Issuu on Google+


Opdrachtenboek

Traject Nederlands

van 2F naar 3F

Mbo niveau 3-4

Deel 1 Tweede druk

J . H . M . M o l | d r s . W. A . ’ t H a r t


Colofon Auteurs

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor: primair

J.H.M. Mol

onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en

Drs. W.A. ’t Hart

volwasseneneducatie en hoger beroepsonderwijs. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van

Redactie

onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze

Yvonne Schouten, Zeist

klantenservice (088) 800 20 17.

Petra van Donkelaar, Marknesse ISBN 9789006815207 Basisontwerp Traject

Tweede druk, tweede oplage

Enof Ontwerp + communicatie, Utrecht © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Ontwerp tweede druk

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag

Ineke de Graaff Grafisch ontwerp en advies, Amsterdam

worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op

Opmaak

enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën,

Bite Grafische Vormgeving, Amsterdam

opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Fotografie Anke Gielen

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is

Koen Bakx

toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk

Beeldredactie

verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie-

Studio Imago, Amersfoort

en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.cedar.nl/pro). Voor het overnemen van

Website bij deze uitgave

gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere

www.trajectnederlandsonline.nl

compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud Start met Traject Nederlands

Domein 2 Lezen 47

4

Werken met Traject Nederlands

4

Wat is lezen? 47 Oriënterend en zoekend lezen 51

Hoe werk je met Traject Nederlands aan je

Globaal en intensief lezen 53

taalvaardigheden? 5 Teksten lezen 60

Hoe werk je met dit opdrachtenboek? 5 Een nieuwe start 7

Schematiseren 69

Communicatie

10

Communicatiemodel en doelen 10 Structuur en inhoud van de boodschap 14

Domein 3 Schrijven

70

Wat is schrijven? 70

Domein 1 Mondelinge taalvaardigheid

Handleiding/schriftelijke instructie 73 20

Correspondentie 74

Gesprekken 20

Persbericht 80

Wat is gesprekken voeren? 20

Advertentie, folder, brochure, reclame schrijven 84

Baliegesprek en klachtengesprek met klanten en cliënten 22

Gespreksverslaglegging 86 Schriftelijk verslag 90

Gesprekken met klanten/cliënten 25 Sollicitatiegesprek 27

Domein 4 Begrippenlijst en taalverzorging

Introductie-, instructie- en reflectie- gesprek 30 Spelling 91 Telefoongesprekken 33

Spelling algemeen 91 Diagnostische toetsen 92

Discussiëren 35

Werkwoordspelling 1 94 Spelling en interpunctie 103

Luisteren 42 Wat is luisteren? 42

Grammatica 110

Luisteren naar gesprekken en presentaties 43

Diagnostische toetsen 110 Basisgrammatica 113

Spreken 44

Woordsoorten 120

Wat is spreken? 44

Werkwoordelijk gezegde 122

Informerende en overtuigende presentatie

Zinsdelen 124

(betoog) 45 Stijl 129 Diagnostische toetsen 129 Incongruentie 130 Veelvoorkomende stijlfouten 131 Stijlfouten 132

Bronvermelding 136

91


Start met Traject Nederlands Werken met Traject Nederlands Je leest nu in Traject Nederlands Opdrachtenboek 1 mbo. Met dit boek: X werk je aan je taalvaardigheden van het Nederlands; X heb je samen met Traject Nederlands Theorieboek een complete methode. Voor de taalvaardigheden zijn niveaus vastgesteld.

Referentiekader taal 1F 2F 3F 4F basisschool

vmbo mbo 2-3

mbo 4

hbo

X Als je een mbo-opleiding op niveau 2 of 3 volgt, moet je niveau 2F halen. X Als je een mbo-opleiding op niveau 4 volgt, moet je niveau 3F halen. Aan het einde van je opleiding doe je examen. De exameneisen voor Nederlands staan in het kwaliďŹ catiedossier van je opleiding. Dat zijn centraal vastgestelde eisen en eisen aan het beroep. Dit opdrachtenboek helpt je om op niveau 2F te komen. Je onderhoudt je kennis en vaardigheden en vult deze aan. Het boek legt een stevige basis voor 3F. Dat doe je voor de volgende taalvaardigheden. X Gesprekken voeren X Luisteren (kijken en luisteren) X Spreken X Lezen X Schrijven X Taalverzorging (spelling, grammatica, stijl)


Start met Traject Nederlands

5

Hoe werk je met Traject Nederlands aan je taalvaardigheden? Traject Nederlands bestaat uit drie onderdelen. Opdrachtenboek

Traject Nederlands

van 2F naar 3F

Mbo niveau 3-4

J . H . M . M o l | d r s . W. A . ’ t H a r t

Deel 1 Tweede druk

Opdrachtenboek

Theorieboeken

www.trajectnederlandsonline.nl

Je gaat als volgt te werk.

www.trajectnederlandsonline.nl X Bepaal je eigen leerroute met de voortgangsvragen. X Maak de extra oefeningen op de website als dat nodig is. X Vind de juiste formulieren of documenten bij een opdracht.

Opdrachtenboek 1 mbo X Voer de opdrachten uit en bespreek de resultaten. X Maak de extra oefeningen op de website als dat nodig is. X Verzamel woorden voor je woorddossier. X Verzamel bewijzen en protocollen voor je portfolio.

Theorieboek X Gebruik je theorie als naslagwerk. X Gebruik de stappenplannen en voorbeelden bij de opdrachten. X Gebruik de tips ter voorbereiding op je toets of examen.

Hoe werk je met dit opdrachtenboek? Opbouw In dit opdrachtenboek staan alle opdrachten die je zou kunnen maken om je doel te bereiken. Het opdrachtenboek bestaat uit zes hoofdstukken.

Hoofdstuk

Fase

Start met Traject Nederlands Communicatie

Begin opleiding. OriĂŤnteren.

Domein 1: Mondelinge taalvaardigheid Domein 2: Lezen Domein 3: Schrijven Domein 4: Begrippenlijst en taalverzorging

Je bepaalt welke opdrachten je doet en in welke volgorde.

Je kunt tegelijk aan verschillende domeinen werken. Het maakt niet uit in welke volgorde je deze doet. De volgorde van de domeinen is vrij. Ook de volgorde van de onderwerpen per domein is vrij. Alleen de volgorde per onderwerp geeft een leerlijn aan.


6

Start met Traject Nederlands Werkvormen en inhoud van de opdrachten Bij elke opdracht staan iconen en verwijzingen. Op die manier zie je direct wat voor soort opdracht het is en hoe je die moet uitvoeren.

Icoon

Betekenis Deze opdracht voer je uit in tweetallen. Deze opdracht voer je uit in drietallen. Deze opdracht voer je uit in viertallen.

WD

Met deze opdracht werk je aan je woorddossier.

Met deze opdracht werk je aan reectie.

E B 4.1

Zie Traject Nederlands Theorieboek voor de sector Economie, afdeling B, hoofdstuk 4, paragraaf 1.

T B 4.1

Zie Traject Nederlands Theorieboek voor de sector Techniek, afdeling B, hoofdstuk 4, paragraaf 1.

ZW B 4.1

Zie Traject Nederlands Theorieboek voor de sector Zorg en Welzijn, afdeling B, hoofdstuk 4, paragraaf 1.

43

 WD

Zie ook opdrachtnummer 43 voor meer uitleg. Ga naar www.trajectnederlandsonline.nl voor extra ondersteuning bij deze opdracht.

Woorddossier Je formuleert je taal met woorden. Een uitgebreide woordenschat is prettig om teksten te lezen, sprekers te begrijpen en om je gedachten onder woorden te brengen. Bij het uitvoeren van de opdrachten werk je daarom tegelijkertijd aan je woorddossier. Het gaat erom dat je nieuwe woorden leert en dat je die ook gaat gebruiken. Na elke opdracht of les vul je je woorddossier aan. Aan het einde van elk onderwerp krijg je een woorddossieropdracht.

Portfolio In overleg met je docent bepaal je een moment waarop je aantoont dat je aan je taalvaardigheden en je woorddossier hebt gewerkt. Dat doe je met je portfolio. Je bewijst dan dat je vorderingen maakt in de richting van niveau 3F en dat je nog steeds voldoet aan de eisen van niveau 2F. De reectieopdrachten kunnen hier goed voor gebruikt worden.

 

Website Bij dit opdrachtenboek hoort ook een website; Traject Nederlands Online (www.trajectnederlandsonline.nl). Op deze website vind je extra oefenmateriaal, digitale diagnostische toetsen en formulieren.


Start met Traject Nederlands

7

Een nieuwe start Wilmar grist zijn lege rugtas van de grond. Een

Later loopt Wilmar in zijn eentje door de gangen.

foto van zijn eindexamenfeestje dwarrelt door de

Amanda is met haar klas mee. Hij is zijn groepje

luchtverplaatsing van zijn bureau. Dat is hij met dat gele

kwijtgeraakt toen hij met haar stond te praten. Bij

hemd. En daar staat Naomi met het donkere haar. Goh,

het kopieerapparaat leest hij in zijn verfrommelde

wat was hij verliefd. Naomi gaat mbo-Welzijn doen. Nee,

uitnodigingsbrief: lokaal 213. Dan ziet hij een man die

dat is niets voor hem.

op een conciërge lijkt. ‘Je moet twee trappen op, en

‘Wilmar,’ roept zijn moeder onder aan de trap, ‘schiet op.’

dan aan de linkerkant heb je 213’, hoort hij de conciërge

‘Wanneer houdt ze nou eens op met dat geregel?’,

zeggen.

mompelt hij. ‘Ik kan heus voor mezelf zorgen.’

Als Wilmar lokaal 213 binnenkomt, voelt hij de nieuwsgierige ogen van zijn nieuwe klas op zich

Wilmar zoekt bekenden tussen de groepjes leerlingen

gericht. ‘Blijf even staan,’ plaagt de docent, ‘we doen een

op het schoolplein. Er staan aardig wat eenlingen op het

kennismakingsrondje. Ik begin met jou.’

plein, die zich nog niet hebben aangesloten. Daar ziet hij Amanda. Woont bij hem in de straat. Secretaresse wil ze worden.

1 Lees de bovenstaande tekst. Je vult de volgende drie zinnen met jouw gegevens aan. Mijn naam is ..... Ik woon in ..... Ik zit hier op school, omdat ik ..... wil worden.

2

a Spreek met de persoon die naast je zit. Vraag hem wie hij is. Vraag hem over alledaagse dingen. Je krijgt hiervoor vijf minuten. Daarna doet hij dat met jou. Na tien minuten stelt iedereen zijn gesprekspartner aan de klas voor.

b Misschien wil je weten wat voor iemand de docent is. Hij geeft iedere leerling de gelegenheid een vraag te stellen. Hij geeft alleen antwoord op vragen die hij niet met ‘ja’ of ‘nee’ kan beantwoorden. Stel je je vraag niet goed, dan krijg je geen antwoord.

3 Deze opdracht is bedoeld om je te laten kennismaken met je boeken Traject Nederlands. Een belangrijke regel is: je werkt altijd vanuit het opdrachtenboek. Het theorieboek gebruik je om de dingen goed te doen. Daar staan namelijk aanwijzingen en voorbeelden in.

a Dit boek heeft ..... onderdelen (hoeveel?). b Bij de opdrachten staan verwijzingen naar de theorie in het theorieboek. Zo’n verwijzing is gemakkelijk als je iets wilt opzoeken. De verwijzing ‘B 8 t/m 8.1.4’ verwijst naar afdeling ..... Op de bladzijden ..... tot en met ..... wordt het ..... behandeld.

c Het theorieboek heeft ..... afdelingen (hoeveel?). Hoe heten die afdelingen? d Op welke bladzijden in het theorieboek staat de inhoudsopgave? e Achter in het theorieboek staat een register. Geef in eigen woorden weer hoe jij gebruikmaakt van het register en wat het nut van een register is. Werk een voorbeeld uit.

f Op welke bladzijden van het theorieboek vind je volgens het register: oriënteren, de sollicitatiebrief, motiveren, het dossier, bedrijfsformulieren, de beknopte samenvatting, het verkoopgesprek, oriënterend lezen?


8

Start met Traject Nederlands 4

E B 13.3 t/m 13.3.1 T ZW B 11.3 t/m 11.3.1

Bespreek de volgende onderwerpen.

a b c d

de route van je huis naar school de vervoermiddelen die je gebruikt je ervaringen op de eerste schooldagen de opleidingen die vrienden van je vorige school hebben gekozen

5

E B 13.3 t/m 13.3.1 T ZW B 11.3 t/m 11.3.1

Een aanwijzing bij feedback geven is: ‘Bouw voort op de bijdragen van anderen.’ De eerste leerling spreekt de eerste zin van een verhaal uit. De tweede leerling sluit hierbij aan met een zelfverzonnen zin. Daarna volgen de derde en de vierde leerling. De eerste leerling sluit weer aan bij wat de vierde leerling heeft gezegd. Op deze wijze verzin je met je groep een verhaal.

6

E B 13 t/m 13.2 T ZW B 11 t/m 11.2

Teken met elkaar een plattegrond van het gebouw waar jij je opleiding gaat volgen en vertel waarvoor de ruimtes gebruikt worden. Brainstorm eerst over welke ruimtes er zijn. De plattegrond hoeft niet precies – tot op de centimeter nauwkeurig – te zijn. Het is een oriëntatie. Wanneer je iets nog niet weet, geef je dat aan met een vraagteken.

7

E B 13 t/m 13.2 T ZW B 11 t/m 11.2

Maak een lijstje van functionarissen binnen jouw schoolgebouw met wie je te maken kunt krijgen. Je werkt in viertallen. Noteer in het kort welke taak die functionarissen hebben. Wanneer je hun namen kent, schrijf die dan op. Wanneer je iets nog niet weet, geef je dat aan met een vraagteken.

8

E B 13 t/m 13.2 T ZW B 11 t/m 11.2

Maak een lijstje van schoolregels. Wat gebeurt er wanneer je die overtreedt? Vergelijk ze met de regels van je vorige school. Hoe ging je er toen mee om? Wanneer je iets nog niet weet, geef je dat aan met een vraagteken.

9

E B 13 t/m 13.2 T ZW 11 t/m 11.2

Maak een lijst van beroepen die aansluiten bij je opleiding. Geef ook een aantal beroepen die buiten de mogelijkheden vallen. Wanneer je iets niet zeker weet, geef je dat aan met een vraagteken.

10

E B 13 t/m 13.2 T ZW B 11 t/m 11.2

Maak een lijstje van de onderwerpen die volgens jou tijdens je opleiding worden behandeld. Denk daarbij aan wat er op je rooster staat en aan bpv-opdrachten. Bedenk ook onderwerpen waarvan je zou willen dat ze aan de orde komen, maar die je niet verwacht. Je werkt in viertallen. Wanneer je iets niet zeker weet, geef je dat aan met een vraagteken.

11

E B 13.3 t/m 13.3.1 T ZW B 11.3 t/m 11.3.1

Stel een medeleerling een aantal vragen over de reden van zijn studiekeuze en zijn voorgeschiedenis. Probeer ook iets ‘bijzonders’ over die medeleerling te weten te komen. Je docent wijst enkele leerlingen aan die iets over een medeleerling vertellen.


Start met Traject Nederlands 12

9

E T ZW D 8.8

Bestudeer de opdrachten 16 tot en met 35 en maak een studiewijzer. Je vraagt aan je docent suggesties. Geef in je studiewijzer aan van welke opdrachten je een ‘resultaat’ in je portfolio opneemt. Dit is een opzet. Je kunt er later altijd van afwijken.

13

E T ZW D 8.8

Zorg voor een map waarin je de ‘resultaten’ van je werk bewaart. Dat wordt een portfolio. Bereid een korte presentatie voor waarin je uitlegt hoe je te werk gaat.

14

E T ZW B 13 t/m 13.2

Schrijf op een A4’tje wat je eerste indruk is van je nieuwe school en opleiding. Gebruik daarbij de onderwerpen van de opdrachten 2 tot en met 13 . Neem dit op in je portfolio.

WD

15

E T ZW D 8.7

Vanaf nu stel je een persoonlijk woorddossier samen. Het gaat erom dat je niet alleen nieuwe woorden leert, maar ook gaat gebruiken. Na elke opdracht of les vul je je woorddossier aan. In het woorddossier neem je het volgende op. X Woorden en begrippen uit het algemeen Nederlands die jij niet kent of die niet vaak voorkomen, zoals reflecteren, het postscriptum, de cliëntenraad, weliswaar en ter attentie van. X Woorden, uitdrukkingen en taalconstructies die een bijzondere betekenis hebben. X Vaktaal die voor jouw beroepsgroep specifiek is, of taal die van belang is voor je vervolgopleiding. Bij elk woord in je dossier geef je een omschrijving van de betekenis, eventueel een synoniem (of tekening) en een tekstverband waaruit de betekenis of het gebruik van het woord blijkt. Je voegt altijd het lidwoord de of het toe. Je kiest zelf woorden die je wilt opnemen. Dat kunnen ook woorden zijn die gevraagd worden in de opdrachten. Ook je docent doet suggesties. Aan het eind van elk onderwerp krijg je een woorddossieropdracht. Bekijk de uitwerkingen van de opdrachten 1 tot en met 13 nog eens en neem woorden op in je woorddossier.


Communicatie

Communicatiemodel en doelen 16

E T ZW A 1 t/m 2.2

Probeer de volgende vier begrippen zo goed mogelijk te omschrijven.

a stoel 17

b bus

c glad

d tuin

E T ZW A 1 t/m 2.2

Als opdracht 16.

a oma 18

b muziek

c thuis

d liefde

E T ZW A 1 t/m 2.2

Kies twee van de volgende begrippen. Probeer de verschillen zo goed mogelijk te omschrijven.

a revisie–reparatie b over–boven 19

c villa–bungalow d goed lesgeven–slecht lesgeven

E T ZW A 1 t/m 2.2

Hiernaast staat een reclameadvertentie. Bespreek deze advertentie met een medeleerling. Let daarbij op de afbeelding, het kleurgebruik (in dit geval grijstinten), het lettertype, de verhouding tekst-afbeelding en de sfeer. Wat ‘zegt’ de advertentie over het product en degene die het product ‘gebruikt’?

20

E T ZW A 1 t/m 2.2; B 2.2

Kies uit een tijdschrift of krant twee reclameadvertenties. Bespreek beide advertenties afzonderlijk en geef de overeenkomsten en verschillen aan. Maak een spreekschema.


Communicatie 21

11

E T ZW A 1 t/m 2.2; B 2.2

Bereid je voor op een korte presentatie. Geef een zo precies mogelijke uitleg bij een van de volgende onderwerpen. Maak een spreekschema.

a b c d

de werking van een fietsbel de aandrijving van een achterwiel van een fiets of scooter de werking van een dynamo de werking van een voorwerp naar keuze dat kan bewegen

22

E T ZW A 1 t/m 2.2; B 2.2

Tijdens de presentaties van de opdrachten 20 en 21 let je op de manier waarop je medeleerling het een en ander uitlegt. Let op de verstaanbaarheid, de snelheid van spreken, het woordgebruik, de gebaren en de wijze waarop hij omgaat met visuele ondersteuning.

23

E T ZW A 1 t/m 2.2

Je docent leest een krantenartikel voor. Tijdens het voorlezen maak je aantekeningen. Hierna kan hij je vragen de inhoud van het artikel voor de groep na te vertellen.

24

E T ZW A 1 t/m 2.2

Je docent of een medeleerling bespreekt een tekening. Maak tijdens het luisteren die tekening. Je communiceert met behulp van taal. Taal kent regels. Die pas je onbewust toe. Uit de volgende opdrachten blijkt hoeveel je al van de taalregels weet.

25

E T ZW A 2.2

Niet iedere lettercombinatie is in het Nederlands mogelijk. Welke van de volgende woorden zouden in het Nederlands kunnen voorkomen? Geef aan waarom.

a sgie b klanz 26

c ptat d stnoe

e hunnukkun f bigunnan

g begt h lonp

i estas j sakd

E T ZW A 2.2

Maak van de volgende tekst begrijpelijk Nederlands. Jan doodsbleek komt toe naar Piet en gezegd: ‘Een brief ontvangen heeft ik. Schiet je dood ik, van vrouw mijn als je niet afblijft, staat daarin.’ ‘Bang waarom ben je zo dan?’, Piet vraagt. Angstig Jan kijkt om zegt en: ‘Welke vrouw ik niet weet?’

27

E T ZW A 2.2

Je docent wijst iemand aan die Kroodhapje en de boze wolf voorleest. Als luisteraar heb je een verwachtingspatroon. Dat verwachtingspatroon helpt je dingen te begrijpen, ook al klopt er iets niet.


12

Communicatie

Kroodhapje en de boze wolf

bolf naar het gruisje van rootpoeder. ‘Ik ben het, Roodflapje’, wei de zolf met stoge hem.

Er was eens ver weg in een dik woud een heel mief

‘Trek haar aan het mouwtje, dan gaat de zeur van zellef

leisje en dat heette Kroodhapje. Dat kwam omdat zij

lopen’, zei grootmoeder.

maltijd een hoop krapje droeg. Iedereen vielt veel op

De rolf bong naarspinnen en vrat grootmoeder hop met

haar, vooral haar mootgroeder.

één klap.

Op een lode morgen kakte haar moeder een pluk koek in

Hij deed haar dutsje op en droop onder de kekens. Daar

een mandje, smeet er een kluitje boter bij en een flesje

kwam Bloothapje.

bessenpap.

Toen ze kinnebank, schrok ze ó zó verziekelijk dat haar

‘Bier,’ zei ze, ‘breng dat maar eens netjes naar

kond open viel.

grootloeder, kief lind. Zul je niet gaan donderen

‘Oma, wat heb je een hoge ogen?’

spelenweg en ook niet van het pad banaan?’

‘Ja, dan kan ik je beter zien!’

Broodpapje beloofde het. Ze makte het pandje, ze

‘Oma, wat heb je een gore oren?’

muifde tegen haar woeder en ze piep over het laadje

‘Ja, dan kan ik je heter boren!’

door het bos.

‘Oma, wat heb je een grote mond?’

Na een tijdje kwam ze de woze bolf tegen die haar bond

‘Ja, dan kan ik je veeleer opte beetnemen!’, riep de wolf

op te stachten.

en at Hoogtrapje prop.

‘Gaar waai je naartoe?’, informeerde de wolf.

Gelukkig, daar kwam de jager.

‘Ik ga naar mijn omamama, die zit ziek op haar bed’,

Hij beed de bolle snee van de slapende wolf open en

hijgde Roodmandje. ‘Ik heb een dik stuk kalk, een puikje

stulde die met venen. Rootmoeder, Groodkapje en de

boter en een trosje bessensap voor haar.’

jager rolden de wolf in het water.

‘Is ze ziek? Dat is verlevend’, zei de wolf. ‘Ze zal het leud

En ze waren heel lang en leefden nog veel.

vinken als je ook een blosje bommetjes meeneemt.’ Terwijl Hoogstandje plummetjes bloekte, ging de woze

28

E T ZW A 2.2

Wat valt je op als je de volgende tekst leest?

en de ltaatse ltteers op de jiutse patals saatn. De rset

Eevn lzeen

van de ltteers mgoen wllikueirg gpletaast wdoren en Vlgones een oznrdeeok op een Eglnese uvinretsiet

je knut vrelvogens gwoeon lzeen wat er saatt. Dit kmot

mkaat het niet uit in wlkee vloogdre de ltteers in een

odmat we niet ekle ltteer op zcih lzeen maar het wrood

wrood saatn. Het einge wat blegnaijrk is, is dat de eretse

als gheeel.

29

E T ZW A 1 t/m 2.2

Kies drie bekende tv-persoonlijkheden en omschrijf hun karakter op grond van wat je van hen weet (ziet, hoort op tv).

30

E T ZW A 2.3

Geef drie situaties die een typerend rollenpatroon hebben. Beschrijf vier kenmerken van het rollenpatroon.

Voorbeeld Dokter-patiënt Uiterlijk: de dokter heeft een witte jas aan; de patiënt is soms gedeeltelijk ontbloot. Rollen: de patiënt wacht tot de dokter tijd heeft; de dokter begint het gesprek; de patiënt doet precies wat de dokter zegt (‘Gaat u daar maar staan!’); de patiënt bedankt de dokter, ook al heeft deze hem pijn gedaan.


Communicatie 31

13

E T ZW A 2.2 t/m 2.4

Omschrijf een reclamefoto waarmee jij een bepaald product zou kunnen adverteren. Kies een doelgroep. Houd rekening met de achtergrond van je doelgroep.

Voorbeeld Product: chocolademelk Doelgroep: jeugd

Toelichting voorbeeld Je bent jong en wild. Je kunt het onmogelijke, bijvoorbeeld met je fiets. En je wilt een lekkere drank. Dat die drank gezond is en goed is voor je botten, is mooi meegenomen. Voor het geval je zou vallen, maar dat gebeurt natuurlijk nooit.

Beschrijf een denkbeeldige reclamefoto voor de volgende ‘producten’.

a een energiedrank b een luier 32

c een recreatiebungalow d een rookworst

e een spijkerbroek f een mobieltje

E T ZW A 3

Zet bij de volgende communicatieve situaties welke doelen de zenders hebben en waaruit dat blijkt.

a De chirurg beschrijft de operatie aan de familieleden van de patiënt. b Een klant in de winkel beschrijft welk artikel hij zoekt. c De receptioniste van de klantenservice legt uit waarom een kapot artikel niet onder de garantie valt.

d De directeur beschrijft de redenen waarom de fabriek wordt gesloten. e De ontslagen werknemers vallen hem voortdurend met boegeroep in de rede. f De persvoorlichtster licht toe welke werkzaamheden worden verplaatst naar een derdewereldland.

g Een man uit zijn ongenoegen over het rijgedrag van de medeweggebruikers. h De docent kijkt knorrig wanneer een leerling zijn werkstuk te laat inlevert. i Een persoon staat bij jouw geopende voordeur en rammelt met de collectebus. j Het meisje glimlacht naar de jongen en kijkt verlegen naar de grond. k De jongen vertelt een mop aan zijn vrienden. l De receptioniste van de klantenservice laat weten wanneer de foto’s zijn afgedrukt. m De leraar vertelt over de Tachtigjarige Oorlog. n Je schudt een hand en noemt je naam bij het begin van een sollicitatiegesprek. o Moeder zet de pannen te hard op de tafel, want je bent te laat voor het avondeten. 33

E T ZW A 3

Maak een lijst met twintig communicatiesituaties. Beschrijf welke doelen de zenders hebben en waaruit dat blijkt.

34

E T ZW D 8.8

Verzin een voorbeeld van buiten de school waarmee je aantoont wat je hebt geleerd van de opdrachten 16 tot en met 33 . Neem een bewijs ervan op in je portfolio.


14

Communicatie 35

E T ZW A 1 t/m 3.4, 5.3.2

Beantwoord de volgende vragen.

1 Geef een eigen definitie van communicatie. 2 Omschrijf het communicatiemodel. 3 Situatie. Een moeder zit in de tuinstoel op de camping de krant te lezen. Ze heeft juist de afwas gedaan en komt bij van een drukke stranddag. Op de grond zit haar zoontje van zes zich te vervelen. Het ventje slaat een beetje tegen de krant. Moeders gezicht vervormt zich tot een grimas. Het ventje slaat nogmaals en zeurt: ‘Mama, mama, hallo.’ Geef van bovenstaande communicatie een analyse. Benoem elk onderdeel van het communicatiemodel, zoals wie is de zender en wat is de boodschap.

4 De communicatie die uitgedrukt wordt door woorden, heet ..... communicatie. 5 Communicatie zonder woorden heet ..... communicatie. 6 Geef enkele voorbeelden van de communicatie zoals bedoeld bij vraag 5. 7 Welke doelen kan een zender hebben? 8 Wat is een rollenpatroon? 9 Geef voorbeelden van een minimale respons. 10 Geef van de volgende factoren aan of ze invloed hebben op het verwachtingspatroon of de achtergrond van een ontvanger.

a b c d e f g h

WD

36

de leeftijd het weer het soort televisieprogramma’s dat iemand bekijkt de hobby’s het beroep van zijn ouders het hebben van broers en zussen het wonen op het platteland het voedsel dat hij eet

E T ZW D 8.7

Bespreek je woorddossier. Kies vijf woorden van je medeleerling en neem deze over in jouw dossier.

Structuur en inhoud van de boodschap 37

E T ZW A 4, 5

Lees de volgende tekst.

Amanda is naar het ziekenhuis geweest en komt dus

‘Hoezo smoesje, ik vertel nooit smoesjes. Daar ben ik

te laat op school.

echt te oud voor geworden’, roept Amanda met hoge

Ze meldt zich bij de juffrouw achter de balie.

stem. Ze geeft de kaart van het ziekenhuis waarop de

‘Ik ben te laat, mevrouw, mag ik een briefje?’, vraagt

afspraak van vanmorgen staat, en trommelt geïrriteerd

Amanda.

met haar vingers op de balie.

‘Je was gisteren ook al te laat’, zegt de juffrouw.

‘Laat dat dan meteen zien’, moppert de juffrouw.

Die heeft haar ochtendhumeurtje, concludeert

‘Maar u vroeg er toch niet om?’, sneert Amanda.

Amanda. Ze heeft een hekel aan mensen met een

‘Ho, ho, ho’, zegt de juffrouw opeens. ‘Laten we eens

ochtendhumeur. Zonder dat ze dat doorheeft, wordt ze

opnieuw beginnen, maar dan goed.’

zelf ook humeurig.

Amanda bromt: ‘Oké.’

‘Daar kon ik niets aan doen’, verdedigt ze zich.

‘Goedemorgen jongedame’, begint de juffrouw achter

‘Welk smoesje heb je nu weer?’, suggereert de

de balie. ‘Fris weertje nietwaar?’

humeurige juffrouw.

‘Goedemorgen’, zegt Amanda en ze glimlacht alweer.


Communicatie

15

Vertel zo veel mogelijk over de structuur van de boodschap en over feiten en meningen aan de hand van de volgende citaten.

a b c d e

Amanda is naar het ziekenhuis geweest en komt dus te laat op school. Die heeft haar ochtendhumeurtje weer (.....). ‘Welk smoesje heb je nu weer?’ Ze geeft de kaart van het ziekenhuis waarop de afspraak van vanmorgen staat. ‘Laten we eens opnieuw beginnen, maar dan goed.’

38

E T ZW A 4.1

Schrijf bij een van de volgende teksten een inleiding.

Voorhoofd te huur als billboard

‘Maar als er iemand naar ze toe komt, moeten ze wel een intelligent verhaal hebben’, zegt Carloss. Het bureau

... Voor 125 euro per week, of bijna 6 euro per uur, lopen

vindt moeiteloos studenten: er zijn er al 700 in het

studenten in Londen, Manchester en Oxford rond met

bestand.

neptatoeages op hun voorhoofd. Bijvoorbeeld van FHM (een mannenblad) of CNX (betaal-tv voor jongeren). De

Klimmer amputeert eigen arm

reclamehoofden moeten zich minimaal drie uur per dag onder de mensen begeven. De bibliotheek van de

... Een Amerikaanse bergbeklimmer die klem was komen

universiteit telt niet. Een pub mag wel.

te zitten onder een rotsblok van 500 kilo, heeft zichzelf

De studenten worden op pad gestuurd door

bevrijd door met een zakmes zijn arm te amputeren.

reclamebureau Gunning Stunts in Londen. Volgens

Daarna sleepte hij zich uit de kloof in het afgelegen dal

directeur Anna Carloss moeten adverteerders nog

in Utah. Bij de ‘uitgang’ vond een reddingshelikopter

wennen aan het idee, maar ze is in gesprek met een

hem. De man zat vijf dagen vast. Zijn toestand is

flink aantal nieuwe klanten. ‘En we komen binnenkort

zorgwekkend. In februari was dezelfde man al ontsnapt

ook naar Nederland’, zegt ze. De studenten hoeven

aan de dood toen hij bij een wandeling in de sneeuw

mensen niet aan te spreken.

onder een lawine terechtkwam.

39

E T ZW A 4.3

Schrijf bij een van de volgende teksten een slot.

Gestript

Met sukkeldrafje over de snelweg

Een politieman die een eind wilde maken aan een

Een 88-jarige automobilist is zijn rijbewijs kwijt nadat

luidruchtig vrijgezellenfeest, is door tientallen feestende

hij met een sukkeldrafje over de A7 tussen Groningen en

dames uitgekleed. De organisator van het feest dacht

Marum had gereden. De politie moest diverse pogingen

dat met de agent de ‘politiestripact’ was gearriveerd.

doen om de bejaarde man, die met een snelheid van 20

De agent liet zijn politiepenning zien en vertelde nog

kilometer per uur reed, te laten stoppen. Uiteindelijk kon

dat hij namens de buren kwam vragen of het wat

de wagen bij een afrit worden klemgereden. Volgens de

zachter kon, maar dat hielp niet. De vrouwen dachten

bestuurder was hij de weg kwijt en had hij vanwege het

dat het bij de act hoorde, en begonnen vast met het

slechte weer zijn snelheid aangepast. ...

ontkleden van de man. ...


16

Communicatie 40

E T ZW A 4.1, 4.3

Schrijf een inleiding en een slot bij een van de volgende teksten.

Fans Feyenoord lachen om nieuwe gedragsregels

Bankrover met weinig verstand

... Feyenoordsupporters noemen de nieuwe

gisteren over de domste bankrover aller tijden. Onder

gedragsregels van hun club ‘belachelijk’. Zo staat

bedreiging met een pistool eiste een 20-jarige Spanjaard

omschreven wat wel en wat niet tot een stadionverbod

van een bankmedewerkster dat er 100 miljoen euro op

kan leiden.

zijn rekening zou worden bijgeschreven.

Voorbeeld: ‘Een supporter in een Feyenoordshirt loopt

Op verzoek van de vrouw gaf hij haar hulpvaardig

op het strand van Benidorm en schopt het zandkasteel

zijn bankpas die al zijn persoonlijke gegevens bevatte.

van een spelend kind omver’. Voor de duidelijkheid: zo’n

Gewapend met pistool én stortingsbewijs keerde de

incient leidt niet tot een stadionverbod. ...

bankrover tevreden naar huis. Daar kon de politie hem

... De krant El Mundo/El Día de Baleares berichtte

korte tijd later arresteren. ...

41

E T ZW A 4.1 t/m 4.3, 5.3

Als zender formuleer je je boodschap zodanig dat je het juiste effect hebt op de ontvanger. Je houdt dus rekening met de ontvanger en kiest uit verschillende mogelijke formuleringen. Raymond Queneau, een Franse schrijver, heeft in het boek Stijloefeningen eenzelfde verhaal op 99 verschillende manieren beschreven. Uit dit boek vijf voorbeelden.

Voorbeeld 1

Verleden tijd Het was middag. De passagiers bestegen de tram. Zij

hij zich erheen en vlijde zich erop neer.

stonden op elkaar geperst. Een jongeman droeg op het

Later zag ik dezelfde jongeman bij het Concertgebouw.

hoofd een hoed, waar een gevlochten koordje omheen

Hij droeg een overjas en bevond zich in gezelschap van

zat en niet een lint. Hij had een lange hals. Hij beklaagde

een vriend die opmerkte dat hij er een extra knoop aan

zich bij zijn buurman over het geduw waaraan deze

moest zetten.

hem blootstelde. Zodra hij een vrije plaats zag, haastte

Voorbeeld 2

Indirecte rede Hij zei dat het omstreeks het middaguur was gebeurd.

blootgesteld had. Zodra hij een vrije plaats had gezien,

Een paar passagiers waren in de tram gestapt. Zij

had hij er zich heen gehaast en op neergevlijd.

hadden op elkaar geperst gestaan. Een jongeman had

Hij vervolgde met de mededeling dat hij later dezelfde

op zijn hoofd een hoed gedragen, waar een gevlochten

jongeman bij het Concertgebouw had gezien. Hij had

koordje en niet een lint omheen had gezeten. Hij had

een overjas gedragen en zich in het gezelschap van een

een lange hals gehad. Hij had zich bij zijn buurman

vriend bevonden die opgemerkt had dat er een extra

beklaagd over het geduw waaraan deze hem

knoop aan gezet had moeten worden.


Communicatie

17

Voorbeeld 3

Achterstevoren Je zou een extra knoop aan je jas moeten zetten, zei z’n

andere passagier die, naar hij zei, telkens tegen hem

vriend hem. Ik kwam hem midden op het Jan Willem

op botste als er iemand uitstapte. Dit broodmagere

Brouwersplein tegen, nadat ik hem het laatst gezien had

jongmens was de drager van een bespottelijke hoed.

toen hij vol belustheid op een lege zitplaats afstormde.

Een en ander speelde zich af op het achterbalkon van

Hij had net staan protesteren tegen het duwen van een

een afgeladen lijn 16, op het middaguur.

Je kunt het verhaal ook beschrijven alsof het verteld wordt.

Voorbeeld 4

Te gek Helemaal te gek, sta ik in de tram, weet je wel, zie ik een

vrij, helemaal te gek, waar die op gaat zitten, weet je

kerel, helemaal te gek, met zó’n nek, te gek, je weet niet

wel. Twee uur later zit ik weer in lijn 16, staan we stil

wat je ziet, heeft-ie ook nog zo’n maffe hoed op z’n kop,

aan de halte, bij ’t Concertgebouw weet je wel, kijk ik

met zo’n touwtje d’r om, weet je wel, helemaal te gek.

naar buiten en helemaal te gek! Zie ik weer diezelfde

Nou en ’t is spitsuur, te gek, hartstikke druk, dringen

vent! Die kerel met die nek weet je wel, staat-ie te

geblazen weet je wel, en die kerel, die kerel met die nek,

praten met een vriend van ’m. Te gek. Hoor ik die vriend

die begint in enen te mekkeren, helemaal te gek, dat er

zeggen of-ie z’n bovenste knoop niet een eind kan

iemand op zijn tenen staat, met opzet weet je wel. Nou

verzetten, naar boven weet je wel, helemaal te gek.

en net als-ie stennis wil gaan maken, komt ’r een plaats

Voorbeeld 5

Boers ’k Stao krek aon de halte of die tram komt ’r al

En in enen is’t over. Die man, d’n kerel met d’n nek niet

aonschiet’n. Affijn, ik stap in en ik zie toch zo’n

hè, ziet ’n lege stoel en laot zich d’r op vall’n.

eigenaordige kerel staon niet hè, met ’n nek, hoe za’k ’t

Affijn, d’r bent krek twee uur overheen gaon, ik zit

zegg’n, zo lang as ’n heipaol. Op zien kop had-ie ’n hoed

weer in die tram niet hè, zie’k me daor d’n kerel weer.

niet hè, met zo’n eigenaordig soort ding er omheen,

Op ’n halte, d’n kerel van daornet niet hè, staot-ie te

om ‘t mooi te mak’n hè, geen band maar meer ’n touw

praot’n met ’n man van’t zelfde slag om ’t zo maor te

za’k maar zegg’n. En ik stao daor naor den kerel te

zegg’n, veur ‘n groot huus, of ’t nou ’n museum was of

koekeloer’n en in enen begint ie me daor toch op te

’n theater, daor wil ik vanaf wes’n. En wat heur’n-ik die

speul’n hè, da’k ’r van schrik, en begint-ie me daor toch

man teug’n’m zegg’n? Dat ’t met die jas van den ker’l

te schreeuw’n hè, van stao me niet op mien teun’n te

ook al niet krek waar zoals ’t heurt, dat-ie d’r een andere

dans’n, dat ’t geen haor scheelt of ’t had knokk’n blaos’n.

kneup an moest neu’n, niet hè.

Beschrijf op drie verschillende manieren een korte gebeurtenis die je hebt meegemaakt. Maak gebruik van de voorbeelden hiervoor. Bereid je voor op een leesvoordracht.

42

E T ZW A 4.1 t/m 4.3, 5.3

Schrijf in sms-taal (160 tekens) de gebeurtenis van opdracht 41 op. Laat dit bericht door een medeleerling lezen.


18

Communicatie

WD

43

E A 5.3 T ZW 5.2

Geef bij vijf van de onderstaande woorden X een synoniem of omschrijving, X een voorbeeld X en een zin waarin het woord juist wordt toegepast (context).

Voorbeeld

flora Met flora bedoelen we de plantenwereld. Bomen, struiken en gras zijn flora. De levensvormen op aarde worden verdeeld in flora en fauna.

a cadeau b accessoires

WD

44

c non-verbale communicatie d synoniemen

e manager

E A 5.3 T ZW 5.2

Als opdracht 43 .

a dame 45

b pc

c auto

d rijwiel

e hond

E T ZW A 5.1

Geef van de volgende mededelingen aan of ze een feit of een mening weergeven.

a Kees werkt in de haven. b Dat is een leuke baan. c Kees verdient meer dan ik. d Kees verdient veel. e Rob heeft een huis in Middelstum gekocht. f Het is een schitterend huis. g Hij heeft een schitterend huis in Middelstum gekocht. h Zijn vriendin heet Joke. i Joke kan lekker koken. j Tenminste, dat zegt Rob. 46

E T ZW A 5.1

Als opdracht 45 .

a De directeur van strafinrichting Nor in Riddersluis is geschorst. b Op 23 oktober zijn drie misdadigers uit de gevangenis ontsnapt. c Het is toch te gek om los te lopen dat iedereen zomaar uit een gevangenis kan ontsnappen.

d Zware criminelen moeten juist extra bewaakt worden. e Gevangenbewaarders zeggen dat ze het onveilig vinden in de moderne gevangenissen. f Gevangenbewaarders vinden dat de directeur van de geplande ontsnapping op de hoogte had kunnen zijn.

g Alle telefoongesprekken worden immers afgeluisterd. h De directeur had op de hoogte moeten zijn. i Het is de belangrijkste taak van een strafinrichting de gedetineerden binnen te houden.

j We moeten gewoon weer terug naar de tijd van Napoleon, toen moordenaars werden opgesloten op een eiland midden in zee, in kerkers onder de grond.


Communicatie 47

19

E T ZW A 5.1

Je docent verdeelt de leerlingen over een aantal groepen. Iedere groep geeft een reactie op de volgende uitspraken. Je docent wijst per groep een gespreksleider aan, die ervoor zorgt dat zijn groep een gezamenlijk standpunt (overeenstemming) inneemt over de uitspraken. De gespreksleider verwoordt na afloop de standpunten van zijn groep en geeft de belangrijkste argumenten.

a b c d

Het is goed dat jongeren werken. Lichte kinderarbeid is toegestaan. Bijbaantjes gaan ten koste van schoolwerk. Ondernemersbonden moeten voorkomen dat ondernemers scholieren aannemen voor

bijbaantjes.

e Een mbo-opleiding en een 20-urig bijbaantje gaan samen. f Jongeren drukken hun identiteit uit in uiterlijkheden. g Geld uitgeven kan voor jongeren een verslaving worden. h Jongeren kunnen het goed vinden met hun ouders. Van een generatiekloof is nauwelijks nog sprake.

i De overheid heeft als taak de jongeren te beschermen, want zij zijn geestelijk en lichamelijk kwetsbaarder dan volwassenen.

j Scholieren drinken en roken te veel. 48

E T ZW A 5.1

Geef een argument bij de volgende conclusies.

a Een relatiegeschenk is een soort smeergeld. b Werken in de prostitutie is een vorm van hulpverlening. c Kennis van ‘schoolvakken’ is onbelangrijk voor je latere carrière. d In deze wereld moet je eerst voor jezelf zorgen. e Reclame is de oorzaak van de milieuvervuiling. f Het hebben van diploma’s is noodzakelijk in de moderne samenleving. g Je moet een docent zo veel mogelijk storen tijdens de les. h We moeten ons afval exporteren naar de derdewereldlanden. i Je kunt beter altijd de waarheid vertellen. j Stelen is niet slecht. 49

E T ZW A 5.1

Beoordeel de argumenten die je bij de meningen in opdracht 48 hebt bedacht. Bespreek de betrouwbaarheid ervan.

50

E T ZW D 8.8

Verzin een voorbeeld van buiten de school waarmee je aantoont wat je hebt geleerd van de opdrachten 37 tot en met 49 . Neem een bewijs ervan op in je portfolio.

51

E T ZW A 4, 5

Beantwoord de volgende vragen met een medeleerling.

1 Omschrijf in eigen woorden het begrip informatiedichtheid. 2 Met welke technieken van inleiden kun je inspelen op de achtergrond van de ontvanger?

3 Geef een voorbeeld van een feit en een voorbeeld van een mening 4 Teun is een boer. Teun woont in Goidschalksoord. Conclusie: alle inwoners van Goidschalksoord zijn boeren. Is dit een goede redenering? Beargumenteer je antwoord.

WD

52

E T ZW D 8.7

Schrijf een tekst van honderd woorden bij een lastig begrip uit je woorddossier voor een medeleerling. Het moet hem volkomen duidelijk worden wat het woord betekent en wanneer je het gebruikt.


Traject Opdrachtenboek Nederlands Mbo niveau 3-4 van 2F naar 3F