Oefenboek Schoolverkeersexamen.

Page 1

voor het

groep 7-8 2021-2022

naam: ___________________________


Oefening 1 Herfstvakantie

­­Jij en het verkeer!

Thijs en Emma zitten in groep 7 van de basisschool. Vandaag begint de herfstvakantie. Dan hebben ze

Zodra je naar buiten gaat, krijg je te maken met verkeer. Als je naar school gaat, op de fiets zit, naar het sporten gaat. Of als je buiten speelt of je vrienden gaat bezoeken. Verkeer is overal en het wordt steeds drukker. Het is belangrijk dat je de verkeersregels goed kent en weet hoe je je in het verkeer moet gedragen.

Vul hier in welke opgaven je goed of fout had en wat je nog moet oefenen:

In april is het zover. Dan ga je meedoen aan het landelijk verkeersexamen van Veilig Verkeer Nederland. In dit boekje vind je twaalf oefeningen om daarvoor te oefenen.

Oefening 2

Tips bij het maken van een oefening: • neem rustig de tijd om de opgave goed te lezen; • denk goed na over alle mogelijke antwoorden; • vul dan pas een antwoord in.

Oefening 5

Tips ná het maken van een oefening: • vul je goede en fout gemaakte opgaven in; • schrijf de rode nummers op die bij de fout gemaakte opgaven horen; • oefen die rode nummers nog eens met het Opzoekboek. Veel plezier bij het oefenen en succes straks bij het examen!

wat meer tijd om series te kijken, te gamen of af te

Oefening

opgaven goed

opgaven fout

nog oefenen in Opzoekboek

Voorbeeld

1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 12

2, 9, 10, 11

15, 46, 82, 121, 53, 55, 56

XX

Oefening 1 Oefening 3

spreken met vrienden. Vanmiddag gaan alle leerlingen naar huis. Twee klasgenoten, Sara en Mila, fietsen over een binnenweg naar huis.

1

59

Zie foto A

Wie gaat er voor op dit kruispunt?  De auto, want ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’.  De auto, want hij rijdt op een verharde weg en de fietsers op een onverharde weg.  Sara en Mila, want zij komen van rechts.  Sara en Mila, want zij fietsen op een onverharde weg en de auto op een verharde weg.

A

Oefening 4 Oefening 6 Oefening 7 Oefening 8 Oefening 10 Oefening 11

Sara

Oefening 12

Opzoekboek voor het schoolverkeersexamen

tureerde manier en. Op een gestruc ondersteuning verkeersexam boek een handige voor het school het gezet. Zo is het Oefeningen Daardoor wordt hoort bij het en op een rijtje ar naslagwerk. en de begripp Dit Opzoekboek zeer bruikba examen! sregels, de borden en tevens een Schoolverkeers worden de verkeer het schoolverkeersexamen vast voor het de leerlingen voor elijker en slagen bij het oefenen gemakk gen oefenin maken van de ff.nl ulenho po@thiememe 17 T 088-800 20 service Afdeling Klanten hoff ThiemeMeulen

In dit Opzoekboek staan alle verkeersregels, -borden en -begrippen voor voetgangers en fietsers. Na het maken van de oefeningen gebruik je dit Opzoekboek als volgt: • Bij iedere opgave zie je een icoontje: XX . Dit is een verwijzing naar een tekstnummer uit het Opzoekboek voor het schoolverkeersexamen. • Je ontdekt dan zelfstandig of met de hele groep waaróm een antwoord op een opgave goed of fout is. Daar leer je meer van dan door alleen een fout te verbeteren!

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

Mila

57

Bekijk het bord. Welke twee zinnen zijn waar?  Op een woonerf kunnen kinderen gewoon spelen op de rijweg. Ze hoeven niet te letten op andere weggebruikers.  Op een woonerf geldt de regel: bestuurders van rechts hebben voorrang.  Op een woonerf kunnen kinderen gewoon spelen op de rijweg. Ze moeten wel letten op andere weggebruikers.  Op een woonerf hebben voetgangers voorrang op fietsers.

3

Oefening 9

Handig!

2

58

Welke zinnen zijn juist? Iemand met een paard aan de hand:  is een voetganger.  is een bestuurder.  moet op de stoep lopen.  moet rechts op de rijweg lopen.  krijgt voorrang van andere bestuurders als hij van rechts komt.  moet voorrang geven aan andere bestuurders die van rechts komen.

Auteurs:

H.J. Schrama H.J.P. Struijlaart Foto’s: ARKA media BV Cartoons: Job van Gelder Ontwerp omslag: Eduardo Media Vormgeving: Inpladi bv, Cuijk ISBN 978 90 066 8028 7 ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, © 2021 Alle rechten voorbehouden.

3


Vlakbij school rijdt een brandweerwagen met grote snelheid door de straat. Zou er ergens brand zijn? Of is er een ongeluk gebeurd?

4

Zie foto B

91

De brandweerauto nadert het zebrapad. Wie heeft er voorrang?  De brandweerauto, want een brandweerauto heeft altijd voorrang.  De brandweerauto, want de sirenes en zwaailichten maken dat het een voorrangsvoertuig is.  De voetganger, want op een zebrapad heeft een voetganger altijd voorrang.  De voetganger, want de brandweerwagen kan gemakkelijk stoppen.

5

92

Welk verschil is er tussen voertuigen met een geel zwaailicht en voorrangsvoertuigen?  Er is geen verschil. Voertuigen met een geel zwaailicht worden voorrangsvoertuigen genoemd.  Het geluid van de sirene van voorrangsvoertuigen is harder dan dat van voertuigen met een geel zwaailicht.  Voorrangsvoertuigen zijn soms heel groot, voertuigen met een geel zwaailicht zijn veel kleiner.  Voorrangsvoertuigen hebben bijna altijd voorrang, voertuigen met een geel zwaailicht moeten zich aan alle voorrangsregels houden.

6

91 93

Welke voertuigen hebben altijd voorrang op een gewoon kruispunt?  Een uitvaartstoet.  Een tram.  Een militaire colonne die al bezig is het kruispunt over te steken.  Een vuilniswagen.  Een brandweerauto.  Een dierenambulance met geel zwaailicht.  Een politieauto met een tweetonige sirene en een blauw zwaai- of knipperlicht.

8

13 14

Welke uitspraken zijn juist?  Bij een bushalte moeten voetgangers wachtende mensen niet hinderen.  Als je op straat speelt, mag je andere weggebruikers niet hinderen. Dat geldt ook voor een woonerf.  Een groep kinderen op de hoek van de straat kan het uitzicht belemmeren. Dat is gevaarlijk.  Als je met de fiets aan de hand loopt, ben je een voetganger.

9

15

Zet een kruis achter de volgende uitspraken of ze over een plaats binnen of buiten de bebouwde kom gaan.

B

Hier rijden de auto’s harder dan 50 km/h. Hier moet je een bus die vertrekt voorrang geven.

Stefan

C 

Als Thijs en Emma verder fietsen zien ze Stefan lopen. Hij heeft een lekke band. Twee klasgenootjes moeten lachen dat hij nu naar huis moet lopen.

7

Zie foto C

14

Mag Stefan hier met zijn fiets aan de hand lopen?  Nee, hij moet recht op de rijweg lopen.  Ja, met de fiets aan de hand ben je een voetganger en moet je dus op de stoep lopen.  Nee, hij hindert de voetgangers die hem tegemoetkomen.  Nee, hij moet aan de overkant van de weg lopen. 4

binnen buiten

Hier rijden dikwijls bromfietsers op de rijweg, niet op het fietspad. 39

10 Welk bord informeert bestuurders dat er een oversteekplaats voor voetgangers is?

12

40 41

Zie foto D

Thijs vraagt zich iets af. Als de auto op de foto een ziekenauto met sirene en zwaailicht was geweest, mag je dan ook gewoon oversteken? Wie heeft gelijk?

D Jesse Max

Nou dat lijkt me nogal duidelijk. Zo’n ziekenauto is een voorrangsvoertuig. Die moet snel ergens naar toe. De bestuurder hoeft de voetgangers niet voor te laten gaan op het zebrapad. Even wachten dus!

Jesse en Max zijn twee vrienden van Thijs. Ze hebben afgesproken om in de herfstvakantie veel te gaan gamen. Nu gaan ze eerst samen nieuwe spellen kopen.

11

40

Zie foto D

Het beste is om even te kijken wat er aan de hand is. Rijdt de ziekenauto heel snel dan kan je niet oversteken, maar als die langzaam rijdt, dan kan dat natuurlijk wel.

De fietser staat stil, de auto rijdt langzaam. Mogen Jesse en Max hier zo oversteken?  Ja, op een zebrapad krijg je als voetganger altijd voorrang.  Ja, maar ze moeten goed opletten of de auto stopt.  Nee, ze moeten de auto voor laten gaan.  Nee, ze moeten snel naar de overkant hollen zodat de auto verder kan rijden.

Tuurlijk mag je dan nog steeds oversteken. Het zebrapad is echt bedoeld om voetgangers ruimte te geven om veilig over te steken.

Jesse

Max

Thijs

5


Oefening 2 De verjaardag van Lucas Vandaag is Lucas jarig. Hij zit bij Thijs in de klas. Na school gaan een paar vrienden van Lucas mee naar zijn huis.

3

Natuurlijk gaan ze eerst taart eten! Daarna lekker gamen of als het goed weer is buiten voetballen. Lucas fietst snel naar huis. Gelukkig is het niet druk bij het kruispunt.

1

60 65 66

Zie foto A

Lucas ziet zijn moeder fietsen. Fietst ze op een voorrangskruispunt?  Nee, dit bord geldt alleen voor auto’s.  Ja, dat kun je zien aan het bord en de haaientanden op de weg.  Nee, dit bord geldt alleen voor voetgangers.  Ja, dat kun je zien aan de andere kleur van het wegdek.

A

2

Zie foto A

Wie heeft er voorrang?  De moeder, want zij fietst op een voorrangskruispunt.  De moeder, want ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’.  De fietser van rechts, want ‘verkeer van rechts gaat voor’.  De fietser van rechts, want hij nadert een voorrangskruispunt.

65

60

De regels van een voorrangskruispunt gelden:  voor alle verkeersdeelnemers, dus ook voor voetgangers.  alleen voor voetgangers.  alleen voor bestuurders.  alleen voor bestuurders binnen de bebouwde kom, maar niet erbuiten.  alleen voor bestuurders buiten de bebouwde kom, maar niet erbinnen.

5

62

Zie foto B

De auto wil de weg oprijden. Wie heeft er voorrang?  De auto, want ‘kleine bocht gaat voor grote bocht’.  Thijs, want hij rijdt op een voorrangsweg.  De auto, want die nadert een voorrangskruising.  Thijs, want hij rijdt op een fietsstrook.

19 20

Zie foto B

Als Lucas en Thijs vlakbij huis zijn, zien ze Sven fietsen. Hij komt ook op het verjaardagsfeestje.

7

C

naar zijn huis. Samen fietsen ze verder.

21

Bij welk borden mag je wel de rijweg opfietsen?

Onderweg ziet Lucas Thijs fietsen. Hij is al onderweg

4

6

De auto van links wil de smalle rechterzijstraat inrijden. Mag dat?  Ja, de witte streep van de fietsstrook is daar onderbroken.  Nee, de auto mag de fietsstrook niet kruisen.

Sven

Moeder

Zie foto C

46

Om linksaf te slaan moet Sven allerlei dingen doen. Zet de handelingen in de juiste volgorde. Schrijf de nummers in de hokjes. 6 Hij laat het tegemoetkomende verkeer voorbijgaan, want ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’. 4 Hij kijkt of de bestuurders die van links komen wel stoppen om hem voorrang te geven. 3 Hij steekt zijn linkerarm uit. 1 Hij kijkt over zijn linkerschouder achterom of achteropkomend verkeer dichtbij is. 5 Hij kijkt naar rechts. Als daar bestuurders zijn, krijgen die voorrang. 2 Hij laat achteropkomend verkeer voorgaan. 7 Hij steekt het kruispunt over en slaat met een ruime bocht linksaf.

8

B

Zie foto C

47

Sven wil hier voorsorteren. Welke uitspraak is juist?  Sven moet hier voorsorteren.  Sven mag hier alleen voorsorteren als er geen tegenliggers aankomen.  Sven moet op de fietsstrook blijven rijden.  Sven mag hier voorsorteren.  Sven moet hier voorsorteren en zijn linkerarm uitsteken.

Thijs 6

7


Oefening 3 Naar Amsterdam De twee broertjes van Lucas komen natuurlijk ook

10

naar zijn verjaardag. Maar ze moeten wel wachten bij de spoorwegovergang. Niet erg, er is toch taart genoeg.

9

Zie foto D

94

Wat betekent het andreaskruis voor de overweg?  Dat de overweg over een kruising van spoorrails gaat.  Dat er een kruising is van een spoorweg en een rijweg.  Dat er een kruising is van een spoorweg, een rijweg en een fietspad.  Dat de overweg één enkel spoor heeft.  Dat de overweg twee of meer sporen heeft.  Dat de overweg vier of meer sporen heeft.

D

Zie foto D

96

12

Er rinkelt géén bel. Mogen de twee jongens nu oversteken?  Ja, de bomen staan omhoog, dus ze kunnen oversteken.  Ja, als de bel niet meer rinkelt, is er geen gevaar.  Nee, de rode lampen branden. Pas als de lampen niet branden, de bomen omhoog zijn en de bel niet meer rinkelt, mogen ze oversteken.  Nee, ze moeten wachten tot de bel wél gaat rinkelen en de rode lampen niet meer knipperen. Dan is het veilig oversteken.

11

95 96

Welke uitspraken over een spoorwegovergang zijn juist?  Je mag nooit stilstaan op een spoorwegovergang.  De rode knipperende lichten bij een spoorwegovergang waarschuwen je dat je goed moet opletten. Als ze knipperen, mag je niet oversteken.  Voetgangers moeten bij een overweg altijd rechts op de rijweg wachten.  Je mag als voetganger onder de gesloten overwegbomen doorglippen, als je goed hebt gekeken of er links en rechts geen trein aankomt.

96

Zie foto D

Waar kun je het beste wachten als je voor een spoorwegovergang staat? Thijs praat daarover met Lucas en Sven.

Ik vind treinen supergaaf. Ik ga daarom zo staan dat ik de trein al van ver zie aankomen en een foto kan maken. Soms sta ik zelfs op de rails. Ik ga natuurlijk wel op tijd aan de kant.

Als voetganger moet je gewoon op de stoep wachten. Als die er niet is, ga je op het fietspad staan of op de rijweg. Natuurlijk altijd zo veel mogelijk rechts. Dat is het veiligst.

Thijs gaat vandaag naar Amsterdam. Hij heeft op het centraal station afgesproken met zijn neef en zijn oom. Ze gaan naar Artis. In de avond gaan ze pizza eten. Thijs heeft er nu al zin in. In de ochtend vertrekt hij op weg naar het station.

A

8

Zie foto A

62

Wie heeft er voorrang, Thijs of de auto?  De auto, want die komt van rechts.  De auto, want die rijdt op een voorrangsweg.  Thijs, want ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’  Thijs, want hij rijdt op een voorrangsweg.

2

Je kunt het beste voor de auto’s en fietsers gaan staan, die ook staan te wachten. Dan kun je als eerste vertrekken als de slagbomen weer omhoog gaan.

Welk bord ziet een bestuurder als hij een voorrangsweg nadert?

4

Lucas

62 63 64

Thijs

60

Zie foto A

Welke uitspraak is juist?  Dit bord geldt voor bestuurders én voetgangers.  Dit bord geldt alleen voor bestuurders, niet voor voetgangers.  Dit bord geldt alleen voor voetgangers, niet voor bestuurders.

3

Thijs

1

27

Een fietser komt bij een weg en ziet dit bord. Kan de fietser verderop verder rijden? Mag dat?  Nee, het is een doodlopende weg.  Ja, het is een doodlopende weg, maar niet voor fietsers.  Nee, alleen auto’s mogen deze weg inrijden.  Ja, maar alleen als hij met de fiets aan de hand verder gaat.

Sven

9


Thijs rijdt verder naar het station. Hij fietst snel want

8

hij wil de trein natuurlijk niet missen. Thijs ziet een meisje fietsen.

5

Zie foto B

25

Mag de fietser verder rijden?  Nee, fietsers mogen deze straat niet inrijden.  Ja, maar ze moet eerst de auto voor laten gaan.  Nee, dit is een eenrichtingsweg.  Ja, de auto moet haar voor laten gaan.

2

3

B

C 1 Vanuit verschillende kanten komen fietsers en een voetganger naar het kruispunt. Wie gaat er dan eigenlijk voor?

6

Zie foto C

65 82

De voetganger (1) wil oversteken, de tegemoetkomende fietser (2) wil links afslaan, de fietser van rechts (3) wil rechtdoor. Wat is de juiste volgorde?  Eerst de fietser van rechts (3), dan de tegemoetkomende fietser (2), dan de voetganger (1).  Eerst de fietser van rechts (3), dan de voetganger (1), dan de tegemoetkomende fietser (2).  Eerst de voetganger (1), dan de fietser van rechts (3), dan de tegemoetkomende fietser (2).  Eerst de voetganger (1), dan de tegemoetkomende fietser (2), dan de fietser van rechts (3).

10

Zie foto C

56 83

Stel je voor dat het verkeersbord er niet staat en dat er ook geen haaientanden op de weg staan. De voetganger wil rechtdoor (1), de tegemoetkomende fietser wil links afslaan (2), de fietser van rechts wil rechtdoor (3). Wat is dan de juiste volgorde?  Eerst de fietser van rechts (3), dan de tegemoetkomende fietser (2), dan de voetganger (1).  Eerst de fietser van rechts (3), dan de voetganger (1), dan de tegemoetkomende fietser (2).  Eerst de voetganger (1), dan de fietser van rechts (3), dan de tegemoetkomende fietser (2).  Eerst de voetganger (1), dan de tegemoetkomende fietser (2), dan de fietser van rechts (3).

Zie foto C

65 82

Welke twee voorrangsregels zijn in deze verkeersituatie bepalend?  Afslaande bestuurders moeten op kruispunten rechtdoor gaande voetgangers of bestuurders voor laten gaan.  Als twee bestuurders op een kruising willen afslaan geldt de regel: ‘kleine bocht gaat voor grote bocht’.  Als je op een voorrangsweg rijdt, moeten alle bestuurders van links en rechts je voorrang geven.  Op een voorrangskruising moet je voorrang krijgen van alle bestuurders op de zijwegen.

9 7

99 100

Waarom moet een fietser extra goed opletten op een tram? Kruis de juiste antwoorden aan.  Een tram kan niet uitwijken.  Een tram hoeft geen rekening te houden met verkeerslichten.  De rails van de tram kunnen glad zijn.  Een fietser die op een voorrangsweg rijdt, krijgt geen voorrang van de tram.  Fietsers kunnen met hun wiel vastraken in de tramrails.  Een tram hoeft geen rekening te houden met de regel: ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’.

Eindelijk is Thijs in Amsterdam. Gelukkig heeft hij nog de hele dag om naar Artis te gaan. Er rijden veel trams. In

de plaats waar Thijs woont, rijden geen trams. Dat is wel even wennen. Extra opletten dus!

10

99

Zie foto D

D

De fietser wil oversteken. De tram gaat naar rechts. Wie heeft voorrang? De fietser, want ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’.   De fietser. De haaientanden op de weg en het bord geven aan dat dit een voorrangskruising is.  De tram. Bij een kruising gaat de tram altijd voor.  De tram. Want de tram rijdt op een voorrangsweg. 26

11

Bij welk bord mag een fietser linksaf én rechtsaf slaan? 104

12

vader

Ik vind een tram leuk. Maar bij het in- en uitstappen moeten mensen zich wel aan de regel houden: eerst alle mensen die willen uitstappen voor laten gaan, daarna kunnen de instappende passagiers de tram in.

Thijs praat met zijn vader en Smombie over gedragsregels bij het reizen in een tram. Wie heeft gelijk?

Smombie

Ik vind reizen met de tram lekker gemakkelijk. Er is altijd genoeg zitruimte, je kunt lekker kletsen met je vrienden en als het druk is, kun je met een groepje bij elkaar staan. Vasthouden is niet nodig, alleen even bij het afremmen van de tram.

Thijs

Ik vind het een goede regel dat je bij een tram aan de voorkant moet instappen en aan de achterkant kunt uitstappen. Dan heeft niemand last van elkaar.

11


Oefening 4 Naar het zwembad Vandaag is het erg warm weer. Gelukkig is het zaterdag. Veel kinderen uit de klas van Thijs en Emma gaan naar het zwembad. Daar is een groot speelveld bij waar je lekker kunt voetballen. Of gewoon een beetje kletsen. Thijs en Emma gaan ook. Onderweg zien ze Adriaan fietsen.

1

Zie foto A

69

Adriaan slaat rechtsaf. Mag dat?  Nee, hij moet stoppen totdat het licht voor rechtsaf groen is.  Nee, je mag hier niet rechtsaf slaan.  Ja, het licht voor fietsers staat op groen.  Ja, fietsers mogen bij een kruising altijd rechtsaf slaan.

A

Adriaan 12

2

Zie foto A

69 72

Wat moet een fietser die linksaf wil hier doen?  Links afslaan en goed kijken of er verkeer van rechts komt.  Links afslaan en goed kijken of er verkeer van rechts of links komt.  Stoppen voor de stopstreep, op de gele knop drukken en wachten tot het licht op groen springt.  Stoppen op de stoep, op de gele knop drukken en wachten tot het licht op groen springt.

3

Zie foto A

73

6

Wat moet Adriaan doen als bij de verkeerslichten het middelste (oranje) licht knippert?  Wachten tot het licht groen wordt.  Wachten tot het licht rood wordt.  Doorfietsen en de voorrangsregels toepassen.  Doorfietsen.

Emma Thijs

Thijs en Emma zijn lopend naar het zwembad gegaan. Ze hoeven alleen nog maar de weg over te steken. Dan kunnen ze in het koele water springen.

4

Zie foto B

69 72

Thijs en Emma willen de rijweg oversteken. Welke zin is waar?  Ze mogen nu oversteken, want het licht van de bestuurders staat op rood.  Ze mogen niet oversteken, want het voetgangerslicht staat op rood.  Ze mogen nu oversteken, maar kunnen beter op de knop drukken en wachten tot het licht groen wordt.

68

Zie foto B

Welke regels gelden als de verkeerslichten hier niet werken?  Dan is dit een gewone kruising. De overstekende voetgangers moeten bestuurders voor laten gaan.  Dan is dit een gewone kruising. De bestuurders moeten de overstekende voetgangers voor laten gaan.  Dan is dit een voorrangskruising. De voetgangers gaan dan voor.  Dan is dit een voorrangskruising. De bestuurders gaan dan voor.

Eline

C

Thijs en Emma moeten denken aan een paar maanden

B

terug toen het juist heel koud was. Toen moest je met

5

Zie foto B

72

Wanneer moet je de gele knop indrukken?  Die moet je indrukken als je blind of slechtziend bent, dan hoor je een geluidssignaal wanneer je kunt oversteken.  Die moet je indrukken als het licht van de auto’s op groen staat. Je moet dan wachten tot dit licht rood wordt.  Die moet je indrukken als het voetgangerslicht op rood staat. Je moet dan wachten tot het licht groen wordt.  Die moet je indrukken als de verkeerslichten kapot zijn.

een dikke jas aan naar school. Eline had zelfs haar oren beschermd met een koptelefoon.

7

Zie foto C

2

3

34

Eline rijdt met een koptelefoon op. Mag dit?  Ja, ze rijdt op een woonerf en dan mag dit.  Ja, maar alleen als de muziek zo zacht staat dat ze het omgevingsgeluid kan horen.  Nee, ze wordt dan te veel afgeleid.  Nee, een rijdende fietser mag geen mobieltje vasthouden of een koptelefoon dragen.

8

28 34

Zie foto C

Eline stopt om op haar mobiel te kijken. Mag ze hier stoppen?  Nee, bij deze uitrit mag ze niet stoppen.  Nee, ze moet eerst de auto voorbij laten gaan.  Ja, ze mag stoppen als ze dat duidelijk aangeeft.  Ja, om op haar mobiel te kijken mag ze altijd stoppen.

9

29

Welk bord geeft aan dat je hier niet je fiets mag neerzetten?

 13


8

24 63 88

Soms is onder een verkeersbord een ander bord geplaatst. Zet achter de omschrijving het juiste nummer.

Welk bord waarschuwt voor een bewaakte overweg?

1

2

3

9

102

Welk bord geeft aan dat hier een busbaan is?

32

4

2 De aanwijzingen van het bord erboven gelden niet voor fietsers en bromfietsers. 1 De aanwijzingen van het bord erboven gelden niet voor fietsers. 4 Het bord geldt voor de weg die zo verder loopt. 3 Het bord geldt ook voor verkeersdeelnemers van de andere kant.

94

10

 17 22 25

11 Bekijk de drie verkeersborden. Welke uitspraken zijn juist?

1

2

3

 Bij bord 1 mag je fietsen, bij bord 3 mag je niet fietsen.  Bij bord 1 mag je niet fietsen, bij bord 3 mag je wel fietsen.  Bord 1 is een ‘pas-op’-bord.  Bord 2 is een ‘pas-op’-bord.  Bord 3 is een ‘pas-op’-bord.

12 Kies de juiste uitspraak. Nadat je dit bord hebt gezien weet je dat:  auto’s alleen langzaam langs je heen kunnen rijden.  bromfietsers vaak op de rijweg moeten rijden.  een bus die bij de halte vertrekt voorrang moet geven aan alle bestuurders op de rijweg.

15