Page 1

Elk deel bestaat uit een boek met opdrachten en een website met bijbehorend oefenmateriaal, audio’s en video’s. Je kunt overal met CODE Plus werken: thuis, op het taalinstituut of in het buitenland. Met een volgsysteem kun je de vorderingen gemakkelijk bijhouden. CODE Plus is ontwikkeld door ervaren docenten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit in Amsterdam die zelf lesgeven aan hoogopgeleide NT2-ers. Hun deskundigheid staat garant voor kwaliteit. Met CODE Plus leg je de basis voor succesvolle participatie in Nederland. CODE Plus bestaat uit vier delen. Elk deel leidt tot een niveaustap in het Europees Referentiekader (ERK). • Deel 1: 0 tot A1 • Deel 2: van A1 tot A2 (niveau Inburgeringsexamen) • Deel 3: van A2 tot B1 (niveau Staatsexamen NT2 Programma 1) • Deel 4: van B1 tot B2 (niveau Staatsexamen NT2 Programma 2) De website vind je op www.codeplus.nl.

OS_Code Plus NT2 Boek 4 Omslag def.indd 1

B1-B2 | TakenBOEk deel 4

CODE Plus is een methode voor hoogopgeleide anderstaligen die snel en efficiënt Nederlands willen leren. Met CODE Plus leer je Nederlands aan de hand van concrete taaltaken. Je kunt CODE Plus onder begeleiding van een docent of zelfstandig doorwerken. CODE Plus is geschikt voor zowel korte als lange cursussen.

Takenboek Deel 4 | B1-B2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen

01-08-12 10:52


Takenboek Deel 4 | B1-B2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Nederlands Taalonderwijs en Taaladvies (INTT) Nicky Heijne Karolien Kamma Vrije Universiteit Amsterdam, Afdeling Nederlands Tweede Taal Titia Boers Hinke van Kampen Carola van der Voort Eindredactie Vita Olijhoek

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 1

24-07-12 14:42


CODE Plus pakketoverzicht Titel

Titel

Deel 1 Takenboek Website bij het takenboek Docentendeel website Audio-cd Dvd Oefenschrift

Deel 3 Takenboek Website bij het takenboek Docentendeel website Audio-cd Dvd Oefenschrift

Deel 2 Takenboek Website bij het takenboek Docentendeel website Audio-cd Dvd Oefenschrift

Deel 4 Takenboek Website bij het takenboek Docentendeel website Audio-cd Dvd Oefenschrift

redactie: Marieke van Osch, Magenta tekst & redactie omslagontwerp: Imago Mediabuilders, Peter Beemsterboer ontwerp binnenwerk: Imago Mediabuilders, Henri van Santen ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 81438 5 Eerste druk, eerste oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 2

24-07-12 14:42


Inhoud

4 Aan de slag met CODE Plus deel 4

5 Uitleg van de symbolen

thema

Communicatie

7 Hoofdstuk 1 Te gek voor woorden

41 Hoofdstuk 2 Puur natuur

Natuur in Nederland

73 Hoofdstuk 3 Zo gezond als een vis

Gezondheid

103 Hoofdstuk 4 Over de schreef

 egels en handhaving R daarvan

141 Hoofdstuk 5 Ik zie ik zie wat jij niet ziet

Psychologie en taal

179 Hoofdstuk 6 Brood op de plank

Economie

217 Hoofdstuk 7 In de wetenschap

Wetenschap en techniek

249 Hoofdstuk 8 De stier van Potter

Kunst en cultuur

281 Hoofdstuk 9 Van alle tijden

Geschiedenis

315 Hoofdstuk 10 Aan de macht

Politiek

351 Antwoorden

369 Overzicht Grammatica en spelling

370 Overzicht Reflectiekaders

370 Overzicht kaders Werken met woorden

371 Woordenlijsten

394 Bronvermelding

396 Beeldverantwoording

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 3

24-07-12 14:42


Aan de slag met CODE Plus deel 4 Als je hiervoor met CODE Plus deel 1, 2 en 3 hebt gewerkt, zie je dat er verschillen zijn. In CODE Plus deel 1, 2 en 3 bestond ieder hoofdstuk uit vier taken. De hoofdstukken van CODE Plus deel 4 zijn verdeeld in vier subthema’s. De thema’s en opdrachten zijn op dit taalniveau abstracter en groter. Ze passen niet meer binnen ‘een taak’. Een subthema heeft drie delen: Vóór de les, In de les en Na de les. De opdrachten van Vóór de les bereiden de les voor. Je doet ze alleen, voordat je naar de les komt. Dit zijn: - luisterteksten met opdrachten - leesteksten met opdrachten - woordenschatoefeningen. Het deel In de les doe je in de les, met andere cursisten. Dit zijn: - ‘praat’vragen bij de lees- en luisterteksten - andere spreekopdrachten bij het subthema - oefeningen met de docent (bijvoorbeeld luisteren of uitspraak). Het deel Na de les bevat (schrijf)opdrachten die je alleen doet, na de les. De lees- en luisterteksten in CODE Plus deel 4 zijn langer, hebben meer inhoud en nodigen uit om ook over te praten. Daarom zijn er nu ook vragen opgenomen die je samen met een andere cursist bespreekt, in de les. Het kunnen twee soorten vragen zijn: - Vragen bij de inhoud en de taal van de teksten. Dit zijn vragen om de tekst nog beter te begrijpen. - Vragen naar een mening of een persoonlijke reactie. Nieuw in CODE Plus deel 4 is ook dat elk hoofdstuk opdrachten heeft voor het Staatsexamen NT2 programma II. Deze opdrachten lijken in vorm sterk op de vragen die je in het Staatsexamen krijgt en bereiden je daarom goed voor op dit examen. Er zijn spreek- en schrijfopdrachten in dit onderdeel. We wensen je veel succes bij het doorwerken van CODE Plus deel 4!

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 4

24-07-12 14:42


Uitleg van de symbolen Deze opdracht maak je op de computer. Je gaat naar een tekst luisteren, een video of een illustratie bekijken of oefenen met nieuwe woorden. Je gaat naar de computer, www.codeplus.nl. Je kiest CODE Plus deel 4, je kiest een hoofdstuk en je kiest een subthema. Bij sommige opdrachten hoort een werkblad. De werkbladen krijg je van je docent. Sommige opdrachten doe je niet in de klas, maar buiten het lokaal of buiten de school. Je moet dan bijvoorbeeld naar een winkel. Bij deze opdracht moet je iets zoeken op internet. Deze opdracht doe je met een andere cursist samen. Deze opdracht doe je met twee andere cursisten. Deze opdracht doe je met drie andere cursisten. Deze opdracht doe je met de hele groep. Je krijgt uitleg van je docent. Deze opdracht doe je met de hele groep. Je bekijkt samen een video of luistert naar een audiotekst en doet een opdracht. In deze opdracht moet je een tekst lezen in een beperkte tijd. Je krijgt de tekst van je docent. In deze opdracht moet je snel een reactie geven op een uiting van de docent. In deze opdracht werk je met een groepje aan de vorm van taal. Je moet samen een tekst reconstrueren die de docent heeft voorgelezen.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 5

24-07-12 14:42


13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 6

24-07-12 14:42


7

hoofdstuk 1  |  subthema Introductie 8

H oofdstuk 1 T  e gek voor woorden

Dit hoofdstuk gaat over communicatie. Introductie Subthema 1 Subthema 2 Subthema 3 Subthema 4 Slot Verbindingen en idioom Oefenen voor Staatsexamen II

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 7

8 Verbale en non-verbale communicatie  9 Communicatieproblemen  17 Communicatie via reclame  23 Communicatie via internet  29 36 37 38

24-07-12 14:42


8

hoofdstuk 1  | Introductie

Introductie

1 Beantwoord de vragen. 1 Dit hoofdstuk gaat over communicatie. Wat is communicatie volgens jou? Kun je dat in een paar woorden opschrijven?

2 Kijk nu in het woordenboek. Wat staat daar bij ‘communicatie’? Schrijf de betekenis op.

2 Lees de vraag en de tekst. Beantwoord de vraag. Deze tekst gaat over een sprekende computer. Kijk naar de definitie van communicatie die je hebt opgeschreven. Gaat het in de tekst over communicatie?

Sprekend toilet pakt viespeuken aan Een sprekende computer op de toiletten in theater De Balie spreekt bezoekers aan die zich niet goed gedragen. Wie bijvoorbeeld de wc-bril niet omhoog doet, op het toilet rookt of te veel toiletpapier gebruikt, krijgt commentaar van de computer. Het kan ook gebeuren dat de computer een hele tijd niets zegt en dan opeens begint te hoesten. Dit bijzondere gebruik van de computer is door een kunstenaar bedacht.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 8

24-07-12 14:42


9

1 Verbale en non-verbale communicatie i i i Vóór de les

1 Lees de tekst.

Verbale en non-verbale communicatie Uit onderzoek blijkt dat nog geen 10 procent van de communicatie tussen mensen wordt overgebracht door woorden. Non-verbale communicatie speelt een veel belangrijkere rol: de stem, de toon waarop iemand iets zegt, de gezichtsuitdrukking en de lichaamstaal.

2.1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen. 1 Het onderwerp van de tekst is ‘een praatje maken’. Bij dit onderwerp wordt een belangrijke vraag gesteld, waarop de tekst vervolgens zelf antwoord geeft. Welke vraag is dat? Onderstreep de vraag in de tekst. 2

Welke conclusie past het best bij de tekst? a Het maken van een praatje is geen vorm van communicatie. b Het maken van een praatje is ook mogelijk als je bang bent. c Het maken van een praatje kun je leren.

Een praatje maken

5

10

Stel je voor: je bent alleen op een congres, en in de pauze sta je met je kopje koffie, tussen minstens honderd onbekende mensen uit jouw vakgebied, een beetje om je heen te kijken. Je wilt wel een praatje maken. Je weet misschien zelfs al wie je zou willen aanspreken, maar hoe pak je dat aan zonder dat je het gevoel hebt dat je je opdringt? Het begin is soms moeilijk Wie op een zakelijke bijeenkomst wil netwerken, weet dat je een praatje móét maken voordat je een echt gesprek kunt voeren. Mensen voelen zich echter vaak ongemakkelijk op dit soort bijeenkomsten. Volgens Marjolijn van Burik, communicatietrainer en auteur van het boek Een praatje maken, speelt status daarbij een belangrijke rol. Je zit tussen mensen uit je vakgebied of mogelijke klanten en je denkt: als ik iemand aanspreek, moet ik wel een interessante indruk maken. ‘Die gedachte kan voor spanning zorgen, waardoor je niet zo gemakkelijk iemand aanspreekt die je niet kent. Ook kunnen in zo’n situatie angstige

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 9

24-07-12 14:42


10

hoofdstuk 1  |  subthema 1

15

20

25

30

35

40

jeugdervaringen naar boven komen; je bent misschien bang om weggestuurd te worden of om een boze blik te krijgen omdat je dat als kind hebt meegemaakt. Die angsten en zenuwen die daarbij horen, moet je onder controle zien te krijgen’, zegt Van Burik. Haar advies is: ‘Goed kijken naar de ruimte, de mensen en de interactie. Hierdoor verdwijnt het gevoel dat je een vreemdeling bent.’ Verder adviseert ze te bedenken met welk type mensen je meestal gemakkelijk contact legt, en daarmee te gaan praten. ‘Zijn het mannen of juist vrouwen? Dikke mensen, jongere of oudere? Iedereen heeft daar onbewust een bepaalde voorkeur in.’ Contact maken Contact leggen begint met kijken. Om oogcontact te krijgen, moet je soms even bewegen, even om iemand heen lopen, zodat hij gaat kijken. En dan volgt de openingszin. ‘Neem de tijd’, zegt Van Burik. Mensen hebben de neiging veel te snel een echt gesprek te beginnen. Maar dan heb je eerder kans dat je brokken maakt, dan dat je contact legt. Het onderwerp dat je kiest moet het liefst zo neutraal mogelijk zijn: het weer, de file, de kwaliteit van de koffie, hoe warm het binnen is, hoe koud of hoe druk. Je hoeft helemaal niets interessants te zeggen. Doel van die oppervlakkige gesprekjes is te zoeken naar iets waar je samen over kunt praten. Het is een soort ritueel dat nodig is om écht contact te kunnen leggen. Je kunt vervolgens je gesprekspartner een prettig gevoel geven door te gaan spiegelen: je gaat op ongeveer dezelfde manier staan of zitten als de ander, iets wat beiden een ontspannen gevoel kan geven. Contact met een groepje Van Burik heeft voor het contact maken met een groepje het volgende advies. Stap één: maak oogcontact met iemand uit de groep. Stap twee: wacht tot je via dat oogcontact ‘toestemming’ krijgt om bij de groep te gaan staan - de persoon met wie je oogcontact hebt gemaakt, zal een stapje opzij doen. Dan stel je jezelf voor. Om vervolgens te zeggen: ‘Maar ik onderbrak jullie’, zodat het groepsgesprek weer verder kan gaan. Ze benadrukt dat het belangrijk is om goed te luisteren: ‘Luisteren is een vorm van aandacht geven en iedereen krijgt graag aandacht.’ Maar ook de beste luisteraar kan met pijnlijke stiltes te maken krijgen als even niemand iets zegt. Het is dan goed om ‘even een drankje te halen’, dat geeft wat tijd om een nieuw onderwerp te verzinnen.

2.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Welke reden kan iemand hebben om op een congres een onbekend persoon aan te spreken? Onderstreep een zin in de tekst. 2 Welke twee adviezen geeft Marjolijn van Burik om zenuwen onder controle te krijgen? Onderstreep twee zinnen in de tekst. 3 Wat kun je doen om contact te maken en een praatje te beginnen met één persoon? En hoe doe je het met een groepje? Maak twee schema’s en schrijf alles zo kort mogelijk op.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 10

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 1

11

met één persoon stap 1: stap 2: stap 3:

met een groepje stap 1: stap 2: stap 3: stap 4:

3 Doe de opdrachten bij Luisteren op de computer. Je gaat kijken naar twee fragmenten uit een tv-programma. Jack Spijkerman en Bert Visscher praten met Marjolijn van Burik. Jack heeft een bril op en Bert heeft een oranje overhemd aan.

4 Lees de vraag en de tekst. Beantwoord de vraag. Waarom past de titel zo goed bij de tekst? Kruis aan. Er zijn meer antwoorden mogelijk. :: De tekst gaat over non-verbale communicatie. :: De fietser is erg boos op de man in de BMW. :: De fietser is enthousiast over de actie van de vrachtwagenchauffeur.

Te gek voor woorden Terwijl ik met de fiets voor het rode stoplicht wacht, stopt naast me een zwarte BMW. Daar zit een man in met een dik, kaal hoofd en een dikke sigaar in zijn mond. Achter de BMW stopt een vrachtwagen. Ik sta een beetje te dromen, maar dan hoor ik het geluid van een elektrisch raam. Ik zie een arm uit het raam van de BMW komen. De man heeft een volle asbak in zijn hand die hij heel rustig omkeert, zodat de inhoud op straat valt. Ik ben boos omdat de man kijkt alsof hij het heel normaal vindt om een asbak op straat leeg te gooien.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 11

24-07-12 14:42


12

hoofdstuk 1  |  subthema 1

Voordat ik weet wat ik zeggen moet, gaat de deur van de vrachtwagen open. De chauffeur springt uit de wagen, pakt er een asbak uit en loopt rustig naar de BMW. Hij klopt op het raam en maakt een draaiende beweging met zijn hand. Hij wil duidelijk dat de dikkop zijn raam opendoet. Dat doet de man meteen. Op dat moment steekt de vrachtwagenchauffeur de asbak naar binnen. Hij gooit de asbak leeg in de BMW. Zonder de dikke man aan te kijken draait hij zich om, klimt in zijn vrachtwagen en toetert naar de BMW dat hij moet gaan rijden. Het stoplicht is inmiddels groen geworden.

5 Doe de opdrachten bij Woorden op de computer.

i i i In de les Werken met woorden Het gebruik van het woordenboek

1 Bespreek samen de gebruiksaanwijzing van het Pocketwoordenboek NT2.

2 Lees en beantwoord de vragen. Ze gaan over de leestekst van opdracht 2, Een praatje maken. 1 In r. 30-31 staat: ‘Je kunt vervolgens je gesprekspartner een prettig gevoel geven door te gaan spiegelen.’ - Welke woordsoort is ‘spiegelen’ (r. 31)? Is het een adjectief, een substantief of een verbum?

- Als je goed naar de context kijkt, kun je de betekenis raden. Onderstreep het zinsdeel waarin de betekenis staat. Gebruik nog geen woordenboek. - Hoe heb je de betekenis gevonden?

- Kun je de betekenis niet in de context vinden? Gebruik dan het woordenboek en onderstreep daarna het zinsdeel in de tekst.

2 In r. 25-26 staat: ‘Maar dan heb je eerder kans dat je brokken maakt, dan dat je contact legt.’ - Welke woordsoort is ‘brokken’ (r. 25)?

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 12

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 1

13

- Bij welk woord hoort het woord ‘brokken’?

- Kun je de betekenis van de woorden samen (‘brokken’ + …) raden uit de context? Zo ja, omschrijf de betekenis.

- Zo nee, zoek dan de betekenis op in het woordenboek. Bij welk woord in het woordenboek heb je de betekenis gevonden?

Bespreek samen de antwoorden.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 13

24-07-12 14:42


14

hoofdstuk 1  |  subthema 1

6.1 Bespreek de vragen. Ze sluiten aan bij de leestekst van opdracht 2, Een praatje maken. 1 Stel dat je in Nederland op een congres bent en je wilt in de pauze met iemand contact maken. In de tekst noemt Van Burik onderwerpen voor openingszinnen: het weer, de file, de kwaliteit van de koffie, hoe warm het binnen is, hoe koud of hoe druk. Bedenk drie openingszinnen bij deze onderwerpen. Bijvoorbeeld: Wat een wind hè, vanochtend. Stond je ook zo lang in de file? 2 Met welke andere onderwerpen zou je ook een praatje kunnen beginnen, bijvoorbeeld op een congres? 3 Staat er iets in de tekst wat jijzelf nooit zou doen of zeggen? Zo ja, licht je antwoord toe.

6.2 Bespreek samen de antwoorden.

7.1 Lees de vragen van opdracht 7.2. Kijk en luister nog een keer naar het eerste fragment van de video van opdracht 3, Waar zijn de hapjes?

7.2 Bespreek de vragen. Ze gaan over fragment 1 van de video. Gebruik het transcript dat je van de docent krijgt. 1 Communicatie wordt soms moeilijker door bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld omdat de ander niet duidelijk spreekt. Zijn er nog andere omstandigheden waardoor je elkaar niet goed kunt verstaan? 2 Ook de videofragmenten zijn soms moeilijk te verstaan. - Hoe komt dat? - Wat kun je doen om ze beter te verstaan? 3 Met elkaar grapjes maken in je eigen taal is ook communicatie. Waarom is het moeilijk om grapjes in een andere taal te begrijpen? Maak je zelf wel eens grapjes in het Nederlands? 4 Bert Visscher is cabaretier. Een cabaretier geeft humoristische voorstellingen met toneelstukjes en liedjes. Dat kun je zien en horen. Geef twee voorbeelden. 5 Marjolijn van Burik zegt: ‘Ja, even een babbel, over het weer.’ (r. 16) Is ‘babbel’ een verbum of een substantief? Onder welk woord kun je de betekenis van ‘babbel’ vinden in je woordenboek? Is dat een verbum of een substantief? 6 Marjolijn van Burik vertelt dat de eerste zin niet, maar de tweede zin wel wordt onthouden. Dan vraagt Jack Spijkerman: ‘Het maakt gewoon niet uit?’ (r. 57) - Wat is het antwoord van Marjolijn? Onderstreep het antwoord in het transcript.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 14

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 1

15

7.3 Lees de vragen van opdracht 7.4. Kijk en luister nog een keer naar de video van opdracht 3, Waar zijn de hapjes?

7.4 Bespreek de vragen. Ze gaan over fragment 2 van de video. Gebruik het transcript dat je van de docent krijgt. 1 Waarom vindt psychologe Marjolijn van Burik het nodig om een boekje te schrijven over het maken van een praatje? Zou je dat boekje zelf kopen, lezen en gebruiken? 2 Je bent op een receptie waar je niemand kent. Waarover kun je dan met een onbekende een praatje maken? Mag zo’n praatje ook gaan over iets wat niet belangrijk is? 3 Is het volgens Marjolijn van Burik belangrijk waarover de eerste zin gaat? 4 Marjolijn beschrijft het verschil in gedrag tussen mannen en vrouwen. Welke twee verschillen noemt ze? 5 Zijn er volgens jou belangrijke verschillen tussen jouw land en Nederland in de manier waarop een praatje wordt gemaakt? Wat zegt Marjolijn hierover? 6 Volgens Bert raken mannen elkaar meer aan dan vrouwen. - Raak jij wel eens iemand aan terwijl je praat? - Zo ja, wie raak je aan en waar raak je die persoon aan? 7 Zijn er onderwerpen die je niet moet gebruiken als je met iemand een oppervlakkig praatje wilt maken? 8 Marjolijn zegt dat je tijdens een praatje niet moet roddelen en niet moet spreken over geld en politiek. Ben jij het met haar eens? Licht je antwoord toe. 9 Hoe kun je volgens Marjolijn non-verbaal laten zien dat je wilt stoppen met een gesprek? Onderstreep de zinnen in het transcript. 10 Wat zegt Jack als hij het gesprek met Marjolijn begint (fragment 1) en als hij wil stoppen (fragment 2)? - Onderstreep de zinnen in het transcript. - Waarom lacht het publiek bij de slotzin?

7.5 Bespreek samen de antwoorden van opdracht 7.2 en 7.4.

8.1 Luister en onderstreep de woorden die accent krijgen. 1 2 3 4 5 6 7 8

Wat zijn dat voor praatjes dan? Het hoeven geen belangrijke praatjes te zijn? Het maakt gewoon niet uit? Het maakt gewoon niet uit. Zijn vrouwen daar beter in dan mannen? Waar moet je het wel of niet over hebben? Nee, dat zou ik niet doen, nee. Ik vond het leuk om met je te praten.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 15

24-07-12 14:42


16

hoofdstuk 1  |  subthema 1

8.2 Luister en zeg na. 9 Vertel het verhaal van opdracht 4, Te gek voor woorden, vanuit een andere persoon. De leestekst van opdracht 4, Te gek voor woorden, is geschreven vanuit de gedachten van de fietser. Bedenk samen hoe je het verhaal zou kunnen vertellen vanuit de gedachten van de vrachtwagenchauffeur. Gebruik het presens. Je kunt bijvoorbeeld zo beginnen: Ik sta voor het stoplicht te wachten. Voor me staat een BMW. Bedenk vervolgens hoe je het verhaal zou kunnen vertellen vanuit de gedachten van de man in de BMW. Gebruik het presens. Je kunt bijvoorbeeld zo beginnen: Ik sta voor het stoplicht te wachten. Naast me staat een fietser en achter me een vrachtwagen. Cursist A vertelt het verhaal van de vrachtwagenchauffeur. Cursist B luistert. Cursist B vertelt het verhaal van de man in de BMW. Cursist A luistert.

i i i Na de les

10 Kies een van onderstaande schrijfopdrachten. - Beschrijf de gebeurtenis van de leestekst van opdracht 4, Te gek voor woorden, vanuit de gedachten van de man in de BMW. Gebruik het imperfectum. - Beschrijf het verhaal van de leestekst van opdracht 4 vanuit de gedachten van de vrachtwagenchauffeur. Gebruik het imperfectum. Gebruik zo nodig je woordenboek om het imperfectum van de werkwoorden op te zoeken.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 16

24-07-12 14:42


17

2 Communicatieproblemen i i i Vóór de les

1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen.

Verdriet? Een Afrikaan loopt met zijn Nederlandse vrienden ’s avonds langs een huis. Je kunt door het raam naar binnen kijken. De Afrikaan ziet binnen mensen in een kring zitten. Er branden kaarsen, er zijn hapjes. ‘Wat verdrietig dat er iemand is doodgegaan!’ zegt hij. Zijn vrienden reageren verbaasd: ‘Nee joh, het is juist heel gezellig daar.’ De Afrikaan begrijpt er niets meer van. 1 Waarom zijn de vrienden verbaasd?

2 Wat begrijpt de Afrikaan niet?

2 Doe de opdrachten bij Luisteren op de computer. Je gaat luisteren naar een gesprek dat plaatsvindt in een treincoupé. Het is kwart voor negen ’s ochtends. Je hoort de conducteur praten met een oudere vrouw. De vrouw heeft een abonnement voor ‘voordeeluren’. Met zo’n abonnement mag je op bepaalde tijden reizen met 40 procent korting. Het abonnement staat op een OV-chipkaart.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 17

24-07-12 14:42


18

hoofdstuk 1  |  subthema 2

3.1 Lees de vraag en de teksten. Beantwoord de vraag. Wat is het beste antwoord op de vraag in de titel Een misverstand? a Ja, het was een misverstand, want non-verbale communicatie gaat onbewust. b Misschien was het een misverstand, je weet niet wat de bedoeling was van de man. c Nee, het was geen misverstand, de man had een seksuele bedoeling.

Toelichting op Een misverstand? Een Amerikaanse vrouw beschuldigde enkele jaren geleden haar Nederlandse baas, Ruud Lubbers, van seksuele intimidatie. Hij was toen Hoge Commissaris van de UNHCR, een organisatie binnen de Verenigde Naties. Wat er precies gebeurd is, werd niet helemaal duidelijk. Sommige kranten schreven dat hij haar in de billen had geknepen.

Een misverstand?

5

10

15

20

Voorzichtig met non-verbale communicatie ‘Misverstanden liggen op de loer als het om non-verbale communicatie gaat’, zegt Marc Schabracq, sociaal-psycholoog aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verwijst daarmee naar Ruud Lubbers, Hoge Commissaris bij de UNHCR die door een Amerikaanse medewerkster beschuldigd werd van seksuele intimidatie. ‘Eigenlijk mag ik van geluk spreken dat mijzelf nooit zoiets is overkomen. Ik maak er natuurlijk geen gewoonte van mijn studenten (90 procent is vrouw) in de billen te knijpen – integendeel – maar je wordt al gauw verkeerd begrepen. In sommige functies moet je heel voorzichtig zijn. Ik had vroeger een hoogleraar die daarom altijd de deur open liet staan als hij met studenten sprak.’ Schabracq: ‘Non-verbale communicatie gaat onbewust. We worden ons pas bewust van de regels als ze worden doorbroken. Als ik nu plotseling mijn hand vlak voor die van jou op tafel leg, dan doorbreek ik een impliciete regel. Want ergens op deze tafel loopt een onzichtbare lijn.’ Toon en lichaamshouding Volgens bioloog Jan van Hooff wordt de kracht van non-verbale communicatie enorm onderschat. Alles wat we zeggen of doen krijgt er betekenis door. Denk bijvoorbeeld aan de toon waarop iemand iets zegt. Er zijn verschillende manieren om te zeggen: ‘Ga eens even opzij.’ Ook bij dieren is de toon belangrijk, maar ook houding en beweging. Bij de mens is het niet anders. We merken het als iemand aarzelt, we zien het als iemand anders gaat kijken. Kortom, we letten goed op nonverbale signalen van de ander. Onderzoek Van Hooff vindt non-verbaal gedrag erg interessant. ‘Er bestaat een prachtig onderzoek over mensen die met elkaar in één kamer moeten zitten. Deze mensen kennen elkaar niet. De tweede persoon die een kamer binnenkomt, blijkt altijd zo

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 18

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 2

25

30

35

40

19

ver mogelijk van de eerste af te gaan zitten. Liefst in een hoek van 90 graden, zodat oogcontact ook niet voor de hand ligt. Mensen die een treincoupé of een lift binnenstappen, doen dat ook. In een bus in Afrika kan het echter gebeuren dat een instappende passagier in een verder helemaal lege bus naast je komt zitten.’ Cultuurbotsing Als er dingen in de non-verbale sfeer misgaan, komt dat meestal door cultuurverschillen. Van Hooff: ‘Wat ergens anders als vriendschappelijk wordt gezien, kan hier heel anders geïnterpreteerd worden. Ik schrik me bijvoorbeeld rot als een andere man zomaar zijn hand op mijn knie legt of zijn knie tegen de mijne duwt, terwijl dat in mediterrane culturen een signaal is dat mannen elkaar vertrouwen.’ In Amerika is men erg gevoelig voor mogelijke seksuele signalen en zo zou je de zaak van Ruud Lubbers als een cultuurbotsing kunnen verklaren. Volgens Van Hooff kun je het op verschillende manieren interpreteren. ‘De man kan een seksuele bedoeling gehad hebben, maar dat weet je niet. Wat je wel kunt zeggen: iemand zacht aanraken is binnen het gezin heel normaal, omdat het lichamelijk contact daar geen seksuele lading heeft. Buiten het gezin moet je oppassen. Daar wordt lichamelijk contact niet zomaar verwacht.’ Was er een oplossing? Schabracq: ‘Wat er gebeurd is bij de UNHCR, blijft een uitzondering. Mensen lossen zulke non-verbale “misverstanden” meestal direct op. Je kunt bijvoorbeeld met een geërgerde blik duidelijk maken dat je iets vervelend vindt. De medewerkster van de UNHCR had misschien een stap terug kunnen doen of een boze blik kunnen werpen. Maar ja, die man is natuurlijk wel haar baas. Zo’n gebaar krijgt in de omgeving van zo’n organisatie ook al snel een politieke lading.’

3.2 Lees de vragen. Lees de teksten nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Welke zin past het best bij de reactie van Schabracq? a Als je een hoge functie hebt, moet je extra voorzichtig zijn met lichamelijk contact. b In Nederland hoef je niet zo voorzichtig te zijn met lichamelijk contact als in andere landen. 2 De nationaliteit van de medewerkster speelt mogelijk een rol in de gebeurtenis. Onderstreep een zin die duidelijk maakt wat deze rol kan zijn. 3 Welke zin past het best bij de reactie van Van Hooff? a Lichamelijk contact heeft altijd een seksuele betekenis. b Met lichamelijk contact buiten het gezin moet je heel voorzichtig zijn.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 19

24-07-12 14:42


20

hoofdstuk 1  |  subthema 2

4 Doe de opdrachten bij Woorden op de computer.

i i i In de les Grammatica en spelling Bezitsrelaties mijn …s …’s … van

Het pronomen

Mijn moeder zegt altijd … Marks vriendin zei … Anna’s buurman zei … De dochter van mijn buurvrouw zei …

… z’n / d’r Mijn buurvrouw d’r dochter zei … (vooral in spreektaal) Jan z’n baas zei … (vooral in spreektaal) die / dat van mij mijn koffie jouw moeder uw huis zijn auto haar abonnement onze verhalen jullie krant hun praatje

Is dit jouw koffie of die van mij? Is dit jouw kopje of dat van mij? Die / dat van mij, geloof ik. die van mij die van jou dat van u die van hem dat van haar die van ons die van jullie dat van hen

(de koffie) (de moeder) (het huis) (de auto) (het abonnement) (de verhalen) (de krant) (het praatje)

Soms wordt ook het pronomen met -e gebruikt om te verwijzen naar bezit. de / het mijne Is dit jouw koffie of de mijne? De jouwe, volgens mij. Onderstreep alle bezitsrelaties in de teksten van opdracht 3 (Een misverstand? plus de toelichting op die tekst). Het zijn er dertien. Bespreek samen de antwoorden.

5.1 Luister nog een keer naar de audio van opdracht 2, Proces-verbaal. Onderstreep in het transcript alle zinnen waaruit blijkt dat de sprekers boos zijn. Je krijgt het transcript van de docent.

5.2 Doe de opdrachten.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 20

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 2

21

1 Zoek in de tekst het moment waarop de andere man boos wordt. Onderstreep die zin. 2 Bedenk hoe het gesprek anders zou kunnen gaan: de andere passagiers proberen de conducteur ervan te overtuigen dat hij de oudere vrouw geen boete geeft. Maar dat gaat niet zo makkelijk. 3 Bedenk samen eerst drie argumenten waarom de vrouw geen boete moet krijgen. 4 Bedenk ook welke argumenten de conducteur heeft om wel een boete te geven. 5 Verdeel de rollen en voer het gesprek.

5.3 Bespreek samen opdracht 5.2.

6.1 Luister en schrijf de zinnen op.

6.2 Luister en zeg na.

7.1 Bespreek de vragen. Ze sluiten aan bij de leestekst van opdracht 3, Een misverstand? 1 Wat bedoelt Marc Schabracq als hij zegt: ‘je wordt al gauw verkeerd begrepen’ (r. 7)? 2 Probeer de zin ‘Ga eens even opzij’ (r. 16) op twee verschillende manieren uit te spreken: vriendelijk en boos. 3 In r. 25-26 staat: ‘In een bus in Afrika kan het echter gebeuren dat een instappende passagier in een verder helemaal lege bus naast je komt zitten.’ Waar ga jij zitten in een bus of trein? Zo ver mogelijk van een andere passagier of juist naast die passagier? Licht je antwoord toe. 4 Van Hooff zegt in r. 29-30: ‘Ik schrik me bijvoorbeeld rot als een andere man zomaar zijn hand op mijn knie legt of zijn knie tegen de mijne duwt.’ - Waarom schrikt hij? - Zou een man in jouw land schrikken als een andere man zijn hand op zijn knie legde? Licht je antwoord toe. 5 Ben je het met de volgende zin eens? ‘Wat er gebeurd is bij de UNHCR, blijft een uitzondering. Mensen lossen zulke non-verbale “misverstanden” meestal direct op.’ (r. 39-40) Licht je antwoord toe. Je kunt de volgende zinnen gebruiken (let op de woordvolgorde van de bijzin!): - Ik ben het ermee eens, omdat … - Ik ben het er niet mee eens, omdat …

7.2 Bespreek samen de antwoorden.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 21

24-07-12 14:42


22

hoofdstuk 1  |  subthema 2

8.1 Doe de opdrachten op het werkblad.

8.2 Bespreek samen de antwoorden.

i i i Na de les

9 Schrijf een tekst over een misverstand door een cultureel verschil. De Afrikaan in de tekst Verdriet? bij opdracht 1 ziet een Nederlandse verjaardag en denkt dat het een begrafenis is. Hij denkt vanuit zijn eigen cultuur. Heb je zelf wel eens een misverstand meegemaakt door een verschil tussen jouw cultuur en de Nederlandse cultuur? Wat deed je toen? Schrijf een tekst van maximaal 150 woorden over dit misverstand. - Bedenk eerst wat het misverstand was. - Schrijf op hoe het misverstand begon, wat jij op dat moment dacht en hoe het einde was. - Ben je tevreden met het einde, of zou je het nu anders doen? - Bedenk welke woorden en zinnen je wilt gebruiken. - Geef je tekst een titel.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 22

24-07-12 14:42


23

3 Communicatie via reclame i i i Vóór de les

1 Lees en beantwoord de vragen. 1 Denk aan een Nederlandse reclame. Waar heb je de reclame gezien of gehoord? (Op tv, op internet, op de radio, in een tijdschrift, enzovoort.)

2 Waar gaat de reclame over?

3 Waarvoor wordt reclame gemaakt? (Het product en het merk.)

2 Doe de opdrachten bij Luisteren op de computer. Je gaat kijken naar een tv-reclame.

3.1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen. 1 Het onderwerp van de tekst is humor en reclame. Bij dit onderwerp wordt een belangrijke vraag gesteld waarop de tekst vervolgens zelf antwoord geeft. Welke vraag is dat? Onderstreep één zin. 2 In welke zinnen wordt de tekst samengevat? Onderstreep die zinnen.

Humor en reclame Humor in reclame wordt enorm gewaardeerd, maar het is niet zeker of humor ook leidt tot waardering van een merk, het onthouden ervan, het herkennen en ten slotte kopen. De vraag is of humoristische reclame beter werkt dan niethumoristische reclame.

5

Wat is humor? Wat is humor eigenlijk? In de meeste definities van humor komt het woord ‘tegenstrijdigheid’ of het woord ‘incongruentie’ voor; dit betekent dat er iets heel anders gebeurt dan je verwacht. Een humoristische situatie kan op veel manieren worden gecreëerd. Om een paar humortechnieken te noemen: slapstick (Charlie Chaplin, Tom & Jerry), verrassingen, absurde situaties, ironie (milde spot), satire (iets

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 23

24-07-12 14:42


24

hoofdstuk 1  |  subthema 3

10

15

20

25

of iemand belachelijk maken), woordspelingen, overdrijvingen en understatements (iets minder erg of minder belangrijk maken dan het in werkelijkheid is). Uitvoerende factoren Het effect van humor wordt beïnvloed door drie factoren: uitvoerende factoren, publieksfactoren en productfactoren. Uitvoerende factoren zijn factoren die reclamemakers zelf kunnen bepalen. Het gaat daarbij onder andere om het soort humor dat wordt gebruikt. Zo blijkt bijvoorbeeld dat humor die gebaseerd is op incongruentie, een gunstig effect heeft op de waardering van de reclame zelf en het geadverteerde merk. Verder is een humoristische reclame effectiever als de humor ondergeschikt is aan de boodschap; de boodschap moet dominant blijven. Tot slot is humor in een serieuze context effectiever dan in een humoristische context. Publieksfactoren Publieksfactoren hebben te maken met de eigenschappen van de doelgroep. Mannen houden bijvoorbeeld meer van agressieve of seksuele humor en vrouwen meer van milde humor. Er zijn ook culturele verschillen in de waardering van humor. In Engelse tv-reclames worden bijvoorbeeld meer understatements gebruikt dan in Amerikaanse. Verder lijkt het zo te zijn dat humor het meeste effect heeft bij hoger opgeleiden en bij jongeren. Productfactoren Productfactoren hebben te maken met de kenmerken van het product waarvoor reclame wordt gemaakt. Humor heeft het meeste effect in reclames voor eenvoudige producten als bier, chips, sigaretten en snoep. Verder blijkt humor beter te werken voor producten die al bekend zijn dan voor nieuwe producten.

30

35

40

Invloed van humor op reclame Hoewel het door al deze invloeden lastig is vast te stellen wat de werking van humor precies is, kan de algemene invloed van humor op reclame wel worden aangegeven: - Een humoristische reclameboodschap trekt meer aandacht dan een niethumoristische reclameboodschap. - Het gebruik van humor verhoogt de waardering van een reclame-uiting. Dit geldt ook voor het merk en het product waarvoor reclame wordt gemaakt. - Humor werkt gunstig op het onthouden van de reclame-uiting zelf. Maar of de boodschap en het merk ook goed worden onthouden worden, is niet duidelijk. - Er is geen verschil tussen humoristische en niet-humoristische reclame als mensen van de kwaliteit van een bepaald product of een bepaald merk overtuigd moeten worden. Een mogelijke oorzaak van de negatieve onderzoeksresultaten is dat alle aandacht naar de humor gaat. Wat de adverteerder probeert over te brengen wordt daardoor niet onthouden. Om effectief te zijn, moeten het merk en de boodschap dus sterker overkomen dan de humor.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 24

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 3

45

25

Humor overtuigt niet Humor kan voor verschillende communicatiedoelen een goed middel zijn. Het trekt bijvoorbeeld de aandacht en heeft een positieve waardering tot gevolg, wat weer leidt tot een positieve waardering van het merk. In het algemeen blijkt humor echter mensen niet te overtuigen van de kwaliteit van een product, terwijl dit toch een heel belangrijk doel van reclame is.

3.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 In de derde, vierde en vijfde alinea (r. 13-29) worden drie publieksfactoren genoemd die van invloed zijn op het effect van humor. Welke van die drie factoren is niet helemaal zeker? a sekseverschillen (man of vrouw) b culturele verschillen c verschillen in leeftijd en opleiding 2 Welk woord geeft aan dat deze factor onzeker is?

3 In de eerste alinea worden vier communicatiedoelen van reclame genoemd: waarderen, onthouden, herkennen en kopen. In de zesde alinea worden, behalve waarderen en onthouden, ook nog twee andere communicatiedoelen genoemd. Vul de goede woorden in. De reclame moet:

van de kwaliteit van een product of merk.

trekken en mensen



4 In r. 36-37 staat: ‘Humor werkt gunstig op het onthouden van de reclame-uiting zelf. Maar of de boodschap en het merk ook goed onthouden worden, is niet duidelijk.’ Wat wordt bedoeld met het eerste deel van de zin (‘Humor (…) uiting zelf’)? a Humor zorgt ervoor dat je je herinnert wat er gebeurt in een reclame. b Humor zorgt ervoor dat je een positieve herinnering hebt aan een reclame. 5 In r. 43 staat: ‘Om effectief te zijn, moeten het merk en de boodschap dus sterker overkomen dan de humor.’ Naar welke zin in de derde alinea verwijst deze zin? Onderstreep de zin.

4 Doe de opdrachten bij Woorden op de computer.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 25

24-07-12 14:42


26

hoofdstuk 1  |  subthema 3

i i i In de les Grammatica en spelling De hoofdzin met inversie

De zin

1 2 3 In dat tijdschrift voor computerliefhebbers staat een leuke reclame. Volgens communicatietrainer Van Burik is de eerste zin van een praatje niet belangrijk.  et eerste deel van een zin met inversie kan uit veel woorden bestaan. Dat zijn H woorden die bij elkaar horen. Let op: Na het zinsdeel in positie 1 komt geen komma: het hoort bij de hoofdzin. In onderstaande zin staat wel een komma: 0 1 2 3 4 Ja, deze reclame vind ik heel humoristisch. De hoofdzin met inversie begint namelijk pas na ‘ja’. In welke zinnen staat de persoonsvorm op de juiste plaats? 1a In de meeste definities van humor komt het woord ‘tegenstrijdigheid’ voor. 1b In de meeste definities van humor het woord ‘tegenstrijdigheid’ komt voor. 2a Verder blijkt humor beter te werken voor producten die al bekend zijn. 2b Verder humor blijkt beter te werken voor producten die al bekend zijn. 3a Een mogelijke oorzaak is van de negatieve onderzoeksresultaten dat alle aandacht naar de humor gaat. 3b Een mogelijke oorzaak van de negatieve onderzoeksresultaten is dat alle aandacht naar de humor gaat. Bespreek samen de antwoorden. De persoonsvorm staat op de tweede plaats in de zin.

5.1 Lees de vragen van opdracht 5.2. Ze gaan over de video van opdracht 2, Goeie actie van Pearle, en de leestekst van opdracht 3, Humor en reclame. Kijk en luister nog een keer naar de video.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 26

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 3

27

5.2 Bespreek de vragen. Gebruik de leestekst en het transcript dat je van de docent krijgt. 1 Het reclamefilmpje gaat over Pearle. De reclame maakt duidelijk wat Pearle is. Wat is Pearle? 2 Een tv-reclame kan beeld, geluid en tekst gebruiken om het merk en de boodschap duidelijk te maken. - Welke mogelijkheden worden in deze reclame gebruikt? - Wat is de boodschap van de reclame? 3 In het reclamefilmpje is veel slapstick met non-verbale humor gebruikt. Geef drie voorbeelden van non-verbale humor in deze reclame. 4 In de leestekst van opdracht 3 staat: ‘In de meeste definities van humor komt het woord “tegenstrijdigheid” of het woord “incongruentie” voor; dit betekent dat er iets heel anders gebeurt dan je verwacht.’ Is de reclame van opdracht 2 gebaseerd op tegenstrijdigheid (incongruentie)? Licht je antwoord toe. 5 In de leestekst van opdracht 3 staat: ‘Verder is een humoristische reclame effectiever als de humor ondergeschikt is aan de boodschap; de boodschap moet dominant blijven.’ Is in de reclame van opdracht 2 de humor minder belangrijk dan de boodschap? Licht je antwoord toe. 6 Denk je dat deze tv-reclame effectief is? Licht je antwoord toe.

5.3 Bespreek samen de antwoorden.

6.1 Kies een reclamefilmpje. Zoek een grappig reclamefilmpje op internet. Lees opdracht 7 goed. Bekijk het reclamefilmpje en schrijf de informatie op die je voor opdracht 7 nodig hebt.

6.2 Voer een gesprek. 1 Vertel voor welk merk en welk product reclame wordt gemaakt. 2 Vertel waarover de reclame gaat. Beschrijf wat er gebeurt. 3 Vertel wat de boodschap van de reclame is. Als die niet zo duidelijk is, vertel dan wat je denkt dat de boodschap is. 4 Vertel zo mogelijk wat voor soort(en) humor gebruikt wordt (worden). Vertel ook of de humor ondergeschikt is aan de boodschap of niet. Licht dit toe. 5 Trek een conclusie. Vind je het een effectieve reclame of niet? Zou deze reclame in jouw land ook effectief zijn? Licht je conclusie kort toe.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 27

24-07-12 14:42


28

hoofdstuk 1  |  subthema 3

6.3 Bespreek samen de antwoorden.

i i i Na de les

7 Beschrijf een reclamefilmpje. Beschrijf het reclamefilmpje dat je bij opdracht 6.1 hebt gevonden. Verdeel de tekst in drie alinea’s. Gebruik de instructie van opdracht 6.2. Eerste alinea: merk, product en korte beschrijving reclamefilmpje (1, 2). Tweede alinea: de ‘boodschap’ van het filmpje en het soort humor dat gebruikt wordt (3, 4). Derde alinea: vertel of je de reclame effectief vindt of niet (5). Geef de tekst een titel.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 28

24-07-12 14:42


29

4 Communicatie via internet i i i Vóór de les

1 Lees en beantwoord de vraag. Wat doe je op internet en hoe vaak? nooit regelmatig soms chatten    e-mailen    informatie zoeken    twitteren    weblogs lezen    iets anders, namelijk

2 Lees de vraag en de tekst. Beantwoord de vraag. Welke zin is waar? a Door intensief gebruik van sociale media is het voor jongeren veel makkelijker om echte vrienden te maken. b Door intensief gebruik van sociale media is het voor jongeren niet zo makkelijk om echte vrienden te maken.

Facebook maakt veel jongeren eenzaam

5

Nederlandse jongeren lopen binnen de Europese Unie voorop als het gaat om het gebruik van sociale netwerken als Hyves, Twitter en Facebook. Van de internetters tussen de 16 en 25 jaar is 91 procent actief op een sociaal netwerk. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Uit onderzoek blijkt eveneens dat veel jongeren het moeilijk vinden om in het echte leven vrienden te maken omdat het online zo makkelijk is. In het dagelijks leven moet alles efficiënter waardoor er geen tijd meer is voor een gesprek. Daarom gaan jongeren in hun eentje achter de computer zitten. Aan de andere kant hebben vooral verlegen jongeren de kans om via sociale media iets van zichzelf te laten zien.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 29

24-07-12 14:42


30

hoofdstuk 1  |  subthema 4

3.1 Lees de vragen en de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Waarover gaat de tekst voornamelijk? a hoe je veel vrienden kunt maken via Facebook b de nadelen van het gebruik van sociale netwerksites c wat je allemaal met een sociale netwerksite kunt doen

2

Wat voor soort tekst is het? a een nieuwsbericht b een e-mail c een tekst op een weblog

Ik zit niet op Facebook, en ik wil het ook echt niet Door Juliette Vasterman Op 5 januari 2011

5

10

15

20

25

Ik zit niet op Facebook, en ik wil er ook zeker geen profiel hebben. Mijn ervaringen met een netwerksite heb ik opgedaan op Hyves. En ik vond het vreselijk. Sinds een jaar ben ik daar weg. En nu ben ik eindelijk vrij. Het begint bij het aanmaken van een profiel: kies de juiste kleur, een achtergrondplaatje en schrijf wat teksten over jezelf. Maar dat gaat niet achteloos in een paar minuten. Je moet jezelf heel bewust op de juiste manier neerzetten. Je wilt dat mensen denken: wow, gaaf mens. En niet: wat een suf, saai mens. Nee, je moet iemand zijn, dus: wie wil je zijn? En hoe breng je dat perfect over? Is een roze achtergrond te truttig? En is dat lettertype niet te kinderachtig? Zal ik zeggen dat ‘mijn merken’ Philips en Volkswagen zijn, of is dat duf? Je profiel wordt gevuld met foto’s. Foto’s van jezelf en van jezelf met je vrienden. En dan niet op de bank, maar in een hippe club. En je uploadt plaatjes: van je meubels, nieuwe iPhone, je hond, je ongeboren kind, je vakantiehuisje. Ook belangrijk: je moet veel vrienden hebben. Niemand wil dat mensen denken dat je eenzaam bent. Die vrienden onderhoud je: ‘Hej meissie, alles goed? Love ya.’ En je laat berichten achter over waar je mee bezig bent. ‘Net naar de garage geweest’ of ‘Lekker naar Thailand’. En dus niet ‘ik voel me rot’. Op een netwerksite doet iedereen leuk en iedereen laat zien: kijk mij, kijk mijn leven. Alles lijkt mooier dan het is. Van niemand is het leven echter elke dag geweldig. Zo hoorde ik een keer over een vriend - die net een foto online had gezet van zichzelf met zijn vriendin, met een glas wijn op het strand - dat hij net was ontslagen, zijn hond dood was en zijn vriendin vreemdging. Maar bij zijn foto stond: ‘Het leven is prachtig.’ Je staat voortdurend onder druk. Om mee te blijven doen moet je berichtjes schrijven over waar je bent en met wie. En je moet niet vergeten om dat met foto’s te illustreren. Aan het aantal bezoekers van je site kun je elke dag zien of je nog meetelt, of niet.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 30

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 4

30

35

31

Dat intensieve gebruik zorgt er ook voor dat je op veel profielen van anderen terechtkomt. Mensen zetten hun hele leven online, het is een soap die je wilt blijven volgen. Je blijft maar neuzen. En al dat neuzen levert vervolgens ook weer stress op. Want je ziet dat een vriendin van jou wel bij iemand anders een bericht heeft achtergelaten, maar niet bij jou. Vervolgens zie je dat een vriend van een vriendin van een vriend op de pagina van je geliefde is geweest. Haar vriendin heeft weer een vriendin die een foto heeft uit een kroeg waar je vriend op staat. Waarom? Het resultaat is dat je elk uur van de dag inlogt. Je kunt niet langer onderscheid maken tussen belangrijke en onbelangrijke zaken. Enige oplossing: weg van de netwerksites. En dan blijkt: wat niet weet dat niet deert. Naar: Juliette Vasterman, nieuwsblog nrc.next, 5 januari 2011

3.2 Lees de vragen. Lees de tekst nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Juliette Vasterman moest een aantal dingen doen toen ze nog actief was op een netwerksite. Geef de activiteiten een nummer in de volgorde waarin ze in de tekst beschreven worden. Nummer 1 is de eerste activiteit, enzovoort.

vrienden onderhouden een profiel aanmaken profielen van anderen volgen

2 Onderstreep in de tekst alle woorden die gaan over internet en sociale media. 3 Zoek in je woordenboek de betekenis op van ‘deren’. (r. 37) - Wat betekent ‘deren’?

- In de tekst staat: ‘En dan blijkt: wat niet weet dat niet deert.’ Wat betekent de uitdrukking ‘wat niet weet dat niet deert’?

4 In r. 30 staat: ‘Je blijft maar neuzen.’ Is ‘neuzen’ een substantief of een verbum? Weet je wat de zin betekent als je de rest van de alinea gelezen hebt? Schrijf de betekenis op.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 31

24-07-12 14:42


32

hoofdstuk 1  |  subthema 4

5 Juliette Vasterman hoorde over een vriend ‘dat hij net was ontslagen, zijn hond dood was en zijn vriendin vreemdging.’ (r 21-22) Onder welk woord vind je de betekenis van ‘vreemdging’ in je woordenboek? Schrijf de betekenis op.

4 Doe de opdrachten bij Woorden op de computer.

i i i In de les Reflectie Manieren van lezen Intensief lezen Je leest intensief als je een tekst helemaal wilt begrijpen. Je moet dan precies weten welke woorden in een zin bij elkaar horen en welke woorden naar (een deel van) een andere zin verwijzen. Kijk naar onderstaande zinnen. 1 Ik zit niet op Facebook, en ik wil er ook zeker geen profiel hebben. Het woord ‘er’ in de tweede zin verwijst naar ‘Facebook’. Het verwijst naar een woord in de vorige zin. 2 En al dat neuzen levert vervolgens ook weer stress op. Het woord ‘op’ hoort bij ‘levert’. Het verbum is ‘opleveren’. 3 Je staat voortdurend onder druk. Het woord ‘druk’ hoort bij ‘onder’ en ‘staat’. ‘Onder druk staan’ is een uitdrukking. Extensief lezen Je leest extensief als je snel bepaalde informatie in een tekst wilt opzoeken. De lay-out van een tekst kan je daarbij helpen. - De titel, ondertitel en tussenkopjes geven belangrijke informatie. - De witregels geven aan dat er een nieuw tekstdeel (een alinea) begint. - Na de inleiding en voor het slot staat ook vaak een witregel. Als je snel wilt weten waar een tekst over gaat, lees dan de titel en de ondertitel, als die er is. Als de tekst een inleiding en een slot heeft, lees die dan ook. Tot slot een tip: lezen in het Nederlands wordt pas echt leuk als je niet meer over elk woord en elke zin hoeft na te denken. Probeer daarom ‘kilometers’ te maken door alles te lezen wat je tegenkomt. Op die manier verhoog je je leessnelheid.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 32

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 4

33

Lees en beantwoord de vragen. Ze gaan over de leestekst van opdracht 3, Ik zit niet op Facebook, en ik wil het ook echt niet. 1 Naar welk woord verwijst ‘hij’ (r. 21)? Onderstreep dat woord in de tekst. 2 Welk woord hoort bij ‘achter’ (r. 16)? Onderstreep dat woord in de tekst. 3 Welk woorden horen bij ‘waar’ (r. 34)? Onderstreep de woorden in de tekst. Bespreek samen de antwoorden.

5.1 Bespreek de vragen. Ze sluiten aan bij de leesteksten van opdracht 2 en 3, Facebook maakt veel jongeren eenzaam en Ik zit niet op Facebook, en ik wil het ook echt niet. 1 Vertel in je eigen woorden wat Facebook is. 2 Zit jij ook op Facebook? Of heb je een profiel op een ander sociaal netwerk? Waarom wel of niet? 3 Wat zijn de voor- en nadelen van Facebook (of andere netwerken op internet)? 4 Zou je een profiel van jezelf willen aanmaken in het Nederlands? Waarom wel of niet? Welke voordelen en nadelen kun je bedenken? 5 Juliette Vasterman schrijft in Ik zit niet op Facebook, en ik wil het ook echt niet: ‘En nu ben ik eindelijk vrij.’ (r. 3) Daarmee zegt ze ook iets over vroeger. Hoe zou je haar situatie van een jaar geleden beschrijven? 6 Juliette Vasterman schrijft: ‘Je wilt dat mensen denken: wow, gaaf mens.’ (r. 7) In de tekst staan woorden die vooral in de spreektaal worden gebruikt. Bijvoorbeeld: ‘gaaf’. Er staan nog meer van dit soort adjectieven in dezelfde alinea. Welke zijn dat? 7 Wie zegt in de derde alinea: ‘Hej meissie, alles goed? Love ya.’? (r. 15) - Hoe schrijf je dit in iets formelere taal? - Schrijf jij ook op een andere manier als je chat of sms’t in je eigen taal? - Zo ja, wat is het verschil? 8 De tekst Facebook maakt veel jongeren eenzaam eindigt met de zin: ‘Aan de andere kant hebben vooral verlegen jongeren de kans om via sociale media iets van zichzelf te laten zien.’ (r. 9) - Heeft deze zin een positieve of een negatieve betekenis? - Ben je het ermee eens? - Beschrijf wat die kans is voor verlegen jongeren.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 33

24-07-12 14:42


34

hoofdstuk 1  |  subthema 4

5.2 Bespreek samen de antwoorden. 6 Je krijgt van de docent de tekst Help, mijn inbox is vol! Lees de vragen en zoek de antwoorden in de tekst. Je hebt vijf minuten de tijd. 1 Hoeveel e-mails krijgt het grootste deel van de managers per dag?

2 Noem twee dingen waaraan managers zich ergeren.

3 Hoeveel procent van de werknemers kijkt maar een of twee keer per dag naar zijn mail?

4 Welke twee soorten mail kosten volgens Robert Venstra te veel tijd?

5 Noem één manier waarop je efficiënter met mail kunt omgaan.

7.1 Bespreek de vragen. Ze gaan over het diagram. 1 Waar gaat dit diagram over? Kijk naar de titel. 2 Welke internetgebruikers maken het meest gebruik van sociale media? Bedenk twee redenen. 3 Wie maken het minst gebruik van sociale media? Bedenk twee redenen. 4 Welke groep gebruikers zal nog groeien, denk je? 5 Lees de volgende zinnen en streep de woorden door die onjuiste informatie geven. - De mensen die het meest gebruikmaken van sociale netwerken zijn, laag / middelbaar / hoog opgeleid mannen / vrouwen 16-25 / 25-55 / 55-75 jaar. - De mensen die het minst gebruikmaken van sociale netwerken zijn, laag / middelbaar / hoog opgeleid mannen / vrouwen 16-25 / 25-55 / 55-75 jaar.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 34

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  |  subthema 4

35

Gebruik van sociale netwerken in Nederland naar geslacht, leeftijdsgroep en opleiding Mannen Vrouwen 16 tot 25 jaar 25 tot 55 jaar 55 tot 75 jaar Lager onderwijs Middelbaar onderwijs Hoger onderwijs 0

20

40

60

80

100

% internetters Bron: CBS

7.2 Presenteer het diagram. Beschrijf het diagram. Gebruik de vragen van opdracht 7.1. Je hoeft geen percentages te noemen. - Begin je beschrijving met ‘In dit diagram zie je …’ - Vergelijk de verschillende groepen gebruikers. Je kunt in je vergelijking zinnen gebruiken met ‘meer dan’, ‘minder dan’, ‘het meest’, ‘het minst’ en ‘weinig verschil’. - Kies een groep uit het diagram en vertel waarom die volgens jou meer of minder gebruikmaakt van sociale media dan andere groepen. Geef één reden. Cursist A beschrijft het diagram, cursist B luistert.

Wissel van rol.

7.3 Bespreek samen de presentaties.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 35

24-07-12 14:42


36

hoofdstuk 1  | Slot

8 Luister naar de docent en schrijf een tekst. De docent leest een tekst twee keer voor. Maak bij de tweede keer aantekeningen. Schrijf daarna samen een reconstructie van de tekst.

i i i Na de les

9 Schrijf zo veel mogelijk woorden op. Kijk bij de woorden van hoofdstuk 1, subthema 4 in de woordenlijst achter in je boek. Kijk twee minuten naar deze woorden. Doe je boek dicht. Schrijf alle woorden op die je nog weet. Controleer daarna de woorden met de woordenlijst. Hoeveel woorden wist je nog? En heb je de goede spelling gebruikt? Welke woorden wist je niet meer? Vind je die woorden belangrijk?

Slot Maak de tekst compleet. Op het werkblad staat een deel van het transcript van de audio van subthema 2, Proces-verbaal. Luister nog een keer naar de audio. Vul de ontbrekende woorden in. Controleer je antwoorden met behulp van het transcript dat je van de docent krijgt.

Verbindingen en idioom Dit zijn de verbindingen en het idioom van hoofdstuk 1. Oefeningen met verbindingen staan op www.codeplus.nl, deel 4, hoofdstuk 1, Oefenen, Verbindingen.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 36

24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  | Verbindingen en idioom

37

Verbindingen subthema 1 contact leggen met iemand een training geven horen bij iets/iemand in feite indruk maken onder controle per se zoeken naar iets/iemand subthema 2 een gewoonte maken van iets gevoelig zijn voor iets/iemand het recht hebben

subthema 3 de aandacht trekken iemand overtuigen van iets iemand/iets belachelijk maken iets tot gevolg hebben onder andere (o.a.) ondergeschikt zijn aan iets/iemand tot slot subthema 4 dat wil zeggen (d.w.z.)

Idioom titel te gek voor woorden subthema 1 brokken maken ergens verzeild raken kijken wat voor vlees je in de kuip hebt subthema 2 dat kunt u niet maken een boze blik werpen je mond houden je mond opendoen navraag doen van geluk mogen spreken voor de hand liggen zich rot schrikken subthema 4 onder druk staan vreemdgaan

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 37

heel erg, belachelijk

problemen of schade veroorzaken toevallig ergens komen onderzoeken met welk soort mensen je te maken hebt dat kunt u niet doen boos kijken niets zeggen je mening geven informatie vragen over iets wat eerder gebeurd is veel geluk hebben dat een situatie goed is afgelopen logisch, vanzelfsprekend zijn heel erg schrikken

gedwongen worden iets snel te doen seksueel contact hebben met iemand anders dan je eigen partner

24-07-12 14:42


38

hoofdstuk 1  | Oefenen voor Staatsexamen II

Oefenen voor Staatsexamen II SPREKEN

1.1 Bedenk samen wat je kunt zeggen in deze situaties. 1 Je staat al een kwartier op de bus te wachten. Bij de bushalte staat ook een oudere vrouw te wachten. Je wilt een praatje maken. Wat zeg je? (een of twee zinnen) 2 Je zit naast iemand van je eigen leeftijd in de trein. Je wilt een praatje maken. Wat zeg je? (een of twee zinnen) 3 Je hebt een paar dagen geleden ruzie gehad met je beste vriend of vriendin. Je vindt die ruzie heel vervelend. Dan kom je hem/haar tegen op straat. Wat zeg je? (een of twee zinnen) 4 Je moet voor je studie met een jongen samenwerken. Je vindt de kwaliteit van zijn werk slecht. Hij heeft voortdurend kritiek op jouw werk, maar van jou accepteert hij geen kritiek. Je hebt er genoeg van. Je belt hem op. Wat zeg je? (meer dan twee zinnen) 5 Je buurvrouw belt aan. Ze wil je een zak tweedehands kleren geven. Je wilt geen oude kleren, maar je vindt je buurvrouw erg aardig. Wat zeg je? (meer dan twee zinnen) 6 Je bent net geslaagd voor een examen. Je gaat blij naar huis, je zet thuis een muziekje op en je zingt lekker mee. Je buurman belt aan. Hij zegt erg boos: ‘Wat is er met jou aan de hand? Ik kan mijn eigen tv niet eens horen.’ Je schrikt van zijn boze toon. Hoe reageer je? (meer dan twee zinnen)

1.2 Luister naar de docent en geef een reactie. SCHRIJVEN

2 Maak de zinnen af. 1 Een praatje beginnen is niet moeilijk. Eerst maak je oogcontact.



2 Als je iemand die je niet kent, aanraakt, kan dat tot een misverstand leiden. Daarom

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 38



24-07-12 14:42


hoofdstuk 1  | Oefenen voor Staatsexamen II

3 Vorig jaar heb ik een profiel op Facebook gemaakt.



39



Nu zit ik nog maar een uur per dag op Facebook.

4 Jongeren zijn heel actief op sociale netwerken en hebben daar veel vrienden. In het dagelijks leven



5 Mannen en vrouwen waarderen een ander soort humor. In het algemeen



Vrouwen houden meer van milde humor.

13181_Code Plus NT2 Boek 4.indb 39

24-07-12 14:42


Elk deel bestaat uit een boek met opdrachten en een website met bijbehorend oefenmateriaal, audio’s en video’s. Je kunt overal met CODE Plus werken: thuis, op het taalinstituut of in het buitenland. Met een volgsysteem kun je de vorderingen gemakkelijk bijhouden. CODE Plus is ontwikkeld door ervaren docenten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit in Amsterdam die zelf lesgeven aan hoogopgeleide NT2-ers. Hun deskundigheid staat garant voor kwaliteit. Met CODE Plus leg je de basis voor succesvolle participatie in Nederland. CODE Plus bestaat uit vier delen. Elk deel leidt tot een niveaustap in het Europees Referentiekader (ERK). • Deel 1: 0 tot A1 • Deel 2: van A1 tot A2 (niveau Inburgeringsexamen) • Deel 3: van A2 tot B1 (niveau Staatsexamen NT2 Programma 1) • Deel 4: van B1 tot B2 (niveau Staatsexamen NT2 Programma 2) De website vind je op www.codeplus.nl.

OS_Code Plus NT2 Boek 4 Omslag def.indd 1

B1-B2 | TakenBOEk deel 4

CODE Plus is een methode voor hoogopgeleide anderstaligen die snel en efficiënt Nederlands willen leren. Met CODE Plus leer je Nederlands aan de hand van concrete taaltaken. Je kunt CODE Plus onder begeleiding van een docent of zelfstandig doorwerken. CODE Plus is geschikt voor zowel korte als lange cursussen.

Takenboek Deel 4 | B1-B2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen

01-08-12 10:52

CODE Plus deel 4  

CODE Plus is een methode voor hoogopgeleide anderstaligen die snel en efficiënt Nederlands willen leren.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you