Page 1

De leerinhouden zijn thematisch en overzichtelijk geordend. Bij het ontwikkelen van de leerinhouden van Traject V&V is uitgegaan van de beroepspraktijk van verzorgenden en verpleegkundigen. Daarnaast is rekening gehouden met de verschillende leerstijlen van studenten. Traject V&V bestaat uit meerdere onderdelen. Naast de theorie in de boeken is er een onderdeel praktijksituaties en een onderdeel vaardigheden. Praktijksituaties en vaardigheden worden in combinatie met ander ondersteunend materiaal aangeboden via de methodesite. Deze combinatie maakt Traject V&V tot een actueel en flexibel aanbod in een juiste mix van blended learning componenten. Met Traject V&V wordt competentiegericht leren optimaal ondersteund.

Gehandicaptenzorg

Het boek Gehandicaptenzorg maakt deel uit van Traject V&V, een compleet aanbod voor de opleidingen Verzorgende IG en Verpleegkundige MBO. Het boek is bestemd voor de opleiding Verzorgende IG en geschikt voor alle leerwegen en/of verkorte en flexibele trajecten. Gehandicaptenzorg bevat alle theorie die nodig is om als beginnend beroepsbeoefenaar in de branche Gehandicaptenzorg aan het werk te gaan. De theorie sluit aan bij alle kerntaken en werkprocessen die van toepassing zijn op deze uitstroomverbijzondering.

ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit Traject V&V, i-careflex, Basisboeken, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie e.d.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg

niveau

3

Auteurs: J.P.M. van den Brand A. C. Verhoef S.M.T. Vogel

Gehandicaptenzorg

niveau

3

Inhoudelijke redactie: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans H.J.M. van der Ham

06925036_omslag_GHZ_niv3.indd 1

11-09-12 12:54


Gehandicaptenzorg niveau 3

J.P.M. van den Brand A. C. Verhoef S.M.T. Vogel Inhoudelijke redactie: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans H.J.M. van der Ham

Eerste druk

13332_Book.indb 3

17-09-12 09:52


Ten geleide De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor



verpleging en verzorging aangepast aan de ontwik-

beroepuitoefening. Het beroepsonderwijs in de

kelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen

gezondheidszorg wordt in belangrijke mate

aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitge-

bepaald door de aard van de zorgvragen en door

werkt in een nieuwe kwalificatiestructuur.

Je werkt voor mensen met verschillende achtergron-

de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt ( zorgsituaties ). 

den, zoals: oudere zorgvragers, chronisch zieken, reva-

stijl en leerervaringen hangen samen met de ken-

zorgvragers met psychiatrische problemen, vrouwen

merken van de student en zijn of haar situatie. 

pasgeborenen. Ook werk je vaak samen met de man-

al met individuele zorgvragers in hun directe omge-

ving. Daarnaast richt jij je op groepen, bijvoorbeeld in

Bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de brancheverbijzonderingen

telzorgers. Dat zijn de naasten van de zorgvrager,

zoals een ouder, partner, kind of vriend. Je werkt voor-

De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van

leerstijlen en leerervaringen van studenten. Leer-

liderende zorgvragers, zorgvragers met een handicap, die op het punt staan te bevallen, kraamvrouwen en

De leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de

voor de verzorgende IG.



Er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen niveau 3 en niveau 4.

een kleinschalige woonomgeving.

Binnen het competentiegerichte opleiden worden

Jouw sector

tenties bij individuele studenten. Bij het verwerven

Je wordt opgeleid om als verzorgende-IG in alle werkvelden van de verpleging en verzorging te kunnen werken. Daarnaast is in de opleiding aandacht

besteed aan verdieping in één van de volgende werkvelden: verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg,

leertrajecten afgestemd op reeds aanwezige compevan competenties staat het zich eigen maken van

kennis en beroepsvaardigheden, in combinatie met de ontwikkeling van de beroepshouding en de persoonlijke vorming, centraal.

gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg of

De leermiddelen van Traject V&V sluiten daarbij aan.

Bron: Calibris KD’s 2012/2013

desite www.trajectvenv.nl, vormen een belangrijk

kraamzorg

Deze structuur, uitgewerkt in kerntaken en werk-

processen, vormt de basis voor de inrichting van de

huidige opleidingen in de gezondheidszorg. De leermiddelen van Traject V&V zijn ontwikkeld voor, en sluiten aan bij, deze kwalificatiestructuur.

Traject V&V is een leermiddelenaanbod voor de

opleidingen verzorgende IG (kwalificatieniveau 3)

De vaardigheden en praktijksituaties op de metho-

onderdeel van het leermiddelenaanbod. In de prak-

tijksituaties komen problemen en dilemma’s aan de

orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van ze verwacht

wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen. In combinatie met de beroepspraktijkvorming wordt

de student op deze manier optimaal ondersteund in zijn professionele ontwikkeling.

en verpleegkundige MBO (kwalificatieniveau 4).

Traject V&V houdt rekening met de leeftijd van de

gangspunten:

het niveau van de doelgroep en door voorbeelden en

Traject V&V is gebaseerd op vier belangrijke uit-

13332_Book.indb 6

studenten door het taalgebruik af te stemmen op opdrachten zo te formuleren dat de verschillende

17-09-12 09:52


leeftijdsgroepen zich aangesproken voelen. De leer-

Beroepswerkelijkheid

met een meer theoretische, als studenten met een

methodesite www.trajectvenv.nl, geeft realistische

middelen zijn zo ontwikkeld dat zowel studenten meer praktische, inslag er gebruik van kunnen

maken. Traject V&V is inzetbaar binnen elk didac-

tisch model en biedt de docent de ruimte om invulling te geven aan zijn rol van ‘begeleider’ van het leerproces van de student.

Het onderdeel ‘praktijksituaties’, aangeboden via de beschrijvingen van zorgsituaties uit de praktijk van

de verzorgende of verpleegkundige. Deze praktijksituaties bevatten voldoende problemen en dilemma’s om als aangrijpingspunt te dienen voor het (zelfstandig) leren.

Traject V&V sluit dus aan bij actuele opvattingen

Beroepsvaardigheden

onder andere dat aandacht is besteed aan verwer-

methodesite Traject V&V en via Verpleegtechniek in

over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent kingsopdrachten bij de theorie en zelftoetsing. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de hou-

dingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen

immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening.

In Traject V&V, inhoudelijk gebaseerd op de kwalifi-

catiedossiers, worden de werkprocessen en brancheverbijzonderingen uitgewerkt in drie onderdelen.

Het onderdeel ‘vaardigheden’, aangeboden via de

Beeld, biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van instrumenteel-technische en sociaal-agogische vaardigheden.

Deze drie onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject V&V. De

combinatie van deze onderdelen maakt het leren

vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan

zowel in een schoolse situatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden.

Theoretische onderbouwing

Het didactisch concept van Traject V&V gaat

bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die

waardoor het competentiegerichte leren optimaal

Het onderdeel ‘theorie’, in de vorm van boeken,

hoort bij het betreffende werkproces. Extra theoretische verrijking wordt de student geboden via de

nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt.

methodesite. De boeken voor de brancheverbijzon-

Wij hopen dat gebruikers, zowel studenten als

schillende branches. Deze boeken kennen eenzelfde

Traject V&V kunnen werken. Heeft u vragen of sug-

deringen gaan verdiepend in op de zorg in de ver-

basisstructuur. Zo beginnen ze met een oriëntatie op de betreffende branche en ze eindigen met een

thema over coördinatie van zorg, kwaliteitszorg en

docenten, op een plezierige en zinvolle manier met gesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.

voorlichting in de branche en een thema over de

Amersfoort, 2012

leving. Extra theoretische verrijking wordt de stu-

Redactie en uitgever

relatie tussen de betreffende branche en de samendent geboden via de methodesite.

13332_Book.indb 7

17-09-12 09:52


Woord vooraf Dit boek is gericht op het ondersteunen van de zorg-

Het doel van dit boek is een essentiële bijdrage te

soon met een verstandelijke beperking zijn, maar

verzorgende-IG, door haar handvatten te bieden

vrager in de gehandicaptenzorg. Dit kan een per-

ook iemand met een lichamelijke beperking of een

(niet-)aangeboren hersenletsel. Hoe belangrijk kennis en inzicht in verschillende beperkingen ook is,

van minstens zo groot belang is de ondersteuning

en begeleiding van de zorgvrager. Daarom laten we

dit aspect uitgebreid aan de orde komen. We bespreken de ondersteuning en verzorging van de zorgvrager niet alleen in zijn algemeenheid, maar gaan

vooral ook in op behoeften van de (individuele) zorgvrager, samenhangend met de beperking(en) en de mogelijkheden die de zorgvrager heeft.

Uiteraard zijn wij bij het schrijven van dit boek uit-

gegaan van de meest recente ontwikkelingen in de gehandicaptenzorg. Het gaat dan zeker niet alleen

leveren aan de competentieontwikkeling van de

waarmee ze aan de slag kan in de gehandicaptenzorg. Volgens ons zijn we goed geslaagd in onze opzet, en hebben we bovendien een leerboek

geschreven waar studenten én docenten met plezier mee kunnen werken!

Heeft u vragen, suggesties of opmerkingen? Wij horen ze graag! Augustus 2012 Beuningen, Sylvia Vogel

Den Bosch, Jeroen van den Brand Vlaardingen, Annemiek Verhoef

om maatschappelijke ontwikkelingen, maar ook om nieuwe medische en sociaalwetenschappelijke

inzichten, en om nieuwe methodieken en behandelingen.

In de theorie, maar zeker ook in de voorbeelden en

de situaties zoals beschreven in de opdrachten, heb-

ben we de dagelijkse praktijk van de gehandicaptenzorg op een aansprekende en realistische manier

gepresenteerd. Binnen de serie Traject V&V spreken we over ‘zorgvrager’. Wij hanteren die term daarom ook, ook al is in de praktijk van de gehandicaptenzorg de term ‘cliënt’ gangbaarder.

De verwerkingsopdrachten zijn expliciet bedoeld

om tot verwerking van de leerstof aan te zetten. Ook

het verkennen en analyseren van situaties, het innemen van een gemotiveerd eigen standpunt en het

motiveren ervan horen hierbij, evenals het doen van zelfonderzoek.

13332_Book.indb 8

17-09-12 09:52


IX

Inhoud 1

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg 1

1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg 2

1.1

1.2

Inleiding 1.2.1

Stoornis

1.2.3

Handicap

1.2.2

1.3

1.4

1.2.4

1.6 1.7

1.8

1.9

Beperking

3

3

4

Voorkeur voor de term ‘beperking’ 4

Vormen van beperkingen

4

Mensen met een verstandelijke beperking 5

1.4.1

Het hebben van een verstandelijke beperking 5

1.4.3

Indelingen van mensen met een verstandelijke beperking 6

1.4.2

1.5

2

Stoornis, beperking en handicap 2

1.4.4

Definitie van verstandelijke beperking 5 Specifieke syndromen

9

Mensen met een licht verstandelijke beperking en gedragsstoornis 9 Mensen met een meervoudige beperking

10

Mensen met een lichamelijke beperking 10 1.7.1

Indelingen van mensen met een lichamelijke beperking 11

Progressieve en niet-progressief verlopende beperkingen 15

Zorgverlening aan mensen met een lichamelijke beperking 15

2

Geschiedenis van de gehandicaptenzorg en voorzieningen 17

2.2

Geschiedenis vóór 1900

2.1

2.3

2.4 2.5

2.6

Inleiding

Van 1900 tot 1955 Van 1955 tot 1990

18

Recente geschiedenis (vanaf 1990) 20 2.6.1

Wonen in een zorgcentrum / grote zorgorganisaties 21

2.6.3

Kindergezinsvervangende tehuizen (KGVT’s) 21

2.6.4 2.6.5

2.6.6 2.6.7

Woonvoorzieningen voor groepen Trainingshuizen

21

22

Wooninitiatieven 22

Ondersteund wonen / begeleid wonen 22 Begeleid zelfstandig wonen 22

Woon(zorg)mogelijkheden lichamelijk gehandicaptenzorg 23

2.7.1

Zelfstandige woning eventueel met zorg thuis 23

2.7.3

Grote woonvormen voor mensen met een lichamelijke beperking 24

2.7.2

13332_Book.indb 9

18

17

Woon(zorg)mogelijkheden verstandelijke gehandicaptenzorg 20 2.6.2

2.7

17

ADL-clusterwoningen / Fokuswoningen 23

17-09-12 09:52


X

2.7.4 2.7.5

Kleine woonvormen ofwel GVT’s 24

Revalidatiecentra, verpleeghuizen en andere instellingen 24

3

Van intake tot beëindiging van de hulpverlening 25

3.2

CIZ en toekenning

3.1

3.3

3.4

Inleiding 3.2.1

Intake

25

25

Intramurale zorg thuis 27 28

Beëindiging van de zorgverlening 29

4

Het zorg- en begeleidingsproces

4.2

Instrument voor kwaliteit 30

4.1

4.3

4.4 4.5

Inleiding

Opzet en structuur ondersteuningsplan Inhoud ondersteuningsplan

32

Totstandkoming ondersteuningsplan

4.5.1

Gegevens verzamelen

4.5.3

Perspectief en (hoofd)doelen

4.5.2

4.6

30

30

4.5.4

31 33

34

Levensverhaal en persoonsbeeld 34 36

Activiteiten, afspraken en gewenste bejegening 37

Evaluatie, tussentijdse evaluaties en rapportage 39

5

Verwerkingsopdrachten 41

2

Zorgplan en begeleiding 49

6

Deskundig zorg en ondersteuning bieden 50

6.2

Reële, positieve en genuanceerde beeldvorming 50

6.1

6.3

Inleiding 6.2.1

6.2.2

Respectvolle benadering 51

51

6.3.1

Cliëntgericht werken

6.3.3

52

Totale mens als uitgangspunt 53

Vraaggericht werken 53

De relatie tussen de zorgvrager en zorgverlener 55

6.4.1

Gelijkwaardige relatie 55

6.4.3

Langdurige zorgverleningsrelatie 59

6.4.2 6.4.4 6.4.5

13332_Book.indb 10

Belang van juiste beeldvorming

Kenmerken van deskundige ondersteuning 52 6.3.2

6.4

50

Ondersteunende relatie

56

Vertrouwensrelatie 60 Veiligheid

61

17-09-12 09:52


XI

7

7.1

7.2

Mensen met een beperking begeleiden bij wonen 63 Inleiding

Leven en wonen

Zorg verlenen in de thuissituatie 63

7.2.3

De woonomgeving

7.2.4

7.3.3

CreĂŤren en bevorderen van een passende sfeer 69

7.3.5

7.8

7.9

Ondersteunen bij behoefte aan ruimte en privacy 68 Bieden van structuur

69

Zorg dragen voor of begeleiden van het huishouden 69

Begeleiden van groepsprocessen

7.4.1

7.4.3

7.7

Contacten met de buitenwereld 66 Ondersteunen bij inrichten en aankleden van de woonruimte 67

7.4.2

7.6

65

7.3.1

7.3.4

7.5

Kwaliteit van wonen 64

Ondersteunen bij wonen en leven 66 7.3.2

7.4

63

7.2.1

7.2.2

7.3

63

7.4.4

Groepsinteractie

Machtsstructuur Groepsnormen

Groepsrollen

73

71

72

73

73

De groep gebruiken als middel

74

De groep begeleiden bij haar ontwikkeling 75

Aandacht geven aan individuele zorgvragers 77 Begeleiden bij contacten in de leefgroep 78

Zorg voor het dagelijks leefklimaat in een woongroep 78

7.9.1

Levende milieu

7.9.3

Vormgeven aan het dagelijks leven 80

7.9.2

Dode milieu

80

79

8

Samenwerken met en begeleiden van ouders en mantelzorgers 85

8.2

Houding van ouders

8.1

8.3

Inleiding 8.2.1

8.2.2

Houding van allochtone ouders Opvoedingsstijlen

87

Het verwerkingsproces bij ouders Reactie van ontkenning

8.3.3

Verdriet 89

8.3.4

Woede

89

Acceptatie

89

Thuis wonen in het eigen gezin

88

86

88

89

8.4.1

Verhuizen naar een woonvoorziening 91

8.4.3

Bezoekgedrag van ouders 92

8.4.2

13332_Book.indb 11

85

8.3.1

8.3.2

8.4

85

Na de verhuizing

92

17-09-12 09:52


XII

8.5

Het belang van een goede samenwerking met verwanten 94

8.5.1

Spilfunctie voor de persoonlijk begeleider 94

8.5.3

Werken aan een goede relatie met verwanten 95

8.5.2 8.6

Informele contacten met verwanten 96

Telefonisch contact met verwanten 96

8.6.3

Open dagen

8.6.4

Breng- en haalcontacten 97 97

Familieavonden

98

Formele contacten met verwanten 98 8.7.1

Het familiegesprek

8.7.3

Het huisbezoek

8.7.2

8.8

95

8.6.1

8.6.2

8.7

Het eerste contact met verwanten

98

Het conflictoplossend gesprek 100

99

Familieparticipatie 100

8.8.1

Familieparticipatie op individueel niveau 101

8.8.3

Familieparticipatie op het niveau van de instelling 101

8.8.2

Familieparticipatie op het niveau van de woongroep 101

9

Verwerkingsopdrachten 103

3

Zorgvragers met een verstandelijke beperking 113

10

Mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking 114

10.2

Mensen met een lichte verstandelijke beperking 114

10.1

10.3 10.4

Inleiding

114

10.2.1 Ondersteunen van mensen met een lichte verstandelijke beperking 115 Mensen met een matige verstandelijke beperking 117

10.3.1 Ondersteunen van mensen met een matige verstandelijke beperking 118 Syndromen

119

10.4.1 Syndroom van Down 120

10.4.2 Foetaal alcohol syndroom (FAS) 121 10.4.3 Fragiele-X-syndroom 11

123

Ondersteunen van mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking 124

11.1

Inleiding

11.3

Begeleiden bij relatievorming en seksualiteit 125

11.2

124

Gevoel van eigenwaarde vergroten 124 11.3.1

Risico van onwetendheid en misverstanden

11.3.3

Meer lijfelijk en minder remmingen 127

11.3.2

Seksuele voorlichting geven 126

126

11.3.4 Respectvol grenzen aangeven 127 11.3.5

13332_Book.indb 12

Risico van ongelijkwaardigheid en machtsmisbruik 128

17-09-12 09:52


XIII

11.3.6 Als ouders er anders over denken 11.4

11.5

11.6

130

129

11.3.7

Handelingsverlegenheid

11.4.1

Gericht werken aan netwerkontwikkeling 131

Ondersteunen bij netwerkontwikkeling 130

11.4.2 Algemene begeleiding bij netwerkontwikkeling 134 Ondersteunen bij het omgaan met negatieve reacties 134 11.5.1

11.5.2

Weerbaarheid vergroten

134

Praten over de interpretatie van situaties 135

Spel en activiteiten 136 11.6.1

Belang van spel en activiteiten 136

11.6.2 Aanbieden en begeleiden van spel en activiteiten 136 11.6.3 Methodisch handelen bij activiteiten 138

12

Mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking 140

12.2

Mensen met een ernstige verstandelijke beperking 140

12.1

12.3 12.4

Inleiding

140

12.2.1

Ondersteuning

12.3.1

Ondersteuning

141

Mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking 142 Specifieke syndromen 12.4.1 Rettsyndroom

142

143

143

12.4.2 Angelmansyndroom

145

12.4.3 Het syndroom van Prader-Willi

145

13

Ondersteunen van mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking 147

13.2

Communicatie met anderen

13.1

13.3

Inleiding 147

Veiligheid bieden

13.3.1

149

147

Structuur in de dagindeling

149

13.3.2 Structuur in de leefruimte 150

13.4 13.5

13.3.3 Structuur in de omgang en begeleiding 150 Regie over het eigen leven 151 Lichamelijke verzorging 151 13.5.1

Rumineren

152

13.5.2 Problemen met de uitscheiding 152 13.5.3 Huidproblemen

153

13.5.5 Nagelverzorging

154

13.5.4 Gebitsproblemen en gebitsverzorging 153

14

13332_Book.indb 13

Verwerkingsopdrachten 155

17-09-12 09:52


XIV

4

Ondersteuning bij levensloop en bij bijzonder gedrag 161

15

De ontwikkeling van mensen met een verstandelijke beperking 162

15.1

15.2

Inleiding

162

Hoe uit zich een verstandelijke beperking? 162

15.2.1

Te trage ontwikkeling

162

15.2.2 Stilstand in de ontwikkeling 15.2.3 Terugval in de ontwikkeling 15.2.4 Incomplete ontwikkeling

15.3

163

163

163

15.2.5 Alarmsignalen ontwikkelingsachterstand 164 Fases in de ontwikkeling die anders verloopt 164 15.3.1

Kinderen met een verstandelijke beperking 164

15.3.2 Pubers met een verstandelijke beperking

165

15.3.3 Volwassenen met een verstandelijke beperking 166

15.4

15.5

15.3.4 Ouderen met een verstandelijke beperking 169

Dementie bij mensen met een verstandelijke beperking 173 15.4.1 Verschijnselen van dementie 173

15.4.2 Ondersteunen van demente zorgvragers 173

Sterven en rouw bij mensen met een verstandelijke beperking 175 15.5.1

Stervensbegeleiding

175

15.5.2 Begeleiden bij rouw 177

16

Bijkomende neurologische en psychische stoornissen bij mensen met een

16.1

Inleiding

16.2

verstandelijke beperking 179 179

ADHD bij mensen met een verstandelijke beperking 179 16.2.1 Kenmerkende gedragingen bij ADHD 180 16.2.2 Oorzaken van de aandachtsstoornis

16.3

180

16.2.3 Ondersteunen van zorgvragers met een aandachtsstoornis 180

Hechtingsproblemen bij mensen met een verstandelijke beperking 181

16.3.1 Oorzaken van hechtingsproblemen 181 16.3.2 Kenmerkende gedragingen 182

16.4

16.5

16.6

13332_Book.indb 14

16.3.3 Ondersteunen bij behoefte aan veiligheid en bij hechtingsproblemen 183 Depressies bij mensen met een verstandelijke beperking 184 16.4.1 Behandeling van depressie

185

16.4.2 Ondersteunen van depressieve zorgvragers 185

Epilepsie bij mensen met een verstandelijke beperking 186

16.5.1 Oorzaken van epilepsie

186

16.5.2 Ondersteunen bij epilepsie

186

Gedragsproblemen bij mensen met een verstandelijke beperking 187 16.6.1 Vormen van probleemgedrag 188

17-09-12 09:52


XV

16.6.2 Oorzaken en achtergronden van probleemgedrag 189 16.6.3 Splitting

189

16.6.4 Signaleren van gedragsproblemen bij zorgvragers 190 16.6.5 Observatie van gedragsproblemen 191

16.7

16.6.6 Ondersteunen van zorgvragers bij probleemgedrag 192

Fysieke agressie bij mensen met een verstandelijke beperking 194

16.7.1

Oorzaken van fysieke agressie

194

16.7.2 Benaderingswijze ter voorkoming fysieke agressie 194 16.7.3 Benaderingswijze bij dreigende escalaties 194

16.7.4 Zorgvragers leren omgaan met de eigen agressie 196 16.7.5 Werken aan je eigen houding en vaardigheden 196

17

Verwerkingsopdrachten 197

5

Zorgvragers met aandoeningen aan het centraal zenuwstelsel 203

18

18.1

18.2 18.3

18.4

Anatomie en fysiologie van het centraal zenuwstelsel 204

Inleiding

Hersenen

204

204

18.2.1 Onderdelen en functies van de hersenen 205 Het ruggenmerg

207

Het perifere zenuwstelsel 208

18.4.1 Reflexen

208

18.4.2 Functies van het zenuwstelsel 209 18.4.3 Zenuwweefsel

210

19

Hersenletsel

19.2

Vormen van hersenletsel

19.1

19.3

19.4 19.5

Inleiding

211

211 211

19.2.1 Aangeboren hersenletsel

211

19.2.2 Niet-aangeboren hersenletsel Oorzaken van hersenletsel

Diagnostische onderzoeken

212

212

213

Verschijnselen bij hersenletsel 215

19.6

Verzorging en begeleiding bij hersenletsel 217

20

Multiple sclerose en amyotrofische laterale sclerose 222

20.2

Zorgvragers met multiple sclerose 222

20.1

Inleiding

222

20.2.1 Vormen van MS

20.2.2 Oorzaken van MS

13332_Book.indb 15

223

223

17-09-12 09:52


XVI

20.2.3 Diagnose MS

224

20.2.4 Behandeling van MS

224

20.2.5 Verschijnselen van MS 224

20.3

20.2.6 Verzorging en begeleiding bij MS 225

Zorgvragers met ALS (amyotrofische laterale sclerose) 228 20.3.1 Vormen van ALS

229

20.3.3 Oorzaak van ALS

229

20.3.2 Prognose ALS

229

20.3.4 Behandeling van ALS

229

20.3.5 Verschijnselen van ALS 230

20.3.6 Verzorging en begeleiding bij ALS 230 21

Spina bifida en dwarslaesie 232

21.2

Zorgvragers met spina bifida

21.1

Inleiding 21.2.1

232

232

Vormen van spina bifida

232

21.2.2 Oorzaak van spina bifida

233

21.2.3 Verschijnselen van spina bifida 233 21.2.4 Behandeling van spina bifida 233

21.3

21.2.5 Verzorging en begeleiding bij spina bifida 234 Zorgvragers met een dwarslaesie 21.3.1

235

Oorzaken van een dwarslaesie 236

21.3.2 Plaats van de dwarslaesie 236

21.3.3 Verschijnselen van een dwarslaesie 237

21.3.4 Verzorging en begeleiding bij een dwarslaesie 237 22

Verwerkingsopdrachten 241

6

Zorgvragers met aandoeningen aan de zintuigen 245

23

Slechthorendheid en doofheid

23.1

23.2 23.3

23.4 23.5

Inleiding

246

246

Het gehoor 246

23.2.1 Anatomie van het oor 246 Aandoeningen aan het gehoor

23.3.1 Oorsuizen

248

248

23.3.2 Slechthorendheid en doofheid

249

Aandoeningen aan het evenwichtsorgaan 251 Begeleiding en verzorging

23.5.1 Hoortoestellen

252

251

23.5.2 Communicatie met slechthorenden en doven 255

13332_Book.indb 16

17-09-12 09:52


XVII

24

Slechtziendheid en blindheid

24.2

Het oog

24.1

Inleiding

257

257

24.2.1 Anatomie van het oog 257 24.2.2 Bouw van het oog

258

24.2.3 Werking van het oog

24.3

257

258

24.2.4 Slechtziendheid en blindheid Oogafwijkingen

260

24.3.1 Vormen

259

260

24.3.2 Diagnostiek oogaandoeningen 24.4 24.5

24.3.3 Behandeling oogaandoeningen

263

263

Voortbeweging van blinden en slechtzienden 264 Verstandelijke beperking en slechtziendheid 265

24.6

Doofblindheid

25

Verwerkingsopdrachten 267

7

Zorgvragers met aandoeningen aan het bewegingsstelsel 271

26

Anatomie en fysiologie van het bewegingsstelsel 272

26.2

Botten

26.1

26.3

26.4

Inleiding

272

272

Gewrichten Spieren

266

274

273

27

Spierziekten

27.2

Zorgvragers met spierdystrofie 276

27.1

Inleiding

276

276

27.2.1 Oorzaak

276

27.2.2 Verloop van de ziekte 276 27.2.3 Typen spierdystrofie

277

27.2.4 Algemene verschijnselen bij spierdystrofie 279

27.3

27.2.5 Verzorging en begeleiding 280

Zorgvragers met posttraumatische dystrofie 283

27.3.1 Oorzaken PD

283

27.3.3 Diagnose PD

285

27.3.2 Verschijnselen PD 27.3.4 Behandeling PD

284

285

27.3.5 Verzorging en begeleiding PD 286

28

13332_Book.indb 17

Verwerkingsopdrachten 288

17-09-12 09:52


XVIII

8

Zorgvragers met een meervoudige beperking 289

29

Mensen met een meervoudige beperking

29.2

Mensen met een meervoudige beperking

29.1

29.3

Inleiding

290

290

290

29.2.1 Kenmerken meervoudige beperkingen 290

29.2.2 Ondersteunen van mensen met een meervoudige beperking 292 Mensen met een verstandelijke beperking en autisme 293

29.3.1 Oorzaken van autisme 294

29.3.2 Kenmerken van autismespectrumstoornis 294 29.4

29.5

29.3.3 Ondersteunen van zorgvragers met een verstandelijke beperking en autisme 295 Mensen met een verstandelijke en motorische beperking 296 29.4.1 Oorzaken verstandelijke ĂŠn motorische beperking 297

29.4.2 Ondersteunen van zorgvragers met een verstandelijke en motorische beperking 297 Mensen met een verstandelijke en zintuiglijke beperking 298

29.5.1 Mensen met een verstandelijke en visuele beperking 299

29.5.2 Ondersteunen van zorgvragers met een verstandelijke en visuele beperking 300 29.5.3 Mensen met een verstandelijke en auditieve beperking 302

29.5.4 Ondersteunen van zorgvragers met een verstandelijke en auditieve beperking 303

30

Ondersteunen van mensen met een meervoudige beperking 306

30.2

Gedrag is communicatie 306

30.1

30.3

Inleiding

306

30.2.1 Pijngedrag

307

Lichamelijke verzorging 307

30.3.1 Long- en ademhalingsproblemen

307

30.3.2 Problemen met het hart en de bloedsomloop 307 30.3.3 Problemen bij de spijsvertering 307

30.3.4 Problemen met de uitscheiding, huidproblemen 309 30.3.5 Gebitsproblemen 30.4

30.3.6 Nagelverzorging

Spel en activiteiten 310

309

310

30.4.1 Belang van spel en activiteiten 310 30.4.2 Aanbieden van spel

311

30.4.3 Activiteiten: doel en middel 313

31

Bijzondere ondersteuningsmethodieken in de verstandelijk gehandicaptenzorg 314

31.2

Benutten van groei- en ontwikkelingsmogelijkheden 314

31.1

31.3

31.4

13332_Book.indb 18

Inleiding

314

Indeling van ondersteuningsmethodieken

315

Ontwikkelingsstimulerende ondersteuningsmethodieken 315

17-09-12 09:52


XIX

31.4.1 Basale stimulatie

316

31.4.2 Zintuiglijke stimulering 316

31.5

31.4.3 Methode Vlaskamp Vaardigheidstraining 31.5.1

Zelfredzaamheidstraining

31.5.2 Goldsteintraining

31.6

31.7

317

318

323

318

31.5.3 Eigen Initiatief Model / Begeleid ontdekkend leren 323 Gedragsveranderende ondersteuningsmethodieken 324 31.6.1 Gedragsmatige aanpak 324 31.6.2 MediĂŤrende aanpak

327

Therapeutische ondersteuningsmethodieken 329

31.7.1

Anders kijken naar ‌

31.7.3

Active support

31.7.2

329

Gentle teaching en relatietherapie 331

330

31.7.4 Psychotherapie, spel-, muziek- en creatieve therapie 332

32

Verwerkingsopdrachten

9

Specifieke aandachtsgebieden 339

33

Zorgvragers met pijn

33.1

33.2

33.3

33.4 33.5

33.6

Inleiding

333

340

340

Wat is pijn? 340

33.2.1 Oorzaak van pijn

341

33.2.2 Indelingen van pijn

341

Pijngedrag en pijnbeleving 342 Observatie van pijn 344 Pijnbestrijding

345

Aandachtspunten verzorging en begeleiding 347

34

Zorgvragers en seksualiteit

34.2

Zorgvragers met een beperking en seksualiteit 349

34.1

34.3

34.4

Inleiding

349

Seksuele functies

350

Intimiteit en seksualiteit in relatie tot beperkingen 350

34.4.1 CVA

350

34.4.2 Dwarslaesie 34.4.3 Spasticiteit

350

351

34.4.4 Multiple sclerose 34.4.5 Reuma

352

34.4.6 Spierziekten

13332_Book.indb 19

349

351

352

17-09-12 09:52


XX

34.4.7 Spina bifida

352

34.4.8 Syndroom van Down 353

34.4.9 Syndroom van Prader-Willi 353 34.5

34.6 34.7

34.4.10 Fragiele-X-syndroom

353

Houding verzorgende ten aanzien van seksualiteitsbeleving 353 Seksuele voorlichting

354

Ongewenste intimiteit en seksualiteit 354

34.7.1 Zorgvragers met een verstandelijke beperking en seksueel misbruik 355 34.7.2 Veilig klimaat 355

34.7.3 Beleid seksualiteit 356 34.8

34.7.4 Melden van seksueel misbruik

356

Aandachtspunten in de begeleiding en verzorging 356 34.8.1 Intieme verzorgende handelingen 34.8.2 Lichamelijk contact 34.8.3 Onzekerheid 34.8.4 Medicatie 34.8.5 Pijn

359

358

357

357

358

34.8.6 De tijd nemen

359

34.8.7 Voorbehoedsmiddelen 34.8.8 Alternatieven 359

359

34.8.9 Seksualiteit en externe hulpverlening 360 35

Verwerkingsopdrachten 361

10

Coördinatie, kwaliteitszorg, voorlichting 363

36

Coördineren en afstemmen

36.2

Belang van coördinatie van zorg 364

36.1

36.3

Inleiding

364

364

Coördinatie van zorg in woonvoorzieningen 365

36.3.1 Afstemmen van de zorg met ouders of wettelijke vertegenwoordigers 365 36.3.2 Afstemmen van de zorg met andere disciplines 366

36.3.3 Afstemmen van de zorg met andere (zorg)organisaties 368 36.4

36.5

13332_Book.indb 20

36.3.4 Afstemmen van de zorg met dagbesteding 369 Coördinatie van zorg in de thuissituatie 369

36.4.1 Specifieke instanties en voorzieningen

369

36.4.2 Afstemming van zorg met mantelzorgers en vrijwilligers 374 Coördinatie van zorg: afstemming bedreigd 375

17-09-12 09:52


XXI

37

37.1

37.2

Kwaliteitszorg en wetgeving 376 Inleiding

376

Kwaliteitszorg in de gehandicaptenzorg 376

37.2.1 Kwaliteit van het bestaan 377

37.2.2 Kwaliteitsdomeinen en het ondersteuningsplan 378 37.2.3 Eigen regie als centrale waarde 378 37.3

37.4

37.2.4 Voorwaarden in relatie tot kwaliteit van zorg 379

Zorgorganisaties en voorwaarden voor kwaliteit van zorg 380 Kwaliteitszorg en wetgeving 381

37.4.1 Kwaliteitswet Zorginstellingen 381

37.4.2 Wet Klachtrecht CliĂŤnten Zorgsector (WKCZ) 381

37.4.3 Wet Medezeggenschap CliĂŤnten Zorginstellingen (WMCZ) 381 38

Voorlichting, advies en instructie 383

38.2

Verzorgen van voorlichting, advies en instructie 383

38.1

38.3

38.4

38.5

Inleiding

383

Voorlichting, advies en instructie bij mensen met een verstandelijke beperking 384 Voorlichting, advies en instructie bij mensen met een lichamelijke beperking 386

38.4.1 Weerstandskrachten en veranderingskrachten 386 38.4.2 De rol van verwachtingen 388

Ontwikkelingen in voorlichting, advies en instructie 389

39

Hulpmiddelen in de gehandicaptenzorg 390

39.2

Wat zijn hulpmiddelen? 390

39.1

39.3

39.4

39.5

39.6 39.7

39.8

Inleiding

390

Omgaan met hulpmiddelen Prothesen en orthesen 39.4.1 Prothesen 39.4.2 Orthese

392

391

391

392

Hulpmiddelen voor mobiliteit 392 39.5.1 De rolstoel

393

39.5.2 Transferhulpmiddelen

393

Tijdhulpmiddelen en taakondersteuners 395

Incontinentiematerialen en hulpmiddelen voor persoonlijke verzorging 395 Communicatiehulpmiddelen 395

39.8.1 Analoge communicatiehulpmiddelen 395 39.8.2 Digitale communicatiehulpmiddelen 395 39.8.3 Signaleringshulpmiddelen 396

39.8.4 Communicatiehulpmiddelen voor mensen met een zintuiglijke beperking 397

13332_Book.indb 21

17-09-12 09:52


XXII

39.9

Woningaanpassingen en hulpmiddelen bij wonen en huishouden 398

39.11

Toename van technologische hulpmiddelen 399

40

Verwerkingsopdrachten 400

11

Gehandicaptenzorg en samenleving 407

39.10 Overige hulpmiddelen 399

41

41.1

41.2

Maatschappelijke ontwikkelingen en gehandicaptenzorg 408

Inleiding

408

Maatschappelijke betekenis van de gehandicaptenzorg 408 41.2.1 Versterking van de positie van de zorgvrager 408 41.2.2 Zorg op maat

409

41.2.3 Professionalisering 409

41.3 41.4

41.2.4 Participatie aan het maatschappelijk leven 409

Mogelijkheden en belemmeringen bij maatschappelijke participatie 410

41.3.1 Belemmeringen

411

Volwaardig burgerschap 413

41.4.1 Bevorderen van integratie 414 41.4.2 Community care

41.5 41.6 41.7

41.4.3 Inclusie

417

416

Omgaan met vrijheden en verantwoordelijkheid kunnen dragen 418 41.5.1 Weerbaarheid en veerkracht Belangenbehartiging

420

419

Participatie van niet-westerse zorgvragers en medewerkers 421

41.7.1

Intercultureel werken

422

41.7.2 Intercultureel werken in de praktijk 423

42

Ethische dilemma’s in de gehandicaptenzorg 424

42.2

Ethische dilemma’s bij de dagelijkse zorg en omgang 424

42.1

42.3

Inleiding

424

Grote ethische dilemma’s 426

42.3.1 Opvattingen over leven en dood, ziekte en gezondheid 426 42.3.2 Problemen en vraagstukken rondom zeggenschap 427

42.3.3 Dilemma’s en structurele veranderingen in de gezondheidszorg 427 42.3.4 Het belang van het bespreken van ethische dilemma’s 428

42.3.5 Voorwaarden voor het bespreken van ethische dilemma’s 428

13332_Book.indb 22

17-09-12 09:52


XXIII

43

43.1

43.2

Wetgeving en financiering 430 Inleiding

430

Rechten van mensen met een beperking

430

43.2.1 Rechten van mensen met een beperking

431

43.2.2 Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) 432 43.2.3 Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) 432 43.2.4 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (vGGZ/Bopz) 432

43.2.5 Ondercuratelestelling, onderbewindstelling en mentorschap 434 43.2.6 Overige wetgeving – in kort bestek 436 43.2.7 Huidige overheidsbeleid 44

Verwerkingsopdrachten 437 Bronnen

441

Websites

443

Begrippen Register

13332_Book.indb 23

436

444

451

17-09-12 09:52


1

OriĂŤntatie op de gehandicaptenzorg

Meneer De Haan is met zijn 83 jaar de oudste bewoner van het wooncomplex MariĂŤnberg. Deze zorgorganisatie biedt zorg en begeleiding aan mensen met zowel een verstandelijke als een lichamelijke beperking. Meneer De Haan heeft een motorische beperking en een lichte verstandelijke beperking. In een interview met de plaatselijke krant, kijkt hij terug op zijn 70-jarige verblijf in de zorg. Hij vertelt hoe het er vroeger aan toe ging, over zusters in witte uniformen, lange eettafels, grote slaapzalen en het enorme instellingsterrein. Een heel verschil met nu: hij woont in een gewone woonwijk, met een jong gezin als buren.

13332_Book.indb 1

17-09-12 09:52


2

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

1.1

Inleiding

Over wie hebben we het als we praten over zorgvragers in de gehandicaptenzorg? Wat houdt het in

wanneer een zorgvrager een verstandelijke beperking heeft en wat kan een lichamelijke beperking

inhouden? We staan bij de oriëntatie op de gehandi-

captenzorg stil bij factoren die van invloed zijn op de beleving van de beperking, zoals de ernst van de

beperking, de oorzaak van de beperking en de gevolgen ervan voor het functioneren in het dagelijks leven.

zorgende-IG zul je echter vooral met zorg- en begeleidingssituaties bij wonen te maken krijgen.

De doelgroep ‘mensen met een beperking’ is daarbij zo veelomvattend dat deze term in feite nog niets

zegt. We zien daarbij bovendien dat in het dagelijkse leven de termen ‘handicap’, ‘stoornis’ en ‘beperking’ door elkaar worden gebruikt. Mensen geven er een verschillende betekenis aan. Belangrijk is dat in de beroepspraktijk duidelijk is wat er onder deze

begrippen verstaan wordt. Dit bevordert een eenduidige en duidelijke communicatie.

In dit hoofdstuk zullen we ook dieper ingaan op een

Om tot een eenduidige terminologie te komen, heeft

den in de gehandicaptenzorg, zoals ‘stoornis’, ‘beper-

nationaal systeem van beschrijvingen gemaakt. De

aantal belangrijke begrippen die veel gebruikt working’ en ‘handicap’.

1.2

Stoornis, beperking en handicap

In de gehandicaptenzorg krijg je te maken met mensen die een beperking hebben. ‘Gehandicaptenzorg’ zien we daarbij als verzamelterm voor alle zorg,

begeleiding en opvang die gegeven wordt aan mensen met een lichamelijke beperking, aan mensen

met een verstandelijke beperking en aan mensen

de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een interWereldgezondheidsorganisatie is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, die

wereldwijd aspecten van de gezondheidszorg in kaart brengt, activiteiten op het gebied van de

gezondheidszorg coördineert en de gezondheid van

de wereldbevolking bevordert. Het door hen ontwikkelde systeem heet ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ (ICF). Bij die

beschrijving zijn de begrippen ‘stoornis’, ‘beperking’ en ‘handicap’ belangrijk. Daarom lichten we deze begrippen nader toe.

met een meervoudige beperking, op het gebied van wonen, werk, dagbesteding en onderwijs. Als ver-

13332_Book.indb 2

17-09-12 09:52


1

1.2.1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

3

Stoornis

Van een stoornis is sprake wanneer een orgaan of

lichaamsfunctie ontbreekt, afwijkingen vertoont, of

beschadigd is, rekening houdend met de leeftijd van de betrokkene. Eis is met andere woorden een afwij-

king in of verlies van functies of anatomische eigenschappen. Bij anatomische eigenschappen gaat het om alle mogelijke onderdelen van het menselijk

lichaam. Denk aan: lichaamsdelen, orgaanstelsels of (delen van) organen. Een stoornis is altijd objectief: het kan vastgesteld worden door een daarvoor

Figuur 1.1

over de ernst ervan. Stoornissen kunnen ernstig en

1.2.2

geren, verbeteren of stabiel zijn, af en toe optreden

Beperkingen zijn de moeilijkheden die iemand heeft

bevoegde arts of psycholoog. Toch zegt dat nog niets licht zijn. Ze kunnen tijdelijk of blijvend zijn, verermaar ook voortdurend aanwezig zijn.

Voorbeeld Joshua is geboren met een afwijking in zijn gehoorgang, waardoor hij minder goed hoort dan andere mensen. Ondanks verschillende operaties zal zijn gehoor altijd minder blijven. Er is sprake van een blijvende stoornis. Sinds een aantal jaren beschikt Joshua over een apparaatje dat geluid omzet in trillingen, waardoor hij toch voldoende kan horen. Sinds hij over dat apparaatje beschikt, heeft hij nauwelijks het idee een gehoorstoornis te hebben. Voorbeelden van stoornissen zijn: ‚ ‚ ‚ ‚ ‚ ‚

intellectuele en andere psychologische

met het uitvoeren van activiteiten. Een beperking kan het gevolg zijn van een stoornis.

Beperkingen kunnen in zekere mate gecompenseerd worden met hulpmiddelen. Er zijn talloze hulpmiddelen beschikbaar en er komen er steeds meer bij.

Voorbeelden zijn visuele en auditieve hulpmiddelen (zoals een bril, een leesloep en een hoorapparaat), orthesen (zoals beugels, spalken en steunzolen),

aanpassingen in en aan de woning, hulpmiddelen

voor de mobiliteit (zoals een looprek en een rolstoel) en hulpmiddelen voor het aanbieden en structure-

ren van informatie (zoals picto’s en een agenda met plaatjes).

stoornissen;

Als je spreekt van een beperking, kan dit bijvoor-

gehoor- en evenwichtsstoornissen;

‚

stem-, spraak- en taalstoornissen; gezichtsstoornissen;

stoornissen in het bewegen;

huid- en gevoelsstoornissen.

beeld een beperking zijn op het gebied van: ‚ ‚ ‚ ‚ ‚ ‚

13332_Book.indb 3

Beperking

leren en toepassen van kennis; communicatie; mobiliteit;

zelfverzorging; huishouden;

tussenmenselijke interacties en relaties; maatschappelijk leven.

17-09-12 09:52


4

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

1.2.3

Handicap

Een handicap kan omschreven worden als de nadelige positie die iemand met een beperking heeft in

de maatschappij. Een handicap is dus een participatieprobleem. Als gevolg van een stoornis of een

beperking is iemand niet in staat om optimaal aan de samenleving deel te nemen.

Het is mogelijk dat iemand met een stoornis (die een

beperking veroorzaakt), zichzelf niet of nauwelijks als gehandicapt ervaart. Mensen hebben pas een handi-

cap wanneer ze problemen ervaren bij hun deelname aan de samenleving: er is dan sprake van een participatieprobleem. Participatieproblemen kunnen zich voordoen op alle eerder genoemde activiteitsgebie-

den. Mensen met een vergelijkbare beperking kunnen dus in verschillende mate gehandicapt zijn.

Voorbeeld Joke is een zelfstandige vrouw van 45 jaar met een sterke persoonlijkheid. Door een lage dwarslaesie (stoornis) kan Joke niet lopen en moet ze gebruik maken van een rolstoel (beperking). Haar werk is haar passie: ze maakt beeldhouwwerken. Joke exposeert regelmatig in lokale galeries en maakt soms ook werken op bestelling. Ondanks haar succes ervaart Joke problemen met haar beperking in mobiliteit. Ze vindt het maar niks, dat ze hulp nodig heeft bij een deel van haar dagelijks leven en niet geheel kan gaan en staan waar ze wil. Zo vindt ze het reizen per trein vooral veel gedoe (handicap); het station in haar woonplaats is niet aangepast aan rolstoelgebruikers. Met het uitvoeren van haar werk in haar eigen atelier ervaart Joke geen handicap, ondanks haar beperking.

1.2.4

Voorbeeld Robert is kort na het behalen van zijn motorrijbewijs met zijn motor betrokken geraakt bij een ongeval. Hierdoor is Robert ernstig gewond geraakt en heeft hij een lage dwarslaesie. Door zijn stoornis in het bewegingsapparaat is Robert nu gebonden aan een rolstoel. Gehandicapt voelt hij zich niet, met zijn werk bij de bank en zijn sport: rolstoeltennis op hoog niveau.

Voorkeur voor de term ‘beperking’

We gebruiken met opzet de term ‘beperking’ en niet

‘handicap’. We hebben het dus over ‘mensen met een beperking’ en niet over ‘mensen met een handicap’. De reden is dat we in dit boek het functionerings-

probleem centraal willen stellen, en niet het participatieprobleem. Centraal staat niet de vraag of

iemand zichzelf als gehandicapte ziet of ervaart,

maar de vraag waarin iemand beperkt is. Dat laatste Lotte raakt op dezelfde manier verlamd aan haar benen als Robert. Zij heeft eenzelfde lage dwarslaesie als hij. Lotte ervaart haar lichamelijke beperking veel meer als handicap. Ze was danseres bij het nationaal ballet, ze kan haar beroep nooit meer uitoefenen. Dat wat haar lust en haar leven was, is ze voorgoed kwijt. De begrippen ‘stoornis’, ‘beperking’ en ‘handicap’

bepaalt namelijk de zorgvraag die iemand heeft, en dat bepaalt de zorg en ondersteuning die jij geeft.

In de dagelijkse praktijk van de zorg is het verschil meestal nog niet doorgevoerd. De termen ‘beperking’ en ‘handicap’ worden naast elkaar en door elkaar gebruikt.

hangen met elkaar samen. Maar het een leidt niet

1.3

en de ernst van de stoornis, van de beschikbaarheid

Hiervoor hebben we al gezegd dat de doelgroep

beeld zie je dat bij een en dezelfde persoon zich ver-

Gelukkig kan de groep ‘mensen met een beperking’

automatisch tot het ander. Het hangt af van de aard van hulpmiddelen, enzovoort. In het volgende voorschillende ‘ervaringen’ kunnen voordoen.

13332_Book.indb 4

Vormen van beperkingen

‘mensen met een beperking’ veelomvattend is. ingedeeld worden.

17-09-12 09:52


1

We onderscheiden: ‚ ‚ ‚ ‚ ‚

mensen met een verstandelijke beperking; mensen met een meervoudige beperking;

1.4.1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

Het hebben van een verstandelijke beperking

mensen met een lichamelijke beperking;

Voor mensen met een verstandelijke handicap zijn

mensen die revalideren.

‘geestelijk gehandicapt’, ‘zwakzinnig’ en ‘mentaal

mensen met een chronische ziekte;

In de praktijk is er vooral het onderscheid tussen mensen met een verstandelijke en meervoudige

beperking en mensen met een lichamelijke beper-

king. Mensen die revalideren, hebben namelijk ook een bepaalde lichamelijke beperking en datzelfde

kun je zeggen van mensen die chronisch ziek zijn.

We gaan hierna in op mensen met een verstandelijke beperking, mensen met een lichamelijke beperking en mensen met een meervoudige beperking.

1.4

Mensen met een verstandelijke beperking

5

heel wat benamingen in omloop. Synoniemen zijn geretardeerd’. Deze termen zijn (gelukkig) verou-

derd, hoewel je ze toch nog wel tegen kunt komen.

In het verlengde van landelijke ontwikkelingen, kiezen we in dit hoofdstuk voor de term ‘mensen met

een verstandelijke beperking’. Hiermee wordt benadrukt dat in eerste instantie vooral om gewone

mensen gaat, net als ieder ander. Het begrip ‘ver-

standelijk’ geeft daarbij, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het begrip ‘geestelijk gehandicapt’, duidelijk

aan waar het om gaat: om een tekort op het gebied van het intellectueel functioneren.

1.4.2

Definitie van verstandelijke beperking

In Nederland wonen zo’n 120.000 mensen met een

We hebben nu al vaak de term ‘verstandelijke beper-

daarvan heeft een ernstige of zeer ernstige verstan-

delijke beperking? Er zijn veel verschillende defini-

verstandelijke beperking. Iets meer dan de helft

delijke beperking. Er zijn meer mannen dan vrou-

wen met een verstandelijke beperking. De verhouding is ongeveer zes mannen op vijf vrouwen.

Mensen met een verstandelijke beperking verschil-

len onderling net zoveel van elkaar als andere mensen. Toch worden mensen met een verstandelijke

beperking vaak over één kam geschoren. Voorbeel-

den van vooroordelen zijn dat ‘ze’ niets kunnen, dat ‘ze’ zielig zijn, dat ‘ze’ er eng uitzien en dat ‘ze’ net

kleine kinderen zijn. Zulke vooroordelen maken duidelijk dat veel mensen een verkeerd beeld hebben

van mensen met een verstandelijke beperking. Elke persoon met een verstandelijke beperking is een individu en heeft dezelfde rechten als iedereen.

Natuurlijk is er ook een overeenkomst tussen deze

groep mensen: ze hebben een verstandelijke beperking.

13332_Book.indb 5

king’ gebruikt, maar wat is nu precies een verstan-

ties in omloop van wat een verstandelijke beperking is. We gaan bij onze definitie uit van de definitie die binnen en buiten Nederland het meest wordt gebruikt.

Bij een verstandelijke beperking is sprake van dui-

delijke beperkingen in zowel het intellectuele functioneren als het aanpassingsvermogen. De beperking in het aanpassingsvermogen wil zeggen dat

men niet voldoet aan de normen die horen bij zijn leeftijd op het vlak van sociale vaardigheden, ver-

antwoordelijkheden, communicatie, onafhankelijk-

heid en zelfredzaamheid. De beperkingen treden op vóór de leeftijd van achttien jaar.

In de omschrijving komen een aantal aspecten naar voren: ‚

Er is sprake van een duidelijke beperking in het

intellectuele functioneren. Dit wil zeggen dat er duidelijk tekorten op verstandelijk gebied zijn.

17-09-12 09:52


6

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

Dit betekent dus dat er (grote) problemen zijn bij het leren, denken en onthouden van zaken. Je

moet hierbij niet alleen denken aan theoretische,

Omdat de groep mensen met een verstandelijke

sche) vaardigheid, maar het eist ook van je dat je

met een verstandelijke beperking gebruikelijk om

de volgorde waarin je de kleren moet aantrekken onthoudt en (vooral) de logica daarvan inziet.

Naast de intellectuele beperking zijn er beper-

kingen in het aanpassingsvermogen. Denk bij-

manieren waarop je mensen met een verstandelijke beperking kunt indelen.

Een persoon met een verstandelijke beperking

king heeft is het IQ (intelligentiequotiënt) een

ren en verantwoordelijkheid te dragen.

De betrokkene voldoet niet aan de normen die

horen bij de leeftijd. Wat men kan en niet kan is leeftijdsgebonden. Als een kind achterblijft in

zijn ontwikkeling, kan alleen maar de vergelij-

king gemaakt worden met andere kinderen van die leeftijd.

Een persoon met een verstandelijke beperking

heeft problemen op het vlak van sociale vaardigheden, verantwoordelijkheden, communicatie, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Bij al

deze zaken is een goed begrip van de situatie en

de reacties van anderen nodig om correct te reageren. Een persoon met een verstandelijke

beperking is daarom niet, of niet goed in staat

zelfstandig deel te nemen aan het verkeer, zelf-

standig te wonen, zorg te dragen voor eigen veiligheid en gezondheid, enzovoort. Deze situaties stellen eisen aan hem, waaraan hij niet kan voldoen. De mate waarin hij dit niet kan verschilt per persoon. ‚

deze groep onder te verdelen. We bespreken drie

Indeling op basis van intelligentie

heeft er moeite mee onafhankelijk te functione-

‚

beperking groot is, is het in de zorg voor mensen

voorbeeld aan het vermogen in te kunnen spe-

len op anderen, op situaties of op gestelde eisen.

‚

Indelingen van mensen met een verstandelijke beperking

maar ook aan praktische zaken. Jezelf kunnen

aankleden bijvoorbeeld stelt eisen aan je (motori-

‚

1.4.3

Bij het bepalen of iemand een verstandelijke bepermogelijk criterium: een getal waarmee het intellectueel (cognitief) functioneren wordt aangeduid.

Door testen van een testpersoon te vergelijken met die van een grote (norm)groep anderen, verkrijgt

men een beeld van de intelligentie. Het IQ drukt de verhouding uit tussen de verstandelijke leeftijd en

de werkelijke leeftijd. Een kind van tien jaar bijvoor-

beeld dat een IQ van 70 heeft, heeft een verstandelijke ontwikkeling van een kind van zeven jaar. Het

gemiddelde IQ ligt op 100. En wie bijvoorbeeld een

IQ beneden de 50 heeft, heeft een ernstige verstandelijke beperking.

De indeling naar IQ leidde vroeger tot de indeling ‘idioot’, ‘imbeciel’ en ‘debiel’. Hierbij staat de term

‘idioot’ voor het laagste niveau en de term ‘debiel’ voor het hoogste niveau. De term ‘imbeciel’ duidt het middenniveau aan.

Omdat bij een verstandelijke beperking sprake is van een duidelijke beperking in het intellectueel

functioneren, koppelt men qua IQ daar de grens aan van 70 of lager.

De verstandelijke beperking komt voor het acht-

Toch zegt een indeling alleen op basis van het IQ

jaar is duidelijk dat er sprake is van:

functioneren’. De definitie van wat een verstandelij-

tiende jaar tot uiting. Voor het achttiende levens‚ ‚ ‚ ‚

13332_Book.indb 6

een te trage ontwikkeling;

stilstand in de ontwikkeling; terugval in de ontwikkeling;

een incomplete ontwikkeling.

niet zoveel. Er is meer dan alleen het ‘verstandelijk ke beperking is, geeft dit al aan. Er moet ook geke-

ken worden naar het aanpassingsvermogen. Je moet ook kijken naar de mate waarin iemand in staat is

17-09-12 09:52


1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

7

zelfstandig deel te nemen aan het sociale en maat-

aangewezen op zorg en begeleiding, waarbij de

Indeling naar niveaus

Mensen met een ernstige verstandelijke beperking

te doen is in de zorg de volgende indeling gemaakt:

hebben enig contact met de buitenwereld, al gedra-

schappelijke leven.

Om mensen met een verstandelijke beperking recht ‚ ‚

mensen met een lichte verstandelijke beperking; mensen met een matige verstandelijke beperking;

‚

mensen met een ernstige verstandelijke beperking;

‚

mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking.

Je moet niet blindvaren op deze indeling. Bij twee mensen van hetzelfde niveau zijn de verschillen

nadruk ligt op ondersteuning en voorlichting.

Mensen met een ernstige verstandelijke beperking gen ze zich nogal eens passief. Meestal zijn ze in

staat om enige zelfredzaamheid te ontwikkelen. Er kan starheid optreden: iets moet of kan alleen op een bepaalde manier en anders niet. Er is vrijwel

altijd sprake van een zekere ontwikkeling van de

motoriek. Mensen met een ernstige verstandelijke

beperking zijn aangewezen op verzorging en begeleiding, waarbij de zelfzorg gedeeltelijk moet worden overgenomen en moet worden ondersteund.

altijd groter dan de overeenkomsten. We geven je er informatie over om je een idee te geven van wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn bij een bepaald niveau van functioneren.

Mensen met een lichte verstandelijke beperking

Mensen met een lichte verstandelijke beperking

hebben lang niet altijd zorg of begeleiding nodig, namelijk alleen als er bijkomende stoornissen of

problemen zijn. Mensen met een lichte verstandelijke beperking zijn vrijwel altijd in staat tot zelfstan-

digheid en zelfredzaamheid. Een goede communicatie is mogelijk. Punt van aandacht vormt het feit dat de persoon met een lichte verstandelijke beperking

Figuur 1.2

Iedere persoon met een verstandelijke beperking is een individu

zich bewust is van zijn ‘anders-zijn’. De nadruk in de

Mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking

lichting.

king leven in een eigen wereld. Ze zijn in zichzelf

zorg en begeleiding ligt op ondersteuning en voor-

Mensen met een matige verstandelijke beperking

Mensen met een matige verstandelijke beperking

kunnen zich meestal verbaal uiten, al is hun woordenschat wel beperkt. Ze zijn in staat een redelijke vorm van zelfredzaamheid te ontwikkelen. De

motoriek is meestal redelijk goed ontwikkeld. Men-

Mensen met een zeer ernstige verstandelijke bepergekeerd. Ze zijn nauwelijks in staat enige vorm van zelfredzaamheid te ontwikkelen. De motoriek is

onvoldoende ontwikkeld. Soms zijn ze bedlegerig.

Mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking zijn aangewezen op volledige verzorging en begeleiding door anderen.

sen met een matige verstandelijke beperking zijn

13332_Book.indb 7

17-09-12 09:52


8

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

Indeling naar ervaringsfasen

afgewerkt. Een zorgvrager die structurerend ordent

Huigens. Zij heeft daarbij gekeken naar ervaringsfa-

(en andere) handelingsreeksen. Dat hiermee zijn

Een andere indeling is die van Dorothea Timmers-

sen: de verschillende manieren waarop iemand met een verstandelijke beperking zichzelf en de wereld om zich heen beleeft. Wat kan hij en wat doet hij

met zijn ervaringen? De vraag: hoe beleeft iemand

is in staat de juiste volgorde aan te brengen in deze zelfredzaamheid groter is dan van een zorgvrager

waarbij sprake is van de associatieve ervaringsfase, spreekt voor zich.

met een verstandelijke beperking zichzelf en de

Associatief ervaren

met zijn ervaringen?

in staat is tot het maken van associaties: ‘Dit hoort

wereld om zich heen? Wat kan hij en wat doet hij

Timmers-Huigens onderscheidt van hoog naar laag de volgende ervaringsfasen: ‚ ‚ ‚ ‚

vormgevend ervaren;

structurerend ervaren; associatief ervaren;

lichaamsgebonden ervaren.

De indeling in ervaringsfasen werken we hier kort uit.

Vormgevend ervaren

Met vormgevend ervaren wordt bedoeld dat de

Van associatief ervaren is sprake als de betrokkene

bij dat.’ Als bijvoorbeeld de tafel gedekt is, weet hij dat er gegeten gaat worden. En als hij zijn pyjama aan heeft, dan weet hij dat hij eerst zijn tanden

moet poetsen. Het kunnen maken van deze en ande-

re associaties is het resultaat van herhaling: elke dag weer worden bepaalde dingen (bewust en onbe-

wust) op dezelfde manier gedaan. Bij een zorgvrager die associatief ordent is het belangrijk om bij het

aanleren van vaardigheden aan te sluiten bij zijn

vermogen tot associëren. Dingen kunnen hem worden geleerd door ze telkens op dezelfde manier te herhalen.

betrokkene vorm kan geven aan zijn eigen leven. Hij

Lichaamsgebonden ervaren

wat er al is. Hij heeft zijn eigen smaak en maakt zijn

lichaam ervaren wordt, spreek je van lichaamsge-

is in staat iets extra’s, iets eigens toe te voegen aan

eigen keuzes. Hij is bijvoorbeeld in staat zelf te bepalen hoe zijn kamer of huis eruit moet zien en welke muziek hij mooi vindt. Structurerend ervaren

Van structurerend ervaren is sprake als de betrokkene in staat is tot meer ingewikkelde associaties. De betrokkene is in staat structuur te herkennen en

Als de betrokkene alleen waarneemt wat met zijn bonden ervaren. Televisiekijken is bijvoorbeeld niet aan hem besteed, want hij ervaart dit niet aan zijn eigen lichaam. Hij kan geen betekenis geven aan

wat hij op afstand ziet, hoort of ruikt. Het zegt hem

weinig tot niets. Bij het lichaamsgebonden ervaren is het belangrijk gebruik te maken van lichamelijk contact.

structuur aan te brengen en kan meer dan twee

zaken met elkaar in verband te brengen. Hij is ook in staat de juiste volgorde aan te brengen in een reeks handelingen.

Het opstaan bestaat bijvoorbeeld uit een reeks van

handelingen: uit bed komen, nachtgoed uittrekken, wassen, scheren, verschonen, aankleden. Deze handelingen moeten in een juiste volgorde worden

13332_Book.indb 8

17-09-12 09:52


1

Vroeger

Debiel

Licht

imbeciel Ernstig

imbeciel Idioot

Nu Lichte verstandelijke beperking

Matige verstandelijke beperking

Ernstige verstandelijke beperking

ordening

Structurerend

en vormgevend ervaren

Associatief en structurerend ervaren

Lichaamsgebonden en associatief ervaren

Figuur 1.4

Een zorgvrager met het syndroom van Down

1.5

Mensen met een licht verstandelijke beperking en gedragsstoornis

den ervaren

Figuur 1.3

1.4.4

9

Ervarings-

Zeer ernstige verstan- Lichaamsgebondelijke beperking

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

Specifieke syndromen

In de zorg voor mensen met een verstandelijke

Een doelgroep die om een meer specifieke benade-

gers waarbij sprake is van een specifiek syndroom.

beperking die een gedragsstoornis hebben. Voor een

beperking zul je ook te maken krijgen met zorgvraDe bekendste is wel het syndroom van Down. We

spreken van een syndroom als er sprake is van een

vaste combinatie van symptomen, die horen bij een bepaald ziektebeeld, afwijking of stoornis.

Sommige syndromen kunnen zo ernstig zijn, dat ze niet verenigbaar zijn met het leven. Het kind over-

lijdt in de baarmoeder of kort na de geboorte. In het eerste geval eindigt de zwangerschap in een mis-

kraam of vroeggeboorte. Ook al kunnen mensen die aan hetzelfde syndroom lijden, op elkaar lijken,

moet je niet de fout worden maken dat ze allen hetzelfde zijn. Ook al vallen de overeenkomsten op, de onderlinge verschillen zijn groter.

ring vraagt, zijn mensen met een licht verstandelijk

deel van deze cliëntgroep wordt de afkorting SGLVG

gebruikt: Sterk Gedragsgestoorde Licht Verstandelijk Gehandicapten. Bij deze zorgvragers komen problemen voor op het vlak van delinquentie, verslaving, psychiatrische stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, enzovoort. Het gaat om een zeer moeilijke cliëntgroep waarbij de verstandelijke beperking vaak veel te laat wordt onderkend. Een meer op

behandeling gerichte aanpak en een goed opgeleid niveau van begeleiders is nodig.

‘Ik‚heb‚brand‚gesticht‚in‚mijn‚kamer.‚Ze‚wisten‚niet‚of‚ het‚psychisch‚was‚of‚geestelijk‚gestoord.‚Dat‚weten‚ze‚ nog‚steeds‚niet.‚Eerst‚zat‚ik‚in‚een‚tehuis,‚toen‚ben‚ik‚ gaan‚zwerven,‚vanaf‚een‚jaar‚of‚zestien‚of‚zo.‚Vanuit‚de‚ kroeg‚ging‚ik‚met‚mensen‚mee‚en‚daar‚bleef‚ik‚dan‚ weer‚een‚tijdje.‚Toen‚las‚ik‚over‚het‚gebod‚‘Gij‚zult‚niet‚ weerspannig‚zijn’‚en‚ik‚voelde‚het‚branden‚aan‚mijn‚ benen.‚Toen‚heb‚ik‚de‚boel‚in‚de‚fi‚k‚gestoken,‚ik‚dacht‚ik‚ ga‚toch‚naar‚de‚hel,‚dan‚ben‚ik‚er‚vast.’

13332_Book.indb 9

17-09-12 09:52


10

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

Henk‚Bos‚liep‚brandend‚in‚de‚armen‚van‚de‚begeleiders‚ op‚de‚afdeling‚van‚een‚psychiatrische‚inrichting‚waar‚hij‚ destijds‚zat.‚Nu‚vertelt‚hij‚zijn‚verhaal‚op‚een‚video‚van‚ stichting‚De‚Brug‚in‚Zwammerdam,‚afdeling‚

Specifieke problemen die bij deze zorgvragers spelen zijn: problemen met alertheid, gedragsproblemen, en communicatieproblemen en problemen met sociale contacten.

Behandeling‚en‚Intensieve‚Begeleiding,‚waar‚hij‚na‚de‚ brandstichting‚is‚opgenomen. Bron: I. van der Linde. ‘Onzichtbare groep’. Maandblad

1.7

Markant.

Mensen met een lichamelijke beperking

Bij een beperking op lichamelijk gebied kan het

1.6

Mensen met een meervoudige beperking

In de gehandicaptenzorg kun je ook te maken krij-

gen met mensen met een meervoudige beperking. We spreken van een meervoudige beperking als

iemand twee afzonderlijke beperkingen bezit, die

ieder voor zich ernstig, omvangrijk en langdurig zijn. Vooral een combinatie van een verstandelijke en

een motorische beperking komt veel voor. In de zorg voor mensen met een lichamelijke beperking gaat

gaan om een motorische beperking, een zintuiglijke beperking, een orgaanbeperking, bewustzijnsstoornissen (coma, epilepsie) en om spraak-en taalstoornissen. Ook bij mensen die door bijvoorbeeld niet-

aangeboren hersenletsel (zoals een CVA) cognitieve

beperkingen hebben, spreken we van een lichamelijke beperking.

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 70% van de bewoners van woonvormen voor mensen met een lichamelijke beperking ook verstandelijke beperkingen heeft.

het vaak om een ernstiger motorische beperking in

De groep mensen met een lichamelijke beperking

terwijl het in de verstandelijk gehandicaptenzorg

0 tot 65 jaar. De grote groep ouderen met lichamelij-

combinatie met een lichte verstandelijke beperking, precies andersom is.

Bij een meervoudige beperking hoeft het niet per se

om een combinatie van een lichamelijke en verstan-

delijke beperking te gaan. Een doofblinde zorgvrager heeft ook een meervoudige beperking.

Zorgvragers met een zeer ernstige verstandelijke,

motorische en visueel/auditieve beperking worden

aangeduid als ‘mensen met een ernstige meervoudige beperking’ (EMB). In de gehandicaptenzorg kun je bovendien de afkorting ZEVMB tegenkomen: mensen met ZEVMB hebben zowel (zeer) ernstige ver-

standelijke beperkingen als (zeer) ernstige motorische beperkingen.

13332_Book.indb 10

wordt meestal beperkt tot de leeftijdsgroep van

ke stoornissen en beperkingen valt niet onder de

gehandicaptenzorg, maar onder de ouderenzorg. Je komt ze vooral tegen in verpleeg- en verzorgings-

huizen, in het geval ze niet zelfstandig wonen. Als ze

in een woonvorm voor mensen met een lichamelijke beperking wonen, wonen ze daar vaak al heel lang. Een lichamelijke beperking kan aangeboren zijn of pas later zijn verkregen. Juist mensen die op latere leeftijd een beperking krijgen, voelen het pijnlijke gemis van alles wat ze vroeger wel konden. Hun

hele leven wordt ondersteboven gegooid. Ze kunnen een aantal zaken niet meer zelfstandig doen en

gaan daardoor ook vaak anders tegen zichzelf, anderen en de maatschappij aankijken.

17-09-12 09:52


1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

11

Mensen met een motorische beperking

Binnen de groep mensen met een lichamelijke

beperking is de groep mensen met een motorische beperking oververtegenwoordigd. Het gaat om mensen met beperkingen bij het lopen, bij het

gebruik van de armen of handen of met beperkingen bij het houden van het evenwicht.

Het aantal verschillende motorische beperkingen is

groot. Veel mensen hebben er ook zelf ervaring mee. Bijna iedereen is weleens tijdelijk beperkt geweest in zijn houding of in het bewegen, bijvoorbeeld als gevolg van een botbreuk of een verstuikte enkel. Figuur 1.5

Motorische beperkingen komen in de gehandicaptenzorg veel voor

1.7.1

Indelingen van mensen met een lichamelijke beperking

Maar om die tijdelijke motorische beperkingen gaat het in de gehandicaptenzorg niet. In de lichamelijk

gehandicaptenzorg kom je bij zorgvragers blijvende motorische beperkingen tegen, zoals: ‚ ‚

Bij de groep mensen met een lichamelijke beperking gaat het om heel verschillende beperkingen. In de

‚ ‚

verlammingen;

stoornissen in de samenwerking van de spieren; ontbreken van lichaamsdelen;

aandoeningen van botten en/of gewrichten;

zorg zijn voorzieningen vaak gericht op een bepaal-

‚

andere woorden, onder te verdelen door te kijken

Mensen met een zintuiglijke beperking

is die naar de oorzaak van de beperking: er zijn aan-

beperkt bij het opnemen en verwerken van informa-

de doelgroep. Lichamelijke beperkingen zijn, met

naar de aard van de beperking. Een andere indeling

geboren en niet-aangeboren beperkingen. Een derde indeling is die in zichtbare en onzichtbare beperkingen. We bespreken alle drie deze indelingen.

Indeling naar de aard van de beperking

Wanneer we kijken naar de aard van de lichamelijke beperking, kunnen we de zorgvragers indelen naar: ‚ ‚ ‚ ‚ ‚ ‚

mensen met een motorische beperking;

mensen met een zintuiglijke beperking; mensen met een orgaanbeperking;

spierziekten en spieraandoeningen.

Mensen met een zintuiglijke beperking zijn vooral

tie. Wie niet kan zien, moet op andere manieren proberen ergens achter te komen en is grotendeels aangewezen op zijn gehoor en tastzin. Wie niet kan horen, moet het vooral doen met wat hij ziet.

Onder de zintuiglijke beperkingen vallen auditieve en visuele stoornissen. De belangrijkste zijn: ‚ ‚ ‚

doofheid;

slechthorendheid; blindheid;

mensen met een spraak- en/of taalstoornis;

‚

mensen met bewustzijnsstoornissen.

Doofheid en slechthorendheid zijn auditieve stoor-

mensen met niet-aangeboren hersenletsel;

slechtziendheid.

nissen. Blindheid en slechtziendheid zijn visuele stoornissen.

13332_Book.indb 11

17-09-12 09:52


12

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

Mensen met een orgaanbeperking

De meest bekende taalstoornis is afasie. Afasie is

aan COPD, diabetes, hartfalen en nierziekten. Bij een

de gevallen – het gevolg is van een CVA. Iemand met

Het aantal orgaanbeperkingen is enorm groot. Denk orgaanbeperking functioneert een orgaan niet of

niet goed. Voor de betrokkene geeft dat beperkingen. Welke beperkingen dat precies zijn, hangt af van welk orgaan niet of niet goed functioneert. Een

orgaanbeperking heeft niet alleen een lichamelijke beperking tot gevolg, ook al zou je dat op het eerste gezicht misschien wel denken. Iemand met een

orgaanbeperking kan van tijd tot tijd erg ziek zijn,

een taalstoornis die meestal – in ongeveer 85% van

afasie kan niet meer duidelijk maken wat hij bedoelt en/of begrijpt niet meer wat jij bedoelt. Afasie kan zich op vele manieren uiten. Van welke vorm ook sprake is, afasie levert altijd problemen op in de

dagelijkse communicatie. Misverstanden, onbegrip

en ergernis kunnen het gevolg zijn. In dit boek gaan we niet dieper in op spraak- en taalstoornissen.

maar dit verschilt van persoon tot persoon.

Mensen met niet-aangeboren hersenletsel

Elke orgaanbeperking verschilt wezenlijk van ande-

melnaam voor alle letsels aan de hersenen die op

re orgaanbeperkingen. We gaan er in dit boek niet

verder op in, omdat een orgaanbeperking alléén vrijwel nooit reden is voor plaatsing in een woonvoor-

ziening in de gehandicaptenzorg. Je kunt orgaanbeperkingen wel tegenkomen bij zorgvragers, maar dan in combinatie met een verstandelijke en/of andere lichamelijke beperking.

Mensen met een spraak- en/of taalstoornis

Bij een spraakstoornis zien we dat bepaalde klanken, woorden of zinnen niet of verkeerd worden uitge-

sproken. Een spraakstoornis kan het gevolg zijn van een afwijking aan die delen van het lichaam die

nodig zijn voor het spreken, zoals de tong, de tanden, de lippen en het verhemelte. Maar het kan ook het gevolg zijn van iets anders, bijvoorbeeld doofheid, een verstandelijke beperking of autisme. Voorbeelden van spraakstoornissen zijn: ‚ ‚ ‚

stotteren;

stembandloosheid;

articulatieproblemen.

We spreken van een taalstoornis wanneer de taal

(woorden en zinnen) niet of verkeerd wordt begre-

pen, of niet of verkeerd wordt gebruikt. Een taalstoornis kan het gevolg zijn van een stoornis in het taal-

centrum van de hersenen. Maar ook van iets anders,

Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) is een verzalatere leeftijd zijn ontstaan. Binnen de lichamelijk gehandicaptenzorg gaat het om mensen die door een ongeval, trauma (verdrinking, verstikking) of ziekte een blijvende hersenbeschadiging hebben

opgelopen. Die hersenbeschadiging is aan de buitenkant vaak niet zichtbaar en kan daardoor voor veel onbegrip zorgen. Daar komt nog bij dat het

gedrag van de zorgvrager voor begeleiders en familie vaak lastig is, terwijl er met de zorgvrager niet goed over is te praten.

De gevolgen van hersenletsel kunnen enorm ver-

schillen van persoon tot persoon. Het hangt af van de plek waar het letsel zit en natuurlijk ook van de ernst en de omvang van het letsel.

Hoewel de situatie van een zorgvrager met niet-

aangeboren hersenletsel kan lijken op die van een

persoon met een verstandelijke beperking, zeggen we toch niet dat sprake is van een verstandelijke beperking.

Bij zorgvragers met niet-aangeboren hersenletsel is

de verwerking anders. De levenslijn is ineens onderbroken. Het zich bewust zijn van de restsituatie en het verschil met vroeger kan voor veel acceptatieproblemen zorgen. Die acceptatieproblemen kunnen trouwens ook bij de familie groot zijn.

zoals spasticiteit of een verstandelijke beperking.

13332_Book.indb 12

17-09-12 09:52


1

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

In de zorgverlening aan mensen met niet-aangebo-

ling die te maken is. Er is ook een onderscheid te

duele aandachtspunten gelden. Belangrijk is daarbij

geboren beperkingen.

ren hersenletsel zullen altijd in sterke mate indivi-

verschil te maken tussen de periode van revalidatie (periode waarin verbeteringen mogelijk zijn) en de tijd daarna.

Mensen met bewustzijnsstoornissen

Bij mensen met bewustzijnsstoornissen moet je

denken aan zorgvragers met een (zeer) laag bewustzijn door coma en aan epilepsie. Een bewustzijns-

maken tussen aangeboren beperkingen en niet-aan-

Aangeboren beperkingen

Van een aangeboren beperking is sprake wanneer de beperking is ontstaan voor, tijdens of vlak na de geboorte.

Mogelijke oorzaken van aangeboren beperkingen zijn: ‚

stoornis berust op een gestoorde hersenwerking. In revalidatiecentra kun je te maken krijgen met

ieder geval het zenuwstelsel; ‚

toestand, maar het kan ook zo zijn dat de zorgvrager

stoornissen tijdens de zwangerschap als gevolg

van exogene invloeden (invloeden van buitenaf),

deze fase achter zich heeft en nog onzeker is in

zoals infectieziektes bij de moeder (rodehond en

welke mate hij herstelt.

toxoplasmose bijvoorbeeld), medicijngebruik of straling;

Epilepsie kun je vooral tegen bij zorgvragers bij wie

‚

Epilepsie is een aandoening die zich uit in de vorm

‚

sprake is van een aangeboren motorische beperking.

stoornissen tijdens de geboorte, bijvoorbeeld zuurstoftekort en hersenbloeding;

van aanvallen. De oorzaak is een verstoring van de

stoornissen direct na de geboorte, bijvoorbeeld

zuurstoftekort, hersenbloedingen, direct ontsta-

elektrische prikkeloverdracht in de hersenen. De

ne ernstige geelzucht; ‚

van persoon tot persoon.

Epilepsie kom je trouwens ook tegen bij mensen

stofwisselingstoornissen en andere aanlegstoornissen met als gevolg misvormingen van in

zorgvragers bij wie sprake is van een (zeer) laag

aard en de ernst van de aanvallen verschillen enorm

erfelijke/genetische oorzaken, zoals chromosoomafwijkingen;

‚

bewustzijn. Er kan sprake zijn van een vegetatieve

stoornissen in het eerste levensjaar, bijvoorbeeld hersen(vlies)ontsteking, zuurstoftekort, hersenbloeding en een trauma.

met een verstandelijke beperking. Er wordt nog wel

Niet-aangeboren beperkingen

een verstandelijke beperking. Maar deskundigen

neer iemand op latere leeftijd de beperking opdoet.

eens gedacht dat epilepsie de oorzaak kan zijn van

nemen aan dat epilepsie vrijwel nooit de oorzaak is van een verstandelijke beperking, maar eerder een symptoom. Het is een signaal dat er sprake is van een hersenbeschadiging.

Indeling naar aangeboren en niet-aangeboren beperkingen Kijken we naar de zorgvragers in de gehandicaptenzorg dan is het logisch verschil te maken tussen

lichamelijke beperkingen en verstandelijke of meervoudige beperkingen. Toch is dat niet de enige inde-

13332_Book.indb 13

13

Van een niet-aangeboren beperking is sprake wanNiet-aangeboren beperkingen worden ook wel verworven beperkingen genoemd. Mogelijke oorzaken van niet-aangeboren beperkingen zijn: ‚

ziekten (bijvoorbeeld hersen(vlies)ontsteking, polio, kwaadaardige tumoren);

‚

een ongeval (bijvoorbeeld verdrinking of een verkeersongeval);

‚ ‚ ‚ ‚

ouderdom;

ernstige mishandeling;

ernstige en langdurige ondervoeding; vaatstoornissen.

17-09-12 09:52


14

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

Figuur 1.6

Een chromosoomafwijking kan een aangeboren handicap veroorzaken

Verreweg de meest voorkomende oorzaken van

Veel beperkingen zijn wél zichtbaar. Ook dat heeft

ouderdom.

is, dan houdt de omgeving vaak meer rekening met

beperkingen op lichamelijk gebied zijn ziekte en

Indeling in zichtbare en onzichtbare beperkingen

Behalve de indeling naar de aard en de oorzaak van de beperking, kunnen we beperkingen ook indelen naar of ze zichtbaar zijn of niet. Voorbeelden van

niet-zichtbare beperkingen zijn doofheid en slechthorendheid en (vaak) een lichte verstandelijke

beperking. Ook een visuele beperking is niet altijd

meteen zichtbaar. Een stoornis of beperking die niet direct opvalt, kan uiteenlopende reacties oproepen. De zorgvrager ervaart niet direct een belemmering in contacten met anderen, maar de kans is groter dat er geen rekening met zijn beperkingen wordt

gehouden. Onbegrip en misverstanden kunnen het gevolg zijn en dat kan leiden tot frustratie en verdriet bij de zorgvrager.

voor- en nadelen. Wanneer een beperking zichtbaar de beperking. Er is meer begrip. Maar soms gebeurt juist het tegenovergestelde. Mensen kunnen ook

met afschuw reageren op een zichtbare beperking. Vaak gebeurt dit uit onmacht, onbegrip of onbe-

kendheid. Voor een zorgvrager valt het vaak niet

mee zich niet (negatief) te laten beïnvloeden door de houding en reacties van anderen. Dat kan ook voor de naastbetrokkenen van zorgvragers gelden.

Voorbeeld Vijf maanden geleden is Liesbeth bevallen van Bas. Bas heeft het syndroom van Down. Soms denkt Liesbeth dat ze er wel aan gewend is dat mensen haar zoon Bas anders bekijken dan andere baby’s. Maar soms ook heeft ze er nog veel moeite mee dat er geen mens is die Bas uit zichzelf oppakt en knuffelt. Dan voelt ze de teleurstelling en de pijn in haar hart.

13332_Book.indb 14

17-09-12 09:52


1

1.8

Progressieve en niet-progressief verlopende beperkingen

De meeste beperkingen brengen een bepaalde statische toestand met zich mee. Wie spastisch is, weet: ik ben nu spastisch, over tien jaar ben ik nog net zo spastisch als nu. En wie blind is, leeft ermee dat hij nooit zal kunnen zien.

Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

15

Voorbeeld Pieter Doumen heeft reuma. Hij vertelt: ‘Toen ik bewegingsoefeningen van mijn fysiotherapeute kreeg, dacht ik: “Ja, ja, dat ga ik niet doen … jij hebt makkelijk praten.” Eigenlijk hield ik me doof. Mijn fysiotherapeute had het in de gaten. Meermalen kwam ze erop terug. Dan zei ze. “Meneer Doumen, ik kan u niet beter maken. U moet het zelf doen. Echt. Ik kan u alleen helpen.” Pas na een half jaar viel het kwartje. Het was waar. Zij kon me niet beter

Naast deze niet-progressieve beperkingen is er een

aantal stoornissen en beperkingen dat een progres-

sief verloop kent. Dat wil zeggen dat er sprake is van

maken. Ik was de enige die wat kon doen om beter met mijn beperkingen te leven.’

een voortdurende lichamelijke en/of cognitieve ach-

Een lichamelijke beperking vraagt vaak om bepaal-

sterk verschillen. Een zorgvrager met een progres-

moeten rekening houden met hun beperking. Ze zijn

teruitgang. De snelheid van deze progressie kan

sieve aandoening wordt steeds weer geconfronteerd met lichaamsfuncties die minder worden of uitvallen. Dit bemoeilijkt vaak het acceptatieproces.

Steeds als de zorgvrager op een punt is gekomen dat er enige vorm van acceptatie is, wordt hij weer

geconfronteerd met een nieuwe situatie waarin hij minder mogelijkheden heeft. Ook de onvoorspel-

baarheid van de snelheid, waarin beperkingen zich voordoen, kan onzekerheid en onmacht oproepen.

1.9

Zorgverlening aan mensen met een lichamelijke beperking

De meeste mensen met een lichamelijke beperking

zijn prima in staat zelfstandig hun leven te leiden en vorm te geven ondanks de beperkingen die zij hebben. Ze zijn voldoende zelfredzaam en ze kunnen

zich met of zonder hulpmiddelen goed redden. Dit

de keuzen. Mensen met een lichamelijke beperking

vaak veel eerder moe en hebben (sneller) pijn. Hier-

door kunnen ze niet zomaar alles en kan het moeite kosten om zelfs maar de simpelste leefregels of

adviezen in de praktijk te brengen. Alles wat nieuw of anders is past niet goed in de dagelijkse routine en het kost moeite om met de beperking toch een

min of meer normaal leven te leiden. De zorgvrager

kan bovendien het gevoel hebben zijn toekomstperspectief kwijt te zijn en dat kan het gevoel geven van ‘Waar doe ik het voor?’

De zelfredzaamheid van de zorgvrager – het vermogen van een individu om zelfzorgactiviteiten uit te voeren zonder de hulp van anderen – is voor een

belangrijk deel bepalend voor de zorgbehoefte. De persoon met een beperking kan meer of minder

behoefte hebben aan ondersteuning op het gebied van hulpmiddelen, ADL, verpleging, begeleiding, huishoudelijke verzorging en behandeling.

vraagt wel van hen dat ze de verantwoordelijkheid

Behalve de beperking zelf kan ook de omgeving een

juist dat is niet altijd gemakkelijk.

maatschappelijke leven. Moeilijk toegankelijke

voor hoe ze zich voelen bij zichzelf neerleggen, en

belemmering opwerpen om deel te nemen aan het

gebouwen, niet geheel afgestemd openbaar vervoer

of een gering financieel budget zijn voorbeelden van dagelijks terugkomende zaken die de maatschappe-

13332_Book.indb 15

17-09-12 09:52


5

5 1 1

Verwerkingsopdrachten

41

Verwerkingsopdrachten Zorgvragers in de gehandicaptenzorg

We onderscheiden verschillende stoornissen. a

Wat zijn intellectuele stoornissen?

c

Geef een voorbeeld van een huidstoornis.

b

Geef een voorbeeld van een gezichtsstoornis.

2

Geef twee eigen voorbeelden van beperkingen. Geef hierbij aan op welk gebied zich de beperking voor-

3

a

doet.

b

Omschrijf wat jij verstaat onder een beperking.

Vergelijk jouw omschrijving van ‘beperking’ met de gegeven definitie in de theorie. Wat is je conclusie?

4

Heb je een handicap als je een vinger mist of slechthorend bent? Licht je antwoord toe.

5

Doe deze opdracht in groepjes van vier. We kennen nogal wat benamingen waarmee we mensen met een verstandelijke beperking kunnen aanduiden. a

Noem zo veel mogelijk benamingen.

c

Zijn er benamingen die je (liever) niet zou gebruiken? Welke?

b d e

Geef bij elke benaming aan welke associatie deze bij je oproept. Waarom zou je ze liever niet gebruiken?

Welke benaming heeft je voorkeur? Waarom?

6 Bij een persoon met een verstandelijke beperking is sprake van een beperking in het aanpassingsvermogen. Geef een voorbeeld hoe dit kan blijken:

‚ ‚ 7

bij het kopen van boodschappen.

Op welk vlak liggen de beperkingen vooral bij: ‚ ‚

8

in het verkeer;

iemand met een verstandelijke beperking? iemand die niet kan praten?

Stel: je verzorgt een zorgvrager die een verstandelijke beperking heeft en daarnaast doof is.

a

b

Leg uit hoe je bij deze zorgvrager uit kunt gaan van zijn mogelijkheden in plaats van zijn beperkingen. Leg uit waarom het belangrijk is bij deze zorgvrager uit te gaan van zijn mogelijkheden in plaats van zijn beperkingen.

9 Als iemand een IQ heeft van 50, wat wil dat dan zeggen?

13332_Book.indb 41

17-09-12 09:53


42

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

10 Met welke stelling ben je het het meest eens? Motiveer je antwoord.

Stelling 1: ‘Mensen met een verstandelijke beperking moet je niet indelen in groepen.’

Stelling 2: ‘Het is noodzakelijk mensen met een verstandelijke beperking in te delen in groepen.’

11 a

b

Wat voegt de indeling naar ervaringsfasen toe aan de indeling naar niveaus?

Kun jij het ermee eens zijn dat de indeling naar IQ feitelijk heel weinig zegt? Licht je antwoord kort toe.

12 Geef drie voorbeelden van een meervoudige beperking. Let erop dat ze voldoen aan de omschrijving van wat een meervoudige beperking is.

13 Waarom wordt gesproken over ‘het syndroom’ van Down? 14 Het aantal verschillende motorische beperkingen is groot. Geef drie voorbeelden van heel verschillende motorische beperkingen.

15 Het aantal orgaanbeperkingen is enorm groot. Geef drie eigen voorbeelden van orgaanbeperkingen. 16 Is het belangrijk te weten wat de oorzaak van een spraakstoornis is? Licht je antwoord toe. 17 Niet-aangeboren hersenletsel kan erg lijken op een verstandelijke beperking. Vind jij het terecht dat je toch niet spreekt van een verstandelijke beperking? Licht je antwoord toe.

18 Verstandelijke beperkingen kunnen aangeboren en niet-aangeboren zijn. a

Vind jij het als zorgverlener belangrijk te weten of een zorgvrager een aangeboren of niet-aangeboren

b

Welk verschil maakt het voor de naaste familie? Denk onder andere aan hun emoties en het verwer-

beperking heeft? kingsproces.

19 Geef twee eigen voorbeelden van nadelige exogene invloeden tijdens de zwangerschap. 20 Wat houdt het hebben van een progressieve ziekte in als het gaat om een kind dat een verstandelijke beperking heeft? Leg dit zo duidelijk mogelijk uit.

2 1

2

Geschiedenis van de gehandicaptenzorg en voorzieningen

Vind jij het nuttig om als zorgverlener enig inzicht in de geschiedenis van de zorg voor mensen met een beperking te hebben? Licht je antwoord toe.

Bekijk het schema in onderstaande figuur. Je ziet in het schema drie kolommen: ‚ ‚ ‚

uiterst links wordt een tijdbalk weergegeven;

in de middelste kolom staat een visie verwoord; uiterst rechts wordt het handelen genoemd.

De onderdelen staan in willekeurige volgorde.

13332_Book.indb 42

17-09-12 09:53


5

Tijdbalk

Verwerkingsopdrachten

Visie

Handelen

1 Mensen met een verstandelijke beper-

A Met straffen en belonen en aandacht

43

klassieke oudheid king zijn ziek, ze zijn te genezen.

voor zelfredzaamheid komt de persoon

met een beperking tot een betere ontwikkeling.

2 Mensen met een beperking zijn er om

B Mensen met een beperking moeten

3 De persoon met een beperking is mon-

C Mensen met een beperking verdienen

draagt verantwoordelijkheid voor eigen

hen gezorgd worden.

het volk te vermaken.

dig, heeft zelf keuzemogelijkheden en leven.

opgeborgen worden.

medelijden en bescherming. Er moet voor

4 De geboorte van een kind met een

D Er moet geluisterd worden naar de indi-

dend zijn.

diens behoeften en wensen. De persoon

beperking wijst erop dat de goden woe-

viduele persoon en uitgegaan worden van met een beperking moet de regie over eigen leven kunnen voeren.

5 Mensen met een beperking zijn ongewenst in de samenleving.

E Het kind dat met een beperking wordt

geboren, moet worden gedood. Het onheil moet worden afgewend, de duivel moet worden uitgedreven.

6 Mensen met een beperking moeten op bepaalde vlakken heropgevoed worden.

F Mensen met een beperking worden tentoongesteld en gebruikt voor volksvermaak.

7 De persoon met een beperking is een

G Er moet meer aandacht komen voor de

wensen als ieder ander. Ieder mens heeft

Hierbij moet niet gesleuteld worden aan

gewone burger, een individu met dezelfde rechten van mensen met een beperking. het recht op eigen manier mens te zijn.

de persoon met een verstandelijke beperking.

8 Mensen met een beperking zijn kwets-

H De persoon met een beperking moet

in de samenleving handhaven.

nose is gesteld.

baar en kunnen zich niet op eigen kracht

worden behandeld, nadat de juiste diag-

Heden Maak nu de volgende opdrachten.

13332_Book.indb 43

a

Handelen is gebaseerd op een bepaalde visie. Zoek uit welke visie bij welke handelwijze hoort. Noteer

b

Zet deze visies en handelwijzen nu in de juiste volgorde in de tijdbalk. Welke visie was er in de klassie-

bij het cijfer van de visie de letter van de bijbehorende handelwijze op (bijvoorbeeld ‘1A’). ke oudheid, welke visie had men daarna en welke visie is van deze tijd?

17-09-12 09:53


44

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

3

Vorm groepjes van vier personen. Voer een discussie over de volgende stellingen.

Stelling 1: ‘Dat de zorg voor mensen met een beperking categoraal is opgezet, is prima. Het zou niet anders moeten.’

Stelling 2: ‘Het grote gevaar van de zorgvernieuwing zoals die is ingezet in de verstandelijk gehandicap-

tenzorg is, dat mensen met een verstandelijke beperking overvraagd gaan worden. Er kunnen gemakkelijk te hoge eisen worden gesteld aan de persoon met een verstandelijke beperking, met alle nare gevolgen van dien.’

Stelling 3: ‘De zorgvernieuwing gaat te veel uit van de mondige klant die op de markt zijn inkopen doet. In werkelijkheid is de persoon met een verstandelijke beperking nauwelijks mondig en zorg is niet een product dat je eenmalig afneemt (zoals sinaasappels op de markt).’ 4

Bij de te verlenen zorg kun je de zorgvraag centraal stellen, maar ook het zorgaanbod. Maak aan de hand

5

a

Bij welke woonvoorzieningen kan een zorgvrager met een verstandelijke beperking zowel heel weinig

b

Wat kan voor de zorgvrager het voordeel zijn?

van een eigen voorbeeld duidelijk wat het verschil is.

als heel veel ondersteuning krijgen?

6 Wat is een belangrijk kenmerk van ondersteund / begeleid wonen? 7

In de theorie zijn we niet ingegaan op ‘kortverblijfhuis’ en ‘logeerhuis’. Stel: je moet ouders van een kind

met een verstandelijke beperking kan uitleggen wat het verschil is tussen deze twee voorzieningen. Zoek de benodigde informatie op en noteer wat jij hen vertelt.

8

Mensen met een beperking kunnen niet zelf kiezen waar en hoe ze willen gaan wonen. Wat vind jij van het gegeven dat mensen niet zelf kunnen bepalen waar ze willen wonen? Motiveer je antwoord.

9 Welk type zorgvoorziening is waarschijnlijk het meest geschikt voor de onderstaande zorgvragers: ‚

jonge vrouw, 24 jaar, dwarslaesie, als restverschijnsel na coma enige stoornissen in cognitie daardoor begeleiding nodig. Wil graag actief zijn met anderen;

‚

vrouw, 52 jaar, gezin met twee grote kinderen, heeft CVA doorgemaakt, wordt uit het ziekenhuis ontslagen;

‚ 10 a

echtpaar, beiden spina bifida, regelen alles zelf. Zoek via www.zorgcentrum.pagina.nl naar twee verschillende soorten zorginstellingen bij jou in de

provincie binnen de lichamelijk of verstandelijk gehandicaptenzorg. Noteer van deze zorginstellingen: ‚ ‚

b

13332_Book.indb 44

wat het zorgaanbod is;

voor welke doelgroep ze zorg bieden.

Bij welke zorginstelling zou jij het liefst willen werken? Motiveer je antwoord.

17-09-12 09:53


5

3 1

Verwerkingsopdrachten

45

Van intake tot beëindiging van de hulpverlening

Een AWBZ-indicatie is het toegangsbewijs tot zorgvoorzieningen. a

b

Bedenk in welke situaties het zonder AWBZ-indicatie toch tot opname kan komen.

Welke instelling speelt hier een sleutelrol bij? Beschrijf in enkele zinnen wat deze instelling doet en waarop zij zich richt. Maak zo nodig gebruik van de website van deze instelling.

2

a

3

Stel: je bent verzorgende in de thuiszorg. Een van je zorgvragers is meneer Riendersma. Meneer wil een

b

Zorgzwaartepakketten verschillen per zorgsector en per cliëntgroep. Waarom zal dit zo zijn?

Hoe belangrijk is het voor jou als zorgverlener te weten welk zorgzwaartepakket een zorgvrager heeft?

indicatie aanvragen voor zorg met verblijf. Hij wil die zorg thuis ontvangen, want zegt hij, dan worden zijn maandlasten lager en kunnen zijn kinderen na zijn overlijden zijn (koop)woning erven. Wat zeg jij tegen meneer, als hij over zijn plannen vertelt?

4

5

Wat is het verschil tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget? b

Zou jij meneer Riendersma (uit de vorige vraag) een pgb of zorg in natura adviseren? Licht je antwoord

a

Wat moet bij de intake centraal staan?

b

toe.

Kun jij je voorstellen dat de zorgvrager zelf en/of diens verwanten daar soms anders over denken? Licht je antwoord toe.

6 In de verstandelijk gehandicaptenzorg worden bij de intake ook de ouders of de wettelijke vertegenwoordigers betrokken. Geldt dit voor alle ouders en alle zorgvragers?

7

a

8

Met de zorgovereenkomst voldoet de zorgorganisatie aan wettelijke bepalingen? Om welke wet gaat het?

b

Geef een eigen voorbeeld van schuiven met componenten waaruit een ZZP is opgebouwd. Waarom zal het niet altijd mogelijk zijn te schuiven met componenten?

Leg kort uit wat deze wet inhoudt.

9 Noem minimaal twee redenen die aanleiding kunnen zijn een zorgovereenkomst te beëindigen. 4 1

Het zorg- en begeleidingsproces

In zorgsituaties is het nodig dat het zorgproces op een methodische wijze wordt vorm gegeven. Waarom? Licht je antwoord toe.

2

Zet de momenten op een rij om een zorgplan op te stellen, aan te vullen of te herzien.

3

In de gehandicaptenzorg kiest men bewust voor het begrip ‘vraagstelling’ in plaats van ‘probleemstelling’.

4

Van welke informatie gaat men uit bij het opstellen van een ondersteuningsplan?

13332_Book.indb 45

Waarom zal dit zo zijn?

17-09-12 09:53


46

Oriëntatie op de gehandicaptenzorg

5

Bij de beschrijving van de levensloop van de zorgvrager gaat het niet alleen om feitelijke gebeurtenissen, maar ook om hoe de zorgvrager deze gebeurtenissen heeft beleefd. a

b

Noem vijf gebeurtenissen die je belangrijk vindt om te vermelden in de levensloop van de zorgvrager. Geef van elke gebeurtenis kort aan waarom je het belangrijk vindt de gebeurtenis te vermelden.

6 Soms wordt, als hiertoe aanleiding is, een medisch onderzoek uitgevoerd. Bedenk twee voorbeelden van zulke aanleidingen.

7

Bij het vaststellen van het perspectief zoals de zorgvrager deze ziet, is het belangrijk geen grenzen te leggen. a

b 8

a

b

Wat is het voordeel hiervan? Wat is het nadeel?

Als jij je diploma haalt, op welk functieniveau mag je dan aan de slag?

Wat betekent dit voor jouw rol en verantwoordelijkheden wat betreft het ondersteuningsplan?

9 In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking worden bij het vaststellen van de zorgvraag een arts en een agoog betrokken. Waarom zullen ze erbij worden betrokken?

10 In de gehandicaptenzorg zal men zichzelf ook telkens de vraag stellen of de oorzaak van een probleem ligt in de verstandelijke of lichamelijke beperking, of dat er een andere reden is. Waarom zal men dit doen?

11 a b

Het is belangrijk in het zorgplan vast te leggen op welke termijn gestelde doelen behaald moeten worden. Leg uit waarom.

Hoe erg is het als een doel niet bereikt is?

12 Waarom is goed overleg belangrijk in relatie tot het bespreken van het zorgplan? Geef ten minste drie redenen.

13 Geef een eigen voorbeeld van een niet-realistisch of onhaalbaar zorgdoel voor een zorgvrager met een ernstige verstandelijke beperking.

14 Formuleer bij de volgende ondersteuningsvragen een mogelijk doel. ‚ ‚

Maaike voelt zich erg onzeker omdat ze slechtziend is.

Odjan heeft een grote behoefte aan structuur en veiligheid; als hij zich gespannen voelt wrijft hij zijn huid kapot.

‚ ‚

Roy wil het graag voor het zeggen hebben; daardoor heeft hij snel ruzie met anderen. Tinka stelt erg hoge eisen aan zichzelf.

15 Sommige gezondheidszorgorganisaties overleggen niet met het werk of de dagbesteding als het gaat om het vaststellen van het zorgplan, andere instellingen doen dit wel. Wat is jouw mening: doen of niet doen? Motiveer je antwoord.

13332_Book.indb 46

17-09-12 09:53


5

Verwerkingsopdrachten

47

16 Soms wordt door meerdere disciplines gewerkt vanuit eenzelfde ondersteuningsplan. Stel dat een doel in het ondersteuningsplan van een zorgvrager is: ‘De zorgvrager begrijpt wat zijn motorische beperkingen zijn.’ a

b

Welke disciplines zouden, volgens jou, kunnen worden ingeschakeld om dit doel te ondersteunen? Probeer bij elke discipline zelf een passende interventie te geven.

17 Een goed zorgplan is geen garantie voor een goede begeleiding van en zorgverlening aan mensen met een beperking. Wat is het wel?

18 Rapportage is een belangrijk aspect van de begeleiding van en zorgverlening aan mensen met een beperking. Leg uit waarom dit zo is.

19 In voorzieningen voor mensen met een beperking kun je met veel disciplines te maken krijgen. a

b

13332_Book.indb 47

Maakt het verschil of je in een kleine of grote woonvoorziening werkt? Licht je antwoord toe.

Maakt het verschil als je mensen die zelfstandig wonen begeleidt? Heb je dan ook met deze andere disciplines te maken? Licht je antwoord toe.

17-09-12 09:53


2

Zorgplan en begeleiding

Raymond Veenstra is een man van veertig. Hij heeft een verstandelijke beperking, praat slecht verstaanbaar en is licht spastisch. Raymond heeft de ontwikkeling van een kind van vijf en stelt zich erg afhankelijk op naar zijn begeleiders. Raymond maakt al jaren een ongelukkige indruk en reageert zijn ongenoegen af op de begeleiding. Die heeft een beetje genoeg van Raymond, al zeggen ze dat niet hardop. De begeleiding vindt dat er iets moet veranderen. Na heel veel gesprekken met Raymond en zijn familie komen ze erachter dat Raymond snakt naar ‘iets van zichzelf’. Hij wil heel graag in een eigen huisje wonen, waar hij zijn gang kan gaan. Raymond krijgt een eigen appartement, waar hij veel zelf kan doen. Hij bloeit op. Zeker als hij een nieuwe pb’er krijgt, die hem aanmoedigt, stimuleert en vertrouwen geeft.

13332_Book.indb 49

17-09-12 09:53


50

Zorgplan en begeleiding

6

Deskundig zorg en ondersteuning bieden

6.1

Inleiding

Zorg verlenen is niet alleen op lichamelijk gebied

dat je beschikt over een reële, positieve en genuanceerde beeldvorming.

zorg verlenen; je moet ook aandacht hebben voor de

Reëel

aandacht is niet vrijblijvend, net als de lichamelijke

heidsgetrouw beeld hebben van mensen met een

psychische en sociale kanten van de mens. Deze

zorgverlening moet deze doelgericht zijn. Er moet sprake zijn van deskundige ondersteuning.

‘Deskundige ondersteuning’ houdt in dat je doelgericht werkt aan het welzijn van een zorgvrager en

hem helpt bij het vinden en behouden van zijn plekje in de maatschappij, zodat hij zich prettig voelt.

Zorg verlenen aan iemand met een beperking betekent ook dat je een relatie ontwikkelt met de zorgvrager. De relaties die je in de gehandicaptenzorg met zorgvragers aangaat, zijn vaak langdurig en intensief. Van belang daarbij is allereerst dat je

beschikt over een reële, positieve en genuanceerde kijk op mensen met een beperking. Beschikken over een juiste beeldvorming is zo belangrijk,

omdat het de basis vormt voor die omgang en ondersteuning.

6.2

Reële, positieve en genuanceerde beeldvorming

Reëel wil zeggen: waarheidsgetrouw. Een waar-

beperking betekent dat je inziet dat mensen met

een beperking net zo sterk van elkaar verschillen als andere mensen. Iedere persoon met een beperking heeft eigen individuele mogelijkheden en wensen. De een wil graag onder begeleiding op zichzelf

wonen, de ander heeft die wens niet. De een kan

leren praten, de ander is aangewezen op gebaren-

taal en weer een ander maakt gebruik van picto’s.

Ook al is er sprake van dezelfde beperking, dan nog heeft ieder mens eigen mogelijkheden. Natuurlijk zijn er overeenkomsten, maar de verschillen zijn groter.

Reële beeldvorming betekent ook dat je erkent dat

mensen met een beperking veel meer zijn dan hun beperking. Het gaat in de eerste plaats gewoon om mensen. Naast vele andere eigenschappen en kenmerken hebben ze óók een beperking.

Reëel wil ook zeggen dat we niet moeten doen alsof

de beperking er niet is. Het gaat om mensen die zorg en/of begeleiding nodig hebben.

Mensen met een beperking hebben recht op een res-

Positief

medemens worden gezien. Van jou wordt verwacht

naar wat een persoon met een beperking allemaal

pectvolle benadering, waarbij ze als gelijkwaardig

13332_Book.indb 50

Positief wil zeggen: optimistisch. Kijk niet alleen

17-09-12 09:53


444

Begrippen

Begrippen A

aanbodgestuurde

Zorg waarbij professionele zorgverleners en de zorgorganisatie bepalen welke zorg

aangeboren

Beperking die is ontstaan voor, tijdens of vlak na de geboorte.

zorg

beperking

daadwerkelijk wordt verleend aan de zorgvrager.

afasie

Vermindering of verlies van het vermogen zich uit te drukken door middel van taal,

ALS

Amyotrofische laterale sclerose: een progressieve aandoening waarbij alle spieren,

angelmansydroom anticonceptie apraxie

autismespectrumstoornis

B

dan wel gesproken of geschreven taal te begrijpen.

behalve de hartspier, gaandeweg het ziekteproces hun functie verliezen.

Aangeboren ontwikkelingsstoornis met als kenmerken een verstandelijke achterstand, houterige motoriek, plotselinge lachbuien en epilepsie.

Verzamelnaam voor technieken voor het voorkomen van zwangerschap.

Onvermogen om doelbewuste handelingen uit te voeren. De bewegingen lukken

afzonderlijk wel, maar men is niet in staat alle bewegingen met elkaar te combineren tot ĂŠĂŠn gericht doel.

Verzamelterm voor gewone tot lichte vormen van autisme, waarbij betrokkene in meer of mindere mate in zichzelf gekeerd is.

bijziendheid

Oogafwijking waarbij men van dichtbij scherp ziet, maar van veraf wazig. De licht-

blindheid

Totaal of bijna-totaal functieverlies van het zicht: als iemand minder ziet dan een

stralen komen in een brandpunt voor het netvlies samen.

twintigste, of minder dan een tiende en een sterk beperkt gezichtsveld heeft, spreek je van blindheid.

C

centraal zenuw-

Orgaanstelsel in het lichaam dat bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.

cerebrale parese

Onvoldoende vorming of beschadiging van de hersenen die ontstaan is vlak voor,

chromosomen

Dragers van erfelijkheidsmateriaal van levende wezens, ze bevinden zich in de kern

stelsel

community care

tijdens of (direct) na de geboorte, meestal als gevolg van zuurstofgebrek. van cellen.

Het ondersteund leven van mensen met een beperking in de samenleving, waarbij ze zoveel mogelijk aan alle facetten van de samenleving deelnemen: aan wonen,

werk, clubs, verenigingen, sociale netwerken, reguliere voorzieningen en het ondercontractuur

13332_Book.indb 444

houden van informele contacten.

Dwangstand van een gewricht, veroorzaakt door langdurige foutieve stand van weefsel.

17-09-12 09:58


Begrippen

D

decorumverlies

445

Vervagen van fatsoensnormen. Het niet meer kunnen inschatten wat wel of wat niet kan in bepaalde situaties, waardoor het inzicht in waarden en normen ver-

vaagt en men gedrag vertoont dat niet aan de sociale omgeving van dat moment is domotica

doofheid

dwarslaesie

aangepast.

Elektronische toepassingen in een woning om functies te besturen (zoals verwarmen, ventileren en verlichten) en diensten uit de woonomgeving te gebruiken (zoals alarmeren, telefoneren en televisie kijken).

Het onvermogen om geluidsprikkels op te vangen en/of door te geven aan de hersenen, waardoor men niet of zeer slecht in staat is om te horen. Een dove wordt ook wel ‘auditief gehandicapt’ genoemd.

Beschadiging of aandoening van het ruggenmerg, waardoor de continuïteit van het ruggenmerg wordt onderbroken, met een uitval van motoriek en een uitval van gevoel tot gevolg.

E

ervaringsfase

Manier waarop iemand met een verstandelijke beperking zichzelf en de wereld om

evenwichtsorgaan

Orgaan dat bestaat uit vijf holtes die zorg draagt voor onze houding, ons evenwicht

F

zich heen beleeft. Wat kan hij en wat doet hij met zijn ervaringen? en onze balans.

facilitaire dienst

Serviceverlenende dienst binnen de instelling die uit verschillende afdelingen kan

familieparticipatie

Meedenken, meepraten, meedoen en meebeslissen van verwanten over zaken die

FAS fragiele-

X-syndroom

G

bestaan.

hun familielid in een instelling betreffen.

Foetaal alcohol syndroom: ontwikkelingsstoornis ontstaan voor de geboorte door overmatig alcoholgebruik bij de moeder.

Een erfelijke aandoening – een afwijking aan het geslachtschromosoom: het

X-chromosoom – die gepaard gaat met een verstandelijke handicap, met op autisme gelijkend gedrag en dikwijls met bepaalde uiterlijke kenmerken.

geleidingsgehoor-

Verlies aan gehoorsterkte. Ook wel conductieve slechthorendheid genoemd.

glaucoom

Verhoogde druk van vloeistof in de oogbol waardoor de oogzenuw beschadigd kan

verlies

glucose

grensoverschrijdend gedrag

13332_Book.indb 445

worden. Hierdoor wordt het gezichtsveld kleiner en ontstaat er een ‘kokerblik’ die maakt dat men vaak tegen objecten aanlopen. Ook wel groene staar genoemd. Suiker die in het lichaam werkt als brandstof voor de cellen. Gedrag dat grenzen van toelaatbaarheid overschrijdt.

17-09-12 09:58


446

Begrippen

grijze staar

Een vertroebeling van de ooglens waardoor men wazig ziet, dubbelziet of verblind

groeibevorderend

Een sfeer in een groep die de zorgverlening, begeleiding en behandeling onder-

groepsdynamica

Wetenschap die zich bezighoudt met het functioneren van groepen.

leefklimaat

H

wordt bij tegenlicht. Ook wel cataract genoemd.

steunt.

handicap

Stoornis of beperking die maakt dat iemand in zijn normale functioneren wordt

hemianopsie

Aandoening aan de ogen waarbij de helft van het gezichtsveld ontbreekt. Dit kan

hersenletsel hersenstam

hulpmiddel

belemmerd.

onder andere optreden bij een CVA.

Beschadiging van hersenweefsel door geweld van buitenaf of ziekteprocessen van binnenuit.

Verbinding tussen de hersenen en het ruggenmerg. Het is het deel van de hersenen dat niet tot de hersenschors behoort. De hersenstam bestuurt vitale levensfuncties als hartslag, ademhaling en bloeddruk.

Een product, instrument, technisch systeem of uitrusting, al dan niet speciaal in de markt gezet voor mensen met een beperking. Het kan worden gebruikt om een beperking te voorkomen of te verminderen.

I

infectie

Besmetting met schadelijke micro-organismen.

IQ

IntelligentiequotiĂŤnt: getal waarmee het intellectueel (cognitief) functioneren

integratie

Opnemen in of deelname aan de samenleving.

wordt aangeduid. Door testen van een testpersoon te vergelijken met die van een grote (norm)groep anderen, verkrijgt men een beeld van de intelligentie.

K

kwaliteitszorg

L

luchtweginfectie mentale leeftijd

M

De zorg gericht op het handhaven en verbeteren van de kwaliteit van producten of diensten.

Ontsteking van het slijmvlies van de luchtwegen.

Leeftijd die overeenkomt met het verstandelijke niveau van de persoon en dus niet noodzakelijk gelijkloopt met zijn kalenderleeftijd.

motorische

Bewegingsstoornis die zorgt voor beperkingen bij lopen, bij het gebruik van handen

MS

Multiple sclerose: aandoening van het centrale zenuwstelsel (ruggenmerg en herse-

beperking

13332_Book.indb 446

en armen en/of bij het evenwicht houden.

nen), waardoor signalen worden vertraagd en uiteindelijk geblokkeerd.

17-09-12 09:58


Begrippen

N

447

netwerkontwik-

Ondersteuning van de persoon met een verstandelijke beperking gericht op het ver-

niet-aangeboren

Beperking die ontstaat op latere leeftijd.

keling

beperking

O

krijgen en behouden van contacten met andere mensen in de samenleving.

onderdiagnostiek

Niet onderkennen dat een zorgvrager een bepaalde aandoening, ziekte of beperking

ontwikkelings-

Situatie waarbij het kind in zijn ontwikkeling op meerdere ontwikkelingsaspecten

stoornis

orthese

P

heeft.

erg afwijkt van het gemiddelde en er sprake is van een blijvende achterstand.

Uitwendig gedragen hulpmiddel ter correctie van standsafwijkingen of abnormale beweeglijkheid van gewrichten of van de wervelkolom.

participatie-

Probleem om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving.

PD

Posttraumatische dystrofie: abnormale reactie in een arm of een been of een deel

probleem

pgb

pijnanamnese pijnbeleving

pijngedrag pijnzin presbyopie

probleemgedrag prothese

13332_Book.indb 447

daarvan (bijvoorbeeld vinger of teen) die kan optreden na een, dikwijls onbeduidend, ongeval of operatie aan deze lichaamsdelen.

Persoonsgebonden Budget: geldbedrag dat iemand kan aanvragen om zelf hulp,

zorg en begeleiding of voorzieningen vanuit de AWBZ of de Wmo in te kopen; men kiest zelf de hulpverleners en begeleiders uit.

Hulpmiddel om pijn van de zorgvrager en de problemen daarom heen in kaart te brengen, in de vorm van een vraaggesprek.

Gevoelens die iemand heeft over zijn pijn. Pijnbeleving is afhankelijk van verschillende factoren waaronder: emoties, spanning, angst, eerdere ervaringen, sociaalculturele factoren en biologische verschillen.

Waarneembaar gedrag dat de zorgvrager zowel verbaal als non-verbaal uit als reactie op pijn.

Het vermogen van een organisme om weefselbeschadiging of dreigende weefselbeschadiging waar te nemen (te voelen en te ervaren).

Verziendheid – waarbij men dichtbij scherp ziet, maar veraf wazig – die optreedt

vanaf ongeveer het 45ste levensjaar. Het heeft te maken met het verouderen van de ooglens, die stugger wordt waardoor het vermogen om scherp te stellen afneemt.

Gedrag dat een probleem vormt voor zowel de betrokkene zelf als voor anderen, én in verschillende situaties problemen oplevert.

Vervanging van een ontbrekend lichaamsdeel door een kunstmatig deel.

17-09-12 09:58


448

Begrippen

R

rettsyndroom

ruggenmerg

rumineren

Aangeboren ontwikkelingsstoornis met een ernstige verstandelijke beperking tot

gevolg, die alleen voorkomt bij meisjes en zich openbaart op de leeftijd van 6 tot 18 maanden als een knik in de ontwikkeling.

Dunne streng van zenuwvezels, omsloten door het wervelkanaal van de wervelkolom. Onderdeel van het centrale zenuwstelsel. Het ruggenmerg ontvangt en geeft informatie door van verschillende lichaamsdelen naar de hersenen.

Moedwillig ophalen van (gedeeltelijk) onverteerd voedsel uit de maag door het

omkeren van de peristaltiek van de slokdarm, om dit vervolgens te herkauwen of uit te spugen.

S

scoliose

seksualiteit seksueel misbruik

slechthorendheid smetten snoezelen

spasticiteit

Zijdelingse kromming van de wervelkolom.

Geheel van menselijke gevoelens en handelingen van lichamelijke aard gericht op een ander, die gepaard gaan met lust en opwinding.

Uitoefening van macht met seksualiteit als centraal gegeven. Het omvat alle seksuele handelingen die iemand gedwongen wordt uit te voeren, te ondergaan of waarvan men gedwongen wordt getuige te zijn.

Het minder goed functioneren van het gehoororgaan, waardoor er sprake is van gehoorverlies. Slechthorendheid kan van tijdelijke en van blijvende aard zijn.

Intertrigo: rode doorgaans pijnlijke huiduitslag op die plaatsen waar huid tegen huid aanligt.

Selectief aanbieden van zintuiglijke prikkels in een sfeervolle, ontspannen omge-

ving, zodat het gebruik van de verschillende zintuigen wordt gestimuleerd. Wordt gebruikt bij mensen met een (zeer ernstige) verstandelijke handicap.

Verhoogde spierspanning in combinatie met afwijkende reflexen en een verstoorde samenwerking tussen de spieren, met als gevolg het onwillekeurig samentrekken en trillen van de spieren, waardoor nauwelijks of weinig controle is over de bewe-

spierdystrofie spierdystrofie van Duchenne

spierdystrofie van Becker

spina bifida

gingen die worden uitgevoerd.

Aandoening van het spierstelsel die steeds ernstiger wordt en wordt gekenmerkt door toenemende slapte en zwakte van het dwarsgestreepte spierweefsel.

Erfelijke aandoening die de spieren aantast en verzwakt. De ziekte treft voornamelijk jongens, aangezien het een X-gebonden overerving betreft. Bij de ziekte van

Duchenne ontbreekt het dystrofine-eiwit (vrijwel) geheel. Hierdoor functioneren de spieren niet zoals het zou moeten en is er sprake van een verminderde spierkracht.

Erfelijke aandoening die de spieren aantast en verzwakt. Het eiwit dat nodig is voor de structuur en opbouw van spieren, dystrofine, is defect met als resultaat een afwijkende spieropbouw: dit geeft spierdystrofie.

Afwijking van het centrale zenuwstelsel bij pasgeborenen. De rugwervelbogen zijn in mindere of meerdere mate niet gesloten, waardoor het ruggenmerg naar buiten kan puilen. Dit wordt ook open ruggetje genoemd.

13332_Book.indb 448

17-09-12 09:58


Begrippen

449

spitsvoet

Dwangstand van de voorvoet waardoor alleen de tenen de grond raken, kan worden

splitting

Het verschijnsel dat een zorgvrager bij sommige begeleiders goed functioneert, ter-

stoornis sympatisch zenuwstelsel

syndroom syndroom van Down

syndroom van

Prader-Willi

T

thuisbeademing

totale communicatie

V

veroorzaakt door dekens die de voet omlaag drukken, of door spierdystrofie. wijl hij in het contact met anderen veel problemen geeft.

Wanneer een orgaan of lichaamsfunctie ontbreekt, afwijkingen vertoont, of beschadigd is, rekeninghoudend met de leeftijd van de betrokkene.

Onwillekeurige deel van het zenuwstelsel, dat vooral regulerend en stimulerend

werkt op de stofwisseling (speekselklieren, maag, galblaas, darmen) en de uitscheiding (nieren en blaas).

Vaste combinatie van symptomen die horen bij een bepaald ziektebeeld, afwijking of stoornis.

Aangeboren afwijking die gepaard gaat met een verstandelijke beperking, typerende uitwendige kenmerken en bepaalde medische problemen, veroorzaakt door een extra chromosoom (trisomie) 21.

Aangeboren ontwikkelingsstoornis met onder meer spierslapte, kleine geslachtsorganen, overgewicht en vertraagde verstandelijke ontwikkeling tot gevolg.

Kunstmatige beademing door een beademingsapparaat buiten het ziekenhuis.

Tegelijkertijd gebruikmaken van alle uitingsvormen in de communicatie om zo de boodschap over te brengen.

vernevelen

Methode van medicijntoediening waarbij een vloeistof wordt omgezet in een nevel

verstandelijke

Duidelijke beperking in het intellectuele (verstandelijke) functioneren en het aan-

beperking

vertrouwensrelatie

verziendheid visueel gehandicapt vraaggestuurde zorg

W

waarnemingsgehoorverlies

13332_Book.indb 449

die ge誰nhaleerd kan worden. passingsvermogen.

Relatie waarbij sprake is van wederzijdse acceptatie en (daardoor) vertrouwen,

waarbij in ieder geval een van beiden voor de ander een vertrouwensfiguur is, aan wie hij persoonlijke zaken toevertrouwt.

Oogafwijking waarbij men dichtbij wazig ziet, maar in de verte scherp. De lichtstralen komen in een brandpunt achter het netvlies samen.

Functieverlies van het zicht: deze kan geheel of gedeeltelijk zijn, maar de gezichtsscherpte is minstens 30% minder op het beste oog.

Zorg waarbij de wens van de zorgvrager bepaalt welke zorg daadwerkelijk wordt verleend.

Vermindering van de waargenomen sterkte en helderheid van het geluid en een

vervorming van het geluid. Ook wel perceptief gehoorverlies of ouderdomsslechthorendheid genoemd.

17-09-12 09:58


450

Begrippen

WGBO

Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst; wet waarin de relatie tussen

WHO

World Health Organization: de Wereldgezondheidsorganisatie is een gespecialiseer-

de zorgvrager en de zorgverlener geregeld is.

de organisatie van de Verenigde Naties. De organisatie heeft als doel wereldwijd

aspecten van de gezondheidszorg in kaart te brengen, activiteiten op het gebied van de gezondheidszorg te coรถrdineren en de gezondheid van de wereldbevolking te bevorderen. Z

zelfbepaling

Mogelijkheid om zelf richting te geven aan je eigen ontwikkeling.

zelfredzaamheids-

Vaardigheidstraining gericht op het vergroten van een bepaald aspect van de zelf-

ZZP

Zorgzwaartepakket; beschrijving van het aantal uur en het soort zorg dat een zorg-

zelfredzaamheid

training

13332_Book.indb 450

Vermogen van een individu om zelfzorgactiviteiten uit te voeren zonder de hulp van anderen.

redzaamheid.

vrager nodig heeft in een zorginstelling.

17-09-12 09:58


Register

451

Register aanbodgestuurde zorg

20

aandachtsstoornis

179

aangeboren auditieve beperking

302

aangeboren beper-

analoog communicatie-

betrokkenheid tussen

chronische pijn

Anders kijken naar

beugel

CIC

angelmansyn-

bewindvoerder

hulpmiddel 395 ... 329 droom

145

bewonersraad

13

anticonceptie

heid

250

arts verstandelijk gehan-

antidepressiva

aangeboren visuele beperking

aangeleerde hulpeloosheid

55

aangezichtspijn

359

344

367

associatief ervaren

8,

141, 313

auditieve beperking

302

autisme

293

bezoekgedrag bijziendheid

bindingsangst binnenoor

hond

blindheid

absence

autismespectrumstoor-

bot

accommodatie acties

320

258

37

active support

nis

AWBZ

acute pijn ADD

ADHD

179

179

afasie

12

23

afscheid nemen afzondering

433

77

agressietraining AHO

252

alarmsignaal

algemene regel

analgesic ladder

13332_Book.indb 451

196

164

82

allochtone ouders analgeticum

23

345

basislijn

320

beengeleider

255

begeleid wonen

86

22

begeleid zelfstandig wonen

bejegening

bekrachtiger

346

316

255

323

22

39, 51 319

belevingswaarde 80

beperkt voorstellingsvermogen

beroepscode

301

429

365

brailleleesregel 397

buigspier

begeleid ontdekkend leren

272

397

breng- en haalcon-

25

BAHA-hoortoestel

259

Bopz-regeling

tact

basale stimulatie

ADL-clusterwoning ADL-eenheid

AWBZ-zorg

185

341

25

153

397

brailleschrift

AVG 367

activiteitenplan 138 acute depressie

293

automutilatie 343

331

activiteit 137

182

blindengeleide-

auditieve stoornis 11

186

92

262

blaasontsteking

aanleerprogramma zelfredzaamheid

272

381

248

CI

435

bewustzijnsstoornis

185

dicaptenzorg

299

78

392

bewegingsstelsel

king

aangeboren doof-

zorgvragers

97

279

13

341

255

254

civiele dienst

70

cliëntenraad

102, 381

CIZ

25, 91

cliëntgericht werken cochleair implantaat

coma

13

255

communicatiehulpmiddel

395

per

395

communicatieklapcommunicatieve beperking

148

community care 409, 416

rendheid

249

conflictoplossend gesprek

99

conformisme

buitenoorontste-

consulententeam

king

button

247

250

279, 281

317

261

cerebrale parese 297 Checklist Pijngedrag

307, 345

chromosomen

276

chronische depressie

185

zorg

292

zorg

380

controle

195

zorg

380

zorg

364

continuïteit van

Carla Vlaskamp cataract

149

193

continuïteit in de

cannabis 346 canule

73

conjunctivitis 260 continuïteit

309

131,

conductieve slechtho-

buis van Eustachius

52

contractuur

278, 296

coördinatie van coördineren van corveetaak CPG 307

70

17-09-12 09:58


452

Register

creatief therapeut 368

Eigen Initiatief

fibromyalgie 348

gevoel van eigenwaar-

crisisopvang

eigen regie

FLACC-observatie-

gewenning

flexibele zorg

gewrichtsband

creatieve therapie 332 21

criteria van Veldman

curator

EIM

285

dagindeling

80, 81

153

deelnemersraad

382

definitieve plaatsing 167

173

Dennendal-affaire

19

digitaal communicatiemiddel

dode milieu

domotica

17

396

ergotherapeut

367, 391

fysieke veiligheid

beperking

140

evenwichtsorgaan 248,

394

251

120

evenwichtsstoornis 433

dwangmatig

188

dwangmedicatie dwangstand

296

dwangvoeding

dwarsgestreepte

433

433

spier 274

277

261

eerste contact met ver95

eerstverantwoordelijke begeleider

facilitaire dienst familieavond familiedag

97

98

familiegesprek

251

70

99

familieparticipatie 94, 100

familieparticipatie op het niveau van de leefgroep

101

familieparticipatie op

early intervention 371

94

123

ernstige verstandelijke

291

individueel niveau

101

familieparticipatie op instellingsniveau 101

familieraad FAS

121

Feuerstein

102

327

fysieke agressie

316

194

380

fysiotherapeut 367 GAS

318

gebarentaal

gebarentolk 397 gebitsprobleem

gebitsverzorging

gedetineerden

153

375

92

92

419

187

324, 384

lies

glaucoom

262

glijplank glijzeil

glucose

394

394

275

glycogeen

275

318

323

354

grijze staar

261

groeibevorderend leefklimaat

78

groeimogelijkheid groene staar

262

groepsdynamica groepsregel

82

166 72

groepswoonvoorzie-

433

ning

21

246

grondrechten van de

249

grote woonvorm

258

gentle teaching

gerichte stimulering

371

groepswoning 21

geleidingsgehoorvergele vlek

gezinswerker

gedrag

gedwongen opnagehoor

24

371

grensoverschrijdend

153

gedragsverande-

me

tehuis

Scale

gedragsprobleem ring

gezinsvervangend

Goldsteintraining

gedeelde opvoeding gedeelde zorg

273

Goal Attainment

303

gedeelde regie

273

gladde spier 274

Frรถhlich, Andreas

evaluatie 39

266

98

fragiele-X-syn-

ernstige meervoudige beperking

273

gezinsbegeleider

96

droom

59

gewrichtssmeer

formeel familiecon-

wanten

351

125

gewricht

409

Fokuswoning 23 tact

epilepsiealarm erectiereflex

345

de

formeel gesprek met ver-

429

dwangmaatregel 193

13332_Book.indb 452

261

13, 186

424

dwangbehandeling

wanten

epilepsie

ethisch gevoelig

downsyndroom

ectropion

entropion

320

doofblindheid

dystrofine

395

10, 291

292,

398

gedrag

EMB

190, 433

schaal

351

ethisch dilemma

80

draaischijf

323

395

doelgedrag dolhuis

fixatie

378

elastische kousen

dagelijks dilemma 424

dementie

323

ejaculatiereflex

435

decubitus

Model

317

geschreven regel

330

82

geslachtsgebonden overerving

277, 279

mens

GVT

433

21, 24

haarcel

24

248

handelingsbekwaam

434

kwaam

434

handelingsonbe-

17-09-12 09:58


Register

handelingsverlegenheid

handicap

130

hartspierweefsel

274

hechtingsproces

181

hechting

305

hechtingstheorie

Heijkoop, Jacques hemianopsie

317

329

262

herhaalgedrag

189

hersenverlamming heterogene groep HKZ-keurmerk HKZ-model HKZ-norm

297

75

heupontwrichting

381

296

380

380

home servant hoofddoelen

36

75

hoorapparaat 397 hoortoestel volledig in 254

het oor

252

hoortoestel voor achter hoortoestel voor in het oor

ving

417

men

ling

163

incomplete ontwikkeincontinentie

254

153

incontinentiemateriaal

395

individualiteit 292 individuele aandacht

77

individuele regel 82

390

282

informeel familiecontact

96

instructie

383

integratie

20, 414

integratieproject

intensieve pedagogische thuishulp

371

interculturalisatie 422

IGZ

356

ICT

IHO

ileus

153

impulsief gedrag

13332_Book.indb 453

IVP

254

114

kookmethode

korset

392

71

421

krankzinnigenwet

18

kritiek van verwanten

379

kwaliteitskader voor de gehandicaptenzorg

10

den

377

lichamelijk welbevinlichte verstandelijke beperking

376

114

lichtvlekaanwijzer 395 Lilly Nielsen

logeeropvang

96

dicaptenzorg

king

142

logopedist

316

longprobleem loopoor

21

368

250

307

lotgenotencontact luchtweginfectie LVG

115

389

281

catie

kwaliteitszorg 376, 409

423

377

6

349

280

258

isoleren van zorgvra-

389

lichamelijke beper-

koksmaatje

ringsfase

machtsmisbruik

intrigo iris

8, 141, 313

kwaliteitswet zorginstel-

IQ

2

ren

ken 422

hypertrofie ICF

lichaamsgebonden erva-

maatschappelijke parti-

tie

275

350

kwaliteitsmanagement-

intercultureel wer-

intimiteit

70

libido

klokzindelijk 153

418

kwaliteitskader Gehan414

levensverhaal 34

lichaamsgebonden erva-

nen

kwaliteitsdomein 377

28, 31

418

kleinschalig groepswo-

274

297

hydrocefalus 297 hygiĂŤne

21

kringspier

thie

interpersoonlijke rela-

hulpmiddel

tehuis

kleine woonvorm 24

273

huisbezoek

153

21

woning

kindergezinsvervangend

kraakbeen

328

interculturele communi-

100

KGVT

34

levensloopgeschikte

298

infantiele encefalopa-

programma

levensboek

kauw- en slikproble-

Koningskind, Dit

huidverzorging van de schaamstreek

254

individuele verrijkings-

intake

hoorbril 397 het oor

kasttoestel

infectie

398

homogene groep

417

inclusieve samenle-

4

harde oogrok 258

inclusie

gers

328

326

453

systeem lingen

380

381

kwaliteit van het bestaan

377

kwaliteit van zorg en ondersteuning 380

376,

langdurige relatie 59

laserbehandeling van de ogen

263

leerprincipes lens

258

levende milieu

319 79

cipatie

409

55, 128

machtsstructuur

73

materieel welzijn 378

materiĂŤle beloning 326 matige verstandelijke beperking

117

medezeggenschap mediatie

mediator

327

medisch model MEE

378

327

374

17

MEE-consulent 374 MEE-organisatie

89

meervoudige beperking

10, 290

17-09-12 09:58


454

Register

meervoudige posttraumatische dystrofie

283

mensenrechten leven

horendheid

426

king

435

317

middelen en maatrege433

middenoor

247

250

NRS

344

tie

173

model van Loeser

343

motorische beper-

248

11

ling

435

ling

435

multidisciplinaire

onderdiagnostiek

teit

421

samenwerking

muziektherapeut muziektherapie nachtblindheid

nagelverzorging NAH

12

332 259

154

negatief zelfbeeld negeren

325

negeren van gedrag

netvlies

netwerkontwikke130

netwerktekening

neus-mondmasker

13332_Book.indb 454

124

302

262

132

278

lies

persoonlijk begelei-

247

ring

253

oorstukje voor kasttoestel

254

oorsuizen

253

248

345

ner

315

30

372

12

orgaan van Corti 392

orthopedagoog

248 367

orthopedisch schoei310

otitis externa

ongeschreven regel

ouderdomsslechthorend-

426

ongevraagd advies

ontwikkelingsmodel

82

384

18

ma

371

nis

162

ontwikkelingsstoor-

otitis media heid

249

heid

262

250

ouderdomsverziendoverbescherming

165

overname van zelfzorgactiviteiten 307

overvraging

ontwikkeling van een

participatieprobleem 4

groep

164

76

pb’er

94

377

pgb

20, 28

pijn

340

picto’s

35

36, 317

148

pijnanamnese pijnbeleving

344

342

pijnbestrijdingschema

346

pijngedrag

342

pijnlineaal

344

pijnkenniscentrum 348 pijnmeetinstrument

344

pijnpolikliniek

pijnreceptoren

250

ontwikkelingstimulering

94

perspectief

414

orgaanbeperking

sel

der

persoonlijke ontwikkeling

371

orthese

396

persoonsbeeld

ondertemperatuur 309 ondraaglijk lijden

249, 251

oorstukje

opvoedingsondersteu-

ondersteuningsplan

281, 309

perceptief gehoorver-

optisch hulpmiddel 397

ondersteuningsmethodiek

PEG-sonde

personenalarme-

oppascentrale

299,

293

oorschelp 247

opiaat

ontwikkelingsprogram-

326

258

netvliesloslating ling

369

368

258

PDD-NOS

hulp 372

260

open verbinding

onderbewindstelondercuratelestel-

257

283

pees 274

open ruggetje 297

414

multiculturele identi-

412

open dag 97

omgevingsbestu398

king

PD

pedagogische thuis-

onzichtbare beper-

oortip

152

ring

274

oorsmeer

omgekeerde integra-

mobiliteitspro-

spier

oogbol

416

182

onwillekeurige

oogafwijking

345

obstipatie

392

king

278

normalisatie

NVVS

mobiliteitshulpmid-

bleem

ming

onveilige hechting

oog

76

numerieke schaal 344

mimische spier 274 del

302

non-invasieve beade-

NSAID’s

middenoorontsteking

14

nieuwkomer

methode Vlaskamp len

13

niet-zichtbare beper-

mentale leeftijd 118 mentorschap

king

niet-aangeboren slecht-

430

menswaardig

niet-aangeboren beper-

165

pijnstiller pijnzin

345

348

340

343

posttraumatische dystrofie

283

presbyopie

262

principe ‘voordoennadoen’ 305

principe ‘voordoen, samendoen,

nadoen’ 319

probleemgedrag

188

progressief verloop

15

17-09-12 09:58


Register

prothese

392

pseudo-hypertrofie

276

psychisch welbevinden

377

psychomotorisch therapeut

368

psychotherapie

332

pubers met een verstandelijke beperking

pupil

165

reflexcentrum

185

350

309

refractieafwijking regenboogvlies

262

258

registratieformulier

relatietherapie 330 reminiscentie

321

368

resonantieplank

317

respectvolle benade50, 51

responsieve houding

retina

143, 163

ringleiding 397

risico van ongelijkwaar-

rolstoel

128

394

seksueel misbruik

128,

354

seksuele intimidatie

smile analoge

345

scheidingsangst

182

visueel analoge

344

schijnintegratie 414

spierdystrofie van

tijdhulpmiddel

279

Duchenne

277

spitsvoet

189

spraakstoornis

356

stabiliteit

status epilepticus

126, 354

stereotiep gedrag

190, 433

142, 189

281

395

325

tinnitus

248

totale communica-

12

149

280, 393

time-out

279

splitting

thuisbeademing tillift

spina bifida 297

22

tie

187

141,

148, 304

totale ontwikkeling

292

tracheostomale beademing

278

steun- of contactper-

trainingshuis

signaleringshulpmid-

Stichting Downsyn-

transferhulpmiddel 393

skelet

stijve verlamming

tuur del

398

396

272

slakkenhuis

248

slechthorendheid slechtziendheid smart home

398

smeergedrag smetten

249

259

153

280

smile analoge

snoezelen

sociogram

380

72

droom

421

296

stilstand in de ontwikkeling

stoma

163

278, 395

stomahulpmiddel stoornis straf

319

ren

313

sociale kaart

417

3

395

279

364

solo-apparatuur 397 392

136

syndroom

9, 119

293

spier

274

spieratrofie

296

spierdystrofie

276

121

trommelholte

247

trommelvlies 247

uitwendige oor uitzuigcanule

247

281

vaatvlies

Down Willi

120

145

taalstoornis hulp

370

teksttelefoon

12

397

395

terugval in de ontwikkeling

163

273

85

syndroom van Prader-

teams integrale vroeg-

332

trisomie 21

vaardigheidstrai-

speltherapeut 368 speltherapie

372

syndroom van

taakondersteuner

372

zorg

transmurale zorg 20

gang 247

spel en activiteiten 310 spelotheek

394

transmurale thuis-

uitwendige gehoor-

69, 149

syndroom van Asperger

transferplank

328

uithuisplaatsing

8, 115, 118

structuur

transcendentie

22

tussenwervelschijf

structurerend erva-

389

veiligheid

soon

strekspier

345

sociale en emotionele

spel

FLACC-observatie 345

Thomashuis

signaleringsappara-

spalk

152

schaal

13332_Book.indb 455

349

sondevoeding 281, 307

393

rumineren

273, 279, 296

seksualiteit

sms-alert

revalidatiearts 367

digheid

scoliose

spierdystrofie van Becker

378

schaal

379

258

rettsyndroom

rollaken

ning

separatie

reactieve depressie

ring

schuldhulpverle-

ting

40

refluxziekte

163

seksuele voorlich-

258

rapportage

schisis

455

ning

318

258

vakantieopvang validation 368 VAS

344

veiligheid

21

61

veranderingskrachten

386

verantwoordelijkheden vrijheden en

419

17-09-12 09:58


456

Register

verantwoordelijkheids-

verziendheid

verantwoord kiezen 58

vibratie

besef

57

verdunning

414

vergroeiing

296

verhuizing woonvoorziening

91

verkenningsdrang

312

verlies van bezigheden

171

verlies van sociale contacten

171

verminderde alertheid

vezel 274

262

visueel analoge

visuele controle 301

verslikken, zich

298

king

5

beperking

versterker

300

319, 326

verstopte oren

king

166

303

vervroegd verouderingsproces

169

verwerkingsproces verworven beperking

13332_Book.indb 456

13

del 115

88

20

woordelijkheden

419

386

ning

193, 432

Wet vGGZ

432

Wgbh/cz WHO

2

432

318

WKCZ

WMCZ Wmo

397

381 , 408

381, 408

woonbegeleidingscen22

wooninitiatief 22

vroeghulpprogram-

woonservicegebied

ma

371

vroegtijdige onderkenning

VSOP

370

421

woonomgeving

65

woonvoorziening woonzorgzone

246

zintuiglijke beperking

11

ring

316

418

91

418

lijke beperking

427

142

14, 251

316

zintuiglijke stimule-

zorgcentrum

119

20

zorg in natura 28

zorg op maat 20, 409 zorgorganisatie

zeer ernstige verstandezeggenschap

411

ziekte van Ménière

ZML-school

23, 409

trum

10

zintuighiërarchie

willekeurige spier 274 witte stok

57

zichtbare beperking

zintuig

28, 432

vrijheidsbeperkende 193

ken

272

Wet BOPZ

WGBO

359

maatregel

vertrouwensrelatie 60

zelfredzaamheidstrai-

134

Wet Mentorschap 435

vrijheden en verant-

verstandelijke en visuele

285

15

volwassenen met een

vraaggestuurde zorg

verstandelijke beper-

192

zelfredzaamheid

ZEVMB

413

53

344

zelfcontrole

20

wervelkolom

schap

vraaggericht werken

24

378

volwaardig burger-

ten

8,

verpleeghuis

zelfbepaling

zelfstandigheid in den-

11

vormgevend ervaren

verpleegdiagnose

297

22

391

weerstandskrach-

visuele stoornis

vernevelen

281

368

weerbaarheid

voorbehoedsmid-

186

249

weefselatrofie

259

verminderde waakzaamheid

zelfbeschikking

WBC

verstandelijke beper-

186

warme zorg waterhoofd

344

visueel gehandicapt

zelfacceptatie

lies

255

schaal

waarnemingsgehoorver-

21

zorgovereenkomst zorgplan

30

28

zorgzwaartepakket 20 Zweedse banden zwenkarm ZZP

394

425

20, 26, 27

17-09-12 09:58


Bent u enthousiast over dit boek? Bestel dan een beoordelingsexemplaar. Of bekijk eerst de andere boeken van Traject V&V.


De leerinhouden zijn thematisch en overzichtelijk geordend. Bij het ontwikkelen van de leerinhouden van Traject V&V is uitgegaan van de beroepspraktijk van verzorgenden en verpleegkundigen. Daarnaast is rekening gehouden met de verschillende leerstijlen van studenten. Traject V&V bestaat uit meerdere onderdelen. Naast de theorie in de boeken is er een onderdeel praktijksituaties en een onderdeel vaardigheden. Praktijksituaties en vaardigheden worden in combinatie met ander ondersteunend materiaal aangeboden via de methodesite. Deze combinatie maakt Traject V&V tot een actueel en flexibel aanbod in een juiste mix van blended learning componenten. Met Traject V&V wordt competentiegericht leren optimaal ondersteund.

Gehandicaptenzorg

Het boek Gehandicaptenzorg maakt deel uit van Traject V&V, een compleet aanbod voor de opleidingen Verzorgende IG en Verpleegkundige MBO. Het boek is bestemd voor de opleiding Verzorgende IG en geschikt voor alle leerwegen en/of verkorte en flexibele trajecten. Gehandicaptenzorg bevat alle theorie die nodig is om als beginnend beroepsbeoefenaar in de branche Gehandicaptenzorg aan het werk te gaan. De theorie sluit aan bij alle kerntaken en werkprocessen die van toepassing zijn op deze uitstroomverbijzondering.

ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit Traject V&V, i-careflex, Basisboeken, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie e.d.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg

niveau

3

Auteurs: J.P.M. van den Brand A. C. Verhoef S.M.T. Vogel

Gehandicaptenzorg

niveau

3

Inhoudelijke redactie: C.A. Abrahamse M.H.A.J. Gloudemans H.J.M. van der Ham

06925036_omslag_GHZ_niv3.indd 1

11-09-12 12:54

Traject V&V Gehandicaptenzorg niveau 3  

Bladerboek. Het boek is onderdeel van Traject V&V en bestemd voor de opleiding Verzorgende IG en geschikt voor alle leerwegen en/of verkorte...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you