Issuu on Google+


1

1

COLOFON ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 9781111262860 Eerste druk, eerste oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012. Exemplaar voor verhuur. De eigendom blijft altijd bij de uitgever. Het is niet toegestaan deze uitgave te gebruiken zonder huurovereenkomst met de uitgever. Het is niet toegestaan deze uitgave onder te verhuren, te verkopen of anderszins ter beschikking van derden te stellen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j o het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

1

1


2

2

2

2


3

3

Inhoudsopgave ................................................ 1

2

3

4

5

Opbrengsten en kosten, inkomsten en uitgaven 1.1 Inleiding 1.2 Is een onderneming een bedrijf? 1.3 Wat zijn opbrengsten en kosten? 1.4 Hoe deel ik kosten in naar categorie? 1.5 Hoe maak ik onderscheid tussen constante en variabele kosten? 1.6 Hoe kan ik opbrengsten, inkomsten, kosten en uitgaven onderscheiden en verwerken? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie

4 5 6 9 11 13 17 19 29

Kosten van grondstoffen en hulpstoffen 2.1 Inleiding 2.2 Hoe bereken ik de grondstofkosten van een product? 2.3 Hoe bereken ik de kostprijs van een goedgekeurd product? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie

34 35 40 43 44 50

Kosten van arbeid 3.1 Inleiding 3.2 Wat vind ik in een arbeidsovereenkomst? 3.3 Hoe bereken ik de arbeidskosten? 3.4 Wat zijn loonstelsels? 3.5 Wat is het verschil tussen het uurtarief en het werkplaatstarief? 3.6 Hoe bereken ik het gewaardeerd loon? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie

54 55 59 62 65 66 68 69 78

Kosten van duurzame productiemiddelen 4.1 Inleiding 4.2 Hoelang gaat een duurzaam productiemiddel mee? 4.3 Hoe bepaal ik de kosten van een duurzaam productiemiddel? 4.4 Hoe bereken ik de jaarlijkse afschrijvingsbedragen? 4.5 Hoe bepaal ik de fiscale afschrijvingen? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie

82 83 85 87 90 93 94 101

Break-even-analyse 5.1 Inleiding 5.2 Wat kan ik met een break-even-analyse bepalen? 5.3 Hoe bepaal ik de break-even-afzet grafisch? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie

106 107 111 114 115 122

© ThiemeMeulenhoff

3

1

3


4

4

6

Integrale kosten 6.1 Inleiding 6.2 Hoe kan ik de variabele kosten indelen? 6.3 Hoe bereken ik de constante kosten per product? 6.4 Hoe kan ik de standaardfabricagekostprijs berekenen? 6.5 Hoe kan ik het bedrijfsresultaat berekenen? 6.6 Hoe kan ik de verkoopprijs berekenen? 6.7 Hoe bepaal ik met een spreadsheet het bedrijfsresultaat? 6.8 Hoe pas ik de opslagmethode toe bij indirecte kosten? 6.9 Hoe maak ik een break-even-berekening bij een handelsonderneming? Begrippenlijst Aan het werk Evaluatie

126 127 129 131 135 140 142 145 150 153 155 170

Trefwoordenregister

2

4

Š ThiemeMeulenho

4


5

5

1

5

Opbrengsten en kosten, inkomsten en uitgaven

5


6

6

Theorie ................................................ 1.1

INLEIDING In de moderne wereld worden goederen niet meer door gezinnen gemaakt, maar doen bedrijven dat. Doordat bedrijven de beste manier weten om zo voordelig mogelijk goederen en diensten te leveren, laten we de productie aan die bedrijven over. Wij bieden onze productiefactoren aan en worden daarvoor betaald. Vervolgens ruilen wij ons geld voor de goederen die we willen hebben. In deze leereenheid bekijk je organisaties, bedrijven en ondernemingen. Een organisatie is een groep mensen of bedrijven die met elkaar een bepaald doel willen bereiken. Als dat doel de productie van goederen en diensten is, spreek je van een bedrijf. En als dat bedrijf streeft naar winst en voortbestaan in de toekomst, is het een onderneming. Alle ondernemingen hebben te maken met inkomsten en uitgaven, maar ook met opbrengsten en kosten. Misschien weet je al wel dat er een verschil bestaat tussen inkomsten en opbrengsten, maar er bestaat ook een verschil tussen kosten en uitgaven. In het schema kun je al zien dat de liquide middelen en het eigen vermogen er een belangrijke rol in spelen. Er is extra aandacht voor de kosten. Je kunt ze op veel manieren indelen. Het schema geeft een overzicht van de indelingen. Hierna bekijk je aan de hand van een aantal gebeurtenissen in een onderneming wat de invloed hiervan is op de opbrengsten, kosten, inkomsten en uitgaven. Kosten en opbrengsten zijn veranderingen van het eigen vermogen. De winst-en-verliesrekening geeft inzicht in de opbrengsten en de kosten. Inkomsten en uitgaven zijn veranderingen van de liquide middelen. Het kasstroomoverzicht geeft hier inzicht in. Op de balans van een onderneming staan de liquide middelen aan de linkerkant en het eigen vermogen aan de rechterkant.

4

6

Š ThiemeMeulenho

6


7

7

1.2

IS EEN ONDERNEMING EEN BEDRIJF? In Nederland vinden we het normaal dat allerlei goederen en diensten te koop zijn. Consumenten kopen deze goederen en diensten bij een bedrijf. Bedrijven zijn organisaties die zich hebben toegelegd op de productie van een bepaald goed of een dienst. Bedrijven doen dat door het inzetten van productiefactoren. De productiefactoren zijn natuur, arbeid, kapitaalgoederen en ondernemerschap. Onder productie versta je het combineren van productiefactoren in een bedrijf. Een energiebedrijf levert elektriciteit en gas, een waterleidingbedrijf water, een kledingbedrijf kleding en een verzekeringsmaatschappij verzekeringen. Bedrijven hebben de productie van goederen en diensten overgenomen van gezinnen. De reden daarvoor is dat niet alleen bedrijven, maar ook mensen zich steeds meer gingen toeleggen op een bepaald deel van de productie. Je spreekt dan van specialisatie. Hierdoor nam de arbeidsproductiviteit enorm toe. Arbeidsproductiviteit is de productie per arbeider per uur. Door deze specialisatie lukte het bedrijven om een bepaald aantal producten te maken met zo weinig mogelijk inzet van productiefactoren. Dit heet economisch handelen.

Š ThiemeMeulenho

7

5

7


8

8

Een bedrijf dat naar winst streeft, is een onderneming. Het voortbestaan van de onderneming in de toekomst is belangrijk. Een onderneming streeft ernaar vele jaren achter elkaar inkomen te verdienen.

1

Controlevragen Is een onderneming een bedrijf? Licht je antwoord kort toe.

2

Is een bedrijf een onderneming?

3

Welk gevolg heeft specialisatie voor de arbeidsproductiviteit?

4

Wat is economisch handelen?

KORTOM

1.3

Onderneming – Een onderneming is altijd een bedrijf. – Een bedrijf is altijd een organisatie. – Een onderneming is een bedrijf dat streeft naar winst en continuïteit op de lange termijn. – Een bedrijf legt zich toe op een bepaald deel van het productieproces. – Door specialisatie neemt de arbeidsproductiviteit toe. – Arbeidsproductiviteit is de productie per arbeider per uur. – Bij economisch handelen probeer je een prestatie te leveren tegen zo laag mogelijke kosten.

WAT ZIJN OPBRENGSTEN EN KOSTEN? Het doel van een onderneming is een zo groot mogelijke winst te behalen om daardoor te kunnen blijven bestaan. Winst is nodig voor de continuïteit van de onderneming. Er is sprake van winst als de opbrengsten groter zijn dan de kosten. De winst van een onderneming bereken je door van de omzet de kosten af te trekken. De omzet heet ook wel de opbrengst van de verkopen. Opbrengsten vergroten het eigen vermogen, terwijl kosten het eigen vermogen verkleinen. Opbrengsten en kosten zijn dus veranderingen van het eigen vermogen. Winst maakt daardoor het vermogen dat de eigenaren in de onderneming hebben zitten, het eigen vermogen, groter. Ondernemingen kunnen op twee manieren een grote winst bereiken: – door heel vaak een kleine winst te behalen met de verkoop van producten; – door een paar keer een heel hoge winst te behalen met de verkoop van een enkel product. HOE ONTSTAAN OPBRENGSTEN? Opbrengsten ontstaan door het verkopen van goederen of diensten. De omzet, ook wel de opbrengst van de verkopen, is de afzet maal de verkoopprijs. Sommige ondernemingen kunnen de verkoopprijs zelf vaststellen, maar andere volgen de prijzen van de grootste onderneming op dezelfde markt. Op de benzinemarkt is Shell de marktleider. De andere aanbieders volgen het gedrag van Shell.

6

8

© ThiemeMeulenhoff

8


9

9

Er zijn ook markten waar geen enkele aanbieder zo sterk is, dat hij de prijs kan vaststellen. De marktprijs of de wereldmarktprijs staat dan voor iedere aanbieder vast. Voorbeelden zijn de graanmarkt of de aardappelmarkt. Je kunt ook de enige aanbieder van een product zijn. Een bedrijf is niet zeker van de prijs of de afzet. De onderneming loopt dus risico aan de opbrengstenkant. 5

Controlevragen Wat is het doel van een onderneming?

6

Hoe bereken je de omzet van een bedrijf?

7

Wanneer leidt een kleine winst per product toch tot een grote winst?

8

Wanneer leidt een lage afzet toch tot een grote winst?

9

Wat is een marktleider?

KORTOM

Opbrengst – Het doel van een onderneming is het behalen van winst. – Winst is nodig voor het voorbestaan van een onderneming op langere termijn. – Winst wordt verkregen als de opbrengst groter is dan de kosten. – Een ander woord voor opbrengst is omzet. – Omzet bereken je door het aantal verkochte producten te vermenigvuldigen met de verkoopprijs. HOE ONTSTAAN KOSTEN? Kosten ontstaan omdat de onderneming productiefactoren opoffert bij de productie. Hoe en hoeveel productiefactoren de onderneming opoffert, hangt af van de gekozen productiemethode. De productie kan gebeuren met eenvoudige gereedschappen en handenarbeid, maar kan ook plaatsvinden met een machine waarbij maar weinig arbeid nodig is. Bij de keuze van de productiemethode heeft de ondernemer ook gelet op kwaliteit, arbeidsomstandigheden, beschikbare hoeveelheden en kwaliteit van grondstoffen en arbeid. Winst is de omzet verminderd met de kosten. Kosten verminderen dus de winst! De ondernemer offert productiefactoren op. Maar alleen de noodzakelijk opgeofferde productiefactoren reken je tot de kosten. Als productiefactoren onnodig worden opgeofferd, is er sprake van verspilling. Bij het bepalen van de kosten per product reken je de verspillingen niet mee. De verspillingen horen bij de verliezen en verlagen de uiteindelijke winst.

© ThiemeMeulenhoff

9

7

9


10

10

10

Controlevragen Wat zijn kosten?

11

Hoe ontstaan kosten in een onderneming?

12

Wat is het verschil tussen kosten en verspilling?

13

Wat zijn productiefactoren?

KORTOM

Kosten – Kosten ontstaan doordat een onderneming productiefactoren opoffert om goederen te maken of diensten te leveren. – Kosten zijn altijd onvermijdbaar. – Kosten verminderen het eigen vermogen. – Verspilling ontstaat als productiefactoren onnodig worden opgeofferd. – Verspillingen verminderen het eigen vermogen, maar bereken je niet door aan de klant. – De productiefactoren zijn kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap. HOE KAN IK INZICHT IN KOSTENSOORTEN KRIJGEN? Een ondernemer wil graag inzicht hebben in hoe hoog zijn kosten zijn en hoe deze kosten zijn opgebouwd. Hiervoor kan de ondernemer de kosten op verschillende manieren indelen. De manier waarop hij ze indeelt, hangt af van het inzicht dat de ondernemer wil hebben. Je kunt kosten indelen in: – indirecte en directe kosten; – kostencategorieën; – variabele en constante kosten. Bij directe kosten weet je gelijk voor welk product de kosten gemaakt zijn. Denk maar aan het hout voor een tafel, de klei voor een vaas en de lak op een auto. Maar bijvoorbeeld ook anderhalf uur arbeid aan een auto. Bij indirecte kosten weet je niet voor welk product de kosten gemaakt zijn.

Indirecte kosten moet je via een omweg aan een product toerekenen. Een voorbeeld van directe kosten is de hoeveelheid grondstof die in een bepaald product verwerkt is. Indirecte kosten kunnen bijvoorbeeld de huurkosten zijn van een werkplaats waar verschillende producten gemaakt worden of de energierekening van het bedrijfsgebouw. Deze bron gaat niet verder in op de indirecte en directe kosten.

8

10

© ThiemeMeulenhoff

10


11

11

Bij de indeling in kostencategorieën onderscheid je bijvoorbeeld arbeidskosten, grondstofkosten, afschrijvingskosten en autokosten. Weer een andere indeling maakt onderscheid tussen variabele en constante kosten. Het verschil tussen variabele en constante kosten heeft te maken met hoe de kosten reageren op een verandering van de verkochte of geproduceerde hoeveelheid producten. 14

Controlevragen Hoe kun je kosten indelen?

15

Wat zijn directe kosten?

16

Geef een voorbeeld van indirecte kosten.

KORTOM

1.4

Indeling kosten – Kosten kun je indelen in: • indirecte en directe kosten; • kostencategorieën; • variabele en constante kosten. – Directe kosten kun je rechtstreeks aan een product toerekenen. – Indirecte kosten kun je niet rechtstreeks aan een product toerekenen. – Variabele kosten hangen samen met de productie of de afzet. – Constante kosten blijven gelijk bij kleine veranderingen in de productie of de afzet.

HOE DEEL IK KOSTEN IN NAAR CATEGORIE? Als je de kosten per soort indeelt, spreek je van een categorische indeling. Bij de indeling van de kosten let je dan vooral op de opgeofferde productiefactoren. De kostensoorten zijn: 1. de kosten van grond; 2. de kosten van grondstoffen en hulpstoffen; 3. de kosten van arbeid; 4. de kosten van duurzame productiemiddelen; 5. de kosten van diensten van derden; 6. kostprijsverhogende belastingen. KOSTEN VAN GROND Een ondernemer maakt kosten van grond als hij een terrein nodig heeft om zijn bedrijfspand op te vestigen. Bij koop wordt de ondernemer eigenaar van de grond en bestaan de kosten vooral uit rente over het benodigde vermogen. Bij huur moet de ondernemer uiteraard een huurbedrag betalen aan de eigenaar van de grond. KOSTEN VAN GRONDSTOFFEN EN HULPSTOFFEN Bij de productie van goederen heb je uiteraard grondstoffen nodig. Grondstoffen zijn verwerkt in het eindproduct. Je meet het verbruik af in bijvoorbeeld kilogrammen, liters of meters. De verbruikte hoeveelheden vermenigvuldig je met de prijs van de grondstoffen. Bij deze kosten van grondstoffen moet je ook rekening houden met afval. Dit zijn grondstoffen die tijdens het productieproces onvermijdelijk verloren gaan. De hulpstoffen zijn wel nodig bij de productie, maar komen niet in het eindproduct terecht.

© ThiemeMeulenhoff

11

9

11


12

12

Het gaat bijvoorbeeld om de benzine voor voertuigen of de schoonmaakmiddelen van machines. KOSTEN VAN ARBEID Arbeid wordt opgeofferd door een hoeveelheid beschikbare arbeidsuren te gebruiken. De kosten van een uur arbeid hangen af van de brutolonen en alle kosten die er voor een ondernemer nog bijkomen, zoals werkgeverspremies en pensioenlasten. Vaak maken werkgeversorganisaties en vakbonden van werknemers afspraken over de arbeidsvoorwaarden in collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit betreft vooral salaristabellen, arbeidsuren en vakantiedagen. Aan die afspraken moeten werkgevers en werknemers zich houden. In individuele contracten kunnen extra arbeidsvoorwaarden worden afgesproken. Het is belangrijk om de verschillende soorten arbeid te onderscheiden. Denk hierbij aan leidinggevende taken en uitvoerende taken. Verschillen in salarissen worden veroorzaakt door opleiding, leeftijd, verantwoordelijkheid en werktijden. KOSTEN VAN DUURZAME PRODUCTIEMIDDELEN Machines, vrachtauto’s en hijskranen zijn voorbeelden van duurzame productiemiddelen. Ze zijn duurzaam omdat ze meerdere productieprocessen meegaan. Eigenlijk is een nieuwe vrachtauto voor de ondernemer een ’voorraad van 800.000 kilometers’. Het opofferen van een vrachtauto gebeurt dan door er kilometers mee te rijden. De kosten van zo’n kilometer bestaan bijvoorbeeld uit afschrijving (waardedaling van de auto), onderhoud, verzekering en brandstofverbruik. De afschrijvingen per jaar kun je op veel manieren berekenen. Computers worden snel minder waard, hijskranen houden heel lang hun waarde.

KOSTEN VAN DIENSTEN VAN DERDEN Een bedrijf heeft niet altijd de beschikking over de juiste mensen of de juiste machines. In die gevallen moet het bedrijf die diensten buiten het bedrijf zoeken. Dat zijn diensten van derden. Voorbeelden hiervan zijn het transport van goederen, de schoonmaak, het laten drukken van reclamemateriaal en verzekeringen. Andere bedrijven kunnen deze diensten meestal voordeliger aanbieden. De kosten ontstaan doordat de onderneming die de dienst heeft verricht, een bedrag in rekening brengt voor de verrichte dienst. KOSTPRIJSVERHOGENDE BELASTINGEN Niet alle belastingen verhogen de kostprijs. Voorbeelden van belastingen die wel invloed hebben op de kostprijs van goederen en diensten zijn onder andere motorrijtuigenbelasting, reinigingsrechten,

10

12

© ThiemeMeulenhoff

12


13

13

onroerendzaakbelasting, accijnzen en invoerrechten. Deze belastingen van de overheid berekent de ondernemer door aan zijn klanten. Daarnaast zijn er ook kosten omdat een onderneming voor het administreren en de aangifte van omzetbelasting, inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting mensen moet inzetten. Omzetbelasting hoort niet bij de kosten, omdat een onderneming de betaalde omzetbelasting mag terugvorderen van de overheid. De inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting moeten worden betaald over de winst en horen daarom niet bij de kosten van een onderneming.

17

Controlevragen Waaruit bestaan de kosten van grond als je de grond in eigendom hebt?

18

Wat is het verschil tussen grondstoffen en hulpstoffen?

19

Noem drie onderdelen van arbeidskosten.

20

Waardoor kunnen salarissen verschillen?

21

Noem twee belangrijke onderdelen van de kosten van duurzame productiemiddelen.

22

Wat zijn diensten van derden?

23

Noem drie voorbeelden van kostprijsverhogende belastingen.

KORTOM

1.5

Kostensoorten – Om een bedrijf te vestigen, moet een bedrijf kosten voor grond maken. – Grondstoffen vind je terug in het product. – Hulpstoffen vind je niet in het product terug. – De kosten van arbeid hangen samen met de arbeidsvoorwaarden. – Salarisverschillen worden veroorzaakt door verschillen in opleiding, leeftijd, verantwoordelijkheid en werktijden. – Afschrijvingen per jaar laten de waardedaling van een productiemiddel zien. – Diensten van derden betreffen vaak specialistische werkzaamheden. – Kostprijsverhogende belastingen berekent de onderneming door in de kosten van een product. – Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting zijn geen kostprijsverhogende belastingen.

HOE MAAK IK ONDERSCHEID TUSSEN CONSTANTE EN VARIABELE KOSTEN? Als de afzet of de productie stijgt, nemen de kosten toe. Dit is begrijpelijk, omdat er meer productiefactoren moeten worden opgeofferd. Er wordt bijvoorbeeld meer arbeid gebruikt en het grondstoffenverbruik stijgt. Niet alle kosten nemen toe. Zo blijven de huur en de afschrijving van de machines gelijk als de productie of afzet toeneemt. Dit is het verschil tussen de variabele kosten en de constante kosten. Variabele kosten veranderen als de afzet of de geproduceerde hoeveelheid verandert. Constante kosten reageren niet op een kleine verandering van de afzet of productie. Variabele kosten zijn kosten die veranderen als de productieomvang of afzet verandert. De variabele fabricagekosten veranderen als de productie verandert. Voorbeelden hiervan zijn grondstoffen, arbeidsuren en het brandstofverbruik van vrachtauto’s.

© ThiemeMeulenhoff

13

11

13


14

14

De kosten die veranderen als de afzet verandert, zijn de variabele verkoopkosten. Dit kan gaan om inpakmateriaal, maar ook om de kosten van verkopers als zij per product betaald worden. De variabele kosten blijven meestal per product gelijk. ’Meestal’ betekent dat er ook uitzonderingen zijn. Een voorbeeld hiervan is een lagere prijs per stuk als je meer artikelen ineens koopt.

Als de productie stijgt, stijgen de totale variabele kosten. De gemiddelde variabele kosten bereken je door de totale variabele kosten te delen door de productie. De gemiddelde variabele kosten zijn in dit voorbeeld bij elke omvang van de productie gelijk. De constante kosten zijn de kosten die niet veranderen als de productie of afzet verandert. Het zijn de kosten van het gebouw en de machines, een vast bedrag voor reclamedoeleinden of de arbeidskosten van mensen die altijd in dienst zijn. Constante kosten noem je ook wel de kosten van de productiecapaciteit. Zo lang de productie onder het maximum van de capaciteit blijft, zijn de kosten constant. Als de productiecapaciteit groter wordt, gaan de constante kosten ook stijgen. Arbeidskosten gaan namelijk door, ook als er niets te doen is. De constante kosten kunnen wel veranderen. Maar dat gebeurt pas als de productiecapaciteit wordt vergroot, er meer mensen vast in dienst worden genomen of de ondernemer een duurder bedrijfspand in gebruik neemt. Voor de constante kosten geldt dat ze in totaal gelijk blijven, maar per product steeds lager worden als de productieomvang of de afzet toeneemt.

Als de productie stijgt, blijven de totale constante kosten gelijk. De gemiddelde constante kosten bereken je door de totale constante kosten te delen door de productie. De gemiddelde constante kosten dalen als de productie stijgt. Dit gaat in het begin heel snel. Daarna wordt de daling steeds langzamer.

24

Controlevragen Wat zijn variabele kosten?

25

Wat zijn constante kosten?

26

Waarom dalen de constante kosten per product als de productie toeneemt?

12

14

© ThiemeMeulenhoff

14


15

15

27

Wanneer zijn arbeidskosten variabele kosten?

28

Wanneer zijn arbeidskosten constante kosten?

29

In welk geval kunnen de constante kosten toenemen?

KORTOM

1.6

Variabele en constante kosten – Variabele fabricagekosten hangen samen met de omvang van de productie. – Variabele verkoopkosten hangen samen met de grootte van de afzet. – De variabele kosten stijgen als de productie of afzet stijgt. – Constante kosten zijn de kosten die niet veranderen als de productie of afzet daalt of stijgt. – Als de productie heel sterk stijgt, heeft de onderneming vaak een grotere productiecapaciteit nodig. – Uitbreiding van de productiecapaciteit zal in de meeste gevallen wel een stijging van de constante kosten met zich meebrengen.

HOE KAN IK OPBRENGSTEN, INKOMSTEN, KOSTEN EN UITGAVEN ONDERSCHEIDEN EN VERWERKEN? Inkomsten en uitgaven lijken op opbrengsten en kosten. Toch is er een groot verschil. Opbrengsten en kosten zorgen voor veranderingen van het eigen vermogen. De veranderingen van Kas, Bank en Giro zijn inkomsten en uitgaven. De tegoeden in de kas en op de bank- en girorekeningen noem je ook wel liquide middelen. Inkomsten vergroten de hoeveelheid liquide middelen en uitgaven verkleinen de hoeveelheid liquide middelen. HOE ONDERSCHEID IK OPBRENGSTEN, INKOMSTEN, KOSTEN EN UITGAVEN? Aan de hand van de inkoop en verkoop in een onderneming bekijk je de verschillen tussen inkomsten en opbrengsten en de verschillen tussen uitgaven en kosten: 1. Je koopt goederen in. 2. Je ontvangt de goederen en de inkoopfactuur. 3. Je betaalt de inkoopfactuur per bank. 4. Je verkoopt goederen op rekening en je verstuurt de verkoopfactuur. 5. De klant betaalt de openstaande rekening. 1. De inkoop van goederen: opbrengst of inkomsten, kosten of uitgaven? Onderneming Cleodos start met een bedrag aan liquide middelen van € 400. Dit is het eigen vermogen van de onderneming. Cleodos koopt 100 flessen Hasta in tegen een prijs van € 3 per fles. In een telefoongesprek met de leverancier belooft hij snel te leveren en daarna een factuur te sturen. Er zijn nog geen uitgaven en geen inkomsten, want er gebeurt niets met de liquide middelen. Ook zijn er geen opbrengsten en geen kosten. 2. Ontvangst van de goederen en de inkoopfactuur: opbrengst of inkomsten, kosten of uitgaven? De leverancier levert de goederen. De voorraad goederen wordt groter voor een bedrag van 100 x € 3 = € 300. Er zijn geen kosten en geen opbrengsten. Alleen de bezitting Goederen wordt groter. Op de

© ThiemeMeulenhoff

15

13

15


16

16

factuur staat een bedrag van € 300. Cleodos heeft er dus een schuld aan Crediteuren bij van € 300. Er zijn nog geen uitgaven en geen inkomsten. 3. Betaling van de inkoopfactuur: opbrengst of inkomsten, kosten of uitgaven? Cleodos betaalt € 300 per bank aan de leverancier. Cleodos betaalt! De bezitting Bank wordt kleiner. Dus wordt de bezitting liquide middelen kleiner. Dit zijn uitgaven. De schuld aan de leverancier van € 300 is verdwenen. Er zijn geen kosten en opbrengsten, want Cleodos heeft de goederen nog op voorraad. 4. Verkoop van goederen op rekening en verzending van de verkoopfactuur: opbrengst of inkomsten, kosten of uitgaven? Cleodos verkoopt 70 goederen voor 70 x € 5 = € 350. De levering van goederen op rekening betekent dat Cleodos de goederen wel levert, maar nog moet wachten op de betaling. De voorraad goederen wordt kleiner voor een bedrag van 70 x € 3 = € 210. Cleodos offert dus € 210 op. Eigenlijk zijn dit kosten die het eigen vermogen verminderen. De opbrengsten bedragen 70 x € 5 = € 350. Er zijn nog geen inkomsten, want de klant betaalt later. Er zijn geen uitgaven, want er is geen verandering van de liquide middelen. 5. Betaling door de debiteur: opbrengst of inkomsten, kosten of uitgaven?

De klant betaalt Cleodos € 350. Dit zijn inkomsten. De liquide middelen nemen toe. Er zijn geen uitgaven. Er zijn ook geen opbrengsten, want die heeft Cleodos al verdiend op het moment van de verkoop van de goederen. Houd in de gaten dat je bij contante verkoop op hetzelfde moment opbrengsten hebt (door de verkoop) en inkomsten (door de betaling).

30

Controlevragen Wat is het verschil tussen opbrengsten en inkomsten?

31

Op welk moment verdien je de opbrengsten als je goederen verkoopt?

32

Wat is het verschil tussen kosten en uitgaven?

33

Op welk moment heb je de inkomsten binnen als je goederen verkoopt?

14

16

© ThiemeMeulenhoff

16


17

17

KORTOM

Opbrengsten, inkomsten, kosten en uitgaven onderscheiden – Bij inkopen op rekening is er nog geen sprake van kosten, maar ook niet van een uitgave. – Bij het betalen van een rekening doe je een uitgave. – De ontvangst van goederen betekent nog geen opbrengst of inkomen. – Op het moment van verkoop zijn er opbrengsten. – Als je goederen op rekening verkoopt, leidt dat direct tot een opbrengst, maar pas later tot inkomsten. HOE VERWERK IK OPBRENGSTEN, INKOMSTEN, KOSTEN EN UITGAVEN? Van de vijf gebeurtenissen kun je verschillende overzichten maken. In een winst-en-verliesrekening zet je de opbrengsten en kosten tegenover elkaar. Als de opbrengsten groter zijn dan de kosten is er sprake van winst. Zijn de kosten hoger dan de opbrengsten, dan is er een verlies. Het verschil tussen de opbrengsten en de kosten is de verandering van het eigen vermogen. Voor Cleodos is dat een heel eenvoudig overzicht. Maar je begrijpt dat het overzicht snel groter wordt, als er heel veel financiële feiten zijn.

Je kunt ook een kasstroomoverzicht maken. Dan staan de inkomsten en de uitgaven tegenover elkaar. Zijn de inkomsten groter dan de uitgaven, dan is er sprake van een toename van de liquide middelen; er is een positieve kasstroom. Als de uitgaven groter zijn dan de inkomsten, is er een negatieve kasstroom; de liquide middelen zijn afgenomen. Het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven is de verandering van de liquide middelen.

De balans is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen. De bezittingen staan aan de debetkant. Dat is de linkerkant van een balans. Aan de rechterkant of creditkant staan de schulden en het eigen vermogen. Een van de bezittingen is de post Liquide middelen. Dat zijn de tegoeden in kas en bij de bank. De veranderingen van deze post verklaar je met een kasstroomoverzicht. De verandering van het eigen vermogen verklaar je met een winst-en-verliesrekening. De beginbalans en eindbalans van Cleodos verschillen door de hierboven beschreven gebeurtenissen. De bezitting Voorraad is veranderd, omdat er 100 stuks ingekocht zijn en 70 stuks verkocht. Er liggen nog 30 stuks op voorraad.

© ThiemeMeulenhoff

17

15

17


18

18

34

Controlevragen Wat geeft een winst-en-verliesrekening weer?

35

Wat geeft een kasstroomoverzicht weer?

36

Is de verandering van de liquide middelen gelijk aan de verandering van het eigen vermogen?

KORTOM

Opbrengsten, inkomsten, kosten en uitgaven verwerken – Opbrengsten vergroten het eigen vermogen. – Inkomsten vergroten de liquide middelen. – Kosten verkleinen het eigen vermogen. – Uitgaven verlagen de liquide middelen. – Een winst-en-verliesrekening geeft inzicht in de kosten en de opbrengsten en de verandering van het eigen vermogen. – Een kasstroomoverzicht geeft inzicht in de inkomsten en de uitgaven en de uiteindelijke verandering van de liquide middelen.

16

18

© ThiemeMeulenhoff

18


19

19

Begrippenlijst ................................................ bedrijf Organisatie die zich toelegt op de productie van goederen en/of diensten. productiefactoren Middelen die nodig zijn voor het voortbrengen van goederen of diensten: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap. productie Het voortbrengen van een goed of dienst door het inzetten van productiefactoren in een bedrijf. specialisatie Zich toeleggen op een bepaald deel van het productieproces. arbeidsproductiviteit De productie per arbeider per uur. economisch handelen Een bepaalde prestatie leveren met zo weinig mogelijk inzet van productiefactoren. onderneming Een bedrijf dat naar winst streeft. kosten De geldswaarde van onvermijdbaar opgeofferde productiefactoren. opbrengst van de verkopen De omzet van een onderneming; het aantal verkochte producten x de verkoopprijs. afzet Aantal verkochte producten. verspilling Onnodig opofferen van productiefactoren. directe kosten Kosten die je rechtstreeks aan een product kunt toerekenen. Indirecte kosten Kosten die je niet rechtstreeks aan een product kunt toerekenen. grondstoffen Materialen die verwerkt zijn in het eindproduct. hulpstoffen Materialen die nodig zijn voor de productie van eindproducten, maar niet aanwezig zijn in dit eindproduct. duurzame productiemiddelen Productiemiddelen die meerdere productieprocessen meegaan.

© ThiemeMeulenhoff

19

17

19


20

20

diensten van derden Diensten die andere ondernemingen verrichten voor een onderneming. variabele kosten Kosten die stijgen of dalen bij verandering van de afzet of productiehoeveelheid. constante kosten Kosten die onafhankelijk zijn van de afzet of productiehoeveelheid. productiecapaciteit Het aantal producten dat een bedrijf kan voortbrengen. inkomsten Ontvangsten waardoor de hoeveelheid liquide middelen groter wordt. uitgaven Betalingen waardoor de hoeveelheid liquide middelen kleiner wordt.

18

20

Š ThiemeMeulenho

20


21

21

Aan het werk ................................................ De kost gaat voor de baat uit is een oude spreuk die altijd zal blijven gelden. Zonder kosten komen er geen opbrengsten. Om doelen te bereiken, bijvoorbeeld een winstdoelstelling, moeten productiefactoren worden opgeofferd. Het is wel van belang dat de opbrengsten uit de verkopen de kosten overtreffen. Ook moeten er genoeg inkomsten zijn om alle uitgaven te kunnen doen. Maar er zijn ook organisaties die alleen kunnen blijven bestaan met steun van anderen. Ze krijgen subsidie van de overheid, donaties van mensen, contributies van leden, sponsoring door bedrijven of delen mee in de opbrengsten van loterijen. Maar met wat voor organisatie je ook te maken hebt, als de opbrengsten de kosten niet overtreffen en de inkomsten achterblijven bij de uitgaven, gaat het fout!

VOORAF Fouten voorkomen is beter dan ze later te herstellen. Lees daarom de volgende tips goed door en pas ze toe! Lees de hele opgave goed en aandachtig door, voordat je aan het rekenen slaat. Je vergeet zo geen gegevens die van belang zijn. Probeer altijd eerst je antwoorden te schatten, voordat je je rekenmachine gebruikt. Je controleert op deze manier globaal de berekening die je met de rekenmachine maakt. Gebruik kladpapier voordat je de uitwerkingen in het net noteert. Houd je gedachten bij je werk. Als je wordt afgeleid, veroorzaakt dat onnauwkeurigheden ROUTINE In deze taak vind je opdrachten om te oefenen met inkomsten, uitgaven, opbrengsten, kosten en liquide middelen

OPDRACHTEN 1

Bereken uitgaven en kosten voor Dermonde BV. Gert is chauffeur bij Dermonde BV. Van al zijn tankbeurten moet hij gegevens aanleveren aan de administrateur van het bedrijf. De administrateur kan op deze manier de uitgaven en de kosten die Gert maakt in de gaten houden. De volgende gegevens heeft Gert op 5 september ingeleverd: – Op 5 september heb ik 70 liter diesel getankt. – Ik heb contant betaald. – Eén liter diesel kost bij de pomp € 1,20. – Het verbruik van de bestelbus is 8 liter diesel op 100 km. – Op 5 september heb ik 275 km gereden met de bus. a

Bereken de uitgaven en de kosten die Gert maakt op 5 september.

© ThiemeMeulenhoff

21

19

21


22

22

De volgende dag levert Gert opnieuw zijn gegevens in bij de administrateur van Dermonde BV. – Bij de laatste tankbeurt was op 5 september 70 liter diesel getankt. – De literprijs op 6 september is € 1,22. – Vandaag, 6 september, heb ik 350 km gereden met de bus. b 2

Bereken de uitgaven en de kosten die Gert maakt op 6 september. Bereken de constante kosten per product Pallo. Bij de productie van het product Pallo zijn de constante kosten € 2.000.

a

Bereken de constante kosten per product bij een productie van 1.000 producten

b

Bereken de constante kosten per product bij een productie van 2.000 producten.

c

Bereken de constante kosten per product bij een productie van 5.000 producten.

d

Trek je conclusie als je de drie antwoorden met elkaar vergelijkt.

3

Bereken de constante kosten per product Zenda. Bij de productie van het product Zenda zijn de constante kosten € 24.000. a

4

Bereken de constante kosten per product Zenda bij een productie van 1. 5.000 producten 2. 10.000 producten 3. 15.000 producten Bereken de totale kosten per product Xylon. Bij de productie van het product Xylon zijn: – de totale constante kosten € 4.800; – de variabele kosten € 4 per stuk.

a

Bereken de kosten per product bij een productie van 800 producten.

b

Bereken de kosten per product bij een productie van 1.500 producten.

c

Bereken de kosten per product bij een productie van 2.400 producten.

d

Trek je conclusie als je de drie kostprijzen met elkaar vergelijkt.

5

Bereken het saldo liquide middelen op 31 maart. – De liquide middelen zijn op 1 maart € 2.480. – De inkomsten in maart waren € 14.300. – De uitgaven in maart waren € 13.930. a

6

Bereken het saldo liquide middelen op 31 maart. Bereken het saldo liquide middelen op 30 juni. – De liquide middelen zijn op 1 mei € 12.460. – De inkomsten in mei waren € 26.389. – De uitgaven in mei waren € 22.590. – De inkomsten in juni waren € 29.567. – De uitgaven in juni waren € 30.455.

a

Bereken de liquide middelen op 30 juni.

20

22

© ThiemeMeulenhoff

22


23

23

7

Bereken het saldo liquide middelen op 1 augustus. – De liquide middelen zijn op 31 augustus € 3.678. – De inkomsten in augustus waren € 17.341. – De uitgaven in augustus waren € 18.752. a

8

Bereken de liquide middelen op 1 augustus. Bereken het saldo liquide middelen op 31 maart bij Dermonde BV. Je kent hem nog, Gert van Dermonde BV. Hij levert de volgende gegevens aan bij zijn administrateur: – Ik heb in maart totaal getankt voor € 853. – In maart heb ik 1631 km gereden. – Ik heb voor parkeergeld en lunches een bedrag aan € 113 betaald. – 0p 30 maart heb ik een reparatie aan de linkervoorrem laten uitvoeren. De rekening van € 320 wordt opgestuurd. Verder beschikt de administrateur nog over de volgende gegevens: – De liquide middelen waren op 1 maart € 2.480. – De inkomsten in maart waren € 14.300. – De uitgaven (exclusief het lijstje van Gert) in maart waren € 13.930.

a

Bereken de liquide middelen op 31 maart. WAAR DOEN ZE HET VAN? Tijdens het derde jaar van je opleiding tref je het. Je oom heeft een BPV-plek voor je gevonden bij Hanzen NV een grote internationale onderneming die handelt in veevoeders. Na een wat vreemde start, waarin je veel nieuwe mensen hebt leren kennen, begin je je nu aardig thuis te voelen. Je bespreekt met je BPV-begeleider de opdrachten die je moet uitvoeren. Behalve de vele archiveringswerkzaamheden en administratieve werkzaamheden moet je ook een onderzoek doen naar de kosten en opbrengsten, inkomsten en uitgaven van Hanzen NV. In overleg met je BPV-begeleider besluit je een interview te houden met het hoofd van de financiële administratie, de heer Koekol. Het blijkt al snel dat de heer Koekol zijn antwoorden niet zomaar weggeeft. Hij zet jou liever aan het werk. Op je eerste vraag hoe Hanzen NV aan haar inkomsten komt, krijg je gelijk een tegenvraag. Je zult dus aan het werk moeten, maar goed, daar is je stage tenslotte ook voor bedoeld!

9

Onderzoek hoe organisaties aan hun geld komen. De heer Koekol stelt voor dat je, voordat je naar Hanzen NV gaat kijken, eerst maar eens op internet moet uitzoeken hoe verschillende organisaties aan hun inkomsten komen. Al snel heeft hij een lijstje opgesteld. In overleg met hem besluit je van zijn lijstje drie organisaties te onderzoeken. a

Kies drie organisaties uit: – Diergaarde Blijdorp; – het Concertgebouworkest; – de Nederlandse Spoorwegen; – de Dierenbescherming; – Natuurmonumenten; – Jantje Beton; – een voetbalclub.

b

Ga op zoek op internet en werk de volgende vragen voor de drie gekozen organisaties overzichtelijk uit:

© ThiemeMeulenhoff

23

21

23


24

24

1. 2. 3. 4. 5.

Is deze organisatie ook een bedrijf of een onderneming? Waar komen de inkomsten van de organisatie vandaan? Waar worden de gelden aan besteed? Welke productiefactoren worden opgeofferd? Wat zijn de drie belangrijkste kostensoorten van de organisatie?

TIP Zorg ervoor dat je jouw uitwerkingen kunt toelichten tijdens een eventueel gesprek met je docent. c 10

Berg de uitwerkingen op in je dossier. Onderzoek de verschillende kostensoorten. Ook Hanzen NV maakt eerst kosten om vervolgens opbrengsten te krijgen. Het is wel van belang dat deze kosten niet onnodig worden gemaakt. Daarom moet je een goede administratie bijhouden van wat er met de gemaakte kosten gebeurt en of ze wel noodzakelijk waren. Om kosten goed te administreren, werkt deze internationale onderneming met een indeling naar kostensoort. Jouw BPV-begeleider legt je uit welke kosten je tot welke kostensoort moet rekenen. Soms is het heel onduidelijk voor welk product de kosten worden gemaakt, omdat ze eigenlijk met veel verschillende soorten producten te maken hebben. Om wat meer inzicht in de kostensoorten te krijgen, heeft jouw begeleider een aardig klusje.

a

Schrijf de zes kostensoorten op voordat je aan deze klus begint. Nu je de kostensoorten op papier hebt staan, kun je je opdracht verder uitvoeren. Jouw BPV-begeleider wil je inzicht in de kostensoorten vergroten en vraagt je van de volgende kosten aan te geven bij welke kostensoort ze horen. Het is de bedoeling dat je per kostensoort drie voorbeelden hebt. Je zult er dus zelf ook nog een aantal moeten bedenken. 1. het salaris van de directeur; 2. het elektriciteitsverbruik van de koelkasten en diepvriezers; 3. het verbruik aan frituurvet van de kantine; 4. de rentekosten van de lening die afgesloten is om de aanschaf van het parkeerterrein te financieren; 5. de kosten van de koeriersdienst voor het laten bezorgen van een pakket folders; 6. de waardedaling van de goederenlift; 7. de motorrijtuigenbelasting van de bestelbus; 8. de kosten van de externe accountant; 9. de huur van leenauto’s als het heel druk is; 10. het salaris van de telefoniste; 11. de onroerendzaakbelasting; 12. het verbruik van printerpapier. Vermeld welke kosten bij de volgende kostensoort horen en vul het aantal voorbeelden per kostensoort aan tot drie.

b

1. De kosten van grond:

c

2. De kosten van grondstoffen en hulpstoffen:

d

3. De kosten van arbeid:

22

24

© ThiemeMeulenhoff

24


25

25

e

4. De kosten van duurzame productiemiddelen:

f

5. De kosten van diensten van derden:

g

6. Kostprijsverhogende belastingen: Dat was even nadenken! Inderdaad ben je erachter gekomen dat je iedere kostenpost wel kunt indelen bij een kostensoort. Je stapt trots naar je begeleider, omdat je denkt dat je klaar bent. Al snel wordt duidelijk dat je ook nog op andere manieren naar kosten kunt kijken. Sommige kosten zijn er altijd, andere kosten niet, of juist wel als er veel wordt geproduceerd. Om ook daar inzicht in te krijgen, vraagt jouw begeleider je de kosten 1 tot en met 12 in te delen in constante kosten en variabele kosten.

h

Welke kosten horen volgens jou bij de constante kosten?

i

Welke kosten horen volgens jou bij de variabele kosten? KOSTEN OF UITGAVEN? Je werkt in het weekend bij het taxibedrijf Rotaro. Je doet er allerlei werkzaamheden. Voor je studie moet je uitzoeken wat het verschil is tussen kosten en uitgaven en je vraagt of je dat bij Rotaro mag doen. De directeur van Rotaro heeft er geen bezwaar tegen als je gegevens uit de boekhouding gebruikt. Er zit wel een maar aan. Je moet zorgvuldig met de gegevens omgaan. Het is niet de bedoeling dat iedereen dit soort informatie uit de administratie te weten komt. Voordat je aan de slag gaat, zoek je nog even op wat het verschil is tussen kosten en uitgaven.

11 a

b

Beantwoord de vragen. Kosten verlagen ○ de liquide middelen. ○ het geleende vermogen. ○ het eigen vermogen. ○ de opbrengsten. Uitgaven verlagen ○ de liquide middelen. ○ het geleende vermogen. ○ het eigen vermogen. ○ de opbrengsten. Een van de chauffeurs, Camil, tankt op 4 september 80 liter diesel. Hij rekent contant af. De prijs van een liter diesel is € 0,90. De taxi verbruikt 10 liter op 100 kilometer. Die dag rijdt Camil 300 kilometer.

c

Bereken hoe groot de uitgaven zijn.

d

Bereken ook de kosten op 4 september. Op 5 september tankt Camil niet. Hij rijdt die dag wel 320 kilometer.

e

Hoeveel zijn de uitgaven op 5 september?

f

Hoe hoog zijn de kosten op 5 september? Het oliepeil van de auto van Camil is erg laag. Er gaat precies één liter olie in het motorblok. Deze liter kost € 11,30.

© ThiemeMeulenhoff

25

23

25


26

26

g

Hoeveel zijn de uitgaven voor deze olie?

h

Hoeveel zijn de kosten voor deze olie? Voor de aanschaf van een nieuwe taxi heeft Rotaro vorig jaar bij de Fortis Bank een lening afgesloten. Daar wordt op 10 september € 2.000 op afgelost.

i

Hoeveel zijn de uitgaven op 10 september?

j

Hoeveel zijn de kosten op 10 september? Taxi’s verouderen zelfs al staan ze stil. Verouderen betekent dat ze minder waard worden. Daarom moet Rotaro afschrijven op de auto’s. Op 30 september wordt de afschrijving geboekt voor de maand september. Het afschrijvingsbedrag is € 1.250.

k

Hoeveel zijn de uitgaven?

l

Hoeveel zijn de kosten? Op 3 oktober bestelt Rotaro een nieuwe taxibus. De aanschafprijs is € 29.500. De extra kosten voor het rijklaar maken zijn € 900. De taxibus wordt 21 oktober afgeleverd en betaald.

m

Hoeveel zijn de uitgaven op 3 oktober?

n

Hoeveel zijn de kosten op 3 oktober?

o

Hoeveel zijn de uitgaven op 21 oktober?

p

Hoeveel zijn de kosten op 21 oktober? EFFICIËNT DE KEUKEN IN Je buurman werkt bij Gandia NV, een bedrijf dat koffiemachines maakt. Hij heeft een idee voor het bedrijfsrestaurant en wil dat aan de directie voorleggen. Je hoort van dat idee en vraagt of je voor hem een berekening mag maken. Je krijgt van hem een e-mail met informatie. ’Welke berekening wil je dan maken?’, vraagt hij. ’Dat zult u wel zien’, zeg je vol zelfvertrouwen.

12

Onderzoek hoe de kosten reageren op een verandering van de productie of de afzet. Het bedrijfsrestaurant van Gandia NV kan, volgens je buurman, efficiënter gebruikmaken van de keuken. Hij heeft het idee warme maaltijden te leveren aan een organisatie van bejaardenhuizen. Een deel van de constante kosten van het restaurant zullen dan worden doorberekend in de kosten van de warme maaltijden. De constante kosten bestaan uit huisvesting, afschrijving op apparatuur, transport, personeel en administratie. Per jaar zijn de constante kosten voor maaltijden € 200.000. De variabele kosten van een warme maaltijd zijn altijd € 3 en bestaan hoofdzakelijk uit ingrediënten en materialen. Je bekijkt de gegevens nog eens goed en je begint aan je berekeningen. a

Bereken de kosten per maaltijd bij verschillende hoeveelheden maaltijden per jaar. Stel eerst een overzicht van de totale kosten op voor 25.000, 50.000 en 100.000 maaltijden. Maak onderscheid tussen de constante en de variabele kosten en tel ze daarna bij elkaar op. Aan de totale kosten heb je nog niet genoeg. Je wilt de kosten per maaltijd weten. De totale kosten moet je verdelen over het aantal verstrekte maaltijden.

24

26

© ThiemeMeulenhoff

26


27

27

b

Reken de kosten per maaltijd uit bij 25.000, 50.000 en 100.000 maaltijden. De buurman is uiterst tevreden over je berekeningen en vraagt of je nog even kunt kijken naar een overzicht van kosten, waarbij je een onderscheid moet maken tussen variabel en constant en ook tussen direct en indirect. Hij heeft al een overzichtelijke tabel voor je gemaakt.

c

Vul de tabel in. Maak telkens de keus uit direct of indirect en vervolgens uit variabel of constant. Zet hiervoor een kruisje in de juiste kolom.

AFRONDING Je hebt in de voorgaande taken aan de hand van veel praktische voorbeelden geleerd wanneer er sprake is van opbrengsten, kosten, inkomsten en uitgaven. Opbrengsten en kosten hebben invloed op het eigen vermogen van een onderneming, terwijl de uitgaven en inkomsten gevolgen hebben voor de hoeveelheid geld in kas en op de bankrekening. Vooral in het taxibedrijf heb je in veel situaties moeten aangeven of het kosten en/of uitgaven betrof. In de taak Praktijk komt een aantal zaken weer ter sprake. Uiteindelijk moet je ook een winst-en-verliesrekening en een kasstroomoverzicht opstellen. PRAKTIJK Bullema is een kleine onderneming die halffabrikaten voor koptelefoons produceert. De heer Bullema is de enige directeur, zoals hij zelf zegt. Hij heeft per 1 januari een pand gehuurd voor € 2.000 per maand. Met de verhuurder is afgesproken dat hij de huur drie maanden vooruitbetaalt. Op 2 januari wordt de huur voor de maanden januari, februari en maart betaald. De kosten van arbeid zijn € 4.250 per maand en worden in dezelfde maand betaald. De overige kosten zijn € 1.475 per maand. De betreffende factuurbedragen worden altijd een maand later betaald. Bullema levert uitsluitend aan Piontek NV. Deze onderneming betaalt altijd aan het eind van de maand. De behaalde omzet in januari was € 10.900 en in februari 10.350. 13 a

Werk de financiële administratie voor Bullema bij. Bereken voor Bullema de uitgaven, kosten, inkomsten en opbrengsten over de maand januari. Vul de bedragen in de volgende tabel in.

© ThiemeMeulenhoff

27

25

27


28

28

b

TIP Controleer voordat je verdergaat, eerst het antwoord van de vorige vraag. Stel voor Bullema de winst-en-verliesrekening over de maand januari op.

c

Stel voor Bullema het kasstroomoverzicht over de maand januari op.

d

Bereken voor Bullema de uitgaven, kosten, inkomsten en opbrengsten over de maand februari. Vul de bedragen in de volgende tabel in.

e

TIP Twijfel je of de door jou berekende uitgaven, kosten, inkomsten en opbrengsten juist zijn, controleer dan eerst weer je bedragen, voordat je verdergaat met de winst-en-verliesrekening en het kasstroomoverzicht. Stel voor Bullema de winst-en-verliesrekening over de maand februari op.

26

28

Š ThiemeMeulenho

28


29

29

f

Stel voor Bullema het kasstroomoverzicht voor de maand februari op.

In de maand maart doen zich de volgende financiële feiten voor bij Bullema: 1. De heer Bullema betaalt boodschappen voor de kantine: € 125. 2. Er worden twee eettafels van in totaal € 1.200 gekocht. De tafels worden afgeleverd. De factuur wordt volgende maand betaald. 3. De heer Bullema luncht in de stad voor € 45 met een mogelijk nieuwe klant en laat de rekening naar het bedrijf sturen. 4. De afschrijving op de inventaris is deze maand € 50. 5. De rekening van de lunch wordt per post ontvangen. 6. De rekening van de lunch wordt per bank betaald. 7. Het aantal gewerkte uren van de assistent is deze maand 94 uur (zijn uurloon is € 10). 8. De motorrijtuigenbelasting van € 600 voor het hele jaar is op 28 maart betaald. 9. De motorijtuigenbelasting over deze maand wordt geboekt. g

Geef voor ieder financieel feit aan of er voor Bullema sprake is van uitgaven, kosten of geen van beide. Zet de bedragen op de juiste plaats in de tabel.

© ThiemeMeulenhoff

29

27

29


30

30

TERUGKIJKEND 14 a

Beschrijf in een aantal stappen hoe je in deze leereenheid te werk bent gegaan.

b

Wat heb je als lastig ervaren bij het uitvoeren van de opdrachten in deze leereenheid?

c

Wat zou je nog meer willen leren of weten over kosten, opbrengsten, uitgaven en inkomsten?

d

Noem minimaal drie aandachtspunten voor jezelf. Dat zijn punten waar je in het bijzonder rekening mee moet houden als het gaat over kosten, opbrengsten, uitgaven en inkomsten in je werk of stage. OPRUIMEN In deze leereenheid heb je opdracht 9 (de uitwerkingen van drie organisaties) opgeborgen in je dossier. Je hebt geen documenten voor je portfolio gemaakt.

28

30

Š ThiemeMeulenho

30


31

31

Evaluatie ................................................ 1 a

2 a

3 a

Vragen. Lees de volgende uitspraken en vink de juiste aan. Let op: er kunnen meer uitspraken juist zijn. ○ Een onderneming is een bedrijf. ○ Een onderneming streeft niet altijd naar winst. ○ Economisch handelen betekent dat je een bepaald aantal producten maakt met een zo klein mogelijk budget. ○ Specialisatie is hetzelfde als het verhogen van de productie. ○ Een bedrijf is een onderneming die zich heeft toegelegd op een bepaald deel van de productie. ○ Productie is het combineren van productiefactoren in een bedrijf. ○ Organisaties die niet naar winst streven, krijgen vaak steun via sponsoring. Vragen. Lees de volgende uitspraken en vink de juiste aan. Let op: er kunnen meer uitspraken juist zijn. ○ Kosten zijn de waarde van alle opgeofferde productiefactoren. ○ De omzet is de afzet x de verkoopprijs. ○ De afzet is gelijk aan het aantal gemaakte producten. ○ Verspillingen zijn niet-noodzakelijk opgeofferde productiefactoren. ○ Directe kosten moet je via een omweg in een product doorberekenen. ○ Kapitaalgoederen en ondernemerschap zijn voorbeelden van productiefactoren. ○ Je kunt een hoge winst behalen met een hoge winstmarge op een kleine afzet. Vragen. Grondstoffen horen in de producten te zitten. ○ goed ○ fout

b

De arbeidsvoorwaarden hebben geen invloed op het brutoloon. ○ goed ○ fout

c

Winstbelasting is een kostprijsverhogende belasting. ○ goed ○ fout

d

Scholing van het personeel behoort tot de arbeidskosten. ○ goed ○ fout

e

Alle belastingen verhogen de kosten. ○ goed ○ fout

f

Hulpstoffen zijn onmisbaar bij het maken van producten of het leveren van een dienst. ○ goed ○ fout

4 a

Vragen. Lees de volgende uitspraken en vink de juiste aan. Let op: er kunnen meer uitspraken juist zijn. ○ Variabele kosten reageren op een verandering van de productiehoeveelheid. ○ De kosten van een winkelpand horen bij de constante kosten.

© ThiemeMeulenhoff

31

29

31


32

32

○ ○ ○ ○ ○ 5 a

Vragen. Ontvangen omzetbelasting vormt inkomsten voor de onderneming. ○ goed ○ fout

b

Ontvangen omzetbelasting vormt opbrengsten voor de onderneming. ○ goed ○ fout

c

Betaalde omzetbelasting vormt kosten voor de onderneming. ○ goed ○ fout

d

Als debiteuren betalen, zijn dat inkomsten voor de onderneming. ○ goed ○ fout

e

Als debiteuren betalen, zijn dat opbrengsten voor de onderneming. ○ goed ○ fout

f

Bij verkoop op rekening zijn de opbrengsten er eerder dan de ontvangsten. ○ goed ○ fout

g

Afschrijvingskosten zijn geen uitgaven. ○ goed ○ fout

h

Aflossingen op een lening verlagen het eigen vermogen. ○ goed ○ fout

i

Een kasstroomoverzicht laat zien hoe de liquide middelen veranderen. ○ goed ○ fout

j

Een winst-en-verliesrekening laat zien hoe het eigen vermogen verandert door opbrengsten en kosten. ○ goed ○ fout

6a

b

Een onderneming is altijd een organisatie. ○ goed ○ fout Voorbeelden van kostprijsverhogende belastingen zijn ○ btw, vennootschapsbelasting en benzineaccijns. ○ onroerendzaakbelasting, administratiekosten en invoerrechten. ○ motorrijtuigenbelasting, accijnzen en reinigingsrechten.

30

32

Constante kosten reageren niet op een verandering van de productie. De variabele kosten per product kunnen dalen als je grotere hoeveelheden inkoopt. De constante kosten per product kunnen dalen als je grotere hoeveelheden produceert. Als de productie stijgt, blijven de gemiddelde constante kosten gelijk. Arbeidskosten kunnen variabele én constante kosten zijn.

© ThiemeMeulenhoff

32


33

33

c

Voorbeelden van arbeidskosten zijn ○ brutolonen, werkgeverspremies en vrije dagen. ○ brutolonen, inkomstenbelasting en werkgeverspremies. ○ brutolonen, pensioenpremies en werkgeverspremies.

d

Arbeidskosten kunnen ○ constant en variabel zijn. ○ alleen maar variabel zijn. ○ alleen maar constant zijn.

e

Constante kosten stijgen als ○ de productieomvang stijgt. ○ de afzet stijgt. ○ de productiecapaciteit wordt uitgebreid.

f

Vennootschapsbelasting verhoogt de kosten. ○ goed ○ fout

g

De btw in de verkoopprijs vormt inkomsten voor de onderneming. ○ goed ○ fout

h

De totale constante kosten zijn € 28.800,00. De variabele kosten zijn € 5,20 per stuk. De gemiddelde totale kosten per product bij 20.000 stuks zijn dan: ○ € 132.800,00 ○ € 19,60 ○ € 6,64

i

De totale kosten zijn bij 2.000 stuks € 22.900,00. De variabele kosten zijn € 4,25 per stuk. De totale constante kosten zijn dan € 14.400,00. ○ goed ○ fout

j

Kosten zijn de geldswaarde van noodzakelijk opgeofferde productiefactoren. ○ goed ○ fout

k

Een organisatie is altijd een bedrijf. ○ goed ○ fout

l

Kosten ontstaan bij de aanschaf van productiefactoren. ○ goed ○ fout

m

Alle belastingen verhogen de kosten. ○ goed ○ fout

n

Wat moet je op de puntjes invullen? De totale arbeidskosten van een werknemer zijn … het brutoloon van de werknemer. ○ lager dan ○ hoger dan ○ even hoog als

© ThiemeMeulenhoff

33

31

33


34

34

o

Economisch handelen betekent dat je zo veel mogelijk maakt met een zo klein mogelijk budget. ○ goed ○ fout

p

Inkomsten vergroten de opbrengsten. ○ goed ○ fout

q

Verspillingen verkleinen het eigen vermogen. ○ goed ○ fout

r

Er ontstaat winst of verlies op het moment dat de verkoop wordt gesloten. ○ goed ○ fout

s

Kosten ○ verhogen altijd het eigen vermogen. ○ verlagen altijd het eigen vermogen. ○ verlagen altijd de liquide middelen.

32

34

© ThiemeMeulenhoff

34


178

178

178

178


Elementaire bedrijfseconomie 1