Page 1


maatschappijleer 2e fase havo

D ELPH I

JAN DE KIEVID HANS VAN DER HEIJDE BERT DE WEME

Derde druk


Methodeoverzicht Leer- en opdrachtenboek havo Methodesite voor leerlingen Methodesite voor docenten (incl. handleiding) Toetsen havo Leer- en opdrachtenboek vwo Methodesite voor leerlingen Methodesite voor docenten (incl. handleiding) Toetsen vwo

redactie Meynen Tekstadvies, Enschede vormgeving Neon, Amsterdam beeldresearch BenU, Diemen technisch tekenwerk Jeanette van Bommel, Rotterdam vrije tekeningen Arend van Dam

Deze derde editie is een ontwikkeling en vernieuwing van eerdere edities waaraan ook meewerkten Niek Bogaard en Broer van der Hoek. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 15 ISBN 978 90 06 48278 2 Derde druk, zesde oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2007 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.




Werken met Delphi Maatschappijleer: een nieuw vak Voor je ligt Delphi, een methode voor maatschappijleer voor de tweede fase van de havo. Een nieuw boek voor een interessant vak. Met dit boek leer je hoe de maatschappij of samenleving in elkaar zit en werkt. Niet alleen vlakbij in je eigen omgeving, maar ook verder weg bij jou vandaan. Daarbij doe je natuurlijk veel kennis op. Maar maatschappijleer biedt meer dan alleen kennis. Je leert systematisch kijken naar maatschappelijke verschijnselen. Vaak gaat het om dingen die mensen als moeilijk of problematisch ervaren. In dit vak gaat het om maatschappelijke vraagstukken of problemen. Zodra je de tv aanzet of de krant openslaat, kom je een aantal van die vraagstukken en problemen tegen. In veel discussies blijkt dat de meningen sterk uiteenlopen. En dan wordt er geruzied over de verschillende mogelijke oplossingen voor een probleem. Aan de ene kant is het lastig dat niet iedereen dezelfde mening heeft. Maar dat maakt dit vak aan de andere kant ook juist boeiend. Want om een goede kijk op de maatschappij te krijgen, is het belangrijk dat je die verschillende meningen leert kennen en begrijpen.

Opbouw van Delphi Het korte eerste hoofdstuk begint met een maatschappelijke kwestie waar Nederlanders niet goed uitkomen: moet orgaandonatie voor iedereen verplicht worden gesteld of moet dat vrijwillig blijven, ook als er te weinig orgaandonoren zijn? Een ingewikkeld probleem. Om daar zicht op te krijgen, maak je kennis met enkele belangrijke begrippen die in dit boek steeds terugkomen. Ook wordt uitgelegd wat maatschappijleer is. De hoofdstukken 2 tot en met 5 behandelen vier belangrijke maatschappelijke domeinen: rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving. Die vier hoofdstukken beginnen steeds met een verkenning en oriëntatie. In de verkenning wordt het domein ingeleid aan de hand van een actueel vraagstuk waarover mensen van mening verschillen. In de oriëntatie lees je welke hoofd- en deelvragen in het hoofdstuk worden besproken. Een kleine test helpt je erachter te komen wat je al weet over het betreffende domein. Daarna volgen paragrafen, die steeds als volgt zijn opgebouwd:

• Een korte inleiding, met de deelvraag van de paragraaf. • Een leestekst met de belangrijkste informatie en de theoretische kennis over het onderwerp, met daarbij behorende bronnen en illustraties. • Opdrachten bij de leestekst, bronnen en illustraties. De opdrachten staan meestal in de rechterkolom van elke rechterbladzijde. Na de paragrafen volgen nog een onderzoeksopdracht en de afsluiting. De onderzoeksopdracht omvat elementen uit het hele hoofdstuk. Aan het eind van elk hoofdstuk staat een lijst met de belangrijkste begrippen. Na de vier domeinhoofdstukken volgt een hoofdstuk (6) over twee maatschappelijke vraagstukken die met alle vier de domeinen tegelijkertijd te maken hebben, namelijk discriminatie en de invloed van televisie op de politiek. Dat zijn allebei vraagstukken die je pas goed kunt overzien wanneer je de vier domeinen van het vak hebt leren kennen. Ook hier tref je teksten, illustraties, bronnen en (onderzoeks-) opdrachten aan. In hoofdstuk 7 wordt uitgelegd hoe je bij maatschappijleer stapsgewijs een onderzoek kunt opzetten en uitvoeren. Dat hoofdstuk heb je nodig bij de onderzoeksopdrachten in de hoofdstukken 2 tot en met 6. Achter in het boek is een selectie van artikelen uit de Nederlandse grondwet opgenomen. Bij veel opdrachten moet je iets opzoeken in de grondwet. Het boek eindigt met een register. Alle begrippen die in de tekst vetgedrukt zijn, staan met de betreffende bladzijde in het register. De meeste van deze begrippen staan ook in de begrippenlijsten in de domeinhoofdstukken. Veel begrippen komen in meerdere hoofdstukken voor, maar staan maar één keer in een begrippenlijst. De begrippenlijsten zijn bedoeld als hulpmiddel om gemakkelijk na te kunnen gaan of je de belangrijkste begrippen uit een hoofdstuk kent. Het register helpt je om snel iets te kunnen (terug)vinden in andere hoofdstukken.

Opdrachten In Delphi staan veel opdrachten. Daarmee verwerk je informatie uit de leestekst, bronnen en illustraties en pas je de verworven kennis toe op nieuwe situaties. Er zijn verschillende soorten opdrachten: Basisopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op het verwerken van de informatie. Nadat je de infor-


werken met delphi

matie hebt verwerkt, wordt je vaak gevraagd om beargumenteerd een mening te geven over een vraagstuk. ICT-opdrachten. Bij deze opdrachten moet je zelf extra informatie verzamelen via internet. Soms doe je dat rechtstreeks, soms via informatie op de Delphi-site (zie paragraaf hieronder). Verrijkingsopdrachten. In deze opdrachten wordt dieper op de stof ingegaan. Je kunt ze pas maken als je eerst de basisopdrachten en ICT-opdrachten hebt gedaan. Ze staan meestal aan het einde van een paragraaf vóór de hieronder genoemde samenvattingsopdrachten. Samenvattingsopdrachten, aangegeven met: deelvraag beantwoorden, of: hoofdvraag beantwoorden. In de hoofdstukken 2 tot en met 5 worden elke paragraaf en elk hoofdstuk afgesloten met een opdracht, waarin je antwoord geeft op de deelvraag van de paragraaf of de hoofdvraag van het hoofdstuk. Zo vat je de belangrijkste leerstof nog eens samen. Deze opdrachten zijn ook goed bruikbaar bij de voorbereiding op een toets. Onderzoeksopdrachten. Aan het eind van de vier domeinhoofdstukken 2 tot en met 5 staat een wat grotere onderzoeksopdracht. Soms kun je kiezen uit twee onderzoeksopdrachten. In dat geval wordt voor de tweede verwezen naar de Delphi-site. Een deel van de bovengenoemde opdrachten is een rode draadopdracht. Daarin gaat het steeds om de spanningsverhouding tussen individuen, groepen, de samenleving als geheel en de staat. In deze opdrachten gaat het telkens over de volgende vragen: Welke problemen willen en kunnen mensen in de samenleving onderling oplossen? Wanneer is het nodig dat de staat ingrijpt en voor iedereen bindende regels oplegt? En welke standpunten nemen verschillende mensen en groepen daarover in? ICT-opdrachten worden aangegeven met een icoontje, rode draadopdrachten met een rode draad links naast de opdracht.

Vaardigheden Bij maatschappijleer verwerf je niet alleen kennis over de samenleving. Je leert ook vaardigheden om maatschappelijke vraagstukken te onderzoeken. De belangrijkste vaardigheden maken deel uit van een stappenplan, namelijk: • vragen stellen, • plannen, • informatie verzamelen, • informatie verwerken,

• vragen beantwoorden, • presenteren, • reflecteren. Veel van deze vaardigheden zijn natuurlijk niet nieuw voor je. In eerdere leerjaren en bij andere vakken heb je er al kennis mee gemaakt. Bij maatschappijleer ga je verder in het systematisch oefenen van deze vaardigheden. Die zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 7 over onderzoek doen bij maatschappijleer. Naast onderzoeksvaardigheden komen in alle hoofdstukken ook andere vaardigheden aan de orde, met name het samenwerken en zinvol discussiëren. Een deel van de opdrachten kan of moet in groepjes worden uitgevoerd. Sommige opdrachten vereisen dat je een standpunt inneemt en dat je dat standpunt in een groeps- of klassendiscussie nader beargumenteert. Daarbij gaat het er vrijwel nooit om dat je het debat wint, maar vooral dat je alle ter zake doende informatie kunt gebruiken en je goede argumenten kunt aandragen voor je standpunt.

De Delphi-site De Delphi-site is al een paar keer genoemd. Je kunt die bereiken via www.delphi-online.nl. Op deze site vind je: • Actueel: de plek waar je nieuwe bronnen vindt en opdrachten bij actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen. • Opdrachten: hier vind je links naar websites waar je de informatie kunt vinden die je nodig hebt bij bepaalde opdrachten. Ook staan hier soms nieuwe bronnen en aangepaste opdrachten. • Oefenen: per hoofdstuk staan hier twee deeltoetsen waarmee je je kunt voorbereiden op een toets.

Ten slotte Maatschappijleer is een boeiend vak, waar je veel aan hebt om te begrijpen hoe de samenleving in elkaar zit. Het vormt de basis om als actief burger mee te kunnen gaan doen aan de samenleving. Daarvoor is het wel nodig dat je in dit vak een actieve inbreng hebt. Regelmatig zul je je een mening over een vraagstuk moeten vormen en die mening ook moeten geven, gebaseerd op kennis van zaken en argumenten. Wij wensen je daarbij niet alleen veel succes, maar ook – en vooral – veel plezier! De auteurs




Je nier of je leven >>> Inleiding tot maatschappijleer


InleIdIng tot maatschappIjleer

Als je achttien bent, krijg je een donorformulier thuisgestuurd. Daarmee kun je je als donor laten opnemen in het Donorregister. Maar nu blijkt dat er in de praktijk maar weinig mensen zijn die dat ook werkelijk doen. Te weinig om iedereen die een donororgaan nodig heeft te kunnen helpen (zie bron 1). Daardoor overlijden jaarlijks ruim tweehonderd mensen. Dit is een maatschappelijk probleem. Hoe kan zo’n probleem worden opgelost? Kunnen burgers dat zelf regelen of moet de staat ingrijpen?

1 Wie lost het op: burgers onderling of de staat? Vaak proberen burgers problemen onderling aan te pakken en op te lossen door met elkaar te praten en afspraken te maken. Soms ook door daarvoor een vereniging, organisatie of bedrijf op te richten. Als mensen afspraken maken binnen een familie, vriendenkring, school, vereniging, organisatie of bedrijf, gelden die afspraken alleen voor de direct betrokkenen. In bepaalde gevallen zijn dergelijke afspraken niet voldoende. Dan zijn er afspraken nodig voor iedereen, voor alle mensen samen, die met hun onderlinge betrekkingen de maatschappij of samenleving vormen. Orgaandonatie is zo’n ingewikkeld probleem, dat burgers onderling het niet zomaar kunnen oplossen. Er zijn mensenlevens mee gemoeid en in principe kan iedereen donor worden. Dus is het de vraag of het probleem zo belangrijk is, dat iedereen gedwongen moet worden om aan een oplossing mee te werken. Als onderdeel van de samenleving bestaat daarvoor een speciale organisatie: de staat, die mensen verplichtingen kan opleggen. De staat kan wetten maken, regels die voor alle inwoners van een land gelden. Wat er precies in zo’n wet staat, is het resultaat van discussie en strijd tussen verschillende groepen mensen. Dat zie je bij orgaandonatie mooi geïllustreerd. Als zo’n wet eenmaal is aangenomen, moet iedereen zich eraan houden. De vraag in bron 1 is of de staat iedereen moet verplichten om donor te worden. Een staat of overheid heeft drie kenmerken: 1 De staat heeft het hoogste gezag. De wetten van de staat gelden voor iedereen. De staat mag met fysiek geweld optreden tegen mensen die de wet overtreden. Zo mag de politie geweld gebruiken tegen voetbalsupporters die vernielingen aanrichten. De rechter gebruikt fysieke dwang door moordenaars of inbrekers tot gevangenisstraf te veroordelen.

2 Dat staatsgezag geldt binnen een precies afgebakend grondgebied. De grenzen van de staat zijn in de loop van de geschiedenis ontstaan door natuurlijke omstandigheden – bergen, zeeën en rivieren – en door verdragen, oorlogen en huwelijken tussen koningshuizen. 3 Dat staatsgezag geldt voor de bevolking op het grondgebied van de staat. Staat en macht Uit het eerste kenmerk blijkt dat staten over macht beschikken. Macht betekent dat iemand gedwongen kan worden om iets te doen of juist niet te doen, ook tegen de wil van die persoon. Er is sprake van macht als mensen gedwongen kunnen worden door middel van sancties: straffen of beloningen. Overal in de samenleving beschikken mensen en organisaties over machtsmiddelen, dus sancties. Het bijzondere van de macht van de staat is dat de staat in bepaalde gevallen mensen die niet meewerken daartoe uiteindelijk met fysiek geweld mag dwingen. Binnen een staat neemt de overheid de besluiten en voert die uit. De overheid bestaat uit de regering, het parlement en de ambtenaren samen. De woorden staat en overheid worden in het dagelijkse spraakgebruik door elkaar gebruikt. Soorten Bronstaten 1

Kamer tegen automatisch donorschap De Tweede Kamer heeft op 8 maart 2005 het voorstel verworpen om alle Nederlanders in principe te verplichten om na hun dood hun organen af te staan voor transplantatie. Tegen stemden gisteren 78 kamerleden, 68 stemden voor. Het voorstel, ingediend door Agnes Kant van de Socialistische Partij (SP), pleitte voor een zogenaamd geenbezwaarsysteem, waarbij iedereen automatisch als donor wordt geregistreerd, tenzij de betrokkene daartegen bezwaar maakt. Op dit moment hebben vier miljoen Nederlanders in het Landelijk Donorregister laten vastleggen of zij na hun overlijden wel of niet hun organen beschikbaar stellen. Dat levert jaarlijks 220 donaties op, terwijl er een wachtlijst is van 1400 mensen die op een orgaandonatie wachten. De Nierstichting en de Nierpatiënten Vereniging Nederland zijn ‘verbouwereerd’ dat het voorstel van Kant het niet heeft gehaald. Naar: NRC Handelsblad, 9 maart 2005.






Hoofdstuk 1 je nIer of je leven

Illustratie 1 Een rechtbank

Bron 2

Bron 3

Voorrang voor orgaandonor

Schooldirectie straft leerling

Minister Hoogervorst (Volksgezondheid) heeft grote moeite met mensen die om religieuze redenen geen orgaandonor willen worden, maar wel een orgaan accepteren als zij er zelf een nodig hebben. Daarom werkt hij een voorstel uit waarin mensen die wel donor zijn punten krijgen, waarmee ze hoger op de wachtlijst komen in het geval ze zelf ooit een orgaan nodig hebben. Volgens de artsenorganisatie KNMG slaat Hoogervorst ‘een kwestieuze route’ in. ‘Dit is een hellend vlak dat leidt tot ongelijke behandeling,’ zegt R. de Roorde, beleidsmedewerker gezondheidsrecht.

Een leerling heeft een naaktfoto van een medeleerling op internet gezet, die vervolgens door veel leerlingen van die school is bekeken. De directie overweegt twee maatregelen: • de leerling van school sturen, • de leerling twee weken opsluiten in een ruimte op school.

Naar: De Volkskrant, 4 maart 2005.

Lange tijd hadden de staten in West-Europa slechts een beperkt aantal taken. Zij zorgden vooral voor binnenlandse en buitenlandse veiligheid. Het leger beschermde het land tegen buitenlandse vijanden, de politie pakte misdadigers op en de rechters straften hen. Dat kostte geld en daarvoor moesten de inwoners belasting betalen. Dit soort staat wordt nachtwakersstaat genoemd. Tot het begin van de twintigste eeuw werden politieke besluiten – besluiten van de staat – genomen door een kleine groep rijke mannen. In de twintigste eeuw zijn de West-Europese staten

democratieën geworden. Alle burgers, ook de arme, kunnen via verkiezingen invloed uitoefenen op overheidsbesluiten. De staat heeft ook de taak op zich genomen om te zorgen voor het welzijn van de bevolking. Nu regelt de staat bijvoorbeeld ook dat iedereen tot zijn zestiende naar school moet en dat iedereen boven de 65 jaar een uitkering krijgt van de staat. Daarom spreken we tegenwoordig van een verzorgingsstaat. De vraag is nu of een staat die zich bekommert om het welzijn van de inwoners hen moet verplichten om orgaandonor te worden.

2 Rechten en plichten, waarden en normen Om de maatschappij goed te laten functioneren, hebben burgers rechten en plichten. De belangrijkste rechten en plichten zijn door de staat in wetten vastgelegd. Als je meent dat andere mensen,


InleIdIng tot maatschappIjleer

organisaties of de staat je rechten hebben aangetast, kun je een beroep doen op de staat. Dat doe je door naar de rechter te stappen. Aan de andere kant kan de staat mensen die hun plichten niet nakomen dwingen om zich aan die plichten te houden. In het uiterste geval kan dat met geweld. Er is voortdurend discussie over rechten en plichten en over wat de staat wel en niet zou moeten regelen. Dat zie je bij de kwestie van de orgaandonatie. De overheid heeft alleen iets te maken met rechten en plichten van burgers die formeel, wettelijk zijn vastgelegd. Daarnaast zijn er morele rechten en plichten die veel mensen belangrijk vinden. Zij verwachten bijvoorbeeld dat je klaar staat als familieleden, vrienden of buren hulp nodig hebben, ook als geen enkele wet zegt dat dat moet. Waarden Mensen baseren hun mening over de vraag of de staat wel of niet moet ingrijpen op waarden. Waarden vormen de basis voor rechten en plichten. Waarden zijn opvattingen over wat in het leven belangrijk is. Ze hebben vaak te maken met goed en kwaad, mooi en lelijk. Voorbeelden van waarden zijn: leven, vrede, vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, eerlijkheid, veiligheid, respect, schoonheid en waarheid.

krijgen zich op school te ontwikkelen. En de verkeersregels en het verbod op gevaarlijk vuurwerk zijn gebaseerd op de waarde veiligheid. Bovenstaande concrete voorbeelden van normen met de waarde waarop ze zijn gebaseerd, zien er logisch uit. Maar uit een waarde kunnen soms ook verschillende en zelfs tegenstrijdige normen worden afgeleid. Zo vindt de een het rechtvaardig dat werklozen een hoge uitkering krijgen, omdat ook zij recht hebben op een menswaardig bestaan. De ander vindt het juist rechtvaardig dat iemand die werkt veel meer geld krijgt dan iemand die niet werkt, omdat iemand die werkt zich veel meer moet inspannen. Ook over orgaandonatie komen tegengestelde opvattingen voort uit bepaalde waarden. Opdr acht 1 Gebruik tekst 1 en bron 1 en 2.

a Wat zijn de voor- en nadelen van automatische donorregistratie?

b Waarom vinden voorstanders van automatische

donorregistratie dat de staat zich met deze kwestie moet bemoeien en willen zij dat niet aan de

c

vrijwillige keuze van burgers overlaten? vind je het voorstel om orgaandonoren voorrang te geven een voorbeeld van gelijke behandeling of juist niet? noem minstens één argument.

Gedragsregels Uit waarden worden gedragsregels afgeleid, die ook wel ‘normen’ worden genoemd. normen geven aan hoe je je in een bepaalde situatie wel of niet hoort te gedragen. In elk sociaal verband waartoe je zelf behoort – zoals gezin, school, vriendenkring of sportvereniging – gelden bepaalde normen. Sommige normen vinden heel veel mensen zo belangrijk, dat ze via de overheid besloten hebben dat die voor iedereen verplicht en bindend moeten gelden. Ze vinden dat, wie die normen overtreedt, behoort te worden gestraft. Daarom zijn die normen vastgelegd in wetten. Het Wetboek van Strafrecht is één lange opsomming van gedrag dat verboden is. De staat heeft dat gedrag strafbaar gesteld en heeft het recht om met fysiek geweld – arresteren en opsluiten – op te treden tegen mensen die deze wetten (wettelijk vastgelegde normen) overtreden.

Opdr acht 2 Gebruik tekst 1, illustratie 1 en bron 3.

a Wat zijn de drie kenmerken van de staat?

b Geef drie voorbeelden van gebruik van macht.

Maak daarbij per situatie duidelijk wie macht heeft over anderen en met welke sancties die aan

c

anderen zijn wil kan opleggen. Waaraan kun je zien dat de rechtbank een bijzondere vorm van gezag heeft?

d Welke van de twee maatregelen kan de schooldirectie niet nemen en wie kan die maatregel wel nemen?

Opdr acht 3 Gebruik tekst 2.

a Geef een voorbeeld van een in nederland bestaand

Concreet Uit de waarde leven vloeit bijvoorbeeld voort dat je niemand mag doden en uit de waarde gelijkheid dat alle volwassenen kiesrecht hebben. Onder andere op basis van de waarden gelijkheid en rechtvaardigheid bestaat er leerplicht, zodat alle kinderen de kans

recht dat je niet goed vindt. leg uit waarom dat recht er niet zou moeten zijn.

b Geef een voorbeeld van een in nederland

bestaande plicht die je niet goed vindt. leg uit waarom je die plicht niet goed vindt.




10

Hoofdstuk 1 je nIer of je leven

Illustratie 2

Bron 4

normoverschrijdingen door middelbare scholieren Een aantal normen en het percentage middelbare scholieren dat die normen wel eens heeft overschreden (enquête in 2002).

Overschreden door (%)

je mag niet meedoen aan een serieuze vechtpartij

9

je mag niemand zo slaan dat hij/zij verbonden moet worden of naar een dokter moet

9

je mag geen fiets stelen

6

je mag niets op school stelen

6

je mag niets uit een winkel stelen

9

je mag geen schooleigendommen vernielen

7

je mag niets op straat vernielen

10

Uit: Wat gij niet wilt dat u geschiedt … Verkorte weergave van het WRR-rapport Waarden, normen en de last van het gedrag. Amsterdam, 2004.

De belangrijkste politieke stromingen in WestEuropa vinden allemaal de waarden leven, vrede, vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en veiligheid belangrijk. Zij verschillen echter van mening over de vraag welke waarden in bepaalde situaties belangrijker zijn dan andere. En dus ook welke normen het belangrijkst zijn. Dilemma Zulke verschillende ideeën leiden soms tot dilemma’s. Een dilemma is een probleem dat alleen oplosbaar is door te kiezen uit twee kwaden. Ook de kwestie van orgaandonatie kan tot dilemma’s leiden. Vrijheid is een belangrijke waarde, daar is iedereen het over eens. Onder vrijheid valt ook vrijheid van godsdienst. In sommige christelijke geloofsrichtingen wordt orgaandonatie om geloofsredenen afgewezen. Leven is ook een belangrijke waarde, ook daar is iedereen het over eens. Wat nu te doen in de volgende situatie? Door een noodlottig ongeval komt iemand om het leven, die behoort tot een geloofsrichting die orgaandonatie streng afwijst. Een van zijn organen is nu juist bij uitstek

geschikt om het leven te redden van een zieke, die zal sterven als hij niet heel binnenkort aan een goed functionerend orgaan wordt geholpen.

3 Politiek en politieke stromingen Of en hoe de staat (of overheid) een probleem aanpakt, is een politieke kwestie. Onder politiek verstaan we de situaties waarbij de overheid betrokken is of zou moeten zijn. Met politieke besluiten wordt een beleid uitgezet. Bij beleid gaat het om een plan om een bepaald doel te bereiken door het gebruik van middelen. Een voorbeeld: het onderwijsbeleid is gericht op het terugdringen van het aantal leerlingen dat zonder diploma de school verlaat. Middelen daartoe kunnen zijn: verkleinen van de klassen, betere stageplaatsen, betere controle op spijbelen en begeleiding van jongeren met problemen. Politieke besluiten worden genomen door de regering (het dagelijks bestuur van het land) en het parlement (de gekozen volksvertegenwoordiging). Wat er precies wordt besloten, hangt af van welke politieke partijen de meeste macht en invloed hebben.


InleIdIng tot maatschappIjleer

Drie hoofdstromingen Welke waarden je het belangrijkste vindt, heeft gevolgen voor de vraag welk beleid de overheid volgens jou zou moeten uitvoeren. Meningsverschillen daarover hebben geleid tot de belangrijkste politieke stromingen en de daarbij behorende politieke partijen. In West-Europa kennen we drie grote democratische politieke stromingen. Liberalen vinden vooral de waarde vrijheid belangrijk. Daarom vinden zij dat de overheid niet te veel dwingend moet regelen op sociaaleconomisch gebied. Vooral ondernemers moeten niet gehinderd worden door allerlei wettelijke plichten. De staat moet mensen ook zoveel mogelijk vrijheid laten bij het inrichten van hun privéleven. Voor socialisten of sociaaldemocraten staat de waarde gelijkheid centraal. Zij vrezen dat zonder duidelijke rechten voor de werknemers en plichten voor ondernemers de verschillen tussen rijk en arm te groot zullen worden. Daarom vinden zij dat een actieve overheid die ongelijkheid moet bestrijden. Zij denken meestal net als liberalen dat de mens vrij moet zijn bij het inrichten van het privéleven. Voor christendemocraten zijn de waarden harmonie en samenwerking erg belangrijk. Zij vinden dat georganiseerde maatschappelijke groepen, zoals werkgevers en werknemers, zoveel mogelijk zelf in harmonie afspraken moeten maken. Op sociaaleconomisch gebied zitten de christendemocraten tussen de liberalen en de sociaaldemocraten in. Zij staan huiverig tegenover te grote vrijheid in het privéleven, zoals het zelf beslissen over abortus en euthanasie.

Opdr acht 4 Gebruik tekst 2 en illustratie 2.

a Wat is het verschil tussen waarden en normen? Maak dat duidelijk met een eigen voorbeeld.

b Hoe kun je uit de waarde ‘leven’ tegenstrijdige c

normen afleiden over abortus en euthanasie?

Wat heeft de cartoon te maken met waarden en normen en wat wil de tekenaar ermee uitdrukken?

Opdr acht 5 Gebruik tekst 2 en bron 1.

a Wat heeft deze kwestie over orgaandonatie met rechten en plichten te maken?

b Welke waarden zijn in het geding als mensen c

automatisch worden geregistreerd als donor?

Had jij voor of tegen het wetsvoorstel in bron 1 gestemd? licht je antwoord toe.

Opdr acht 6 Gebruik tekst 2 en bron 4.

a Geef per genoemde norm aan uit welke waarde die is afgeleid.

b Ga per norm na of je die zelf wel eens hebt c

overtreden.

Zo ja, bekijk dan of je het niet eens bent met de er achter liggende waarde of dat er een andere reden was om die norm te overtreden.

4 Sociale ongelijkheid en sociale cohesie

Opdr acht 7

We kwamen (on)gelijkheid al tegen bij de politieke stromingen. In alle samenlevingen bestaat sociale ongelijkheid, die onder andere voortvloeit uit verschillen in inkomen, bezit en maatschappelijke kansen van (groepen) mensen. Het kan gaan om ongelijkheid tussen beroepsgroepen, mannen en vrouwen, etnische groepen of leeftijdsgroepen. Mensen nemen in de samenleving ongelijke posities in. Een belangrijke waarde in de moderne democratische samenleving is dat ongelijkheid niet gebaseerd mag zijn op afkomst, geslacht of huidskleur. Er mag alleen ongelijkheid bestaan op grond van de verschillen in persoonlijke kwaliteiten en prestaties van mensen. De een heeft meer talenten dan de ander en de een werkt harder dan de ander. Over de mate waarin zulke verschillen beloond mogen worden, dus hoe groot die ongelijkheid mag zijn, denken de

a Waarom is er in dit praktische voorbeeld sprake

Gebruik tekst 2, met name de laatste alinea. van een dilemma?

b Wat zou in dit geval jouw besluit zijn en hoe zou je c

dat verdedigen?

Bedenk zelf een ander dilemma, waarbij twee waarden in het geding zijn, die met elkaar botsen.

Opdr acht 8 Gebruik tekst 3 en bron 1.

a Wat zullen liberalen waarschijnlijk vinden van automatische donorregistratie en waarom?

b Beantwoord deze vraag ook voor sociaaldemocrac

ten.

Beantwoord dezelfde vraag voor christendemocraten.

11


12

Hoofdstuk 1 je nIer of je leven

Illustratie 3 De ene wijk is de andere niet

politieke stromingen verschillend. Sommige partijen willen dat de overheid actief optreedt tegen ongelijkheid, anderen vinden dat de burgers dat het best onderling in de samenleving kunnen regelen. Verbondenheid Veel mensen maken zich zorgen over de sociale cohesie in de samenleving: de onderlinge verbondenheid van mensen. Zij zijn bang dat veel mensen zich niet meer met andere mensen verbonden voelen of het gevoel hebben nergens meer bij te horen. Het gevolg is immers dat die zich ook niet meer verantwoordelijk voelen voor de samenleving als geheel. Ook vrezen zij dat er een te grote afstand ontstaat tussen verschillende bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld tussen allang gevestigde Nederlanders en migranten uit andere culturen. Voor een goed functionerende samenleving is volgens velen sociale cohesie binnen groepen en tussen groepen nodig. Daarom speelt bij het overheidsbeleid vaak een discussie over de vraag wat het effect zal zijn op de sociale cohesie.

5 De huidige maatschappij De vraag wanneer en hoe de staat (de overheid) moet ingrijpen en wat beter door burgers onderling in de maatschappij geregeld kan worden, loopt als een

rode draad door dit boek. Steeds gaat het om de vraag hoe staat en samenleving zich tot elkaar verhouden. Dit wordt besproken aan de hand van vier maatschappelijke domeinen: rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingstaat en pluriforme samenleving. Elk van die vier domeinen heeft een eigen hoofdstuk gekregen in dit boek. Bij alle vier spelen weer andere elementen van de verhouding tussen staat en samenleving een rol. Bij alle vier komen we rechten en plichten, waarden en normen tegen. Een rechtsstaat is een staat waarin burgers en overheid zich aan de wet moeten houden en waar gelijke rechten en mensenrechten voor iedereen gegarandeerd zijn. De staat moet de vrijheid van de burgers beschermen, maar ook hun veiligheid garanderen. Dat leidt soms tot heftige discussies. Bijvoorbeeld: bevordert de identificatieplicht de veiligheid of is het een aantasting van de vrijheidsrechten van de burgers? En: hoeveel vrijheid moet je opgeven om te zorgen voor meer veiligheid in tijden van terroristische dreigingen? (zie hoofdstuk 2.) Een parlementaire democratie is een politiek stelsel dat het mogelijk maakt op vreedzame wijze conflicten op te lossen, waarbij alle burgers invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming en de mensenrechten gewaarborgd zijn. Vraagstukken hierbij zijn


InleIdIng tot maatschappIjleer

bijvoorbeeld: hebben alle burgers in de praktijk wel voldoende rechten om hun stem te laten horen en houden zij zich wel voldoende aan hun plichten? Zijn de verkiezingen en de besluitvorming wel goed georganiseerd? Is er niet een (te) grote kloof tussen burgers en politiek? (zie hoofdstuk 3.) Een verzorgingsstaat is een maatschappij waarin de overheid zich ten doel stelt de zorg voor het welzijn van haar bewoners op zich te nemen. Bijvoorbeeld: mensen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, hebben in een verzorgingsstaat recht op materiële ondersteuning door de overheid. Daar staan plichten tegenover: iedereen die dat kan, moet proberen in het eigen levensonderhoud te voorzien. Als je werkloos bent, ben je verplicht te solliciteren. Ook hier is voortdurend discussie over de vraag: wat moet de staat dwingend regelen en wat kan beter aan de burgers zelf worden overgelaten? (zie hoofdstuk 4.) In een pluriforme samenleving leven mensen met verschillende opvattingen en religieuze, culturele en etnische achtergronden met elkaar samen. Dat kan alleen goed gaan als zij gelijke rechten en gelijke maatschappelijke kansen hebben en zich veilig voelen. Ook moeten ze in vrijheid hun leven kunnen inrichten, mits zij daarmee de vrijheid van anderen niet aantasten. De vraag is wat de staat moet doen om dat alles te bevorderen of te garanderen. Moet de staat bijvoorbeeld discriminatie actief bestrijden? Moet de staat het ontstaan van zwarte scholen tegengaan? Of moet dat aan de burgers zelf worden overgelaten, zonder bemoeienis van de overheid? En: welke rechten en plichten moeten gelden voor nieuwkomers in Nederland? (zie hoofdstuk 5.) Veel maatschappelijke problemen en ontwikkelingen hebben met meerdere van deze vier domeinen te maken. Twee voorbeelden van zulke problemen of ontwikkelingen – discriminatie en de invloed van de televisie op de politiek – komen later in dit boek aan de orde (zie hoofdstuk 6).

Wat mensen als maatschappelijk probleem ervaren, verschilt naar plaats en tijd. Maatschappelijke omstandigheden veranderen, wetenschap en techniek ontwikkelen zich en bieden nieuwe oplossingen. En er ontstaan weer nieuwe problemen als bepaalde problemen worden opgelost. Ook de opvattingen van mensen veranderen: wat vroeger nauwelijks als probleem werd gezien, kan later juist als zeer ongewenst worden ervaren. Milieuvervuiling is daarvan een goed voorbeeld. Tot ruwweg 1960 hield milieuvervuiling nauwelijks iemand bezig, hoe ernstig de vervuiling toen ook al was. Pas daarna groeide de overtuiging dat we hier wel degelijk met een ernstig probleem te maken hadden, dat alleen met behulp van overheidsmaatregelen kon worden bestreden. Opdr acht 9 Gebruik tekst 4 en illustratie 3.

a Wat is sociale ongelijkheid? Illustreer dat met een voorbeeld uit je eigen omgeving.

b Wat hebben de foto’s met sociale ongelijkheid te c

maken?

vind je dat de overheid meer moet doen tegen deze vorm van sociale ongelijkheid of juist niet? Motiveer je antwoord.

d de laatste jaren zijn in nederland de inkomens van topbestuurders van grote bedrijven veel meer

gestegen dan die van gewone werknemers. vind je dat wel of niet terecht? Motiveer je standpunt en leg uit op grond van welke waarde(n) je tot je oordeel komt.

e Maak duidelijk waarom sociale cohesie uit twee

elementen bestaat en illustreer dat met een eigen voorbeeld.

Opdr acht 10 Gebruik tekst 5.

a Geef zo precies mogelijk aan wat de kwestie van de orgaandonatie te maken heeft met: • de rechtsstaat, • de parlementaire democratie,

6 Wat is maatschappijleer?

• de verzorgingsstaat,

Aan de kwestie van de donorregistratie kun je goed zien wat een maatschappelijk probleem of vraagstuk is. Dat is een kwestie die door veel mensen in de samenleving als probleem wordt ervaren. Het treft individuele mensen, maar individuele oplossingen zijn niet mogelijk, niet voldoende, of niet wenselijk. Daarom moet de samenleving het via de overheid proberen op te lossen.

• de pluriforme samenleving.

b Zoek op het internet naar gegevens over het c

Belgische systeem van donorregistratie.

denk jij dat de Belgische oplossing zou kunnen helpen om het probleem van de wachtlijsten voor donororganen in nederland op te lossen? Motiveer je antwoord.

13


14

Hoofdstuk 1 je nIer of je leven

Vragen stellen Bij maatschappijleer leer je systematisch maatschappelijke problemen te analyseren. Bij ieder probleem moet je vragen stellen, zoals: • Wie vinden het een probleem en waarom? • Welke groepen zijn bij het probleem betrokken? • Welke waarden spelen hierbij een rol? • Welke rechten en plichten spelen hierbij een rol? • Wat heeft het probleem te maken met sociale ongelijkheid en sociale cohesie? • Wat doen mensen in de maatschappij om het probleem aan te pakken? • Wat doet de overheid om het probleem aan te pakken? Om zulke vragen te beantwoorden, heb je veel kennis en inzicht nodig. Die worden in dit boek systematisch aangeboden, gegroepeerd rond de domeinen rechtstaat, parlementaire democratie, verzorgingstaat en pluriforme samenleving. Daarbij maakt maatschappijleer gebruik van de sociale wetenschappen: vooral sociologie en politicologie, maar ook culturele antropologie, economie, (sociale) psychologie, sociale geografie, criminologie en communicatiewetenschap. Daarnaast steunt maatschappijleer op historische en juridische kennis en maakt het gebruik van allerlei statistische gegevens. Perspectieven Maatschappelijke problemen zijn vaak ingewikkeld. Ze staan niet op zichzelf, maar hangen samen met andere maatschappelijke verschijnselen en problemen. Daarom bestaan er meestal ook geen eenvoudige oplossingen. Veel maatschappelijke problemen zijn dilemma’s. Wat voor de één een goede oplossing is, ervaart de ander als een nog groter probleem. Om de verschillende aspecten van een maatschappelijk vraagstuk beter te kunnen begrijpen, bekijkt maatschappijleer een probleem vanuit vier verschillende perspectieven. Vanuit elk perspectief kunnen vragen worden gesteld, zogenaamde analysevragen. Hieronder vind je een aantal voorbeelden van zulke vragen. 1 Het politiek-juridische perspectief. • Welke wetten en regelingen hebben met dit vraagstuk te maken? • Welke politieke opvattingen bestaan er over het vraagstuk?

• Welke formele rechten en plichten hebben met het vraagstuk te maken? • Welke groeperingen en organisaties zijn bij het vraagstuk betrokken? • Hoe verloopt de besluitvorming over het vraagstuk? • Welke mogelijkheden hebben de betrokken groeperingen en organisaties om het overheidsbeleid te beïnvloeden? 2 Het sociaaleconomische perspectief. • Welke sociaaleconomische belangen hebben de betrokken groeperingen en organisaties? • Hoe hangen de politieke opvattingen van de betrokken groeperingen en organisaties samen met hun sociaaleconomische positie? • Wat heeft het vraagstuk te maken met sociale ongelijkheid en sociale cohesie? 3 Het sociaal-culturele perspectief. • Welke opvattingen hebben de betrokken groeperingen en organisaties over aard, omvang en oorzaak van het vraagstuk? • Hoe hangen die opvattingen samen met de waarden en normen van de betrokkenen? • Welke opvattingen hebben zij over wat de burgers zelf kunnen doen en wat door de overheid gedaan moet worden? • Welke morele rechten en plichten hebben met het vraagstuk te maken? 4 Het vergelijkende perspectief. • Doet het vraagstuk zich ook voor in andere (westerse) landen en zo ja: hoe precies en in welke mate? • Hoe wordt er in andere landen tegenaan gekeken en hoe wordt het daar aangepakt? • In welke opzichten was het vraagstuk vroeger in Nederland hetzelfde of anders dan nu, en wordt daar door de tijd heen anders tegen aangekeken? Bij ieder vraagstuk zijn alle vier de perspectieven van belang, al kan het ene perspectief bij een bepaald vraagstuk belangrijker zijn dan het andere. Zo is bij werkloosheid natuurlijk vooral het sociaaleconomische perspectief belangrijk en bij problemen met opvoeding van kinderen vooral het sociaal-culturele perspectief. Maar altijd zijn vergelijkingen mogelijk en altijd speelt de vraag wat de overheid zou moeten doen.


begrIppen

onderzoek Het systematisch vragen stellen en vanuit die perspectieven kijken naar maatschappelijke vraagstukken is van wezenlijk belang als je onderzoek doet naar zo’n vraagstuk. Hoe je zo’n onderzoek doet bij maatschappijleer komt aan de orde in hoofdstuk 7.

Opdr acht 11 Gebruik tekst 6. kies uit elk van de vier perspectieven twee vragen die je het belangrijkst vindt voor het vraagstuk van de orgaandonatie en die je nu al denkt te kunnen beantwoorden. Geef die antwoorden. Het gaat om voorlopige antwoorden, waarbij je gebruik maakt van de informatie

Door alle hoofdstukken loopt steeds de centrale vraag die de rode draad vormt van dit boek: wat kunnen individuele burgers en organisaties zelf doen om maatschappelijke problemen op te lossen en wat kan de overheid daaraan bijdragen? Daarover blijken telkens verschillen in opvatting te bestaan. En die opvattingen veranderen ook in de loop van de tijd.

in dit hoofdstuk, je antwoorden op de opdrachten en wat je zelf al wist. dit is een eerste, kleine oefening in het analyseren van een maatschappelijk vraagstuk.

Opdr acht 12 Maak als afsluiting van dit hoofdstuk een lijstje van belangrijke begrippen en geef per begrip aan wat het te maken heeft met het vraagstuk van de orgaandonatie. Welk begrip vind je bij dit vraagstuk het belangrijkst en waarom?

Begrippen >>> Beleid Maatschappij (samenleving) Maatschappelijk probleem Macht Norm Overheid politiek Sociale cohesie Sociale ongelijkheid Staat

Waarde Wet

Plan om een bepaald doel te bereiken door het gebruik van middelen. Het samenleven van mensen en de betrekkingen die zij onderling hebben. Een kwestie die door veel mensen in de samenleving als een probleem wordt ervaren en waarvoor zij een oplossing zoeken, vaak via de overheid. Het vermogen om iemand te dwingen iets te doen door middel van sancties, ook tegen zijn wil. Regel over hoe je je in een bepaalde situatie wel of niet behoort te gedragen. De organisatie die binnen een staat de beslissingen neemt en uitvoert, bestaande uit regering, parlement en ambtenaren. Situaties waarbij de overheid betrokken is of zou moeten zijn. Onderlinge verbondenheid van mensen, binnen groepen en tussen groepen. Ongelijke verdeling van inkomen, bezit, hulpmiddelen en/of maatschappelijke kansen tussen verschillende groepen. Organisatie die beschikt over het hoogste gezag (waaronder het recht om fysiek geweld te gebruiken tegen wetsovertreders) over de bewoners van een bepaald grondgebied. Opvatting over wat in het leven belangrijk is. Door de staat opgestelde regel, die voor alle inwoners van een staat dwingend geldt.

15


Delphi 2e fase havo hoofdstuk 1  

Delphi 2e fase havo hoofdstuk 1

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you