Page 1

Gehandicaptenzorg bevat alle theorie die nodig is om als beginnend beroepsbeoefenaar in de branche Gehandicaptenzorg aan het werk te gaan. De theorie sluit aan bij alle kerntaken en werkprocessen die van toepassing zijn op deze uitstroomverbijzondering. De leerinhouden zijn thematisch en overzichtelijk geordend. Bij het ontwikkelen van de leerinhouden van Traject V&V is uitgegaan van de beroepspraktijk van verzorgenden en verpleegkundigen. Daarnaast is rekening gehouden met de verschillende leerstijlen van studenten. Traject V&V bestaat uit meerdere onderdelen. Naast de theorie in de boeken is er een onderdeel praktijksituaties en een onderdeel vaardigheden. Praktijksituaties en vaardigheden worden in combinatie met ander ondersteunend materiaal aangeboden via de methodesite. Deze combinatie maakt Traject V&V tot een actueel en flexibel aanbod in een juiste mix van blended learning componenten. Met Traject V&V wordt competentiegericht leren optimaal ondersteund.

Ziekenhuis | deel 1

Het boek Gehandicaptenzorg maakt deel uit van Traject V&V, een compleet aanbod voor de opleidingen Verzorgende IG en Verpleegkundige MBO. Het boek is bestemd voor de opleiding MBO Verpleegkundige en geschikt voor alle leerwegen en/of verkorte en flexibele trajecten.

ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit Traject V&V, i-careflex, Basisboeken, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie e.d.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg

niveau

4

Auteurs: J.P.M. van den Brand R.F.A. Schrijver A.C. Verhoef S.M.T. Vogel Inhoudelijke redactie: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

06925203_omslag_ZH_dl1_niv4_V2.indd 1

Ziekenhuis

niveau

4

deel 1

26-02-13 10:47


Ziekenhuis 1 niveau 4

M.S. Jebb G.C. Kamphuis M.B.J. Linssen C.M. Louz A.F.M. Meijssen A.P.W. Pouwelsen

Inhoudelijke redactie: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

Met medewerking van: H.J.M. van der Ham

Eerste druk


ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 92520 3 Eerste druk, eerste oplage, 2013 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2013 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

FSC LOGO

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Colofon Auteurs

Martin Hogeboom (omslag)

M.S. Jebb

Hollandse Hoogte: Irma Bulkens, CAVALLINI JAMES / BSIP,

G.C. Kamphuis

Bruce Magilton/Newspix / Rex Fea, Sabine Joosten

M.B.J. Linssen

Imago Mediabuilders

C.M. Louz

iStockphoto: kali9, Muammer Mujdat Uzel

A.F.M. Meijssen

Kennislink, Amsterdam

A.P.W. Pouwelsen

Karin Ligthart Fotografie

Inhoudelijke redactie C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans

Met medewerking van H.J.M. van der Ham

Redactie A tot Z Taalbureau, Utrecht

Conceptontwerp Projectteam ThiemeMeulenhoff

Ontwerp

Cherida Louz medicinfo.nl Mirador Media: Anke Gielen, Koen Bakx, Maria van der Heyden Noor van Mierlo Leon Moons Shutterstock: 116071294, Alexander Raths, Alila Medical Images, Angel Simon, areeya_ann, beerkoff, Christo, Elizabeth Dover, epstock, fotoluminate, Gertan, Jaren Jai Wicklund, Lisa S., Marijus Auruskevicius, Matt Valentine, Monkey Business Images, Szekeres Szabolcs, Shutterstock/Tyler Olson Siemens Nederland A.P.W. Pouwelsen Science Photo Library

Omslag: In2vorm, Barchem

Hans Vroege

Binnenwerk: Imago Mediabuilders, Amersfoort

Wikipedia

Fotografie Alamy: BSIP SA, Corepics, Guy Croft SciTech, imagebroker, Scott Camazine, SHOUT

ZorginBeeld: Frank Muller

Technisch tekenwerk Ad Gruter

AMC Amsterdam

Dwarslaesie Organisatie Nederland, Voorburg

ANP/ Vidiphoto

Floris Oudshoorn, Amsterdam

G. van Balkom

Gemma Stekelenburg

Benelux Press

touchchatapp.com

Ine van den Broek

ZorginBeeld/Frank Muller

Catharine ziekenhuis CBS, 2005

Overig

Corbis: Alinari Archives, Burstein Collection, Louis Quail/

ANP

In Pictures Doovecaregroep, Waddinxveen gemmart.nl

Jeroen Bosch Ziekenhuis www.nationaalkompas.nl


Ten geleide De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor

Leerstijl en leerervaringen hangen samen met

kelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen

situatie.

verpleging en verzorging aangepast aan de ontwik-

de kenmerken van de student en zijn of haar

aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitge-



Als mbo-verpleegkundige ben je actief op het gebied



werkt in een nieuwe kwalificatiestructuur.

van zorg, wonen en welzijn. Je kunt werken in verschillende beroepspraktijken, zoals een ziekenhuis, ver-

Bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de brancheverbijzonderingen voor de verpleegkundige mbo.

Er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen niveau 3 en niveau 4.

pleeg- en verzorgingshuis en thuiszorg, geestelijke

Binnen het vakbekwame opleiden worden leertra-

mensen met verschillende achtergronden en van alle

bij individuele studenten. Bij het verwerven van

gezondheidszorg of gehandicaptenzorg. Je werkt voor leeftijden, denk aan: klinische zorgvragers, chronische zorgvragers, revaliderende zorgvragers, zorgvragers met een handicap, zorgvragers met psychiatrische

problemen, kraamvrouwen, pasgeborenen, kinderen en jeugdigen met gezondheidsproblemen. Je werkt

jecten afgestemd op reeds aanwezige competenties competenties staat het zich eigen maken van ken-

nis en beroepsvaardigheden, in combinatie met de ontwikkeling van de beroepshouding en de persoonlijke vorming, centraal.

vooral met individuele zorgvragers in hun directe

De leermiddelen van Traject V&V sluiten daarbij

bijvoorbeeld in een kleinschalige woonomgeving.

methodesite www.trajectvenv.nl vormen een

omgeving. Daarnaast kun je ook werken met groepen, Bron: Calibris KD’s 2012/2013

Deze structuur, uitgewerkt in kerntaken en werk-

processen, vormt de basis voor de inrichting van de

huidige opleidingen in de gezondheidszorg. De leermiddelen van Traject V&V zijn ontwikkeld voor, en sluiten aan bij, deze kwalificatiestructuur.

Traject V&V is een leermiddelenaanbod voor de

opleidingen verzorgende-IG (kwalificatieniveau 3) en verpleegkundige mbo (kwalificatieniveau 4).

aan. De vaardigheden en praktijksituaties op de

belangrijk onderdeel van het leermiddelenaanbod.

In de praktijksituaties komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van ze verwacht wordt dat ze met een oplossing

en aanpak komen. In combinatie met de beroeps-

praktijkvorming wordt de student op deze manier optimaal ondersteund in zijn professionele ontwikkeling.

Traject V&V is gebaseerd op vier belangrijke uit-

Traject V&V houdt rekening met de leeftijd van de



het niveau van de doelgroep en door voorbeelden

gangspunten:

De leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de

beroepuitoefening. Het beroepsonderwijs in de gezondheidszorg wordt in belangrijke mate

bepaald door de aard van de zorgvragen en door

de context waarin de beroepsuitoefening plaats

vindt (zorgsituaties).

De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van studenten.

studenten door het taalgebruik af te stemmen op

en opdrachten zo te formuleren dat de verschillende leeftijdsgroepen zich aangesproken voelen. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel

studenten met een meer theoretische als studenten met een meer praktische inslag er gebruik van

kunnen maken. Traject V&V is inzetbaar binnen elk didactisch model en biedt de docent de ruimte om


invulling te geven aan zijn rol van ‘begeleider’ aan

Beroepsvaardigheden

Traject V&V sluit dus aan bij actuele opvattingen

methodesite www.trajectvenv.nl en via

het leerproces van de student.

over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat aandacht is besteed aan verwer-

kingsopdrachten bij de theorie en zelftoetsing. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de hou-

dingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefe-

Het onderdeel ‘vaardigheden’, aangeboden via de Verpleegtechniek in Beeld, biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van

instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden.

naar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen

Deze drie onderdelen zijn consequent terug te

oefening.

combinatie van deze onderdelen maakt het leren

immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitIn Traject V&V, inhoudelijk gebaseerd op de kwalifi-

catiedossiers, worden de werkprocessen en brancheverbijzonderingen uitgewerkt in drie onderdelen.

Theoretische onderbouwing

Het onderdeel ‘theorie’, in de vorm van boeken,

bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij het betreffende werkproces. De boeken

voor de brancheverbijzonderingen gaan verdiepend in op de zorg in de verschillende branches. Deze boeken kennen eenzelfde basisstructuur. Zo

beginnen ze met een oriëntatie op de betreffende branche en ze eindigen met een thema over

vinden in het volledige aanbod van Traject V&V. De vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een schoolse situatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden.

Het didactisch concept van Traject V&V gaat

nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt.

Wij hopen dat gebruikers, zowel studenten als

docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject V&V kunnen werken. Heeft u vragen of

suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.

coördinatie van zorg, kwaliteitszorg en voorlichting

Amersfoort, 2013

de betreffende branche en de samenleving. Extra

Redactie en uitgever

in de branche en een thema over de relatie tussen

theoretische verrijking wordt de student geboden via de methodesite.

Beroepswerkelijkheid

Het onderdeel ‘praktijksituaties’, aangeboden via de methodesite www.trajectvenv.nl, geeft realistische beschrijvingen van zorgsituaties uit de praktijk van

de verzorgende of verpleegkundige. Deze praktijksituaties bevatten voldoende problemen en dilemma’s om als aangrijpingspunt te dienen voor het (zelfstandig) leren.


Woord vooraf Dit boek speelt in op de veel voorkomende ziekte-

goede basis om zich te bekwamen in de ziekenhuis-

vragers in een algemeen ziekenhuis worden opge-

duidelijk mogelijk beeld te schetsen van de huidige

beelden en bijbehorende zorgvragen waarmee zorgnomen. De zorg die in een ziekenhuis wordt ver-

leend is heel divers van aard. Ze varieert van korte opnames op een dagbehandelingsafdeling met

strakke protocollen en lage complexiteit, tot intensieve en midden- tot hoog complexe zorg op een

verblijfsafdeling. De tendens van de dalende opna-

branche. Wij, de auteurs, hebben getracht om een zo beroepspraktijk. Uiteraard zijn suggesties voor het verbeteren van dit boek zeer welkom. Januari 2013

metijd in een ziekenhuis leidt ertoe dat een vakbe-

Michaelangelo Santos Jebb

nen. Duidelijke uitleg aan de zorgvragers over hun

Marcel Linssen

kwame verpleegkundige situaties snel moet herkenziektebeeld of verschijnselen van complicaties en

hoe dan te handelen, behoort bij het dagelijks werk van een verpleegkundige in het ziekenhuis.

De sociale vaardigheden die vereist zijn bij het

ondersteunen van de zorgvrager en diens naasten

bij het verwerken van slecht nieuws zijn essentieel, terwijl de contacttijd met de zorgvragers beperkt is. Dit boek bevat ook handvatten om hiermee om te leren gaan.

De ontwikkelingen in de ziekenhuiszorg gaan bijzonder snel. Iedere verpleegkundige zal na het

afronden van de opleiding zelf in staat moeten zijn om nieuwe ontwikkelingen te volgen en zich de

kennis eigen te maken. Voor een student is het soms lastig de wirwar van ziektebeelden, observatiepun-

ten, ingrepen, technische vaardigheden en voorlichting aan te leren. Met de thematische opzet van dit

boek hopen wij als auteurs hier een duidelijke structuur in te bieden. Dit boek is voor de student een

Giselle Kamphuis Cherida Louz

Ada Meijssen

Willemijn Pouwelsen


IX

Inhoud 1

Oriëntatie op het ziekenhuis  1

1

Zorgvragers in het ziekenhuis  2

1.2

Ziekenhuiszorg  2

1.1

1.3

Inleiding  2

Kenmerken van ­ziekenhuiszorg  2

1.4

Typering van de zorgvrager in het ziekenhuis  3

2

Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en voorzieningen  8

2.2

Van toen naar nu  8

2.1

2.3

2.4

Inleiding  8

De ziekenhuisorganisatie  14

Voorzieningen in het ­ziekenhuis  14

3

Proces van intake tot beëindiging van de hulpverlening  18

3.2

Soorten opnames  18

3.1

3.3

3.4

Inleiding  18

Medische anamnese  20 Onderzoeken  20 3.4.1

Specifiek onderzoek   20

3.4.3

Interne functieonderzoeken  23

3.4.2

Functieonderzoeken  23

3.4.4 Neurofysiologisch onderzoek  24 3.4.5

3.5

Longfunctieonderzoek  24

3.4.6 Vaat(laboratorium)onderzoek  24 Opnameperiode  25 3.5.1

Artsenvisite  25

3.5.3

Ontslag  26

3.5.2 3.5.4

Andere disciplines  25 Nazorg   26

4

Het verpleegkundig proces in het ziekenhuis  28

4.2

Opname  28

4.1

4.3

4.4 4.5

4.6 4.7

4.8

Inleiding  28

Anamnesegesprek  28

Zorgvragen en doelen  30

Planning en uitvoering van zorg  32

Evalueren van de ­ziekenhuiszorg  32 Rapportage in het ­ziekenhuis  33

Elektronisch dossier en het verpleegkundig proces  34


X

5

Verwerkingsopdrachten  36

2

Algemene preoperatieve en postoperatieve zorg  41

6

Route bij een poliklinische en klinische operatie  42

6.2

De snijdend specialist: de chirurg  42

6.1

6.3

6.4

6.5

6.6

6.7

6.8

Inleiding  42

De anesthesioloog  42

Klinische en poliklinische operaties  43 6.4.1

Voorbereiding bij poliklinische opname  44

6.4.2 Voorbereiding bij klinische opname  44 De voorbereidingsruimte  45 6.5.1

Overdracht naar de voorbereidingsruimte  45

6.5.2 Overdracht naar de ­operatiekamer  46 De operatiekamer  46

6.6.1 Het operatieteam  47

6.6.2 De zorgvrager op de ­operatiekamer  48 De verkoeverkamer  49

Intensive care unit of Post Anesthesia Care Unit (PACU)  51 6.8.1

Overdracht naar de verpleeg­afdeling (dagbehandeling)  51

7

De preoperatieve zorg  52

7.2

Routinezorg en specifieke zorg  52

7.1

7.3

Inleiding  52

Verpleegkundige zorg direct voor de operatie  57

8

De postoperatieve zorg  58

8.2

Verpleegkundige zorg direct na de operatie  58

8.1

8.3

Inleiding  58

Informatie over de ­operatie en het verdere verloop  61

9

Verwerkingsopdrachten  63

3

Zorgvragers en ­anesthesiologische zorg  65

10

Zorgvragers en anesthesiologische zorg  66

10.2

Anesthesiologie  66

10.1

10.3

10.4

Inleiding  66

Preoperatieve screening door de anesthesioloog  67 Anesthesietechnieken  69

10.4.1 Algehele anesthesie  69

10.4.2 Locoregionale anesthesie  70


XI

10.5

10.6

Anesthesiologische zorg  73

10.5.1 De zorgvrager en algehele ­anesthesie  73

10.5.2 De zorgvrager en spinale of ­epidurale anesthesie  77 Postoperatieve zorg op de verkoeverkamer  78

10.6.1 Eventuele complicaties op de verkoeverkamer  78

11

Postoperatieve pijnbestrijding  79

11.2

Definities van pijn  79

11.1

11.3

11.4 11.5

11.6 11.7

11.8

11.9

Inleiding  79

Fysiologie van pijn  80

Indelingen van pijn  80

Gevolgen van (te veel) postoperatieve pijn  81 Registratie van postoperatieve pijn  82

Medicinale post­operatieve pijn­behandeling  83 Niet-medicinale ­pijnbehandeling  85

Invasieve ingrepen bij chronische pijn  86

12

Verwerkingsopdrachten  87

4

Zorgvragers met oncologische aandoeningen  89

13

Oncologie  90

13.2

Ontstaan van kanker  90

13.1

13.3

13.4

13.5

13.6 13.7

Inleiding  90

Risicofactoren  90

13.3.1 Exogene factoren  90

13.3.2 Endogene factoren  90 Tumoren  91

13.4.1 Goedaardige (benigne) tumoren  91

13.4.2 Kwaadaardige (maligne) ­tumoren  91 Oorzaken van kanker  92

Infiltratie en metastasering  93 Onderzoek en diagnostiek  94

14

Behandeling van kwaadaardige aandoeningen  96

14.2

Behandelingsmethoden van kanker  96

14.1

14.3

Inleiding  96

Doel van de behandeling  98

15

Verpleegkundige zorg bij kanker  99

15.2

Algemene verpleegkundige zorg  99

15.1

Inleiding  99


XII

15.3

Verpleegkundige zorg bij verschillende ­behandelingen  104

16

Verwerkingsopdrachten  110

5

Zorgvragers met aandoeningen aan het spijsverteringsstelsel  111

17

Spijsverteringsklachten  112

17.2

Het spijsverteringskanaal  112

17.1

17.3

Inleiding  112

Ziekteverschijnselen en verpleegkundige ­aandachtspunten  112 17.3.1 Gebrek aan eetlust  112 17.3.2 Braken  114 17.3.3 Pijn  114

17.3.4 Zuurbranden  115

17.4 17.5

17.3.5 Defecatiestoornissen  115 Diagnostische onderzoeken  117

Behandelingen van aandoeningen van het spijsverteringsstelsel  119 17.5.1 Medicijnen  119

17.5.2 Buikchirurgie  120

18

Zorgvragers met aandoeningen aan mond, keel en slokdarm  122

18.2

Anatomie en fysiologie van mond en keel  122

18.1

18.3

18.4

Inleiding  122

Aandoeningen aan mond en keel  122

18.3.1 Goedaardige tumoren in de mond  123 18.3.2 Mondholtecarcinoom  123

Verpleegkundige zorg voor zorgvragers met aandoeningen aan de mond  124

18.4.1 Eten en drinken  124 18.4.2 Mondzorg  124

18.5

18.4.3 Psychosociale gevolgen  124 Ingrepen in de mond en keel  124 18.5.1 Glossectomie  125

18.5.2 Tonsillectomie  125 18.5.3 Adenotomie  126

18.5.4 UPPP (Uvulo Palato Pharyngo Plastiek= antisnurkoperatie)  126 18.5.5 Microlaryngoscopie en ­laryngectomie  126 18.5.6 Tracheotomie of tracheostomie  127

18.6 18.7

18.5.7 Parotidectomie  128

Anatomie en fysiologie van de slokdarm   128

Aandoeningen van de slokdarm en behandeling  129

18.7.1 Ontsteking van de slokdarm (oesofagitis)  129 18.7.2 Middenrifbreuk (hernia diaphragmatica)  129

18.7.3 Slokdarmvernauwing ­(oesofagusstenose)  130


XIII

18.7.4 Slokdarmdivertikel ­(oesofagusdivertikel)  131 18.7.5 Slokdarmbloeding ­(oesofagusbloeding)  132 18.7.6 Slokdarmtumor  132

18.7.7 Behandeling van ­slokdarmkanker  132

19

Zorgvragers met aandoeningen aan maag en darmen  135

19.2

De maag  135

19.1

19.3

19.4 19.5

Inleiding  135

Bouw van de maag   135

Werking van de maag  136

Aandoeningen van de maag  136 19.5.1 Ontstekingen  136

19.5.2 Maagzweer (ulcus pepticum)  136 19.5.3 Maagcarcinoom  138

19.6

19.7

19.5.4 Morbide obesitas  140 De darmen  141

19.6.1 Dunne darm  141

19.6.2 Dikke darm  142

Aandoeningen van de darmen  142 19.7.1 Acute ontstekingen  143

19.7.2 Blindedarmontsteking ­(appendicitis)  143 19.7.3 Chronische ontstekingen  144 19.7.4 Ischemische colitis  145 19.7.5 Tumoren  145 19.7.6 Trauma  147

19.7.7 Verpleegkundige zorg rondom (partiële) darmresecties  147 19.7.8 Darmafsluiting (ileus)  149

19.8 19.9

19.7.9 Obstipatie  150

Aanleggen van een stoma  151

19.8.1 Verpleegkundige zorg rondom stomaoperaties  152 Voeding en ondervoeding  153

19.9.1 Voeding bij ontstekingen in het spijsverteringskanaal  154 19.9.2 Voeding bij divertikels  154

19.9.3 Voeding bij tumoren in het spijsverteringskanaal  154

20

Verwerkings­opdrachten  157

6

Zorgvragers met aandoeningen aan lever, galblaas en alvleesklier  161

21

Zorgvragers met aandoeningen aan lever en galblaas  162

21.2

De lever, galblaas en g ­ alwegen   162

21.1

Inleiding   162


XIV

21.2.1 Stofwisseling in de lever  163

21.2.2 Verschijnselen van aandoeningen aan lever en galblaas  164 21.2.3 Diagnostiek aan lever en galblaas  165 21.2.4 Aandoeningen aan de lever  167

21.2.5 Chirurgische behandeling van leveraandoeningen  172 21.2.6 Aandoeningen aan de galblaas en galwegen  173

21.2.7 Chirurgische behandeling van galblaasaandoeningen   176

22

22.1

22.2

Zorgvragers met aandoeningen aan de alvleesklier  179 Inleiding  179

De alvleesklier  179

22.2.1 Verschijnselen van aandoeningen aan de alvleesklier  180

22.2.2 Diagnostiek van de alvleesklier  180

22.2.3 Aandoeningen aan de ­alvleesklier  181

22.2.4 Chirurgische behandeling aan de alvleesklier  184 22.2.5 Chirurgische behandeling van tumoren  184

23

Verwerkings­opdrachten  188

7

Zorgvragers met aandoeningen aan de borsten en de buikwand  191

24

Chirurgische ingrepen aan de borst  192

24.2

De anatomie van de borst  192

24.4

Goedaardige aandoeningen aan de borst bij de vrouw  195

24.6

Kwaadaardige aandoeningen aan de borst  198

24.1

24.3

24.5 24.7

24.8

Inleiding  192

Onderzoeken aan de borst  193

Goedaardige aandoeningen aan de borst bij de man  197 Chirurgische behandelingen bij mammacarcinomen  199 Aanvullende ­behandelingen  202

24.8.1 Specifieke preoperatieve zorg bij een borstoperatie  204

24.8.2 Specifieke postoperatieve zorg bij een borstoperatie  206

25

Chirurgische ingrepen aan buikwand en lieskanaal  211

25.2

Anatomie  211

25.1

25.3

25.4

Inleiding  211

Aandoeningen en chirurgische ingrepen aan de buikwand en het lieskanaal  212

25.3.1 Hernia  212

Chirurgische b ­ ehandelingen  215

25.4.1 Specifieke preoperatieve zorg bij een breukoperatie  216

25.4.2 Specifieke postoperatieve zorg bij een breukoperatie  217 25.4.3 Ontslag en nazorg  218


XV

26

Verwerkings­opdrachten  219

8

Zorgvragers met aandoeningen aan het bewegingsstelsel  221

27

Letsels aan het bewegingsapparaat  222

27.2

Soorten letsels  222

27.1

Inleiding  222

27.2.1 Kneuzing  222

27.2.2 Verstuiking of verzwikking  222 27.2.3 Ontwrichting  222 27.2.4 Botbreuk  223

27.3

27.4

27.2.5 Behandeling van fracturen  224

Specifieke preoperatieve zorg bij fracturen  226

Specifieke postoperatieve zorg bij fracturen  227

28

Breuken aan de onderste extremiteiten  232

28.2

Het bekken  232

28.1

28.3

28.4

Inleiding  232

28.2.1 Fracturen en chirurgische behandeling van het bekken  232 Het heupgewricht en het dijbeen  234

28.3.1 Fracturen en chirurgische behandeling van de heup  235

28.3.2 Fracturen en chirurgische behandeling van het dijbeen  237 Het onderbeen   238

28.4.1 Fracturen en chirurgische behandeling van het onderbeen  239

29

Breuken aan de bovenste extremiteiten  242

29.2

De bovenarm  242

29.1

29.3

30

30.1

30.2 30.3 30.4 30.5

Inleiding  242

29.2.1 Fracturen en chirurgische behandeling van de bovenarm en de elleboog  242 De onderarm  243

29.3.1 Fracturen en chirurgische behandeling van de onderarm en de pols  244 Orthopedie  246

Inleiding  246

Arthrosis deformans  246

30.2.1 De chirurgische behandeling van arthrosis deformans  247 Reumatoïde artritis  247

30.3.1 De chirurgische behandeling van reumatoïde artritis  248 Het enkelgewricht en de voet  248

30.4.1 De indicaties en de chirurgische ingrepen aan het enkelgewricht en de voet  248 Het kniegewricht  251

30.5.1 De indicaties en de chirurgische ingrepen aan de knie  252


XVI

30.6

Het heupgewricht  254

30.6.1 De indicaties en de chirurgische ingrepen aan de heup  254

30.6.2 Specifieke preoperatieve zorg bij een heupartroplastiek  255

30.7

30.6.3 Specifieke postoperatieve zorg bij een heupartroplastiek  257

Het schoudergewricht, het ellebooggewricht en het polsgewricht  260

30.7.1 De indicaties en de chirurgische ingrepen aan het schoudergewricht, het ellebooggewricht en het polsgewricht  261

31

Verwerkings­opdrachten  263

9

Zorgvragers met aandoeningen aan urinewegen en prostaat  267

32

Zorgvragers met aandoeningen aan de urinewegen  268

32.2

Anatomie en fysiologie van de urinewegen  269

32.1

32.3

Inleiding  268

Onderzoeken aan de ­urinewegen  269 32.3.1 Functieonderzoeken  269

32.3.2 Beeldvormende onderzoeken  270

32.4

32.3.3 Verpleegkundige observaties  272 Aandoeningen aan de urinewegen  273

32.4.1 Infecties aan de urinewegen  273 32.4.2 Nierstenen   274

32.4.3 Nierinsufficiëntie  275 33

Zorgvragers met aandoeningen aan de mannelijke geslachtsorganen  281

33.2

De anatomie  281

33.1

33.3

33.4

Inleiding  281

Onderzoeken aan de mannelijke geslachts­organen  282

33.3.1 Verpleegkundige observaties  282 Aandoeningen en ­behandelingen  283

33.4.1 Aandoeningen aan de penis  283

33.4.2 Behandelingen van ­aandoeningen aan de penis  283

33.4.3 Verpleegkundige aandachtspunten bij de behandelingen  285 33.4.4 Aandoeningen aan de testis  285

33.4.5 Behandelingen van ­aandoeningen aan de testis  286 33.4.6 Verpleegkundige ­aandachtspunten  287 33.4.7 Aandoeningen aan de prostaat  287

33.4.8 Behandeling van aandoeningen aan de prostaat  288

34

Verwerkings­opdrachten  294


XVII

10

Zorgvragers met aandoeningen aan de vrouwelijke geslachts­organen  297

35

Gynaecologische aandoeningen  298

35.2

Anatomie van de vrouwelijke geslachtsorganen  298

35.1

35.3

Inleiding  298

Onderzoeken aan de vrouwelijke geslachts­organen  299

35.3.1 Anamnese en lichamelijk ­onderzoek  299 35.3.2 Urodynamisch onderzoek  300

35.4

35.3.3 Hysterosalpingografie  301

Gynaecologische ­aandoeningen  301

35.4.1 Infecties  301

35.4.2 Endometriose  302

35.4.3 Goedaardige tumoren  304 35.4.4 Carcinomen   305

35.4.5 Verpleegkundige ­aandachtspunten  306 36

Gynaecologische operatietechnieken  308

36.2

Operatietechnieken  308

36.1

Inleiding  308

36.2.1 Laparotomie  308

36.2.2 Laparoscopie  308 36.3

36.2.3 Vaginale operaties  309

Chirurgische ingrepen aan de inwendige geslachtsorganen  309 36.3.1 Ingrepen aan de baarmoeder  309

36.3.2 Chirurgische therapie bij ­gynaecologische kanker  314 36.3.3 Ingrepen aan de eileiders  318 36.3.4 Ingrepen aan de vagina  320

37

Verwerkings­opdrachten  322

11

Zorgvragers met aandoeningen aan het zenuwstelsel  325

38

Zorgvragers met een hersenbeschadiging  326

38.1

38.2

Inleiding  326 CVA  326

38.2.1 Symptomen van een CVA  327

38.2.2 Onderzoek en behandeling van CVA’s  331

38.3

38.2.3 Verpleegkundige zorg voor zorgvragers met een CVA  332 Ontstekingen aan de ­hersenen  336 38.3.1 Meningitis  336 38.3.2 Encefalitis  337


XVIII

38.4

Hersentumoren  337

38.4.1 Symptomen van hersentumoren  338 38.4.2 Diagnose bij hersentumoren  339

38.4.3 Behandeling van hersentumoren  339

38.5

38.4.4 Verpleegkundige zorg bij zorgvragers met een hersentumor  340 Hersentrauma’s  341

38.6

Verhoogde intracraniële druk  342

39

Zorgvragers met een dwarslaesie  343

39.2

Dwarslaesie  344

39.1

Inleiding   343

39.2.1 Onderzoek  345

39.2.2 Behandeling van zorgvragers met een dwarslaesie  345

39.2.3 Symptomen van een d ­ warslaesie en verpleegkundige zorg  345 40

Neurochirurgie  350

40.2

De wervelkolom  350

40.1

40.3

Inleiding  350

Aandoeningen van en chirurgische ingrepen aan de wervelkolom en het ruggenmerg  352 40.3.1 Trauma  352

40.3.2  Osteoporose  352

40.3.3 Degeneratieve veranderingen  354 40.3.4 Kanaalstenose   358

40.4

40.3.5 Tumoren  359

Aandoeningen van en chirurgische ingrepen aan de oppervlakkig gelegen zenuwen  360 40.4.1 Zenuwbeknellingssyndromen  360

41

Verwerkings­opdrachten  362

12

Zorgvragers met aandoeningen aan hart en bloedvaten  365

42

Coronair lijden en ritmestoornissen  366

42.2

Anatomie en fysiologie van het hart en de ­bloedsomloop  366

42.1

42.3

Inleiding   366

Zorgvragers met coronair lijden  367 42.3.1 Symptomen  368

42.3.2 Onderzoek en behandeling  368 42.4

42.3.3 Verpleegkundige zorg voor zorgvragers met coronair lijden  371 Zorgvragers met h ­ artritmestoornissen  373

42.4.1 Meest voorkomende ­hartritmestoornissen  374 42.4.2 Onderzoek en behandeling  376 42.4.3 Verpleegkundige zorg  376


XIX

43

43.1

Perifeer vaatlijden en hartfalen  377

Zorgvragers met perifeer vaatlijden  377

43.1.1 Symptomen  377

43.1.2 Onderzoek en behandeling  378 43.2

43.1.3 Verpleegkundige zorg  379 Zorgvragers met ­hartfalen  380 43.2.1 Symptomen  380

43.2.2 Onderzoek en behandeling  381 43.2.3 Verpleegkundige zorg  382

44

Verwerkings­opdrachten  383

13

Zorgvragers met aandoeningen aan longen en luchtwegen  385

45

De opname van zorgvragers met acute longaandoeningen  386

45.2

Anatomie en fysiologie van de luchtwegen  386

45.1

45.3

45.4

Inleiding  386

Onderzoeken naar aandoeningen aan de luchtwegen  386

45.3.1 Algemene verpleegkundige zorg bij de opname  388 45.3.2 Preventieve en therapeutische maatregelen  389 Acute longaandoeningen  389

45.4.1 Ontstekingen aan de luchtwegen  389 45.4.2 Longembolie  393

45.4.3 Pneumothorax  394 46

De opname van zorgvragers met chronische longaandoeningen  395

46.2

Exacerbatie van COPD of astma  395

46.1

Inleiding  395

46.2.1 Symptomen  395

46.2.2 De behandeling  396 46.3

46.2.3 Specifieke verpleegkundige aandachtspunten  397 Longemfyseem  397

46.3.1 Symptomen  397

46.3.2 De specifieke onderzoeken en behandeling  398 46.4

46.3.3 Specifieke verpleegkundige ­aandachtspunten  398 Longkanker  399

46.4.1 Symptomen  399

46.4.2 De specifieke onderzoeken en behandeling  400

46.4.3 Specifieke verpleegkundige aandachtspunten  400

47

Verwerkings­opdrachten  401


XX

Bijlage 1  Een beknopte anamnese voor een kort verblijf  403 Bijlage 2  Een uitgebreide anamnese voor langer verblijf  405 Bijlage 3  Een standaardzorgplan ivm decompensatio cordis  408 Begrippen  410 Register  413


1

OriĂŤntatie op het ziekenhuis

Op de afdeling Interne Geneeskunde / Oncologie is het vanavond razend druk. De diversiteit van de zorgvragers is groot. Jonge mensen rond de twintig jaar en hoogbejaarde zorgvragers liggen door elkaar heen. De ondersteuning die zij nodig hebben is zeer verschillend. Er zijn zorgvragers die alles zelf kunnen, maar er zijn er ook die bij alles hulp nodig hebben. Er loopt een aantal chemotherapiekuren die arbeidsintensief zijn vanwege de vele controles die moeten worden uitgevoerd. Een van de zorgvragers is terminaal en kan elk moment overlijden. Tanja en Patrick, de twee oudsten van dienst, rennen van hot naar haar. Ze hebben om 22.00 uur nog niet kunnen zitten. Als om 22.30 uur de nachtdienst begint, is het een behoorlijke chaos op de afdeling. Ruim na 23.00 uur keert de rust weer. Na middernacht hebben Tanja en Patrick de rapportage geschreven en gaan zij naar huis.


2

Oriëntatie op het ziekenhuis

1

Zorgvragers in het ziekenhuis

1.1

Inleiding

Dit hoofdstuk gaat over het ziekenhuis en de ver-

pleegkundige zorg die daar geboden wordt. We gaan

in op de specifieke kenmerken van de ziekenhuiszorg in Nederland en het type zorgvrager dat in een ziekenhuis komt.

1.2

Ziekenhuiszorg

Zorg in een ziekenhuis is gericht op het behandelen en genezen van acute en chronische lichamelijke

aandoeningen. De zorg bestaat uit professionele en technische voorzieningen voor diagnostiek, behandeling en verpleging die niet in de eerste lijn of in andere typen zorgorganisaties geboden kunnen

worden. Hoewel in een ziekenhuis veel zorg wordt

geboden, behoort de ziekenhuiszorg tot de curesector. Dat betekent dat de organisatie zich primair

richt op behandeling en genezing. Dit in tegenstelling tot de caresector, die zich primair richt op het verlenen van zorg. De scheiding tussen cure- en

caresector is niet heel strikt. De laatste jaren richten cure-organisaties zich ook meer op care en andersom. Denk bijvoorbeeld aan een ziekenhuis waar

zorgvragers in de terminale fase palliatieve zorg krijgen of aan een thuiszorgorganisatie die het

mogelijk maakt dat zorgvragers thuis kunnen dialy-

seren of chemotherapie krijgen. De verpleegkundige

zorg in een ziekenhuis is gericht op verzorging, begeleiding en observatie van de zorgvragers.

1.3

Kenmerken van ­ziekenhuiszorg

Bij ziekenhuiszorg is er sprake van een aantal specifieke kenmerken:

‚‚ Er is sprake van een klinische opname. Dat betekent dat een zorgvrager die ziekenhuiszorg ont-

vangt binnen de muren van het ziekenhuis moet verblijven. We gaan er hierbij vanuit dat de vereiste zorg niet ergens anders geboden kan worden.

‚‚ Er is vaak sprake van somatische gezondheids-

problematiek. We maken hierbij wel de kanttekening dat tegenwoordig ook veel zorgvragers met psychische en/of psychogeriatrische problematiek in een ziekenhuis worden opgenomen.

Opname vindt dan plaats op een Psychiatrische Afdeling in een Algemeen Ziekenhuis (PAAZ) of een Geriatrische Afdeling in een Algemeen

Ziekenhuis (GAAZ). Hoewel dit type zorgvrager

ook behandeld wordt, ligt de nadruk bij opname op diagnostiek.

‚‚ Er is altijd sprake van een relatief kortdurende

opname. Het gemiddelde aantal ligdagen in de

Nederlandse ziekenhuizen neemt steeds verder af. Zo bedroeg de gemiddelde ligduur in 2005


1   Zorgvragers in het ziekenhuis

Figuur 1.1

Opname hoort bij ziekenhuiszorg

nog bijna 7 dagen, terwijl dat in 2011 gedaald is tot iets meer dan 5 dagen.

‚‚ De zorg is vaak complex en er wordt gebruikgemaakt van hoogwaardige technologieën.

‚‚ Er is sprake van multidisciplinaire zorg. In de ziekenhuissetting is een groot team van professio-

weken opgenomen kan zijn. De familie dient zich ertoe te verplichten een (tijdelijke) oplossing te zoeken als de drie weken voorbij zijn om te voorkomen dat mevrouw na het diagnostisch traject in het ziekenhuis moet blijven. Het ziekenhuis stelt zich dus op het standpunt dat het diagnosticeert en dat de zorgvrager direct daarna wordt ontslagen.

nals betrokken bij zorg, diagnostiek en behandeling. Er is een grote mate van afstemming nodig om deze zorg in goede banen te leiden.

Voorbeeld Mevrouw Albeda wordt opgenomen op de afdeling Geriatrie in een algemeen ziekenhuis. Ze zal een diagnostisch traject ingaan omdat de behandelend arts vermoedt dat ze aan de ziekte van Alzheimer leidt. Mevrouw Albeda woont zelfstandig. Haar familie heeft bij de opname gezegd dat mevrouw niet meer naar huis terug kan. Het ziekenhuis geeft duidelijk aan dat mevrouw niet langer dan drie

1.4

Typering van de zorgvrager in het ziekenhuis

Er bestaat geen goede omschrijving van het type

zorgvrager in het ziekenhuis. Dat komt omdat vrij-

wel iedere Nederlander vroeg of laat in een zieken-

huis komt. In Nederland bezoekt ongeveer 40% van de bevolking minimaal één keer per jaar een

medisch specialist. Iets meer dan 10% van de Nederlandse bevolking wordt voor een klinische opname of dagopname in een ziekenhuis opgenomen. De

3


4

Oriëntatie op het ziekenhuis

populatie die in Nederland gebruikmaakt van zie-

Voorbeelden van indicaties waarmee zuigelingen

zijn vertegenwoordigd; ongeacht leeftijd, sekse, ras,

huis:

kenhuiszorg is heel divers. Alle bevolkingsgroepen huidskleur, afkomst, bevolkingsgroep, opleiding,

enzovoort. Iedereen komt vroeg of laat in contact

en/of baby’s worden opgenomen in een zieken-

‚‚ te vroeg geboren en/of een te laag geboortegewicht (prematuriteit / dysmaturiteit);

met een medisch specialist in het ziekenhuis.

‚‚

Leeftijdscategorieën

‚‚ observatie in verband met infectie, medicijnge-

Zuigelingen/neonaten

te veel bilirubine in het bloed (hyperbilirubinemie);

‚‚ te laag bloedsuikergehalte (hypoglykemie);

bruik van moeder tijdens de zwangerschap, belaste anamnese, geboortetrauma;

Van alle baby’s tot ongeveer 1 jaar oud wordt zo’n

‚‚ luchtweginfecties.

handeling of klinische opname. Opname vindt

Kinderen

deling. Opname-indicaties verschillen sterk en kun-

komt het minst in het ziekenhuis. Per jaar wordt iets

60% in het ziekenhuis opgenomen voor een dagbeplaats op de afdeling Neonatologie of de Kinderaf-

nen variëren van een korte opname van een gezon-

de zuigeling na de geboorte tot de opname van ern-

stig zieke baby’s die behandeld worden of in het ziekenhuis overlijden.

Figuur 1.2

De bevolkingsgroep in de leeftijd van 1 tot 20 jaar

meer dan 5% voor korte of langere tijd in een ziekenhuis opgenomen. De redenen voor opname zijn in

deze bevolkingsgroep zeer divers. Vrijwel alle basisspecialismen waarvoor volwassenen worden opge-

Kinderen worden alleen opgenomen als er geen echt alternatief is


1   Zorgvragers in het ziekenhuis

nomen zijn binnen de kindergeneeskunde ook vertegenwoordigd.

Voorbeelden van indicaties waarmee kinderen in een ziekenhuis worden opgenomen: ‚‚ diabetes mellitus;

‚‚ maag-, darm- en leverziekten; ‚‚ hormonale stoornissen;

‚‚ hematologische stoornissen; ‚‚ oncologische stoornissen;

‚‚ ontwikkelingsstoornissen, neurologische stoornissen en erfelijke en aangeboren aandoeningen;

‚‚ longaandoeningen.

Verloskunde/ Bevalling met te verwachten compligynaecologie

Oogheelkunde

(tot 45 jaar) en de volwassenen van 45 tot 65 jaar.

en oorheelkunde

en worden niet snel ziek. Net zoals bij andere leef-

gers worden binnen de meest voorkomende specia-

lismen in een ­ziekenhuis opgenomen, onderzocht en behandeld. In het volgende schema staan de meest

Maagbloeding

de

Instellen insuline bij diabetes mellitus

Infarct

Plaatsen pacemaker Chirurgie

Verwijdering appendix Buikwandcorrectie

Verwijdering tumor

Ziekte van Ménière

Ernstige allergische reacties Verwijdering van de prostaat Verwijdering van de blaas

Longziekten Ernstige longontsteking COPD

Longkanker Neurologie

CVA

Ziekte van Parkinson Ernstige migraine

Reumatolo- Bindweefselziekten gie

Reumatische artritis

Orthopedie

Kijkoperatie van de knie

ziekte van Bechterew Operatieve hersteloperatie, bijv. na ongeval

Plaatsen heupprothese Geriatrie

Onderzoek naar ziekte van Alzheimer Diagnostiek bij psychogeriatrische zorgvragers

geneeskun- Onverklaarbare hevige buikklachten Cardiologie Angina pectoris

Plotselinge doofheid

Operaties aan de nieren

opname-indicaties.

Interne

Traanwegoperaties

Urologie

voor­komende specialismen met voorbeelden van

Specialisme Voorbeelden van opname-indicaties

Hoornvliesafwijkingen

Varices

me-indicaties zeer groot. In de leeftijdscategorie van ziekenhuiszorg krijgt flink toe. Volwassen zorgvra-

Staaroperatie

gie

tijdscategorieën is ook hier de diversiteit van opna-

45 tot 65 jaar neemt het per­centage zorgvragers dat

Verdenking ovariumcarcinoom

Dermatolo- Ernstig eczeem

Jongvolwassenen (tot 45 jaar) komen relatief ­weinig

in een ziekenhuis. Ze zijn in de kracht van hun leven

Baarmoederverwijdering

Keel-, neus- Operaties aan amandelen

Volwassenen (tot 65 jaar)

In deze groep onderscheiden we jongvolwassenen

caties

Behandeling typische geriatrische ziektebeelden Psychiatrie

Anorexia nervosa Acute psychose

Combinaties van psychiatrische en somatische stoornissen

5


6

Oriëntatie op het ziekenhuis

65-plussers

omdat hun ziek-zijn afwijkt van ‘gewoon’ ziek-zijn.

kenhuiszorg komen uit deze leeftijdscategorie. In

‚‚ symptomen van ziekte uiten zich bij ouderen

De meeste zorgvragers die gebruikmaken van zie2008 had ruim 63% van de 65-plussers minimaal

Een aantal factoren speelt een rol:

vaak anders dan bij jongere mensen;

één keer contact met de medisch specialist, verge-

‚‚

Nederland worden jaarlijks zo’n 400.000 mensen

‚‚ medicijnen kunnen sneller bijwerkingen verto-

Het stijgende percentage oudere zorgvragers in

‚‚ er is meer kans op complicaties, zoals een delier

dat mensen steeds langer leven, maar daardoor

‚‚ bedcomplicaties treden sneller op bij ouderen;

leken met ruim 41% van de totale bevolking. In

van 70 jaar of ouder in het ziekenhuis opgenomen. een ziekenhuis kan worden verklaard door het feit ook relatief meer en langer ziek zijn. Van de ouderen boven de 65 werd in 2009 bijna 15% voor een meerdaagse opname in het ziekenhuis opgeno-

men. Als we daarin ook de dagopnamen meene-

men, dan komen we op zo’n 25% van alle 65-plus-

andere aandoeningen dan waarvoor men is opge-

nomen, kunnen van invloed zijn op het ziek-zijn; nen of elkaar beïnvloeden; of depressie;

‚‚ het herstel verloopt vaak langzamer en niet vol-

‚‚

gens normale verwachtingen;

het fragiele evenwicht van zelfredzaamheid is snel

doorbroken, waardoor de afhankelijkheid toeneemt.

sers die in een ziekenhuis worden opgenomen.

Gemiddeld liggen ouderen ook langer in het ziekenhuis dan volwassenen.

Voorbeeld Narcis doet haar BPV op de afdeling Chirurgie van een groot algemeen ziekenhuis. Zij kwam naar de afdeling met de verwachting dat er veel jonge mensen zouden verblijven. Ook verwachtte Narcis dat mensen snel opknapten en dus ook snel weer naar huis zouden gaan. De praktijk is anders. Het grootste deel van de zorgvragers is

Figuur 1.3

afdeling om te herstellen van de ingreep. Vanwege hun

Ouderen gaan in een ziekenhuis vaak geestelijk achteruit

boven de 65 jaar en vaak liggen zorgvragers weken op de

nodig. Narcis moet erg omschakelen. Ze vindt het werk

Kwetsbaar

leuk, maar had niet verwacht dat de afdeling soms op

Ouderen in het ziekenhuis vormen de grootste, maar

een verpleeghuis lijkt.

ook de meest kwetsbare doelgroep.

leeftijd is er ook heel veel ondersteuning bij de zelfzorg

Specifieke problemen bij ouderen in het ziekenhuis

Geslacht

land het aantal oudere zorgvragers dat in een zie-

Nederland iets meer gebruik van ziekenhuiszorg

Als gevolg van de dubbele vergrijzing zal in Nederkenhuis wordt opgenomen toenemen. Steeds meer

ouderen worden ook geconfronteerd met complexe behandel- en zorgproblematiek. Ouderen vragen

van een ziekenhuis specifieke zorg en begeleiding

Hoewel het verschil erg klein is, maken vrouwen in dan mannen. Het verschil is voornamelijk te verklaren doordat vrouwen een langere leeftijdsverwach-

ting hebben dan mannen en daardoor relatief vaker ziek zijn.


1   Zorgvragers in het ziekenhuis

Acuut en chronisch

Indicaties voor opname in een ziekenhuis kunnen zowel acuut als chronisch zijn. Het laatste decen-

nium wordt het percentage zorgvragers met chronische aandoeningen groter. Dit komt onder

andere omdat mensen steeds ouder worden, meer kennis krijgen over gezonde levensstijlen en dat behandelmethoden steeds beter worden.

Geen verschillen in ziekenhuisopname tussen opleidingsniveaus Ziekenhuisopname komt meer voor onder laagopgeleiden dan hoogopgeleiden, maar als rekening gehouden wordt met verschillen in gezondheid, verdwijnt dit verschil. Van de laagopgeleiden (lagere school) werd in 2007 11% in het ziekenhuis opgenomen (ten

Aantal ziekenhuisopnamen per 10.000 inwoners van 18-60 jaar in 2005 naar herkomst en type opname, gestandaardiseerd naar de bevolking van 2005 aantal (per 10.000 inwoners) 1.200 1.000 800 600 400 200 0

Dagopname

Autochtonen Turken Antillianen/Arubanen

Figuur 1.4

minste voor één nacht) en van de hoogopgeleiden was dat 5%. Wanneer echter rekening gehouden wordt met verschillen in ervaren gezondheid, zijn er geen significante verschillen in ziekenhuisopnamen tussen opleidingsniveaus. Ook bij mannen en vrouwen apart en bij afzonderlijke leeftijdsgroepen bestaan er geen verschillen in ziekenhuisopname tussen laag- en hoogopgeleiden. Bron: www.nationaalkompas.nl

Etnische afkomst

Als je kijkt naar de afkomst van de ziekenhuispo-

pulatie, dan vallen de verschillen op in het aantal

ziekenhuisopnames tussen autochtone en alloch-

tone Nederlanders. Over het geheel genomen worden allochtone Nederlanders iets vaker opgeno-

men. Toch zijn er ook onderlinge verschillen als we kijken naar aandoeningen. Zo blijken Marokkaanse mensen bijvoorbeeld minder vaak te worden opgenomen in verband met kanker dan andere allochtone Nederlanders.

Bron: LMR, 2005

Klinische opname

Marokanen Surinamers

7


8

OriĂŤntatie op het ziekenhuis

2

Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en

2.1

Inleiding

voorzieningen

Moderne ziekenhuizen hebben een geschiedenis.

Het is belangrijk dat je iets van de geschiedenis van moderne ziekenhuizen weet omdat je dan beter

begrijpt hoe ze tot hun huidige bestaansvorm zijn gekomen. In dit hoofdstuk nemen we je in vogel-

vlucht mee door de geschiedenis van moderne ziekenhuizen. Daarnaast krijg je informatie over de verschillende soorten ziekenhuizen in Nederland en over de

organisatie ervan. Een belangrijk deel van dit hoofd-

stuk gaat over de verschillende voorzieningen die een ziekenhuis tot een groot behandel- en zorgbedrijf

maken. Na het bestuderen van dit hoofdstuk heb je

een beeld van een modern ziekenhuis als organisatie.

2.2

Van toen naar nu

De gezondheidszorg in Nederland staat op een hoog peil. Het is mogelijk om met geavanceerde appara-

tuur op humane wijze het gehele menselijk lichaam

in beeld te brengen, cellen te manipuleren, hersenen te opereren en nieuwe harten te implanteren. Van

de wieg tot het graf is er behandeling op maat en de gezondheidszorg heeft zich sociaal en economisch

ontwikkeld tot een belangrijke, complexe en kostbare sector van onze samenleving. Hoewel onze

gezondheid nooit vanzelfsprekend is geweest, wordt dat van onze gezondheidszorg soms wel gedacht. In

bijna alle gevallen kan men 24 uur per dag een

beroep doen op medische centra met hoogopgeleide zorgverleners, die kunnen ingrijpen en helpen bij

gezondheidsproblemen. Daardoor waarderen we de gezondheidszorg en stellen we er vertrouwen in.

Maar we vinden ook dat we er recht op hebben. Niet zo ver hiervandaan, zelfs in Europa, bestaan heel

andere situaties. Ook daar zijn mensen die vinden dat ze recht hebben op gezondheidszorg. Alleen

functioneert de gezondheidszorg daar, door econo-

mische, maatschappelijke en politieke oorzaken, op

een lager niveau. In bepaalde gevallen functioneert zij zo goed als niet, zoals bij (burger)oorlogen en grote natuurrampen.

Zolang er mensen leven op aarde, zijn er redenen geweest om te helen. De strijd om het bestaan is

altijd hard geweest en mensen verwondden zich bijvoorbeeld in gevechten met andere mensen en dieren. De kunde die nodig was om deze kwetsuren te helen en te verzorgen, ontwikkelde zich al ver voor

onze jaartelling. Zo werden in India duizenden jaren geleden al afgehouwen neuzen hersteld door een

lap voorhoofdhuid te kantelen. In Egypte werden in 1600 voor Christus al oogoperaties uitgevoerd –

zoals te zien is op papyrusrollen uit die tijd – en werden brandwonden met honing behandeld. Dit soort operaties en behandelingen werden vaak door

priesters uitgevoerd, waarbij tovenarij en magie een belangrijke rol speelden.


2   Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en voorzieningen

Hippocrates van Kos

De chirurgijn

sche denken en het zelfstandig redeneren tot kunst

of meer los van de geneeskunde. Medisch geleerden

Doordat de Grieken zich losmaakten van het magiverhieven, ontwikkelde de geneeskunde zich ver-

der. Gerichte observatie, het onderzoek naar de oorsprong van alles, experimenteren en redeneren

waren bekende methoden aan de school van Hippocrates van Kos (460-377 voor Christus). Deze school stelde de zorgvrager centraal en stelde

strenge eisen aan het morele en zedelijke karakter

van artsen. Aan het einde van hun opleiding moes-

In de middeleeuwen maakte de heelkunde zich min

stonden in hoog aanzien bij het volk. Zij hielden zich onder andere bezig met het geven van adviezen, het dichtschroeien van wonden, het voorschrijven van medicijnen en de uroscopie (piskijken). Het chirur-

gijnswerk en kleine operaties lieten zij over aan de

chirurgijnen, die vaak ook barbier (kapper) waren. Bij de barbier kon je terecht om je haar te laten knippen, maar ook voor het afzetten van ledematen, het trek-

ten de artsen een eed afleggen, die bekend staat als

ken van kiezen, wondverzorging en het snijden in

bij hun diplomering een eed af die op deze oude

het aftappen van bloed de ziekte zou verdwijnen.

de eed van Hippocrates. Ook nu nog leggen artsen

eed gebaseerd is. Met Hippocrates en het Griekse

bloedvaten (aderlaten). In die tijd dacht men dat door

denken is de wetenschappelijke benadering van de geneeskunde ontstaan.

In de bloeitijd van het Romeinse Rijk, aan het begin van onze jaartelling, hadden Griekse artsen en chirurgen vanwege hun kennis en kunde de leiding

over de gezondheidszorg in Rome. Zo is het woord

‘chirurg’ van Griekse oorsprong. Het is afgeleid van

de woorden cheir en ergos, die respectievelijk ‘hand’ en ‘werk’ betekenen. Vanaf de val van het West-

Romeinse rijk in het jaar 476 tot aan het eerste millennium van onze jaartelling (begin middeleeuwen) bestond er in Europa feitelijk geen beoefe-

Figuur 2.1

In de middeleeuwen deden veelal barbiers het chirurgijnenwerk

ning van de medische wetenschap. In kloosters

De ontwikkeling van de heelkunde vond plaats

Galenus, Avicenna en Hippocrates met belangstel-

kunde ontwikkelde zich binnen dit systeem tot een

werden de boeken van de oude meesters, zoals

ling gekopieerd en gaven monniken en diacones-

sen eenvoudige, maar barmhartige hulp aan zieken en gewonden. Pas na het ontstaan van de universiteiten in Zuid-Europa ontstond er een bredere

belangstelling voor de medische wetenschap. In

eerste instantie was die wetenschap gebaseerd op de Arabische, en later opnieuw op de Griekse

geneeskunde. Op 7 mei 1326 besliste de Raad van

Venetië dat per jaar één lijk van een terechtgestelde ontleed mocht worden ten behoeve van het medisch onderwijs.

binnen het gildesysteem (beroepsgroep). De heel-

geheel eigen specialisme met een eigen opleiding

en kwaliteitseisen. Begrippen als meester en gezel komen uit de gildentijd. Grotere operaties, zoals

amputaties, mochten in slechts worden uitgevoerd met toestemming van het stadsbestuur. Met

amputaties deed men in tijden van oorlog veel

ervaring op. De ontdekking van het afbinden van

slagaders en aders in plaats van het dichtschroeien, betekende een belangrijke vooruitgang voor de chirurgie. Nu kon men bloedingen tijdens andere operaties ook beheersen.

9


10

Oriëntatie op het ziekenhuis

Pesthuizen

je geen geld had. In de 20e eeuw werden veel gast-

groot maatschappelijk probleem. Er overleden grote

een modern ziekenhuis, waardoor een aantal nog

In de middeleeuwen vormden pestepidemieën een aantallen mensen door de pest en men zocht een

oplossing in de afzondering van de pestlijders van

huizen opgeheven. Sommige ontwikkelden zich tot steeds de naam ‘gasthuis’ in zich draagt.

de rest van de bewoners. Dat gebeurde in speciaal

daarvoor gebouwde pesthuizen. De meeste pesthuizen ontstonden in de 16e en 17e eeuw. In een pest-

huis werden allerlei zieken ondergebracht, waaronder lijders aan pest, lepra en andere besmettelijke

ziektes. Ook geestelijk zieken kwamen er. Het pesthuis kan beschouwd worden als een voorloper van

het ziekenhuis, maar door de slechte hygiëne en verzorging werden de patiënten eerder zieker dan

beter. Na de laatste pestepidemieën in Europa eind

Figuur 2.2

in de plaats kwamen de zogenoemde gasthuizen.

De eerste ziekenhuizen

Gasthuizen

goede gezondheidszorg iets was waar iedere burger

17e eeuw verloren de pesthuizen hun functie. Ervoor

Gasthuizen waren instellingen waarin zieken en

ouderen verpleegd en verzorgd werden. Aanvankelijk werden gasthuizen gebouwd door de Kerk, later ook

door leken. Een middeleeuws gasthuis bestond vaak

uit een lange zaal waarin de bedden aan de kant ston-

den. De bedden waren gemaakt van veren of stro.

Patiënten werden bij opname eerst gewassen. De voeding voor de zorgvragers was goed te noemen, zeker voor die tijd. Tijdens de late middeleeuwen (tussen

1250 en 1500) werden veel (klooster)gasthuizen opge-

heven of overgenomen door de burgerij. Een gasthuis in die tijd bestond vaak uit aparte afdelingen: een

zogenoemde verbandzaal (voor de chirurgijn), een zie-

kenzaal (voor de dokter), een zaal voor kraamvrouwen en een zaal voor besmettelijke ziekten.

In de 18e en 19e eeuw was de zorg in de gasthuizen ronduit slecht. Het was er overvol en vaak lagen er

meerdere zorgvragers in één bed. De chirurgijn opereerde op de zaal waar ook de was werd gedaan en het personeel sliep. Het eten was slecht en geld

speelde een belangrijke rol in de zorg. Als je veel

betaalde, dan was de zorg vaak beter dan wanneer

Zusters aan het werk in een gasthuis

Aan het eind van de 19e eeuw kwam het besef dat

recht op had. Als gevolg daarvan ontstonden veel nieuwe ziekenhuizen uit particulier initiatief. Later werden sommige ziekenhuizen onderdeel van een universiteit

waar geneeskunde onderwezen werd. Dit zijn de zoge-

noemde academische ziekenhuizen. Veel lokale zieken-

huizen zijn in de 20e eeuw door de groeiende bevolking ontstaan. Gaandeweg kreeg iedere streek of regio de behoefte om een eigen ziekenhuis te hebben. Vaak waren dat stichtingen. Veel ziekenhuizen zijn nog

steeds stichtingen en worden voor een klein deel gefi-

nancierd uit giften. Aan het eind van de 20e / begin 21e eeuw nam het aantal ziekenhuizen weer af. Het moderne ziekenhuis

Tegenwoordig zijn ziekenhuizen hypermoderne

bedrijven geworden, waar de producten ‘medische

behandeling en zorg’ worden ‘verkocht’. De moderne geneeskunde kenmerkt zich door wetenschappelijk verantwoorde kennis, hoogwaardige technologie,

structurele ondersteuning van alle processen door

ICT en een weloverwogen bedrijfsvoering met ver-

schillende managementlagen. Vaak bestaat de helft (of zelfs meer) van de werknemers uit ondersteu-


2   Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en voorzieningen

nend personeel. Sinds eind 20e / begin van de 21e

de beroepen. Een aantal algemene ziekenhuizen

Zo waren er in 1985 nog 165 ziekenhuisorganisaties

seerde zorg waarvoor dure en gespecialiseerde voor-

eeuw neemt het aantal ziekenhuisorganisaties af.

en in 2009 nog maar 92. Vooral fusies lagen hieraan ten grondslag. De laatste jaren vormt het begrip

‘concurrentie’ een belangrijk uitgangspunt in het

besturen van de ziekenhuisorganisatie. Vanwege de

financieringsstructuur wordt het steeds belangrijker

levert ook topklinische zorg. Dit is hooggespeciali-

zieningen nodig zijn en waarvoor een vergunning

nodig is vanuit de Wet bijzondere medische verrichtingen (WBMV). Denk bijvoorbeeld aan hartchirurgie, neurochirurgie, ivf of transplantaties.

goede zorg te leveren tegen aantrekkelijke (lees: con-

Het bestand van zorgvragers van een ziekenhuis

vanuit dat deze concurrentie een kwaliteitsverho-

voorzieningen. Daarnaast geeft het ziekenhuis vaak

currerende) tarieven. De overheid gaat er daarbij

gend effect heeft. Zorgverzekeraars onderhandelen namelijk met ziekenhuizen over de kostprijs van

behandelingen. Ziekenhuizen worden daardoor verplicht efficiënter te gaan werken, maar moeten zich ook blijven richten op het leveren van kwalitatief verantwoorde zorg. De prijs-kwaliteitverhouding

neemt daardoor toe en zorgvragers krijgen steeds

meer mogelijkheden te kiezen voor het ziekenhuis waar de beste behandeling gegeven wordt. In de

praktijk kiezen zorgvragers echter vaak om praktische redenen (zoals de afstand van huis) voor een

bepaald ziekenhuis en speelt het kwaliteitsaspect niet altijd de belangrijkste rol.

Meerdere soorten ziekenhuizen

Er zijn meerdere soorten ziekenhuizen in Nederland: algemene en categorale ziekenhuizen en universi-

tair medische centra (UMC’s). Met de invoering van

de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) is de officiële aanduiding van deze ziekenhuizen ‘instelling voor medisch-specialistische zorg’ (IMSZ). Algemene ziekenhuizen

Een algemeen ziekenhuis heeft alle voorzieningen

die nodig zijn voor diagnostiek, onderzoek, behandeling en verpleging van zorgvragers. In dit soort zie-

kenhuizen speelt zich de reguliere patiëntenzorg af. In alle algemene ziekenhuizen worden ook zorg- en

wordt voor een deel bepaald door de aanwezige

een goede afspiegeling van de samenleving in het

gebied waarin het ziekenhuis staat. Zo worden bij-

voorbeeld in Nederland meer vrouwen dan mannen in het ziekenhuis opgenomen omdat vrouwen een langere levensverwachting hebben dan mannen. Toch kun je in een algemeen ziekenhuis iedereen tegenkomen, ongeacht zijn of haar leeftijd, godsdienst of afkomst en daarom kan het ziekenhuis

met recht ‘algemeen’ genoemd worden. In een algemeen ziekenhuis worden algemene aandoeningen

en ziekten behandeld en worden de meest gangbare onderzoeken en ingrepen verricht.

Door Nederland in regio’s te verdelen en een maximum aantal bedden per regio voor te schrijven (de beddenreductie), heeft de overheid vanaf de jaren zeventig geprobeerd de enorme groei van de

gezondheidszorg en de kosten die daarmee samenhangen af te remmen. Een groot aantal ziekenhui-

zen is sinds die tijd gefuseerd. Deze gefuseerde ziekenhuizen kiezen er dikwijls voor om specifieke

functies op één locatie te concentreren. Dit betekent dat sommige instellingen meer en uitgebreidere

functies krijgen en andere juist minder. Tegelijkertijd wordt zorg steeds vaker poliklinisch en in dag-

behandeling verleend. De komende jaren zal de ziekenhuiszorg zich steeds verder differentiëren.

behandelprofessionals opgeleid. Dat zijn op de eer-

Categorale ziekenhuizen

verschillende soorten paramedici en ondersteunen-

categorie patiënten, zoals revalidatie-, epilepsie- of

ste plaats artsen en verpleegkundigen, maar ook

Het categorale ziekenhuis richt zich op een bepaalde

11


12

Oriëntatie op het ziekenhuis

kankerpatiënten. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende groepen:

‚‚ revalidatiecentra;

‚‚ astmacentra of longrevalidatiecentra; ‚‚ epilepsiecentra; ‚‚ dialysecentra;

‚‚ audiologische centra;

‚‚ radiotherapeutische centra. Soms vormt een categoraal ziekenhuis een onder-

deel van een academisch ziekenhuis zoals het Wil-

helmina Kinderziekenhuis, onderdeel van het UMC in Utrecht en het Emma Kinderziekenhuis, onderdeel van het Academisch Medisch Centrum in

Amsterdam. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld het

Erasmus MC-Daniel den Hoed, dat gespecialiseerd is in de behandeling van oncologische zorgvragers. De revalidatiecentra vormen de grootste groep categorale ziekenhuizen in ons land. Er bestaan verschillende vormen. Zo zijn er aparte revalidatiecentra

waar een zorgvrager opgenomen is (klinische revali-

Figuur 2.3

datie) plaatsvindt. Ook zijn er ziekenhuizen met een

zorgvragers die zeldzame, moeilijk te diagnosticeren

sprake zijn van klinische revalidatie of dagbehande-

niet verder doorverwezen kunnen worden. Zorgvra-

datie) of waar dagbehandeling (poliklinische revaligespecialiseerde revalidatieafdeling. Ook daar kan

ling. Verder zijn er in Nederland een aantal catego-

rale revalidatiecentra. In deze organisaties richt men zich op de revalidatie van zorgvragers met specifie-

ke aandoeningen, zoals longziekten of hart- en vaatziekten.

Een revalidatiecentrum is een categoraal ziekenhuis

of moeilijk te behandelen aandoeningen hebben en gers die deze zorg nodig hebben, krijgen voorrang

boven de zorgvragers die ook ergens anders terecht-

kunnen. Verder leveren de universiteitsziekenhuizen een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van

nieuwe medische technologieën en behandelwijzen.

Universitaire medische centra

In de UMC’s zijn de basisspecialismen van de alge-

den aan een universiteit. De belangrijkste functies

de specialisering. Zo is bijvoorbeeld het specialisme

Het universitair medisch centrum (UMC) is verbonvan een UMC zijn opleiding en onderzoek. Een ver-

bonden universiteit heeft de verantwoordelijkheid hiervoor. Om opleiding en onderzoek mogelijk te

maken zijn uiteraard wel zorgvragers nodig, waar-

door er binnen de UMC’s in Nederland ook reguliere patiëntenzorg plaatsvindt. Daarnaast leveren de UMC’s ook topklinische zorg en de zogenoemde

topreferente zorg. Dit is zeer specialistische zorg voor

mene ziekenhuizen aangevuld met een verdergaaninterne geneeskunde verder onderverdeeld in een aantal ‘super’specialismen, zoals:

‚‚ maag- en darmziekten (gastro-enterologie); ‚‚ reumatologie;

‚‚ hematologie (bloedziekten); ‚‚ nefrologie (nierziekten);

‚‚ allergologie (allergieën en overgevoeligheden).


2   Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en voorzieningen

De UMC’s bieden naast de specialistische functies

gedaan waarvoor geen medische indicatie is. Deze

medische faculteiten van de universiteit. Door de

de zorgvrager zelf te worden betaald. Privéklinieken

ook bijzondere werk- en opleidingsplaatsen aan de bijzondere combinatie van zorg voor zorgvragers,

onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ontstaat er een uitstekende verwijzingsmogelijkheid voor

allerlei andere instellingen (de topreferentiefunctie). Een academisch ziekenhuis is soms namelijk de laatste plaats waar andere ziekenhuizen naartoe kun-

ingrepen zijn meestal niet verzekerd en dienen door voeren echter steeds meer behandelingen uit die

wel worden gedekt door ziekenfondsen en zorgver-

zekeraars, zoals staar- en hernia-operaties. Privéklinieken behandelen niet altijd; ze richten zich ook steeds meer op de diagnostiek alleen.

nen verwijzen. Ook is het een plaats waar nieuwe

Privéklinieken worden gefinancierd door particuliere

zocht en toegepast. Er worden grote, complexe en

Grofweg de helft heeft een ZBC-vergunning. Om zich

behandelwijzen en technologieën worden onder-

soms experimentele ingrepen en onderzoeken uitgevoerd. Een academisch ziekenhuis is dus zowel een ziekenhuis als een centrum voor opleiding,

onderzoek en wetenschap. Daardoor is er in een academisch ziekenhuis relatief meer personeel nodig

dan in een algemene instelling. Ook vindt er meer

diagnostiek, onderzoek en behandeling per zorgvrager plaats dan in een algemeen ziekenhuis. De

financiering door de overheid is daarop aangepast. Zelfstandige behandelcentra

De Zelfstandige behandelcentra (ZBC) vallen tegen-

woordig, net als de voorgaande ziekenhuizen, onder

instellingen voor medisch-specialistische zorg (IMSZ). Deze organisaties zijn als het ware een soort privéklinieken met een vergunning om behandeling en zorg te bieden die verzekerd is door zorgverzekeraars Privéklinieken

Nog niet zo lang geleden werden privéklinieken

beschouwd als elite-ziekenhuizen voor de rijken van de samenleving. Ze hadden ook niet altijd een goede naam omdat het beeld bestond dat het er alleen

maar om geld ging. Waar of niet; dat beeld is verle-

den tijd. Iedereen kan er terecht, ongeacht de verzekering die je hebt. Bovendien staat elke zorg- of

behandelorganisatie onder controle van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, dus ook de privéklinieken. Het aanbod van de privéklinieken is zeer divers. In veel privéklinieken worden cosmetische ingrepen

investeerders. In Nederland zijn er ongeveer 80 (2011). een ZBC te noemen, moeten deze klinieken voldoen aan een aantal voorwaarden. Zo mogen zij bijvoor-

beeld alleen dagbehandelingen uitvoeren, waardoor zorgvragers niet langer dan 24 uur mogen worden

opgenomen. In vergelijking met gewone ziekenhui-

zen zijn privéklinieken vaak wat kleinschaliger. Er is

vaak veel persoonlijke aandacht voor de zorgvragers en de zorgsetting is vaak wat luxer dan in een ‘nor-

maal’ ziekenhuis. Omdat een privékliniek vaak kiest

voor een klein aantal specialistische onderzoeken en/ of behandelingen wordt vaak zeer efficiënt gewerkt

en zijn er kortere wachttijden. Bovendien is er door de concentratie op enkele medische deelgebieden veel deskundigheid en ervaring beschikbaar.

Ziekenhuizen beschouwden tot voor kort een privékliniek als een concurrent die omzet wegkaapte,

maar tegenwoordig zien zij steeds meer de voorde-

len van samenwerking. Hierdoor worden particuliere klinieken als het ware verbonden aan het ziekenhuis en daarmee de krachten gebundeld. Ook de

overheid staat steeds positiever tegenover privéklinieken: in een recent rapport van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) wordt het advies

gegeven om een aantal beperkingen voor privéklinieken af te schaffen, en om ziekenhuizen meer ruimte te geven voor private initiatieven.

13


14

Oriëntatie op het ziekenhuis

2.3

De ziekenhuisorganisatie

Ziekenhuizen zijn vrijwel altijd grote organisaties.

Een strakke leiding is noodzakelijk om het voortbe-

staan te kunnen garanderen. De dagelijkse leiding is vaak in handen van een Raad van Bestuur, die uit

meerdere personen bestaat. De leden hebben meestal een eigen specifiek aandachtsgebied, zoals patiëntenzorg, financiën of wetenschap en onderzoek. De

Raad van Bestuur richt zich met name op het strategisch management en is verantwoording schuldig aan de Raad van Toezicht. Onder de Raad van

Bestuur zorgt een netwerk van leidinggevenden voor het tactisch management. Nog een niveau

lager bevinden zich de operationele managers. De

medisch specialisten kunnen in loondienst zijn van

het ziekenhuis. Ze maken dan deel uit van de organisatie, ontvangen een salaris van het ziekenhuis en

zijn verantwoording schuldig aan het management. In een ziekenhuis wordt het grootste deel van de

van specialisten in het ziekenhuis. Een maatschap

een eigen bedrijfje binnen de muren van het ziekenhuis. De leden van de maatschap (de maten) verdienen zowel voor zichzelf als voor het ziekenhuis geld en huren faciliteiten van het ziekenhuis. De inkomsten van de maatschap worden gelijkelijk verdeeld

over de leden van de maatschap. De krachten van de

maten worden gebundeld waardoor er altijd back-up is (bijvoorbeeld bij ziekte). De platte structuur van een maatschap kan ook belemmerend werken

omdat ieder lid van de maatschap mag meepraten

en in beginsel evenveel invloed heeft op het beleid.

Als de specialisten in een ziekenhuis zelfstandig zijn, is de dokter in principe niet afhankelijk van het zie-

kenhuis voor zijn inkomsten. Dit zorgt ervoor dat het ziekenhuis weinig grip heeft op de specialist.

2.4

Voorzieningen in het ­ziekenhuis

diagnostiek en behandelingen uitgevoerd door of

Kenmerkend voor vrijwel alle ziekenhuizen zijn de

zij in loondienst, maar vaker zijn de specialisten in

nende medische diensten. Deze zijn nodig om de

namens (groepen) medisch specialisten. Soms zijn een ziekenhuis georganiseerd in zogenoemde maat-

schappen. Dit is de meest gangbare organisatievorm

Figuur 2.4 Een polikliniek is het visitekaartje van een ziekenhuis

gespecialiseerde behandelafdelingen en ondersteuhoofdtaken van het ziekenhuis uit te kunnen voeren: onderzoek, diagnose, behandeling en verple-


2   Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en voorzieningen

ging. We onderscheiden onder meer de volgende

behandeling, dan gaat het om een klinische opname.

(SEH), de dagverpleging of dagbehandeling en de

dan één dag. De zorgvrager wordt dan opgenomen

afdelingen: de polikliniek, de spoedeisende hulp kliniek of opname. Polikliniek

Als een klinische opname niet noodzakelijk is, worden zorgvragers behandeld op de polikliniek. Elke

specialisme heeft een eigen poli. Vaak hebben specialisten op de polikliniek voor hun specialisme een

kamer ter beschikking met apparatuur en materialen, waar zij kleine ingrepen kunnen uitvoeren. De polikliniek is ook de plek waar zorgvragers voor nacontrole terugkomen.

Dagbehandeling/kort verblijf

De afdeling in het ziekenhuis die speciaal voor klei-

nere ingrepen is ingericht, is de dagbehandeling ook wel kortverblijfafdeling genoemd. Deze afdeling

wordt soms ook wel short stay-afdeling genoemd. Zorgvragers worden ’s ochtends opgenomen en

gaan na de ingreep of behandeling nog dezelfde dag naar huis. Als de toestand van de zorgvrager na de

ingreep verslechtert of als de ingreep uitgebreider is dan vooraf gepland, is soms alsnog opname in het ziekenhuis nodig. Spoedeisende hulp

Klinische opnamen duren in het algemeen langer op een verpleegafdeling, waarbij we een onder-

scheid kunnen maken dat te maken heeft met de

complexiteit van de zorg die er is. In de meeste ziekenhuizen is er sprake van een groot aantal basis-

specialismen en een aantal gespecialiseerde afdelingen. Afhankelijk van de grootte van het ziekenhuis, fusies, uitbreidingen en deelspecialismen, kunnen

deze basisspecialismen per ziekenhuis uitgebreider en meer gedifferentieerd zijn. Basisspecialismen zijn:

‚‚ interne geneeskunde; ‚‚ cardiologie;

‚‚ chirurgie (plastisch);

‚‚ verloskunde (obstetrie) en gynaecologie; ‚‚ oogheelkunde;

‚‚ keel-, neus- en oorheelkunde; ‚‚ kindergeneeskunde; ‚‚ dermatologie; ‚‚ urologie;

‚‚ longziekten; ‚‚ neurologie;

‚‚ reumatologie; ‚‚ orthopedie; ‚‚ geriatrie.

De afdeling Spoedeisende hulp (SEH) werd in het

Gespecialiseerde afdelingen

Hier richt men zich speciaal op de bewaking en sta-

voor hoog complexe en zeer intensieve technische

verleden ook vaak de eerstehulpafdeling genoemd. bilisatie van de zorgvrager die met problemen van de vitale functies van het lichaam geconfronteerd wordt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn na een ongeval, maar ook nadat iemand een hersen- of

hartinfarct heeft doorgemaakt. Een eventuele verdere behandeling vindt in de kliniek plaats. In dat

geval wordt de zorgvrager meestal opgenomen. Kliniek/opname

Als een zorgvrager wordt opgenomen in het zieken-

huis, terwijl er geen sprake is van een geplande dag-

Een intensive care is een specialistische afdeling

zorg en behandeling, onder andere met behulp van beademings- en bewakingsapparatuur. Sommige

ziekenhuizen hebben een highcare-unit voor intensieve vervolgbehandeling en zorg. Binnen veel zie-

kenhuizen is er een mediumcareafdeling. Deze lijkt op een ic-afdeling, maar is minder specialistisch.

Verder is er meestal een coronary-careafdeling, waar

zorgvragers worden verpleegd met complexe cardiale problematiek. Vooral grotere ziekenhuizen hebben een afdeling Nierdialyse met dagverpleging

voor het regelmatig schoonspoelen van bloed bij

15


16

Oriëntatie op het ziekenhuis

zorgvragers met nieren die niet werken. Tot slot

Radiodiagnostiek/radiotherapie

very-ruimtes. Hier verblijven zorgvragers totdat ze

nostiek door gebruik te maken van stralen of golven.

vind je er één of meerdere operatiekamers met recohelemaal uit de anesthesie zijn gekomen. Deze

ruimtes worden ook wel verkoeverkamers genoemd (verkoeveren = zich herstellen).

Ondersteunende afdelingen

Naast de grote verplegingsdiensten zijn er diverse ondersteunende medische diensten, zoals: ‚‚ anesthesie / anesthesiologie; ‚‚ ziekenhuisapotheek;

‚‚ radiodiagnostiek / radiotherapie. Anesthesie / anesthesiologie

Dit specialisme richt zich vooral op het geven van

De radiologie richt zich in de eerste plaats op diag-

Nog steeds zijn de röntgenstralen de meest gebruikte, maar tegenwoordig wordt steeds meer gebruik-

gemaakt van geluidsgolven (echografie) en magnetische velden (NMR, MR of MRI-scan). De radioloog levert dus een belangrijke bijdrage aan het stellen van een diagnose door weefsels en organen zicht-

baar te maken. Tegenwoordig wordt complexe diagnostiek vaak in samenwerking tussen de behande-

lend specialist en de radioloog gedaan. Denk bijvoorbeeld aan een hartkatheterisatie, waarbij hart en

bloedvaten in beeld gebracht worden met een team met daarin een cardioloog en een radioloog.

anesthesie: (vrij vertaald:’niet gewaar worden, niet

Laboratoria

geven van narcose, het uitschakelen van gevoel

volgende typen laboratoria:

voelen’). Anesthesiologie is echter veel meer dan het (anesthesie) en beweging van lichaamsdelen (spierverslapping) voor operatieve doeleinden. Minstens zo belangrijk is de monitoring van de zorgvrager

In de meeste ziekenhuizen vinden we meestal de ‚‚ klinisch-chemisch laboratorium;

‚‚ bacteriologisch of (medisch) microbiologisch laboratorium;

gedurende ingrepen of behandelingen waarin de

‚‚ pathologisch-anatomisch laboratorium.

worden overgenomen. Dit betekent dat de anesthe-

Klinisch-chemisch laboratorium

ger goed voorbereidt en tijdens de ingreep zorgvul-

zoals bloed en ander lichaamsvocht ten behoeve van

lichaamsfuncties (zoals hartslag en ademhaling)

sioloog (of een anesthesiemedewerker) de zorgvra-

dig bewaakt. Het werkterrein van de anesthesioloog is de operatiekamer, de intensive care, de SEH, maar ook de ‘gewone verpleegafdeling’. Ook reanimatie en de behandeling van pijn die door anderen niet goed te bestrijden is, behoren tot de taken van de anesthesioloog.

Ziekenhuisapotheek

De ziekenhuisapotheek zorgt voor bereiding en afle-

vering van medicatie aan zorgvragers in het zieken-

De klinische chemie analyseert lichaamsmateriaal

de diagnose en preventie van ziekte. Zo worden bij-

voorbeeld gehaltes bepaald van bepaalde stoffen in lichaamsvloeistoffen. Ook voor het meten van de

effecten van een behandeling verricht dit laborato-

rium belangrijke taken. Het vakgebied van de klinische chemie bestaat uit:

‚‚ de algemene klinische chemie; ‚‚ de endocrinologie; ‚‚ hematologie.

huis. Dat kunnen zowel zorgvragers zijn die zijn

Bacteriologisch of (medisch) microbiologisch

lings- of poliklinisch behandeltraject zitten.

Medische microbiologie is het specialisme dat zich

opgenomen als zorgvragers die in ene dagbehande-

laboratorium

richt op de opsporing, diagnostiek en behandeling van ziekten die worden veroorzaakt door micro-


2   Geschiedenis van de ziekenhuiszorg en voorzieningen

organismen (bacteriën, virussen, parasieten en

Functieafdelingen

essentiële bijdrage geleverd aan het inzicht dat we

menselijk lichaam. Voorbeelden van functieafdelin-

schimmels / gisten). De microbiologie heeft een tegenwoordig hebben in infectieziekten en de

bestrijding ervan. Deze wetenschap heeft ook geholpen om vaccins tegen allerlei ziekten te ontwikke-

len, waardoor ziekten als de pest, hondsdolheid, pokken en kinderverlamming vrijwel uitgeroeid of

onder controle zijn. In het laboratorium worden

lichaamsmaterialen onderzocht van zorgvragers die worden verdacht van het doormaken van een infectieziekte. Materiaal dat daarbij wordt geanalyseerd is onder meer urine, sputum, bloed, liquor en pus. Pathologisch laboratorium

Op het PA-laboratorium wordt onderzoek gedaan van

weefsels (histologie) en cellen (cytologie) die bij zorg-

vragers zijn verwijderd. Zo worden bijvoorbeeld biopten onderzocht die zijn afgenomen bij vrouwen die verdacht worden van een mammacarcinoom. Om

een diagnose te stellen wordt gebruikgemaakt van

diverse technieken. De patholoog werkt nauw samen

met de behandelend arts. Voorbeelden van onderzoek dat door een PA-laboratorium wordt uitgevoerd: ‚‚ cytologische puncties; ‚‚ sperma-analyses;

‚‚ uitstrijkjes (cervixcytologie); ‚‚ obducties.

Functieafdelingen testen specifieke functies van het gen zijn:

‚‚ De longfunctieafdeling. Op deze afdeling worden verschillende onderzoeken gedaan waarmee

onder meer de functie van de luchtwegen van

zorgvragers in kaart kunnen worden gebracht.

Met zo’n onderzoek wordt een beeld verkregen

van de inhoud, de doorgankelijkheid, de elasticiteit en de gevoeligheid van de luchtwegen. Ook kan worden vastgesteld door welke stoffen de luchtwegen vernauwen en welke medicijnen

deze vernauwing kunnen opheffen. Het onder-

zoek geeft een goed beeld van de conditie van de luchtwegen van de zorgvrager.

‚‚ De hartfunctieafdeling. Op deze afdeling worden verschillende onderzoeken gedaan waarmee

onder meer de functie van (delen van) het hart

in kaart kan worden gebracht. Onderzoeken die

op deze afdeling worden uitgevoerd zijn bijvoorbeeld het maken van een ECG (met en/of zonder inspanning, bijvoorbeeld door te fietsen op een hometrainer), een echo van het hart,

Holteronderzoek en controle van een pacemaker.

‚‚ De functieafdeling vaatonderzoek. Op deze afdeling kan de mate van doorbloeding in bloedva-

ten gemeten worden. Dat kan onder meer door

de snelheid te meten waarmee het bloed door de vaten stroomt of te kijken naar eventuele vernauwingen van bloedvaten.

Verder hebben de meeste ziekenhuizen nog andere

functieafdelingen, zoals die voor de kno- en oogheelkunde, waarbij verschillende onderzoeken kunnen worden uitgevoerd om de functie van de oren en

ogen te testen. Ook de afdeling Klinische neurofysiologie komt voor in de veel ziekenhuizen. Deze functieafdeling voert onder meer onderzoeken uit voor

de neuroloog die daarmee de functie van het zenuwFiguur 2.5

Een ziekenhuislaboratorium is een zeer technische omgeving

stelsel en de hersenen kan testen.

17


18

OriĂŤntatie op het ziekenhuis

3

Proces van intake tot beĂŤindiging van de

3.1

Inleiding

hulpverlening

Dit hoofdstuk gaat over het proces dat een zorgvrager doorloopt als hij wordt opgenomen voor een polikli-

nisch of klinisch behandeltraject in het ziekenhuis. Je leert over eventuele voorbereidingen op en rondom

de opname, indicatiestelling en diagnostiek, de opnameperiode en het ontslag. De inhoudelijke beschrijving van de behandeling en de verpleegkundige

interventies komen in dit hoofdstuk niet aan de orde.

3.2

Soorten opnames

We maken een onderscheid in een geplande opna-

me en een acute opname. Bij een geplande opname is de toestand van de zorgvrager dusdanig dat in

overleg een opnamedatum wordt geprikt. Er is geen echte haast geboden. Bij een acute opname moet de zorgvrager direct opgenomen worden omdat zijn

meestal poliklinisch de anamnese af en vinden er allerlei onderzoeken plaats. Vanaf de start van de

opname kan dan meteen worden begonnen met de

behandeling of klinische voorbereiding daarvan. Bij

de geplande opname meldt de zorgvrager zich bij de

opnamebalie, waar hij volgens de geldende procedu-

res wordt ingeschreven. Naam, adres en woonplaats, geboortedatum, gegevens over de verzekering, huisarts en specialist worden ingevoerd in het systeem. Aan de hand van deze gegevens wordt er een pons-

plaatje gemaakt ter identificatie en registratie van de zorgvrager. De opnameafdeling deelt de zorgvrager na overleg in op een verpleegafdeling en kamer. De zorgvrager krijgt vervolgens de voor de opname

noodzakelijke gegevens, een ponsplaatje en vaak een polsbandje met gegevens van de zorgvrager mee.

Daarna wordt de zorgvrager door een vrijwilliger of gastvrouw naar de verpleegafdeling begeleid of

opgehaald door iemand van/namens die afdeling.

toestand het niet toelaat dat daarmee gewacht

Zorgpaden

of de zorgvrager daadwerkelijk wordt opgenomen.

zorgpaden. Een zorgpad geeft duidelijkheid over de

wordt. In alle gevallen bepaalt de medisch specialist De huisarts kan een zorgvrager insturen met het

verzoek tot opname. Zijn initiatief kan zowel tot een geplande als acute / spoedopname leiden.

Geplande opname

Opnameprocedures verschillen per soort opname. Bij een geplande opname neemt de medisch specialist

Relatief nieuw is de ontwikkeling van zogenoemde stappen in het zorgproces. Het beschrijft welk traject een zorgvrager doorloopt en wie op welk moment wat doet. Een zorgpad is een goed hulpmiddel om elke betrokken hulpverlener duidelijk te maken

welke doelen worden nagestreefd, wat de bijbehorende interventies en verantwoordelijkheden zijn,

welke informatie aan de zorgvrager gegeven moet


3   Proces van intake tot beëindiging van de hulpverlening

worden en wat nodig is na ontslag uit het zieken-

ge diagnose proberen te stellen. Zo’n eerste diagno-

zorgvrager, maar beschrijft de wenselijke processen

genoemd. Naar aanleiding van de klachten van de

huis. Een zorgpad richt zich niet op een individuele

voor groepen zorgvragers, bijvoorbeeld mensen met COPD, borstkanker of een CVA. Een adequaat zorgpad zorgt ervoor dat:

se wordt ook wel een differentiaaldiagnose

zorgvrager voert de arts een aantal lichamelijke onderzoeken uit.

‚‚ zorgvragers kunnen profiteren van kortere

Triage

‚‚ onderzoeken goed op elkaar aansluiten;

verpleegkundige) de ernst van de klachten en sympto-

‚‚ de zorg efficiënt is georganiseerd;

Bij triage beoordeelt een professional (meestal een

wacht- en doorlooptijden;

‚‚ de verschillende betrokkenen in het zorgproces

men van een zorgvrager die op de SEH wordt binnenge-

goed met elkaar afstemmen.

bracht. Afhankelijk van de score wordt een zorgvrager vervolgens geholpen binnen de tijdslimiet die hiertoe is

Een zorgvuldig doordacht zorgpad helpt dus om een

afgesproken. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van het

geplande opname zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Er is immers voorafgaand aan de opname al

volgende schema:

duidelijk wat er moet gebeuren en wie daarbij

Urgentie

Naam

Kleur

Maximale

ten die plaatsvinden tijdens de opname optimaal op

1

Onmiddellijk Rood

0 minuten

2

Hoog urgent

Oranje

10 minuten

Zorgpaden

3

Urgent geel

Geel

60 minuten

‘Een zorgpad geeft aan wie er idealiter wat op welk

4

Standaard

Groen

120 minuten

5

Niet urgent

Blauw

240 minuten

betrokken zijn. Op die manier kunnen alle activiteielkaar afgestemd worden.

moment moet doen. Zo is er een vaste agenda mogelijk

wachttijd

en kan de patiënt en zijn familie voortdurend juist geïnformeerd worden. Op deze manier weten zowel de patiënt als de artsen en verpleegkundigen wat zij kunnen verwachten en waar zij aan toe zijn.’ Bron: prof. dr. Guus Schrijvers, hoogleraar Public Health aan het UMC Utrecht

Acute opname

Bij een acute opname zal de zorgvrager eerst op de

afdeling SEH worden gezien. Een zogenoemde triageverpleegkundige bepaalt aan de hand van een

aantal observatiecriteria hoe snel een zorgvrager

moet worden gezien door een arts of hoe lang dat

Figuur 3.1

Een acute opname kan voor een zorgvrager erg angstig zijn

kan wachten. Vervolgens zal de medisch specialist,

De meeste zorgvragers die op de SEH binnekomen,

assistenten proberen zo snel mogelijk een voorlopi-

Wanneer een opname nodig is, zal er een overdracht

in samenwerking met verpleegkundigen en arts-

gaan na het stellen van de diagnose weer naar huis.

19


20

OriĂŤntatie op het ziekenhuis

naar de verpleegafdeling plaatsvinden, waarna een

Verpleegkundige anamnese

komt ophalen. Eventueel aanvullend onderzoek

kundige zo snel mogelijk de verpleegkundige anamnese

vertegenwoordiger van de afdeling de zorgvrager

vindt daarna plaats op of vanuit de verpleegafdeling.

3.3

Medische anamnese

Na de ontvangst op de verpleegafdeling zal de verpleegafnemen. Deze heeft als doel de informatie te verzamelen die noodzakelijk is om adequate verpleegkundige zorg te kunnen plannen, uitvoeren en evalueren.

Voor de opname (bij de geplande opname veelal

3.4

medische anamnese af. In een gesprek vertelt de

Onderzoeken vormen een belangrijk onderdeel van het

aanleiding van het verhaal van de zorgvrager zal de

bonden aan het stellen van een diagnose en het inzet-

poliklinisch) of bij acute opname neemt de arts de zorgvrager aan de arts wat zijn klachten zijn. Naar

arts verdere vragen stellen. Net zoals bij de verpleegkundige anamnese is deze eerste stap een voor-

waarde in de richting van een juiste diagnose. Een

goede arts zal daarom de tijd nemen voor het afnemen van de anamnese.

Bij de anamnese onderscheiden we de volgende drie soorten:

1. De actuele anamnese waarin de arts informeert

naar de huidige klachten zoals algehele malaise, pijn en koorts.

2. De biografische anamnese, waarin de voorge-

schiedenis van de zorgvrager centraal staat (met onder meer eerdere opnames, medicatie, ingrepen of operaties).

3. De hetero-anamnese, als de anamnese bij een

ander dan de zorgvrager wordt opgenomen (bij-

voorbeeld als de zorgvrager daar zelf te ziek voor is).

Onderzoeken

aanbod van een ziekenhuis. Ze zijn onlosmakelijk verten en evalueren van de juiste behandeling. Ook kan

een onderzoek helpen om te beoordelen of een zorgvrager sterk genoeg is om een behandeling te ondergaan.

Voorbeeld Meneer Stooker is 58 jaar oud en heeft diabetes mellitus en COPD. Hij gaat geopereerd worden aan een liesbreuk. Vanwege zijn diabetes mellitus en COPD laat de chirurg hem voor de operatie (poliklinisch) ook door een internist en een longarts bekijken. De internist en longarts doen een aantal onderzoeken om te kijken of meneer Stooker de operatie goed kan doorstaan. Het is mogelijk dat de uitkomst van de onderzoeken aanleiding is om de operatie uit te stellen en de andere aandoeningen eerst te behandelen. In dit specifieke geval is het mogelijk dat de longarts meneer Stooker eerst moet behandelen voor zijn bronchitis of dat de internist zijn bloedsuikerspiegel eerst beter moet instellen. Als laatste specialist bekijkt de anesthesist alle consulten, uitslagen van onderzoeken en de gezondheidsgeschiedenis van meneer

Naast de anamnese zal de arts een algemeen lichamelijk onderzoek uitvoeren. Hierbij zal hij naar de

Stooker, voordat hij zijn fiat aan de operatie geeft.

zorgvrager kijken (inspectie), voelen of er afwijkin-

3.4.1

en/of lichaamsdelen (auscultatie) en eventueel

Na het algemeen onderzoek wordt een (voorlopige)

gegevens die worden verzameld met de medische

bevindingen van de arts. Soms is verder onderzoek

gen zijn (palpatie), luisteren naar bepaalde organen delen van het lichaam bekloppen (percussie). De

anamnese worden opgenomen in het medisch dossier (ook wel de status genoemd).

Specifiek onderzoek

medische diagnose gesteld afhankelijk van de

noodzakelijk. De meest voorkomende onderzoeken komen hierna aan bod.


3   Proces van intake tot beëindiging van de hulpverlening

Figuur 3.2

Een goede medische anamnese is een voorwaarde in de richting van een juiste medische diagnose

Normaalwaarden

Laboratoriumtesten

Enkele veel gebruikte routine bloedonderzoeken met

specialisten altijd laboratoriumtesten aanvragen.

normaalwaarde die preoperatief aangevraagd kunnen worden, zijn:  hemoglobine:  8,5-10,5 mmol (man);  7,5-9,5 mmol (vrouw).

Als er een diagnose gesteld moet worden, zullen Dit kan onderzoek zijn van urine, feces, braaksel en lichaamsvloeistoffen. Bloedonderzoek vindt altijd plaats. Ook als de diagnose al bekend is,

wordt er voor een operatie altijd bloedonderzoek verricht.

 hematocriet (Ht):  0,41-0,51 mmol (man  0,36-0,46 mmol (vrouw).

Voorbeeld

 leukocyten: 4-10 x 109/l;

Tjerk, een jongeman van 23, heeft een brommeron-

 trombocyten: 150-300 x 106/l;

geluk gehad. Hij moet geopereerd worden vanwege

 natrium: 136-146 mmol/l;

een complexe beenfractuur. Bij het ongeval heeft Tjerk

 kalium: 3,8-5,0 mmol/l;

veel bloed verloren. Hij blijkt een fors tekort aan rode

 HCO3: 22-28 mmol/l;

bloedlichaampjes te hebben. Een aantal bloedwaarden

 ureum 3,0-7,5 mmol/l;

is van belang voor de operatie en de anesthesie. Het is

 creatinine: 50-120 mmol/l;

namelijk van belang dat het bloed van Tjerk voldoende

 SGTP: <30 U/l;

rode bloedlichaampjes bevat. Deze verzorgen het zuur-

 SGOT: <30 U/l;

stoftransport in het lichaam. Als deze niet in voldoende

 glucose: 3,6-5,6 mmol/l;

mate aanwezig zijn, kan een operatie en/of anesthesie

 INR (bloedstolling): 2,5 – 5,0;

zuurstoftekort veroorzaken in de vitale organen, zoals

 BSE (bezinking erytrocyten): -20.

hersenen, hart, nieren en lever. Tjerk mag nog niet geopereerd worden. Eerst zal hij een transfusie krijgen

Figuur 3.3

De normaalwaarden van een preoperatief bloedonderzoek

met rode bloedcellen.

21


22

Oriëntatie op het ziekenhuis

Computertomografisch onderzoek (CT-scanning)

Voor een grote of ingrijpende operatie wordt

vaak gebruikgemaakt van een CT-scan. Hierbij

worden digitale afbeeldingen gemaakt van

dunne dwarsdoorsneden van het te onderzoeken lichaamsdeel. Deze afbeeldingen geven de vorm, de structuur en de ligging van alle inwendige

organen en weefsels weer. Vaak wordt er voor

de opnames gebruikgemaakt van contrastvloeistof, die via een infuus wordt ingespoten in een bloedvat.

Magnetic resonance imaging (MRI)

Bij een MRI-onderzoek worden met behulp van sterFiguur 3.4 Een CT-scan heeft een grote diagnostische waarde

De laatste jaren hebben zich in het medisch

­vakgebied veel ontwikkelingen voorgedaan op het gebied van beeldvormende technieken.

­Hoewel men nog vaak spreekt over een röntgen­

afdeling, zien we dat er ook met veel verschillende andere technieken gewerkt wordt om het men­ selijk lichaam in beeld te brengen. Zo gebruikt

men contrastvloeistoffen, magnetisme, geluids-

ke magneetvelden en radiogolven foto’s gemaakt

van organen en weefsels in het lichaam. Er komen

dus geen röntgenstralen aan te pas. MRI-onderzoek is onschadelijk en niet pijnlijk. Tijdens het onder-

zoek ligt de zorgvrager op een beweegbare onder-

zoekstafel die in een tunnel wordt geschoven. Mensen met engtevrees of claustrofobie worden extra

begeleid of krijgen voorafgaand aan het onderzoek een lichte narcose.

golven en radioactieve stoffen. Vandaar dat de

term ‘röntgenafdeling’ in steeds meer ziekenhuizen vervangen is door afdeling Beeldvormende

technieken of afdeling Radiologie. We gaan in dit

hoofdstuk dieper in op een aantal, vaak gebruikte technieken.

Angiografie

Angiografie is een röntgenonderzoek waarbij

men met contrastvloeistof bloedvaten zichtbaar maakt om er een röntgenfoto van te kunnen

maken. De contrastvloeistof wordt vaak in een

bloedvat gespoten in de arm of het been van de zorgvrager. Als er venen zichtbaar gemaakt

­moeten worden (bijvoorbeeld de venen van het

been of van de vena spermatica), spreekt men van flebografie.

Figuur 3.5

Voor mensen met claustrofobie zijn er speciale MRI-apparaten


3   Proces van intake tot beëindiging van de hulpverlening

Nucleair onderzoek

Elektrocardiogram (ECG)

radioactieve stof gebruikt wordt om organen of

prikkels van het hart, zodat dreigende of reeds aan-

Nucleair onderzoek is een röntgenonderzoek waarbij weefselstructuren zichtbaar te maken, zoals bij een scintigram. De radioactieve stof die bij het onder-

zoek wordt gebruikt is niet gevaarlijk. De hoeveel-

heid straling is zeer gering en komt overeen met die van een röntgenonderzoek.

Een elektrocardiogram (ECG) registreert elektrische wezige beschadigingen of geleidingsstoornissen

van de hartspier zichtbaar worden. De zorgvrager krijgt metalen plaatjes op de armen en benen en zuignapjes op de borst die door een gelei contact maken met de huid.

Echografie

Bij echografie worden met ultrasone geluidsgolven

signalen het lichaam in gezonden. De verschillende weefsels vervormen deze signalen en kaatsen ze terug. De teruggekaatste signalen vormen een (bewegend) beeld.

Figuur 3.7

Een elektrocardiogram (ECG)

Ergometrie

Ergometrie is een hartonderzoek waarbij de bloedvoorziening van het hart en de bloeddruk tijdens

inspanning worden geregistreerd. Bij een oplopende belasting fietst de zorgvrager zo lang mogelijk op

een hometrainer. Tijdens de inspanning worden de

hartslag en de bloeddruk voortdurend geregistreerd.

Figuur 3.6 Een echografie van een uterus met foetus

3.4.2

Functieonderzoeken

Met een functieonderzoek kan de arts inzicht krijgen in

het functioneren van bepaalde organen. We behandelen kort de meest voorkomende functieonderzoeken.

3.4.3

Interne functieonderzoeken

Bij de hierna beschreven interne functieonderzoe-

ken wordt inzicht verkregen in het functioneren van delen van het spijsverteringskanaal (slokdarm,

maag, twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke

darm, endeldarm) en organen die in de buik liggen zoals de galblaas, de galwegen en de alvleesklier.

23


24

Oriëntatie op het ziekenhuis

Coloscopie

Elektro-encefalogram (EEG)

arts de binnenkant van de gehele dikke darm bekijkt

hersenen. Tijdens het onderzoek krijgt de zorgvrager

Een coloscopie is een inwendig onderzoek waarbij de met een buigzame slang (de scoop) waaraan een

cameraatje en verschillende instrumenten bevestigd zijn. Dit onderzoek kan zowel poliklinisch als klinisch gebeuren. Soms neemt de arts een stukje weefsel (biopt) uit het darmslijmvlies weg voor

microscopisch onderzoek of worden kleine afwijkingen verwijderd. Dit laatste is niet pijnlijk omdat het slijmvlies geen zenuwcellen bevat.

Sigmoïdoscopie

Een sigmoïdoscopie lijkt veel op een coloscopie. Bij

dit onderzoek ligt de nadruk op het bekijken van het onderste deel van de dikke darm.

Gastroscopie

Bij een gastroscopie wordt een buigzame slang via de mondholte ingebracht waarmee de arts de bin-

nenkant van de slokdarm, de maag en de twaalfvingerige darm bekijkt. Soms neemt de arts een stukje weefsel (biopt) weg voor microscopisch onderzoek.

Endoscopische retrograde cholangiopancreatografie (ERCP)

Een EEG registreert de elektrische activiteit van de

zilveren plaatjes (23 stuks) op de hoofdhuid bevestigd. Hiermee wordt de hersenactiviteit geregis­

treerd. Tijdens het onderzoek wordt met bepaalde

prikkels (zoals lichtflitsen) gekeken naar de effecten op de hersenactiviteit.

3.4.5

Longfunctieonderzoek

Bij een longfunctieonderzoek wordt inzicht verkre-

gen in het functioneren van (delen van) de luchtwegen en/of de longen. De meest aangevraagde long-

functieonderzoeken worden hierna kort besproken.

Bronchoscopie

Bij een bronchoscopie bekijkt de arts de binnenkant

van de luchtwegen met een dunne buigzame slang.

De keel en de luchtwegen worden verdoofd met een spray, zodat hoesten en braakneigingen worden

onderdrukt. Vervolgens schuift de arts via de mondholte de slang in de luchtwegen. Tijdens het onderzoek kan de arts kleine stukjes weefsel afnemen voor onderzoek.

Dit onderzoek lijkt veel op een gastroscopie. De

Longfunctieonderzoek

bekeken met een buigzame slang die via de mond-

teit geregistreerd met het longfunctiemeettoestel.

afvoergang van de gal en/of de alvleesklier wordt holte naar binnen wordt gebracht. Via de slang

wordt contrastvloeistof ingebracht, waarna enkele foto’s gemaakt worden. De arts kan tijdens het

onderzoek kleine ingrepen verrichten, zoals het verwijderen van galstenen.

3.4.4

Neurofysiologisch onderzoek

Bij een neurofysiologisch onderzoek wordt inzicht verkregen in het functioneren van (delen van) de hersenen en het zenuwstelsel. Het meest aange-

vraagde neurofysiologische onderzoek wordt hierna beschreven.

Bij een longfunctieonderzoek wordt de longcapaciDe zorgvrager krijgt een mondstuk tussen de tan-

den en een klemmetje op de neus, terwijl hij enkele

ademhalingsoefeningen doet. Het mondstuk is verbonden met het apparaat.

3.4.6

Vaat(laboratorium)onderzoek

Bij een vaat(laboratorium)onderzoek wordt inzicht verkregen in het functioneren van bepaalde bloed-

vaten. Afhankelijk van de uit te voeren operatie zal

een specialist de volgende vaatonderzoeken aanvragen.


3   Proces van intake tot beëindiging van de hulpverlening

Duplexonderzoek

Bij dit onderzoek wordt gebruikgemaakt van echo-

 uitgifte middagmedicatie;  overdracht naar late dienst;

grafie en Dopplertechniek. De echografie brengt de

 rapportage.

luidsgolven de snelheid van de bloedstroom.

Tussen 16.00 en 22.00 uur

bloedvaten in beeld. De Doppler meet met ultrage-

Coronair-angiografie

Coronair-angiografie is een bloedvatonderzoek van

de kransslagaderen waarbij contrastvloeistof via een

 uitgifte avondmedicatie;  avondeten;  avondverzorging;  overdracht naar nachtdienst;

katheter (ingebracht via de arm of lies) in de slagade-

 rapportage.

eventuele afwijkingen in de kransslagaderen en de

Tussen 22.00 en 08.00 uur

ren wordt gespoten. Met röntgenapparatuur zijn

doorstroming te zien. Deze worden op film of videoband vastgelegd. Voor dit onderzoek wordt de zorgvrager opgenomen in het ziekenhuis vanwege de

risico’s en de noodzakelijke nazorg die erbij gelden.

3.5

Opnameperiode

Hoewel er per afdeling en ziekenhuis verschillen

kunnen zijn geldt op de meeste verpleegafdelingen een ritme waarin de volgende onderdelen het normale dagpatroon vormen. Tussen 07.00 en 12.00 uur  dagdienst leest dossier van de zorgvragers;  nachtdienst draagt over;  ontbijt;  uitgifte ochtendmedicatie;  uitvoeren verschillende lichaamscontroles;  ochtendverzorging;  eventueel onderzoek en behandeling;  rapportage.

 eventueel nachtmedicatie;  eventueel nachtverzorging.

3.5.1

Artsenvisite

De visite is het dagelijkse moment waarop de behandelend arts en/of diens arts-assistent de zorgvrager bezoekt aan het bed. Ter voorbereiding worden de

zorgvragers vaak met de verantwoordelijk verpleegkundige doorgesproken. Bij de visite is normaal

gesproken de verpleegkundige aanwezig die de zorgvrager kent, die bijzonderheden kan doornemen en die, als dat nodig is, als belangenbehartiger van de

zorgvrager kan optreden. Tijdens de visites wordt met de zorgvrager de (voortgang van de) behandeling

doorgesproken en kan deze zelf vragen stellen. De

visites worden meestal op vaste tijden gelopen. Als de zorgvrager de arts op een ander moment wil spreken, dan kan hij dat doorgeven aan de verpleegkundige.

3.5.2

Andere disciplines

Tijdens de ziekenhuisopname heeft de zorgvrager Tussen 12.00 en 16.00 uur  lunch;  middagverzorging;  eventueel rusten;  eventueel onderzoek en behandeling  bezoek (vaak ook, in overleg, tussen bepaalde tijden doorlopend);

altijd met artsen en verpleegkundigen te maken. De zorgvrager krijgt daarnaast mogelijk ook met andere disciplines te maken.

25


26

Oriëntatie op het ziekenhuis

We noemen er enkele, zonder er inhoudelijk op in te

deling in het ziekenhuis niets meer oplevert. Ont-

‚‚ voedingsdeskundigen (voedingsassistenten /

‚‚ zonder nabehandeling;

gaan:

diëtisten);

‚‚ fysiotherapeut;

‚‚ physician assistant (PA); ‚‚ ergotherapie;

slag kan plaatsvinden:

‚‚ met een poliklinische nabehandeling;

‚‚ met overplaatsing naar een andere instelling; ‚‚ bij overlijden van de zorgvrager.

‚‚ logopedie;

De specialist zal een recept uitschrijven als de zorg-

‚‚ afdelingsassistenten;

zorgvrager wat materiaal mee naar huis, bijvoor-

‚‚ maatschappelijk werk; ‚‚ psychologie;

‚‚ diverse specialistische verpleegkundigen; ‚‚ nurse practitioner (NP);

‚‚ overige niet-zorgvragergebonden functionarissen zoals werknemers die schoonmaken.

De samenwerking tussen de diverse betrokken disciplines is van wezenlijk belang om overlap of hiaten in de behandeling en zorgverlening te voorko-

men. Omdat de verpleegkundige altijd op de afdeling is en contact heeft met de zorgvrager coördi-

neert zij de multidisciplinaire samenwerking rondom de zorgvrager.

3.5.3

Ontslag

De specialist zal, in overleg met de zorgvrager en

eventuele andere disciplines, bepalen wanneer de zorgvrager met ontslag kan. Ontslagcriteria zijn

onder meer of de aandoening genezen is, er een stabiele toestand bereikt is of wanneer verdere behan-

vrager medicijnen nodig heeft. Eventueel krijgt de beeld om een wond te kunnen verschonen totdat

deze thuis door iemand zijn gehaald. De specialist zal met een ontslagbrief de huisarts informeren

over het verblijf in het ziekenhuis. Deze brief kan worden meegegeven met de zorgvrager, maar

wordt tegenwoordig steeds meer digitaal verstuurd. Een belangrijk onderdeel van het ontslagproces is het ontslaggesprek dat de verpleegkundige voert

met de zorgvrager. In het ontslaggesprek worden de ervaringen van de zorgvrager opgetekend: wat ging

goed, wat kan verbeteren, welke tips heeft een zorgvrager om de behandeling en zorg aangenamer te

maken, enzovoort. Bij de beëindiging van het hulpverleningsproces zal de verpleegkundige afscheid

nemen van de zorgvrager en zijn naasten of familie. Eventueel wordt vervoer geregeld (ambulance, taxi, speciaal ziekenvervoer, enzovoort). Meestal zorgt een afdelingssecretaresse bij het vertrek dat alle

benodigde papieren met de zorgvrager meegaan: brief voor de huisarts, recepten, medicijnkaart, enzovoort.

3.5.4

Nazorg

Wanneer de zorgvrager nazorg nodig heeft en zich bijvoorbeeld moet houden aan speciale leefregels, worden deze door de verpleegkundige met hem bespro-

ken. Als er sprake is van ontslag naar een andere zorgorganisatie, zal er ook een overdracht meegaan waar-

in relevante medische, verpleegkundige en eventuele andere informatie gedocumenteerd staat. Ook wanFiguur 3.8 Bij een opname hoort netjes afscheid nemen

neer er professionele nazorg nodig is, bijvoorbeeld


3   Proces van intake tot beëindiging van de hulpverlening

door een wijkverpleegkundige, zal dit geregeld moe-

ten zijn als de zorgvrager met ontslag gaat. Tijdig anticiperen op ontslag is dus noodzakelijk om een situatie te voorkomen waarin de zorgvrager is uitbehandeld maar nog niet ergens anders terecht kan. De meeste

thuiszorgorganisaties hebben een speciale functionaris in dienst die als bemiddelaar optreedt tussen ziekenhuis en thuiszorg. Ook deze functionaris dient eigenlijk al bij opname te worden ingeschakeld.

Figuur 3.9 De nieuwe versie van de homepagina www.medicinfo.nl

27


28

OriĂŤntatie op het ziekenhuis

4

Het verpleegkundig proces in het ziekenhuis

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we kort en bondig de

methodische stappen van het verpleegkundig proces in het ziekenhuis. We staan stil bij de verschil-

lende fasen in het proces en de uitwerking daarvan in de ziekenhuissetting. Inhoudelijk staan we niet

lang stil bij de verschillende stappen. Meer gedetail-

leerde informatie vind je in eerder behandelde theorie over het verpleegplan.

4.2

Opname

Bij een spoedopname ligt de zaak meestal anders. De zorgvrager komt dan meestal via de afdeling SEH

binnen. Omdat er niets is voorbereid, moet er direct

gekeken worden welke handelingen als eerste moeten worden uitgevoerd om het zorg- en behande-

lingsproces te starten. Meestal vormt de overdracht vanuit de SEH hiervoor het uitgangspunt omdat

daar al een beeld van de zorgvrager is gevormd. Ook bij een spoedopname zal op zeker moment een anamnese worden afgenomen.

4.3

Anamnesegesprek

Een opname in een ziekenhuis gebeurt niet altijd op

Het opnamegesprek vormt feitelijk het begin van de

zorgvrager zich bij de opnamebalie, wordt er voor een

in een ziekenhuis doen zich regelmatig situaties

dezelfde wijze. Bij een geplande opname meldt een ponsplaatje gezorgd en zal hij naar de betreffende

verpleegafdeling gebracht worden. Het ponsplaatsje bevat de persoonlijke gegevens van de zorgvrager

(naam, geboortedatum, adres, huisarts, verzekering, enzovoort.). De afdeling is voorbereid, weet waar de

zorgvrager komt te liggen en heeft vaak al de nodige gegevens in een (al dan niet bestaand) dossier. De

afdeling zal de zorgvrager welkom heten, deze voor-

zien van een polsbandje en hem informeren over een

aantal belangrijke zaken over de afdeling en opname.

Op het polsbandje staan naam en geboortedatum van de zorgvrager en eventueel ook de afdeling. Vervol-

gens kan het anamnesegesprek afgenomen worden.

professionele relatie met de zorgvrager. Bij opname voor waarin de zorgvrager zelf niet of niet goed in

staat is de anamnesevragen goed te beantwoorden. Je kunt in dat geval kiezen voor het afnemen van

een heteroanamnese, waarbij je ook familie of naas-

ten van de zorgvrager om informatie vraagt. De verzamelde gegevens gebruik je voor het stellen van

een verpleegkundige diagnose, het plannen en uit-

voeren van de verpleegkundige zorginterventies en het evalueren van de verleende zorg.

In een algemeen ziekenhuis richt een verpleegkundige zich vooral op de zorgproblemen die ontstaan (zijn) als gevolg van de medische problematiek waarvoor een zorgvrager opgenomen is.


4   Het verpleegkundig proces in het ziekenhuis

Verschillen per opname: gepland of niet?

Wanneer geen of nauwelijks gegevens bekend zijn

anamnesegegevens al bekend vanuit de pre- of poli-

ledige anamnese geïndiceerd. Een geplande opname

Bij een geplande opname zijn vaak de belangrijkste

klinische fase. Met name gegevens van de zorgvrager met zijn aandoening zijn dan al bekend. In veel zie-

kenhuizen hebben gespecialiseerde verpleegkundi-

gen, nurse practitioners (NP’s) en andere specialisten

vanuit de periode voor de opname, is een meer volkun je voorbereiden:

‚‚ door je werk zo te organiseren dat je tijd hebt om het opnamegesprek zonder storing door andere werkzaamheden uit te voeren;

in het verpleegkundig vakgebied, een belangrijke rol

‚‚ door een rustige ruimte te zoeken om bij de zorg-

opname. De informatie die zij verzamelen worden

‚‚ door tijd te plannen om de anamnesegegevens

om zorgvragers voor te bereiden op een klinische

ingevoerd in het verpleegkundig dossier zodat bij de klinische opname kan worden volstaan met een

vrager de anamnese af te nemen; rustig uit te werken.

korte anamnese. In die anamnese ligt dan het accent

Bij een spoedopname ligt dit moeilijker. Vaak moet er

Tijdens zo’n korte anamnese wordt ook gecheckt of

seren en is er in het begin weinig tijd om uitgebreid

op specifieke informatie over de opnameperiode. de gegevens nog actueel zijn.

Voorbeeld Mevrouw Van Lith is al enkele jaren bekend met multiple sclerose en een ‘vaste klant’ op de polikliniek Neurologie. Janna, de MS-verpleegkundige van de poli, kent mevrouw Van Lith goed. Ze heeft enkele keren per jaar contact met haar als zij op de poli komt. Janna kent alle specifieke ziekteaspecten van mevrouw Van Lith. Als mevrouw Van Lith plotseling wordt opgenomen met een longontsteking, staan de meeste gegevens over haar al in haar dossier. De verpleegkundige die de anamnese afneemt gebruikt de gegevens uit dit dossier als uitgangspunt voor de anamnese en beperkt zich tot een aantal specifieke zaken die nog niet bekend zijn.

eerst gehandeld worden om de zorgvrager te stabili-

met een zorgvrager in gesprek te gaan. Ook de manier waarop een zorgvrager op de afdeling komt is van

grote invloed op de wijze waarop de anamnese kan worden uitgevoerd. Zo worden zorgvragers die met

een ambulance naar het ziekenhuis komen (vaak via

de SEH) op de verpleegafdeling meteen in bed gelegd. Er is bij deze opnames meestal geen tijd om zorgvra-

gers even rustig apart te nemen voor een opnamegesprek. Toch is juist deze fase, ook bij een acute opna-

me, essentieel om uiteindelijk een goede zorgvraag te kunnen analyseren. Het afnemen van een anamnese bij spoedopnames vraagt in veel gevallen een speci-

fieke zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat de privacy

van de zorgvrager in het geding is en de gegevens uit de anamnese niet voor anderen bestemd zijn.

Voorbereiding via internet

Voorbeeld

Digitalisering van zorgprocessen heeft de toekomst. Met

Mevrouw Sartani, een vrouw van 80 jaar, is van haar fiets

hulp van moderne technologie wordt in ziekenhuizen al

en op haar hoofd gevallen en wordt met de ambulance naar

gebruikgemaakt van digitale opnamevoorbereiding. Zo

het ziekenhuis gebracht. Ze komt, via de afdeling SEH, naar

kunnen zorgvragers bijvoorbeeld thuis al een lijst met

de afdeling Neurologie. Mevrouw is verward, heeft een lage

anamnesevragen invullen. Deze activiteiten hoeven niet

tensie, een hoge pols en ziet grauw. Gretha, de verpleegkun-

meer in het ziekenhuis plaats te vinden, waardoor het

dige van Neurologie die mevrouw Van de SEH komt ophalen,

opnameproces aanzienlijk efficiënter kan verlopen. Zeker

besluit geen uitgebreide anamnese te doen, maar zich voor-

als er sprake is van een digitaal dossier, zijn ook de gege-

lopig te richten op de observatie van de vitale functies van

vens meteen op de juiste plaats aanwezig.

mevrouw Sartani. Dat vindt ze de hoogste prioriteit hebben.

29


30

Oriëntatie op het ziekenhuis

Voorbeeld

Voorbeeld

Trijntje, een meisje van 18 jaar, wordt tijdens het be­-

Meneer Traksel wordt opgenomen na een hartinfarct te

zoek­uur met spoed op de afdeling Interne geneeskun-

hebben doorgemaakt. Hij is relatief jong: 55 jaar. Zijn

de opgenomen. Op de SEH is haar maag leeggepompt

vrouw vergezelt hem bij de opname. Beiden maken een

nadat ze heeft geprobeerd zich van het leven te bero-

angstige indruk en vertellen aan de verpleegkundige dat

ven met medicijnen. Het is razend druk op de afdeling,

ze verschrikkelijk bang zijn dat dit nog een keer gebeurt.

die ook nog eens helemaal vol ligt. Op de vierper-

Anja voert het opnamegesprek. Ze staat uitgebreid stil bij

soonskamer waar Trijntje komt te liggen is veel bezoek

alle vragen uit de anamnese omdat ze ziet dat meneer

voor de andere zorgvragers. Dirk, die de zorg heeft

Traksel helemaal uit zijn normale doen is. Anja is ruim een

voor deze kamer, vindt dat hij het niet kan maken om

uur in gesprek met meneer Traksel en zijn vrouw en heeft

het opnamegesprek met Trijntje te voeren op de kamer.

dan pas het idee dat ze voldoende informatie heeft om de

Hij besluit Trijntje met bed en al even te ver­huizen naar

juiste zorgvragen te kunnen formuleren.

een lege overdrachtsruimte op de afdeling. Later hoort hij van Trijntje hoezeer zij dat gewaardeerd heeft. Verschillen per opname: kort of langverblijf

De duur van een opname is van invloed op de anamnese van een zorgvrager. Wanneer deze slechts kort wordt opgenomen (maximaal enkele dagen) is een korte / bondige anamnese meestal voldoende. Bij een langer durende opname is en meer volledige

anamnese geïndiceerd. Voor de verschillende typen

opname (korter / langer) worden vaak verschillende

Controles bij opname

Bij opname in een ziekenhuis voer je als verpleegkundige een aantal controles uit. In het algemeen meet je het volgende: ‚‚ pols;

‚‚ bloeddruk;

‚‚ temperatuur; ‚‚ gewicht; ‚‚ lengte.

anamneseformulieren gebruikt. Het onderscheid zit

Aanvullend hieraan worden vaak de volgende vra-

als wel in de mate van diepgang waarop hier over

‚‚ Welke medicatie gebruikt u?

vaak niet zozeer in de onderwerpen van de vragen wordt doorgevraagd.

Voorbeeld Mohammed wordt opgenomen voor een kleine corrigerende ingreep aan zijn voet. Naar verwachting zal hij twee dagen in het ziekenhuis blijven. Het anamnesegesprek duurt een kwartiertje. De verpleegkundige die het gesprek

gen aan de zorgvrager gesteld.

‚‚ Gebruikt u bloedverdunners?

‚‚ Wanneer heeft u voor het laatst ontlasting gehad?

‚‚ Bent u ergens allergisch voor?

‚‚ Heeft u recent voor een langere periode (langer

dan een dag) in een buitenlands ziekenhuis gelegen (in verband met mogelijk starten van MRSA-protocol)?

voert stelt een aantal korte vragen over de gezondheidstoestand van Mohammed. Ze informeert hem over de belangrijkste zaken van de opnameperiode, de ingreep en de nazorg en vraagt Mohammed zich te melden als iets hem niet duidelijk is.

4.4

Zorgvragen en doelen

De volgende stap in het verpleegkundig proces is

het beschrijven van de zorgvraag, ook wel de ver-

pleegkundige diagnose genoemd. In een ziekenhuis

Ziekenhuis deel 1 niveau 4  

Ziekenhuis deel 1 bevat, samen met deel 2, alle theorie die nodig is om als beginnend beroepsbeoefenaar in de ziekenhuisbranche aan het werk...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you