Issuu on Google+

Geschiedenis voor bovenbouw

Overzicht van de geschiedenis

havo


Inhoud Geschiedenis indelen

1

Tijd van jagers en boeren

2

Tijd van Grieken en Romeinen

3

Tijd van monniken en ridders

4

Tijd van steden en staten

5

Tijd van ontdekkers en hervormers

6

Tijd van regenten en vorsten

7

Tijd van pruiken en revoluties*

7.1 7.2 7.3 7.4

Oriëntatie  4 Slavenhandel en abolitionisme  10 Rationeel optimisme en verlicht denken  14 Verlicht absolutisme  18 Democratische revoluties  21 Afsluiting  30

8

Tijd van burgers en stoommachines

9

Tijd van wereldoorlogen

10

Tijd van televisie en computer

Overzichten (vaardigheden, kijkwijzer, tijdvakdossier) Register

* Dit voorbeeldkatern bevat de inhoud van hoofdstuk 7 Het totale boek beslaat 288 bladzijden.


3

Zo werk je met Feniks Dit overzicht van de geschiedenis bestaat uit tien hoofdstukken. Elk hoofdstuk behandelt één van de tien tijdvakken. Wees je ervan bewust dat een overzicht als dit nooit ‘de hele’ geschiedenis kan omvatten, maar dat altijd een keuze gemaakt is. In dit geval is die keuze gebaseerd op het eindexamenprogramma voor het havo in Nederland.

Opbouw van een hoofdstuk Elk hoofdstuk bevat een Oriëntatie, een aantal paragrafen met opdrachten en een afsluitende paragraaf. Oriëntatie De eerste bladzijden van een hoofdstuk geven in beeld een impressie van het tijdvak. Daarna maak je in vogelvlucht kennis met de belangrijkste kenmerken van het tijdvak. Met behulp van enkele opdrachten haal je kennis op die je al hebt en leg je verbanden met eerdere en latere tijdvakken. Paragrafen Een paragraaf behandelt één van de kenmerkende aspecten van het tijdvak. Elke paragraaf begint met een samenvatting (De kern). Vervolgens wordt het verband gelegd met de wereld van vandaag (Het belang van het onderwerp). Je maakt kennis met de verplichte stof door middel van geschreven tekst, tekstbronnen (zowel primaire als secundaire bronnen) en beeldbronnen. Met de opdrachten verwerk je de stof in kennisvragen, begrips- en inzichtvragen en toepassingsvragen. Je oefent de vaardigheden die je moet beheersen en maakt kennis met vraagstellingen zoals je die op het examen ook kunt tegenkomen. Afsluiting De laatste paragraaf van elk hoofdstuk bevat alles wat je van dit tijdvak moet onthouden: de kenmerkende aspecten, de begrippen en een tijdbalk met de belangrijkste gebeurtenissen. De leerdoelen helpen je om de verbanden te leggen tussen de verschillende onderdelen en tijdvakken.

Overzichten Achter in het boek vind je een overzicht van de vaardigheden die je moet beheersen voor het examen, een Kijkwijzer voor het bestuderen van beeldbronnen en een aanwijzing voor het maken van een Tijdvakdossier.

www.feniks-online.nl Op de website van Feniks staan voor elk tijdvak afsluitende, wat grotere opdrachten. Daarmee kun je alleen of samen met een medeleerling extra kennis over het tijdvak opdoen of een deel van je kennis nog eens op een andere manier verwerken. Ook staan er oefentoetsen bij elk hoofdstuk. Daarmee kun je zelfstandig nagaan of je de stof van een hoofdstuk voldoende beheerst.


7

Tijd van pruiken en revoluties 1700-1800 (achttiende eeuw) Het beeldmerk van dit tijdvak

De guillotine, de valbijl op de voorgrond, staat symbool voor de Franse Revolutie. Op de achtergrond kijken burgers naar een natuurkundig experiment. Hun witte pruiken waren in de achttiende eeuw in de mode bij rijke of welgestelde mensen.

3000 v. Chr.

Prehistorie

2000 v. Chr.

1000 v. Chr.

Oudheid

0


5

OriĂŤntatie op het tijdvak

bron 1

Links de eerste tekening uit een serie van vijf die Cornelis Troost rond 1740 maakte. Samen vormen ze een beeldverhaal. Op deze tekening zien we zeven heren die in het huis van een welgestelde burger ergens in Holland bij elkaar zijn gekomen. De pijpen worden gestopt, er wordt gerookt. Een knecht ontkurkt de eerste fles wijn.

bron 6 Zelfportret van Cornelis Troost uit 1745.

bron 2 Nadat de heren elkaar hebben begroet, spelen twee van

bron 3 Na het rustige begin raken vier heren verwikkeld in een

bron 4 Bij het diner wordt veel wijn gedronken. Er wordt geen

bron 5 Uiteindelijk verlaten de gasten ladderzat het huis.

hen een spelletje triktrak. Het gaat er rustig en beschaafd aan toe.

zinnig woord meer gezegd.

500

1000

Middeleeuwen

1500

1600

heftig wetenschappelijk debat over een onderwerp uit de sterrenkunde. De heer rechts van het haardvuur kan zijn handen niet van het dienstmeisje afhouden.

1700

Vroegmoderne Tijd

1800

1900

1950

Moderne Tijd

2000


6

7 Tijd van pruiken en revoluties

Tijd van pruiken en revoluties Cornelis Troost is de bekendste Nederlandse schilder uit de Tijd van pruiken en revoluties, de achttiende eeuw. Hij deed met penseel wat anderen met de pen deden: commentaar leveren op de eigen samenleving. Vooral in de spectators verschenen veel kritische artikelen. Een spectator was een tijdschrift dat ongeveer drie keer per week verscheen en meestal acht pagina’s bevatte. In een spectator schreven kritische tijdgenoten met bewondering of verwondering en soms bezorgd over de wereld. De spectators werden de belangrijkste spreekbuis van de Verlichting. In de spectators lag de nadruk op deugd­zaamheid: gematigdheid op elk gebied. Alleen zo kon volgens de auteurs worden voorkomen dat het land aan slechte gewoonten ten onder zou gaan. De serie tekeningen van Cornelis Troost is kenmerkend voor de Tijd van pruiken en revoluties. De schilder levert met zijn tekeningen kritiek op zijn tijdgenoten. Hij keurt het gedrag van de bepruikte heren af, omdat ze op een overdreven manier met rijkdom en schone schijn te koop lopen. Op de tekeningen van Troost valt het met de protserigheid van de pruiken nog wel mee. In Frankrijk was dat extremer, daar droegen sommige adellijke vrouwen wonderlijke bouwsels op hun hoofd. Kappers hadden uren nodig om de pruiken met bloemen, namaakvogeltjes, fruitmandjes of scheepjes te versieren. Ook de kleding was opzichtig zoals hoepelrokken met een diameter van twee meter. Niet alleen de mode, ook de levensstijl van de bovenlaag in Frankrijk was een en al pracht en praal. Hiertegen ontstond verzet. De Franse hoofdstad Parijs werd een broeinest van revolutionaire ideeën over een betere maatschappij. Er was vooral felle kritiek op de standenmaatschappij met de absoluut heersende koning. Maar overal: in het bestuur, in de rechtspraak, op godsdienstig gebied en in de economie moesten veranderingen plaatsvinden. En waar die veranderingen niet vanzelf kwamen, werden ze met geweld afgedwongen: dat betekende revolutie. De kritiek beperkte zich niet tot Frankrijk. In de Engelse kolonies in Noord-Amerika leidden de moderne opvattingen tot strijd voor onafhankelijkheid. In 1776 werden de Verenigde Staten van Amerika gesticht: een nieuwe natie met een modern bestuur en met een door de het volk gekozen president als staatshoofd. In Frankrijk leidden de verlichte denkbeelden tot een radicale verandering van het landsbestuur. In 1793 werd de koning er zelfs onthoofd. Het woord revoluties heeft zo betrekking op de nieuwe wetenschappelijke inzichten en op de opstanden om de macht van de koning te breken en de standenmaatschappij op te heffen.

Opdrachten Oriëntatie Opdracht 1 Bekijk de bronnen 1 tot en met 5. De tekeningen van Cornelis Troost zijn bekend onder de naam NELRI, die is gevormd uit de beginletters van de Latijnse opschriften die op de lijsten rond de tekeningen zijn aangebracht. In het Nederlands vertaald luiden deze opschriften (in willekeurige volgorde): 1 Iedereen praatte. 2 Wie kon lopen vertrok te voet, wie dat niet meer kon, viel. 3 Niemand sprak. 4 Het was lawaaiig in het huis. 5 Men raakte in gesprek. a Koppel de bronnen 1 tot en met 5 aan het juiste opschrift. Noteer alleen de goede cijfercombinaties. b De schoorsteenmantel vormt een opvallend element in de kamer. Aan beide zijden van de klok staan een soort zuilen, waarvan het bovenste gedeelte bestaat uit een stenen figuur. Ze hebben een druiventros en korenaren in hun hand en zijn daardoor herkenbaar als de mythologische figuren Bacchus en Ceres. Leg uit dat in het midden van de achttiende eeuw, toen Troost deze tekeningen maakte, de herinnering aan de Tijd van Grieken en Romeinen blijkbaar nog springlevend was. Betrek in je antwoord zowel de benaming van de vijf tekeningen als de schoorsteenmantel. c Naar welk kenmerkend aspect uit een ander tijdvak verwijst Troost met deze schoorsteenmantel ook? Opdracht 2 a Troost geeft met zijn pasteltekeningen kritiek op de elite. Omschrijf in je eigen woorden waarop Troost kritiek heeft. Noem hierbij ook nadrukkelijk de oorzaak en het gevolg. b In de tijd dat Troost deze tekeningen maakte, was de macht van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden over haar Gouden Eeuw heen. Het werd een Zilveren Eeuw. Welke economische en politieke ontwikkelingen uit hoofdstuk 6 waren daar vooral verantwoordelijk voor? c Troost geeft met zijn tekeningen nog een andere verklaring voor de achteruitgang van de Republiek. Welke?

Kennis: 1c, 2b, 2c Begrip: 1a Toepassing: 1b, 2a


7.1

Slavenhandel en abolitionisme Kenmerkend aspect

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

bron 7 Slaven aan het werk bij een suikermolen. In de molen wordt het sap uit de bundels suikerriet geperst.

De kern Na de ontdekkingsreizen in de vijftiende en zestiende eeuw ontstonden tijdens de Gouden Eeuw in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden intensieve handelscontacten met Indonesië (Verenigde Oost-Indische Compagnie of VOC), Suriname en De Antillen (West-Indische Compagnie of WIC). Deze handelscontacten werden in de Tijd van pruiken en revoluties voortgezet en geïntensiveerd, zodat op economisch gebied de continuïteit met de voorgaande tijdvakken groot is. Uit de plantagekoloniën in Noord- en Zuid-Amerika kwamen producten zoals suiker, tabak, koffie, thee of katoen. Blanke kolonisten beheerden deze plantages: zij bepaalden wat er verbouwd werd en hoe er gewerkt werd. Voor het lichamelijk zware werk werden mensen uit Afrika gehaald die als slaven op de plantages moesten werken. Europese handelaren ontwikkelden een driehoekshandel om de trans-Atlantische slavenhandel extra winstgevend te maken. Schepen hadden altijd goedkoop ingekochte lading aan boord om die elders tegen een hogere prijs weer te verkopen. Op slavenmarkten in Amerika bracht de menselijke handelswaar uit Afrika het viervoudige op. Het schip voer daarna naar de thuishaven in Europa, volgeladen met gewassen van de Amerikaanse plantages. Deze lading bracht in West-Europa veel geld op.

Aan het eind van de achttiende eeuw groeide het besef dat slavernij onmenselijk is. Zowel in Europa als in Amerika won het abolitionisme aan aanhang. Deze beweging zette zich in voor afschaffing van de slavenhandel en later van de slavernij. Het belang van het onderwerp In de Tijd van pruiken en revoluties verstevigden de Europese mogendheden hun economische positie in wereld. Door de stichting van plantagekoloniën in Amerika werden de continenten steeds nauwer met elkaar verbonden. Dit proces is in later eeuwen nog doorgegaan. Tegenwoordig spreken we in dit verband van mondialisering. Op economisch gebied hebben alle landen van de wereld steeds meer met elkaar te maken. Dat heeft niet alleen voordelen, maar ook nadelen, zoals een groeiende kloof tussen arm en rijk.

Onderzoeksvraag

Op welke wijze speelde de slavernij een rol bij de uitbouw van de intercontinentale handelsnetwerken en waarom ontstond hiertegen verzet?


8

7 Tijd van pruiken en revoluties

Trans-Atlantische handel In de Tijd van ontdekkers en hervormers bouwden vooral de Spanjaarden, op afstand gevolgd door de Portugezen, in de Nieuwe Wereld een groot koloniaal rijk op. Zij concentreerden zich op de mijnbouw. Na 1700 werd door de uitputting van de zilver- en goudaders deze economische activiteitsteeds minder belangrijk. Tegelijkertijd veroverden de Engelsen, Fransen en Hollanders gebieden in Noord-Amerika, in het Caraïbisch gebied en langs de noordoostkust van ZuidAmerika. Hier vestigden zij grote plantagekoloniën: uitgestrekte landbouwbedrijven waar handelsgewassen werden verbouwd. In deze overzeese gebiedsdelen specialiseerde de plantage-eigenaar zich vaak in de verbouw van maar één gewas. Vanaf het begin waren suiker en tabak de twee belangrijkste producten, gevolgd door koffie en cacao. Aan het eind van de Tijd van pruiken en revoluties werd de verbouw van katoen populair. De katoenplant groeide vooral in de zuidelijke staten van Amerika erg goed. De blanke kolonisten beheerden de plantages: zij bepaalden wat er verbouwd werd en hoe er gewerkt werd, en de opbrengsten verdwenen in hun zakken. Het waren de uit Afrika afkomstige mensen die als slaven het zware werk in de katoenteelt uitvoerden. Tussen de continenten Europa, Afrika en Amerika ontstond de trans-Atlantische slavenhandel, ook bekend als de driehoekshandel. De handelsschepen voeren eerst van West-Europa naar de Afrikaanse westkust, staken vervolgens de Atlantische Oceaan over om tot slot weer van Amerika terug naar Europa te varen.

bron 8 De driehoek van de trans-Atlantische slavenhandel

bron 9 Op deze tekening uit het eind van de achttiende eeuw is de koning van Popo met zijn gevolg afgebeeld. Europeanen konden bij hem slaven kopen.

De handelaren en kapiteins in dienst van een handels­ compagnie, zoals de WIC, moesten alle transacties in een boekhouding voor de aandeelhouders verantwoorden. Daardoor is nauwkeurig bekend wat hun lading was. Meer dan de helft van de waarde van de lading van Hollandse en Zeeuwse slavenschepen die naar Afrika voeren bestond uit textiel: wollen stoffen uit Leiden en katoen en mooi bedrukte zijde uit India die door VOC-schepen naar de Republiek waren vervoerd. Katoen en zijde waren in tropisch Afrika immers aangenamer in het gebruik dan de zware wollen stoffen van Europese makelij. Buskruit en geweren waren goed voor ongeveer een kwart van de waarde van de ruillading. Ongeveer 10 procent van de lading bestond uit alcoholische drank. De rest vormde een allegaartje: glazen parels, spiegels, wijn- en roomkannen, bestek, Delfts serviesgoed, lood en ijzeren staven. De handelaren ruilden deze goederen langs de Afrikaanse kust tegen mensen die werden gebruikt voor slavenarbeid. De Europeanen ‘kochten’ deze mensen van Afrikaanse en Arabische slavenhandelaren of van Afrikaanse vorsten. Uit een vlak na 1800 uitgevoerd onderzoek blijkt dat er veel manieren waren waarop een Afrikaan slaaf kon worden. Ongeveer 35 procent van de slaven was vroeger krijgsgevangen geweest,


9

7.1 Slavenhandel en abolitionisme

30 procent was gekidnapt, ongeveer 5 tot 10 procent was door de familie als slaaf verkocht en iets meer dan 10 procent was door een rechtbank tot slavernij veroordeeld.

De oversteek Afhankelijk van de grootte van het schip bestond de ‘vracht’ uit 300 tot 600 slaven. Tijdens de oversteek van Afrika naar Amerika, een tocht van gemiddeld ruim twee maanden, verbleven de slaven het grootste deel van de tijd in het donkere ruim van het schip. In het gunstigste geval werden ze eenmaal per dag op het dek gelucht. Geen wonder dat de stank van zweet, urine, uitwerpselen, menstruatievocht en braaksel onbeschrijflijk moet zijn geweest. Vele slaven raakten tijdens de zeereis verzwakt of werden ziek. Een groot deel overleefde de oversteek niet. Historici denken dat onwetendheid en onkunde een belangrijke rol speelden bij de hoge sterfte. Zo was er onvoldoende aandacht voor het feit dat de slaven tijdens hun reis een chronisch tekort aan drinkwater hadden. In een tropisch klimaat is een verbruik van drie liter per persoon per dag wenselijk. De slaven kregen niet meer dan één liter en meestal werd dat tegen het einde van de reis nog minder. Hierdoor konden de slaven door uitdroging niet meer eten. Hun ogen vielen diep weg in de kassen en hun tong werd dik. De scheepsartsen pasten als behandeling aderlating toe of gaven hen laxeermiddelen. Maar die maakten de zaak alleen maar erger. Gemiddeld bleven de slavenschepen zo’n drie maanden in het Caraïbisch gebied, voordat de terugreis werd aanvaard. De kapitein liet in deze periode het schip opknappen en zocht naar retourvracht. Vanuit Curaçao werden meestal huiden, cacao en tabak naar Nederland meegenomen, en vanuit Suriname vooral koffie en suiker. De kapitein had van zijn rederij de vrijheid om de

Scheepsarts David Henri Gallandat gaf het volgende advies om de stank op de slavenschepen te verdrijven: ‘Door buskruit in den brand te steken; door rooking van wierook, jeneverbessen, enz. en door de besproeying met azijn of limoenzap. Al deze middelen moeten met oordeel en alle oplettendheid in ’t werk gesteld worden, vooral wanneer het weer en de gelegenheid toelaaten dat de slaven eenigen tijd op ’t dek blijven, opdat zij daarna hunne slaapplaatsen weder kunnen betrekken, om er de verkwikking van een frisse lucht en aangenaamen reuk te genieten.’

van opbrengst van de slavenverkoop de handelsgoederen in te kopen die thuis de hoogste winst zouden opleveren. Dit lukte niet altijd. Slechts een derde van de schepen keerde volgeladen terug naar de thuishaven. De overige schepen hadden maar een klein deel van het ruim gevuld met handelsproducten, en de meeste voeren zonder lading terug.

Een plantage-economie: Suriname Nadat het slavenschip het Caraïbisch gebied had bereikt, was het zaak voor de kapitein om zo snel mogelijk zijn slaven voor een zo hoog mogelijke prijs van de hand te doen. Hiervoor moest hij soms wat trucjes toepassen. Het merendeel van de slaven werkte op plantages. Alleen al in Suriname werden er daarvan in de loop van de tijd zo’n zevenhonderd aangelegd. Alles in de kolonie was aan deze ene bedrijfsvorm opgehangen. Het enige wat het land er zelf voor leverde, waren de grond en het klimaat. Al het andere kwam van buiten. Niet alleen de bakstenen en de spijkers, de kleding en de drank, maar ook het kapitaal en het manage­ ment kwamen uit de Republiek. Alleen de arbeidskrachten kwamen uit Afrika. De eerste plantages waren vooral suikerrietplantages. Deze waren aangelegd op de zandige oevers langs de bovenloop van de Surinaamse rivieren. Toen na 1750 koffie als ‘de nieuwe geldmaker’ werd ontdekt, waren kooplieden bereid om veel geld in nieuwe plantages te investeren. Op plaatsen waar eerst mangrovebossen hadden gestaan, verrezen nu landbouwbedrijven. Deze laaggelegen gronden stonden echter voortdurend onder water. Er was maar één oplossing, die de Hollanders maar al te vertrouwd was: inpolderen. In de moordende tropische zon werden dijken en afwaterings­ sloten met de schop uitgegraven. Daarna zouden ze twee keer per jaar moeten worden uitgebaggerd. Een gemiddelde

D. Gallandat, ‘Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren’, in:

‘Was er in Afrika per ongeluk een oude slaaf ingekocht, omdat zijn grijze haren geverfd waren en zijn leeftijd niet hadden verraden, dan werden die haren na aankomst in de Nieuwe Wereld natuurlijk weer geverfd. Waren de borsten van een vrouwelijke slaaf wat slap? Geen nood, een mengsel van olie en citroensap bracht daar wel verandering in. Had een slaaf last van onstuitbare diarree? Met een kurk werd de anus afgesloten en na de verkoop was de buikloop het probleem van de nieuwe eigenaar. Hing de stank van het slavenruim nog in het haar? Geparfumeerde smeersels deden wonderen.’

Verhandelingen van het Zeeuws Genootschap. Middelburg, 1769.

P.C. Emmer, De Nederlandse slavenhandel, 1500-1850. Amsterdam, 2000.

bron 10

bron 11


10

7 Tijd van pruiken en revoluties

bron 12 Op deze tekening uit het midden van de achttiende eeuw zie je links plantage Leverpoel en rechts plantage Charlottenburg. Op beide plantages werd koffie verbouwd. Het is niet moeilijk te onderscheiden waar de plantage-eigenaar woont en waar de slaven, of waar de loodsen zich bevinden. Duidelijk zichtbaar zijn ook de kanaaltjes en de sluizen waarmee de waterstand werd geregeld. De rivier op de voorgrond is de Cottivarivier.

plantage had tussen de vijftien en twintig strekkende kilometer sloten. In de herinnering van de slaven waren de graafwerkzaamheden het zwaarst. Zwaarder dan het planten of kappen van het suikerriet, het plukken van de koffiebonen of katoenbollen. Het vochtige klimaat, de zwaarte van het werk, het weinige voedzame eten, het verdriet om hun gedwongen emigratie: dit alles was funest voor de toch al broze gezondheid van de pas aangekomen slaven. Ongeveer een kwart van de slaven stierf binnen drie jaar na aankomst in de Nieuwe Wereld. Hierdoor bleef er voortdurend vraag naar nieuwe slaven. Steeds opnieuw moesten de opengevallen plaatsen worden opgevuld. Er is berekend dat er tussen 1500 en 1850 ongeveer 12 miljoen Afrikaanse zwarte slaven naar Amerika zijn getransporteerd.

Het abolitionisme Aan het eind van de Tijd van pruiken en revoluties werd over veel zaken anders gedacht dan aan het begin van dit tijdvak. Zo ook over de slavernij. In 1787 werd in Engeland de Vereniging voor de afschaffing van de slavenhandel opgericht. De aanhangers van deze beweging werden abolitionisten

Een belangrijk woordvoerder van de abolitionisten was Aloudah Equiano (1745-1797). Hij werd op jonge leeftijd als slaaf verkocht. Het lukte hem zich vrij te kopen en zich in Engeland te vestigen als koopman. Hij schreef een boek over zijn leven. Een fragment hieruit: ‘Ik herinner mij dat er in de mannenafdeling van het schip waarin ik werd getransporteerd, verschillende broers waren, die bij de verkoop in verschillende pakketten werden verkocht. Het was bij die gelegenheid zeer roerend om te zien en horen hoe zij jammerden bij hun scheiding. O, gij christenen in naam! Zou niet een Afrikaan u kunnen vragen: “Hebt gij dit geleerd van uw God, die tegen u zegt: ‘Doe aan alle mensen zoals u zou willen dat u behandeld wordt?’ Is het niet genoeg dat wij losgerukt worden van ons land en onze vrienden om te zwoegen voor uw weelde en winstbejag? Moet ieder teder gevoel ook worden opgeofferd aan uw hebzucht? (…) Waarom moeten ouders hun kinderen verliezen, broeders hun zusters of echtgenoten hun vrouwen?”’ Interesting Narrative of the Life of Ouladah Equiano or Gustavus Vassa, the African, written by himself, Londen, 1789.

bron 13


11

7.1 Slavenhandel en abolitionisme

genoemd (het Engelse woord abolish betekent ‘afschaffen’). Zij benadrukten in hun strijd voor de afschaffing van de slavenhandel vooral de onmenselijke kant ervan. Het motto van de abolitionisten was dan ook: Am I not a man and a brother? Het duurde overigens enige tijd voordat het gedachtegoed van de abolitionisten algemeen ingeburgerd raakte. Zelfs bij meer ontwikkelde personen was de koopmansgeest lange tijd tóch sterker. Zo schreef een afdeling van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen aan het eind van de achttiende eeuw nog een prijsvraag uit voor de ontwikkeling van een beter bruikbaar schip voor de slavenhandel. Er was op dat moment maar één plaatselijke afdeling die bezwaar aantekende. De afdeling Deventer liet weten dat de slavenhandel geen beloning waard was, maar eerder het tegendeel: ‘dat deze handel eer de verfoejing dan de aanmoediging van een menschlievend genootschap waardig is’. Toch hadden de abolitionisten op den duur succes. De Fransen maakten in 1794 een begin met de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij. In Engeland werd in 1807 de slavenhandel afgeschaft. De slavernij zelf bleef nog tot 1833 voortbestaan. De macht van de plantage-eigenaren was in het Engelse parlement nog lange tijd te sterk. Frankrijk en Denemarken volgden in 1848. Nederland maakte pas per 1 juli 1863 een einde aan de slavernij in Suriname en op de Antillen.

7.1

Opdrachten

Opdracht 1 samenvatting Bestudeer bron 8. Noteer de voornaamste goederen die tijdens elke fase van de driehoekshandel aan boord van het schip waren. a Neem het kaartje in schematische vorm over. b Zet bij elke pijl de handelswaar die de schepen aan boord hadden. Opdracht 2 Deze paragraaf gaat over het ontstaan en functioneren van het handelsnetwerk tussen Europa, Afrika en Amerika. Maar ook Azië is in dit handelsnetwerk opgenomen. Op welke wijze gebeurde dit? Geef een voorbeeld dat in deze paragraaf wordt genoemd. Opdracht 3 representativiteit van bronnen Aan het eind van de alinea over de driehoek van de transAtlantische slavenhandel (blz. 9) worden enkele percentages genoemd. Deze cijfers zijn afkomstig van de Duitse wetenschapper Kölle. Hij kreeg in het begin van de negentiende eeuw van de Engelse autoriteiten toestemming om onderzoek te doen onder slaven die waren aangetroffen op illegale slavenschepen en die door de Engelse marine naar Sierre Leone waren gebracht. Zijn deze gegevens voldoende representatief om een uitspraak te kunnen doen over de vraag hoe een Afrikaan slaaf kon worden? Licht je keuze kort toe. Opdracht 4 Bestudeer bron 10. In de tekst worden onwetendheid en onkunde als de belangrijkste oorzaken van de hoge sterfte tijdens een slavenreis genoemd. Maak duidelijk dat bron 10 een goed voorbeeld van deze ‘onwetendheid en onkunde’ beschrijft. Opdracht 5 Stelling: De suikerplantages die in aanvankelijk in Suriname werden aangelegd waren winstgevender dan de later aangelegde koffieplantages. Noem drie argumenten om de juistheid van deze stelling aan te tonen.

bron 14 Een door de aardewerkfabrikant Wedgwood gemaakte penning, met het motto van de abolitionisten.


12

7 Tijd van pruiken en revoluties

Opdracht 6 gebondenheid aan tijd en plaats Een van de eerste acties na de aankoop van een slaaf was het brandmerken. Vaak gebeurde dit twee keer: eerst door de kapitein van een slavenschip en later nog eens door de plantage-eigenaar. Kapiteins hadden hiervoor nauwgezette instructies. Een citaat daaruit: ‘Dat alvorens de plaats daar ’t merk gestelt zal worden met kaarsvet of olij worde gesmeert. Ten tweede dat het merk niet heeter worde gemaakt als dat, wanneer het op papier gezet word, het papier dan maar rood wordt.’ a Met welk doel werden de slaven van een brandmerk voorzien? b Bedenk een reden waarom de kapiteins van de slavenschepen zo’n nauwkeurige instructie meekregen. c In de zestiende eeuw waren slaven bijzonder ongelukkig met hun brandmerk en schaamden ze zich ervoor. In de negentiende eeuw veranderde de schaamte soms zelfs in trots. Vanaf wanneer (en waarom) zullen slaven hun brandmerk met trots zijn gaan tonen? Opdracht 7 Vaak wordt beweerd dat tijdens de driehoekshandel de kapitein van een schip drie keer winst maakte. Nuanceer met de inhoud van deze paragraaf deze bewering. Opdracht 8 representativiteit van bronnen Bron 13 is geschreven door Olaudah Equiano, een Eboejongen uit het koninkrijk Benin. Rond 1760 werd Equiano op tienjarige leeftijd ontvoerd. Hij kwam als slaaf in West-Indië terecht. Hij leerde Engels, trof het goed en kon zich op eenentwintigjarige leeftijd al vrijkopen. Hij ging naar Engeland, waar hij een vooraanstaand lid van de antislavernijbeweging werd. Hij was een van de weinige slachtoffers die zijn belevenissen op schrift heeft gesteld. a Is het levensverhaal van Equiano een representatieve bron voor de slavenhandel en slavernij? Licht je antwoord kort toe. b Is het levensverhaal van Equiano een betrouwbare bron voor de slavenhandel en slavernij? Licht je antwoord kort toe. Opdracht 9 examenopdracht De Engelse abolitionisten concentreerden aan het eind van de achttiende eeuw hun aandacht vooral op de afschaffing van de trans-Atlantische slavenhandel. Hun strijd tegen de eigenlijke slavernij was in het begin minder belangrijk. Dit deden ze in de veronderstelling dat door de afschaffing van de slavenhandel het lot van de al in Amerika werkzame slaven zou verbeteren. Beschrijf de redenering die de abolitionisten hierbij volgden.

Opdracht 10 samenvatting Hieronder staan drie rijtjes met vier woorden. Eén woord hoort er telkens niet bij. 1 trans-Atlantische slavenhandel – VOC – driehoekshandel – plantagekoloniën 2 koffie – katoen – tarwe – cacao 3 Ouladah Equiano – Portugal – abolitionisme – 1807 a Neem de nummers over en zet erachter welk woord er niet bij hoort. b Beargumenteer bij elk woord waarom het er niet bij hoort. c Schrijf bij elke set van drie woorden een kort verhaal (maximaal vijf regels), waarin de onderlinge samenhang van de drie woorden duidelijk wordt.

Kennis: 1, 10a Begrip: 2, 6a, 6b, 8, 10b Toepassing: 3, 4, 9, 10c Analyse: 5, 6c 7


7.2

Rationeel optimisme en verlicht denken Kenmerkend aspect

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale verhoudingen.

bron 15 In de Salon van Madame de Geoffrin kwamen tal van schrijvers en geleerden bij elkaar om de

discussiëren over de vraag hoe de nieuwe samenleving eruit zou moeten zien. Op dit schilderij van Gabriel Lemonnier zijn onder andere Montesquieu, Rousseau en Diderot afgebeeld.

De kern Het abolitionisme past goed in het algemene tijdsbeeld van na 1750, toen de westerse wereld doordrongen raakte van de ideeën van de Verlichting. De Verlichting borduurt voort op de resultaten van de wetenschappelijke revolutie, een van de kenmerken van het vorige tijdvak. Toen lag de nadruk nog op (natuur)wetenschappelijke onderzoek. Nu beperkten wetenschappers zich niet meer tot wiskundige of natuur­ kundige vraagstukken, maar hielden ze zich ook bezig met godsdienstige kwesties, economie, opvoeding en sociale verhoudingen. Met andere woorden: hoe zit de samenleving in elkaar en hoe kan het anders en beter? Het rationalisme zou de sleutel tot het antwoord op deze vele vragen zijn. Hiermee wordt bedoeld dat als de mens zijn verstand (de rede, de ratio) maar zou gebruiken, hij de wereld naar zijn hand zou kunnen zetten. Veel denkers waren er van overtuigd dat de mensheid in ellende en armoede leefde door een gebrek aan kennis. Bij de verlichte denkers heerste een groot vertrouwen in de toekomst: dankzij gebruik van het gezonde verstand zou de mensheid vooruit gaan. De Verlichting is dan ook de tijd van rationeel optimisme. Het verlichte denken zou een einde maken aan ‘de duistere tijd’ van onverdraagzaamheid, onwetendheid en onredelijkheid. De Verlichtingsfilosofen uitten veel kritiek op de bestaande samenleving, met ’absolutisme’ en ’standenmaatschappij’ als twee belangrijke kenmerken. Deze samenleving kreeg later de naam Ancien Régime (letterlijk: de Oude Orde). De

Verlichtingsfilosoof Montesquieu ergerde zich aan het absolutisme in Frankrijk. Hierbij was de vorst oppermachtig. Hij was zowel wetgever, bestuurder als ook hoogste rechter. In de ogen van Montesquieu leidde het absolutisme tot machtsmisbruik. In zijn ogen moesten wetgeving, bestuur en rechtspraak van elkaar gescheiden worden. Als los van elkaar functionerende machten konden deze drie elkaar in evenwicht houden. De onderdaan zou daarvan het meest profiteren. Montesquieu noemde zijn alternatief de ’trias politica’ (driedeling van de macht). Het belang van het onderwerp In de westerse wereld groeide de parlementaire democratie met een driedeling van de macht uit tot het meest toegepaste politieke stelsel. Zo zijn uit de Verlichting meer kernonder­ delen van het westerse gedachtegoed voortgekomen: vrijheid en gelijkheid, democratie en mensenrechten, de voorkeur geven aan een wetenschappelijk bewijs in plaats van het erkennen van de sturende hand van God, zijn een paar van deze kernpunten. De Verlichting is een zeer belangrijke fase in de ontwikkeling van het denken van ‘de westerse mens’.

Onderzoeksvraag

Op welke gebieden wilden de Verlichtingsfilosofen de bestaande maatschappij veranderen?


14

7 Tijd van pruiken en revoluties

Durf te denken Het abolitionisme dat in de vorige paragraaf is beschreven, kwam niet uit de lucht vallen. Bijna de hele achttiende eeuw droegen denkers en schrijvers bouwstenen aan voor een betere en meer rechtvaardige wereld. Zij worden met de verzamelnaam ‘Verlichtingsfilosofen’ aangeduid. Hoewel ze onderling veel van elkaar verschillen, hebben ze een paar punten met elkaar gemeen. De Duitse filosoof Immanuel Kant vatte dit aan het eind van de Tijd van pruiken en revoluties kernachtig samen:

Voor deze Verlichting is echter niets anders dan vrijheid vereist. En wel het meest onschadelijke van alles, wat slechts vrijheid mag heten, namelijk: de vrijheid om bij alles openbaar gebruik van het verstand te maken. Nu hoor ik echter van alle kanten roepen: denk niet zelf! De officier zegt: niet denken, maar exerceren! De belastingambtenaar: niet denken, maar betalen! De geestelijke: niet denken, maar geloven! … Overal wordt hier de vrijheid ingeperkt. Maar welke inperking belemmert de Verlichting en welke niet? En wat is er juist bevorderlijk voor? – Mijn antwoord is: Het openbare gebruik van het verstand moet altijd vrij zijn, en alleen dat kan de Verlichting onder de mensen tot stand brengen. Immanuel Kant, Wat is Verlichting?, 1784.

bron 16

Verspreiding Verlichtingsideeën De overtuiging dat door het menselijk verstand (de ratio, de rede) te gebruiken alle moeilijke vraagstukken, problemen en onrechtvaardigheden opgelost zouden kunnen worden, wordt het rationalisme genoemd. Het rationalisme borduurt verder op de in het vorige hoofdstuk behandelde Wetenschappelijke Revolutie. Er is echter een groot verschil. Denkers en wetenschappers uit de tijd van Regenten en Vorsten, zoals Huygens en Van Leeuwenhoek, maakten nog deel uit van een wetenschappelijk netwerk dat geïsoleerd functioneerde. Hun baanbrekende denkbeelden circuleerden in een kleine kring. In de tijd van Pruiken en Revoluties kwam het werk van de verlichtingsfilosofen wel bij een grote groep mensen over de vloer. In Frankrijk haalden sommige kranten een oplage van twintigduizend exemplaren. Gemiddeld werd elke krant door zes personen gelezen. De groeiende groep lezers was niet allen geïnteresseerd in nieuws. Ze hunkerden naar kennis. Veel van de bestaande kennis en nieuwe opvattingen werd samengevat in de Encyclopédie. Denis Diderot en Jean d’Alembert gaven leiding

bron 17 Titelplaat van de Encyclopédie. Dit naslagwerk bevatte in totaal 72.000 artikelen die door meer dan tweehonderd verschillende auteurs waren geschreven.

aan een team van meer dan 200 deskundigen. Ieder kreeg de opdracht om over hun eigen vakgebied artikelen te schrijven. Tussen 1751 en 1772 verschenen 28 delen waarin een groot deel van de toenmalige kennis werd samengevat. Deze ‘moeder der naslagwerken’ oefende in heel Europa op het denken van de burgerij grote invloed uit. De verlichte denkbeelden drongen ook door tot de vorsten en hun naaste medewerkers . Niet iedereen was even gelukkig met de inhoud van de Encyclopédie. In 1752 eisten de adel en de geestelijkheid dat artikelen waarin de religieuzen werden aangevallen, verboden werden en dat iedereen die betrapt werd op het drukken en het verspreiden ervan een zware boete zou krijgen. Het verbod had een averechts effect, want de verkoop werd gestimuleerd. De Verlichtingsfilosofen kenden ook manieren om te voorkomen dat boeken verboden werden. Ze schreven over de situatie in een ver land, maar elke lezer wist meteen dat het


7.2 Rationeel optimisme en verlicht denken

bron 18 Een Engelse spotprent uit 1783, waarin de vorming van een nieuwe regering bekritiseerd wordt.

eigenlijk over het eigen land of de eigen vorst ging en dat daarop kritiek werd geleverd. Montesquieu (1689-1755) liet in 1721 in Amsterdam zijn roman Lettres persanes (Perzische brieven) verschijnen. In dit boek maken twee Perzen een rondreis door Frankrijk. Zij sturen een groot aantal brieven naar het thuisfront. De bezoekers verbaasden zich over allerlei (in hun ogen) vreemde gewoonten en gebruiken, die in Frankrijk op dat moment bestonden. Dit brievenboek bleek een zeer geschikte vorm om kritiek te uiten. Lettres persanes wordt beschouwd als het eerste boek van de Franse Verlichting.

Trias politica Montesquieu verbleef tussen 1729 en 1731 in Engeland. Hier maakte hij kennis met het Engelse staatsbestel, dat hij in De l’esprit des lois (Over de geest der wetten, 1748) uitgebreid beschreef.

De essentie van de Engelse monarchie was de scheiding der machten. De wetgevende macht was in handen van het parlement, verdeeld in een Lagerhuis en een door de adel en geestelijkheid bevolkt Hogerhuis. De koning was belast met het uitvoerende gezag en de landsverdediging. Een onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak garandeerde dat de vrijheid van de burgers gehandhaafd bleef. Het resultaat was opvallend genoeg geen gebrek aan daadkracht. Integendeel, de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht werden door de omstandigheden op een subtiele manier tot handelen gedwongen en tegelijkertijd tot onderling overleg en samenwerking. W. Frijhoff en L. Wessels, red., Veelvormige dynamiek. Europa in het ancien régime, 1450-1800, 2006.

bron 19

15

De scheiding der machten die Montesquieu beschrijft, is ook wel bekend geworden als de trias politica (de driemachten­leer). In de zuiverste vorm van scheiding der machten is het de taak van het parlement om wetten vast te stellen. De uitvoering en handhaving daarvan (bijvoorbeeld door de politie) wordt aan de regering overgelaten. Een tweede taak van het parlement is om de uitvoerende macht te controleren. Daarnaast is er een onafhankelijke rechterlijke macht. Deze spreekt recht op basis van de door het parlement vastgestelde wetten. Alleen zij heeft de bevoegdheid om misdaden te straffen en geschillen tussen burgers op te lossen. Parlement en regering hebben dus geen zeggenschap over het oordeel van de rechter. Montesquieu wil de spreiding der machten om de vrijheid van de burger te waarborgen. Die vrijheid kan volgens hem alleen bereikt worden als burgers zich veilig voelen. Volgens Montesquieu leert de ervaring echter dat mensen met macht geneigd zijn die te misbruiken. Daarom moeten er zekerheden ingebouwd worden om te zorgen dat niemand onevenredig veel macht krijgt. De drie machten moeten daarom niet alleen los van elkaar staan, maar ze moeten ook de mogelijkheden hebben om elkaar in balans te houden.

7.2 Opdrachten Opdracht 1 Lees bron 16. Immanuel Kant had een motto: Sapere aude! In het Nederlands vertaald: Durf te weten! Er was dus blijkbaar lef voor nodig om af te gaan op het eigen verstand. a Waarom was er in de achttiende eeuw lef voor nodig om op het eigen verstand af te gaan? b Leg in eigen woorden uit waarom het motto van Immanuel Kant – Durf te weten! – treffend weergeeft waar de verlichtingsfilosofen naar streefden. Opdracht 2 gebondenheid aan tijd en plaats Bestudeer bron 19. Hierna volgt enige achtergrondinformatie bij deze prent. Onder de prent staat: A new administration; or – the state quacks administering. De linkerfiguur is Frederick North, 2nd Earl of Guilford (1732-1792). De figuur in het midden is Charles James Fox (1749-1806). De tekening is in 1783 gemaakt door James Gilray (1756-1815). a Zoek met behulp van deze gegevens na op welke gebeurtenis deze prent betrekking heeft. b Wat zegt het gegeven dat zowel de maker van deze prent (James Gilray) als de uitgever (William Humphrey) bekend zijn, over de mate van vrijheid in Engeland aan het eind van de achttiende eeuw? c Hoe was de situatie in Frankrijk?


16

7 Tijd van pruiken en revoluties

Opdracht 3 De Encyclopédie bleek een ideaal boekwerk te zijn om kritiek op de bestaande maatschappij te kunnen leveren. a Beschrijf de kenmerkende eigenschappen van een algemene encyclopedie. b Bedenk waarom het zo goed mogelijk is om in een encyclopedie kritiek te leveren op de bestaande maatschappij. Opdracht 4 Lees bron 20 over Malesherbes, een Franse edelman in dienst van Lodewijk XV. Het absolutisme tijdens de regeerperiode van Lodewijk XV werd eens omschreven als ‘een vermolmd huis dat op instorten staat’. Leg met behulp van de inhoud van deze bron uit dat dit een rake typering is.

Tussen 1750 en 1763 bekleedde Malesherbes een positie die van cruciaal belang was voor de verdediging van wat hij, evenals vele anderen uit de elite, als een fundamentele vrijheid beschouwde. Dit was de vrijheid tot lezen. In deze jaren was hij directeur de la librairie: de functionaris die besliste of een boek mocht worden uitgegeven. Onder zijn bewind werd praktisch alles gepubliceerd, behalve uitgesproken atheïstische werken, traktaten die aanzetten tot koningsmoord of pornografie. Maar het belangrijkste was dat Rousseau en de redacteuren van de Encyclopédie, Diderot en d’Alembert, de bescherming kregen die ze nodig hadden om hun grote werk te produceren. In 1752 eiste de Koninklijke raad, vertoornd over artikelen in het tweede deel waarin de jezuïeten werden aangevallen, dat dit deel werd verboden en dat iedereen die betrapt werd op het drukken en distribueren ervan een zware boete zou krijgen. Erger nog, Malesherbes kreeg opdracht alle betrokken manuscripten, platen, ongebonden en gebonden exemplaren in beslag te nemen. In plaats daarvan waarschuwde hij niet alleen Diderot voordat de politie arriveerde, maar overreedde hem zelfs het aanstootgevende exemplaar in Malesherbes’ eigen huis te verbergen, in de juiste veronderstelling dat dit de laatste plaats was waar ze naar belastend materiaal zou zoeken. Simon Schama, Burgers. Een kroniek van de Franse Revolutie, 1989.

bron 20 Bron over Malherbes, een Franse edelman in dienst van Lodewijk XV.

Opdracht 5 samenvatting Hieronder volgen acht begrippen, omschrijvingen of typeringen. Vier daarvan passen het best bij de Tijd van vorsten en regenten (de Wetenschappelijke Revolutie). De vier andere passen beter bij de Tijd van pruiken en revoluties (de Verlichting). Neem onderstaand schema over en vul dit met de namen uit het lijstje in. Zet de namen die in zekere zin bij elkaar horen (of elkaars tegenstellingen zijn) op dezelfde regel. Latijn – algemeen – populariserend – natuurwetenschappen – specialistisch – menswetenschappen – volkstaal – theoretisch. Tijd van vorsten en regenten … … … …

Tijd van pruiken en revoluties … … … …

Opdracht 6 Leg in eigen woorden uit waarom de trias politica van Montesquieu onverenigbaar is met het absolutisme. Opdracht 7 samenvatting Hieronder volgen drie stellingen. Leg in eigen woorden uit waarom deze stellingen juist zijn. 1 Het verlichte denken bleef niet beperkt tot politieke onderwerpen, maar was veel breder. 2 De Verlichting leidde tot een groot optimisme over de toekomst van de mensheid. 3 In Artikel 1 uit de Nederlandse Grondwet (‘Allen die zich in Nederland bevinden , worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’) is het effect van het verlichtingsdenken nog goed herkenbaar.

Kennis: 2a, 3a Begrip: 1a, 2c, 4, 5 Toepassing: 1b, 2b, 3b, 7 Analyse: 6


7.3

Verlicht absolutisme Kenmerkend aspect

Voortbestaan van het Ancien Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

bron 21 Frederik de Grote, koning van Pruisen, bezoekt een boerengezin aan het werk op het land. Schilderij van Robert Warthmüller (eind negentiende eeuw).

De kern Veel Europese landen bezaten in de Tijd van pruiken en revoluties nog alle kenmerken van een standenmaatschappij. Afhankelijk van afkomst, ambt of beroep behoorde men tot een van de drie standen met elk eigen privileges (voorrechten). Omdat de eerste en tweede stand nauwe banden met het hof hadden, was het moeilijk om aan deze historisch gegroeide situatie iets te veranderen. De absolute vorsten in Europa zaten aanvankelijk stevig in het zadel. Hun macht ontleenden ze aan het droit divin (letterlijk: het goddelijk recht), wat betekent dat zij hun macht rechtstreeks van God gekregen zouden hebben. Toch waren er een paar vorsten die voorzichtig voelden voor de ideeën van de Verlichting. Hun manier van regeren wordt omschreven als verlicht absolutisme. Deze vorsten zagen zichzelf als de eerste dienaar van de staat en beschouwden het als hun taak om het welzijn van hun onderdanen zo veel mogelijk te bevorderen. Hun maatregelen op economisch gebied waren het meest succesvol. Deze koningen zijn ook bekend onder de naam verlichte despoten (een despoot is een alleenheerser, een tiran). Zij vonden het namelijk niet verstandig om de gewone onderdanen inspraak te geven. Hun leuze was: ‘alles voor, maar niets door het volk’.

Het belang van het onderwerp Tegenwoordig beschouwen de meeste mensen in de westerse wereld de democratie als de beste regeringsvorm. Maar het duurt lang voordat een volk de spelregels van de democratie goed beheerst. Als de voorwaarden niet goed zijn of als het tempo van veranderingen te hoog is, dan wil het invoeren van de democratie wel eens in chaos eindigen. In de Tijd van pruiken en revoluties zijn er in enkele landen, zoals Pruisen, Rusland of Oostenrijk, vorsten aan de macht geweest die probeerden het oude met het nieuwe te laten versmelten. Deze overgangsvorm tussen absolutisme en democratie kent vandaag de dag navolgers in Zuid-Amerika, Afrika, in het Midden-Oosten en in delen van de vroegere Sovjet-Unie. Zo is het experiment van het verlicht absolutisme nog steeds een actueel thema.

Onderzoeksvraag

Was aan het eind van Ancien Régime het verlicht absolutisme een werkbaar alternatief voor het absolutisme?


18

7 Tijd van Pruiken en Revoluties

Standenmaatschappij

Voorrechten eerste en tweede stand

In de elfde eeuw formuleerde bisschop Adalbero van Laon kernachtig een definitie van de standenmaatschappij zoals die toen overal in Europa bestond. ‘Op aarde zijn er sommigen die bidden, sommigen die strijden, en sommigen die arbeiden; deze drie vormen een eenheid en verdragen het niet van elkaar gescheiden te worden’. De eerste stand (de geestelijkheid) en de tweede stand (de adel) waren vanouds belangrijke adviseurs en helpers van de vorsten. De rest van de bevolking vormde de derde stand. In de tijd van Adelbero waren dat vooral boeren. Maar door de opkomst van de steden verloor de Europese samenleving haar exclusief agrarische karakter. De stedelijke burgerbevolking ontwikkelde zich tot het invloedrijkste deel van de derde stand. De leden van elke stand hadden gemeenschappelijke belangen, met een vergelijkbare levenswijze als gevolg. Hierdoor ontwikkelden zich gemeenschappelijke normen en gedragscodes. De sociale verhoudingen waren daardoor voor velen een vaststaand gegeven: niemand wilde de verworven positie prijsgeven.

De eerste en tweede stand genoten allerlei voorrechten en privileges. De gedeeltelijke vrijstelling van belastingen was daarvan de belangrijkste. Bovendien genoot de geestelijkheid het tiendrecht: het recht op een tiende van de oogst, waarmee ze in haar onderhoud moest voorzien. Adellijke grondbezitters hadden allerlei ‘heerlijke’ rechten, die nog uit de Middeleeuwen dateerden. Onder de boerenbevolking was vooral het jachtrecht van de adel zeer gehaat, omdat de edelen tijdens de jacht vaak een deel van de oogst op het veld vernielden.

‘In de Franche-Comté was er een seigneur [een landheer] die zei dat hij het recht had zijn leenmannen ’s winters mee op jacht te nemen en ze daar “hun ingewanden te laten ledigen zodat hij zijn voeten kon warmen in hun uitwerpselen”. Ook in Bourgondië waren dit soort buitenissigheden blijven bestaan, zoals de verplichting de tong van iedere geslachte os af te geven opdat het château van die lekkernij kon genieten. In de Vogezen bestond een soortgelijk recht op de testikels van een stier. Ergerlijker was het gebruik waardoor een boer zijn land niet kon verkopen zonder toestemming van de heer en het land alleen kon nalaten aan een directe verwant die bij hem in huis had gewoond.’ Simon Schama, Burgers. Een kroniek van de Franse Revolutie, 1989.

bron 23

bron 22 De Franse standenmaatschappij. Een spotprent uit 1789.

Veel openbare ambten waren uitsluitend voorbehouden aan leden van de eerste en tweede stand. Speciale diploma’s of bekwaamheden waren niet nodig: een adellijke titel of een zak met geld volstond, omdat deze ambten gekocht en verkocht konden worden. Niet zelden waren dit inhoudsloze betrekkingen. In de hofhouding van Lodewijk XV (1710-1774) hadden meer dan vijfhonderd edelen een goed betaalde, maar louter ceremoniële functie. Er liepen in Versailles twintig Koninklijke Bekerdragers rond (niet te verwarren met de vier dragers van de Koninklijke Wijn). Er waren zestien ‘spittendraaiers’ van het Koninklijk Gebraad. Honderden edelen verdienden de kost met baantjes als proever, kaarsensnuiter of zoutaanreiker. De vorsten die op deze manier het Ancien Régime lieten voortbestaan, kregen in de loop van de achttiende eeuw te maken met een een chronisch gebrek aan geld. Zij probeerden dit probleem op te lossen door de belastingen keer op keer te verhogen. Dit deed hun populariteit geen goed. De afkeer werd nog vergroot door de bijzondere manier waarop de belastingheffing was georganiseerd.


7.3 Verlicht absolutisme

19

Belastingpachters Het gewone volk was onder meer ontevreden over het feit dat het grootste deel van de belastingen uit accijnzen bestond. Bovendien werd de belastingheffing ‘verpacht’. In Frankrijk sloot de koning iedere zes jaar een pachtcontract met de groep van belastingpachters. Deze groep betaalde vooraf het afgesproken bedrag en mocht in ruil daarvoor zelf de belangrijkste accijnzen innen. Maar er was een groot verschil tussen wat mensen aan de belastingpachters betaalden en wat deze op hun beurt aan de Koninklijke schatkist afdroegen. Om die reden werden de belastingpachters ‘een bende van roofzuchtige bandieten met Koninklijke goedkeuring’ genoemd. Om de belastingen te ontduiken ontstond er een levendige smokkelhandel. Om de smokkelaars af te schrikken werden zeer zware straffen aangekondigd. Geselen, brandmerken, de galeien of, bij gewelddaden tegen de ambtenaren, de doodstraf door radbraking. Geen wonder dat de belasting­ pachters bijzonder werden gehaat. De ontevredenheid over de belastingheffing was een belangrijke oorzaak voor de steeds luidere roep om verandering.

Een nieuwe wind Frederik II van Pruisen (1712-1786), bijgenaamd Frederik de Grote, sloeg een nieuwe weg in. Hij was een van de vorsten die uit eigen beweging enkele beginselen van de Verlichting op zijn manier van regeren toepasten. Frederik zag zich als ‘de eerste dienaar van de staat’, niet meer en niet minder. Toen hij in 1740 de macht in Pruisen overnam, liet hij zijn ministers meteen weten dat van verworven rechten geen sprake meer zou zijn. Ook voor hemzelf had de theorie van het droit divin

‘Ziehier, in het algemeen, de plichten die een vorst moet nakomen. En om te verzekeren dat hij ze nooit vergeet, moet hij zich geregeld voorhouden dat hij slechts een mens is, net als zijn minste onderdaan; als hij de eerste rechter, de eerste generaal, de eerste minister van de samenleving is, dan is hij dat niet om zich aan zichzelf over te geven, maar om de daarbij behorende plichten uit te voeren. Hij is slechts de eerste dienaar van de staat, verplicht om in eerlijkheid, wijsheid en met een totaal gebrek aan eigenbelang te handelen, alsof hij ieder moment geroepen kan worden om zijn rentmeesterschap tegenover zijn medeburgers te verantwoorden.’ Frederik de Grote, Essai sur les formes de gouvernement et sur les devoirs des souverains, 1777; aangehaald in: T.C.W. Blanning, Frederick the Great and enlightened absolutism, London, 1989.

bron 24

bron 25 Leden van de Pruisische Academie van Wetenschappen

aan tafel bij Frederik II van Pruisen. Derde van links zit de Franse filosoof Voltaire. Schilderij van Adolph von Menzel uit 1850.

geen enkele waarde. Hij verwierp de opvatting dat de vorst zijn macht direct van God had ontvangen en dus alleen aan Hem verantwoording verschuldigd was. In plaats daarvan baseerde Frederik zijn machtsaanspraken op de gedachte van een maatschappelijk verdrag. Hierin droegen de onderdanen de autoriteit over aan een vorst. Opzegbaar was dit contract overigens niet: in die zin bleef Frederik een absoluut heerser. Frederik regeerde bijna een halve eeuw (van 1740 tot 1786) en heeft in die jaren veel tot stand gebracht. Hij had de rechtspraak hervormd, de religieuze tolerantie nieuwe impulsen gegeven, de belastingheffing effectiever gemaakt, de overheidsbureaucratie verder geprofessionaliseerd en een actieve economische politiek gevoerd. Er waren nieuwe handelmaatschappijen opgericht, het aantal interne tollen was verminderd en de infrastructuur was door het kanaliseren van rivieren verbeterd. Daarnaast was de verbetering van landbouwmethoden gestimuleerd en waren in Pruisen grote stukken nieuwe landbouwgronden door ‘interne kolonisatie’ en een tolerant immigratiebeleid in cultuur gebracht.


20

7 Tijd van pruiken en revoluties

Alles voor de onderdanen

7.3 Opdrachten

Frederik was geen revolutionair die de bestaande maatschappelijke orde wilde doorbreken. Hij probeerde zijn onderdanen te vriend te houden – maar binnen zekere grenzen! Onderdanen moesten vooral gehoorzaam en nuttig zijn, als soldaten of ambtenaren, of als economische producenten en belastingbetalers. Uiteindelijk domineerden in Frederiks afwegingen altijd de belangen van de staat.

Opdracht 1 De praktijk van het kopen en verkopen van ambten en het verpachten van de belastinginning is wel omschreven als gelegaliseerde afpersing. Leg uit waarom dit een goede omschrijving is.

‘Om ‘de eerste dienaar van de staat’ te kunnen zijn moest hij zijn ware ‘verlichte’ karakter als het ware opofferen voor de Pruisische staatsraison, die van hem verlangde dat hij machtspolitiek zou bedrijven, oorlogen voeren, veldslagen aangaan, gebieden innemen, verbonden en verdragen verbreken, geld vervalsen en uit zijn onderdanen en soldaten, en niet in het minst uit zichzelf het uiterste te halen, kortom de koning van Pruisen zijn. Hij raakte daarover verbitterd. Hij werd geen tiran als zijn vader, maar een ijskoude cynicus, een boosaardige kwelgeest van zijn omgeving, die van niemand hield en van wie niemand hield, bitter onverschillig ten aanzien van zijn persoon, onverzorgd, vuil, altijd in hetzelfde uniform, altijd aan het werk, altijd op zijn post, zich onvermoeibaar wijdend aan zijn verafschuwde handwerk, een groots koning tot aan de laatste ademtocht, maar met een gebroken ziel.’

Opdracht 3 Welk belang had Lodewijk XV om een grote groep edelen nietszeggende functies aan zijn hof in Versailles te laten vervullen? Noem twee redenen.

S. Haffner, Pruisen. Deugden en ondeugden van een miskende staat, Amsterdam, 2004.

bron 26

Opdracht 2 Bekijk bron 22. a Geef een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van wat je op deze tekening ziet. b Zoek op internet een andere prent die betrekking heeft op de derde stand (in het Frans: le tiers état). Plaats de tekening zo nauwkeurig mogelijk in plaats en tijd.

Opdracht 4 continuïteit en discontinuïteit De heffing en de inning van de belastingen waren in de Tijd van pruiken en revoluties anders georganiseerd dan in onze tijd. a Werden in dit tijdvak directe of indirecte belastingen geheven? b Ook de inning van de belastingen was in dit tijdvak anders geregeld dan nu het geval is. Leg het verschil tussen de belastinginning in de 18e en in de 21ste eeuw kort uit. c Leg in eigen woorden uit waarom de belastingpachters ‘een bende van roofzuchtige bandieten met Koninklijke goedkeuring’ werden genoemd. Opdracht 5 In de tekst worden in een lange zin enkele zaken opgesomd die Frederik de Grote tijdens zijn regeerperiode tot stand had gebracht:

‘Hij had de rechtspraak hervormd, de religieuze tolerantie nieuwe impulsen gegeven, de belastingheffing effectiever gemaakt, de overheidsbureaucratie verder geprofessionaliseerd en een actieve economische politiek gevoerd.’ bron 27 Het overlijden van Frederik de Grote in de vroege

ochtend van 17 augustus 1786. Ets van J.F. Bock (1786).


21

7.3 Verlicht absolutisme

Lees nog eens wat er in de vorige paragraaf over de trias politica van Montesquieu is geschreven. Neem vervolgens onderstaand schema over. Vul in de tweede kolom een voorbeeld in uit de hierboven aangehaalde zin, dat goed past bij een van de drie machten van Montesquieu. Kies telkens het beste voorbeeld.

Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechterlijke macht

… … …

Opdracht 6 Frederik de Grote beschouwde de Junkers als ‘de mooiste parel in zijn kroon’. a Zoek de betekenis op van de typisch Duitse term Junker. b Op welke manier speelden de Junkers een belangrijke rol in de politiek van Frederik de Grote? c Stelling: Dankzij het bondgenootschap tussen Frederik de Grote en de Junkers verbeterde het algemene levenspeil van de Pruisische bevolking. Licht de juistheid van deze stelling toe met een voorbeeld uit de tekst. Opdracht 7 Lees bron 26. Vind je dat Frederik II van Pruisen terecht de bijnaam Frederik de Grote heeft gekregen? Licht je keuze met argumenten toe. Opdracht 8 Bekijk bron 27. Het zou ondenkbaar zijn geweest dat een Franse hofkunstenaar het overlijden van Lodewijk XIV zo zou hebben afgebeeld. a Hoe zou een Franse hofkunstenaar het overlijden van Lodewijk XIV hebben afgebeeld? b Leg uit dat deze schets goed past bij de wijze waarop Frederik de Grote zijn taak als vorst opvatte. c Op de ets ontbreekt een vertegenwoordiger van een bevolkingsgroep (of beter gezegd: stand) die ook in de Tijd van pruiken en revoluties belangrijk was. Welke is dat? d Zoek op waarom Frederik de Grote geen prijs stelde op de aanwezigheid van deze groep aan zijn sterfbed.

Opdracht 9 samenvatting a Hieronder staat een aantal gedragingen. Lees deze door. Maak een tabel met de titel: Gedrag van verlicht despoot en geef de tabel twee kolommen: een kolom ‘wel’ en een kolom ‘niet’. Wat hoort wel en wat hoort niet bij het gedrag van verlichte despoten? Schrijf elke gedraging in de juiste kolom. 1 Schrijvers en geleerden ontvangen. 2 Lijfstraffen afschaffen. 3 Verkiezingen organiseren. 4 Een parlement instellen. 5 De gevangenissen uitmesten. 6 Wetboeken opstellen. 7 Hard werken voor het welzijn van de onderdanen. 8 Inzage geven in de staatsfinanciën. 9 Zich als vorst laten verheerlijken als een god. b Voeg aan de kolom 2 rijen toe. Noteer in beide kolommen nog twee andere goede voorbeelden van gedragingen die je in de tekst van deze paragraaf kunt vinden.

Kennis: 2a, 4a, 6a, 8c, 9a Begrip: 1, 3, 4b, 4c, 6b, 8a, Toepassing: 2b, 5, 6c, 7, 8b, 8d, 9d


7.4

Democratische revoluties Kenmerkend aspect

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

bron 28 Deze tekening verkondigt de boodschap dat in de jaren 1789/1791 de drie standen (v.l.n.r. de geestelijkheid, de derde stand en de adel) in grote eensgezindheid de nieuwe grondwet (‘Nouvelle Constitution’) smeden.

De kern Na 1780 klonk de roep om het vastleggen van de rechten en plichten van burgers én overheid steeds luider. In de Verenigde Staten, Frankrijk en in de Republiek vonden aan het einde van de achttiende eeuw democratische revoluties plaats. Hoewel de omstandigheden in deze drie landen verschillend waren, hadden de revoluties gelijksoortige kenmerken. Men baseerde zich onder andere op de denkbeelden van de Verlichting. Vooral het idee van de volkssoevereiniteit – het volk heeft de hoogste macht – was daarbij erg belangrijk. Vóór de revolutie genoten de standen voorrechten, daarna waren mensen voor de wet gelijk. Vóór de revolutie waren censuur en een staatskerk heel normaal. Ná de democratische revoluties waren grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, godsdienstvrijheid en scheiding van kerk en staat vastgelegd in de Grondwet. Veel zaken die tegenwoordig vanzelfsprekend zijn werden tijdens de Verlichting bedacht, zoals staatsburgerschap of het gegeven dat iedereen voor de wet gelijk is en dat zowel burgers als overheid rechten én plichten hebben. Een andere wens was om de (politieke) spelregels vast te leggen. Zij formuleerden grondrechten die burgers zouden moeten beschermen tegen een oneerlijke behandeling door de overheid (of door andere burgers). Bij grondrechten gaat het vooral om meer vrijheid. Vrijheid om te mogen zeggen en schrijven wat men wil. Vrijheid

van keuze om een godsdienst te mogen aanhangen, of om openlijk te twijfelen aan het bestaan van God. De garantie dat ze je niet zonder een officiële beschuldiging in de gevangenis kunnen opsluiten. Het verbieden van folteringen en de afschaffing van de doodstraf hoorden er ook bij. Het belang van het onderwerp Gedurende de hele geschiedenis hebben mensen gedroomd over een ideale samenleving. Er zijn echter ook momenten geweest waarop – althans dat dacht men – het ideaal binnen handbereik was. De Franse Revolutie was zo’n moment. Deze gebeurtenis laat goed zien dat het niet eenvoudig is om in korte tijd grote en blijvende veranderingen door te voeren. Zelfs niet als daarbij op grote schaal geweld wordt gebruikt. De Franse Revolutie leert dat een grote dosis lef en idealisme niet voldoende zijn om een andere, betere en meer rechtvaardige wereld te scheppen.

Onderzoeksvraag

Hoe kwam er tijdens de Franse Revolutie een einde aan de standenmaatschappij en het absolutisme en werd er geprobeerd enkele Verlichtingsidealen in praktijk te brengen?


23

7.4 Democratische revoluties

Op de rand van het bankroet Nadat Lodewijk XVI in 1776 de macht overnam, stapelden de problemen in Frankrijk zich op. Zoals zo vaak, had dat met geld te maken. Uitgerekend in deze jaren met zwaar tegenvallende oogsten, kwam de bodem van de Franse schatkist in zicht. Jarenlang had koning Lodewijk XVI meer geld uitgegeven dan hij binnenkreeg. Een paar cijfers maken duidelijk dat de situatie dramatisch was. In de begroting voor 1788 ging de minister van Financiën ervan uit dat de Franse staat 623 miljoen livres (zoals in die jaren de Franse munteenheid genoemd werd) zou uitgeven, terwijl de inkomsten op 503 miljoen livres geschat werden. Van de uitgaven moest bijna de helft (310 miljoen) gereserveerd worden voor de betaling van rente op in het verleden afgesloten leningen. De enige manier om dit financiële probleem op te lossen was: verhoging van de inkomsten. Dit was een groot probleem, omdat de eerste stand en de tweede stand het privilege (voorrecht) genoten om geen of slechts weinig belasting te hoeven betalen. Zo bezat markies de Piré een vermogen van 2,5 miljoen livres en was per jaar slechts 27 livres aan belasting kwijt. Een doorsnee bakker moest meer betalen.

‘Volgens de meest recente schattingen steeg de Franse bevolking tussen 1705 en 1790 van 22,4 naar 27,9 miljoen zielen. Er was evenwel geen navenante groei in de voedselvoorzieningen. In de landbouw deed zich geen revolutie voor die parallel met die op demografisch gebied liep. (…) In normale jaren gaf de werkende bevolking tussen 45 en 60 procent van zijn inkomen aan brood uit, maar een oogsttekort dat de prijzen in enkele maanden kon verdubbelen of verdrievoudigen, dreef dit getal tot boven de 90 procent op.’ Donald M.G. Sutherland, Revolutie en Contrarevolutie. Frankrijk 1789-1815, Amsterdam, 1989.

bron 29

Grote hervormingen De ministers gaven koning Lodewijk XVI het advies om voortaan ook de geestelijkheid en adel serieus mee te laten betalen. Het waren de edelen die de koning toen wezen op een afspraak die nog uit de middeleeuwen stamde: zonder goedkeuring van de Staten-Generaal mocht de koning geen

bron 30 In 1791 maakte Jacques-Louis David dit schilderij van de gebeurtenis op 20 juni 1789, onder de titel Le Serment du Jeu de paume (De eed op de kaatsbaan).


24

7 Tijd van pruiken en revoluties

nieuwe belastingwetten afkondigen. De koning kon niet anders doen dan toegeven. De Staten-Generaal (letterlijk: een algemene vergadering van de standen) waren sinds 1614 niet meer bij elkaar geweest. Uiteindelijk werd besloten om op dezelfde manier te gaan vergaderen als de laatste keer het geval was. Dit hield in dat er per stand gestemd zou worden (en niet hoofdelijk). Dit was in het voordeel van de adel en de geestelijkheid. Zij waren tegenover de burgerij altijd twee tegen één en konden zo de inhoud én het tempo van het veranderingsproces in eigen hand houden. Dit was tot groot ongenoegen van de derde stand. De rijkere burgerij (de bourgeoisie) wilden juist een einde maken aan de bevoorrechte positie van de geestelijkheid en de adel en hen ook laten meebetalen. Maar de burgerij wilde nog meer: liberté (vrijheid) werd hun leus. Het volk in de steden – kleine zelfstandigen, ambachtsgezellen en het proletariaat – nam geen genoegen met alleen maar een politieke revolutie. Zij wenste ook een sociale omwenteling: egalité (gelijkheid) werd hun slogan. De boeren hadden weer een heel ander verlanglijstje: zij wilden meer land en lagere belastingen. Vrijwel direct na de eerste bijeenkomst van de StatenGeneraal in Versailles (op 5 mei 1789) bleek dat de tegenstellingen tussen de verschillende groepen afgevaardigden onoverbrugbaar groot waren. Omdat er per stand gestemd zou worden, was de kans klein dat de wensen van derde stand in wettelijke besluiten zouden worden omgezet. Daarom keerden de leden van de derde stand de Staten-Generaal de rug toe en riepen zichzelf uit tot Nationale Vergadering. Een paar dagen later (op 20 juni 1789) beloofden ze plechtig om niet uit elkaar te gaan voordat Frankrijk een grondwet zou hebben. Daarna volgden de gebeurtenissen elkaar snel op.

De val van de Bastille In deze periode van verwarring en onzekerheid wilden de Parijzenaars zichzelf verdedigen. Maar daarvoor waren wapens en munitie nodig. Op de ochtend van 14 juli 1789 trok een grote menigte naar het stedelijke wapenmagazijn en maakte daar zonder veel moeite 32.000 musketten buit. Deze geweren werden lukraak aan ieder die er een wilde uitgedeeld. Maar geweren zijn zonder munitie niets waard en die munitie was opgeslagen in de Bastille. Dit was een oud fort, met muren van twintig meter hoog, dat dienst deed als staatsgevangenis. Om die reden was het bij de Fransen een gehaat symbool van het absolutisme.

‘Vanaf eind juni begonnen de meest bizarre geruchten in Parijs te circuleren: dat de afgevaardigden in de Bastille gegijzeld zouden worden, dat anderen geëxecuteerd zouden worden, dat er een troepenmacht van vier duizend man uit Spanje en nog een van negen duizend uit Zwitserland zou komen, dat Parijs vanaf het hooggelegen Montmartre gebombardeerd zou worden en dat de stad verwoest en geplunderd zou worden’. Donald M.G. Sutherland, Revolutie en Contrarevolutie. Frankrijk ­ 1789-1815, Amsterdam, 1989.

bron 31 De Parijzenaars vroegen markies De Launay, de gouverneur van de Bastille, om de 10.000 pond buskuit aan hen over te dragen. Hij weigerde. Een bestorming van de veertiende-eeuwse vesting volgde. Daarbij vielen 98 doden en 73 gewonden. Het beslissende moment kwam halverwege de middag. Leden van de Franse Garde (die eigenlijk in dienst van het stadsbestuur de openbare orde moest handhaven) legden een rookgordijn aan van brandend stro op karren. Hierdoor beschermd sloegen ze een bres in de buitenste verdedigingsring. Vervolgens richtten ze hun kanonnen op een van de ophaalbruggen die toegang tot het binnenplein verschafte. De Launay dreigde toen de munitiemagazijnen op te blazen. Daarmee zou niet allen de Bastille zelf, maar ook de daaromheen liggende woonwijk in de lucht zijn gevlogen. Uiteindelijk bedacht hij zich en gaf zich over. Hij werd door de menigte gedood en onthoofd. Zijn hoofd werd als een trofee op een spies in een optocht door de stad gevoerd. Zo werd het nieuws verspreid dat de Bastille was gevallen. In de reusachtig grote staatsgevangenis bleken maar zeven gevangenen te zitten.

‘Vier van de zeven gevangenen waren valsemunters die in een regulier proces waren veroordeeld. Nummer vijf, een zoon van een graaf, was op verzoek van de familie opgesloten. De overige twee gevangenen waren gekken. Een van hen, ‘majoor Whyte’, leende zich uitstekend voor de revolutionaire propaganda, want hij had een baard tot aan zijn middel. Met zijn hoofddek van zilverkleurige lokken en zijn ineengeschrompelde, benige lichaam was hij de incarnatie van lijden en beproeving. En dus werd Whyte in triomf door de straten van Parijs gedragen, beminnelijk zij het zwak wuivend, want in zijn verdwazing waande hij zich nog steeds Julius Caesar.’ Simon Schama, Burgers. Een kroniek van de Franse Revolutie, 1989.

bron 32


25

7.4 Democratische revoluties

Rechten van de mens De val van de Bastille werd het symbool van de overwinning op het despotisme. In de zomer van 1789 vonden nog twee andere gebeurtenissen plaats die een blijvende invloed hadden. De eerste is de nuit de sacrifices (de nacht der offers), op 4 augustus 1789. Bij deze gelegenheid werden de feodale rechten afgeschaft. Bijna overal verkeerden de mensen in de veronderstelling dat de boerenopstanden de goedkeuring van de koning hadden. Door de tweede gebeurtenis in de zomer van 1789 kwam de burgerij als de grote winnaar van deze revolutie tevoorschijn. In de Declaration des droits et des devoirs de l’homme et du citoyen (26 augustus 1789) kondigde de Nationale Vergadering gelijkheid van allen voor de wet af. Nooit eerder was het staatsburgerschap zo duidelijk in een serie afspraken vastgelegd. Zoals de naam van de verklaring al aangaf (‘Verklaring van de rechten en de plichten van de mens en de burger’) maakte men wel een verschil tussen bevolkingsgroepen. Zo was er een onderscheid tussen bezitters en niet-bezitters. Ook was er een verschil tussen ‘actieve’ burgers met kiesrecht en het recht om zich te bewapenen en ‘passieve’ burgers zonder politieke invloed. De burgerij hield weinig rekening met de belangen van de boeren en met zaken die op het platteland gevoelig lagen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop de Nationale Vergadering met ‘de Kerk’ omsprong. Het kerkelijk bezit – bijna een kwart van de grond in Frankrijk – werd onteigend. Met de opbrengst van deze landerijen probeerde men de staatsschuld te saneren. De staat nam het onderhoud van de priesters voor zijn rekening. Daarom werd een staatskerk ingesteld. Veel dorpspastoors weigerden de gevraagde eed van trouw aan het revolutionaire bestuur af te leggen. Zij gingen de dorpelingen voor in het verzet tegen het nieuwe bewind. Op het platteland was de teleurstelling over het verloop van de revolutie groot. Alleen de rijke burgerij of de grote boeren bleken in staat om de voormalige kerkelijke goederen te kopen. Deze landerijen werden namelijk alleen in grote kavels te koop aangeboden. Zo werd na 1789 de kloof tussen arm en rijk alleen maar groter. Bovendien kwam er zoveel papiergeld in omloop dat inflatie onvermijdelijk was. Hierdoor nam de onrust onder het volk toe.

‘De trap naar het schavot was zo steil dat Lodewijk bij de beklimming moest steunen op de priester. Zijn haar was geknipt. Lodewijk probeerde de immense zee van twintigduizend op het plein opeengepakte gezichten toe te spreken. “Ik sterf onschuldig aan alle misdaden waarvan ik ben beschuldigd. Ik vergeef degenen die mijn dood hebben bewerkstelligd en ik bid dat het bloed dat u gaat vergieten nooit van Frankrijk geëist zal worden.” Op dat moment gaf Santerre opdracht tot tromgeroffel waardoor alles wat de koning verder nog had willen zeggen, werd overstemd. Lodewijk werd vastgebonden op een plank die werd vooruitgeschoven, zodat zijn nek in de klem kwam te liggen. Sanson trok aan het touw en het dertig centimeter brede mes viel met een fluitend geluid door de glijders naar zijn doel. Traditiegetrouw pakte de beul het hoofd uit de mand en toonde het druipend en wel aan het volk.’ Simon Schama, Burgers. Een Kroniek van de Franse Revolutie, 1989.

bron 33

Het einde van het absolutisme En hoe verging het koning Lodewijk XVI? De zomermaanden van 1789 bracht de Koninklijke familie nog in betrekkelijke rust in Versailles door. Maar in het najaar werd zij gedwongen om in het centrum van Parijs te gaan wonen. Daar konden de Parijzenaars hun doen en laten beter in de gaten houden. In

bron 34 Het afgehakte hoofd van Lodewijk XVI. De tekstregel

erboven betekent: ‘Stof tot nadenken voor de gekroonde jongleurs’. De tekstregel onderaan is een regel uit de Marseillaise: ‘Laat onzuiver bloed onze velden doordrenken’.


26

7 Tijd van pruiken en revoluties

juni 1791 was voor Lodewijk XVI en zijn vrouw MarieAntoinette de maat vol. In het diepste geheim bereidden zij een ontsnappingsplan voor: ze wilden Frankrijk verlaten. Deze poging mislukte en de Koninklijke familie werd net voor de grens met de toenmalige Oostenrijkse Nederlanden gevangen genomen en teruggevoerd naar Parijs. Stap voor stap beroofde men de koning van zijn macht. In de zomer van 1791 werd Lodewijk XVI gedwongen om de Grondwet te ondertekenen. In deze wet waren de belangrijkste grondrechten van zijn onderdanen nauwkeurig vastgelegd. Weer een jaar later, op 20 september 1792, verloor de koning ook het laatste restant van zijn macht. In Frankrijk werd de monarchie vervangen door een republiek. In dit jaar was Frankrijk in oorlog geraakt met enkele buurlanden. Om te voorkomen dat Lodewijk XVI opnieuw verraad zou plegen, zette men hem en zijn gezin gevangen. In januari 1793 werd de koning als ‘burger Capet’ voor de rechtbank gebracht. Nadat het vonnis was uitgesproken, speelde zich een van de beroemdste gebeurtenissen van de Franse Revolutie af.

De revolutie gaat de grenzen over Lodewijk was niet het eerste en zeker niet het enige slachtoffer van de revolutie. Onder leiding van de meedogenloze, onomkoopbare Robespierre voerden de radicalen onder de revolutionairen (de Jacobijnen) bloedige zuiveringen door tegen zogenaamde volksvijanden. In deze periode, bekend onder de naam de Terreur (1793-1794), kwamen alleen al in Parijs meer dan drieduizend mensen onder de guillotine. Er vloeide niet alleen bloed in Frankrijk zelf, maar ook daarbuiten. Vanaf 1792 was Frankrijk voortdurend in oorlog met de buurlanden. De revolutionairen brachten een leger op de been om de revolutie te redden. Dat leger zou niet vechten voor een koning zoals voorheen. Het volksleger, dat vooral uit boeren bestond, zou uit vaderlandsliefde ten strijde trekken voor ‘la Patrie’, het vaderland dat in gevaar was. Vol geestdrift werd het in deze jaren gecomponeerde Franse volkslied (de Marseillaise) gezongen: Allons, enfants de la Patrie! (Kom, kinderen van het vaderland). Met de successen van de revolutionaire legers werd niet alleen de revolutie in Frankrijk veilig gesteld, het was ook mogelijk in

bron 35 Napoleon kroonde, onder het toeziend oog van de paus, zijn vrouw Josephine tot keizerin. Jacques-Louis David legde deze gebeurtenis vast in een meer dan 50 m2 groot schilderij.


27

7.4 Democratische revoluties

de veroverde gebieden de revolutionaire denkbeelden te realiseren. In 1795 deed een Frans revolutieleger vanuit de reeds veroverde Oostenrijkse Nederlanden met succes een inval in de Republiek. Voortaan heette die de Bataafse Republiek. De oude gewesten werden vervangen door departementen, er kwam een grondwet, een parlement, een nieuwe gerechtelijke indeling, godsdienstvrijheid, opheffing van tollen, eenheid van belastingen en een nationaal onderwijsstelsel. Van echte onafhankelijkheid was geen sprake. De Franse bezetter controleerde het bestuur en de Bataafse Republiek moest flink meebetalen.

Napoleon Bonaparte Jonge generaals, zoals Napoleon Bonaparte (1769-1821), wonnen in deze periode aan populariteit. In 1799 maakte Napoleon met een staatsgreep een einde aan de revolutionaire chaos in Frankrijk. Het geteisterde volk was hem dankbaar. In 1804 riep hij zichzelf in een pompeuze kroningsplechtigheid in de Parijse kathedraal van Nôtre Dame uit tot keizer Napoleon I. Hij ontpopte zich als een alleen­ heerser die geen tegenstand duldde. Hij liet grote openbare werken uitvoeren. Met de Code Napoléon zorgde hij voor eenheid in de rechtspraak in Frankrijk en alle veroverde gebieden. De Code Napoléon is tot op de dag van vandaag in vele Europese landen de basis van het recht. In 1805 sloten Engeland, Rusland en Oostenrijk een bondgenootschap tegen Frankrijk. Maar de Franse legers boekten voorlopig alleen maar overwinningen. Steeds meer gebieden werden bij Frankrijk gevoegd. Familieleden profiteerden van zijn successen. Zijn broer Joseph werd koning in Spanje en na de opheffing van de Bataafse Republiek werd zijn jongste broer Lodewijk Napoleon in 1806 koning van het Koninkrijk Holland. Om Groot-Brittannië op de knieën te krijgen kondigde Napoleon het Continentaal Stelsel af: alle Britse handel met het vasteland werd geblokkeerd. Alleen de Russische tsaar trok zich niets aan van het Continentaal Stelsel. Om hem te straffen, ging Napoleon in 1812 aan het hoofd van een leger van zeshonderdduizend soldaten richting Moskou. De veldtocht naar Rusland werd een enorme mislukking. Slechts tien procent van zijn soldaten overleefde de barre tocht. Oostenrijk, Pruisen en Engeland slaagden er toen in het zwaar gehavende Franse leger te verslaan. Troepen van de geallieerde tegenstanders trokken Frankrijk binnen. In 1814 deed Napoleon afstand van de troon. Hij werd verbannen naar het eiland Elba, maar kon ontsnappen om nog één keer een leger op de been te brengen. In juni 1815 bezorgden de Britten en Pruisen dit leger bij Waterloo, vlak bij Brussel, een beslissende nederlaag.

7.4 Opdrachten Opdracht 1 oorzaken Leg in eigen woorden uit waarom de problemen waar Lodewijk XVI in 1788/1789 mee te maken had een structureel karakter hadden. a Noem de belangrijkste problemen. b Leg uit waarom deze problemen structureel waren. Opdracht 2 In 1798 schreef de Schotse dominee Thomas Malthus een beroemd geworden boek: An Essay on the Principle of Population. a Zoek op wat de hoofdgedachte van het boek van Malthus is en vat dit in enkele zinnen samen. b Leg kort uit waarom Malthus bij het schrijven van zijn boek (onder andere) de situatie in Frankrijk tussen 1785 en 1789 voor ogen had. Opdracht 3 In de tekst worden liberté en egalité als belangrijke slogans van twee groepen genoemd. Samen met nog een derde Franse term werd dit dé slogan van de Franse Revolutie. a Welke Franse term hoort nog in dit rijtje thuis? b Wat moet daar onder verstaan worden? c Welke bevolkingsgroep hechtte veel waarde aan dit begrip? Opdracht 4 In de tekst worden twee belangrijke gebeurtenissen uit de zomer van 1789 genoemd: de nuit de sacrifices en het aannemen van de Declaration des droits et des devoirs de l’homme et du citoyen. a Welke van deze twee gebeurtenissen is vooral een sociale revolutie? Leg uit waarom. b Welke van deze twee gebeurtenissen is vooral een politieke revolutie? Leg uit waarom. c Welke van deze twee maakt naar jouw mening het meeste aanspraak op de benaming ‘revolutie’? Leg je antwoord uit. Opdracht 5 a ‘In de zomermaanden werd de Bastille veel belangrijker ná de val dan ze ooit was geweest toen ze nog een instrument van de staat was. Ze belichaamde alle kwaden waartegen de Revolutie zich afzette.’ Leg deze uitspraak uit. b Op welke wijze wordt in Frankrijk tot op de dag van vandaag de herinnering aan de Val van de Bastille levend gehouden?


28

7 Tijd van pruiken en revoluties

Opdracht 6 gevolgen Een stelling: ‘De Franse Revolutie radicaliseerde tussen 1789 en 1794 steeds meer.’ a Zoek op wat radicaliseren betekent. b Leg met behulp van de over Lodewijk XVI vermelde gegevens uit dat de deze stelling juist is. Opdracht 7 Bestudeer bron 34. Behoort de maker van deze tekening tot de aanhangers of tot de tegenstanders van de radicale richting waarin de Franse Revolutie zich in 1793/1794 ontwikkelde? Onderbouw je keuze met argumenten. Opdracht 8 betrouwbaarheid van bronnen Lees bron 33. a Wat bedoelde Lodewijk XVI met de woorden ‘en ik bid dat het bloed dat u gaat vergieten nooit van Frankrijk geëist zal worden’? b Kwam de hoop die Lodewijk XVI in zijn afscheidswoorden uitsprak uit? Licht je antwoord met minstens één voorbeeld toe. c Simon Schama geeft de afscheidswoorden van Lodewijk XVI als een letterlijk citaat weer. Aan de betrouwbaarheid van dit citaat kan getwijfeld worden. Geef een argument waarom je aan de betrouwbaarheid van deze uitspraak kunt twijfelen. Geef ook een argument waarom je juist niet aan de betrouwbaarheid van dit citaat hoeft te twijfelen. Opdracht 9 Een stelling: ‘Het bewind van Napoleon Bonaparte is te vergelijken is met dat van een verlicht despoot’. Lees eventueel in de vorige paragraaf nog eens na wat een verlicht despoot is. a Citeer twee zinnen waarmee je de juistheid van deze stelling kunt onderstrepen. b Citeer twee zinnen waarmee je de onjuistheid van deze stelling kunt onderstrepen. c Ben je het ‘meer eens’ of ‘meer oneens’ met deze stelling? Licht je keuze kort toe. Opdracht 10 betrouwbaarheid van bronnen Vergelijk bron 30 en 35. Beide gebeurtenissen zijn door dezelfde schilder – Jacques-Louis David – vastgelegd. David maakte nog tal van andere beroemd geworden schilderijen, zoals de Eed van de Horatiërs, De dood van Marat, en, Napoleon steekt de Brennerpas over. a Zoek op internet afbeeldingen van deze schilderijen op. b Geef een korte levensbeschrijving van J.L. David, waarbij je zowel aandacht besteed aan zijn artistieke carrière als aan zijn politieke activiteiten.

c Maak aan de hand van deze biografische schets duidelijk dat de schilderijen van David niet altijd een betrouwbare weergave van de werkelijkheid vormen. Opdracht 11 samenvatting In deze paragraaf zijn enkele bronnen afkomstig uit het boek van Donald M.G. Sutherland, Revolutie en contrarevolutie. Frankrijk 1789-1815. In dit boek is het verloop van de Franse Revolutie in twaalf hoofdstukken beschreven. Hieronder volgen de titels van acht van deze twaalf hoofdstukken. Ze staan in willekeurige volgorde. 1 Terreur en dictatuur 2 Het Directoire* en de uiteindelijke ineenstorting 3 De revolutie van het volk 4 De val van de dictator 5 De revolutie van de notabelen 6 Napoleon en Frankrijk 7 De val van de monarchie 8 Republiek, oorlog en burgeroorlog. * Toelichting: Het Directoire is de naam van de periode waarin het Directoire de macht in handen. Dit is de naam van de uitvoerende macht, zoals ingesteld volgens de grondwet van 23 september 1795, bestaande uit vijf leden (de directeurs). Napoleon maakte met zijn staatsgreep een eind aan het Directoire.

a Zet deze acht hoofdstuktitels in de goede chronologische volgorde. b In de titel van het boek van Sutherland komen de namen ‘revolutie’ en ‘contrarevolutie’ voor (contra = tegen). Leg uit waarom deze titel de gebeurtenissen in Frankrijk tussen 1789 en 1815 kernachtig samenvat.

Kennis: 2a, 3, 6a, 10a, 10b Begrip: 1, 4a, 4b, 5, 6b, 8a, 8b, 9a, 9b, 11a Toepassing: 2b, 7, 8c, 9c, 10c, 11b


7

Afsluiting Kenmerkende aspecten Tijd van pruiken en revoluties 1

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme. 2 Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale verhoudingen. 3 Voortbestaan van het Ancien Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme). 4 De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

Leerdoelen

§ 1 Slavenhandel en abolitionisme 1 Je kunt beschrijven wat plantagekolonies zijn en welke rol slavernij daar speelde. 2 Je kunt het ontstaan en de werking van de transAtlantische slavenhandel beschrijven. 3 Je kunt beschrijven welke gedachten (afkomstig uit geloofsovertuiging, humane overwegingen of verlichtingsdenken) bijdroegen aan de opheffing van slavenhandel en slavernij.

§ 3 Verlicht absolutisme 1 Je kunt beschrijven op welke wijze de manier van het innen van de belastingen bijdroeg aan de ondergang van de standenmaatschappij. 2 Je weet op welke wijze de verlichte despoten verlichte denkbeelden in de praktijk brachten. 3 Je kunt beschrijven hoe de verlichte despoten stonden tegenover de verlichte denkbeelden op maatschappelijk en bestuurlijk gebied.

§ 2 Rationeel optimisme en verlicht denken 1 Je weet dat de Verlichtingsfilosofen uit de tijd van Pruiken en Revoluties voortbouwen op het rationalisme en de natuurwetenschappelijke ontdekkingen uit de tijd van Regenten en Vorsten. 2 Je weet op welke wijze de kritiek op de standenmaatschappij en op de absolute vorsten verspreid raakte onder het volk. 3 Je kunt de kerngedachte achter de trias politica beschrijven en aangeven waarom dat onverenigbaar is met het absolutisme.

§ 4 Democratische revoluties 1 Je kunt aangeven in hoeverre de Franse Revolutie een doorbraak (discontinuïteit) betekende ten aanzien van absolutisme, feodalisme en standenmaatschappij. 2 Je kunt aangeven op welke momenten enkele van de in verlichtingsdenkbeelden in Frankrijk in praktijk gebracht werden. 3 Je kunt de rol van Napoleon beschrijven bij de verspreiding van de idealen van de Franse Revolutie.


30

7 Afsluiting

Begrippen

abolitionisme

verlicht absolutisme

De regeerwijze waarbij een vorst de absolute macht in handen

heeft maar probeert om van bovenaf en zonder inspraak verlichte

Het streven naar de afschaffing van de slavernij en de

hervormingen door te voeren (ook verlicht despotisme genoemd).

slavenhandel. Ancien Régime

Benaming voor de tijd van vóór de Franse Revolutie waarin er nog

Verlichting

Door het gebruik van het gezonde verstand (de rede) zou een

maatschappij opgebouwd kunnen worden waar vrijheid en

sprake was van een standenmaatschappij en absolutisme

verdraagzaamheid zouden bestaan met gelijke rechten voor

(letterlijk: de Oude Orde).

iedereen.

democratische revolutie

Een ommezwaai in het bestuur waarbij het volk steeds meer macht

in handen krijgt ten koste van de macht van de vorst (zoals

Slotopdracht

vastgelegd in een grondwet).

grondrechten

Vrijheidsrechten die burgers bescherming bieden tegen een

oneerlijke behandeling door de overheid of andere burgers.

Thomas Jefferson werd in 1743 in Virginia geboren, waar zijn ouders een plantage bezaten. Hij studeerde rechten en was werkzaam als advocaat. Als volks­vertegen­woordiger speelde hij

grondwet

een belangrijke rol bij de opstand tegen de Britten. Jefferson was

Een algemene staatsregeling waarin de grondbeginselen van een

het grote brein achter de Amerikaanse Onafhankelijk­

staat en de rechten en plichten van de burger en overheid zijn

heidsverklaring (1776). Van 1785 tot 1789 was hij ambassadeur in

omschreven (constitutie).

Frankrijk en van 1790 tot 1793 minister van buitenlandse zaken. In 1800 werd hij gekozen tot de derde president van de Verenigde

plantagekolonie

op 4 juli 1826, precies vijftig jaar na het aannemen van de

ingericht waarop door slaven handelsgewassen voor de Europese markt werden verbouwd.

Staten. Deze functie vervulde hij twee termijnen. Hij overleed in

Een overzees gebiedsdeel waar grote landbouwgebieden waren

Onafhankelijkheidsverklaring.

Hieronder volgen vier fragmenten die betrekking hebben op een

rationalisme

bepaalde fase uit het leven van Thomas Jefferson.

Het boven alles stellen van het gebruik van het verstand (de rede,

de ratio).

Fragment 1

Sociale verhoudingen

Verschillen, overeenkomsten en onderlinge wisselwerking tussen

verschillende groepen in de samenleving.

Jefferson wordt beschouwd als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van de natie: ‘alle mensen zijn gelijk geschapen’, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet

staatsburger

Een persoon met de politieke rechten van een burger in de staat

(zoals het kiesrecht).

trans-Atlantische slavenhandel

en the pursuit of happiness, het nastreven van geluk. Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Engelse Verlichtingsfilosoof John Locke. Mogelijk werd hij ook

De koop van zwarte Afrikaanse slaven en de verkoop daarvan in

Amerika.

zou houden, en het ‘natuurlijke’ recht op individuele vrijheid, leven

geïnspireerd door verschillende geschriften en verklaringen uit de Lage Landen ten tijde van de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Spaanse overheerser. Daarin zijn waarden als individuele vrijheid, vrijheid van godsdienst, geweten, handel, en recht op verzet tegen onwettig gedrag van de overheid te vinden.

Regeerperiode van Frederik II van Pruisen 1740-1786 1740 Cornelis Troost schildert de NELRI-serie

1700

1720 1715 Overlijden van Lodewijk XIV 1721 Publicatie van Lettres Persanes

1740 Publicatie van De l’esprit des lois 1748


31

7 Afsluiting

a Zet deze vier fragmenten zo goed mogelijk in de chrono­logische

Fragment 2

volgorde.

Thomas Jefferson bleef een groot bewonderaar van de

b Koppel de vier fragmenten aan telkens één van de kenmer­kende

veranderingen die zich voltrokken in het land waar hij een tijdlang

aspecten die bij dit tijdvak horen. Elk kenmerkend aspect mag

als ambassadeur werkzaam was geweest. Hij bleef dit ook nadat

maar één keer gekozen worden.

die ontspoord waren. Het massale bloedvergieten stoorde hem

c Geef in telkens een zin aan waarom je bij vraag b tot deze keuze

niet bovenmatig. ‘De boom van de vrijheid moet nu eenmaal zo

bent gekomen.

nu en dan worden ververst met bloed van patriotten en tirannen’,

d Hieronder volgen vier uit­spraken van Thomas Jefferson:

schreef hij in een brief. Tijdens de eerste termijn van zijn

presidentschap sloot Jefferson een belangrijke overeenkomst met

1 ‘Een democratie is niets meer dan een boevenbende, waar 51 procent van de bevolking de rechten van de andere 49 procent

Napoleon Bonaparte. Toen laatstgenoemde in geldnood zat,

mag ontnemen.’

verkocht deze voor 15 miljoen dollar New Orleans en een

uitgestrekt gebied in het midden van de Verenigde Staten. Met

2 ‘Godsdiensten zijn overal gelijk: gegrondvest op fabels en mythen.’

deze aankoop (die de Louisiana Purchase genoemd wordt) werd

3 ‘Maar wanneer een lange reeks misbruiken en wan­beleid, die als onveranderlijk doel heeft, hen [een volk] te onderwerpen

het grondgebied van de Verenigde Staten in één klap verdubbeld.

aan absoluut despotisme, is het hun recht, is het hun plicht, om zo’n regering omver te werpen en om nieuwe beschermers in te stellen voor hun toekomstige veiligheid.’

Fragment 3

4 ‘Wanneer het aan mij zou zijn om te beslissen of we een

Dat de aankoop van Louisiana constitutioneel omstreden was,

regering zouden moeten hebben zonder kranten, of kranten

maakte voor Jefferson geen verschil. En dat hij zich juist gedroeg als

zonder een regering, dan zou ik geen ogenblik aarzelen om het

een van almachtige monarchen die hij zo verafschuwde, deed hem

laatste te kiezen.”

nog minder. ‘Mensen die grote veranderingen accepteren’, zo legde

Toon met behulp van deze uitspraken aan dat Thomas Jefferson

hij later uit, ‘moeten ook zichzelf in de waagschaal stellen bij grote

(1743-1826) ‘een kind van zijn tijd’ was.

gelegen­heden.’ Hij voegde toe: ‘Ons land verliezen door een overdreven precieze toepassing van geschreven wetten, staat gelijk met het verlies van die wetten zelf.’

Fragment 4 Thomas Jefferson had in 1782 zijn vrouw Martha op haar sterfbed beloofd nooit meer te zullen trouwen. Aan deze belofte heeft deze plantage-eigenaar zich gehouden. Maar die belofte betekende niet dat Jefferson daarna nooit meer een relatie met een vrouw heeft gehad. Zo onderhield hij tijdens zijn verblijf in Parijs nauwe betrekkingen met Maria Cosway. Zij was een getrouwde artieste van 27 jaar met lange blonde krullen. Zij deelden de liefde voor de muziek en wellicht ook het bed. Van groter belang was Jeffersons verhouding met zijn slavin Sally Hemings. Zij volgde hem – zogenaamd als verzorgster van zijn kinderen – zelfs naar Parijs. Uit de 38 jaar durende relatie werd een stoet kinderen geboren.

Online extra

Jefferson zou hen later allen de vrijheid geven. Dit waren de enige

Kijk op www.feniks-online.nl voor extra materiaal zoals afsluitende opdrachten en diagnostische toetsen.

slaven – op zijn landgoed in Virginia waren zo’n 600 slaven werkzaam – voor wie hij dat ooit gedaan heeft.

1751-1772 Uitgave van de Encyclopédie

1795 Begin van de Bataafse Republiek 1776-1792 Regeerperiode van Lodewijk XVI

1760

1780

1799 Staatsgreep van Napoleon

1800

1787 Oprichting van de Vereniging voor de Afschaffing van de Slavenhandel 1789 Bestorming van de Bastille

1812 Napoleons veldtocht naar Rusland



Proefhoofdstuk nieuwe editie Feniks tweede fase havo