat betreft de samenstelling van Vlaanderen. Men weet dat nog niet en men heeft daar geen antwoord op. Bourgeois heeft daar geen antwoord op. Ik heb hem gezegd dat er geen gevaar meer is voor verfransing, maar dat er wel een internationalisering bezig is, die ervoor zorgt dat je 50 nationaliteiten hebt in de Rand, en dat al die scholen vol zitten.” Wat mij begint te wegen, is dat het probleem zo duidelijk is, maar dat het niet aangepakt wordt. Ik zou zo een Staten-generaal organiseren met alle betrokken partijen, maar wie moet je dan uitnodigen? De Gewestregering, of die 19 burgemeesters met hun 180 schepenen?”


Patrick De Clerq directeur KAE (Koninklijk Atheneum Etterbeek) de problemen van het Brussels onderwijs “De voorspellingen van de demografen liegen er niet om. Als er niet ingegrepen wordt door de overheid én de inrichtende machten komt er enorm onderwijsprobleem. De massa kinderen die op ons afkomt opvangen, de zwakke Nederlandse taalvaardigheid bij veel van die kinderen wegwerken en voorkomen dat er segregatie ontstaat zijn enorme uitdagingen voor het zeer gegeerde Nederlandstalig onderwijs. Er moeten meer middelen komen om de capaciteit in Brussel te vergroten en we hebben meer en beter opgeleide leerkrachten nodig die in Brussel willen blijven. Hoe dit moet aangepakt worden en wie het gaat betalen is de vraag. Maar een nauwe samenwerking tussen de verschillende scholen binnen een inrichtende macht, tussen de verschillende netten bij het Nederlandstalig onderwijs en intens samenwerken met het Franstalig onderwijs zijn onontbeerlijk om het demografisch, sociaal en taalprobleem op te vangen en dan heb ik het nog niet over het verschil in kwaliteit tussen die verschillende scholen en perceptie van de kwaliteit van die scholen.”

“een nauwe samenwerking tussen de verschillende scholen binnen een inrichtende macht, tussen de verschillende netten bij het Nederlandstalig onderwijs en intens samenwerken met het Franstalig onderwijs zijn onontbeerlijk”

het inschrijvingsbeleid Hoe verlopen de inschrijvingen hier, en welke taalpolitiek wordt daarbij gevoerd? “We werken met heterogene groepen. Kinderen kunnen van overal komen, maar er moet uit het kennismakingsgesprek gewoon blijken dat het voor Nederlands zal lukken. Als ze het verschil niet kennen tussen een rivier, een stroom en een kanaal, dan zijn dat dingen die de leraar ook niet meer zal gaan uitleggen. Er is wel een getuigschrift vereist van een basisschool. Bij voorkeur van een Nederlandstalige basisschool. Een kind dat van een Franstalige of … basisschool komt en geen of amper Nederlands kent raden wij aan om eerst les te volgen in een school met een klas voor ander-landstalige nieuwkomers.

Je moet al behoorlijk wat Nederlands machtig zijn om in het middelbaar te kunnen starten Er is een Dia-taaltest in het eerste jaar, die wordt afgenomen na de inschrijving. Het resultaat van die test is geen voorwaarde om ingeschreven te worden, maar wel bedoeld om het taalprofiel (qua woordenschat, technisch lezen, spelling) van de leerling in kaart te brengen en zo snel mogelijk – indien nodig – een passende remediëring op te starten. Wij waken er ook over dat in alle klassen taalzwakke en taalsterke leerlingen zitten.

“Wij waken erover dat in alle klassen taalzwakke en taalsterke leerlingen zitten.” In het eerste middelbaar is er zeven uur Nederlands, in plaats van vijf, zoals op andere scholen. Alle leerlingen hebben daar baat bij. Vroeger hebben we nog gedaan, taalzwakke kinderen samenzetten in aparte klassen, en hen heel intens begeleiden, maar dat werkt niet. Dan neem je ze mee naar een toneelstuk en dan horen ze voor de eerste keer een half uur aan een stuk Nederlands praten.” p.12


DOSSIER

NEDE RLAN DS oorsprong, evolutie en actuele status van het Nederlands

+ onderzoeksresultaten {taal}onderwijs in Brussel

De voornaamste problemen van het onderwijs in Brussel Conclusies uit de VUB-onderzoeken (Rudi Janssens) bevolkingsaangroei er is nood aan steeds meer capaciteit, 50% meer voor de komende 20 jaar. geld meer geld nodig, zeker met het oog op een jonge populatie die extra zorg vraagt. leerachterstand In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verlaat 28% van de 20-24-jarigen de Brusselse school zonder diploma. Het Belgisch gemiddelde is 17%. personeelsprobleem Zowel in het Franstalig als het Nederlandstalig onderwijs. lage waardering van het taalonderwijs Slechts een minderheid is tevreden. In het Franstalige net is dat slechts 10%. Het Franstalig onderwijs schiet ernstig tekort in zijn taak om leerlingen tot tweetalige burgers op te leiden. Het Nederlands wordt vooral geleerd omdat het nuttig is, niet omdat het mooi is of voor de achterliggende cultuur. Er is een negatieve connotatie van het Vlaamse aspect. kloof tussen de schoolwereld en de leefwereld tweetalige media zijn praktisch onbestaande geen structurele samenwerking tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld (Nederlandstalig, Franstalig, Europees). een complexe, veeltalige context botst met de volgehouden tweedeling NederlandsFrans. De veranderende realiteit wordt niet tegemoetgekomen door een aangepast beleid

(„Taalgebruik in Brussel en de plaats van het Nederlands’, en „Het onderwijs in Brussel’, studies VUB werkgroep Brio, 2008)

Minder Vlamingen, meer Nederlands Studies naar taalgebruik zijn er in België niet meer sinds 1946 en het einde van de taal- en volkstellingen. Professor Rudi Janssens (VUB) betracht een en ander in kaart te brengen, met onderzoeken naar taalpolitiek en integratie. p.13


Groeiend gebruik van het Nederlands De groep Nederlandstaligen van huis uit wordt kleiner, maar de Nederlandstaligen gebruiken het Nederlands meer, b.v. in de administratie, de horeca, de gezondheidszorg, en in het straatbeeld. Het merendeel van de Brusselaars erkent de noodzaak van kennis van het Nederlands. In gemengde Fr/Ndl-talige gezinnen wordt meer Nederlands gesproken dan vroeger. Dat Nederlands sijpelt de gezinnen uitsluitend via het Nederlandstalig onderwijs binnen.

Gelijkaardige resultaten zien we in de studie van Laurence Mettewie (FUNDP, Namen): Het Nederlands gaat erop vooruit als voertaal tussen broers en zussen in Franstalige gezinnen, waarschijnlijk als gevolg van de impact van de schooltaal (Nederlandstalig onderwijs). Anderzijds blijven de Franstaligen het meest van alle ondervraagde groepen gereserveerd tegenover dat Nederlands. Een nieuwe generatie jongeren is gegroeid in haar tweetaligheid. Ja, dat is goéd nieuws, samen met het feit dat er een positief contact is tussen de twee taalgemeenschappen op de Nederlandstalige scholen. Taalgemengde klassen werken bevorderend.

Brussels Studies Institute 30 mei „Vers un enseignement bruxellois?‟ – „Naar een Brussels onderwijs?” VERSLAG van de Studiedag – Journée d‟étude De academici Benjamin Wayens (FUSL-ULB-Brussels Studies): De Franstaligen houden vast aan een Franse en seculiere visie, en vergeten het belang van de ethniciteiten. Iedereen is het erover eens dat er nood is aan een écht onderwijs van de talen. Laurence Vancrayebeck (FUSL): De afwezigheid (désinvestissement) van de federale component en van de samenwerking tussen de Gemeenschappen. De nood om de ongelijkheid die ons systeem kenmerkt te elimineren, en om het respect en de uniformiteit van de opvoedingsnormen te bewaken. Dirk Jacobs (ULB): “Nergens in de geïndustrialiseerde wereld is de kloof tussen migranten en autochtonen zo groot (de zogeheten „reproductie van sociale ongelijkheid‟, uit de recentste Europese PISAonderzoeken van 2009).” Dat probleem wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door de vaststelling dat de scholen met de grootste uitdagingen ook het grootste personeelsverloop kennen. Rudi Janssens (VUB, Brio) merkt op dat we in 10 jaar tijd niet veel verder zijn gekomen omdat een fundamenteel debat ontbreekt, bijvoorbeeld over het tewerkstelIen van verschillende ethnieën. In plaats van een actief migratiebeleid heerst naar zijn gevoel een sfeer van „het overkomt ons‟.

Het politieke kluwen Startvraag: Het Brussels Gewest bevoegd maken voor onderwijs? Christos Doulkeridis (Ecolo, Minister-President Cocof, Onderwijs) vindt een overheveling van de onderwijsbevoegdheden naar het Brussels Gewest niet de goede manier om de knoop te ontwarren. Dat is volgens hem “institutionele bricolage”. Samenwerking tussen de p.14Gemeenschappen is echter wel een minimum minimorum, ondanks de soms legitieme


angsten en terughoudendheid, langs Franstalige kant en ook langs Vlaamse zijde, waar een “ancestrale angst” bestaat voor een tweetalig net. Charles Piqué‟s task-force voor het onderwijs is een stap in de goede richting. “De tweetaligheid is niet altijd correct doorleefd geweest”, merkt Guy Vanhengel (open Vld, Brussels Minister van Nederlandstalig Onderwijs) op. De Vlamingen zijn niet voor niets bevreesd, kijk maar naar de situatie in de gezondheidszorg. “Het Gewest heeft noch de instrumenten, noch de middelen om een coördinerende rol te spelen”, vindt hij. “Beide Gemeenschappen hebben in deze een dubieuze houding, en spelen het balletje door naar het Brussels Gewest. Deze houding is mijns inziens ingegeven door de samenstelling van de Vlaamse regering, waar één van de partners niet weet wat ze met dat Brussels Gewest aanmoet.” Christos Doulkeridis beaamt: de opening van nieuwe crèches en containerklassen door het Brussels Gewest werd bekritiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, die vond dat het Gewest haar bevoegdheden te buiten ging. Jef Van Damme, (sp.a, Schepen van Onderwijs Molenbeek): “Het Gewest kon de verantwoordelijkheid om scholen en crèches te bouwen perfect doorspelen aan de VGC en Cocof, die wél bevoegd zijn terzake. Charles Piqué heeft een belangrijke rol te spelen over wáár de nieuwe scholen kunnen komen, wie ze gaat bouwen, in welke gemeenten enzoverder. Nadien is het dan aan de Gemeenschappen om geld te geven, en ik denk dat er geen enkel dossier op tafel is blijven liggen dat niet gesubsidieerd is door de Vlaamse regering, als dat gevráágd werd.” De reden waarom het Gewest besliste om scholen te gaan bouwen ligt volgens Van Damme bij het feit dat de Franstaligen het Gewest financieel om hulp zijn gaan vragen…

Tenslotte vinden de gesprekspartners in het concept van „de brede school‟ nog een mogelijkheid voor samenwerking tussen de Gemeenschappen. Er zouden ook meer bevoegde politici moeten zijn die Brussel kennen en van Brussel houden. p.15


achtergrond

TAALEVOLUTIES IN BELGIE

HET NEDERLANDS IN BRUSSEL oorsprong, evolutie en actuele status Nederlands in een stad die in Vlaanderen ligt ingebed, maar waar het Frans de lingua franca is.

Het Nederlands ontstond uit de dialecten van de Friezen, de Franken en de Saksen. In 355, Romeinse tijden, vielen Germaanse Franken de Lage Landen binnen. Keizer Julianus sloot een compromis: ze mochten blijven indien ze de Rijngrens verdedigden. De Franken verdrongen het Latijn, en de taalgrens ontstond, over de lijn Boulogne -Tongeren Keulen. Uit dat Frankisch ontstond het Nederlands, en ten Zuiden van de taalgrens ontstond uit het Latijn het Frans. In de 15e eeuw voerde de Bourgondische hertog Karel De Stoute het Frans in als bestuurstaal, wat voortduurde tot aan zijn dood in 1477. Tijdens de Spaanse en Oostenrijkse periode (1585-1794) werd het Nederlands de officiële taal. En dan kwam het Frans terug: vooral onder de Franse overheersing (1795-1815) werd de toplaag verfranst. De erkenning van het Nederlands als landstaal In de 19de en 20e eeuw ijverde de Vlaamse Beweging, middels een moeizame strijd, voor de erkenning van het Nederlands in bestuur, onderwijs en leger. In de Nederlandse periode (1815-1830) werd het Nederlands de officiële taal. Maar toen in 1831 België ontstond, werd dat opnieuw het Frans (in gerecht, administratie, leger, cultuur, media). In Brussel sprak de overgrote meerderheid thuis Brussels-Vlaams. Op school werd echter bijna uitsluitend in het Frans lesgegeven. „Le Flamand‟ was wel een vak, maar het had weinig belang. Het Nederlands werd pas een officiële taal in het land in 1898 (Gelijkheidswet: bij de aankondigingen van wetten). Het experiment van Buls Eind 19de eeuw experimenteerde burgemeester Karel Buls met het Nederlands als onderwijstaal in de twee eerste leerjaren (1881, transmutatieklassen). Het gevolg was dat vrijwel iedereen vluchtte naar het Franstalig onderwijs, want Frans werd als onontbeerlijk beschouwd om vooruit te kunnen in het leven. Brussel verfranste nog meer. Ook de massa‟s Vlaamse inwijkelingen – door armoede tot migratie gedreven - hadden Frans nodig om hogerop te geraken. Het Nederlands wint terrein Begin 20e eeuw won Vlaanderen aan invloed in het land. Vanaf 1911 kwam er apart Nederlandstalig en Franstalig onderwijs, en na WOI kwam de eerste taalwet: de moedertaal moest ook de onderwijstaal zijn. In Brussel bleef echter de 'liberté du père de famille' gelden, zodat het Frans zijn prestige bleef behouden. In Vlaanderen werden het lager en middelbaar onderwijs in 1932 eentalig Nederlands, wat het begin markeerde van het territorialiteitsbeginsel (één taal is de officiële op een afgebakend territorium). Ondertussen ijverde de Vlaamse Beweging vruchteloos voor tweetaligheid in gans de staat. p.16


De federalisering van het land en de taalwetten Vanaf de jaren ‟60 werd de unitaire staat geleidelijk federaal. Het territorialiteitsbeginsel werd opgenomen in de grondwet in 1970.

Verfransing: wa is da? Het Frans geldt als internationale cultuurtaal bij uitstek. Het Nederlands geniet weinig aanzien. Op een gegeven moment wordt het Nederlands niet meer doorgegeven. De tweede generatie inwijkelingen wordt eentalig Frans. In Brussel: Elsene, Anderlecht, Schaarbeek, Molenbeek… Deze trend stopt vanaf de jaren ‟60, met de economische ontwikkeling van Vlaanderen en de vastlegging van de taalgrens. Met de toename van de immigratie komt het Nederlands echter opnieuw onder druk tegenover de talen van de nieuwkomers en ook opnieuw tegenover het Frans. En dan is er nog het Engels.

De geschiedenis van de TAALWETGEVING en van de Nederlandstalige scholen in Brussel 1963 Toen in 1963 de taalgrens werd vastgelegd, werd de officiële taal in het Noorden het Nederlands en in het Zuiden et Frans, en in de Oostkantons het Duits. En Brussel? Dat mocht tweetalig zijn. Voor de (taal)minderheden aan beide kanten van de taalgrens kwamen er faciliteiten (de faciliteiten-gemeenten rond Brussel zijn 6 Vlaamse randgemeenten: Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Linkebeek, Kraainem, Wezembeek-Oppem, Drogenbos).

De onderwijstaal ( in de 19 gemeenten) werd ofwel het Nederlands, ofwel het Frans, waarbij de moedertaal of thuistaal gold als basis voor de schooltaal. Heel veel Nederlandstalige ouders verklaarden echter thuis Frans te spreken, en de inspectie trad niet op. Ontvoogding Gaandeweg werden de minderwaardigheidscomplexen afgelegd. Vlaanderen werd economisch, politiek, en voor de kunsten, steeds belangrijker. Er kwamen enkele Vlaamse marsen op Brussel. En er werd geïnvesteerd: netoverschrijdende samenwerking, Peuterplan, de Gemeenschapscentra… In 1968-69 kwamen de eerste promotiecampagnes voor het Nederlandstalig onderwijs door het Vlaams OnderwijsCentrum, dat later NCC werd (Hugo Weckx), en vanaf 1989 VGC. 1971 werd gemarkeerd door de wederinvoering van de „liberté du père de famille‟ (FDF), in ruil voor geld voor goede Nederlandstalige onderwijsvoorzieningen. Het succes van de Nederlandstalige scholen De Nederlandstalige scholen begonnen vol te lopen. Met slogans als „enkel in het Nederlandstalig onderwijs wordt men twee- en meertalig‟, werd een gevoelige snaar geraakt. Door de instroom van anderstalige kinderen werd de kwaliteitsbewaking echter belangrijker dan de aantallen. Een bicultureel systeem (allochtonen gaan eerst naar aparte klassen) moest hiervoor aanvankelijk soelaas bieden. Daarna kwam er een opdeling in westerse en niet-westerse leerlingen. Scholen met kwetsbare groepen leerlingen kregen bijkomende GOK-uren (Gelijke onderwijskansen), en „anderstalige nieuwkomers‟ konden zich voorbereiden middels een eenjarig taalbad, een remedie die nog steeds bestaat. p.17


Er werden vernieuwende taalmethodes uitgeprobeerd, zoals „Taalvaart‟. Plannen als „Schoolopbouwwerk‟ werden gevolgd door andere, zoals het concept van „de brede school‟, waarbij het leerproces op school ingebed wordt in de buurt en gekoppeld aan de werking van vzw‟s, gemeentelijke sportfaciliteiten enzovoort. In het jaar 2000 kwam het voorrangsbeleid (bij de inschrijvingen), en ook het „Taalvaardigheidsonderwijs‟. Nadien werd er gemikt op de renovaties van schoolgebouwen, en in Het Huis van het Nederlands begon men met het doorverwijzen van volwassen cursisten naar geschikte taalleerplekken. Vanaf 2009 ging het dan nog een versnelling hoger, met het creëren van bijkomende onderwijscapaciteit door de bouw van nieuwe scholen.

TAALWETTEN EN TAALVRIJHEID Vóór de taalwetten komt de taalvrijheid. Iedereen is vrij zich uit te drukken in zijn eigen taal. Die vrijheid wordt ingeperkt in de volgende domeinen: openbaar gezag en bestuur, gerechtszaken, en onderwijs dat door de overheid is opgericht, erkend of gesubsidieerd. Ook in de relaties tussen werkgevers en personeel en de documenten die bedrijven daarbij moeten gebruiken, gelden voorschriften. In Brussel (de 19 gemeenten + de faciliteitengemeenten) zijn er geen regels voor de mondelinge bedrijfscommunicatie. Voor de schriftelijke communicatie moet de taal van de werknemer gebruikt worden. In de faciliteitengemeenten moet dat in het Nederlands, er mag wel een vertaling bij. Officiële documenten die niet bedoeld zijn voor een bepaalde werknemer vallen binnen de taalvrijheid. Het onderricht van de tweede taal is verplicht in de lagere scholen van het arrondissement Brussel-Hoofdstad en ook van de faciliteitengemeenten. De Vlaamse taaldecreten gelden ook niet voor een aantal overheden die van belang zijn voor heel het land of een groot gedeelte ervan, zoals het KMI in Ukkel of het studiecentrum voor kernenergie in Mol. Ook in berichten die bestemd zijn voor toeristen mag meertaligheid (minstens drie talen). Overheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moeten voor berichten en mededelingen zowel Frans als Nederlands gebruiken. De VGC moet enkel in het Nederlands communiceren. Let op: ze mag enkel onder strikte voorwaarden andere talen gebruiken! Idem voor de COCOF en de administratie van het Waalse Gewest. De overheid moet ook zowel Frans als Nederlands verstaan. Tweetaligheid is ook vereist voor politie, brandweer, post, trambestuurders, metroticketverkopers, toeristische diensten, musea, openbare rust- en ziekenhuizen die afhangen van het Brussels Gewest, Brusselse gemeenten of de federale overheid. In Brussel is deze regeling op het terrein niet altijd realiteit, wat de spanningen tussen de twee officiële taalgroepen deels in stand doet houden. Aan het loket bij de post of in de communicatie met het verplegend personeel botst de Nederlandstalige regelmatig op het Frans. Hij past zich daar dan aan aan, in de mate van het mogelijke, en maakt daar al of niet een probleem van. Een ziekenhuis in Ukkel is echt wel puur Franstalig domein, met uitzondering van enkele artsen die een inspanning doen en het Nederlands machtig zijn. Voor de communicatie bij de nationale culturele instellingen, zoals BOZAR, bestaan een heleboel afspraken met ondermeer beleefdsheidsregels – in het culturele veld is de wetgeving zachter - in verband met de afwisseling van voorkeur voor de talen. p.18


het nut van samenwerking La rĂŠunion ferait la force

1 De rol van de politiek Gunther Vanneste Hoe verlopen de onderhandelingen met de politiek over de modificaties op de voorrangsregeling? “Dat is echt gaan onderhandelen en aantonen waarom iemand recht zou kunnen hebben om tot die voorrangsgroep te behoren, in p.19tegenstelling tot anderen. Het is het partijpolitieke gedoe, met partijen die erkennen

dat die breuklijn speelt, en die zich openstellen naar andere culturen, en met partijen die heel gesloten zijn, maar daar hebben wij geen gesprekken mee. Het Vlaams Belang, om ze maar te noemen, kunnen nogal eens kritiek geven, ook op onze werking, omdat dan in een Vlaamse school al eens een gekleurde kan zitten of iemand met een accent, enzovoort.


Bepaalde groepen zien ons daardoor helemaal niet graag en beginnen dan haatcampagnes op internet en zo. Bij de andere politieke partijen loopt het dooreen. Bij links kun je stemmen hebben die vinden dat de echte Vlamingen voorrang moeten hebben, en bij rechts zijn er evengoed stemmen die zeggen dat degenen die moeite doen om Nederlands of Frans te leren en om zich te integreren, aanspraak kunnen maken op net dezelfde rechten als iedereen in de samenleving.” Wordt dat niet in wetten gegoten? “Nee, dat zijn decreten. Maar daar wordt eigenlijk nooit politieke heisa rond gemaakt, omdat het zo onduidelijk is wie nu precies waarvoor is binnen de verschillende partijen. De Brusselse Vlaamsparlementairen trekken eigenlijk allemaal dezelfde kaart, behalve het Vlaams Belang, maar die staan zo overal buiten, en het wordt ook niet meer au sérieux genomen om puur het Vlaamse beleid op Brussel toe te passen.”

De fractieleiders nemen dus hun verantwoordelijkheid op? “Ja. Ik heb lang op Vlaams niveau gewerkt, en ik heb het gevoel dat de huidige Brusselse politici in het Vlaams Parlement hun stad kennen, en vanuit hun stad spreken, eerder dan vanuit hun partij. Luckas Vander Taelen is een goed voorbeeld, ik denk dat hij binnen zijn partij soms wat scheef bekeken wordt voor de standpunten die hij inneemt als Brusselaar. We zitten op een goede lijn met de Vlaams-Brusselse politici, en ze bewaken hun Brussels terrein ook, en komen bij ons dingen aftoetsen, als er iets gebeurt op het vlak van taal of Nederlands in het parlement.” Zitten ze wat gewrongen tussen de Gemeenschappen en de Gewesten? “Daar ben ik heel zeker van. Bij Groen is dat bijvoorbeeld duidelijk, maar bij SP.a zal dat ook wel zo zijn.”

Het twee-Gemeenschaps-denken "De politiek denkt vaak over Brussel in termen van Nederlandstaligen en Franstaligen, terwijl de realiteit is dat de helft op dit moment niet meer tot één van die twee gemeenschappen behoort. Wij kregen hier dan mensen die het Nederlands soms beter beheersten dan het Frans, maar omdat hun thuistaal of moedertaal geen Nederlands was, konden ze niet tot de groep der Nederlandstaligen behoren, en evenmin tot die van de Franstaligen. Als je dus Brussel wil indelen op basis van de Vlaamse of de Franstalige Gemeenschap, dan zet je de helft van je bevolking in de kou. Zo zijn wij met de politiek bevoegden gaan kijken wat we konden doen met die mensen, die al zoveel jaren Nederlands volgen en hun kind willen inschrijven. We moeten steeds blijven opletten dat de efforts die mensen doen door de maatschappij ook gevalideerd worden.”

p.20

“Dat is weer diezelfde val om in te trappen, dat er twee Gemeenschappen zijn. Die twee vormen nog maar de helft van de bevolking. En als je het dan nog eens opsplitst, de Nederlandstaligen die niet per se op Nederlandstaligen stemmen… Ik snap het niet, dat denken vanuit een tweedeling, waar alle media opspringen. En als Vlaamse politieke partijen hier in Brussel zich wat meer zouden richten op andere gemeenschappen, niet enkel op dat Frans-Nederlands, dan zouden ze wel wat stemmen kunnen binnenhalen. Maar anderzijds, is dat nodig?” Wat nodig is zijn toffe politici, figuren die aanspreken, niet? “Ja. Als je tevreden bent over je gemeentebestuur, dan stem je op je burgemeester, niet op zijn Nederlands- of Franstaligheid – denk ik. Dat geldt zeker voor ons publiek.”


2 Het standpunt van de N-VA Willy Segers (Vlaams parlementslid)

N-VA vindt samenwerking tussen de Gemeenschappen niet meer dan normaal. Het lukt echter niet, onder meer omdat de Franstaligen te ver achterop hinken. “Wat desnoods nog kon in de jaren ‟60 en ‟70, zou vandaag toch wel moeten voorbijgestreefd zijn.” Hij maakt ook een gelijkaardige conclusie als Luckas van Der Taelen: Brussel zou beheerd moeten worden als pakweg Antwerpen, met districten in plaats van burgemeesters.

Het lijkt mij niet onoverkomelijk om Brusselse kinderen een toffe, degelijke basiskennis Nederlands mee te geven. En toch lukt het niet. “Het ligt niet aan de allochtonen zélf, zij zijn daar niet mee bezig of Nederlands een toffe taal is of niet. Er ligt wel een zeer zware knoop in het Franstalig onderwijs. Ik hoor soms zeer schrijnende verhalen, zoals van iemand uit West-Vlaanderen die les geeft in het Franstalig onderwijs in Brussel en toelicht hoe het er daar aan toegaat, in welke (materiële) omstandigheden, en dat in een wereldstad, en p.21voor de grootste aanwezige groep inwoners

ervan. In het laatste armoederapport wordt er gesproken van „vuilbakonderwijs‟! Het probleem is dat wij daar geen vragen over kunnen stellen. We kunnen enkel spreken over onze eigen regio. We kunnen niks gemeenschappelijks afspreken. Over de spijbelproblematiek bij hen bijvoorbeeld zijn er geen cijfers, geen statistieken. Zo kun je geen beleid uittekenen.” Zoiets vraagt nochtans om samenwerking. “Da‟s de bedoeling: je zit in diezelfde stad, dat zou iets moeten zijn dat gemeenschappelijke punten heeft. Minister Smet, wanneer we hem daarover ondervragen, zegt dat ze er gewoon


niet vatbaar voor zijn, voor dingen als registraties, aanwezigheidscontroles, cijfermateriaal… je zou je gaan afvragen wat daar allemaal achter zit. We kennen allemaal de verhalen over spookleerlingen die subsidies opleveren, wat ook wel een deel van de reden zal zijn, maar in deze tijd van de beschaving… in de jaren ‟60, ‟70 kon je dat desnoods nog verwachten, maar nu zou dat toch al moeten voorbijgestreefd zijn.” De ouders sturen hun kinderen zoveel mogelijk naar het Nederlandstalig onderwijs. “Dat vind ik een goede evolutie, maar wat er nog ontbreekt, is dat het voor die ouders die hun kinderen inschrijven, stopt bij die inschrijving. Dat vinden ze al genoeg garantie voor de toekomst van hun kinderen. Die ouders of grootouders die hun kinderen aan het hek van de school staan op te wachten, spreken Frans. Ik vind dat een beetje elementaire beleefdheid, je staat daar aan een Nederlandstalige school, dan doe je toch de inspanning om Nederlands te praten. Als je daartussen staat, is het alsof je voor een Franstalige school staat te wachten. Ze laten hun kinderen ook aan hun lot over.”

Rudi Janssens denkt aan meertalig onderwijs als oplossing voor het taalonderwijs. “We zijn niet tegen meertalig onderwijs, maar we vinden dat geen oplossing voor situaties zoals in Brussel. Dat is zinvol als je dat doet in een eentalige omgeving, en met sterke leerlingen. Voldoende studies hebben dat uitgewezen. Immersie in Wallonië werkt ook weer voor de sociaal sterkere gezinnen. Die link legt Rudi Janssens nooit. Er wordt altijd gezegd dat kinderen spelenderwijs een nieuwe taal leren, maar voor het Nederlands geldt dat blijkbaar niet. Dat moet dan meertalig onderwijs worden.” We leven wel in een meertalige stad. “Dat klopt.” Als ze heel vroeg meerdere talen leren… “Da‟s juist, maar het Frans dat ik op school kreeg is wel niet te vergelijken met het Nederlands in de Franstalige scholen.” … en als die goed gegeven worden, in een meertalige stad… “Alle studies wijzen uit dat meertalig onderwijs het beste werkt in een eentalige omgeving, en bovendien met sterke leerlingen.”

Is meertalig onderwijs een mogelijke oplossing, Rudi Janssens? “Een heel grote groep mensen is voor een twee- of meertalig onderwijs. In het Nederlandstalig onderwijs ligt dat wat moeilijk omdat daar slechts een minderheid van de leerlingen Nederlandstalig is. Tweetalig onderwijs heeft niet zozeer te maken met leven in een meertalige omgeving, het is een manier om in een andere taal vakinhouden door te geven - zoals aardrijkskunde in het Frans voor Nederlandstalige leerlingen - om de taal actief te gaan gebruiken. Dat wordt in alle landen zowat toegepast, maar in België is er nog altijd een vrees dat het de verfransing in de hand zal werken, alhoewel daar niet meteen een indicatie voor is.

“In België is er nog altijd een vrees dat het de verfransing in de hand zal werken” Vroeger was er een systeem waarbij er, hoe hoger men opklom, meer les in het Frans werd gegeven. Er waren cursussen in het Nederlands en in het Frans. De reflex kwam toen om daarvanaf te raken, zodat er in „t Nederlands kon worden gestudeerd van in de kleuterklas tot aan de universiteit. Ook de splitsing van de universiteit van Leuven heeft daarmee te maken. In Wallonië is het zogenaamd immersie-onderwijs wél veel meer aan de orde. In Brussel zou de situatie er niet ideaal voor zijn. Wél voor de Franstaligen, die in het Nederlandstalig onderwijs een bijna perfect immersie-onderwijs vinden. Ze kunnen in een Franstalige omgeving Nederlands leren, en er actief mee bezig zijn. Maar niet voor de Nederlandstaligen. Want dan zouden we zogezegd nog eens Nederlands gaan geven in het Frans, met mensen die al heel goed Frans spreken.”

Samenwerking is dus moeilijk, maar wel wenselijk? “Wij staan daar achter, maar als je ziet, los van p.22 het onderwijs, hoe belabberd de

samenwerking tussen de gemeenschappen is, dan zie je dat dat op korte termijn niet echt mogelijk is. In een ideale situatie zou het zo snel mogelijk moeten gebeuren. De Vlamingen willen


Brussel niet opnieuw vervlaamsen, hé. Omgekeerd echter denk ik wel dat een meerderheid van de Franstalige politici hun wetten willen opleggen.” Ook de nieuwe generatie? “Die ken ik niet genoeg. Maar ook de contacten met de Vlaamse Brusselse politici, die in de Brusselse instellingen zitten, lukken niet. Wij zitten over hier Brussel bezig, zij zitten daar over Brussel bezig… Ondertussen is het eerste overleg eindelijk doorgegaan. Ik viel achterover

toen ik dat vaststelde. Aan Vlaamse kant is er ook een dualiteit gegroeid doorheen de jaren. Minister Smet kan in Brussel concreet niets uitvoeren. Ik denk dat dat ook een beetje de evaluatie is van de Brusselse instellingen: de manier waarop ze gewerkt hebben, is niet zo geslaagd. Eigenlijk zouden ze Brussel moeten besturen als Antwerpen, met een zekere autonomie, met districtsraden en zo, maar niet als een apart Gewest. En we hebben geen tijd meer.”

Jef Van Damme benadrukt dat de barrière om samen te werken niet enkel institutioneel is, maar ook op het terrein bestaat. Het mislukte experiment met uitwisseling van native speakers moet dat bewijzen. “Leerkrachten en directies komen vaak niet uit Brussel. In Molenbeek gaat het om nog geen 10%. Die mensen zijn simpelweg niet gewend om met elkaar om te gaan.” De Franstaligen zouden op dat vlak al verder staan dan de Nederlandstaligen. “Als je probeert na te gaan wat de andere kant aan basisinspanningen doet, dan kan je alleen maar vaststellen dat er blijkbaar ook niet veel inspanning is langs Franstalige zijde wat betreft het probleem van de schoolcapaciteit. Als zij geen inspannigen doen, waarom moeten wij dan nog eens extra inspanningen doen? Dat is het

politieke spel, en dat is jammer, dat weet ik ook wel. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat wij hun problemen gaan oplossen. Dat geldt ook voor de oplossing van het meertalig onderwijs. De Franstalige politieke klasse stelt haar verworvenheden niet meer in vraag.”

3 De Brusselse consensus Rudi Janssens Moeizaam op zoek naar samenwerkingsverbanden over de taalgrenzen heen “BSI (Brussels Studies Institute) is gegroeid vanuit de bedoeling om alle mensen die rond Brussel werken met elkaar in contact te laten komen, zowel Nederlandstalig als Franstalig. Niemand wou dat echter financieren. Vlaanderen wou geen Franstalige onderzoekers gaan financieren, en omgekeerd. Het initiatief is dan van de universiteiten zélf gekomen, en het Gewest financiert het voor een stuk. Van overheidswege is er eigenlijk niet veel inspanning, maar wel een groeiend bewustzijn.”

Realiteitszin bij Brusselse politici “Onder de Brusselse politici is er een soort consensus over een aantal dingen die zouden moeten gebeuren, maar vanuit Vlaanderen en Wallonië wordt er momenteel heel communautair gereageerd, en daardoor zit het wat strop. Aan Vlaamse kant bijvoorbeeld is er angst voor de NVA – „hoe gaan die reageren, hoe ver gaan die gaan‟ – en dus is men wat onzeker, er wordt afgewacht.” Colleges in het Engels

p.23


“Aan de VUB hebben we de discussie over meer Engelstalige opleidingen gehad, wat we overal een beetje zien. We worden ook afgerekend op artikels die in het Engels worden geschreven. Andere artikels tellen eigenlijk niet mee. We willen ook internationaal studenten aantrekken, dus moeten er ook richtingen in het Engels aangeboden worden. En dan krijgen we de reactie van de N-VA: „Hoeven wij Engels onderwijs in Brussel te financieren vanuit Vlaanderen?‟ En langs Franstalige kant zal dat wel deels hetzelfde zijn, waardoor we een beetje een communautair opbod krijgen. Zo wordt samenwerken eigenlijk moeilijk, ook al wil men het lokaal wel doen.” “Verbrusseling” Snijden beide Gemeenschappen in hun eigen vel?

p.24

“Ja, dezelfde problemen die we in Brussel vinden, vinden we nu terug in de rand rond Brussel. Kinderen moeten ergens naartoe. Als Brussel vol is, gaan ze naar de Rand. Het probleem verplaatst zich. Vanuit Vlaanderen komen vooral kinderen van hogergeschoolde mensen naar Brussel, naar vrij prestigieuze colleges. De categorie daar zowat onder probeert haar kinderen van Brussel naar Vlaanderen te sturen. Niet de „GOK-leerlingen‟, de leerlingen die een aantal problemen hebben, die zien we vooral in Brussel blijven. Hoe lager de sociale klasse, hoe minder mobiel op de onderwijsmarkt. En ondanks het specifiek beleid in de Vlaamse Rand, waar de gemeenten altijd maar meertaliger worden, gebeurt daarachter net hetzelfde. Het blijft niet beperkt tot Asse en Dilbeek, tot in Aalst zitten er Franstaligen in de scholen.”


TAALONDERWIJS 2.0 1 Het Huis van het Nederlands Het positieve plaatje „Het wordt niet meer au sérieux genomen om puur het Vlaamse beleid op Brussel toe te passen‟

Gunther Vanneste het groeiend belang van het Nederlands in Brussel Gunther Vanneste leidt het Huis van het Nederlands, de hub voor het Nederlands onderwijs voor volwassen anderstaligen in Brussel. Iedereen is er welkom, maar de meeste cursisten komen uit het Franstalig onderwijs. Die stellen na het middelbaar vast dat hun Nederlands niet goed genoeg is om te kunnen opklimmen op de arbeidsmarkt.

Dropout – tune in “Ons publiek, dat zijn volwassenen vanaf 16 jaar oud, in de praktijk meestal 18 plus, anderstaligen, en die meestal al Frans kennen. In hun schoolcarrière zijn ze er niet altijd in geslaagd om een goed diploma te halen en/of de de de Nederlands als 2 , 3 , 4 taal te kennen. Ze komen hier dan terecht met de grote idee – die ook wel werkt, zoals wij kunnen zien – dat als je Nederlands kan in Brussel, je een stap voor bent op de arbeidsmarkt. Wat we heel vaak zien is dat mensen hier een aantal modules Nederlands volgen, en dat we ze niet meer terugzien van het moment dat ze werk hebben. Dat is voor ons een heel goede zaak: het theoretisch kader kan je wel leren in de les, maar om dat toe te passen moet je toch in de praktijk gaan staan. In Brussel is er geen verplichting om Nederlands of Frans te kennen. De enige mensen die tot hier komen, zijn mensen die dat zelf willen. Ons publiek komt grotendeels uit de kanaalzone, de sociaal-economisch minder sterke groepen van het Brusselse. Dat zijn de mensen die getroffen p.25worden door de werkloosheid, en die ook in

arbeidersberoepen staan. De afzetmarkt voor die beroepen zit meer en meer in de Rand en in bedrijventerreinen in de Rand, zoals bij Colruyt of de luchthavenbedrijven. Daar zitten veel vacatures, maar altijd met de verwachting van een zekere kennis Nederlands. Wij leren hen dat Nederlands aan, en geven hen, in samenwerking met die bedrijven, een contract, en wanneer ze dan na verloop van tijd genoeg Nederlands kennen om de veiligheidsvoorschriften en zo op de werkvloer te kunnen naleven, dan krijgen ze een vast contract. En dat werkt. Momenteel hebben we 18000 cursisten per jaar, zonder reclame te maken, het is pure mond-totmond- reclame. Het begint door te dringen bij de Brusselaars dat indien ze sterker willen staan op de arbeidsmarkt, ze Frans moeten kennen, Nederlands, en zelfs wat Engels - maar dat is dan voor de socio-economisch sterkere groepen, die we hier minder zien. Wij hebben een „tussengroep‟, mensen die er ooit vantussen gevallen zijn, die het Nederlands niet onder de


knie gekregen hebben, en zich nu de vraag stellen hoe ze uit die situatie kunnen geraken.” Wat is het profiel van de mensen die hier naartoe komen? “Ze komen hier niet uit een of andere vorm van frustratie. Ze hebben vastgesteld dat ze het Nederlands nodig hebben, willen ze in hun bedrijf van bagagehandler naar groepsleider kunnen gaan, willen ze een groep kunnen sturen, of instructies van hogerhand kunnen begrijpen. In die zin zijn het dus meestal de gemotiveerden, en dat is ook nodig, want een taal leren vergt zoveel inspanning en zoveel tijd. De niet-gemotiveerden haken volgens mij al af bij de tweede of derde les. Wij zien hier dus het positieve plaatje, en bij de inschrijvingen staan de wachtrijen tot buiten.” Jullie doen iets anders dan Selor. Selor, dat zijn examens om bij de overheid te kunnen werken, terwijl we hier spreken over opleidingen. “Ja. Het is zo dat de Selor-attesten nog gebruikt worden bij de overheid, en minder en minder door de andere werkgevers. Het Selor-attest is zodanig afgestemd op het overheidsjargon, daarmee zal je nooit een basiskennis Nederlands halen, en die is bijvoorbeeld nodig in de kinderdagverblijven die erkend zijn door Kind&Gezin. Instellingen zoals Kind&Gezin en

andere bedrijven bekijken welk taalniveau er nodig is, en leggen dan ergens de lat volgens het Europees Referentiekader voor Talen, wat wij hier kunnen meten. Sollicitanten komen dan bij het Huis van het Nederlands langs om hun niveau te toetsen, en ze kunnen dan ofwel meteen in dienst gaan ofwel een taalopleiding volgen. Sommige werkgevers willen een bepaald minimumniveau, maar meer en meer werkgevers willen een realistisch instapniveau, dat laag genoeg is, zodat mensen na verloop van tijd het gewenste niveau kunnen halen. Dat is het verschil met Selor. Hier kan je per module een niveau hoger geraken, en je hoeft niet op het einde van je reeksen te zitten om al een attest te hebben waarmee je ergens binnen kan geraken voor een job. Idem voor wat betreft het inschrijvingsbeleid. Volgens het GOK-decreet moet je kunnen bewijzen dat je Nederlands spreekt om je via de voorrangsregeling in het leerplichtonderwijs te kunnen inschrijven. Je hebt een diploma Nederlandstalig onderwijs nodig. Nu, heel veel mensen die bij ons al vier jaar les volgen, hebben nooit in dat Nederlandstalig onderwijs gezeten. Wij kunnen op dat moment, na een test van het niveau, wel een attest afleveren waarmee die mensen aanspraak kunnen maken op die voorrangsregeling.”

2 IMMERSIE Een goede leraar is goud waard “Wij hebben dit opgericht omdat we vonden dat het voordelig kon zijn voor onze jeugd.”

Marie Sakina Laure en Nisrine Institut de la Sainte-Famille in Schaarbeek Immersie concreet Terwijl immersie-onderwijs in Wallonië zowat overal ingang vindt, zijn er in Brussel tot nog toe slechts drie scholen die de methode van taalbadlessen uitproberen. In Vlaanderen mag het niet - bij machte van decreet - al pleit onderwijsminister Pascal Smet wel voor verandering. In het Institut de la Sainte-Famille in Noord-Schaarbeek worden sinds drie jaar in enkele klassen geschiedenis en aardrijkskunde in het Nederlands gegeven. p.26


Sakina, wat heeft immersie voor jouw Nederlands gedaan? Sakina “Immersie heeft me veel geholpen, ik ken veel meer woordenschat, en ik behandel de taal met gemak. Voor de anderen is het een kwestie van erdoor te geraken, meer niet. Ik leer het niet alleen voor mezelf maar ook voor de lessen.” Kunnen jullie je Nederlands al gebruiken buiten de school? Marie “ Ik woon in Vlaanderen, in Dendermonde, sinds 10 jaar. Daarvóór woonde ik hier in Brussel.Ik denk dat het me toch wel helpt. In het eerste jaar had ik nog wat schrik, maarnu ik meer Nederlands begrijp, trek ik me al uit de slag. Ik gebruik het steeds meer.” Nisrine “Ik gebruik het een klein beetje. In de winkels moet ik wel, maar met mijn vrienden praat ik Frans. Ik woon diep in Vilvoorde. Daar praten ze haast geen Frans, ofwel willen ze niet.” Laure “Ik woon in Diegem, een Nederlandstalig dorp waar er geen Frans gesproken wordt, behalve door een paar buren, die we kennen. Aangezien ik geen problemen heb voor Nederlands, praat ik vaker Nederlands dan Frans.” Komen er veel leerlingen op deze school van buiten Brussel? (Allen) “Nee, de meesten komen uit Brusselstad.” Waarom gaan jullie niet naar een school in Diegem, Vilvoorde of Dendermonde? Sakina “Ik zat eerst op een Nederlandstalige school, maar ik geraakte er niet door. Mijn ouders besloten om me terug in het Franstalig te zetten, om niet nog een jaar te verliezen.” Was dat taalbad vreemd in het begin? Nisrine “Nee, het was de leraar die vreemd was.” Hoezo? Nisrine “… Hij deed niets, hij stond niet op.” Laure “Dat is een speciaal geval.” Nisrine “Dit jaar is het gemakkelijker. De prof helpt ons als we met een moeilijkheid zitten…”

p.27

Laure “Dat was de prof Wereldoriëntatie. Hij stond niet op om naar het bord te gaan, hij gaf blaren van het internet, hij gaf de antwoorden… De eerste en enige dag waarop hij is opgestaan, was toen de directrice is gekomen. Toen heeft hij één woord op het bord geschreven.” Hoe helpen de leraars jullie? Marie “Ze praten in ‟t Nederlands, en als we iets niet begrijpen, vertalen ze het. Ofwel leggen ze het uit in een gemakkelijker Nederlands.” Laure “In het eerste jaar praatten we niet direct in het Nederlands. Toen moesten we in het Nederlands antwoorden en vragen stellen. De woorden die we niet kenden, zegden we in het Frans.” Hoe trekken jullie je uit de slag met het Nederlands? Lukt dat, de zinstructuur, de plaats van het werkwoord in de bijzin bijvoorbeeld? Marie “Het moeilijkste, vind ik, is de grammatica, zoals de bijzin of de negatie. Door te herhalen en te herhalen beginnen we het te snappen.” Hebben je ouders je gestimuleerd om naar een immersieklas te gaan? Marie “Als je het niet graag doet, zal je niet slagen. Je moet echt van het Nederlands houden, of goed gemotiveerd zijn.” Sakina “Ik ben ook sterk voor talen. Maar ik had een buis voor Wereldoriëntatie en ik wou geen risico nemen, dus ben ik van klas veranderd. Ik kan wel nog lessen Nederlands volgen hier op school, of avondlessen, en dat doe ik ook.” Ben je veranderd van klas omdat het te zwaar was? Sakina “Helemaal niet. Ik studeerde niet eens. Ik improviseerde op het moment van het examen.” Moet je op deze school hard werken om te slagen? Nisrine “Ja.” Marie “Ik heb nooit gestudeerd voor Nederlands.” Sakina “Ik ook niet.” Laure “Ik ook niet.”


„On a un mal fou à garder les enseignants‟ Alain Dehaene (directeur van de basisschool Institut de la Sainte-Famille in Schaarbeek) de struikelblokken bij het opstarten van immersieklassen Brussel 30 mei 2012

U zegt dat de leerkrachten immersie in uw school na drie weken afhaken? Alain Dehaene “Laten we zeggen dat de directrice, Mevr. Beckers, zoals ze me vorige week nog meldde, het heel lastig heeft om de leraars hier te houden. Die mensen worden minder goed betaald in het Franstalig onderwijs. Ten tweede denken ze in het algemeen gemotiveerde leerlingen te zullen aantreffen, wat niet altijd het geval is. We hebben hier toch wel een school met grote problemen, en de proffen houden het blijkbaar niet vol; er is een zware „turnover‟, en de directrice heeft het moeilijk om hen te vervangen. Ze moeten hun opleiding in het Nederlands gnoten hebben, of er zijn moeilijke administratieve clausules te vervullen. Het is moeilijk om het vertrouwen van de leraars te w innen. Vaak komen ze ook van buitenaf, en is er ook nog een probleem van transport, bijvoorbeeld.” Hoe zat het met de motivatie bij het opstarten van het experiment? “De inrichtende macht en de directie zeiden gezamenlijk “Tiens, waarom wij niet? Het is niet omdat we een school zijn met een kleurrijk speelbord dat wij ook geen afdeling immersie zouden kunnen starten.” We hebben in elk geval genoeg leerlingen. Het is niet zoals soms in Waals-Brabant, of in Wallonië, waar een afdeling wordt opgericht omdat er nood aan leerlingen is. Wij hebben dit opgericht omdat we vonden dat het voordelig kon zijn voor onze jeugd.

p.28

Concreet zijn er zes klassen in het eerste middelbaar, waarvan één in immersie. Er waren 24 leerlingen het eerste jaar, ze hebben er een klein beetje verloren in het tweede jaar, en in het derde zijn er weer wat minder… het valt te zien hoe we erin zullen slagen om in het zesde te geraken met nog genoeg leerlingen. Het is niet gemakkelijk om het op de sporen te krijgen.”

Wat zijn de resultaten tot nu toe? “Er wordt geëvalueerd naar het aantal leerlingen en er wordt ook vergeleken tussen de verschillende klassen, met een systeem van statistieken. Blijkt dat de immersieklas globaal gezien betere resultaten heeft dan de andere.” En wat zegt het gevoel? “Ten eerste dat het waarschijnlijk een voordeel biedt, en ten tweede, dat we waarschijnlijk, zonder het bewust te willen, een schifting gemaakt hebben, toen we aan de ouders voorstelden om hun kinderen ofwel in immersie ofwel in een gewone klas te zetten. Waarschijnlijk hebben we mensen gekozen met goeie kansen. In het begin vroegen we ons af of we genoeg leerlingen zouden binnenkrijgen. Veel ouders verkiezen hun kinderen in het Nederlandstalig onderwijs te zetten, maar het probleem daar is dat ze niet genoeg plaats meer hebben.”

Het kind van de rekening  

hoe Brussel een groot deel van haar inwoners het Nederlands ontzegt

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you