Page 1

e x ’ a d m r e e i n h a C Fr a n c o

nv i l l e

4 vm bo

www.franconvil le-onli

ne . n l


inhoud

Lire – Leesvaardigheid étape 1

taalregels vragend voornaamwoorden

p. 6

2

onderwerpen voorspellen, voorkennis aanspreken, titels, bekende woorden en afbeeldingen gebruiken skimmen en scannen

hoofdtelwoorden

p. 11

3

tekststructuur herkennen, logische zinsverbanden

structuurwoorden

p. 16

4

gedetailleerd lezen, verwijswoorden herkennen

p. 21

5

woordbetekenissen afleiden of raden, gebruik van een woordenboek langere teksten lezen en begrijpen, tekstopbouw

persoonlijk voornaamwoorden als verwijswoord voor- en achtervoegsels futur

p. 31

6

p. 26

Ecouter et regarder – Luister- en kijkvaardigheid étape 1

onderwerpen voorspellend luisteren

taalregels passé composé

2

tijdsaanduidingen: d’abord, puis, après, ensuite, etc. ontkenningen

p. 39

4

luisterattitude; luisteren voorbereiden door vragen en antwoorden te lezen letten op kernwoorden, onbekende, onbelangrijke woorden geen aandacht geven letten op herhaling

p. 45

5

letten op toon van spreken (emoties en meningen)

persoonlijk voornaamwoorden met nadruk, voorzetsels bijwoorden

6

letten op structuurwoorden

vergelijkingen

p. 51

7

luisterattitude, concentratie

voorzetsels met meer dan één betekenis p. 54

8

letten op details (mededelingen; o.a. omroepinstallaties)

dagen van de week en kloktijden, getallen

9-1

kijk- luisteroefening – personen in beeld (korte fragmenten)

p. 60

9-2

kijk- luisteroefening – interview (een persoonlijk verhaal)

p. 60

9-3

kijk- luisteroefening – tv-uitzending (korte films met commentaar) kijk- luisteroefening – een eenvoudig plot (een filmpje met acteurs)

p. 61

3

9-4

4 (quatre)

p. 36

p. 42

p. 48

p. 57

p. 61


Parler – Gespreksvaardigheid étape 1

onderwerpen aankomst op de camping

taalregels vragen stellen

p. 62

2

vertellen over jezelf

spellen

p. 65

3

gesprekken bij de dokter

wederkerende werkwoorden

p. 68

4

bestellen en afrekenen

p. 71

5

mening formuleren

hoeveelheidswoorden en delend lidwoorden betrekkelijk voornaamwoorden

6

vertellen wat je gedaan hebt of van plan bent te gaan doen

p. 77

7

problemen oplossen

avoir, être en aller voor gebruik bij de passé composé en futur proche aanwijzend voornaamwoorden

8

informatie vragen en geven

rangtelwoorden

p. 83

p. 74

p. 80

Ecrire – Schrijfvaardigheid étape 1

onderwerpen informele brief (persoonlijke brief)/e-mail: kennismaken

taalregels landen en nationaliteiten

p. 86

2

formele brief (zakelijke brief)/e-mail: informatie vragen

datums

p. 89

3

formulieren invullen

imparfait

p. 92

4

uitnodiging sturen en aannemen/afwijzen

p. 95

5

reserveren

regelmatige werkwoorden op -er, -re en -ir bezittelijk voornaamwoorden

6

bedankbrief

7

corresponderen over jezelf en je voorkeuren

onregelmatig meervoud, zelfstandig p. 101 naamwoorden, bijvoeglijk naamwoorden plaats en vorm, bijvoeglijk naamwoorden p. 104

8

beschrijvingen (weer/kamer/route, etc.)

onregelmatige werkwoorden

Vocabulaire Savoir dire Savoir écrire Schrijftips en voorbeeldbrieven Veel voorkomende examenvragen

p. 98

p. 107

p. 110 p. 113 p. 115 p. 117 p. 120

(cinq) 5


étape 1 Lire Soms zie je meteen waar een tekst over gaat. Je kunt dat bijvoorbeeld zien aan de foto die erbij staat. De titel zet je vaak ook op het juiste spoor. En als je er al iets van afweet, kun je misschien al voorspellen waar de tekst over zal gaan.

Op het eerste gezicht 1

vOOrspELLEn

Bij het voorspellen waar een tekst over gaat, word je soms geholpen door: een foto bij de tekst, de titel of woorden die je herkent. Kijk naar de titel en foto hieronder. De tekst is weggelaten. Toch weet je al snel waar het over zal gaan. Vul aan.

Een titel is soms al een heel korte samenvatting van de tekst.

MULTiMÉDiA Les Africains accros1) à l’internet mobile

Soms wordt er een woord verklaard in een voetnoot. Dan hoef je dat niet op te zoeken in een woordenboek.

Afbeeldingen vertellen je soms meer dan woorden …

1)

1 Aan de foto kun je zien dat de tekst gaat over

.

2 De titel geeft aan dat de tekst gaat over

.

3 In de titel kun je de volgende woorden herkennen:

.

Wat weet je er al van? 2

être accro – verslaafd zijn

vOOrkEnnis gEBrUikEn

Soms weet je zelf al veel over een onderwerp. Sommige woorden zul je daardoor herkennen. En vaak kun je dan lastige woorden al raden zonder dat je ze hoeft op te zoeken in een woordenboek. 1 Kijk naar het plaatje. Waar gaat de tekst volgens jou over? En wat weet je al over dat onderwerp? Schrijf dat in twee zinnen op.

2 Omcirkel vijf woorden die volgens jou zeer belangrijk zijn. Schrijf de betekenis hieronder.

Gagner sans tricher

Un nouveau système anti-dopage aux Jeux Olympiques 1

5

6 (six)

Le Comité International Olympique (CIO) a annoncé un nouveau système d’analyses pour dépister le dopage par les athlètes internationaux. Pendant les J.O., un laboratoire fera des contrôles anti-dopage permanents. Gagner une médaille aux Jeux Olympiques est le rêve de tout sportif. C’est donc important d’être sûr que les participants ne trichent pas. Chaque tricheur ou tricheuse sera disqualifié immédiatement et, bien sûr, privé de sa médaille.

1 2

3


lire

ek

be gr na eep he ik tl ez en op ge he zo t w ch oo t in rd en bo

ke nd ei

ka l

3 Je hebt nu de tekst gelezen. Klopte je voorspelling? ja / een beetje / nee 4 In Franse teksten kom je woorden tegen die je al kent. Maar andere woorden ken je niet. Je kunt ze soms toch door de tekst begrijpen. Wat betekenen de volgende woorden? Geef aan hoe je aan de vertaling komt.

étape 1

gagner (titel) sans (titel) tricher (titel) le dopage (r. 2) les J.O. (r. 2-3) 5 Bedenk zelf een goede vraag bij het tekstje Gagner sans tricher en geef ook antwoord op je vraag.

klopte je voorspelling? 3

Je moet natuurlijk wel steeds opletten of de voorspelling die je deed ook klopt. Hiernaast staat de tekst die hoort bij oefening 1. Lees de tekst en beantwoord de vragen. 1 Onderstreep in de tekst minstens tien woorden waarvan je de betekenis kent of herkent. 2 Waar gaat de tekst volgens jou over? 3 Vergelijk de tekst met je antwoorden bij oefening 1. Kwam je voorspelling een beetje uit? Ja / Nee, want .

4

MULTIMÉDIA • Les Africains accros1) à l’internet mobile

vOOrspELLEn

Je gaat de tekst in grote lijnen steeds beter begrijpen. Nu kun je ook op details gaan letten. Kies de juiste betekenis van de zin. 1 Le nombre d’utilisateurs de téléphones portables en Afrique est plus grand qu’en Amérique du Nord.

Le nombre d’utilisateurs de téléphones portables en Afrique (plus de 400 millions d’abonnés) est plus grand qu’en Amériqu e du Nord. Pour beaucoup d’Africain s, le téléphone portable est le seul moyen d’accé der à internet. Le réseau social Facebook est le site le plus consulté. Le site d’information en lig ne de la BBC a un succès énorme dans la plupart des pays anglophones. Les Africains sont aussi de grands amateurs de football. Dans les pays afr icains francophones, le site du quotidien sportif L’Equipe est le plus consulté. 1)

être accro – verslaafd zijn

A In Afrika zijn meer mobiele bellers dan in Noord-Amerika. B De telefoonnummers in Afrika zijn veel langer dan in Noord-Amerika. 2 Le téléphone portable est le seul moyen d’accéder à internet. A De mobiele telefoon is de goedkoopste manier om op internet te komen. B De mobiele telefoon is het enige middel om op internet te komen. 3 Le site d’information en ligne de la BBC a un succès énorme dans la plupart des pays anglophones. A De site van de BBC is het populairst in de meeste Engelstalige landen. B De site van de BBC komt binnenkort ook in enkele Engelstalige landen. 4 Les Africains sont aussi de grands amateurs de football. A De Afrikanen hebben ook heel veel amateurvoetballers. B De Afrikanen zijn ook erg grote voetballiefhebbers.

5

Quelle conclusion peut-on tirer du texte? A Il y a de plus en plus de portables en Afrique.

examen vraag

B En Afrique, l'internet est beaucoup moins cher qu'en Amérique du Nord. C De plus en plus d'Africains utilisent l'internet avec leurs portables. D Les Africains téléphonent plus que les Américains.

(sept) 7


lire

étape 1

Waar zou het over gaan? 6

Soms krijg je dus door de titel en een afbeelding al een idee waar de tekst over gaat. En van sommige onderwerpen weet je misschien al veel af. Test jezelf met voorspellen. Welke titels horen bij de afbeeldingen? Trek lijnen en verbind ze met elkaar. 2

1

vOOrspELLEn En vOOrkEnnis gEBrUikEn

Tu manges ça? Beurk!

Es-tu prêt(e) à ne plus manger de viande? 3

C

La natation française brille aux JO!

E

A

F B

D

4

6 Que fais-tu pour sauver la terre?

Les produits honnêtes pour un prix honnête. 5

7

Une fête sans alcool, c’est possible?

Je hebt de titels bij de juiste afbeeldingen gezocht. Waarover zouden de bijbehorende tekstjes kunnen gaan? Probeer voor elke tekst een voorspelling te geven. 1 Tu manges ça? Beurk!

Ik denk dat het tekstje gaat over 2 Es-tu prêt(e) à ne plus manger de viande?

3 La natation française brille aux JO!

4 Les produits honnêtes pour un prix honnête.

5 Une fête sans alcool, c’est possible?

6 Que fais-tu pour sauver la terre?

8 (huit)


lire vraagwoorden 8

étape 1

TAALrEgEL

De Franse vragen bij een examentekst beginnen vaak met een vraagwoord. Ken je ze nog? Kijk ze eventueel nog eens na op www.franconville-online.nl bij taalregel 20. Schrijf de vertaling van de vetgedrukte woorden op. 1 Qu’est-ce que tu dis? 2 A quoi penses-tu? 3 Quelle est ton adresse? 4 Quel stylo est à toi? 5 Comment allez-vous au collège? 6 pourquoi as-tu fait cela? 7 Qui est-ce? 8 Quand est-il parti? 9 Où as-tu passé les vacances? 10 Qu’est-ce qui fait mal?

9

Vraagzinnen bij examenteksten zien er soms ingewikkeld uit. Maar als je de vraagwoorden kent, helpt dat bij het begrijpen van de vraag. Bovendien hoef je ze dan niet op te zoeken in het woordenboek. Kijk naar de volgende vragen. Vertaal de schuingedrukte zinnen. 1 J'en suis très content! De quoi est-ce que Lionel est content? 2 Il avait un gros problème. Quel était le problème? 3 C’est le plus grand festival de musique de France. De quel festival s’agit-il? 4 Il voulait partir … était trop difficile. Qu’est-ce que l’auteur trouve difficile selon ces lignes? 5 Et moi, je voulais absolument … . Comment peut-on finir cette phrase?

Woordkennis 10

vOCABULAirE

Er is een grote kans dat je woorden uit dit hoofdstuk in je examen tegenkomt. Kijk naar de zinnen en schrijf de betekenis van de vetgedrukte woorden achter de zinnen. Kies uit: onmiddellijk – de droom – meer dan – die – ook – zal doen – de enige manier – tijdens – het aantal – gebruikt. 1 Il y a un nouveau système d’analyses pendant les Jeux Olympiques. 2 Un laboratoire fera des contrôles anti-dopage permanents. 3 Gagner une médaille aux Jeux Olympiques est le rêve de tout sportif. 4 Chaque tricheur ou tricheuse sera disqualifié immédiatement. 5 Le même système sera utilisé pendant le Tour de France. 6 Le nombre d’utilisateurs de téléphones portables augmente toujours. 7 Avec plus de 400 millions d’abonnés, le marché africain est très grand. 8 Le marché africain est plus grand que celui de l’Amérique du Nord. 9 Le téléphone portable est le seul moyen d’accéder à Internet. 10 Les sites d’information en ligne ont également un succès énorme.

(neuf) 9


lire

étape 1

Examentraining 11

LEEsTEksT

Let bij deze tekst vooral op de foto, de titels en herkenbare woorden.

1 Waarom is de titel van het artikel Les 'petites' 24 heures du Mans? A De race duurt niet zo lang als een echte autorace op het circuit. B Kartracen wordt speciaal voor kinderen georganiseerd. C De race is niet voor grote raceauto’s, maar voor karts. D Grote mensen passen niet in een kart. 2 Door wie is de kartsport uitgevonden? A Amerikaanse soldaten hebben het karten bedacht. B Twee Formule 1-kampioenen hebben de nieuwe sport ontwikkeld. C Het karten is door een tuinman op het racecircuit van Le Mans uitgevonden. D Het is niet bekend wie de eerste kart heeft gebouwd.

Les 'petites' 24 heures du Mans 1

5

10

15

Samedi prochain: 1626 tours, soit 1951 km en 24 heures, c'est le record à battre pendant cette nouvelle édition des '24 heures du Mans karting'. La compétition est organisée sur la piste karting du circuit automobile prestigieux du Mans. C’est logique, parce que la plupart des grands pilotes de Formule 1, comme Michael Schumacher ou Fernando Alonso, ont d'abord été des champions de kart.

20

avec un moteur spécialisé. Pourtant, le kart reste un véhicule très inconfortable. La conduite demande beaucoup d'efforts et les pilotes doivent porter des vêtements de sécurité. Venez voir la compétition des pilotes samedi: Le vainqueur sera peut-être l'un des grands champions automobiles de demain … .

Le kart a un peu plus de 50 ans Le karting est en fait une discipline très récente qui serait née sur une base militaire américaine. A l'origine, le kart était un engin avec quatre roues et un moteur de tondeuse à gazon. Mais le kart a beaucoup changé depuis son invention, il y a ______ 50 ans. Maintenant, le kart est un bolide très puissant

3 'C’est logique … des champions de kart' (lignes 5-8). Pourquoi est-ce que c’est logique? A Les pilotes de Formule 1 participent aussi à la compétition de kart de samedi. B Michael Schumacher et Fernando Alonso ont organisé la compétition. C Une compétition de kart doit toujours être organisée sur un circuit automobile. D Les champions du circuit ont commencé comme champions de kart. 4 Welk woord past op de open plaats in regel 14? A exactement

B

environ

C

moins de

5 'A l'origine, le kart … des vêtements de sécurité' (lignes 11-18). ➝ Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of ze waar of niet waar zijn volgens deze regels. 1 Vroeger was een kart eenvoudiger dan tegenwoordig. waar / niet waar 2 De motor van een kart moet gemaakt zijn van een grasmaaier. waar / niet waar 3 Moderne karts zijn niet comfortabel. waar / niet waar 4 Op een kart moet je veiligheidskleding dragen. waar / niet waar

10 (dix)


étape 1 Ecouter Als je een tekst leest, kun je soms snel herkennen waarover het gaat. Bij luisteren is dat lastiger, maar het kan wel. Als je weet waarover gesproken wordt, kun je misschien ook een voorspelling doen over wat er gezegd zal worden. En als je dan probeert te horen of je voorspelling klopt, blijf je actief luisteren. In dit hoofdstuk oefen je met voorspellen.

Het gaat over... 1

VOORSPELLEND LUISTEREN

Je gaat luisteren naar vier korte fragmenten. Kun je horen waar ze over gaan? Kruis aan waar elk fragment over gaat. Er blijft één onderwerp over. onderwerp

school

dieren

expositie

politiek

vakantie

Fragment 1 Fragment 2 Fragment 3 Fragment 4

2

In de volgende oefening ga je bedenken wat er over een onderwerp gezegd zou kunnen worden. Daarna luister je of je voorspelling klopt. 1 Stel je voor dat je in een luistertekst steeds drie woorden duidelijk herkent. Kun je dan bedenken waar het over zou kunnen gaan? Schrijf in twee zinnen jouw voorspelling op. a spijbelen, politie en ouders

b zakgeld, mobieltje, eind van de maand

c dieren, bejaarden, oud worden

2 Luister naar de drie fragmenten. Zet een kruisje op de balk om aan te geven hoe goed je voorspelling was. a

helemaal fout

een paar dingen goed

helemaal goed

b

helemaal fout

een paar dingen goed

helemaal goed

c

helemaal fout

een paar dingen goed

helemaal goed

36 (trente-six)


écouter Doelmatig luisteren 3

étape 1

HERKENNEN EN VOORSPELLEN

In de volgende oefening ga je voorspellen wat het goede antwoord zou kunnen zijn. Daarna ga je luisteren om te zien of je voorspelling uitkomt.

Stap 1 – Voorspellen zonder luisteren – de vragen bekijken Kijk naar de afbeeldingen en lees de vragen. Kun je een voorspelling doen over wat het goede antwoord zou kunnen zijn? Zet een kruisje achter het antwoord dat je verwacht.

Stap 2 – De eerste keer luisteren – het onderwerp begrijpen Waar gaat elk fragment over? Schrijf de nummers van de geluidsfragmenten bij de juiste tekeningen.

nt ju ist ea

vo o

rsp

ell in

g

Luister nog een keer goed en kies nu het juiste antwoord bij de vragen. Kwamen je voorspellingen uit?

wo o

rd

Stap 3 – De tweede keer luisteren – gericht luisteren

Waardoor is mevrouw Péret tegen de boom gebotst? A

Ze zocht haar telefoon.

B

Ze was de weg kwijt.

C

De zon scheen in haar gezicht.

Hoe vaak heeft het de afgelopen zomer geonweerd?

1er

A

meer dan vorige zomers

B

even vaak als vorige zomers

C

minder vaak dan vorige zomers

Wat is er gebeurd? A

Paul heeft de eerste prijs gewonnen.

B

Paul moest zijn beker weer inleveren.

C

Paul kreeg geen prijs, omdat de beker was gestolen.

De passé composé 4

TAALREGEL

In de geluidsfragmenten hoorde je de volgende zinnen in de voltooide tijd (le passé composé). Madame Péret a perdu contrôle de son véhicule. Paul a gagné la compétition. Ces animaux ont eu une vie en liberté. Les gens sont partis à la montagne. Vul de passé composé van de werkwoorden in. Kijk naar taalregel 24 op www.franconville-online.nl en gebruik de lijst met regelmatige en onregelmatige werkwoorden. 1 Vous

à mes parents?

2 Nous

le train.

3 Tu 4 Pauline 5 Ma sœur 6 Thierry

(heeft gesproken - parler) (hebben genomen - prendre)

à quelle heure?

(bent geëindigd - finir)

une lettre.

(heeft ontvangen - recevoir)

en vacances.

(is gegaan - aller)

aux Etats-Unis.

(is geweest - être)

(trente-sept) 37


étape 1

écouter Examentraining

5

LUISTERTOETS

Je gaat luisteren naar een interview met Arlette Jouve. Ze werkt als toeristengids in Carcassonne. Luister naar het interview en kies steeds het juiste antwoord. 1 Hoe lang werkt Arlette als gids?

Lees eerst alle vragen door. Dan krijg je al een goed idee van waar je op moet gaan letten tijdens het luisteren.

A sinds twee jaar B vanaf haar twintigste C ongeveer twintig jaar 2 Waarom heeft ze voor het beroep van gids gekozen? A Ze houdt van praten. B Ze is geïnteresseerd in geschiedenis. C Ze wil graag mensen om zich heen. 3 Welke taal sprak Arlette toen ze nog bij haar ouders woonde? A Engels

B

Frans

C

Provençaals

4 Wat zegt Arlette over Amerikaanse toeristen? A Ze geven de beste fooien. B Ze sturen vaak een bedankkaartje. C Ze hebben altijd haast. 5 Aan welke mensen ergert Arlette zich wel eens als ze een groep begeleidt? A mensen die te laat komen B mensen die niet opletten C mensen die voortdurend vragen stellen 6 Hoe ontspant Arlette zich na een lange dag werken? A hardlopen

B

muziek luisteren

7 Wat is het vreemdste wat Arlette ooit is overkomen als gids? A Een toeriste heeft een bijzondere ontdekking gedaan. B Een toeriste kreeg een baby tijdens een rondleiding. C Een toeriste heeft tijdens een rondleiding haar oude liefde teruggevonden. 8 Wat heeft de stad Carcassonne het meest nodig volgens Arlette? A gidsen die ook Chinees of Russisch kunnen spreken B meer Franse toeristen C jonge mensen die de stad willen laten zien

38 (trente-huit)

C

lezen en tv-kijken


étape 1 Parler In dit hoofdstuk ga je oefenen met gesprekken op de camping. Als je bijvoorbeeld een camping wilt bespreken of een andere reservering wilt doen, is het handig om van tevoren de woorden en zinnen te bedenken die in het gesprek kunnen voorkomen. Soms kun je gebruikmaken van woorden die je in een folder of een prijskaart vindt.

aankomst op de camping 1

SitUatie

Je bent op vakantie in Frankrijk. In jullie gezin spreek jij het beste Frans en jij zult dan ook het gesprek bij de receptie voeren. Eerst ga je kennismaken met de camping. Kijk naar de tarievenkaart van de camping. Beantwoord de vragen.

TARIFS CAMPING/NUIT du 10/04 au 02/07* et du 28/08 au 15/10*

du 03/07 au 09/07*

du 10/07 au 27/08*

Emplacement (Base 2 personnes + 1 voiture + 1 tente ou Caravane ou Camping car

15.00 €

19.00 €

24.00 €

1 Adulte

4.00 €

5.00 €

6.00 €

1 Enfant (de 3 à 7ans)

Gratuit

3.50 €

4.50 €

Enfant (- 3 ans)

Gratuit

Gratuit

Gratuit

Electricité 6A

3.50 €

3.50 €

4.50 €

1 Animal

3.00 €

4.00 €

5.00 €

Périodes:

Chiens interdits. Accès à la piscine gratuit pour campeurs. Douches chaudes gratuites. *Taxe de séjour : En juillet et août, 0,50€ par jour et par personne.

1 Je wilt met vier personen (twee volwassenen, jijzelf en een kind van zes jaar) op de camping gaan staan van 4 mei tot 8 mei. Jullie hebben een grote tent. Hoeveel moet je per overnachting betalen? € 2 Je wilt met drie personen (één volwassene, jijzelf en een kind van zes jaar) op de camping gaan staan van 14 juli tot 21 juli. Jullie hebben de kat meegenomen op vakantie. Wat kost de overnachting dan? € 3 Hoeveel betalen twee volwassenen met een caravan (met elektriciteit) voor een overnachting op 5 juli? € 4 Jullie komen op de camping aan met twee volwassenen, twee kinderen van veertien jaar en een hond. Wat zal de campingeigenaar tegen jullie zeggen? 5 Als je een vriend leert kennen uit het dorp bij de camping, mogen jullie dan samen naar het campingzwembad?

62 (soixante-deux)


parler Voorbereiding van je gesprek 2

3

4

étape 1

woorden en zinnen

Zoek de Franse woorden op in de tarievenkaart op bladzijde 62. 1 campingplaats

5

nacht

2 auto

6

dag

3 volwassene

7

gratis

4 kind

8

verboden

Schrijf de maanden van het jaar op. 1

7

2

8

3

9

4

10

5

11

6

12

De volgende zinnen zijn handig als je een Franse camping wilt bespreken. Schrijf de vertaling op. Gebruik de gegevens uit de tarievenkaart op bladzijde 62 en eventueel een woordenboek. 1 Heeft u een campingplaats voor drie personen? 2 Wij willen graag vijf dagen blijven. 3 Hoeveel kost het per persoon en per dag? 4 Is een kind van vijf jaar gratis? 5 We hebben geen elektriciteit nodig. 6 Is er ook een zwembad?

Vragen stellen 5

taalregel

Weet je nog dat je op drie manieren vragen kunt stellen? Kijk op www.franconville-online.nl naar taalregel 10 over vragen stellen. Maak op drie verschillende manieren een vragende zin. 1 a

Vous avez un enfant de trois ans

b c 2 a

Vous voulez de l'électricité

b c

(soixante-trois) 63


étape 1

parler examentraining

6

geSPreK

Lees eerst de hele oefening goed door. Bedenk hoe jij dit op een Franse camping zou doen. Voer daarna het gesprek met de receptionist(e). Draai de rollen om als je klaar bent. Situatie Je komt met je gezin aan op de camping in Frankrijk. Omdat jullie niet hebben gereserveerd, ga je naar de Accueil (receptie) om je aan te melden.

Als je in het Frans een gesprek gaat voeren, kun je meestal van tevoren al bedenken welke woorden je nodig hebt. De eerste keer dat je zo'n gesprek voert is het lastig. Maar als je het vaker doet, zal het steeds beter gaan.

jij

réceptionniste

Dag, mevrouw/meneer.

Bonjour, je peux vous aider?

Heeft u nog een campingplaats voor vier personen?

Deux adultes? Combien d’enfants?

Twee volwassenen, een persoon van vijftien en een kind van zes jaar.

D’accord. C’est pour combien de jours? Vous partez quand?

Wij vertrekken 9 juli.

Euh … oui, c’est possible. J’ai encore deux emplacements. Un grand emplacement et un petit emplacement. Vous avez une caravane ou une tente?

We hebben een caravan en een klein tentje.

Je vous donne le grand emplacement alors. Vous désirez de l’électricité?

Ja, we hebben elektriciteit nodig.

Vous avez un animal?

We hebben een kat. Is dat toegestaan?

Pas de problème, mais les chiens sont interdits.

Hoeveel kost het per dag?

Voyons … Ça fait 27 euros par jour.

Is het zwembad gratis?

Pour les campeurs, oui.

Waar is onze campingplaats?

Je vais vous montrer votre emplacement sur le plan. C’est l’emplacement vingt-trois.

Dank u wel, mevrouw/meneer.

Je vous en prie. Bonnes vacances dans notre camping.

64 (soixante-quatre)


étape 1 Ecrire Dit hoofdstuk gaat over een persoonlijke brief. Bij het examen wordt dat soms ook een informele brief genoemd. Je gaat jezelf voorstellen aan een Franse correspondentievriend(in). Je moet dus iets over jezelf kunnen vertellen. Het is handig om je eigen gegevens goed te kunnen opschrijven.

Persoonlijke brief 1

SITUATIE

Een brief of e-mail bevat altijd een aantal standaardelementen: aanhef, inhoud en afsluiting. Kijk goed naar de volgende teksten. Beantwoord de vragen. 1 Geef in de brief van Lara de aanhef, inhoud en afsluiting aan. 2 Kijk naar het verschil. Waarom is de aanhef aan David anders dan aan Joëlle? 3 Wat is de afsluiting in de e-mail aan David? 4 Wat is de afsluiting in de brief aan Joëlle?

je me présente

Inhoud

Cher David,

Aanhef

Afsluiting

Je t’écris pour le projet de correspondance. Je me présente. Mon nom est Rahim Leduc. Mon école s’appelle Collège André Breton. J’habite à Viroflay. C’est une ville près de Paris. J’ai 15 ans. Je suis né en Iraq. Mes parents s’appellent Jean et Claire. Je suis leur enfant adoptif. J’ai deux grandes sœurs et un petit frère. Et toi? Tu veux te présenter aussi? Tu m’écris? Salutations, Rahim Leduc

Chère Joëlle, Comment vas-tu? Je suis une élè J’ai 14 ans. Mon anniversaire es ve de classe 4Mc et je m’appelle Lara Elsink. t le 11 mai. Je n’ai pas de frères ou de sœurs. divorcés. J’habite avec ma mère Donc je suis fille unique. Mes parents sont . Elle est Française. Elle travaill e à la mairie. Nous avons un chien. C’est un lab rador et il s’appelle Flippo. J’habite à Enschede. Ce n’est pas loin de l’Allemagne.

J’aimerais te connaître, toi et ta famille. Tu me réponds vite? Amitiés, Lara 86 (quatre-vingt-six)


écrire Voorbereiding van je brief 2

étape 1

WOORDEN EN ZINNEN

Zoek de Franse zinnen op in de teksten. 1 Ik stel me voor. 2 Ik ben 15 jaar. 3 Ik ben geboren in … 4 Wil jij je ook voorstellen? 5 Antwoord je mij snel?

Aanhef en afsluiting 3

SCHRIJFTIPS

Je hebt gezien dat Rahim en Lara allebei andere vormen gebruikten voor de aanhef en de afsluiting. Kijk op bladzijde 117 bij de schrijftips en voorbeelden. Welke aanhef en afsluiting zou je gebruiken bij de volgende brieven? 1 Jeannette uit klas 4C schrijft een briefje aan Maéva, een meisje dat ze in de vakantie op een camping heeft ontmoet. Ze schrijft dat ze het leuk vindt dat ze elkaar over twee weken weer zullen zien. Aanhef: Afsluiting: 2 De moeder van Carl schrijft een briefje aan Franse kennissen om ze uit te nodigen voor een bezoek aan Nederland. Aanhef: Afsluiting: 3 Anne is tijdens een internationaal sporttoernooi stapelverliefd geworden op een Franse jongen. Hij heet Jean-Marc en ze schrijft hem dat ze hem verschrikkelijk mist. Aanhef: Afsluiting: 4 Nadia schrijft aan haar nichtjes Karima en Ikram dat ze van harte welkom zijn op haar verjaardag. Aanhef: Afsluiting:

4

Soms heb je een Nederlandse zin in je hoofd, maar misschien is die zin te ingewikkeld om in het Frans op te schrijven. Probeer het steeds eenvoudig te houden. De volgende zin is te lang. Herschrijf de zin in kortere zinnen. Je m’appelle Rohanna et j’habite avec mes parents Sjef et Christa et mes trois soeurs

Houd de zinnen kort en eenvoudig.

à Maastricht dans le sud de la Hollande. Je m’ J’habite à C’est dans le J’ai trois Mes parents s’

(quatre-vingt-sept) 87


étape 1

écrire Landen en nationaliteiten

5

Soms vraagt iemand je welke nationaliteit je hebt of uit welk land je komt. Kijk op www.franconville-online.nl naar taalregel 4 over landen en nationaliteiten. 1 Benoît est (Frans – in Frankrijk)

. Il habite

.

2 Cheryl est (Engels – in Engeland)

. Elle habite

.

3 Victor est (Belgisch – in België)

. Il habite

.

4 Michael est (Amerikaan – in de Verenigde Staten)

. Il habite

.

5 Chiara est (Italiaanse – in Italië)

. Elle habite

.

6 Pablo est (Spaans – in Spanje)

. Il habite

.

7 Jean-Luc est (Canadees – in Canada)

. Il habite

.

8 Je suis (je eigen gegevens)

. J’habite

.

Examentraining 6

TAALREGEL

PERSOONLIJKE BRIEF

Je gaat een kennismakingsbriefje schrijven. Gebruik de woorden en zinnen die je in dit hoofdstuk bent tegengekomen. Kijk ook naar de savoir écrire-zinnen op bladzijde 114. Situatie Je gaat een briefje schrijven aan een Franse leerling van een school in Amiens. Je vertelt over jezelf, je familie en waar je woont. Gebruik de brief en e-mail van Lara en Rahim als voorbeeld.

Florian Roux

Let er bij het schrijven van een briefje op dat je de juiste woorden kiest, maar ook dat je de werkwoorden in de goede vorm schrijft. Controleer alles nog eens grondig als je met de inhoud van je brief klaar bent.

(4èmeB)

Lucas, Collège Edouard Amiens

1 Begin met een passende aanhef. 2 Stel jezelf voor. Schrijf: • hoe je heet. • hoe oud je bent. • waar je geboren bent of wat je nationaliteit is. • waar je woont en waar dat ligt. • op welke school je zit. 3 Vertel iets over je familie thuis. 4 Vraag of de ander zich ook wil voorstellen. 5 Sluit het briefje af met een groet en je naam.

88 (quatre-vingt-huit)

Justine Perrin (4èmeC) Collège César Franck, Amiens


étape 2 Ecrire

lire

étape 2

In dit hoofdstuk ga je oefenen met een zakelijke brief. Bij het examen wordt dat ook wel een formele brief genoemd. Zo'n brief ziet er vaak wat 'plechtiger' uit dan een persoonlijke brief aan vrienden of kennissen. Tegenwoordig maak je steeds vaker gebruik van e-mail, maar het is goed om een zakelijke brief te kunnen schrijven.

Formele brief 1

SitUatie

Lara zoekt een leuke camping voor haar moeder, drie vriendinnen en zichzelf. Ze heeft op internet iets leuks gevonden en besluit een briefje te sturen met vragen. Lees de brief en beantwoord de vragen. 1 Wat valt je op aan het Franse huisnummer? 2 Als jij vandaag een formeel briefje zou schrijven, hoe zou de datum er dan uitzien? 3 Wat betekent: Je vous remercie d'avance?

Martine de Vries Stationsstraat 11 8171 JK Vaassen Pays-Bas

Let op de plaats van het huisnummer.

Vergeet nooit je adres compleet te vermelden.

Camping le Méditerranée 358, boulevard d'Alsace Lorraine 83400 Hyères France

Gebruik VOUS en geen TU.

Zo ziet een datum in een formele brief eruit, met een plaatsnaam en le voor de datum.

Vaassen, le 30 mai 2012

Als je niet weet wie de brief gaat lezen, gebruik je Monsieur, Madame.

Monsieur, Madame, Je vous écris cette lettre pour demander des renseignements. Pendant les vacances d'été, nous voulons passer nos vacances à Hyères. J'ai vu des photos de votre camping sur internet. Est-il possible de réserver un emplacement dans votre camping? Nous sommes cinq personnes avec trois tentes. Est-ce que les animaux sont autorisés? Je voudrais réserver pour la période du 15 juillet au 7 août. Est-ce qu'on peut louer des vélos au camping? Pourriez-vous m'envoyer des informations et une brochure avec les prix?

Zo sluit je een formele brief netjes af.

Je vous remercie d'avance. Cordialement, Martine de Vries

(quatre-vingt-neuf) 89


vocabulaire

In de vocabulairelijst bij de étapes staan woorden die vaak voorkomen of die belangrijk zijn voor de verschillende examenonderdelen die je gaat doen. Bij lire en écouter leer je veel woorden zowel F-N als N-F. Bij parler en écrire leer je de woorden en de zinnen N-F.

étape 3 le comportement consommer les transports en commun (m) la chose la cause coucher interdit

het gedrag verbruiken het openbaar vervoer

Omdat je de vaardigheden los van elkaar kunt oefenen, kom je sommige woorden opnieuw tegen bij een andere vaardigheid.

se lever l’os (m) le but le corps l’espace (m)

opstaan het bot het doel het lichaam de ruimte

Lire

étape 4

In de woordenlijsten vind je (meestal) niet de woorden die in de oefeningen worden gevraagd. Die woorden staan op het nakijkblad. Het is slim om ook de woorden van de vocabulaire-oefeningen F-N en N-F te leren.

étape 1 gagner le nombre le moyen la plupart le quotidien être prêt honnête

winnen het aantal het middel, de manier de meeste het dagblad, de krant klaar zijn eerlijk

sauver la terre il s’agit de la ligne la phrase

redden de aarde het gaat over de (tekst)regel de zin

étape 2 la circulation le véhicule la camionnette la roue le conducteur le feu la poubelle

het verkeer het voertuig de bestelauto het wiel de bestuurder het vuur de vuilnisbak

l’immeuble (m) obligatoire assister à pratiquer dépenser

het flatgebouw verplicht aanwezig zijn bij beoefenen geld uitgeven

la boîte jaune vert noir le sang l’histoire (v) la blague

de doos, de kist geel groen zwart het bloed het verhaal de grap

déçu l’espoir (m) la fois né se rapporter à

teleurgesteld de hoop de keer geboren verwijzen naar

étape 5 la passion mort s’entraîner battre plonger l’oxygène (m) la respiration

de grote liefde dood trainen slaan, verslaan duiken de zuurstof de ademhaling

profond descendre monter la corde le secours

diep naar beneden gaan naar boven gaan het touw, de lijn de hulp, de redding

étape 6 s’adresser à l’introduction (v) les gens (m)

110 (cent dix)

het ding de oorzaak liggen, slapen verboden

zich richten tot, praten tegen de inleiding de mensen


schrijftips vocabulaire

Schrijftips en voorbeeldbrieven étape 1 De aanhef van een persoonlijke brief Als je een brief of een e-mail schrijft aan iemand die je kent, begin je vaak met Beste (voornaam). In een Franse brief gebruik je daarvoor het woord Cher. Je moet erop letten dat je het aanpast aan de persoon aan wie je schrijft: Cher Michel, Chère Larissa, Chers amis, Chères Tania et Amandine,

Voorbeeld Jacco Verheul Fazantlaan 11 5613 CC Eindhoven Pays-Bas Parapente Pégase 11 route de Grenoble 38580 Allevard-les-Bains France Eindhoven, le 24 juin 2012

De afsluiting van een persoonlijke brief Bekende persoonlijke afsluitingen zijn Groet(en), Kusjes, Tot ziens etc. Voorbeelden van Franse afsluitingen voor een persoonlijk briefje zijn:

Monsieur, Madame,

Salutations, Amitiés, Bisous, Salut! Au revoir, A bientôt,

Avez-vous encore des places de stage pour la période du 1er au 15 août? J’aimerais avoir des cours individuels cet été. Est-ce que c’est possible? J’aimerais savoir le prix des cours. Pouvez-vous m’envoyer des informations?

Groeten, Groetjes, Kusjes, Hoi! Tot ziens, Tot gauw,

étape 2 De aanhef van een formele brief Als je een zakelijke brief schrijft, begin je vaak met Geachte mevrouw / meneer. In een Franse brief gebruik je daarvoor Monsier / Madame. De afsluiting van een formele brief In het Nederlands sluit je een zakelijke brief af met Hoogachtend. In een Franse brief gebruik je daarvoor bijvoorbeeld: Cordialement of Sincères salutations. In een formele brief gebruik je natuurlijk de VOUS-vorm. De volgende brief kun je gebruiken als voorbeeld, wanneer je een zakelijke brief gaat schrijven.

J’ai trouvé votre adresse sur internet. Je voudrais avoir quelques renseignements.

Je vous remercie d’avance. Cordialement, Jacco Verheul

étape 3 Op formulieren kom je vaak de volgende woorden tegen: nom prénom nom d’utilisateur enregistrer le champ marquer obligatoire (re)taper

achternaam voornaam gebruikersnaam aanmelden het (invul)veld markeren verplicht (nogmaals) typen

(cent dix-sept) 117


examenvragen

Vragen die veel voorkomen bij examenteksten A qui s’adresse l’auteur? A quoi sert le 4e alinéa? A quoi servent les lignes 1 à 5?

Tot wie richt de schrijver zich? Waarvoor dient de 4de alinea? Waarvoor dienen de regels 1 tot 5?

Comment est-ce qu’on peut résumer le texte? Comment peut-on compléter cette phrase?

Hoe kun je deze tekst samenvatten? Hoe kun je deze zin afmaken?

Comment peut-on finir cette phrase?

Hoe kun je deze zin afmaken?

De quoi est-ce que l’auteur parle? De quoi s’agit-il?

Waarover spreekt de schrijver? Waarover gaat het?

Le mot y se rapporte à …

Het woord y verwijst naar …

Pourquoi est-ce que l’auteur a écrit ce texte?

Waarom heeft de auteur deze tekst geschreven?

Que peut-on lire dans ces lignes?

Wat kun je lezen in deze regels?

Quel était le problème? Quelle conclusion peut-on tirer du texte? Quelle est la cause? Quelle est la solution selon l’auteur?

Wat was het probleem? Welke conclusie kun je trekken uit de tekst? Wat is de oorzaak? Wat is de oplossing volgens de schrijver?

Qu’est-ce que l’auteur dit dans ces lignes? Qu’est-ce que cela veut dire? Qu’est-ce que l’auteur dit à propos de ... Qu’est-ce que l’auteur nous explique? Qu’est-ce que l’auteur veut montrer? Qu’est-ce qu’on dit sur … Qu’est-ce qu’on lit dans le dernier alinéa? Qu’est-ce qu’on peut conclure de ces lignes? Qu’est-ce qu’on peut lire dans ces lignes?

Wat zegt de schrijver in deze regels? Wat wil dat zeggen? / Wat betekent dat? Wat zegt de schrijver over ... Wat legt de schrijver ons uit? Wat wil de schrijver aantonen / laten zien? Wat zegt men over … Wat kun je lezen in de laatste alinea? Wat kun je afleiden uit deze regels? Wat kun je lezen in deze regels?

Qu’est-ce qui est arrivé? Qu’est-ce qui est vrai d’après ces lignes? Qu’est-ce qui est vrai selon ces lignes?

Wat is er gebeurd? Wat is er waar volgens deze regels? Wat is er waar volgens deze regels?

120 (cent vingt)


vocabulaire

(cent vingt et un) 121


Verantwoording Ontwerp en opmaak:

Maura van Wermeskerken

Foto omslag:

Mandy Godbehear/Shutterstock.com

Foto’s en illustraties:

Lise Gagne/iStockphoto (p. 6 b), Philippe Tastet (p. 6 o), Jonya/iStockphoto (p. 7), Aleksandr Markin/ Shutterstock.com (p. 8 A), Ingrid Balabanova/Shutterstock.com (p. 8 B), Igor Zakowski/ Shutterstock.com (p. 8 C), Svilen G./Shutterstock.com (p. 8 D), Stichting Max Havelaar (p. 8 E), wonderisland/Shutterstock.com (p. 8 F), Jaggat/Shutterstock.com (p. 10), Xtremer/ Shutterstock. com (p. 12), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 13), Yuri Arcurs/iStockphoto (p. 14), Denis Scott/ Corbis (p. 15), Vario Images GmbH & Co. KG/Alamy (p. 16), Maarten Rijnen (p. 18), Esa/Cnes/ Arianespace (p. 20), Verbaal Visuele Communicatie (p. 21), drbimages/iStockphoto (p. 23), Wikimedia (p. 25), Zoo Parc Overloon (p. 26), Don Tonge/Alamy (p. 27), REPORTERS/Angeli (p. 30), Eco-Ecole (p. 31), SVLuma/Shutterstock.com (p. 33), Image Source/Getty Images (p. 35), Johnny Grieg/iStockphoto (p. 36), Aaltazar/iStockphoto (p. 37 b), pukrufus/iStockphoto (p. 37 m), pagadesign/Istockphoto (p. 37 o), MikLav/Shutterstock.com (p. 38), Eric Isselée/Shutterstock.com (p. 39), Peter Muzslay | Dreamstime.com (p. 41), Tsian/Shutterstock.com (p. 42), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 44), Michael Brian/Getty Images (p. 45), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 46 en 47), Maarten Rijnen (p. 48), Robert Fried/Alamy (p. 50), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 51 en 52), Bilderberg/AFP (p. 53), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 55), Diego Servo/ Shutterstock.com (p. 56), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 57 en 58), Jeannette Steenmeijer (p. 59), Hemis/Alamy (p. 64), Kathrin Miller (p. 65 l), Leland Bobbe (p. 65 rb), Caroline Woodham (p. 65 ro), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 66), Jean-Paul Nacivet/Getty Images (p. 67), Steve Estnavik/Shutterstock.com (p. 68 b), Image Source/Getty Images (p. 68 o), Arjan Wilschut/Comic House (p. 69), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 70 en 71 b), MarcusPhoto1/iStockphoto (p. 71 o), Peter Hilz/Hollandse Hoogte (p. 72), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 73), Inna’s Creations (p. 74 lb), Picturenet (p. 74 ro), Thomas Northcut & Imageselect/Getty Images (p. 74 lo), Jean Louis Bellurget/Stock Image (p. 76), Tea | Dreamstime.com (p. 79), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 80), Neelsky/Shutterstock.com (p. 82), RATP/CML/Agence Cartographique (p. 83), Imagebroker/ Alamy (p. 84), Stephen Saks Photography/Alamy (p. 85), Camping Le Mediterranée (p. 89), Ile de Ré Voile (p. 91), Edyta Pawlowska | Dreamstime.com (p. 92), Ministère de la Culture et de la Communication (p. 94), xalex/Shutterstock.com (p. 95 achtergrond), silver tiger/Shutterstock.com (p. 95 portret), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 95 montage), Raphael van Butsele/Getty Images (p. 97), Federation Unie des Auberges de Jeunesse (p. 98), ihsanyildizli/iStockphoto (p. 100), Verbaal Visuele Communicatie, Velp (p. 101 b), Iconotec/Alamy (p. 101 o), DRX/Eastpak (p. 103), Aflo Score/Imageselect (p. 104), www.jobdete.com (p. 106), Devon Stephens/iStockphoto (p. 106 achtergrond), Jaimie Duplass/Shutterstock.com (p. 107), Edyta Pawlowska/Shutterstock.com (p. 109 lb), John Vermetten (p. 109 rb), Life on White/iStockphoto (p. 109 o)

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

122 (cent vingt-deux)

Franconville - Cahier d'examen  

Franconville 4 vmbo Cahier d'examen.