Issuu on Google+

38

hoofdstuk 1  | Oefenen voor Staatsexamen II

Oefenen voor Staatsexamen II SPREKEN

1.1 Bedenk samen wat je kunt zeggen in deze situaties. 1 Je staat al een kwartier op de bus te wachten. Bij de bushalte staat ook een oudere vrouw te wachten. Je wilt een praatje maken. Wat zeg je? (een of twee zinnen) 2 Je zit naast iemand van je eigen leeftijd in de trein. Je wilt een praatje maken. Wat zeg je? (een of twee zinnen) 3 Je hebt een paar dagen geleden ruzie gehad met je beste vriend of vriendin. Je vindt die ruzie heel vervelend. Dan kom je hem/haar tegen op straat. Wat zeg je? (een of twee zinnen) 4 Je moet voor je studie met een jongen samenwerken. Je vindt de kwaliteit van zijn werk slecht. Hij heeft voortdurend kritiek op jouw werk, maar van jou accepteert hij geen kritiek. Je hebt er genoeg van. Je belt hem op. Wat zeg je? (meer dan twee zinnen) 5 Je buurvrouw belt aan. Ze wil je een zak tweedehands kleren geven. Je wilt geen oude kleren, maar je vindt je buurvrouw erg aardig. Wat zeg je? (meer dan twee zinnen) 6 Je bent net geslaagd voor een examen. Je gaat blij naar huis, je zet thuis een muziekje op en je zingt lekker mee. Je buurman belt aan. Hij zegt erg boos: ‘Wat is er met jou aan de hand? Ik kan mijn eigen tv niet eens horen.’ Je schrikt van zijn boze toon. Hoe reageer je? (meer dan twee zinnen)

1.2 Luister naar de docent en geef een reactie. SCHRIJVEN

2 Maak de zinnen af. 1 Een praatje beginnen is niet moeilijk. Eerst maak je oogcontact.



2 Als je iemand die je niet kent, aanraakt, kan dat tot een misverstand leiden. Daarom

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 38



24-07-12 14:42


CODE Plus deel 4