Page 1


Ontwikkeling en opvoeding


Auteurs A.C. Verhoef M. van Eijkeren Inhoudelijke redactie H. Hautvast-Haaksma R.F.M. van Midde Taalkundige redactie Fidder & Löhr bv, Deventer Opmaak Fidder & Löhr bv, Deventer Ontwerp en vormgeving Graaf Lakerveld, Culemborg Omslagontwerp Graaf Lakerveld, Culemborg Omslagfotografie Maria van der Heyden, Mirador Media Fotografie Anke Gielen Remko Scheepens Marjon Aardema Advies- en Meldpunt Kindermishandeling Marijke van Eijkeren J.A.A. ter Haar, SOLOZ Maria van der Heyden Graham Heywood Martin Hogeboom Gert van der Kamp Jan Lankveld Noor van Mierlo Frank Muller NOS NijghVersluys Joe Potato Arrien van Prooijen Bram Saeys/Hollandse Hoogte SIRE Annemiek Verhoef Hans Vroege www.beyondcommunications.nl Lisa F. Young

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 069 2461 9 Eerste druk, derde oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.cedar.nl/pro). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Sommige foto’s zijn in scène gezet. De afgebeelde personen houden in dit geval in werkelijkheid geen verband met de verbeelde of beschreven situatie.

Tekenwerk en schema’s Cabwork Fidder & Löhr PixelXP Twin Design

Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

II


Ten geleide De Kwalificatiedossiers Welzijn Vanaf het cursusjaar 2010/2011 wordt het competentiegericht beroepsonderwijs definitief ingevoerd. Alle welzijnsopleidingen van de regionale opleidingscentra dienen vanaf dit moment hun opleidingen te hebben ingericht op basis van de door het Kenniscentrum Calibris gedefinieerde Kwalificatiedossiers Welzijn. Het betreft kwalificatiedossiers voor de volgende (uitstroom)-kwalificaties: – Pedagogisch werk – uitstroom Pedagogisch medewerker kinderopvang 3 – uitstroom Gespecialiseerd pedagogisch medewerker kinderopvang 4 – uitstroom Pedagogisch medewerker jeugdzorg 4 – Medewerker maatschappelijke zorg – uitstroom Medewerker maatschappelijke zorg 3 – uitstroom Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg 4 – uitstroom Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen 4 – Onderwijsassistent 4 – Sociaal-cultureel werker 4 – Sociaal-maatschappelijk dienstverlener 4 Traject Welzijn en de kwalificaties Welzijn De nieuwe leermiddelenserie Traject Welzijn is helemaal opnieuw ontwikkeld en ingericht op basis van deze kwalificatiedossiers voor de welzijnssector. Dat wil zeggen dat uitgever en redactie van Traject Welzijn besloten de oude Trajectserie niet te herzien. Ze hebben gekozen voor een totaal nieuwe serie Traject Welzijn die geheel is afgestemd op de kwalificatiedossiers en de daarin ondergebrachte kerntaken, werkprocessen en competenties die de student zich moet leren eigen te maken. Overigens natuurlijk wel met inachtneming van al het goede dat in de ‘oude’ serie was te vinden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kwaliteit, diepgang, en goede en actuele representatie van wat er in werkvelden en met doelgroepen plaatsvindt. De leermiddelen van de serie Traject Welzijn zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Hierin vindt het beroepsonderwijs immers zijn basis. Bij het uitwerken van de leerstof is steeds uitgegaan van de benodigde kennis, attitude en vaardigheden zoals die onderdeel uitmaken van de competenties van de welzijnswerker. Het gaat daarbij onder meer om oplossingsstrategieën, procesvaardigheden, sociale en communicatieve vaardigheden en houdingsaspecten die het best zijn aan te leren in de context van de beroepsuitoefening. Traject Welzijn; generieke basisleerstof Uitgangspunt voor de serie zijn dus de verschillende kerntaken, werkprocessen en competenties van de kwalificatiedossiers voor de welzijnsopleidingen. Omdat in veel welzijnsopleidingen gestart wordt met een brede introductie op de opleidingen, om daarna naar een specifieke richting te differentiëren, is er bewust voor gekozen om de basisleerstof voor deze opleidingen generiek onder te brengen in een zestal boeken die breed en ‘opleidingoverstijgend’ zijn te gebruiken. Deze generieke basisleerstof van niveau 3 en 4 is zodanig gelardeerd met praktijkvoorbeelden dat de student van iedere opleiding een

brede en evenwichtige introductie wordt geboden. Uiteraard is het ook mogelijk om de basisleerstof te gebruiken als gekozen wordt voor een onderwijsmodel waarin vanaf de start voor een bepaalde opleidingsrichting wordt gekozen. Traject Welzijn voor blended learning Als het gaat om bestuderen van grotere gedeelten theorie geven studenten aan dat ze deze theorie het liefst ‘op papier’, in boekvorm willen bestuderen. Maar bij het verwerken van de leerstof gebruiken studenten bij voorkeur een computer. Dus is het logisch dat er bij Traject Welzijn voor is gekozen de theorie in boeken onder te brengen en de verwerking en trainingen ter beschikking te stellen via de methodesite www.trajectwelzijn.nl. Op deze site is ook de docentondersteuning ondergebracht. Traject Welzijn: de boeken De boeken zijn zodanig ingericht dat ze primair de studenten in staat stellen om de inhoud te raadplegen als informatiebron. De theorie van de afzonderlijke boeken is steeds thematisch ingedeeld op basis van de onderwerpen en aandachtsgebieden waarmee de student SAW in zijn/haar beroepsuitoefening te maken krijgt. Waar mogelijk is ervoor gekozen om de materie vanuit het perspectief van werken met de doelgroepen te benaderen. De informatie is bovendien rijkelijk voorzien van veel voorbeelden die gerelateerd zijn aan zowel de beroepspraktijk, de werkvelden en de doelgroepen als aan de leersituatie van de studenten. Traject Welzijn; de methodesite De studenten hebben de mogelijkheid de theorie individueel of in groepsverband te verwerken door gebruik te maken van de methodesite www.trajectwelzijn.nl. Op die site staan verwerkingsopdrachten, betekenisvolle opdrachten en vaardigheidstrainingen: – Verwerkingsopdrachten toetsen kennis en inzicht van de theorie (uit de boeken). – Betekenisvolle opdrachten (BVO’s) zijn complexer dan verwerkingsopdrachten. Iedere betekenisvolle opdracht bestaat uit een beroepskritische situatie waarmee de studenten aan de slag moeten; ze gaan ‘aan het werk’. Ze krijgen een opdracht uit een van de toekomstige werkvelden. Dit leidt tot een beroepsproduct. Studenten kunnen in een BVO aangeven waar ze zich vooral op willen richten; welke leerlijn ze willen volgen. Bij deze leerlijnen staan leerdoelen beschreven. De student kan hier (in samenspraak met de coach) een keuze uit maken. Op deze manier werken deelnemers samen aan dezelfde BVO’s, maar kunnen ze zich ook apart richten op individuele leerdoelen. – Bij de vaardigheden draait het vooral om ‘kunnen’. Ook houdingsaspecten worden hier getraind. Iedere vaardigheidstraining kent een vaste opbouw. Beginnend vanuit de totale vaardigheid wordt deze daarna in stukjes geoefend, om vervolgens weer af te sluiten met de vaardigheid als geheel. Op die manier kan er gericht gewerkt worden aan de competentieontwikkeling van de deelnemers. Ieder vaardigheidsonderdeel wordt afgesloten met reflectie en evaluatie. Door terug te kijken, kan bepaald worden aan welke onderdelen nog gewerkt zou moeten worden. III


Traject Welzijn en didactische werkvormen Door de leerstof in de boeken en op de methodesite op deze wijze in een heldere structuur aan te bieden, kan Traject Welzijn worden ingezet bij alle didactische werkvormen waarvoor de docent kiest. De serie is uitermate geschikt om te gebruiken bij bijvoorbeeld zelfstandig werken, zelfstandig leren of probleemgestuurd leren. Het op deze manier aanbieden van leerstof heeft ook andere voordelen. Opleidingen kunnen bijvoorbeeld gemakkelijk keuzes maken als het gaat om welke onderdelen docentafhankelijk en welke docentonafhankelijk aangeboden kunnen worden. En het vaststellen van individuele leerroutes voor studenten of ‘leren op maat’ met behulp van de leermiddelen behoort ook tot de mogelijkheden. Daarnaast zijn de leermiddelen geschikt voor onderwijs aan speciale doelgroepen en onderwijs in deeltijd. Traject Welzijn en de leerwegen BOL en BBL Uiteraard zijn de leermiddelen ook geschikt om zowel in de beroepsopleidende leerweg (BOL) als in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) te gebruiken. Traject Welzijn: een nieuwe vormgeving en nieuwe structuur Om de bestudeerbaarheid van de leerstof te vergroten, is ervoor gekozen de boeken vorm te geven en in te delen op een eigentijdse wijze die sterk aansluit op de leefwereld van de hedendaagse student. De leerstofonderwerpen van een boek zijn thematisch geordend in thema’s waarin artikelen worden gepresenteerd, die los en (hiërarchisch) onafhankelijk van elkaar zijn te bestuderen. Ieder thema is voorzien van een begrippenlijst, url’s en bronnen en ieder boek kent een uitgebreide inhoudsopgave en een trefwoordenregister. En dat gebruikgemaakt is van full colour spreekt voor zich.

IV

Traject Welzijn en inrichting van het curriculum Traject Welzijn is geen methode, maar een serie. Met deze uitspraak bedoelen we dat Traject Welzijn een serie leermiddelen is die kan worden gebruikt bij competentiegericht opleiden. Traject Welzijn biedt geen curriculum: ieder ROC kiest op basis van de eigen visie, onderwijskundige uitgangspunten en didactische werkvormen voor de inrichting van het onderwijs (veel ROC’s kiezen bijvoorbeeld voor de sturingsmaterialen van het Consortium Beroepsonderwijs Zorg & Welzijn). Bij elk curriculum kan de leerstof van Traject Welzijn worden ingezet, maar Traject Welzijn is dus geen routewijzer en Traject Welzijn bevat evenmin sturingsmiddelen. Redactie van de serie Traject Welzijn Alle leermiddelen van de serie zijn inhoudelijk geredigeerd door Hanneke Hautvast-Haaksma en Rick van Midde. Beiden zijn sinds jaar en dag als redacteur en auteur verbonden aan de opeenvolgende series Traject Welzijn. Bovendien zijn zij beiden nauw betrokken bij zowel de onderwijsontwikkelingen in het sociaal-agogisch werk als de ontwikkelingen en vernieuwingen in de Welzijnsinstellingen en -werkvelden. Zij hebben ervoor gezorgd dat alle leermiddelen volledig zijn afgestemd op de kerntaken, werkprocessen en competenties van de verschillende kwalificatiedossiers en dat ze onderling op elkaar aansluiten. Wij hopen dat alle betrokkenen in het leerproces vruchtbaar gebruik kunnen maken van de serie Traject Welzijn. Indien u vragen of suggesties heeft dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt. Utrecht, 2010 Redactie en uitgever


Inhoud Thema 1 Inleiding op ontwikkeling en opvoeding – Begeleiden bij ontwikkeling – Ontwikkelen gaat vanzelf, of niet? – Spelontwikkeling – Taalontwikkeling – Opvoeden moet – Vertrouwensrelatie – Als de ontwikkeling anders gaat – Beperkingen en stoornissen – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen Thema 2 Ontwikkeling en opvoeding van baby’s en peuters – Ontwikkeling van de baby – Ontwikkeling van de peuter – Taalontwikkeling bij baby’s en peuters – Spelontwikkeling bij baby’s en peuters – Opvoeding van baby’s en peuters – Temperament en huilen – Hechting bij baby’s en peuters – Kindermishandeling – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen Thema 3 Ontwikkeling en opvoeding van kleuters en schoolkinderen – Ontwikkeling van vier tot twaalf jaar – Steeds competenter in taal – Spelontwikkeling van vier tot twaalf jaar – Kinderen begeleiden – Werken aan sociale vaardigheid – Pesten komt bij ons niet voor – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen Thema 4 Ontwikkeling en begeleiding van pubers en adolescenten – Ontwikkeling van pubers – Ontwikkeling van adolescenten – Ontwikkeling van het brein – Sociale ontwikkeling – Opvoeden en begeleiden – Grensoverschrijdend gedrag – Vertrouwensrelatie bij het werken met jongeren – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen Thema 5 Ontwikkeling en begeleiding van volwassenen en ouderen – Volwassen? Oud? Het is maar hoe je het bekijkt – Ontwikkeling van de volwassene – Ontwikkeling van de oudere – Volwassen mensen en hun werk – Motiveren: vertrouwen geven – Sociale problematiek bij volwassenen – Volwassen mensen begeleiden – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen

1 2 5 12 15 18 23 29 33 38 41 41 43 44 50 55 58 61 64 67 70 73 75 75 77 78 87 91 97 104 108 111 113 113 115 116 121 127 129 134 139 145 152 155 155 157 158 161 168 173 176 182 189 194 197 197

V


Thema 6 Ontwikkeling en begeleiding van mensen met een verstandelijke beperking – Mensen met een verstandelijke beperking – Beeldvorming en de maatschappij – Mensen met een ernstiger verstandelijke beperking – Mensen met een meervoudige beperking – Mensen met een lichtere verstandelijke beperking – Kinderen met een leer- of aandachtsstoornis – Een andere ontwikkeling – In relatie staan tot mensen met een verstandelijke beperking – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen Thema 7 Ontwikkeling en begeleiding van mensen met een lichamelijke beperking – Mensen met een lichamelijke beperking – Een andere ontwikkeling – Mensen met een motorische beperking – Mensen met een zintuiglijke beperking – Mensen met een hersenaandoening – Mensen met een orgaanbeperking – Mensen met spraak- en taalstoornissen – Mensen met ernstige geheugenstoornissen – Mensen met een lichamelijke beperking in de maatschappij – Begrippenlijst – Url’s – Bronnen Register

VI

199 200 206 214 219 225 231 238 245 251 256 257 259 260 265 271 277 282 287 292 296 300 306 312 312 313


Begeleiden bij ontwikkeling 2 Ontwikkelen gaat vanzelf, of niet? 5 Spelontwikkeling 12 Taalontwikkeling 15 Opvoeden moet 18 Vertrouwensrelatie 23 Als de ontwikkeling anders gaat 29 Beperkingen en stoornissen 33 Auteur: Annemiek Verhoef

1 Inleiding op ontwikkeling en opvoeding In je latere beroep zul je veel verschillende taken uitvoeren. Maar waar je ook werkt, je kerntaak is het begeleiden van cliënten. Je stimuleert en begeleidt cliënten van alle leeftijden in hun ontwikkeling. Bij kinderen noem je dat opvoeden. In je werk zul je te maken krijgen met ‘ont-

wikkelen en opvoeden’. Het is dan belangrijk op de hoogte te zijn van een aantal kernbegrippen en -inzichten die samenhangen met ontwikkeling en opvoeding. In dit themanummer gaan we in op die kernbegrippen en -inzichten. In drie hoofdartikelen geven we een in-

leiding op ontwikkeling en opvoeding. In deze artikelen lees je ook meer over het begeleiden daarbij. In de andere vijf artikelen verdiep je je in de algemene aspecten van de spel- en taalontwikkeling, de vertrouwensrelatie, sociale problematiek en beperkingen en stoornissen.

1


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDIng Figuur 1

Begeleiden bij ontwikkeling Stel, je hebt vandaag een familiefeestje. Welke oom, tante, neef of nicht je ook spreekt: ze willen allemaal weten wat je doet. grote kans dat bij iedereen een vraagteken op het voorhoofd staat geschreven als je zegt welke opleiding je nu volgt. Sociaal-pedagogisch werk, sociaal-cultureel werk – het zegt ze weinig. ‘Wat kun je nou met de opleiding die je volgt?’ is de logische vervolgvraag. Ongetwijfeld lukt het je prima uit te leggen wat je met deze opleiding kunt. Maar stel dat je de opdracht krijgt om in je uitleg het begrip begeleiden niet te noemen – dan zou het je heel wat moeite kosten om uit te leggen wat je in je toekomstige beroep gaat doen. Begeleiden is immers de kerntaak van de spw’er en in je uitleg kun je daar nauwelijks omheen. Wat is ‘begeleiden’ nu eigenlijk? Waarschijnlijk associeer je begeleiden met begrippen als opvangen, coachen, ondersteunen, helpen. Toch zijn ook die termen nogal vaag. Wat doet de begeleider nu echt? Is er een verschil tussen leiden en begeleiden, en zo ja, wat is dat verschil dan? In dit artikel zal je duidelijk worden dat begeleiden veel verschillende dingen kan inhouden en op veel verschillende gebieden betrekking heeft. Ook lees je hier dat begeleiden altijd gekoppeld is aan een doel en aan een behoefte.

2

‘Meestal geniet ik erg van mijn werk hier op het kinderdagverblijf. Je krijgt veel van de

gelijk vergeet. Dan heb ik de hele dag het gevoel dat ik politieagent moet spelen. Dan lijkt

kinderen terug. Op deze leeftijd zijn ze nog erg afhankelijk van je en ze hebben jou eigenlijk

het alsof er constant ruzie is. Ruzie om wie als eerste de glijbaan af mag, ruzie om wie die

bij alles nog nodig. Na verloop van tijd hebben de kinderen je wel steeds minder nodig en

auto had, ruzie om wie de vissen eten mag geven, ruzie om … van alles eigenlijk. Meestal

gek genoeg vind ik ook dat leuk om te zien – als ze het “zelluf” willen doen.’ Aan het woord

begint het met gekibbel “van mij…”, “nee, van mij” of “ikke…”, “nee, ikke”. En als je dan

is Anouk, leidster van de peutergroep van kinderdagverblijf ‘Rataplan’. ‘Waar ik ook van

niet oppast dan is het binnen de kortste keren een getrek en geduw en gebrul.’

geniet zijn de eigenwijze opmerkingen van de kinderen naar elkaar toe. Gisteren nog, toen

‘Maar over het algemeen heb ik het hier reuze naar mijn zin. In de vier jaar dat de kinderen

zei een van de peuters heel kortaf tegen een andere peuter: “Jij bent mijn moeder niet,

hier zijn, maken ze natuurlijk een enorme ontwikkeling door. Ik vind het iedere keer weer

hoor!” Ja, ja, denk ik dan, dat heb je zeker je oudere broer horen zeggen.’

leuk om te zien hoe de kinderen veranderen en zich ontwikkelen. Het is bijzonder om te

Dan verzucht Anouk: ‘Heel soms zijn er wel eens van die dagen die je het liefst zo snel mo-

zien hoe een baby zich echt tot een persoontje ontwikkelt.’


BegeleIDen BIj OnTWIKKelIng

Begeleiden als kerntaak In je toekomstige werk kun je veel verschillende taken hebben. Welke taken dat precies zijn, zal afhangen van het werkveld en het beroep waarvoor je kiest. Het maakt uiteraard verschil of je gaat werken als leid(st)er in de kinderopvang of als onderwijsassistent in het basisonderwijs. Maar waar je ook gaat werken in het sociaal-agogisch beroepenveld, je belangrijkste kerntaak is altijd het begeleiden van cliënten. Dat begeleiden doe je niet in het wilde weg. Het begeleiden van cliënten is altijd gekoppeld aan een doel en aan een behoefte. Je wilt iets bereiken met een cliënt. Dat kunnen verschillende dingen zijn.

Voorbeelden van begeleidingsdoelen die je kunt nastreven als sociaal-agogisch werker: – je wilt joma leren zelf haar tanden te poetsen. – je wilt bereiken dat mevrouw gijsbregts het overlijden van haar man verwerkt. – je streeft ernaar dat Bas om kan gaan met zijn woedebuien.

Uit deze voorbeelden wordt al duidelijk dat je bij het vaststellen van je begeleidingsdoelen moet aansluiten bij de situatie van de cliënt. Je kunt Joma bijvoorbeeld niet leren haar tanden te poetsen als ze één jaar oud is. Dat gaat niet. En als Joma tien zou zijn, dan streef je dit doel waarschijnlijk ook niet meer na. Dan kan ze het al zelf. Bij het vaststellen van je begeleidingsdoelen houd je dus rekening met de behoefte van de cliënt. In de praktijk zul je merken dat die

behoefte vaak samenhangt met de leeftijd en ontwikkeling van de cliënt. Een baby heeft andere behoeften dan een kleuter. Een baby zul je vooral verzorgen, een kleuter verzorg je al veel minder, je kijkt ook wat het kind zelf kan. En dat laat je de kleuter dan ook zelf doen! Bij een schoolkind laat je nog meer aan het kind over. Je stimuleert de zelfstandigheid van het kind, want hoe ouder het is, hoe meer zelfstandigheid er van hem verwacht wordt. Een schoolkind van zes jaar oud breng je naar school. Een puber van 12 jaar oud gaat zelfstandig op de fiets naar zijn middelbare school. Als hij zeventien is, neemt hij zelfstandig de trein op weg naar ‘zijn’ ROC. Begeleidingsgebieden De begeleiding van cliënten kan op tal van terreinen plaatsvinden. Op welke terreinen jij je als sociaal-agogisch werker richt, zal vooral afhangen van de instelling waar je de cliënt treft. De begeleiding van kinderen op een school zal op een ander gebied betrekking hebben dan de begeleiding van dezelfde kinderen in de buitenschoolse opvang. Kinderen op een school hebben een andere begeleidingsbehoefte dan kinderen op de buitenschoolse opvang. Als saw’er begeleid je cliënten op de volgende begeleidingsgebieden: – leven en wonen; – vrije tijd; – opvoeding en ontwikkeling; – onderwijs en vorming; – werken en dagbesteding. Dit themanummer is een inleiding op de begeleidingsgebieden ontwikkeling en opvoeding. Daarom gaan we in dit artikel alleen in op dat begeleidingsgebied.

Figuur 2 Begeleiden bij ontwikkeling is belangrijk bij cliënten met een verstandelijke beperking

3


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDIng

Begeleiden bij ontwikkeling en opvoeding Het begeleiden van cliënten bij hun ontwikkeling is iets waar je als saw’er in elke instelling mee te maken krijgt. Elke cliënt ontwikkelt zich namelijk. Ontwikkelen is veranderen, leven is veranderen; het is onmogelijk om stil te staan. Iedere dag leer je wel iets bij, doe je nieuwe informatie op. En dat geldt niet alleen voor jou, maar voor iedereen om je heen. Het begeleiden bij de ontwikkeling van cliënten komt dus in elke instelling aan de orde. Dat wil overigens niet zeggen dat het begeleiden bij de ontwikkeling altijd het hoofddoel in de begeleiding is. Het begeleiden van cliënten bij hun ontwikkeling is vooral aan de orde als je kinderen begeleidt. Daarnaast is het ook een belangrijk doel als je werkt in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap. Bij hen zie je immers een vertraagde ontwikkeling. Het is belangrijk om aandacht te besteden aan die ontwikkeling. Als je daar geen aandacht aan zou besteden, dan zal de ontwikkeling meer achterblijven dan wanneer je de ontwikkeling van de cliënt stimuleert. Als het begeleiden bij de ontwikkeling betrekking heeft op kinderen en jongeren, dan noem je dat opvoeden. Bij volwassenen spreek je niet van opvoeding. Dat komt omdat het doel van de opvoeding volwassenheid is. En bij volwassenen en ouderen is dit doel dus al bereikt. Volwassenen en ouderen zijn zelfstandig en dragen – in principe – de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven. Ontwikkelingsstimulering De term ontwikkelingsstimulering wordt in de praktijk vaak gebruikt in situaties dat de ontwikkeling van het kind niet vanzelf goed gaat. Er kan al sprake zijn van een achterstand, maar het kan ook zijn dat een achterstand dreigt.

ı Ontwikkelingsstimulering houdt in dat je een kind activiteiten aanbiedt met als doel zijn ontwikkeling te stimuleren, omdat dat nodig is. ı Met ontwikkelingsstimulering kun je proberen de achterstand in de ontwikkeling van het kind nog in te halen. Soms is het echter al van tevoren duidelijk dat dat niet mogelijk is. In dat geval zal de begeleiding erop gericht zijn om de achterstand zo klein mogelijk te houden. Ontwikkelingsstimulering kan twee dingen inhouden: 1 Het aanbieden van stimuleringsprogramma’s aan kinderen, waarbij vaak ook de ouders direct kunnen worden betrokken. Dit noem je ontwikkelingsstimulering. 2 Het steun verlenen aan ouders bij de opvoeding van hun kind, oftewel opvoedingsondersteuning. Als saw’er kun je met beide vormen van ontwikkelingsstimulering te maken krijgen. Opvoedingsondersteuning Je kunt opvoedingsondersteuning bieden tijdens alledaagse contacten met ouders, maar ook binnen speciale projecten. Bij opvoe-

4

dingsondersteuning ondersteun je ouders bij de opvoeding van hun kinderen. Opvoedingsondersteuning is erop gericht de bekwaamheid en het zelfvertrouwen van ouders te versterken. Je respecteert de opvoedingsstijl van de ouders, behalve wanneer deze de ontwikkeling van het kind belemmert of bedreigt.

Voorbeeld Moeder Marjet is erg onzeker in de opvoeding van haar peuterdochter Anjo (3 jaar). Ze is daarom veel te weinig consequent in de opvoeding. ‘nee’ is geen ‘nee’, maar wordt vaak ‘ja’; zeker nu Anjo ‘geleerd’ heeft hoe ze haar zin moet krijgen. Anjo zet het namelijk steeds vaker op een krijsen en krijgt steeds vaker driftbuien. Moeder Marjet geeft steeds vaker toe. Ze is de driftbuien en krijspartijen zat. Ze putten haar uit. Bovendien zorgen ze ervoor dat ze zich steeds onzekerder gaat voelen. Ze krijgt het gevoel dat Anjo niet van haar houdt, dat ze het expres doet. Ze vertelt pedagogisch werker Tina dat ze steeds meer moeite heeft om zich te beheersen. Ze weet niet meer hoe ze verder moet.

In bovenstaand voorbeeld helpt Tina de moeder niet als zij de opvoedingsstijl van de moeder respecteert. Het is juist belangrijk dat Marjet begeleid wordt in het aanpassen van haar opvoedingsstijl. Zij zal meer consequent in de opvoeding moeten worden. En dat zal alleen lukken als ze ook meer zelfvertrouwen krijgt. Opvoedingsondersteuning richt zich op het vroegtijdig inspelen op opvoedingsvragen en opvoedingsproblemen van ouders. Daardoor kan voorkomen worden dat de problemen verergeren en dat bijvoorbeeld uithuisplaatsing nodig wordt.

Begeleiden is leuk! Begeleiden bij ontwikkeling en opvoeding is vooral ook erg leuk. Natuurlijk is het wel eens lastig om te bedenken hoe je een bepaald probleem het beste kan oplossen, maar grote problemen doen zich natuurlijk niet dagelijks voor. Over het algemeen is het vooral erg leuk met kinderen en hun ouders te werken. Het is boeiend en bijzonder om te volgen hoe kinderen zich ontwikkelen. Natuurlijk kost het energie, maar je krijgt er veel voor terug. Tenminste, als je daarvoor openstaat en als je er oog voor hebt. Hopelijk ervaar jij het als bijzonder en geniet je ervan als – een peuter je bij begroeten een kusje geeft; – een puber per se jouw mening wil weten of juist per se niet; – het je lukt de tranen van een schoolkind ‘weg te toveren’ en in plaats daarvan een lach tevoorschijn te toveren; – een bijna-puber eigenwijze opmerkingen maakt; – het je lukt een kleuter iets te laten doen wat hij moeilijk of een beetje eng vindt. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te bedenken van situaties waarbij je zult ervaren hoe leuk het werken als saw’er kan zijn! ■


Figuur 1 Uiterlijk gelijk, maar innerlijk verschillend

Ontwikkelen gaat vanzelf, of niet? Inleiding in de ontwikkelingspsychologie Kinderen verschillen van elkaar. Volwassenen ook. geen mens is hetzelfde. Als je erover nadenkt, verwonder je je er misschien wel over; dat er ruim 6,5 miljard mensen op deze planeet leven en dat er geen twee mensen dezelfde zijn. Want, hoewel tweelingen veel op elkaar kunnen lijken, is de een nooit een exacte kopie van de ander. Daarbij: de mens is veel meer dan zijn uiterlijke kenmerken. Hoe verschillend mensen ook zijn; er zijn toch ook veel overeenkomsten. Mensen lijken op elkaar in hun gedrag en daarmee in de ontwikkeling die ze doormaken. De ontwikkeling van mensen bepaalt namelijk voor een groot deel hun gedrag. In je toekomstige werk krijg je te maken met mensen die op elkaar lijken en die van elkaar verschillen. Het is belangrijk te weten hoe de ontwikkeling van mensen verloopt. en ook om te weten hoe het mis kan lopen in de ontwikkeling. In dit artikel gaan we dieper in op allerlei begrippen en aspecten die met de ontwikkeling van de mens te maken hebben. je zult zien dat de ontwikkeling van de mens door verschillende factoren wordt beïnvloed en dat ontwikkeling betrekking heeft op verschillende gebieden. Saskia werkt als leidster op peuterspeelzaal Pippeloen. De vakantie zit erop en vandaag zal ze

handen. ‘Wat lief van jullie’, roept Saskia spontaan als Merel haar de bloemen geeft. Onbewust

weer voor het eerst ‘haar’ peuters ontvangen. Als ze op de fiets naar haar werk rijdt, bedenkt

reikt ze al naar de bloemen van Karlijn, maar deze is niet van plan de bloemen weg te geven.

ze dat ze er best weer zin in heeft. Natuurlijk heeft ze genoten van die lange vakantie, maar ze

‘Nee, jij mag ze niet’, zegt Karlijn. ‘Heb ik gekoopt, ze zijn van mij.’ Karlijn is niet van plan haar

verheugt zich er ook op alle kinderen weer te zien.

bloemen af te staan, zo blijkt als Karlijns moeder ze wil pakken. Saskia moet ook wel lachen om

Als ze op haar werk is, zet ze eerst koffie en thee voor de ouders. Gelukkig zijn alle andere voor-

de eigenwijze opmerking van Karlijn. ‘Typisch iets voor Karlijn, overal dwars tegenin.’

bereidingen al gedaan, zodat ze even tijd heeft om nog wat te praten en een aantal afspraken

Als de rust is weergekeerd en ook de andere kinderen zijn binnengekomen, vertelt de moeder

te maken met haar collega’s. Stipt om half negen komen de eerste kinderen binnendruppelen.

van Karlijn en Merel dat Merel nu zindelijk is. ‘Dat is vlot’, reageert Saskia. ‘Tja, ik had het al

Eerst is daar Dennis. De anders zo stoere Dennis kijkt onwennig om zich heen en houdt de hand

verwacht. Merel is veel meegaander dan Karlijn. Karlijn is er voorlopig écht nog niet aan toe.

van zijn vader angstvallig vast. ‘Dag Dennis, wat leuk dat je er weer bent. Ken je me nog? Vast

Als je haar zegt dat ze op het potje moet gaan zitten, doet ze het juist niet. Maar ach, wat maakt

wel hè? Maar het is zo’n tijd geleden dat je hier was... ’ Saskia hurkt bij Dennis, maar Dennis

het uit? Het komt vanzelf wel, dat weet ik uit ervaring’, zo reageert de moeder. ‘Wat een verschil

kijkt schuw naar de grond en kruipt achter zijn vader weg. Eerst maar wat laten bijkomen, be-

toch tussen die twee’, reageert Saskia. ‘Je zou nooit denken dat het een eeneiige tweeling is als

denkt Saskia. Achter Dennis staat Joost te trappelen van ongeduld. Die heeft zo te zien helemaal

je naar hun gedrag en ontwikkeling kijkt’, peinst ze hardop verder. Het verschil tussen Merel en

geen last van onwennigheid. ‘Hallo juf Saskia’, roept Joost. ‘Ik ga met de auto’s spelen, hoor.’ En

Karlijn vindt ze elke keer weer opmerkelijk. Maar ook de verschillen tussen de andere kinderen

weg is Joost, nog zonder dat Saskia hem heeft kunnen begroeten. Ook zijn moeder lijkt hij niet

vindt ze opvallend. De een reageert bangig, de ander stapt ergens gelijk op af. De een heeft een

meer nodig te hebben. Saskia heeft geen tijd om er achteraan te gaan, want daar zijn Merel en

goede fijne motoriek en een ander is ronduit onhandig. En juist dat vindt ze nou zo leuk aan haar

Karlijn: een eeneiige tweeling met hun moeder. Ze hebben allebei een bosje bloemen in hun

werk. Al die kinderen, allemaal verschillend. Haast onvoorstelbaar.

5


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDIng

Ontwikkelingspsychologie, wat is dat? In het begrip ontwikkelingspsychologie liggen twee woorden besloten, namelijk: ontwikkelen en psychologie. De psychologie houdt zich bezig met alles wat de mens doet. Het gaat daarbij om de vraag waarom iemand iets doet, waarom iemand zich op een bepaalde manier gedraagt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de volgende vragen. Waarom kiezen mensen een bepaald beroep? Waarom gaan sommige jongeren vroegtijdig van school zonder een diploma? Waar worden mensen overspannen van? Wat beweegt mensen om te emigreren? Waarom willen volwassenen kinderen? Wanneer is iemand een goed leider?

ı Psychologie is de wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert. ı Binnen de psychologie kunnen talloze vragen gesteld worden. De algemene psychologie is daarom opgedeeld in een aantal specialisaties, zoals bijvoorbeeld arbeidspsychologie, sportpsychologie, muziekpsychologie en beroepskeuzepsychologie. Ook de ontwikkelingspsychologie is zo’n specialisatie.

ı Ontwikkelingspsychologie is de wetenschap die het gedrag bestudeert van de mens in de verschillende fasen van zijn ontwikkeling. ı In de definitie van ontwikkelingspsychologie lees je de begrippen ontwikkelen en ontwikkelingsfasen. Deze begrippen zullen we uitwerken. Het begrip ontwikkelen Het begrip ontwikkelen houdt een duurzame en langzame verandering in. Duurzaam wijst op iets wat lang meegaat, denk bijvoorbeeld aan het doen van een duurzame aankoop. Het woord ontwikkelen kunnen we op verschillende manieren gebruiken. Kijk maar eens naar de volgende voorbeelden.

Voorbeelden van ontwikkelen – Hij ontwikkelt zich tot kunstenaar. – Haar lichamelijke ontwikkeling loopt achter. – Verstandelijk zal hij zich anders ontwikkelen.

Bij al deze voorbeelden zie je dat het gaat om een duurzame en langzame verandering. Maar hoe de verandering tot stand komt is verschillend.

Ontwikkelingsfasen – – – – – – – – –

6

ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken); zuigeling (0-18 maanden); peuter (18 maanden-4 jaar); kleuter (4-6 jaar); schoolkind (6-12 jaar); puber (12-17 jaar) adolescent (17-22 jaar); volwassene (22-65 jaar); oudere mens (65 jaar en ouder).

Mensen ontwikkelen zich door – te groeien: dit is de lichamelijke groei die het gevolg is van celdeling; – te leren: dit is het verwerven van theoretische, praktische en sociale kennis en vaardigheden; – rijping: dit is het ‘ergens aan toe zijn’, je bent er aan toe om wel of niet iets te leren.

Uiteraard hangen deze drie manieren van ontwikkelen met elkaar samen. Het is belangrijk om te weten dat je de groei en het vermogen om te leren wel van buitenaf kunt beïnvloeden, maar dat je geen invloed hebt op rijpingsprocessen. Rijping kun je dus niet versnellen. Bij rijping of rijpingsprocessen bedoelen we dat je er op een gegeven moment aan toe bent om iets te kunnen. Zo is een zesjarige meestal ‘rijp’ om te leren lezen. Een kind van vier jaar niet. Het begrip ontwikkelingsfasen Binnen de ontwikkeling van de mens kunnen we verschillende ontwikkelingsfasen onderscheiden.

ı Ontwikkelingsfasen zijn periodes in het leven van de mens die afgebakend kunnen worden. Bij elke periode horen specifieke kenmerkende gedragingen. ı Voor de ontwikkelingsfase van de baby is het bijvoorbeeld kenmerkend dat de baby leert lopen en zijn eerste woordjes leert. De ontwikkelingspsychologie houdt zich bezig met de totale ontwikkeling van de mens, dat wil zeggen vanaf de conceptie (bevruchting) tot aan de dood. Op deze manier kun je verschillende ontwikkelingsfasen onderscheiden. In het kader zie je een indeling in ontwikkelingsfasen. Deze indeling is niet de enig denkbare indeling in fasen. Wanneer je tien ontwikkelingspsychologen bij elkaar zet, is het goed denkbaar dat ze alle tien aan een (iets) andere indeling de voorkeur geven. Dat men de ontwikkeling van de mens indeelt in fasen, is omdat het handig is. Iedere fase kent namelijk zijn eigen kenmerkende gedragingen waarbij je wel telkens moet bedenken dat er een algemeen beeld geschetst wordt. Over het algemeen zal een kind met ongeveer tien maanden zijn eerste woordje zeggen. Maar er zijn ook kinderen die dat pas doen als ze vijftien maanden, anderhalf jaar of ouder zijn. Het ene kind belandt veel eerder in de puberteit dan het andere kind. Leeftijdsgrenzen zijn dus niet voor iedereen van toepassing. Mensen verschillen dus van elkaar qua ontwikkeling. Maar, als je uitgaat van een normale ontwikkeling bij een mens, zijn er ook grote lijnen zichtbaar die voor ieder mens gelden. Vooral de volgorde waarin de verschillende fasen in de ontwikkeling plaatsvinden, ligt in grote lijnen vast.

Voorbeelden – Vrijwel alle baby’s leren eerst zitten en pas daarna kruipen. Ze zullen eerst leren staan en pas daarna leren lopen. – Peuters spelen vooral naast elkaar, kleuters spelen al wel


OnTWIKKelen gAAT VAnZelF, OF nIeT?

met elkaar, maar het echte samenspelen en samenwerken lukt pas als het kind ouder is. – Kinderen moeten eerst de letters herkennen voordat ze kunnen leren lezen. Het beginnend lezen gaat nog aarzelend, later pas gaat het lezen vloeiend. In het begin kan het kind alleen eenvoudige zinnen lezen als ‘de vis in de kom’ en ‘de haan in het hok’; het lezen van woorden met meerdere lettergrepen lukt pas later.

Factoren die de ontwikkeling bepalen Ook al ligt de ontwikkeling in grote lijnen vast, toch verloopt de ontwikkeling van ieder mens op unieke wijze. Dit komt omdat er factoren zijn die invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de mens, namelijk: – interne factoren; – externe factoren; – zelfbepaling.

Al vanaf de geboorte staat bij elk kind vast wat zijn in aanleg gegeven mogelijkheden en beperkingen in het leven zullen zijn. Er is sprake van een bepaalde aangeboren geschiktheid. Een deel van deze aangeboren geschiktheid komt voort uit het erfelijk materiaal dat het kind meekrijgt van zijn ouders. Zo worden uiterlijke kenmerken van de mens in grote mate door erfelijke eigenschappen bepaald. Maar ook talent op het gebied van wiskunde, muziek of kunst wordt overgedragen van ouders op kinderen. Externe factoren Ieder mens groeit op in een bepaalde omgeving en onder bepaalde omstandigheden. Er zijn dus factoren van buitenaf die de ontwikkeling bepalen. We spreken ook wel van milieu. Daarbij gaat het om: – de directe omgeving (bijvoorbeeld het gezin, de kinderopvang, leeftijdsgenoten, vrienden, de buurt); – sociale en economische factoren (bijvoorbeeld de school en het soort onderwijs, opgroeien in rijkdom of armoede, wel/geen mogelijkheden tot het doen van sport); – culturele factoren (bijvoorbeeld de tijd waarin je leeft en opgroeit,

Interne factoren Figuur 2 Wat bepaalt jouw ontwikkeling?

7


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDIng

de waarden en normen van je ouders en van de samenleving waarin je opgroeit); – ingrijpende levensgebeurtenissen. Dergelijke ingrijpende levensgebeurtenissen kunnen van grote invloed zijn op de ontwikkeling van de mens. De oorzaak ligt voor de hand: niet-alledaagse, buitengewone gebeurtenissen of situaties kunnen grote gevolgen hebben voor iemand. Ze grijpen in het leven van iemand in. Dit kunnen crisissituaties zijn, zoals ziekte, afscheid en gehandicapt raken, maar ook meer positieve gebeurtenissen zoals je rijbewijs halen, slagen voor een examen, trouwen of een kind krijgen.

Ank (58): ‘Ik was acht toen mijn vader aan kanker overleed. De volle draagwijdte daarvan drong niet echt tot me door. Ik lag ‘s avonds vaak stiekem te huilen in mijn bed en bad tot God dat ik paps terug wilde omdat ik hem zo miste. Ondanks een goede jeugd was er altijd dat knagende gevoel van gemis. En ik was heel bang om ook mijn moeder te verliezen. Ik praatte daar met niemand over, maar ik had een scenario voor als dat zou gebeuren. Waar ik zou gaan wonen bijvoorbeeld. Op mijn 41e overleed mijn moeder aan kanker. Met haar had ik een intense band. Niets leek meer van waarde. Het verloren voelen was overweldigend. Ik was niemands kind meer. Ik heb veel tijd nodig gehad. Het kostte veel moeite om zo ver te komen dat ik alles weer op de juiste waarde kon schatten. Toen ik 54 was, overleed mijn man aan kanker. Dat was weer heel anders. Hij heeft vreselijk geleden waardoor de dood ook een opluchting was. We hebben veel kunnen praten,dat zijn ook stukjes afscheid. Maar de rouw is nog niet voorbij. Het lijkt wel of het nu na vier jaar erger wordt. Dat komt misschien doordat er nu een kleinkind is. Dat is zo’n geweldige ervaring. Ik mis het dat ik dat niet met hem kan delen. Het voelt als heimwee. Een diepe pijn dat sámen nooit meer is. (…) Ik doe zo min mogelijk dingen die ik niet wil of waar ik niet achter sta. Ik heb geleerd te luisteren en waar mogelijk een helpende hand te bieden. Maar mensen die zeuren over kleinigheden zijn bij mij aan het verkeerde adres. Dat kap ik rigoureus af. Dat klinkt nu misschien een beetje hard, maar voor mij is dat de manier waarop ik verder wil met mijn leven.’ Bron: L. Boulens, Vrouwen van 50, Lef, lust en nieuwe ambitie, uitgeverij Archipel, pag. 73-74

Bij de meeste ingrijpende levensgebeurtenissen zie je dat mensen tijd nodig hebben om ze te verwerken. Daarna gaat het leven niet altijd als vanouds verder, meestal is er sprake van blijvende veranderingen. Men staat anders in het leven. Sommige mensen besluiten om het roer om te gooien in werk en/of gezin. Dat ingrijpende levensgebeurtenissen de ontwikkeling van de mens beïnvloeden, blijkt duidelijk uit de woorden van Ank. Zij ontkomt niet aan de angst om nóg weer iemand te verliezen aan kanker en heeft duidelijk gekozen hoe ze verder wil met haar leven. Zelfbepaling

8

Het milieu waarin je opgroeit, bepaalt in belangrijke mate of je in aanleg gegeven mogelijkheden gebruikt zullen worden: – Wie zijn je ouders? Hoe voeden zij je op? Waar hechten ze waarde aan? – Krijg je wel of niet de kans om naar school te gaan en een opleiding te volgen? – Waar staat je wieg: in Irak of in Nederland? In Afghanistan of in Amerika? – Welk geloof of welke levensovertuiging hebben je ouders? – Groei je op in een dichtbevolkt of juist zeer dunbevolkt gebied?

ı Zelfbepaling is de mogelijkheid om zelf richting te geven aan je eigen ontwikkeling. ı Naarmate je ouder wordt, neemt je vermogen toe om richting te geven aan je eigen ontwikkeling. Je doet dit door keuzes te maken. Je maakt de keuze om verder te leren voor een bepaald beroep, om zelfstandig te gaan wonen, om te gaan trouwen en om kinderen te krijgen. Natuurlijk heb je niet alles zelf in de hand. Je kunt bijvoorbeeld wel een bepaalde opleiding willen volgen, maar soms lukt het door bepaalde omstandigheden niet. Ontwikkelingsaspecten Wanneer je je verdiept in de ontwikkeling van de mens, dan is het handig om uit te gaan van verschillende deelaspecten binnen die ontwikkeling: de ontwikkelingsaspecten. Een eenvoudige indeling is de indeling in lichamelijke, sociale en geestelijke ontwikkeling. Maar bedenk wel dat je aan zo’n indeling niet genoeg hebt als je in de praktijk met mensen gaat werken. Deze indeling in ontwikkelingsaspecten is beter: – lichamelijke ontwikkeling; – cognitieve ontwikkeling; – sociale ontwikkeling; – persoonlijkheidsontwikkeling; – emotionele ontwikkeling; – seksuele ontwikkeling. Lichamelijk aspect Met de lichamelijke ontwikkeling van de mens gaat het om de lichamelijke groei of achteruitgang van de mens, de motorische ontwikkeling (de ontwikkeling van de beweging) en de zintuiglijke ontwikkeling (de ontwikkeling van de zintuigen zoals het zien en het horen). Je kunt hierbij onderscheid maken tussen de grove en de fijne motoriek. Onder de grove motoriek verstaan we de grove bewegingen van lichaamsdelen (armen en benen). Onder de fijne motoriek verstaan we fijne bewegingen, uitgevoerd met de handen en voeten. Cognitief aspect Met de cognitieve ontwikkeling van de mens bedoelen we de verstandelijke ontwikkeling van de mens. Denk aan de ontwikkeling van het denken en het geheugen, maar ook aan de taalontwikkeling. Taal en denken hangen namelijk nauw met elkaar samen: zonder taal


OnTWIKKelen gAAT VAnZelF, OF nIeT?

(woorden) ben je niet in staat tot denken. Maar ook: zonder denken ben je niet in staat tot taal (spreken). Sociaal aspect Onder de sociale ontwikkeling verstaan we de ontwikkeling in de omgang van de mens met andere mensen. Een kind leert zich sociaal te gedragen. Dit sociale gedrag heeft twee kanten. Enerzijds moet het kind zich zo ontwikkelen dat hij of zij anderen leert accepteren. Anderzijds moet het kind zich zo ontwikkelen dat hij of zij zich tegenover anderen acceptabel gedraagt. De band tussen de ouders/opvoeders en het kind en de omgang van het kind met leeftijdsgenootjes zijn van groot belang voor de sociale ontwikkeling. Persoonlijkheidsaspect Bij de ontwikkeling van de persoonlijkheid gaat het om de vorming van de eigen identiteit, de eigen aard. Ook de ontwikkeling van de eigen wil, de eigen opvattingen (normen en waarden) en de ontwikkeling van meisjes- en jongensgedrag vallen onder de persoonlijkheidsontwikkeling. De sociale ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling hangen nauw met elkaar samen. Daarom zullen we deze telkens samen bespreken.

Emotioneel aspect De emotionele ontwikkeling hangt nauw samen met de sociale ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling. Onder de emotionele ontwikkeling verstaan we de ontwikkeling van gevoelens van (basis) vertrouwen en veiligheid. Belangrijke vragen hierbij zijn: hoe ontwikkelen deze gevoelens zich, en onder welke voorwaarden kunnen deze gevoelens zich ontwikkelen? Seksueel aspect De seksuele ontwikkeling omvat de ontwikkeling van seksueel gedrag en lichaams- en lustbeleving. Als zuigeling leert het kind stapje voor stapje het eigen lichaam kennen. In elke ontwikkelingsfase is er sprake van een eigen manier van lichaams- en lustbeleving. Gaandeweg ontwikkelt het kind een bepaalde waardering (laag of hoog) voor zijn lichaam, die van invloed zal zijn op de ontwikkeling van zijn seksuele gedrag. Voorwaarden voor ontwikkeling Als een kind geboren wordt, beschikt hij over bepaalde aangeboren vermogens. Deze aangeboren vermogens kun je ook ontwikkelingsmogelijkheden noemen. Of hij de kans krijgt deze te benutten, hangt af van de omgeving van het kind. De omgeving kan het kind belemmeren of stimuleren in zijn ontwikkeling. Elk kind moet overigens gestimuleerd worden in zijn ontwikkeling, geen enkel kind zal zich vanzelf goed ontwikkelen. Er zijn altijd bepaalde voorwaarden no-

Figuur 3 Veel kinderen oefenen graag hun motorische vaardigheden

9


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDIng Aspecten van de ontwikkeling

Wat houden ze in?

Lichamelijk aspect

Lichamelijke groei of achteruitgang, motorische ontwikkeling, zintuiglijke ontwikkeling

Cognitief aspect

Verstandelijke ontwikkeling, taalontwikkeling, ontwikkeling van denken en geheugen

Sociaal aspect

Ontwikkeling van de omgang met anderen, ontwikkeling van acceptatie van anderen en ontwikkeling van sociaal gedrag

Persoonlijkheidsaspect

Vorming van eigen identiteit, ontwikkeling van de eigen wil, de eigen opvattingen en de ontwikkeling van meisjes- en jongensgedrag

Emotioneel aspect

Ontwikkeling van gevoelens van (basis)vertrouwen en veiligheid

Seksueel aspect

Ontwikkeling van seksueel gedrag, ontwikkeling van lichaams- en lustbeleving, ontwikkeling van waardering voor eigen lichaam

Figuur 4

dig. Als er aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, dan is de kans groot dat het kind een ontwikkelingsachterstand oploopt. Ook kan het kind op allerlei vlakken problemen krijgen. Hieronder bespreken we de belangrijkste voorwaarden om tot ontwikkeling te komen. Een kind moet zich veilig en vertrouwd voelen bij de opvoeder Het is belangrijk dat het kind vanaf de geboorte ervaart dat de opvoeders er voor hem zíjn en dat ze op hem reageren. Bij een pasgeboren zuigeling gaat het dan met name om de reactie van de opvoeder op zijn huilen. De zuigeling kan het huilen in deze fase nog niet gebruiken als een middel om zijn zin te krijgen, het is altijd een uiting van zich niet lekker voelen.

Contact met verzorger is oerbehoefte Soms duidt huilen op honger, koude of pijn. De baby stopt dan ook met huilen zodra aan de betreffende behoeften voldaan is. Maar de meeste baby’s huilen óók vaak als zij verzadigd en lekker warm in hun wieg liggen. Het is opvallend dat dát huilen vrijwel altijd ophoudt wanneer het kind wordt opgepakt en in contact is met zijn verzorger. Kennelijk heeft een baby naast behoefte aan voedsel en warmte nóg een oerbehoefte, namelijk die aan contact met zijn verzorger. Dit contact geeft het kind een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Als de verzorger, wanneer de baby schijnbaar zomaar huilt, het kind niet laat doorhuilen maar prompt reageert door het op te pakken, zal het kind langzamerhand leren dat het verzekerd is van contact wanneer het dat nodig heeft. Dat geeft het kind een soort basisgevoel van veiligheid dat ervoor zorgt dat het kind op den duur steeds langer zonder de directe nabijheid van zijn verzorger kan: het idee dat contact mógelijk is, geeft een voldoende veilig gevoel. Bron: M. Riksen-Walraven, Inspelen op baby’s en peuters; ontwikkelingsspelletjes, Bohn Stafleu Van Loghum, 1996, 2e druk, pag. 22

10

Een kind dat zich niet veilig voelt, heeft niet zo’n grote drang tot ontdekken en zal ook minder zelfvertrouwen ontwikkelen. Er moet zowel verbaal als non-verbaal contact zijn tussen ouders/opvoeders en kind Elk kind heeft de behoefte aan liefkozing en koestering. Huidcontact is van wezenlijk belang. Daarnaast is het belangrijk dat ouders/ opvoeders al vanaf de geboorte met het kind praten. Als zij dit niet doen, dan zal het kind niet worden gestimuleerd om zelf te gaan praten. Een kind leert praten door zijn ouders te imiteren. Een kind wordt daarbij extra gestimuleerd wanneer hij merkt dat zijn geluid allerlei reacties oproept. Gaandeweg leert hij woorden en gebaren koppelen aan bepaalde situaties, voorwerpen en mensen. Er moet een stimulerende omgeving zijn Het is voor een goede ontwikkeling van het kind belangrijk dat ouders/opvoeders het kind stimuleren in wat hij doet. Als het kind contact zoekt met de opvoeders, is het van belang dat deze hierop bevestigend reageren. Voorbeelden van zo’n positieve reactie zijn: aankijken, lachen, praten, oppakken, knuffelen en spelen met het kind. Positief reageren wil niet zeggen dat je het kind moet verwennen of in alles zijn zin moet geven. Waar het om gaat is dat je het kind positief ondersteunt in zijn gedrag, dat je het kind aanmoedigt. Gevolg hiervan is dat het kind zelfvertrouwen ontwikkelt, waardoor het meer durft te exploreren (op onderzoek uitgaan). Een stimulerende omgeving voorkomt niet alleen ontwikkelingsachterstanden, maar kan er ook voor zorgen dat dreigende ontwikkelingsachterstanden kunnen worden ingehaald. Je spreekt dan van ontwikkelingsstimulering. Ontwikkelingsstimulering richt zich op die ontwikkelingsgebieden waarop het kind een ontwikkelingsachterstand dreigt op te lopen. Een kind moet de gelegenheid krijgen om veel te leren Als een kind volop de gelegenheid krijgt om te exploreren, leert hij meer over de wereld. Daarnaast oefent hij met het opdoen van kennis door middel van kijken, proeven, betasten en luisteren. Dankzij deze oefening zal een kind op latere leeftijd gemakkelijker informatie tot zich nemen (dus: gemakkelijker leren).


OnTWIKKelen gAAT VAnZelF, OF nIeT?

Een kind moet de mogelijkheid hebben om te spelen Al spelend ontwikkelt een kind zich. Het is belangrijk dat het een eigen plekje heeft waar het graag is en waar het ongestoord kan spelen. Een kind moet de tijd en de rust krijgen om te spelen. Het is daarnaast belangrijk dat een kind over speelgoed beschikt dat aansluit bij zijn mogelijkheden, zijn leefwereld en interesses. Goed speelgoed daagt een kind uit: het laat ruimte voor de eigen fantasie van het kind. Een kind moet voldoende bewegingsvrijheid krijgen om de omgeving te onderzoeken Veel dingen leer je niet doordat je ervan hoort, maar doordat je het

zelf onderzoekt en zelf ervaart. Een opvoeder kan twintig keer tegen een kind zeggen dat de verwarming heet is, maar een kind leert vaak pas echt om er vanaf te blijven door te ervaren dat de verwarming erg heet is. Door de ruimte te krijgen de omgeving zelf te onderzoeken, leert een kind van alles. Van belang voor de ontwikkeling is natuurlijk ook dat een kind door zich te bewegen zijn energie kwijt kan. Als kinderen worden gedwongen om veel stil te zitten, dan worden ze vaak rusteloos, ze gaan ruziemaken en ze slapen slecht. â–

Figuur 5 Voor zijn ontwikkeling is het belangrijk het kind te stimuleren in wat hij doet

11


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDIng

Figuur 4

Er is bij sociale problematiek een vergroot risico op allerlei- andere- problemen Zoals gezegd is er bij sociale problematiek een vergroot risico op allerlei- andere- problemen. In principe kunnen allerlei problemen het gevolg zijn van sociale problematiek. Je kunt denken aan minder goede schoolprestaties, een grotere kans op werkloosheid, een grotere kans in de criminaliteit te belanden en een grotere kans op verslaving. Vaak zie je daarbij dat: – het ene probleem het andere kan veroorzaken (kettingreactie); – het probleem steeds ernstiger en groter wordt; – er bijkomende negatieve effecten kunnen optreden.

Voorbeelden van negatieve bijkomende effecten: – een negatief zelfbeeld hebben; – faalangstig zijn;

32

– slecht functioneren in sociaal opzicht (kinderen die in sociaal opzicht slecht functioneren, zijn bijvoorbeeld nogal eens het slachtoffer van pesterijen).

De sociale problematiek van het kind is de sociale problematiek van de ouders Sociale problematiek van kinderen komt in vrijwel alle gevallen voort uit de opvoeding en hangt nauw samen met de kenmerken van het gezin waarin het kind opgroeit. Zo kunnen bijvoorbeeld werkloosheid en armoede gerekend worden tot sociale problematiek. Maar: het is niet het kind dat werkloos is, maar zijn vader of moeder. Het is niet het kind dat van een bijstandsuitkering moet rondkomen, maar zijn vader of moeder. Bij jongeren en bij volwassenen ligt dit anders omdat zij zelf actief deelnemen aan de maatschappij. Omdat dit bij kinderen niet zo is, wordt bij kinderen de situatie waarin zij op-

groeien gezien als sociale problematiek. Je moet denken aan: kindermishandeling, armoede en vluchteling-zijn. Ook het opgroeien in een eenoudergezin en stiefgezin wordt als sociale problematiek aangemerkt. Bij nogal wat kinderen is sprake van meervoudige problematiek. We spreken dan van kinderen in achterstandssituaties of van kansarme kinderen. Tot slot nog deze opmerking: het is belangrijk om niet te vergeten dat de ontwikkeling van mensen door allerlei factoren wordt beinvloed. Een probleem staat nooit op zichzelf. De oorzaak van een probleem ligt bijna nooit alleen bij de omstandigheden in de maatschappij. Er is meestal een wisselwerking tussen de persoon (de cliënt) en de leefsituatie/maatschappij. Als je te maken krijgt met cliënten bij wie sprake is van probleemgedrag, kijk dan verder dan je neus lang is. Ga dan op zoek naar al die verschillende oorzaken en achtergronden. ■


Begrippenlijst

Aandachtstoornis Een stoornis die zich kenmerkt door snel afgeleid zijn. De betrokkene heeft er moeite mee om zich te concentreren en te luisteren. Aangeboren beperking Een beperking die is ontstaan voor, tijdens of vlak na de geboorte.

Cognitieve ontwikkeling Omvat de verstandelijke ontwikkeling, taalontwikkeling en ontwikkeling van denken en geheugen.

Achterstandssituatie Geheel van gebrekkige/slechte omstandigheden waarin iemand woont of een kind opgroeit.

Constructiespel Het spel waarbij het kind iets bouwt of maakt (construeren = maken).

Actieve woordenschat Die woorden die het kind zelf kent én gebruikt.

Conventionele relatie Een relatie die voortkomt uit beleefdheidsnormen. Er is daarbij nauwelijks sprake van wederzijdse betrokkenheid: de contacten zijn oppervlakkig.

Afwijkend gedrag Wanneer sprake is van niet-normaal functioneren. Armoede Toestand waarin iemand verkeert als hij (te) weinig geld heeft om van te leven. Babytaal De manier waarop mensen tegen baby’s en peuters praten wanneer ze dat op hogere toon doen, meer verkleinwoordjes gebruiken en ‘jij’ en ‘jou’ vervangen door de eigen naam. Begeleiden bij ontwikkeling Het ondersteunen van de cliënt bij zijn ontplooiing en groei in zowel lichamelijk, geestelijk als sociaal opzicht. Begeleidingsdoelen Dat wat je nastreeft bij de begeleiding van cliënten. Begeleidingsgebieden De terreinen waarop je de cliënt begeleidt. Beperking Een vermindering of afwezigheid (ten gevolge van een stoornis) van de mogelijkheden tot het doen van normale menselijke activiteiten, zowel wat betreft de manier waarop als de mate waarin de activiteit uitgevoerd kan worden.

38

Bewegingsspel Het spel waarbij het kind de lichamelijke functies oefent. Synoniem van: functiespel.

Differentiatiefase Derde taalfase, waarin het kind steeds moeilijker zinnen kan maken en deze ook steeds vaker foutloos maakt. echtheid Jezelf niet anders voordoen dan je bent. einddoel van de opvoeding Dat wat men uiteindelijk nastreeft binnen de opvoeding: de volwassenheid. emotionele ontwikkeling Ontwikkeling van gevoelens van (basis)vertrouwen en veiligheid. Functiebeperking Wanneer bij iemand sprake is van een beperking in activiteiten. Het doel van het begrip is om dat te benadrukken. Functiespel Het spel waarbij het kind de lichamelijke functies oefent. Synoniem van: bewegingsspel. Functionele relatie Een relatie waarbij het doel van de relatie buiten de persoonlijke sfeer ligt en de een de ander opzoekt in verband met zijn functie.

gedragsstoornis Abnormaal gedrag. Bij kinderen met een gedragsstoornis is meestal sprake van een emotioneel of psychische stoornis. Handicap Een nadelige positie in de samenleving van iemand met een aandoening of beperking. De handicap ligt niet aan de aandoening of beperking, maar wordt pas een handicap door de ontoegankelijkheid van de maatschappij. Imitatiespel Het spel waarbij het kind nabootst. Het kind speelt een rol. Synoniem van: rollenspel. Kansarm Weinig kansen hebbend; vaak ook: weinig kansen krijgen. Kerntaak Kernactiviteit, ofwel: belangrijkste taak/activiteit. leerstoornis Wanneer bij een kind sprake is van een normale begaafdheid en hij tegelijkertijd op één bepaald gebied moeite heeft met het leren; hij heeft bijvoorbeeld problemen met lezen of met rekenen. lichamelijke beperking Beperkingen waarbij sprake is van bewegingsbeperkingen. Voorbeelden zijn verlamming en spasticiteit. lichamelijke ontwikkeling Lichamelijke groei of achteruitgang. Motorische ontwikkeling en zintuiglijke ontwikkeling. Meervoudige beperking Als bij een persoon sprake is van twee of meer beperkingen tegelijkertijd. niet-aangeboren beperking Wanneer iemand op latere leeftijd de beperking opdoet.


BegRIPPenlIjST

niet-normale ontwikkeling Hiervan is sprake wanneer de ontwikkeling van een kind niet langer binnen bepaalde (onder en boven)grenzen blijft. Bij een niet-normale ontwikkeling is vaak sprake van een ontwikkelingsachterstand. normale ontwikkeling Hiervan is sprake wanneer de ontwikkeling van een kind binnen bepaalde (onder- en boven)grenzen blijft. Ook een trage ontwikkeling op een of meer ontwikkelingsgebieden kan normaal zijn. Ontwikkelen Een duurzame en langzame verandering ondergaan. Mensen ontwikkelen zich door te groeien, te leren en door rijping. Ontwikkelingsaspecten Gebieden waarop de mens zich ontwikkelt. Ontwikkelingsfasen Periodes in het leven van de mens die afgebakend kunnen worden. Bij elke periode horen specifieke kenmerkende gedragingen. Ontwikkelingsmogelijkheden De aangeboren vermogens van de mens om zich te ontwikkelen. Ontwikkelingspsychologie De wetenschap die het gedrag bestudeert van de mens in de verschillende fasen van zijn ontwikkeling. Ontwikkelingsstimulering Het aanbieden van activiteiten aan een kind met als doel zijn ontwikkeling te stimuleren, omdat dat nodig is. Ontwikkelingsstoornis Een aandoening die wordt geconstateerd bij kinderen of adolescenten en die een belemmering en/ of afwijking vormt in de normale ontwikkeling. Oog- handcoördinatie De samenwerking tussen ogen en handen zoals die bij de baby op gang komt. Opvoeden Het handelen van de opvoeder ten opzichte van het kind met als doel het kind te beïnvloeden in zijn ontwikkeling in de richting van volwassenheid. Opvoedingsklimaat De sfeer, de stemming die er heerst in de opvoedingssituatie.

Opvoedingsondersteuning Het ondersteunen van ouders bij de opvoeding van hun kinderen, waarbij je de bekwaamheid en het zelfvertrouwen van ouders versterkt.

Psychiatrische problemen Het hebben van een probleem of stoornis op psychiatrisch vlak. Ofwel: Er is sprake van een zodanige geestelijke en emotionele gesteldheid dat deze het eigen functioneren belemmert in belangrijke levensgebieden als leren, wonen, werken en sociale contacten. Psychiatrische problemen varieren van licht tot zeer ernstig en kunnen zowel kort als lang duren. Soms levenslang.

Opvoedingsrelatie Hoe jij als opvoeder bent. Het gaat, met andere woorden, om het zijn van de opvoeder.

Psychologie De wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert.

Orgaanbeperking Beperkingen waarbij een bepaald orgaan beperkt of helemaal niet functioneert. Nierpatiënten hebben bijvoorbeeld een orgaanhandicap.

Relatie Betrekking waarin personen tot elkaar staan. Drie relatietypen zijn te onderscheiden: persoonlijke relaties, functionele relaties en conventionele relaties.

Opvoedingsmiddelen Manieren die de opvoeder bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken. Bijvoorbeeld: regels stellen, afleiden, aanmoedigen.

Passieve woordenschat Die woorden die het kind wel kent, maar (nog) niet zelf gebruikt. Het gaat dus om het passieve woordbegrip. Pedagogiek De wetenschap die de opvoeding van het kind bestudeert. Pedagogische klimaat Synoniem van: opvoedingsklimaat. Persoonlijke relatie Een relatie waarbij twee mensen zich richten op elkaars totale persoonlijkheid. Beide partijen verbreken hun privacy tegenover elkaar. Persoonlijkheidsontwikkeling Omvat de vorming van eigen identiteit, ontwikkeling van de eigen wil, de eigen opvattingen en de ontwikkeling van meisjes- en jongensgedrag. Pervasieve ontwikkelingsstoornis Een verzamelterm voor verschillende autistische stoornissen. Met ‘pervasief’ wordt ‘diep doordringend’ bedoeld. Prenatale fase Ontwikkelingsfase van het kind voor de geboorte (40 weken). Prestatiespel Het spel waarbij kinderen met elkaar of onder leiding een spel spelen waaraan een wedstrijdelement is verbonden. Synoniem van: successpel.

Rijping Ergens aan toe zijn. Rijpingsproces Het proces dat leidt tot een rijping ofwel ergens aan toe zijn. Risicofactoren Zaken zijn die de kans op problemen vergroten. Rollenspel Het spel waarbij het kind nabootst. Het kind speelt een rol. Synoniem van: imitatiespel Seksuele ontwikkeling Omvat de ontwikkeling van seksueel gedrag, ontwikkeling van lichaams- en lustbeleving en ontwikkeling van waardering voor eigen lichaam. Sociale ontwikkeling Omvat de ontwikkeling van de omgang met anderen, ontwikkeling van acceptatie van anderen en ontwikkeling van sociaal gedrag. Sociale problematiek Problematiek die maatschappelijk bepaald is en daarom een groep mensen treft. Sociale problematiek is niet gemakkelijk oplosbaar. Speelgoed Voorwerpen waarmee kinderen spelen, met name die voorwerpen die daartoe speciaal gemaakt zijn.

Professionele relatie Een relatie die voortkomt uit het beroep.

39


InleIDIng OP OnTWIKKelIng en OPVOeDen OPVOeDIng

Spel Bezigheid die tot vermaak of ontspanning wordt verricht, waar vaak een wedstrijdelement of verbeelding aan te pas komt. Bij samenspel is spel vaak aan bepaalde regels gebonden. Denk aan: knikkeren, hinkelen, hockey en andere balspelen.

regels die tot betekenisdragende elementen (woorden) worden gecombineerd. De mens gebruikt taal om om zijn gedachten te verwoorden, zijn wereld te ordenen en te communiceren met anderen. Taal is een aangeboren vermogen.

schat steeds meer uitbreidt en taalregels steeds beter leert toepassen.

Spelbelemmerende factoren Zaken die verhinderen dat het kind speelt.

Taalfasen Het leren van de taal bestaat uit vier fasen. De voortalige periode, de vroegtalige periode, de differentiatieperiode en de voltooiingsperiode.

Vroegtalige periode Tweede taalfase, waarin het kind zijn eerste woordjes gaat zeggen.

Spelbevorderende factoren Zaken die stimulerend werken op het spelen van het kind. Spelen Zie spel. Spelontwikkeling De manier waarop het kind zich ontwikkelt in zijn spel. (Een baby speelt anders en met andere dingen dan een schoolkind.) Spelsoorten Spelgroepen. Spelen kun je indelen naar hun aard. Spraak- of taalstoornis Het hebben van problemen met de uitspraak van woorden of met het begrijpen of uiten van taal. Stoornis Iedere afwezigheid of afwijking van een psychologische, fysiologische of anatomische structuur of functie. Successpel Het spel waarbij kinderen met elkaar of onder leiding een spel spelen waaraan een wedstrijdelement is verbonden. Synoniem van: prestatiespel. Taal Omvat woordenschat en woordbegrip. Het gaat feitelijk om een systeem van tekens en

40

Taalontwikkeling De manier waarop het kind zich ontwikkelt in taalgebruik en woordbegrip (in praten en begrijpen). Verantwoordelijkheidsbesef Hiervan is sprake wanneer iemand zelfstandig is en de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven kan dragen. Verstandelijke beperking Hiervan is sprake wanneer iemand een duidelijke beperking heeft in het intellectuele (verstandelijke) functioneren en het aanpassingsvermogen. Vertrouwen Zich op iets of iemand verlaten; op iets of iemand durven steunen. Die iemand kan ook op zichzelf slaan. Vertrouwensrelatie Hiervan is sprake wanneer er binnen een relatie sprake is van wederzijdse acceptatie en (daardoor) vertrouwen. Hierbij is in ieder geval ĂŠĂŠn van beiden voor de ander een vertrouwensfiguur, aan wie hij persoonlijke zaken toevertrouwt. Verworven beperking Synoniem van: niet-aangeboren beperking. Voltooiingsfase Laatste taalfase, waarin het kind zijn woorden-

Voortalige periode Eerste taalfase, waarin het kind zelf nog geen woorden of taal gebruikt.

Wantrouwen Geen vertrouwen hebben in iets of iemand; niet op iets of iemand durven steunen. Werkloosheid Het zonder betaald werk zijn. Wolfskind Kind dat in een oerwoud, naar men vermoedt of zeker weet, door wolven is grootgebracht. Woordenschat De woorden die een persoon van een bepaalde taal kent. Zelfbepaling De mogelijkheid om zelf richting te geven aan je eigen ontwikkeling. Zelfvertrouwen Geloven in eigen kunnen. Ziek zijn Toestand van ziek zijn, het gestoord-zijn van de werking van een of meer organen; meestal van tijdelijke aard waarbij men zich lichamelijk niet lekker voelt. Zintuiglijke beperking Beperking waarbij het gehoor- of het gezichtsvermogen beperkt is. Iemand die blind is, heeft bijvoorbeeld een zintuiglijke handicap.


Url’s

Bronnen

Begeleiden bij ontwikkeling www.studentenforum.net www.opvoedingsondersteuning.info www.thesauruszorgenwelzijn.nl www.ontwikkelingsstimulering.nl

Benedictus, R. e.a., Traject Welzijn, Omgaan met cliënt en met groepen (302), NijghVersluys, Baarn 1999. Boulens, L., Vrouwen van 50 Lef lust en nieuwe ambitie, Archipel, 2007, 3e druk, pag 73-74. Interview met Tom Schoenmakers, pedagoog/maatschappelijk werker. Riksen-Walraven, M., Inspelen op baby’s en peuters; ontwikkelingsspelletjes, Bohn Stafleu Van Loghum 1996, 2e druk, pag. 22. Verhoef, A.C., Traject V&V, Verzorgen van mensen met een verstandelijke handicap (310), 2e druk, NijghVersluys, Baarn 1999. Verhoef, A.C., Traject Welzijn, Ontwikkeling en Opvoeding, NijghVersluys, Baarn 1997, 2e druk. Verhoef, A.C., Traject Welzijn, Kennis van doelgroepen (301), NijghVersluys, Baarn 1999. Verhoef, A.C. e.a., Traject Welzijn, Begeleiden SPW (309), NijghVersluys, Baarn 2000. Verrips, M., De taal van je kind, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen 1999, 2e druk.

Ontwikkelen gaat vanzelf, of niet? mens-en-samenleving.infonu.nl Spelontwikkeling www.allesoverkinderen.nl www.opvoedadvies.nl Taalontwikkeling www.kindentaal.nl mens-en-samenleving.infonu.nl www.allesoverkinderen.nl www.ggd.nl Opvoeden moet www.ouders.nl www.opvoedadvies.nl www.pedagogiek.net Vertrouwensrelatie www.encyclo.nl Als de ontwikkeling anders gaat www.zetnet.nl www.kennislink.nl Beperkingen en stoornissen www.zetnet.nl www.kennislink.nl www.rivm.nl mens-en-gezondheid.infonu.nl

41


Register

AAIDD 201, 251 aandachtsboog 82, 111 aandachtsstoornis 37, 38, 223, 235, 251 aandoening van bot en gewricht 273, 306 aangaan van vertrouwensrelatie 145, 152 aangeboren beperking 36, 38, 266, 306 aangeboren gedraging 177 aangeleerde hulpeloosheid 191, 194, 227, 230, 251 aanpassing 276, 306 Abraham Maslow 177 absence 284, 306 abstract denken 81, 111, 117, 122, 152 acceptatie 248, 251 achterstandssituatie 30, 38 actief woordgebruik 234, 251 actieve ouderdom 160, 194 actieve woordenschat 16, 38 activeren 193, 194 ADD 235, 251 aderverkalking 289, 306 adervernauwing 289, 306 ADHD 223, 235, 251 ADL-activiteit 270, 306 ADL-handeling 227, 251 adolescent 122, 152 adolescentie 122, 152 afasie 284, 294, 306 afbouwen van vertrouwensrelatie 150, 152 afhankelijk gedrag 190, 194 afhankelijkheid 190, 194 afkickcentrum 144, 152 afleiden 63 afscheid 171 afscheid nemen 151, 152, 194 afspraak maken 194 afwijkend gedrag 34, 38 agressief gedrag 223, 251, 269, 306 alarmsignaal 240, 251 alcoholvergiftiging 152 allochtone jongere 141, 152 Alzheimerdementie 297, 306 American Association on Intellectual and Developmental Disabilities 251 amputatie 273, 306 anale fase 54, 73 anencephalie 239, 251 animistisch denken 52, 73 anosmie 280, 306 antidiscriminatiewetgeving 302, 306

arbeid 173, 194 arbeidsmarkt 174, 194 arbeidsongeschiktheid 184, 194 armoede 31, 38, 183, 194 arteriosclerose 289, 306 articuleren 292, 306 associatief ervaren 216, 251 associatieve ervaringsfase 204, 251 astma 263, 288, 306 attaque 283, 306 auditieve stoornis 278, 306 autisme 37, 221, 251 automutilatie 223, 251 baan 175 baan veranderen 194 babytaal 17, 38 beeldvorming 210, 251 begeleiden bij de ontwikkeling 4, 38 begeleiden naar actieve deelname 181, 194 begeleiden van jongeren 134, 152 begeleidingsdoel 3, 38 begeleidingsgebied 3, 38 beginnende geletterdheid 88 beginnende puber 78 behoeftetheorie 177, 194 behoeftetrap 177, 194 belemmering in de maatschappij 207, 251 belonen 193, 194 beloning geven 180, 194 beperking 34, 38, 261, 306 beroepskeuze 124, 152 beroerte 283, 306 besef van anders zijn 228, 251 betekenis van werk 194 bewegingsspel 13, 38, 60, 73, 111 bieden 181 bijstandsuitkering 183, 194 blindheid 279, 306 bouwer 92, 111 brabbelen 56, 73 bravouregedrag 250, 251 breinontwikkeling 127, 152 brugsmurf 117, 152 bureau vertrouwensartsen 72, 73 burn-out 165, 185, 194 bypassoperatie 290, 306 carrière 162 carrière maken 194 centrale zenuwstelsel 282, 306

Centrum voor Alcohol en Drugs 144, 152 cerebrale parese 284, 306 cerebrovasculair accident 283, 306 chatten 132, 152 chromosoomafwijking 229, 251 chronische bronchitis 288 chronische ziekte 263, 287, 306 claimend gedrag 269, 306 cognitieve functie 283, 306 cognitieve ontwikkeling 8, 38, 93, 111 comazuipen 128, 152 communicatiebord 294, 306 communicatiehulpmiddel 294, 307 communicatieve beperking 217, 251 community care 211, 251, 303, 307 computer 94 computerspel 94 concreet denken 52, 73 confabulatie 307 confabuleren 298 conformisme 130, 152 constructiemateriaal 92 constructiespel 13, 38, 111 contact met de baby 62 contextgebonden betekenis 111 contractuur 272, 307 conventionele relatie 25, 38 convulsie 284, 307 COPD 288, 307 crimineel gedrag 140, 152 cursus 192 CVA 263, 283, 307 cynisme 269, 307 dakloze 142 debiel 201, 251 decorumverlies 297, 307 decubitus 275, 307 delinquent gedrag 140, 152 dementie 172, 194, 296, 307 demotivatie 178, 194 desoriĂŤntatie in tijd, plaats en persoon 297, 307 destructief gedrag 223, 252 diabetes 263, 288, 307 diabetes mellitus 288, 307 diabetes mellitus type 1 288, 307 diabetes mellitus type 2 288, 307 dialyseren 289, 307 differentiatiefase 38

313


OnTWIKKelIng en OPVOeDIng differentiatieperiode 16, 56, 73 discriminatie 209, 230, 252, 301, 307 DNA 229, 252 doelgericht werken 194 doelgroep 111 doofheid 278, 307 dopamine 285, 307 douwer 92, 111 driewoordenzin 56, 73 duurzame relatie 163, 194 dwangmatig gedrag 223, 252 dwangstand 272, 307 dwarslaesie 274, 307 dyscalculie 234, 252 dyslexie 233, 252 echolalie 56, 73 echtheid 27, 38, 150 echtscheiding 186, 194 eenkennigheidsperiode 49, 73 ĂŠĂŠnwoordzin 56, 73 eenzaamheid 171, 187, 194 eerste geslachtsgemeenschap 126, 152 eerste indruk 145, 152 eerste stadium vroegtalige periode 56, 73 egocentrisch 228, 252 egocentrisme 52, 73, 117, 152 eigenwaarde 192, 195 einddoel van de opvoeding 19, 38 embolie 289, 307 emotionele mishandeling 71, 73 emotionele ondersteuning 102 emotionele ontwikkeling 9, 38, 84, 111, 248, 252 emotionele steun 137, 152 emotionele veiligheid 102 empathie 83, 111 epilepsie 223, 252, 284, 307 erfelijkheid 267, 307 ernstige verstandelijke beperking 203, 216, 252 ervaringsfase 203, 252 experimenteren 131, 152 exploratiedrang 51, 73 extrinsieke motivatie 178, 195 faalangst 98, 192, 195, 228, 232, 252 fantasie 81 fantasiespel 92 fantoompijn 273, 307 fase in de ouderdom 195 fase in de volwassenheid 159, 195 feedback 111 fijne motoriek 79, 111 flexibele arbeid 174, 195 formele afspraak 101 fragiele-X-syndroom 229, 252 functiebeperking 34, 38 functiespel 13, 38 functionele integratie 252 functionele relatie 25, 38 fundamenteel wantrouwende houding 249, 252 fysieke integratie 252

314

fysieke mishandeling 71, 73 gebaar 218 gebarentaal 278, 307 gebrek aan eigenwaarde 179, 195 gebrek aan zelfvertrouwen 180, 195 gedrag 111 gedrag afkeuren 136, 152 gedragsstoornis 37, 38 geduld beoefenen 62, 73 geestelijk gehandicapt 200, 252 gehandicaptenzorg 302 geheugen 171, 195 geheugenstoornis 297, 298, 307 geldprobleem 184, 195 geluidswaarneming 89 gemengde vriendenclub 124, 152 generatie 160 genuanceerd denken 122, 152 geslachtsrijp 152 geslachtsrijping 120 gesprek voeren 152 getalbegrip 234, 252 gevoel van eigenwaarde 97, 195 gewenning 63, 73 geweten 85 gewetensontwikkeling 104 gewoontevorming 63, 73, 216, 252 gezelschapsspel 93 gezondheidsprobleem 220, 252 grand mal 284, 307 grensoverschrijdend gedrag 139, 152 grenzen stellen 101, 269, 307 griepprik 266, 307 grijpreflex 45, 73 groeimogelijkheid 244, 252 groei naar zelfstandigheid 191, 195 groeiprincipe 178, 195 groeispurt 117, 152 groepsdenken 246, 252 groepsdruk 130, 152 grote hersenen 283, 307 grove motoriek 79, 111 GVT 227, 252 halfzijdige verlamming 284, 307 hallucinatie 297, 308 hallucineren 297, 308 handicap 34, 38, 252, 262, 308 hartaanval 289, 290, 308 hart- en vaatziekte 289, 308 hartinfarct 290, 308 hechting 248 hechtingsgedrag 68, 73 hechtingsgeschiedenis 252 hechtingsproces 49, 67, 73 hemiplegie 272, 284, 308 hersenaandoening 283, 308 hersenbeschadiging 267, 283, 308 hersenbloeding 283, 289, 308 hersenen 282, 308 herseninfarct 308 hersenletsel 283, 308 hersenschade 128, 153

hersenstam 283, 308 hersenverlamming 284, 308 hiv 263, 308 hulpmiddel 276, 308 hyperactiviteit 236, 252 hyperglycemie 288 hypoglycemisch coma 288, 308 hyposmie 280, 308 ICF 261, 308 identiteitsgevoel 125, 153 idioot 201, 252 ik-gevoel 49, 52, 73 imbeciel 201, 252 imitatiespel 13, 38 impulsiviteit 228, 236, 252 inbakeren 66, 73 incest 71, 73 inclusie 213, 252 incomplete ontwikkeling 239, 252 individualiteit 221, 252 individuatieproces 119, 153 infantiele encefalopathie 284, 308 informele afspraak 101 innerlijke stem 166, 195 innerlijk geweten 85, 111 inprentingsstoornis 308 insuline 288, 308 insulineresistentie 288, 308 insult 284, 308 integratie 211, 252 integratieproject 210, 253 intelligentie 111 intelligentiequotiĂŤnt 201, 253 intensieve ouderdom 160, 195 intermenselijke belemmering 208, 253 International Classification of Functioning, Disability and Health 261, 308 internetjargon 133, 153 interventietechniek 193, 195 intrinsieke motivatie 178, 195 IQ 201, 253 jeugddiabetes 308 jeugdreuma 275, 308 jezelf zijn 138, 153 jobhoppen 174, 195 jongere 116, 122, 153 jongere oudere 160, 195 kansarm 38 kansarme 32 kerngroep van signaleerders 241, 253 kerntaak 3, 38 keuzementaliteit 125, 153 kindermishandeling 70, 73, 143, 153 kind met een lichamelijke beperking 267, 308 klankvorming 89 klassiek autisme 221, 253 kleine hersenen 283, 308 kleinkind 170, 195 kleinschalig groepswonen 304, 308 kleuter 78, 111 kokervisus 280, 308


RegISTeR koppigheid 53, 73 Korsakov 308 kritiekloos 226, 253 kritisch denken 117 kwalificatieplicht 124, 153 kwaliteitszorg 303, 308 laag zelfbeeld 230, 253 laatste-kans-moeder 162, 195 leerplicht 124, 153 leerrecht 124, 153 leerstoornis 36, 38, 231, 253 lees- en spellingprobleem 233, 253 levensevaluatie 164, 195 levensloop 160, 195 levensloopgeschikte woning 304, 308 levenslooppsychologie 158, 195 lichaamsgebonden ervaren 215, 253 lichaamsgebonden ervaringsfase 204, 253 lichaamstaal 48, 73, 111 lichamelijke achteruitgang 169, 195 lichamelijke beperking 35, 38 lichamelijke ontwikkeling 8, 38, 79, 111 lichamelijke stoornis 262, 309 lichamelijke volwassenwording 120, 122, 153 lichte verstandelijke beperking 203, 228, 253 linker- en rechterhersenhelft 283, 309 logopedist 293, 309 longemfyseem 288 loslaten 267 loslaten van de placenta 309 losmakingsproces 118, 129, 153 maatschappelijke participatie 303, 309 magisch denken 52, 74, 81, 92, 111 maken van afspraak 193 Maslow 195 matige verstandelijke beperking 203, 226, 253 medelijden 301, 309 meeloper 108 meervoudig complexe handicap 220, 253 meervoudige beperking 38, 202, 219, 253 menopauze 167, 195 mentale retardatie 200, 253 metalinguïstisch bewustzijn 88 methadonverstrekking 144, 153 midlifecrisis 165, 195 minderwaardigheid 24 misvorming 273, 309 motivatie 176, 195 motiveren 179, 193, 195 motorische beperking 36, 272, 309 MS 274, 309 multiple sclerose 263, 274, 309 multiprobleemgezin 183, 195 multitasking 124, 153 nadoen 63 nastreven van de doelen 177, 195 negatief gedrag 99 negatief zelfbeeld 228, 253 negatieve spiraal 99

netwerkontwikkeling 230, 253 neuron 282, 309 nier 288, 309 nierdialyse 289, 309 nierpatiënt 288, 309 niertransplantatie 289, 309 niet-aangeboren beperking 36, 39, 266, 309 niet-aangeboren hersenletsel 263, 309 niet-normale ontwikkeling 29, 39 non-verbale communicatie 111 normale ontwikkeling 29, 39 normalisatie 211, 253 normbesef 53, 74 norm 85, 102, 111 obesitas 263, 309 observeren 111 onderhouden van vertrouwensrelatie 149, 153 onderschatten 247, 253 onlinecontact 133, 153 onlinepesten 133, 153 onlinevriendschap 132, 153 ontslag 184, 195 ontwenningskuur 144, 153 ontwenningsverschijnsel 143, 153 ontwikkelen 6, 39 ontwikkeling 78, 111 ontwikkelingsachterstand 239, 253 ontwikkelingsaspect 8, 39 ontwikkelingsfase 6, 39 ontwikkelingsmogelijkheid 9, 39 ontwikkelingsniveau 102 ontwikkelingspsychologie 6, 39 ontwikkelingsstimulering 4, 39, 242, 253 ontwikkelingsstoornis 36, 39, 239, 253 ontwikkeling van de adolescent 153 ontwikkeling van de hersenen 153 ontwikkeling van de jongere 153 ontwikkeling van de puber 153 ontwikkeling van mensen met een beperking 266, 309 onveilige hechting 68, 72, 74, 249, 253 onzelfstandig gedrag 190, 195 onzelfstandigheid 190, 195 oog-handcoördinatie 13, 39, 46, 74 oorsuizen 279, 309 opbouwen van vertrouwen 153 opbouw van een vertrouwensrelatie 146 open ruggetje 274, 309 op kamers wonen 124, 130, 153 opleidingsniveau 124, 153 opvoeden 39, 77, 111 opvoeden van jongeren 134, 153 opvoeding 4, 19 opvoedingsdoel 102 opvoedingsklimaat 21, 39 opvoedingsmiddel 22, 39 opvoedingsondersteuning 4, 39 opvoedingsrelatie 21, 39 orale fase 49, 74 orgaanbeperking 39, 287, 309 oriëntatiereactie 146, 153 osteoporose 170, 195 oud 159, 195

ouderdom 159, 195 ouderdomsdiabetes 288, 309 ouderdomskwaal 167, 195 ouderdomsverschijnsel 244, 253 oudere 159, 195 oudere oudere 160, 195 ouder-kindrelatie 130, 153 overbescherming 227, 242, 253 overdracht 147, 153 overgang 167, 195 overlijden van partner 187, 196 overschatten 247, 253 overspannen 196 overvragen 253 overvraging 242, 253 paarvorming 124, 153 parallel spel 60, 74 partieel defect 231, 253 partnerrelatie 164, 196 passief gedrag 216, 253 passief woordbegrip 234, 253 passieve woordenschat 17, 39 PDD-NOS 221, 253 pedagogiek 19, 39 pedagogisch klimaat 21, 39 peergroup 118, 130, 153 penopauze 196 pensioen 170, 175, 196 pensionering 170, 175, 196 persoonlijke betekenis 111 persoonlijke competentie 102 persoonlijke relatie 25, 39 persoonlijkheidsontwikkeling 9, 39, 111 persoonsgebonden budget 303, 309 pervasieve ontwikkelingsstoornis 37, 39 pesten 108, 112 pestkop 108 pestprotocol 110 petit mal 284, 309 peuterpuberteit 53, 74 pgb 303, 309 pictogram 253 pincetgreep 46, 74 piramidemodel van sociale vaardigheden 104 placenta 267 placenta-infarct 267, 309 plagen 108, 112 positief zelfbeeld 99 positieve communicatie 62, 74, 150, 153 prematuur 47, 74 prenatale fase 6, 39 prestatiebeurs 124, 154 prestatiespel 13, 39 prikkelbare baby 66, 74 primaire taalstoornis 234, 253 primair geslachtskenmerk 112 probleemgedrag 254 professionalisering 309 professionele relatie 28, 39 progressieve spierziekte 274, 309 progressieve ziekte 287, 309 psychiatrisch probleem 31, 39 psychologie 6, 39

315


OnTWIKKelIng en OPVOeDIng puber 117, 154, 268 puberhersenen 128 puber met een lichamelijke beperking 309 puberteit 79, 112, 116 puberteitsperiode 117 radend lezen 233, 254 rationeel 283, 309 rauwer 92, 112 rechten van de mens 302, 309 rechtspositie 302, 309 reflex 45, 74 reflexbeweging 45, 74 regels stellen 136, 154 relatie 24, 39 remedial teacher 235, 254 respectvol 248 respectvolle omgang 254 responsiviteit 69, 74 Rett-syndroom 221, 239, 254 reuma 275, 309 reumatische aandoening 263, 309 revalidant 264, 309 revalidatie 263, 310 rijke taalomgeving 90 rijpheid van de hersenen 128 rijping 6, 39, 112 rijpingsproces 6, 39 risicofactor 39 rollenspel 13, 39, 92, 112, 193, 196 rolstoel 276, 310 ruimte geven 62, 74, 135, 154 rumineren 223, 254 samen doen 63 schaamte 270 scheiden 164, 196 schijngedrag 149, 154, 250, 254 schisis 239, 254 schoolkind 78, 112 schoolrijp 232, 254 school voor speciaal onderwijs 268, 310 schouwer 92, 112 schrijfprobleem 233, 254 schulden maken 184, 196 secundaire taalstoornis 234, 254 secundair geslachtskenmerk 112 seksueel contact 126, 154 seksueel misbruik 143, 154 seksuele identiteit 126, 154 seksuele mishandeling 71, 74 seksuele ontwikkeling 9, 39 seksuele rijping 117, 154 sensomotorische ontwikkeling 46, 74 separatie 210, 254 signaleren 112, 254 simultane taalverwerving 88, 112 slechthorendheid 279, 310 slechtziendheid 310 sociaal begrip 112 sociaal besef 226, 254 sociaal brabbelen 56, 74 sociaal competent 104 sociaal vaardig 83

316

sociaal begrip 83 sociale communicatie 88 sociale competentie 102, 104, 110 sociale glimlach 49, 74 sociale integratie 254 sociale kaart 241, 254 sociale ontwikkeling 9, 39, 112 sociale problematiek 31, 39, 139, 154, 182, 196 sociale vaardigheid 112 sociogram 107, 112 sociowoning 227, 254 solitair spel 60, 74 spasticiteit 273, 284, 310 spastische verlamming 273, 310 speelgoed 39, 95 spel 12, 40, 91 spelbegeleiding 95 spelbelemmerende factor 14, 40 spelbevorderende factor 14, 40 spelen 40, 91 spelmateriaal 96 spel met regels 93 spelontwikkeling 13, 40 spelsoort 40 spieraandoening 273, 310 spieratrofie 274, 310 spierziekte 273, 310 spina bifida 267, 274, 310 spraak 292, 310 spraakafzien 279, 310 spraakstoornis 36, 40, 293, 310 stalken 187, 196 stamcel 290, 310 stamceltherapie 290, 310 starheid 216, 254 stemmingswisseling 276, 310 stereotiep gedrag 215, 254 stijve verlamming 272, 310 stilstand in de ontwikkeling 239, 254 stimuleren 179, 196 stimuleren van verantwoordelijkheidsgevoel 181 stimuleren van zelfreflectie 100 stoornis 34, 40, 261, 310 stotteren 293, 310 straatkind 142 straf 136 straffen 154, 193, 196 straf geven 136, 154 strategisch spel 93, 112 stress 185, 196 structurerende ervaringsfase 204, 227, 254 structuur 181 structuur bieden 196, 218, 254 structuur in de dagindeling 218, 254 structuur in de leefruimte 218, 254 structuur in de omgang 218, 254 studiedruk 124, 154 studiefinanciering 124, 154 successieve taalverwerving 88, 112 successpel 13, 40 suikerziekte 288, 310 symboolfunctie 56, 74

syndroom 229, 254 syndroom van Asperger 221, 254 syndroom van Down 229, 254 syndroom van Korsakov 310 taakgerichtheid 254 taal 40, 293, 310 taalbegrip 56, 74 taalfase 40 taalgevoelige periode 89 taalontwikkeling 16, 40, 87, 89, 112 taalontwikkelingsstoornis 233, 254 taalstoornis 234, 254, 293, 310 taalzakboek 294, 310 tastzin 47, 74 temperament 48, 64, 74 temperamentstype 65, 74 terugval in de ontwikkeling 239, 254 te trage ontwikkeling 239, 254 te vroeg geborene 47, 74 thuisloze 142 TIA 284, 310 tinnitus 279, 310 totaal ervaren 49, 74 totale communicatie 203, 254, 278, 310 trisomie 21, 229, 254 trombose 289, 310 troostkoffer 65, 74 tussenhersenen 283, 310 tweede stadium vroegtalige periode 56, 74 tweeverdiener 174, 196 tweewoordenzin 56, 74 uitbuiting 71, 74 uitkeringsgerechtigd 183, 196 uitsluiting 301, 310 uittesten 147, 154 uitvaller 140 vasculaire dementie 297, 310 veilig computeren 94 veilige hechting 68, 74 veilig voelen 248, 254 veranderen 175 verantwoordelijkheid geven 135, 154 verantwoordelijkheidsbesef 19, 40 verantwoordelijkheidsgevoel stimuleren 196 verbale communicatie 112 verdunning 211, 255 vereenzamen 187 vereenzaming 171, 196 vergeetachtigheid 172, 196 vergroeiing 273, 310 vergroten van gevoelens van eigenwaarde 180 verlamming 272, 311 verouderingsproces 160 verslaving 143, 154 verslavingsproblematiek 143, 154 verstandelijke beperking 36, 40, 201, 255 verstandelijke ontwikkeling 112 vertraagde ontwikkeling 228, 255 vertrouwen 24, 40 vertrouwen in anderen 24


RegISTeR

vertrouwensfiguur 26 vertrouwensrelatie 40, 146, 154, 247, 255 verwaarlozing 71, 74 verwennen 268, 311 verworven beperking 36, 40 verzorgingsstaat 303, 311 visuele stoornis 278, 311 voltooiingsfase 40 voltooiingsperiode 16 volwassene 168 volwassene met een lichamelijke beperking 311 volwassen gedrag 159, 196 volwassenheid 196 voorbeeldfunctie 63, 74 voorbeeld geven 193, 196 voordoen 63 voordoen, samendoen en nadoen 74 vooroordeel 209, 255 voortalige periode 16, 40, 56, 74 voortgezet onderwijs 117, 154 voorwaarde voor schoolrijpheid 232, 255 vormgevende ervaringsfase 204, 228, 255 vriendenkring 86 vriendschap 83 vroeg geborene 47 vroeghulp 242, 255 vroegtalige periode 16, 40 vroegtijdige onderkenning 241, 255, 268, 311 VTO 240, 255 VTO-team 240, 255, 268, 311

waan 297, 311 waandenkbeeld 297, 311 waarde 85, 112 waardering geven 154 wantrouwen 40 wantrouwende reactie 148, 154 weduwe 187, 196 weduwnaar 187, 196 weerstand 196 weglopen 141, 154 werk 173 werkelijkheid 81 werkloosheid 31, 40, 184, 196 werkloze 184, 196 Wet gelijke behandeling gehandicapten en chronisch zieken 302, 311 Wet maatschappelijke ondersteuning 302, 311 wetsovertredend gedrag 140, 154, 184, 196 wijsheid 165, 196 wilsontwikkeling 53, 74 wisselende taakgerichtheid 232 Wmo 302, 311 wolfskind 19, 40 woonbegeleidingscentrum 227, 255 woonlocatie 227, 255 woonservicegebied 304, 311 woonzorgzone 304, 311 woordbegrip 89 woordenschat 40, 112 woordvorming 89

zeer ernstige verstandelijke beperking 202, 214, 255 zelfbeeld 85, 98, 112, 192, 196 zelfbepaling 8, 40 zelfredzaamheid 112, 190, 196, 244, 255 zelfreflectie 85, 112 zelfstandig 189 zelfstandigheid 196 zelfvertrouwen 24, 40, 97, 192, 196 zelfwaardering 125, 154 ziekte van Alzheimer 297, 311 ziekte van Duchenne 274, 311 ziekte van Parkinson 285, 311 ziek zijn 35, 40 zinsbegrip 89 zinsproductie 89 zintuiglijke beperking 36, 40 zondebok 108 zorg op maat 303, 311 zuigeling 74 zuigreflex 45, 74 zwakzinnig 200, 255 zwerfjongere 154 zwerven 154 zwervende jongere 142 zwerver 142

317


Ontwikkeling en opvoeding

Bent u enthousiast over dit boek? Bestel dan een beoordelingsexemplaar. Of bekijk eerst de andere boeken van Traject Welzijn.

Traject Welzijn Ontwikkeling en opvoeding  

Bladerboek Ontwikkeling en opvoeding van baby's en peuters, kleuters en schoolkinderen. Ontwikkeling en begeleiding van pubers en adolescent...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you