Page 26

42

HOOFDSTUK 2

THUIS

HOOFDSTUK 2

LES 3

9**

 Ik begrijp de zinnen goed.  Ik begrijp de zinnen een beetje.  Ik begrijp de zinnen nog niet goed.

Opdrachten begrijpen */**

13

1 Kijk naar de plaatjes. Lees de opdrachten. Zoek het plaatje en de opdracht bij elkaar. Trek een lijn. a

2 In oefening 8 schrijf je de namen op de goede plaats. Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

1 2 3 4 5 6

b

Pak een kopje koffie. Veeg je naam van het bord. Eet een boterham. Maak de tafel schoon. Teken een hond. Wijs naar het dak. c

Maak op de computer de oefeningen van Thuis eten en drinken - 1.

d

Vragen en opdrachten over eten begrijpen

LES 3

Hoe gaat het? 1 In oefening 7 luister je naar zinnen. Begrijp je de zinnen? Kruis aan.

THUIS

10

e

f

Hoe moet het? Je gaat samen met de andere leerlingen eten. Luister naar je leraar. Schrijf op.

11

12

Lekker

2 Je leest de opdrachten. Je zoekt het plaatje bij de opdrachten. Kun je dat?

Niet lekker

 Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

Doen!

14*

Hoe moet het? 1 Luister naar het gesprek tussen Ruth en haar vader. Kijk niet in je boek.

1 Luister en doe mee. Eet smakelijk!

2 Lees. Kruis de opdrachten aan.

2 Geef antwoord.

Hoe gaat het? 1 Je eet samen met de hele klas. De leraar vraagt aan jou: ‘Is het lekker? Wil je een glas melk?’ Begrijp je de vragen? Kruis aan.  Ik begrijp de vragen goed.  Ik begrijp de vragen een beetje.  Ik begrijp de vragen nog niet goed. 2 Je moet de klas opruimen. De leraar zegt: ‘Pak een doek. Maak de tafel schoon.’ Kun je dat? Kruis aan.  Ik kan het goed.  Ik kan het een beetje.  Ik kan het nog niet goed.

De vader van Ruth zegt:  ‘Je moet je kamer opruimen.’  ‘Pak een doek.’  ‘Maak je bureau schoon.’  ‘Zet je boeken in de kast.’

Ruth vraagt:  ‘Is de doek beneden?’  ‘Ligt de doek op tafel?

De vader van Ruth zegt:  ‘Ja, de doek is in de keuken.’  ‘Hij ligt in de kast.’

Ruth zegt:  ‘Ik heb de doek.  ‘Ik maak mijn bureau schoon.’  ‘Ruim jij mijn kamer op?’  ‘Jij moet de boeken in de kast zetten.’

43

Zebra+ Nederlands als tweede taal - deel 1 inkijkexemplaar  

Met Zebra+ leren anderstalige jongeren van 12 tot 18 jaar de Nederlandse taal ter voorbereiding op het regulier onderwijs.

Zebra+ Nederlands als tweede taal - deel 1 inkijkexemplaar  

Met Zebra+ leren anderstalige jongeren van 12 tot 18 jaar de Nederlandse taal ter voorbereiding op het regulier onderwijs.