Page 1

Nederlands als tweede taal voor anderstaligen in het voortgezet onderwijs

Met Zebra+ leer je Nederlands. Je leert de taal om in Nederland te kunnen wonen en naar school te gaan. Je kunt met Zebra+ veel zelf werken. Er zijn veel oefeningen op de computer. Je oefent de woorden op de computer, je kunt luisteren en video’s bekijken. In dit boek kun je oefenen met spreken en schrijven in alledaagse situaties. Dat doe je met andere leerlingen in je klas en met de docent. Zo krijg je alles onder de knie! Zebra+ bestaat uit 4 delen. In dit boek werk je tot niveau A1. Bij deze uitgave hoort een online leerplatform: www.nt2plus.nl.

DEEL 1

DEEL 1

Nederlands voor 12-18 jarige anderstalige jongeren in de basisvorming

Nederlands als tweede taal voor anderstaligen in het voortgezet onderwijs Basisleergang Inburgeringsexamen 0-A1

9 789006 312560

3205_NT2_Covers_Zebra+_Deel1.indd All Pages

14/09/17 09:17


deel 1 Nederlands als tweede taal voor anderstaligen in het voortgezet onderwijs Basisleergang Inburgeringsexamen 0 – A1


02

INHOUD

COLOFON

COLOFON Auteurs Lies Alons Nannette Bienfait Astrid Kraal Folkert Kuiken Marianne Molendijk Willemijn Vernout Redactie Lizet Penson, Pentaal Tekst en redactie, Oosterwolde, in samenwerking met Lies Alons Ontwerp en opmaak Studio Fraaj, Rotterdam Illustraties Anjo Mutsaars, Groningen Fotografie Peter Bak – omslagfotografie Isis Vaandrager – styling t.b.v. de omslagfotografie Foto's binnenwerk: verantwoording op blz. 288 Online platform Enigmatry, Rotterdam Bij alle uitgaven van Zebra hoort een digitale applicatie: http://www.nt2plus.nl Klantenservice uitgeverij ThiemeMeulenhoff: 033 - 448 3700

INHOUD Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

04 22

School

HOOFDST UK 2

Thuis

ISBN 9789006312560 Tweede editie, eerste oplage, 2017 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te ­regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die des­ondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, ­kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden

50 72 112 144 178 208 253

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde manier heeft plaatsgevonden.

HOOFDST UK 1

HOOFDST UK 3

Getallen

HOOFDST UK 4

Het lichaam HOOFDST UK 5

Buiten

HOOFDST UK 6

Dagen, weken... HOOFDST UK 7

Wie ben je? HOOFDST UK 8

Hoe voel je je?

Antwoorden

03


02

INHOUD

COLOFON

COLOFON Auteurs Lies Alons Nannette Bienfait Astrid Kraal Folkert Kuiken Marianne Molendijk Willemijn Vernout Redactie Lizet Penson, Pentaal Tekst en redactie, Oosterwolde, in samenwerking met Lies Alons Ontwerp en opmaak Studio Fraaj, Rotterdam Illustraties Anjo Mutsaars, Groningen Fotografie Peter Bak – omslagfotografie Isis Vaandrager – styling t.b.v. de omslagfotografie Foto's binnenwerk: verantwoording op blz. 288 Online platform Enigmatry, Rotterdam Bij alle uitgaven van Zebra hoort een digitale applicatie: http://www.nt2plus.nl Klantenservice uitgeverij ThiemeMeulenhoff: 033 - 448 3700

INHOUD Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

04 22

School

HOOFDST UK 2

Thuis

ISBN 9789006312560 Tweede editie, eerste oplage, 2017 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te ­regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die des­ondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, ­kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden

50 72 112 144 178 208 253

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde manier heeft plaatsgevonden.

HOOFDST UK 1

HOOFDST UK 3

Getallen

HOOFDST UK 4

Het lichaam HOOFDST UK 5

Buiten

HOOFDST UK 6

Dagen, weken... HOOFDST UK 7

Wie ben je? HOOFDST UK 8

Hoe voel je je?

Antwoorden

03


H O O F DST UK 2

Thuis


H O O F DST UK 2

Thuis


24

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

Les 1

3

THUIS

LES 1

Doen! Lees de vragen van Jamal, de broer van Suna. Lees de antwoorden van Suna. Zoek de vraag en het antwoord bij elkaar. Schrijf de antwoorden op. Vragen van Jamal 1 Hoe heet ze? 2

Hoe ken je Ruth?

3 Zit je naast Ruth in de klas? 4 Woont haar familie ook in Nederland? 5 Hoe oud is zij? Antwoorden van Suna a 14 jaar. b Nee, ze zit alleen. c Ja, ze woont samen met haar vader, haar moeder en haar broers. d Ze zit in mijn klas. e Ruth.

Wat leer je?

- Woorden over familie en vrienden. - Vragen over vrienden begrijpen (Hoe heet je vriendin?). - Opdrachten in de klas begrijpen (Pak een pen. Teken een tas op het bord.). - Informatie over familie begrijpen (Ik heb een broer.). - Vragen over jouw vrienden begrijpen (Hoe heet jouw vriend?).

4

1 In oefening 2 luister je naar Suna en haar broer. Je moet de vragen tellen. Kun je dat? Kruis aan.

1 1 Kijk naar de plaatjes op de themaplaat. Gaan de lessen over school?  ja  nee

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

2 In oefening 3 lees je de vragen van de broer van Suna. Je leest ook de antwoorden van Suna. Je moet de vraag en het antwoord bij elkaar zoeken. Kun je dat?

Introductie

Hoe gaat het?

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Opdrachten in de klas begrijpen

2 De leraar vertelt over vrienden en familie. Kijk en luister.

Maak op de computer de oefeningen van Vragen over familie begrijpen.

Vragen over familie begrijpen

2

Hoe moet het? Suna is thuis. Ze praat met haar broer. Luister naar het gesprek. Hoor je een vraag? Tel de vragen.

5

Hoe moet het? 1 Luister naar de leraar. De leraar geeft een opdracht. Kijk naar de leraar. De leraar doet een opdracht. 2 Hoor je de opdracht? Kruis aan.  Ik pak zijn pen. Ik leg zijn pen op de grond.  Ik geef een boek aan een meisje.  Ik heb een tas.

 Ik teken een dier op het bord.  Ik pak haar pen.  Ik loop naar een jongen.

25


24

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

Les 1

3

THUIS

LES 1

Doen! Lees de vragen van Jamal, de broer van Suna. Lees de antwoorden van Suna. Zoek de vraag en het antwoord bij elkaar. Schrijf de antwoorden op. Vragen van Jamal 1 Hoe heet ze? 2

Hoe ken je Ruth?

3 Zit je naast Ruth in de klas? 4 Woont haar familie ook in Nederland? 5 Hoe oud is zij? Antwoorden van Suna a 14 jaar. b Nee, ze zit alleen. c Ja, ze woont samen met haar vader, haar moeder en haar broers. d Ze zit in mijn klas. e Ruth.

Wat leer je?

- Woorden over familie en vrienden. - Vragen over vrienden begrijpen (Hoe heet je vriendin?). - Opdrachten in de klas begrijpen (Pak een pen. Teken een tas op het bord.). - Informatie over familie begrijpen (Ik heb een broer.). - Vragen over jouw vrienden begrijpen (Hoe heet jouw vriend?).

4

1 In oefening 2 luister je naar Suna en haar broer. Je moet de vragen tellen. Kun je dat? Kruis aan.

1 1 Kijk naar de plaatjes op de themaplaat. Gaan de lessen over school?  ja  nee

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

2 In oefening 3 lees je de vragen van de broer van Suna. Je leest ook de antwoorden van Suna. Je moet de vraag en het antwoord bij elkaar zoeken. Kun je dat?

Introductie

Hoe gaat het?

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Opdrachten in de klas begrijpen

2 De leraar vertelt over vrienden en familie. Kijk en luister.

Maak op de computer de oefeningen van Vragen over familie begrijpen.

Vragen over familie begrijpen

2

Hoe moet het? Suna is thuis. Ze praat met haar broer. Luister naar het gesprek. Hoor je een vraag? Tel de vragen.

5

Hoe moet het? 1 Luister naar de leraar. De leraar geeft een opdracht. Kijk naar de leraar. De leraar doet een opdracht. 2 Hoor je de opdracht? Kruis aan.  Ik pak zijn pen. Ik leg zijn pen op de grond.  Ik geef een boek aan een meisje.  Ik heb een tas.

 Ik teken een dier op het bord.  Ik pak haar pen.  Ik loop naar een jongen.

25


26

HOOFDSTUK 2

6

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

Doen!

Kijk, luister en teken.

7

10

1 In oefening 5 moet je luisteren en kijken naar opdrachten. De leraar zegt: ‘Ik pak een pen.’ Je hoort de opdracht. Je kruist de zin aan. Kun je dat?

3 Hoe oud is Aras? 7 Helpt Ruud Ameer met Nederlands leren?  12 jaar.  ja  14 jaar.  nee

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

4 Heeft Ameer nog meer vrienden? 8 Hoe kent Ameer Erman?  Ja, zijn vrienden heten Ruud en Erman.  Ze zitten bij elkaar in de klas.  Ja, zijn broer heet David.  Ze zijn broers.

8 1 Lees de woorden. Kies twee woorden.

samen / alleen mens / dier

11

3 Luister en geef antwoord.

Vragen over vrienden begrijpen 9

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 De conciërge praat met Ameer. Lees de zinnen. Kruis de vragen aan.

 Ik begrijp de vragen goed.  Ik begrijp de vragen een beetje.  Ik begrijp de vragen nog niet goed.

2 In oefening 10 lees je vragen. Je moet het goede antwoord bij de vragen zoeken. Kun je dat? Kruis aan.

Hoe moet het?

Hoe gaat het? 1 In oefening 9 praat meneer Batenburg, de conciërge, met Ameer. Hij vraagt aan Ameer: ‘Heb je een nieuwe vriend? Hoe oud is je vriend? Hoe heet je vriend?’ Begrijp je de vragen van meneer Batenburg? Kruis aan.

2 Knip plaatjes uit. Plak de plaatjes op.

Doen!

2 Zit Aras bij Ameer in de klas? 6 Hoe lang woont Ruud in Nederland?  Nee, hij zit in een andere klas.  20 jaar.  Nee, hij zit op een andere school.  15 jaar.

2 In oefening 6 zegt de leraar: ‘Pak een pen. Teken een dier. Wijs naar het dier. Veeg het dier uit.’ Kun je dat? Kruis aan.

oud / jong klein / groot

             

Hallo Ameer, hoe gaat het met je? Ik ga naar huis. Heb je al nieuwe vrienden in Nederland? Hoe heb je ze leren kennen? Ik ben mevrouw Goedhart. Hoe oud is hij? Dit is Aras. Zit hij in jouw klas? Ik heb twee broers. En je andere vrienden. Hoe heten zij? Woont hij al lang in Nederland? Helpt hij je met je huiswerk? Mijn vriend heet Ruud. Zitten zij in jouw klas?

2 Luister naar het gesprek tussen de conciërge en Ameer. Zijn jouw antwoorden goed?

27

1 Heeft Ameer nieuwe vrienden in Nederland? 5 Zit Ruud bij Ameer in de klas?  Ja, drie vrienden.  Nee, ze wonen bij elkaar in de straat.  Nee, vijf vrienden.  Ja, ze zitten naast elkaar in de klas.

Hoe gaat het?

LES 1

2 Luister nog een keer. Lees de vragen. Kruis het antwoord aan.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

THUIS

12

Hoe moet het? Kies de vragen over vrienden. Kruis aan.  Hoe heet jouw vriend of  Zit je in de klas naast jouw vriendin? vriend of of vriendin?  Hoe heet jij?  Hoe heet jouw school?  Woont jouw vriend of  Dit is mijn vriendin. vriendin in jouw straat?  Woont jouw vriend of vriendin  Hoe oud is jouw in Nederland? vriend of vriendin?  Hoe heet dit spel?  Ben jij een jongen?  Hoe lang ken je jouw  Zit jouw vriend of vriendin vriend of vriendin? op jouw school?


26

HOOFDSTUK 2

6

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

Doen!

Kijk, luister en teken.

7

10

1 In oefening 5 moet je luisteren en kijken naar opdrachten. De leraar zegt: ‘Ik pak een pen.’ Je hoort de opdracht. Je kruist de zin aan. Kun je dat?

3 Hoe oud is Aras? 7 Helpt Ruud Ameer met Nederlands leren?  12 jaar.  ja  14 jaar.  nee

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

4 Heeft Ameer nog meer vrienden? 8 Hoe kent Ameer Erman?  Ja, zijn vrienden heten Ruud en Erman.  Ze zitten bij elkaar in de klas.  Ja, zijn broer heet David.  Ze zijn broers.

8 1 Lees de woorden. Kies twee woorden.

samen / alleen mens / dier

11

3 Luister en geef antwoord.

Vragen over vrienden begrijpen 9

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 De conciërge praat met Ameer. Lees de zinnen. Kruis de vragen aan.

 Ik begrijp de vragen goed.  Ik begrijp de vragen een beetje.  Ik begrijp de vragen nog niet goed.

2 In oefening 10 lees je vragen. Je moet het goede antwoord bij de vragen zoeken. Kun je dat? Kruis aan.

Hoe moet het?

Hoe gaat het? 1 In oefening 9 praat meneer Batenburg, de conciërge, met Ameer. Hij vraagt aan Ameer: ‘Heb je een nieuwe vriend? Hoe oud is je vriend? Hoe heet je vriend?’ Begrijp je de vragen van meneer Batenburg? Kruis aan.

2 Knip plaatjes uit. Plak de plaatjes op.

Doen!

2 Zit Aras bij Ameer in de klas? 6 Hoe lang woont Ruud in Nederland?  Nee, hij zit in een andere klas.  20 jaar.  Nee, hij zit op een andere school.  15 jaar.

2 In oefening 6 zegt de leraar: ‘Pak een pen. Teken een dier. Wijs naar het dier. Veeg het dier uit.’ Kun je dat? Kruis aan.

oud / jong klein / groot

             

Hallo Ameer, hoe gaat het met je? Ik ga naar huis. Heb je al nieuwe vrienden in Nederland? Hoe heb je ze leren kennen? Ik ben mevrouw Goedhart. Hoe oud is hij? Dit is Aras. Zit hij in jouw klas? Ik heb twee broers. En je andere vrienden. Hoe heten zij? Woont hij al lang in Nederland? Helpt hij je met je huiswerk? Mijn vriend heet Ruud. Zitten zij in jouw klas?

2 Luister naar het gesprek tussen de conciërge en Ameer. Zijn jouw antwoorden goed?

27

1 Heeft Ameer nieuwe vrienden in Nederland? 5 Zit Ruud bij Ameer in de klas?  Ja, drie vrienden.  Nee, ze wonen bij elkaar in de straat.  Nee, vijf vrienden.  Ja, ze zitten naast elkaar in de klas.

Hoe gaat het?

LES 1

2 Luister nog een keer. Lees de vragen. Kruis het antwoord aan.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

THUIS

12

Hoe moet het? Kies de vragen over vrienden. Kruis aan.  Hoe heet jouw vriend of  Zit je in de klas naast jouw vriendin? vriend of of vriendin?  Hoe heet jij?  Hoe heet jouw school?  Woont jouw vriend of  Dit is mijn vriendin. vriendin in jouw straat?  Woont jouw vriend of vriendin  Hoe oud is jouw in Nederland? vriend of vriendin?  Hoe heet dit spel?  Ben jij een jongen?  Hoe lang ken je jouw  Zit jouw vriend of vriendin vriend of vriendin? op jouw school?


28

HOOFDSTUK 2

13

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

Doen!

16

Schrijf de vragen over vrienden van oefening 12 op. Geef antwoord op de vragen.

THUIS

LES 1

Doen! Luister nog een keer. Schrijf de namen op de goede plaats.

1

(vader/opa)

2

(zus)

3

(moeder/oma)

Tineke Koster (vrouw)

(man)

(jongen)

4

(meisje)

5

17

1 In oefening 15 luister je naar mevrouw Koster. Je moet zeggen waar ze over praat. Kun je dat? Kruis aan.

6

Hoe gaat het?

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

7

2 In oefening 16 moet je de namen van de familie goed opschrijven. Kun je dat? 14

Hoe gaat het?

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 In oefening 12 moet je vragen over vrienden aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 13 moet je antwoord geven op de vragen. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Maak op de computer de oefeningen van Vragen over vrienden begrijpen.

Huiswerk

18 Lees de vragen. Praat met een leraar. Begin met jouw naam. Schrijf het antwoord op.

1 Hallo, ik ben

2 Hoe heet u?

3 Bent u getrouwd?

4 Heeft u een grote familie?

5 Heeft u een huisdier?

Informatie begrijpen

15

Hoe

moet het?

Luister naar mevrouw Koster. Geef antwoord. Mevrouw Koster praat over:  school  haar vrienden  haar familie

29


28

HOOFDSTUK 2

13

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

Doen!

16

Schrijf de vragen over vrienden van oefening 12 op. Geef antwoord op de vragen.

THUIS

LES 1

Doen! Luister nog een keer. Schrijf de namen op de goede plaats.

1

(vader/opa)

2

(zus)

3

(moeder/oma)

Tineke Koster (vrouw)

(man)

(jongen)

4

(meisje)

5

17

1 In oefening 15 luister je naar mevrouw Koster. Je moet zeggen waar ze over praat. Kun je dat? Kruis aan.

6

Hoe gaat het?

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

7

2 In oefening 16 moet je de namen van de familie goed opschrijven. Kun je dat? 14

Hoe gaat het?

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 In oefening 12 moet je vragen over vrienden aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 13 moet je antwoord geven op de vragen. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Maak op de computer de oefeningen van Vragen over vrienden begrijpen.

Huiswerk

18 Lees de vragen. Praat met een leraar. Begin met jouw naam. Schrijf het antwoord op.

1 Hallo, ik ben

2 Hoe heet u?

3 Bent u getrouwd?

4 Heeft u een grote familie?

5 Heeft u een huisdier?

Informatie begrijpen

15

Hoe

moet het?

Luister naar mevrouw Koster. Geef antwoord. Mevrouw Koster praat over:  school  haar vrienden  haar familie

29


30

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

19 1 Luister naar de leraar. 2 Ken je deze woorden? Kruis aan.                      

de baby  de vriend de broer  de vriendin de cirkel  de zus het dier de familie  horen de foto  kiezen het gezin  (op)plakken de hond  tekenen het huis  (uit)knippen het huisdier  (uit)vegen het huiswerk  vertellen het jaar  wonen het kind  zoeken de mens de moeder  alleen de oma  bij de oom  elkaar de opa  getrouwd de poes  groot de straat  haar de tante  heel de vader  hij

LES 2

Les 2

Afsluiting

THUIS

 jong  jouw  klein  lang  lief  naast  Nederlands  nieuw  of  oud  prima  prima  thuis  u  van  we  wij  ze  zij  zijn

Wat leer je?

- Opdrachten lezen en doen (Wijs naar het huis.). - Informatie over een kamer begrijpen (Ik heb een kleine kamer.). - Vragen over buren begrijpen (Hoe heten jouw buren?). - Vragen over jouw huis begrijpen (Is dit jouw huis?). - Woorden over het huis. - Opdrachten in de klas begrijpen (Pak het schrift uit de kast.).

Introductie

1 De leraar vertelt over de lessen. Luister en kijk.

2 Luister, kijk en wijs.

Opdrachten in de klas begrijpen

3

Hoe moet het? Kijk naar de leraar. Luister. Kruis aan. 1 De leraar maakt vragen.

 waar  niet waar

31


30

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 1

19 1 Luister naar de leraar. 2 Ken je deze woorden? Kruis aan.                      

de baby  de vriend de broer  de vriendin de cirkel  de zus het dier de familie  horen de foto  kiezen het gezin  (op)plakken de hond  tekenen het huis  (uit)knippen het huisdier  (uit)vegen het huiswerk  vertellen het jaar  wonen het kind  zoeken de mens de moeder  alleen de oma  bij de oom  elkaar de opa  getrouwd de poes  groot de straat  haar de tante  heel de vader  hij

LES 2

Les 2

Afsluiting

THUIS

 jong  jouw  klein  lang  lief  naast  Nederlands  nieuw  of  oud  prima  prima  thuis  u  van  we  wij  ze  zij  zijn

Wat leer je?

- Opdrachten lezen en doen (Wijs naar het huis.). - Informatie over een kamer begrijpen (Ik heb een kleine kamer.). - Vragen over buren begrijpen (Hoe heten jouw buren?). - Vragen over jouw huis begrijpen (Is dit jouw huis?). - Woorden over het huis. - Opdrachten in de klas begrijpen (Pak het schrift uit de kast.).

Introductie

1 De leraar vertelt over de lessen. Luister en kijk.

2 Luister, kijk en wijs.

Opdrachten in de klas begrijpen

3

Hoe moet het? Kijk naar de leraar. Luister. Kruis aan. 1 De leraar maakt vragen.

 waar  niet waar

31


32

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 2

2 Lees de woorden. Hoor je het woord? 4

   

het dak het huis de keuken de muur

 de kamer  de moeder  tuin  het schrift

1 Luister naar de opdrachten. Doe mee. 2 Kijk naar de leraar. Is het waar of is het niet waar?

5

5 6 7 8

Waar    

Niet waar    

Ik begrijp de opdracht goed. Ik begrijp de opdracht een beetje. Ik begrijp de opdracht nog niet goed.

6

 ak de plaatjes van het huis. Jullie gaan elkaar opdrachten geven. Kies 1 of 2. Een P leerling geeft de opdrachten. De andere leerling doet de opdrachten. 1 Lees de opdrachten. Geef de opdrachten aan de andere leerling. Pak de stoel. Pak het bed. Leg de stoel naast het bed. Pak de bank en de tv. Leg de tv boven de bank. Pak het bureau. Draai het bureau om. Kijk naar de plaatjes. Heb jij dit in jouw huis?

Pak het hek. Pak de deur. Leg het hek naast de deur. Pak de bel en de radio. Leg de bel boven de radio. Pak de bank. Draai de bank om. Kijk naar de plaatjes. Heb jij dit in jouw huis?

8  Hoe

gaat het?

2 In oefening 4 zegt de leraar: ‘Pak een krijtje. Teken een huis en een dier op het bord. Veeg het huis uit.’ Kun je dat? Kruis aan.

1 In oefening 6 luister je naar je leraar. Je leraar zegt opdrachten: ‘Ik teken de tafel. Ik teken de tafel in de kamer. Ik teken de radio op de tafel.’ Begrijp je de opdrachten? Kruis aan.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Maak op de computer de oefeningen van Je huis beschrijven.

2 In oefening 7 moet je opdrachten lezen. En je moet opdrachten doen. Kun je dat?

Hoe moet het? 1 Luister en kijk naar de leraar. De leraar vertelt over zijn huis. 2 Geef antwoord op de vragen. 1 Heeft jouw leraar een groot huis? 4  ja  nee 2 Staat de tv in de kamer? 5  ja  nee 3 Staat de bank in de tuin?  ja  nee

 Ik begrijp de opdrachten goed.  Ik begrijp de opdrachten een beetje.  Ik begrijp de opdrachten nog niet goed.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Opdracht lezen en doen

Doen!

1 In oefening 3 geeft de leraar opdrachten: ‘Ga naast jouw tafel staan. Pak jouw boek. Leg jouw boek in zijn tas.’ Begrijp je dat? Kruis aan.   

LES 2

2 Lees de opdrachten. Geef de opdrachten aan de andere leerling.

Hoe gaat het?

Niet waar    

Doen!

Waar 1  2  3  4 

7

THUIS

Slaapt de leraar in de keuken?  ja  nee Heeft het huis een raam?  ja  nee

33


32

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 2

2 Lees de woorden. Hoor je het woord? 4

   

het dak het huis de keuken de muur

 de kamer  de moeder  tuin  het schrift

1 Luister naar de opdrachten. Doe mee. 2 Kijk naar de leraar. Is het waar of is het niet waar?

5

5 6 7 8

Waar    

Niet waar    

Ik begrijp de opdracht goed. Ik begrijp de opdracht een beetje. Ik begrijp de opdracht nog niet goed.

6

 ak de plaatjes van het huis. Jullie gaan elkaar opdrachten geven. Kies 1 of 2. Een P leerling geeft de opdrachten. De andere leerling doet de opdrachten. 1 Lees de opdrachten. Geef de opdrachten aan de andere leerling. Pak de stoel. Pak het bed. Leg de stoel naast het bed. Pak de bank en de tv. Leg de tv boven de bank. Pak het bureau. Draai het bureau om. Kijk naar de plaatjes. Heb jij dit in jouw huis?

Pak het hek. Pak de deur. Leg het hek naast de deur. Pak de bel en de radio. Leg de bel boven de radio. Pak de bank. Draai de bank om. Kijk naar de plaatjes. Heb jij dit in jouw huis?

8  Hoe

gaat het?

2 In oefening 4 zegt de leraar: ‘Pak een krijtje. Teken een huis en een dier op het bord. Veeg het huis uit.’ Kun je dat? Kruis aan.

1 In oefening 6 luister je naar je leraar. Je leraar zegt opdrachten: ‘Ik teken de tafel. Ik teken de tafel in de kamer. Ik teken de radio op de tafel.’ Begrijp je de opdrachten? Kruis aan.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Maak op de computer de oefeningen van Je huis beschrijven.

2 In oefening 7 moet je opdrachten lezen. En je moet opdrachten doen. Kun je dat?

Hoe moet het? 1 Luister en kijk naar de leraar. De leraar vertelt over zijn huis. 2 Geef antwoord op de vragen. 1 Heeft jouw leraar een groot huis? 4  ja  nee 2 Staat de tv in de kamer? 5  ja  nee 3 Staat de bank in de tuin?  ja  nee

 Ik begrijp de opdrachten goed.  Ik begrijp de opdrachten een beetje.  Ik begrijp de opdrachten nog niet goed.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Opdracht lezen en doen

Doen!

1 In oefening 3 geeft de leraar opdrachten: ‘Ga naast jouw tafel staan. Pak jouw boek. Leg jouw boek in zijn tas.’ Begrijp je dat? Kruis aan.   

LES 2

2 Lees de opdrachten. Geef de opdrachten aan de andere leerling.

Hoe gaat het?

Niet waar    

Doen!

Waar 1  2  3  4 

7

THUIS

Slaapt de leraar in de keuken?  ja  nee Heeft het huis een raam?  ja  nee

33


34

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 2

Informatie over een kamer begrijpen 9

10

Hoe moet het?

11

1 Luister en kijk naar het plaatje.

2 Lees de zinnen. Zet een cirkel om het nummer bij de vraag.

 niet

3 Luister nog een keer. Zijn je antwoorden goed?

Doen!

B

Doen!

12

1 2 3 4

 ja  ja  ja  ja

   

nee nee nee nee

5 6 7 8

 ja  ja  ja  ja

 nee  nee  nee  nee

Hoe gaat het? 1 In oefening 9 luister je naar Ameer. Hij vertelt over zijn kamer. In oefening 10 moet je zijn kamer kiezen. Kun je dat?  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 11 luister je naar zinnen. Je moet naar de tekening kijken. Je moet ja of nee zeggen. Kun je dat?  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Hoe moet het?

2 Ameer praat met zijn vriend over zijn kamer. Kruis aan.

Is de zin goed? Luister. Kijk naar de kamer van Ameer. Kruis aan.

13

Ameer praat met zijn leraar.

1 L  uister nog een keer. Ameer vertelt over zijn kamer. Zoek de kamer van Ameer. Kruis aan. A

Vragen over buren begrijpen

1 Luister.

 waar

THUIS

Maak op de computer de oefeningen van Je kamer beschrijven.

1 Leraar 2 Ameer 3 Leraar 4 Ameer 5 Leraar 6 Ameer 7 Leraar 8 Ameer 9 Leraar 10 Ameer 11 Leraar 12 Ameer 13 Leraar 14 Ameer 15 Leraar 16 Ameer 17 Leraar 18 Ameer

We praten vandaag over buren. Ameer, woont jouw vriend in jouw straat? Ja, hij woont naast mijn huis. O, dus hij is jouw buurjongen. Ja, en ik heb ook een buurmeisje. Is zij het zusje van jouw buurjongen? Ja, ze heet Tamara. Ze is nog klein. Hoe oud is ze, denk je? Zes of zeven jaar. Zijn jouw buren Nederlands? Ja, het is een Nederlandse familie. Hebben ze nog meer kinderen? Nee, maar ze hebben een hond. Die hond woont ook in huis. Is het een lieve hond? Ja, maar hij slaapt in de kamer. Dat begrijp ik niet. Honden en poezen zijn in Nederland huisdieren. Ze wonen bij de mensen in huis. O. In mijn huis moet een hond in de tuin slapen. Wil jij ook een huisdier? Nee, dank u wel.

LES 2

35


34

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 2

Informatie over een kamer begrijpen 9

10

Hoe moet het?

11

1 Luister en kijk naar het plaatje.

2 Lees de zinnen. Zet een cirkel om het nummer bij de vraag.

 niet

3 Luister nog een keer. Zijn je antwoorden goed?

Doen!

B

Doen!

12

1 2 3 4

 ja  ja  ja  ja

   

nee nee nee nee

5 6 7 8

 ja  ja  ja  ja

 nee  nee  nee  nee

Hoe gaat het? 1 In oefening 9 luister je naar Ameer. Hij vertelt over zijn kamer. In oefening 10 moet je zijn kamer kiezen. Kun je dat?  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 11 luister je naar zinnen. Je moet naar de tekening kijken. Je moet ja of nee zeggen. Kun je dat?  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Hoe moet het?

2 Ameer praat met zijn vriend over zijn kamer. Kruis aan.

Is de zin goed? Luister. Kijk naar de kamer van Ameer. Kruis aan.

13

Ameer praat met zijn leraar.

1 L  uister nog een keer. Ameer vertelt over zijn kamer. Zoek de kamer van Ameer. Kruis aan. A

Vragen over buren begrijpen

1 Luister.

 waar

THUIS

Maak op de computer de oefeningen van Je kamer beschrijven.

1 Leraar 2 Ameer 3 Leraar 4 Ameer 5 Leraar 6 Ameer 7 Leraar 8 Ameer 9 Leraar 10 Ameer 11 Leraar 12 Ameer 13 Leraar 14 Ameer 15 Leraar 16 Ameer 17 Leraar 18 Ameer

We praten vandaag over buren. Ameer, woont jouw vriend in jouw straat? Ja, hij woont naast mijn huis. O, dus hij is jouw buurjongen. Ja, en ik heb ook een buurmeisje. Is zij het zusje van jouw buurjongen? Ja, ze heet Tamara. Ze is nog klein. Hoe oud is ze, denk je? Zes of zeven jaar. Zijn jouw buren Nederlands? Ja, het is een Nederlandse familie. Hebben ze nog meer kinderen? Nee, maar ze hebben een hond. Die hond woont ook in huis. Is het een lieve hond? Ja, maar hij slaapt in de kamer. Dat begrijp ik niet. Honden en poezen zijn in Nederland huisdieren. Ze wonen bij de mensen in huis. O. In mijn huis moet een hond in de tuin slapen. Wil jij ook een huisdier? Nee, dank u wel.

LES 2

35


36

HOOFDSTUK 2

14

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 2

2 In oefening 17 luister je naar vragen. Je geeft antwoord op de vragen. Kun je dat?

Lees de vragen en geef antwoord.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 2 3 4 5 6 7 8

Heeft Ameer een buurjongen? Is het buurmeisje oud? Heeft Ameer een hond? Zijn de buren van Ameer Nederlands? Wonen huisdieren in Nederland in huis? Slaapt Ameer in de tuin? Wil Ameer een huisdier? Wil jij een huisdier?

 ja  ja  ja  ja  ja  ja  ja  ja

 nee  nee  nee  nee  nee  nee  nee  nee

Maak op de computer de oefeningen bij Vragen over huis en kamer beschrijven.

Huiswerk 19 1 Lees de woorden. Wat heb jij in jouw kamer? Kruis het woord aan. Weet je nog meer dingen?

15

Hoe gaat het?

2 Vraag aan twee andere leerlingen op school over hun kamer. Schrijf de namen op. Kruis de woorden aan. Weet je nog meer dingen in een kamer? Schrijf ze op.

1 In oefening 13 luister je naar de leraar en Ameer. Ze praten over buren. De leraar vraagt aan Ameer: ‘Zijn jouw buren Nederlands? Hoe heet je buurmeisje?’ Je moet de vragen aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.

Heb jij in jouw kamer een bed tafel stoel poster tv radio kast

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 14 lees je vragen. Je moet antwoord geven op de vragen. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Vragen over jouw huis begrijpen

16

Hoe moet het? 1 Luister en kijk. Teken jouw huis. 2 Luister. Steek je vinger op bij een vraag over een huis.

17

Doen! Luister en geef antwoord.

18

LES 2

Doen!

THUIS

Hoe gaat het? 1 In oefening 16 luister je naar vragen. Je hoort een vraag. Je steekt je vinger op. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Jij         

        

Afsluiting

20 1 Luister naar de leraar. Geef antwoord op de vragen. 2 Ken je deze woorden? Kruis aan.

 de bank  de opdracht  het bed  de poster  de bel  de radio  het bureau  de tuin  de buren  de tv  het dak  de woonkamer  het hek  de kamer  hangen  de keuken  slapen  de kleur

 aan  achter  beneden  boven  jullie  met  voor  wit  zwart

        

37


36

HOOFDSTUK 2

14

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 2

2 In oefening 17 luister je naar vragen. Je geeft antwoord op de vragen. Kun je dat?

Lees de vragen en geef antwoord.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 2 3 4 5 6 7 8

Heeft Ameer een buurjongen? Is het buurmeisje oud? Heeft Ameer een hond? Zijn de buren van Ameer Nederlands? Wonen huisdieren in Nederland in huis? Slaapt Ameer in de tuin? Wil Ameer een huisdier? Wil jij een huisdier?

 ja  ja  ja  ja  ja  ja  ja  ja

 nee  nee  nee  nee  nee  nee  nee  nee

Maak op de computer de oefeningen bij Vragen over huis en kamer beschrijven.

Huiswerk 19 1 Lees de woorden. Wat heb jij in jouw kamer? Kruis het woord aan. Weet je nog meer dingen?

15

Hoe gaat het?

2 Vraag aan twee andere leerlingen op school over hun kamer. Schrijf de namen op. Kruis de woorden aan. Weet je nog meer dingen in een kamer? Schrijf ze op.

1 In oefening 13 luister je naar de leraar en Ameer. Ze praten over buren. De leraar vraagt aan Ameer: ‘Zijn jouw buren Nederlands? Hoe heet je buurmeisje?’ Je moet de vragen aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.

Heb jij in jouw kamer een bed tafel stoel poster tv radio kast

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 14 lees je vragen. Je moet antwoord geven op de vragen. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Vragen over jouw huis begrijpen

16

Hoe moet het? 1 Luister en kijk. Teken jouw huis. 2 Luister. Steek je vinger op bij een vraag over een huis.

17

Doen! Luister en geef antwoord.

18

LES 2

Doen!

THUIS

Hoe gaat het? 1 In oefening 16 luister je naar vragen. Je hoort een vraag. Je steekt je vinger op. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Jij         

        

Afsluiting

20 1 Luister naar de leraar. Geef antwoord op de vragen. 2 Ken je deze woorden? Kruis aan.

 de bank  de opdracht  het bed  de poster  de bel  de radio  het bureau  de tuin  de buren  de tv  het dak  de woonkamer  het hek  de kamer  hangen  de keuken  slapen  de kleur

 aan  achter  beneden  boven  jullie  met  voor  wit  zwart

        

37


38

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

Les 3

THUIS

LES 3

Vragen over jouw huis begrijpen

2

Hoe moet het? 1 Kijk en luister naar het filmpje Ik ben thuis! 2 Lees de woorden. Drink jij op school thee? Eet jij thuis brood? Kruis aan. thee drinken koffie drinken melk drinken brood eten rijst eten kaas eten groente eten

3

thuis       

op school       

Doen! Lees de zinnen. Kies de goede woorden. Zet een streep door de foute woorden.

Wat leer je?

- Woorden over het huis en eten. - Informatie begrijpen (Wij zijn de nieuwe buren. We wonen naast u.). - Vragen en opdrachten over eten begrijpen (Mag ik het brood? Pak de koffie.). - Vragen over familie begrijpen (Woon jij alleen?). - Informatie thuis begrijpen (Wat gaan jullie doen? We gaan tv kijken.). - Opdrachten begrijpen (Ruim je kamer op.).

4

1 2 3 4 5 6 7 8

Ruud komt alleen / samen met Ameer naar huis. De jongens gaan tv kijken / een spel doen. Ruud wil een kopje koffie / een glas cola. Ameer drinkt een kopje thee / een glas koffie. De moeder van Ruud neemt een glas suiker / een kopje koffie. Ruud wil een boterham met rijst / kaas. Ameer wil niet drinken / eten. De moeder van Ruud brengt de thee en de cola naar beneden / boven.

Doen! Kijk nog een keer naar de filmpje. Lees de zinnen. Ja of nee? Kruis aan.

Introductie

1 1 In huis kun je ...? Kruis aan.

 slapen  spelen  lezen  zitten  naar de radio luisteren  tv kijken

 __________________________________  __________________________________ 2 De leraar vertelt over de lessen. Luister en kijk. Geef antwoord.

5

1 2 3 4 5 6

De moeder van Ruud kent Ameer. Ameer wil suiker in de thee. Ruud wil tv kijken. Ruud drinkt een glas thee. De moeder van Ruud drinkt koffie. Ameer eet rijst met groente.

 ja  ja  ja  ja  ja  ja

 nee  nee  nee  nee  nee  nee

Hoe gaat het? 1 In oefening 2 luister je naar Ruud en Ameer. Ze praten met de moeder van Ruud. Begrijp je het? Kruis aan.  Ik begrijp het goed.  Ik begrijp het een beetje.  Ik begrijp het nog niet goed.

39


38

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

Les 3

THUIS

LES 3

Vragen over jouw huis begrijpen

2

Hoe moet het? 1 Kijk en luister naar het filmpje Ik ben thuis! 2 Lees de woorden. Drink jij op school thee? Eet jij thuis brood? Kruis aan. thee drinken koffie drinken melk drinken brood eten rijst eten kaas eten groente eten

3

thuis       

op school       

Doen! Lees de zinnen. Kies de goede woorden. Zet een streep door de foute woorden.

Wat leer je?

- Woorden over het huis en eten. - Informatie begrijpen (Wij zijn de nieuwe buren. We wonen naast u.). - Vragen en opdrachten over eten begrijpen (Mag ik het brood? Pak de koffie.). - Vragen over familie begrijpen (Woon jij alleen?). - Informatie thuis begrijpen (Wat gaan jullie doen? We gaan tv kijken.). - Opdrachten begrijpen (Ruim je kamer op.).

4

1 2 3 4 5 6 7 8

Ruud komt alleen / samen met Ameer naar huis. De jongens gaan tv kijken / een spel doen. Ruud wil een kopje koffie / een glas cola. Ameer drinkt een kopje thee / een glas koffie. De moeder van Ruud neemt een glas suiker / een kopje koffie. Ruud wil een boterham met rijst / kaas. Ameer wil niet drinken / eten. De moeder van Ruud brengt de thee en de cola naar beneden / boven.

Doen! Kijk nog een keer naar de filmpje. Lees de zinnen. Ja of nee? Kruis aan.

Introductie

1 1 In huis kun je ...? Kruis aan.

 slapen  spelen  lezen  zitten  naar de radio luisteren  tv kijken

 __________________________________  __________________________________ 2 De leraar vertelt over de lessen. Luister en kijk. Geef antwoord.

5

1 2 3 4 5 6

De moeder van Ruud kent Ameer. Ameer wil suiker in de thee. Ruud wil tv kijken. Ruud drinkt een glas thee. De moeder van Ruud drinkt koffie. Ameer eet rijst met groente.

 ja  ja  ja  ja  ja  ja

 nee  nee  nee  nee  nee  nee

Hoe gaat het? 1 In oefening 2 luister je naar Ruud en Ameer. Ze praten met de moeder van Ruud. Begrijp je het? Kruis aan.  Ik begrijp het goed.  Ik begrijp het een beetje.  Ik begrijp het nog niet goed.

39


40

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

2 In oefening 3 lees je de zinnen. Je moet een woord doorstrepen. Je moet de zin goed maken. Kun je dat? Kruis aan.

9*

 Ik begrijp de zinnen goed.  Ik begrijp de zinnen een beetje.  Ik begrijp de zinnen nog niet goed.

3 In oefening 4 lees je zinnen. Je moet aankruisen: ja of nee. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

2 In oefening 8 zoek je de goede foto. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Informatie begrijpen */**

1 Luister naar het gesprek tussen Joan Rejaan en Patricia Krijgsman. 2 Lees de zinnen. Kruis aan. Waar of niet waar?

7*

1 2 3 4 5

Hoe gaat het? 1 In oefening 7 vertelt een jongen over mensen op een foto. Begrijp je de zinnen? Kruis aan.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

6

Joan Rejaan en Patricia Krijgsman zijn buren. Joan Rejaan heeft drie kinderen. Patricia Krijgsman is getrouwd. De baby ligt in bed. Patricia Krijgsman eet rijst met groente.

 waar  waar  waar  waar  waar

7**

1 Luister naar een verhaal bij deze oefening. Begrijp je de tekst niet? Luister nog een keer.

Hoe moet het? 1 Luister naar het gesprek bij deze oefening. Begrijp je de tekst niet? Luister nog een keer.

 niet waar  niet waar  niet waar  niet waar  niet waar

Hoe moet het?

2 Lees de zinnen. Waar of niet waar? Kruis aan.

8**

1 Ik hoor een meisje praten met een man. 2 Ze praten over nieuwe vrienden.

Een jongen vertelt over mensen op een foto.

 waar  niet waar  waar  niet waar

Doen! 1 Luister nog een keer. Schrijf de namen op. Ruth praat met:

2 Waar of niet waar? Kruis aan.

(leraar)  waar  niet waar (de jongen van de kantine)

8*  Doen! 1 Luister nog een keer naar de tekst. 2 Kijk naar de foto’s. Zoek de goede foto.

(vriendin) Ruth

(de conciërge)

(de buurvrouw) (in de klas)

2 Praat jij Nederlands op school? Schrijf de namen op.

(jouw naam) A

THUIS

B

C

LES 3

41


40

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

2 In oefening 3 lees je de zinnen. Je moet een woord doorstrepen. Je moet de zin goed maken. Kun je dat? Kruis aan.

9*

 Ik begrijp de zinnen goed.  Ik begrijp de zinnen een beetje.  Ik begrijp de zinnen nog niet goed.

3 In oefening 4 lees je zinnen. Je moet aankruisen: ja of nee. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

2 In oefening 8 zoek je de goede foto. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Informatie begrijpen */**

1 Luister naar het gesprek tussen Joan Rejaan en Patricia Krijgsman. 2 Lees de zinnen. Kruis aan. Waar of niet waar?

7*

1 2 3 4 5

Hoe gaat het? 1 In oefening 7 vertelt een jongen over mensen op een foto. Begrijp je de zinnen? Kruis aan.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

6

Joan Rejaan en Patricia Krijgsman zijn buren. Joan Rejaan heeft drie kinderen. Patricia Krijgsman is getrouwd. De baby ligt in bed. Patricia Krijgsman eet rijst met groente.

 waar  waar  waar  waar  waar

7**

1 Luister naar een verhaal bij deze oefening. Begrijp je de tekst niet? Luister nog een keer.

Hoe moet het? 1 Luister naar het gesprek bij deze oefening. Begrijp je de tekst niet? Luister nog een keer.

 niet waar  niet waar  niet waar  niet waar  niet waar

Hoe moet het?

2 Lees de zinnen. Waar of niet waar? Kruis aan.

8**

1 Ik hoor een meisje praten met een man. 2 Ze praten over nieuwe vrienden.

Een jongen vertelt over mensen op een foto.

 waar  niet waar  waar  niet waar

Doen! 1 Luister nog een keer. Schrijf de namen op. Ruth praat met:

2 Waar of niet waar? Kruis aan.

(leraar)  waar  niet waar (de jongen van de kantine)

8*  Doen! 1 Luister nog een keer naar de tekst. 2 Kijk naar de foto’s. Zoek de goede foto.

(vriendin) Ruth

(de conciërge)

(de buurvrouw) (in de klas)

2 Praat jij Nederlands op school? Schrijf de namen op.

(jouw naam) A

THUIS

B

C

LES 3

41


42

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

9**

 Ik begrijp de zinnen goed.  Ik begrijp de zinnen een beetje.  Ik begrijp de zinnen nog niet goed.

Opdrachten begrijpen */**

13

1 Kijk naar de plaatjes. Lees de opdrachten. Zoek het plaatje en de opdracht bij elkaar. Trek een lijn. a

2 In oefening 8 schrijf je de namen op de goede plaats. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 2 3 4 5 6

b

Pak een kopje koffie. Veeg je naam van het bord. Eet een boterham. Maak de tafel schoon. Teken een hond. Wijs naar het dak. c

Maak op de computer de oefeningen van Thuis eten en drinken - 1.

d

Vragen en opdrachten over eten begrijpen

LES 3

Hoe gaat het? 1 In oefening 7 luister je naar zinnen. Begrijp je de zinnen? Kruis aan.

THUIS

10

e

f

Hoe moet het? Je gaat samen met de andere leerlingen eten. Luister naar je leraar. Schrijf op.

11

12

Lekker

2 Je leest de opdrachten. Je zoekt het plaatje bij de opdrachten. Kun je dat?

Niet lekker

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Doen!

14*

Hoe moet het? 1 Luister naar het gesprek tussen Ruth en haar vader. Kijk niet in je boek.

1 Luister en doe mee. Eet smakelijk!

2 Lees. Kruis de opdrachten aan.

2 Geef antwoord.

Hoe gaat het? 1 Je eet samen met de hele klas. De leraar vraagt aan jou: ‘Is het lekker? Wil je een glas melk?’ Begrijp je de vragen? Kruis aan.  Ik begrijp de vragen goed.  Ik begrijp de vragen een beetje.  Ik begrijp de vragen nog niet goed. 2 Je moet de klas opruimen. De leraar zegt: ‘Pak een doek. Maak de tafel schoon.’ Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

De vader van Ruth zegt:  ‘Je moet je kamer opruimen.’  ‘Pak een doek.’  ‘Maak je bureau schoon.’  ‘Zet je boeken in de kast.’

Ruth vraagt:  ‘Is de doek beneden?’  ‘Ligt de doek op tafel?

De vader van Ruth zegt:  ‘Ja, de doek is in de keuken.’  ‘Hij ligt in de kast.’

Ruth zegt:  ‘Ik heb de doek.  ‘Ik maak mijn bureau schoon.’  ‘Ruim jij mijn kamer op?’  ‘Jij moet de boeken in de kast zetten.’

43


42

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

9**

 Ik begrijp de zinnen goed.  Ik begrijp de zinnen een beetje.  Ik begrijp de zinnen nog niet goed.

Opdrachten begrijpen */**

13

1 Kijk naar de plaatjes. Lees de opdrachten. Zoek het plaatje en de opdracht bij elkaar. Trek een lijn. a

2 In oefening 8 schrijf je de namen op de goede plaats. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 2 3 4 5 6

b

Pak een kopje koffie. Veeg je naam van het bord. Eet een boterham. Maak de tafel schoon. Teken een hond. Wijs naar het dak. c

Maak op de computer de oefeningen van Thuis eten en drinken - 1.

d

Vragen en opdrachten over eten begrijpen

LES 3

Hoe gaat het? 1 In oefening 7 luister je naar zinnen. Begrijp je de zinnen? Kruis aan.

THUIS

10

e

f

Hoe moet het? Je gaat samen met de andere leerlingen eten. Luister naar je leraar. Schrijf op.

11

12

Lekker

2 Je leest de opdrachten. Je zoekt het plaatje bij de opdrachten. Kun je dat?

Niet lekker

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Doen!

14*

Hoe moet het? 1 Luister naar het gesprek tussen Ruth en haar vader. Kijk niet in je boek.

1 Luister en doe mee. Eet smakelijk!

2 Lees. Kruis de opdrachten aan.

2 Geef antwoord.

Hoe gaat het? 1 Je eet samen met de hele klas. De leraar vraagt aan jou: ‘Is het lekker? Wil je een glas melk?’ Begrijp je de vragen? Kruis aan.  Ik begrijp de vragen goed.  Ik begrijp de vragen een beetje.  Ik begrijp de vragen nog niet goed. 2 Je moet de klas opruimen. De leraar zegt: ‘Pak een doek. Maak de tafel schoon.’ Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

De vader van Ruth zegt:  ‘Je moet je kamer opruimen.’  ‘Pak een doek.’  ‘Maak je bureau schoon.’  ‘Zet je boeken in de kast.’

Ruth vraagt:  ‘Is de doek beneden?’  ‘Ligt de doek op tafel?

De vader van Ruth zegt:  ‘Ja, de doek is in de keuken.’  ‘Hij ligt in de kast.’

Ruth zegt:  ‘Ik heb de doek.  ‘Ik maak mijn bureau schoon.’  ‘Ruim jij mijn kamer op?’  ‘Jij moet de boeken in de kast zetten.’

43


44

HOOFDSTUK 2

15*

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

Doen!

16*

Lees de opdrachten. Kijk naar de plaatjes. Schrijf het nummer bij het plaatje.

1 2 3 4 5 6 7

Pak je boek. Zoek het plaatje van de bank. Knip het plaatje uit. Plak het plaatje op het papier. Pak een doek. Maak je bureau schoon. Zet je boeken in de kast.

In oefening 14 lees je zinnen. Je moet de opdrachten aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.

a

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 15 kijk je naar plaatjes en lees je opdrachten. Je moet de plaatjes bij de opdrachten zoeken. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

b

c

d

f

Hoe gaat het?

e

g

14**

Hoe moet het? 1 Lees de opdrachten. Kan dat? Kruis aan.

1 2 3 4 5 6

Eet het bord. Veeg de cirkel uit. Plak het brood op. Ruim de kamer op. Knip het haar van je leraar. Maak je huiswerk.

2 Zijn je antwoorden goed?

 ja  ja  ja  ja  ja  ja

     

nee nee nee nee nee nee

THUIS

LES 3

45


44

HOOFDSTUK 2

15*

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

Doen!

16*

Lees de opdrachten. Kijk naar de plaatjes. Schrijf het nummer bij het plaatje.

1 2 3 4 5 6 7

Pak je boek. Zoek het plaatje van de bank. Knip het plaatje uit. Plak het plaatje op het papier. Pak een doek. Maak je bureau schoon. Zet je boeken in de kast.

In oefening 14 lees je zinnen. Je moet de opdrachten aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.

a

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 15 kijk je naar plaatjes en lees je opdrachten. Je moet de plaatjes bij de opdrachten zoeken. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

b

c

d

f

Hoe gaat het?

e

g

14**

Hoe moet het? 1 Lees de opdrachten. Kan dat? Kruis aan.

1 2 3 4 5 6

Eet het bord. Veeg de cirkel uit. Plak het brood op. Ruim de kamer op. Knip het haar van je leraar. Maak je huiswerk.

2 Zijn je antwoorden goed?

 ja  ja  ja  ja  ja  ja

     

nee nee nee nee nee nee

THUIS

LES 3

45


46

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

THUIS

15** Doen! 1 Lees de woorden. Weet je nog meer woorden?

de bank het bed het huis het brood de broer de vader de moeder de tafel de thee de poster de buren de tv

drinken eten knippen schoonmaken tekenen lopen zoeken wijzen

met achter voor van in naar op

2 Maak opdrachten met de woorden. 1 Drink het brood.

Kan dat?  ja  nee

2

 ja  nee

3

 ja  nee

4

 ja  nee

5

 ja  nee

6

 ja  nee

3 Ga naar een andere leerling. De leerling moet de opdrachten maken.

16**

Hoe gaat het? 1 In oefening 14 lees je opdrachten. Je moet zeggen: ‘De opdracht kan of de opdracht kan niet.’ Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 15 lees je woorden. Je maakt opdrachten. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Vragen over familie begrijpen 17

Hoe moet het? 1 Ameer komt bij Aras thuis. Luister naar het gesprek tussen Ameer en Aras. Kijk niet in je boek. 2 Luister en lees mee. Kruis de vragen aan. Aras  Hoi, kom binnen! Ameer  Ben je alleen thuis? Aras  Ja, mijn moeder is bij mijn oma.  En mijn zus is naar een vriendin. Ameer  Je hebt een kleine familie. Aras  Ja.  Heb jij een grote familie? Ameer  Nee, we wonen met vijf mensen in een huis. Aras  Hebben je vader en moeder drie kinderen? Ameer  Nee, ik heb twee broers en twee zussen. Aras  Woon je bij je moeder? Ameer  Ja, ik woon bij mijn moeder. Aras  Leeft je vader? Ameer  Ja, maar hij woont niet in Nederland. Aras  Wonen je broers thuis? Ameer  Ja, Bülent is jong. Aras  Hoe oud is hij? Ameer  Hij is acht jaar. En Erman is 15.  Mijn grote zus woont niet thuis. Aras  Hoe heet je grote zus? Ameer  Ze heet Sonay. Mijn jonge zus heet Fatma. Aras  Woont Sonay alleen? Ameer  Nee, ze woont samen met haar vriend. Aras  Wil je een kopje koffie? Ameer  Ja, lekker! Aras  Wil je ook iets eten? Ameer  Nee, dank je.

LES 3

47


46

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

THUIS

15** Doen! 1 Lees de woorden. Weet je nog meer woorden?

de bank het bed het huis het brood de broer de vader de moeder de tafel de thee de poster de buren de tv

drinken eten knippen schoonmaken tekenen lopen zoeken wijzen

met achter voor van in naar op

2 Maak opdrachten met de woorden. 1 Drink het brood.

Kan dat?  ja  nee

2

 ja  nee

3

 ja  nee

4

 ja  nee

5

 ja  nee

6

 ja  nee

3 Ga naar een andere leerling. De leerling moet de opdrachten maken.

16**

Hoe gaat het? 1 In oefening 14 lees je opdrachten. Je moet zeggen: ‘De opdracht kan of de opdracht kan niet.’ Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. 2 In oefening 15 lees je woorden. Je maakt opdrachten. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Vragen over familie begrijpen 17

Hoe moet het? 1 Ameer komt bij Aras thuis. Luister naar het gesprek tussen Ameer en Aras. Kijk niet in je boek. 2 Luister en lees mee. Kruis de vragen aan. Aras  Hoi, kom binnen! Ameer  Ben je alleen thuis? Aras  Ja, mijn moeder is bij mijn oma.  En mijn zus is naar een vriendin. Ameer  Je hebt een kleine familie. Aras  Ja.  Heb jij een grote familie? Ameer  Nee, we wonen met vijf mensen in een huis. Aras  Hebben je vader en moeder drie kinderen? Ameer  Nee, ik heb twee broers en twee zussen. Aras  Woon je bij je moeder? Ameer  Ja, ik woon bij mijn moeder. Aras  Leeft je vader? Ameer  Ja, maar hij woont niet in Nederland. Aras  Wonen je broers thuis? Ameer  Ja, Bülent is jong. Aras  Hoe oud is hij? Ameer  Hij is acht jaar. En Erman is 15.  Mijn grote zus woont niet thuis. Aras  Hoe heet je grote zus? Ameer  Ze heet Sonay. Mijn jonge zus heet Fatma. Aras  Woont Sonay alleen? Ameer  Nee, ze woont samen met haar vriend. Aras  Wil je een kopje koffie? Ameer  Ja, lekker! Aras  Wil je ook iets eten? Ameer  Nee, dank je.

LES 3

47


48

HOOFDSTUK 2

18

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

Afsluiting

Doen! Lees de vragen. Kruis aan.

19

1 Heeft Ameer een kleine familie? 2 Heeft de moeder van Ameer vijf kinderen? 3 Leeft de vader van Ameer? 4 Woont Ameer bij zijn moeder? 5 Hoe oud is de kleine broer van Ameer? 6 Woont de broer van Ameer thuis? 7 Heeft Ameer een grote zus en een kleine zus? 8 Hoe heet de grote zus van Ameer? 9 Is de grote zus van Ameer getrouwd? 10 Wil Ameer iets eten?

 ja  ja  ja  ja  twee jaar  ja  ja  Sonay  ja  ja

 nee  nee  nee  nee  acht jaar  nee  nee  Ruud  nee  nee

2 In oefening 18 lees je vragen. Je moet de vragen maken. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. Maak op de computer de oefeningen van Thuis eten en drinken - 2.

Huiswerk

20

Doe met de klas en met de leraar de taalrebbel We gaan eten!

22

1 Wat kun je? Lees de zinnen. Kruis aan.

Leerdoelen 1 Ik kan vragen begrijpen. 2 Ik kan opdrachten begrijpen. 3 Ik kan een gesprek begrijpen.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

21

Hoe gaat het? 1 In oefening 17 lees je een gesprek tussen Ameer en Aras. Je moet de vragen aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.

Kijk thuis in de keuken. Schrijf op. Ik eet thuis Ik vind het lekker

rijst

ja

1

2

3

4

5

6

2 Ken je deze woorden? Kruis aan.

 de groente  de rijst  de boterham  het brood  het glas  de kaas  de koffie  het kopje  de melk  de suiker  de thee  de doeka

 brengen  drinken  eten  kunnen  leven  mogen  opruimen  schoonmaken

 fout  lekker  smakelijk eten  uw  wakker  welterusten

THUIS

LES 3

49


48

HOOFDSTUK 2

18

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

Afsluiting

Doen! Lees de vragen. Kruis aan.

19

1 Heeft Ameer een kleine familie? 2 Heeft de moeder van Ameer vijf kinderen? 3 Leeft de vader van Ameer? 4 Woont Ameer bij zijn moeder? 5 Hoe oud is de kleine broer van Ameer? 6 Woont de broer van Ameer thuis? 7 Heeft Ameer een grote zus en een kleine zus? 8 Hoe heet de grote zus van Ameer? 9 Is de grote zus van Ameer getrouwd? 10 Wil Ameer iets eten?

 ja  ja  ja  ja  twee jaar  ja  ja  Sonay  ja  ja

 nee  nee  nee  nee  acht jaar  nee  nee  Ruud  nee  nee

2 In oefening 18 lees je vragen. Je moet de vragen maken. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed. Maak op de computer de oefeningen van Thuis eten en drinken - 2.

Huiswerk

20

Doe met de klas en met de leraar de taalrebbel We gaan eten!

22

1 Wat kun je? Lees de zinnen. Kruis aan.

Leerdoelen 1 Ik kan vragen begrijpen. 2 Ik kan opdrachten begrijpen. 3 Ik kan een gesprek begrijpen.

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

21

Hoe gaat het? 1 In oefening 17 lees je een gesprek tussen Ameer en Aras. Je moet de vragen aankruisen. Kun je dat? Kruis aan.

Kijk thuis in de keuken. Schrijf op. Ik eet thuis Ik vind het lekker

rijst

ja

1

2

3

4

5

6

2 Ken je deze woorden? Kruis aan.

 de groente  de rijst  de boterham  het brood  het glas  de kaas  de koffie  het kopje  de melk  de suiker  de thee  de doeka

 brengen  drinken  eten  kunnen  leven  mogen  opruimen  schoonmaken

 fout  lekker  smakelijk eten  uw  wakker  welterusten

THUIS

LES 3

49


Nederlands als tweede taal voor anderstaligen in het voortgezet onderwijs

Met Zebra+ leer je Nederlands. Je leert de taal om in Nederland te kunnen wonen en naar school te gaan. Je kunt met Zebra+ veel zelf werken. Er zijn veel oefeningen op de computer. Je oefent de woorden op de computer, je kunt luisteren en video’s bekijken. In dit boek kun je oefenen met spreken en schrijven in alledaagse situaties. Dat doe je met andere leerlingen in je klas en met de docent. Zo krijg je alles onder de knie! Zebra+ bestaat uit 4 delen. In dit boek werk je tot niveau A1. Bij deze uitgave hoort een online leerplatform: www.nt2plus.nl.

DEEL 1

DEEL 1

Nederlands voor 12-18 jarige anderstalige jongeren in de basisvorming

Nederlands als tweede taal voor anderstaligen in het voortgezet onderwijs Basisleergang Inburgeringsexamen 0-A1

9 789006 312560

3205_NT2_Covers_Zebra+_Deel1.indd All Pages

14/09/17 09:17

Zebra+ Nederlands als tweede taal - deel 1 inkijkexemplaar  

Met Zebra+ leren anderstalige jongeren van 12 tot 18 jaar de Nederlandse taal ter voorbereiding op het regulier onderwijs.