Issuu on Google+

VakTraject

VakTraject Nederlands is al jaren een zeer succesvolle reeks voor het vak Nederlands in het middelbaar beroepsonderwijs. VakTraject Nederlands leer-werkboek 2F Economie is bestemd voor tweedeen derdejaars leerlingen die een mbo 2 of 3-opleiding volgen in de

Leer-werkboek 2F

sector Economie.

Nederlands

mbo Economie

Dit leer-werkboek is gericht op het bereiken en behouden van niveau 2F. De inhoud is toegespitst op de context van de sector Economie. Voorafgaand aan dit leer-werkboek kan gewerkt worden met VakTraject Nederlands leer-werkboek van 1F naar 2F. In het boek is de theorie beknopt opgenomen. Aanschaf van een apart theorieboek is dus niet nodig. Naast de leer-werkboeken is er een website: www.vaktraject.nl. Op de website staan onder andere aanvullende theorie, diverse formulieren en

e o r P

extra opdrachten.

e o r P

n r e t fka

n r e t fka

J.H.M. Mol en drs. W.A. ’t Hart

ISBN 9781111265977

5501 Thieme vaktraject Economie proefh.indd 1

21-11-12 16:25


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Proefkatern J.H.M. Mol Drs. W.A. ’t Hart


Colofon Auteurs J.H.M. Mol Drs. W.A. ’t Hart


Woord vooraf Beste collega, U leest nu in het proefkatern van VakTraject Nederlands 2F. Uit de verschillende afdelingen van dit leer-werkboek zijn representatieve clusters van opdrachten bijeengebracht om u een indruk te geven van de inhoud. Er zullen leer-werkboeken verschijnen voor de sectoren Techniek, Zorg en Welzijn en Economie. Deze leer-werkboeken richten zich op niveau 2F. De opdrachten hierin zijn voorbereidingen op het generieke examen (deel B uit de kwalificatiedossiers) en de beroepstaalvaardigheden (deel C/D uit de kwalificatiedossiers). Met name de beroepstaalvaardigheden krijgen in deze leer-werkboeken de aandacht. Eerst wordt een basis gelegd van vaardigheden zoals zoekend lezen, intensief lezen, schematiseren, samenvatten, luisteren naar gesprekken, interviewtechniek, presenteren en schrijven. Vervolgens maken leerlingen een transfer binnen relevante beroepssituaties uit de kwalificatiedossiers. De leer-werkboeken 2F bevatten een uitgebreid hoofdstuk voor het domein Taalverzorging. Hierin worden alle kennis en vaardigheden behandeld die nodig zijn voor 2F, met ruim voldoende oefenstof. Alles wordt aangeboden met de hoogstnoodzakelijke theorie om de taken te kunnen uitvoeren. Aanvullende theorie staat op de website VakTraject Nederlands Online. Het leren van de leerlingen is ‘opdrachtgestuurd’. De leerlingen gaan van opdracht naar opdracht, zonder te hoeven duiken in de theorie. Het meeste leren ze impliciet. Veel leren ze vanzelf. Het minimum aan theorie dat nodig is, en dat verondersteld wordt als leerresultaat, staat bij wijze van naslagwerk overzichtelijk op de site. Het leer-werkboek heeft vijf onderdelen. Eerst maken de leerlingen enkele introductieopdrachten. Daarna werken ze aan de vier domeinen. Dat zijn 1 Mondelinge taalvaardigheid, 2 Lezen, 3 Schrijven en 4 Taalverzorging. Ze kunnen aan meer domeinen tegelijkertijd werken. Bij elk domein wordt ook gewerkt aan woordkennis. Elke leerling maakt een woordenlijst. Die lijst vult hij steeds aan met nieuwe woorden. De leer-werkboeken bevatten enkele icoontjes. Deze opdracht doen leerlingen in een groepje van twee. Deze opdracht doen leerlingen in een groepje van drie. Deze opdracht doen leerlingen in een groepje van vier. Dit icoon staat bij opdrachten waarin leerlingen werken aan hun woordkennis.

3


Als dit icoon bij een opdracht staat, kijken leerlingen op VakTraject Nederlands Online voor aanvullende informatie. Op deze website vinden ze ook extra opdrachten en formulieren. Bij deze opdrachten kijken leerlingen terug op wat ze geleerd hebben. Staat dit icoon bij een opdracht, dan is het de bedoeling dat de leerling de uitwerkingen in zijn schrift maakt of op de computer. Deze uitwerkingen kunnen ook worden opgenomen in een portfolio. Met dit katern hopen we u ervan te overtuigen dat de praktische aanpak, het beroepsgerichte aanbod en de didactische keuzes van VakTraject Nederlands het best past bij u en uw doelgroep. J.H.M. Mol Drs. W.A. ’t Hart

4


Inhoud Introductie Domein 1 Mondelinge taalvaardigheid 1 Gesprekken voeren 1.1 Telefoneren 1.2 Interviewtechniek 1.3 Gesprekken op het werk 1.4 Gesprekken met klanten 1.5 Vergaderen 2 Luisteren 2.1 Horen, verstaan, begrijpen en onthouden 2.2 Luisteren, begrijpen en voorspellen 2.3 Luisterfragmenten en meerkeuzevragen 2.4 Luisteren naar presentaties en gesprekken 3 Presenteren 3.1 Spreekdoel 3.2 Presenteren met audiovisuele hulpmiddelen 4 Domeinreflectie Domein 2 Lezen 1 Woordkennis 1.1 Het woordenboek 1.2 Woorden in de zin 2 Leesstrategieën 2.1 Voorspellen, voorkennis gebruiken en visualiseren 2.2 Zoekend lezen 2.3 Ordenen, samenvatten en schema’s maken 2.4 Globaal en intensief lezen 3 Meerkeuzevragen 4 Domeinreflectie Domein 3 Schrijven 1 Trefwoorden en zinnen 2 Aantekeningen maken en werken met formulieren 2.1 Formulieren 2.2 Werkplanning 2.3 Memo en telefoonmemo 2.4 Invullen van formulieren 2.5 Aantekeningen maken in trefwoorden 2.6 Aantekeningen maken tijdens een vergadering 3 Schrijven en formuleren 4 Advertenties beschrijven en schrijven 5 Tekststructuur en alinea’s 6 Handleiding/schriftelijke instructie 7 E-mails en brieven 8 Verslag en rapport 9 Domeinreflectie 5


Domein 4 Taalverzorging 1 Mindmap taalverzorging 2 Lidwoorden: de, het en een 3 Zelfstandige naamwoorden 3.1 Lidwoorden en meervoud: het kruis – de kruizen 3.2 Verkleinwoorden: potlood en potloodje 3.3 Hoop: wanhoop, hopen en hopelijk 4 Bijvoeglijke naamwoorden 4.1 Woordgroep: de nieuwe tv 4.2 Bijvoeglijk naamwoord: de kleine prins 4.3 Voltooid deelwoord in een woordgroep: beantwoorde vragen 4.4 Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: een gouden munt 4.5 Trappen van vergelijking: klein, kleiner, kleinst 5 Werkwoorden 5.1 De persoonsvorm staat op de tweede plaats in een zin 5.2 De persoonsvorm: zij koopt, zij kocht, koop jij? 5.3 Het voltooid deelwoord: stook, stookte, heeft gestookt 5.4 Het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord: de geplande vakantie 5.5 Werken met werkwoordsvormen 6 Voorzetsels: uit, van, onder, op, in 7 De voornaamwoorden deze, die, dit en dat 8 Zinnen met voegwoorden 9 Hoofdzinnen en bijzinnen: Ik zeg dat ik die lekke band ga plakken 10 Zinsdelen en zinsbouw: persoonsvorm, onderwerp en gezegde 11 Lijdend voorwerp: ik begrijp het 12 Werkwoordstijden, bedrijvende en lijdende vorm: Sean plaagt Ans en Ans wordt door Sean geplaagd 13 Ze kunnen aan hen hun boeken teruggeven 14 Grammaticale ongelijkheid 15 Over HOOFDLETTERS, punten en andere leestekens 16 Een directe vraag: ‘Wat weet jij van de directe rede?’ 17 Lettertekens: het koppelteken, het trema, de apostrof en het vervangingsteken 18 Sommige leerlingen hebben flaporen. Sommigen niet 19 Spelling van de meervoudsvormen: van cadeaus tot bh’s 20 Tussenletters in samenstellingen (paardenstal) en afleidingen (paardje) 21 Af-bre-ken helpt bij spellen 22 Spreekwoorden en uitdrukkingen 23 Domeinreflectie

6


Mondelinge taalvaardigheid

1.4

Domein 1

Gesprekken met klanten

Baliegesprek Bij een baliegesprek wil je de bezoeker helpen. Je onderzoekt waarvoor de klant komt. Je stelt vragen en geeft alle informatie die de bezoeker nodig heeft.

Domein 1

Opdracht 40 Mobieltjes 1 1 2 3

Zoek bij een winkel die mobiele telefoons en smartphones verkoopt, informatie over verkoopprijzen, betalingswijzen, garantie en technische mogelijkheden. Bedenk drie bezoeksituaties. Speel de drie situaties aan de balie na.

Opdracht 41 Baliegesprek observeren Tijdens de gesprekken van opdracht 40 maak je aantekeningen. Gebruik het formulier op VakTraject Nederlands Online.

Opdracht 42 Mobieltjes 2 Je werkt bij de telefoonwinkel van opdracht 40. Bereid je voor op het bezoek van enkele klanten. Je docent wijst enkele klanten uit de klas aan. Ze bedenken een eigen vraag waarmee ze aan de balie verschijnen.

Opdracht 43 Observatie presenteren Je docent vraagt enkele leerlingen om hun observaties van opdracht 41 te presenteren.

Klachtengesprek In een klachtengesprek moet je omgaan met de gevoelens van de klant. De klant is boos of teleurgesteld. Daarom stel jij zakelijke vragen. Je dwingt de klant na te denken: wat, wanneer en hoe.

7


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Ga niet in discussie met de klant. Neem de klacht serieus. Maak notities.

Opdracht 44 Klachtengesprek observeren Tijdens de gesprekken van opdracht 45 en van opdrachten 47 tot en met 51 maak je aantekeningen. Gebruik het formulier op VakTraject Nederlands Online.

Opdracht 45 Groothandel Je werkt bij een groothandel in dames- en herenkleding. Jij behandelt de binnenkomende klachten. Je docent wijst vijf opbellers aan. Die krijgen een van de situatiebeschrijvingen 45A tot en met 45D.

Opdracht 46 Observatie presenteren Je docent vraagt enkele leerlingen hun observaties van opdracht 45 te presenteren. Hij kan dit ook vragen bij de opdrachten 47 tot en met 51.

Opdracht 47 Roetsj

Je werkt bij een fietsenzaak. Je verkoopt fietsen van bekende en onbekende merken. Nieuw gekochte fietsen kunnen worden afgeleverd in de doos, maar ook geheel rijklaar. Dat laatste kost twintig euro extra. Handige mensen maken hun fiets liever zelf rijklaar en betalen dus geen twintig euro extra. Bij het rijklaar maken hoort ook een gratis servicebeurt: je controleert na een maandje fietsen even alle moertjes, boutjes, spanners en kabels. Zodat er geen ongelukken kunnen gebeuren. Een boze klant komt binnen met een beschadigde nieuwe fiets. Je docent wijst de klant aan. Die krijgt situatiebeschrijving 47A.

Opdracht 48 Huishoudelijke apparaten Je werkt in een winkel voor huishoudelijke apparaten. Een klant komt met een klacht. Je docent wijst de klant aan. Die krijgt situatiebeschrijving 48A of 48B.

8


Mondelinge taalvaardigheid

Domein 1

Opdracht 49 Far Away

Domein 1

Je werkt bij reisbureau Far Away. Je adviseert klanten, plant reizen en behandelt standaardklachten. Je docent wijst drie klanten aan. Die krijgen een van de situatiebeschrijvingen 49A tot en met 49C. Ook wijst je docent een ďŹ liaalhouder aan, aan wie je de klacht eventueel voorlegt als je er zelf niet uitkomt.

Opdracht 50 Grasmaaiers Je werkt bij Tomas, een winkel voor tuingereedschappen van het zwaardere soort. Als er een klacht is, haal je soms de bedrijfsleider erbij. Je noteert altijd eerst de gegevens. Je docent wijst de klanten aan. Die krijgen een van de situatiebeschrijvingen 50A tot en met 50C. Je docent wijst ook een bedrijfsleider aan, aan wie je de klacht eventueel voorlegt als je er zelf niet uitkomt.

Opdracht 51 Bouwmarkt Je werkt bij de klantenservice in een bouwmarkt. Standaardklachten mag je zelf behandelen. Maar bij moeilijke gevallen of als de klant erom vraagt, roep je de bedrijfsleider erbij. Als verkoper noteer je altijd eerst de gegevens. Je docent wijst de klanten aan. Die krijgen een van de situatiebeschrijvingen 51A tot en met 51D. Je docent wijst ook een bedrijfsleider aan, aan wie je de klacht eventueel voorlegt.

9


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Verkoopgesprek Verkooptechniek wordt soms gezien als een soort judogreep die een verkoper toepast op een klant. Maar een goede verkoper gaat klantgericht te werk. De klant koopt alleen als de verkoper heeft wat hij zoekt.

Voor het gesprek Nog voordat je de klant begroet hebt, bepaal je hoe je met hem zult omgaan. Observeer het non-verbale gedrag. Wat verwacht de klant van het product, de prijs en de presentatie?

Begroeting Groet de klant bij het eerste oogcontact: verbaal en non-verbaal. Spreek de klant op een persoonlijke manier aan als hij geholpen wil worden.

Koopwensonderzoek Je noemt alleen de verkoopargumenten die aansluiten bij de koopargumenten van de klant. Daarom stel je eerst vragen: dat heet het koopwensonderzoek. Elke klant heeft andere koopargumenten.

Tonen en demonstreren Met het tonen en demonstreren help je de klant zijn keus te bepalen. Je laat de klant het product zien, voelen en ervaren.

Tegenwerpingen en onderhandelingen Reken erop dat je tegenwerpingen krijgt. Tegenwerpingen zijn signalen van belangstelling! Reageer met een vraag en ga verder met het verkoopgesprek.

Bijverkoop Bij bijverkoop bied je iets aan wat het hoofdartikel compleet maakt (batterijen in een zaklamp) of aanvult (boortjes bij de boormachine).

10


Mondelinge taalvaardigheid

Domein 1

Afsluittechnieken Soms vindt de klant het moeilijk om een koopbeslissing te nemen. Je kunt hem helpen. Bijvoorbeeld met opmerkingen als: ‘Zal ik het voor u inpakken?’, ‘Wilt u hem meenemen of bezorgd krijgen?’ en ‘Nu is het tijdelijk in de aanbieding’.

Sellogram

Domein 1

Als verkoper kun je de eigenschappen van een product en de redenen van de klant om te kopen in een schema zetten. Zo’n schema noem je een sellogram. Verticaal staan de verkoopargumenten en horizontaal de mogelijke koopargumenten van de klant. De verkoopargumenten die sterk zijn en aansluiten bij een koopargument, kruis je aan.

Opdracht 52 Klant observeren Welke informatie over de klant krijg je als je zijn gezicht observeert? Kies uit de volgende mogelijkheden. 1

Leeftijd

2

Smaak

3

Hobby’s

4

Leefstijl

5

Karakter

6

Beroep

7

Stemming

8

Inkomen

9

Type klant

10 Hij heeft veel of weinig tijd

Opdracht 53 Uiterlijk observeren Welke informatie over de klant krijg je als je zijn uiterlijke verzorging, kleding en schoeisel observeert? Gebruik de mogelijkheden 1 tot en met 10 van opdracht 52.

Opdracht 54 Gebaren observeren Welke informatie over de klant krijg je als je zijn gebaren, houding en bewegingen observeert? Gebruik de mogelijkheden 1 tot en met 10 van opdracht 52.

Opdracht 55 Accessoires observeren Welke informatie over een klant krijg je als je let op voorwerpen, zoals een tas, koffertje, horloge, mobieltje, paraplu, bril en sieraden? Gebruik de mogelijkheden 1 tot en met 10 van opdracht 52.

11


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Opdracht 56 Taalgebruik beluisteren Welke informatie over een klant krijg je als je naar zijn taalgebruik en stem luistert? Gebruik de mogelijkheden 1 tot en met 10 van opdracht 52.

Opdracht 57 Non-verbaal gedrag Welk non-verbaal gedrag van de klant geeft aan dat hij geholpen wil worden?

Opdracht 58 Openingszin Schrijf vijf zinnen op waarmee je een klant op persoonlijke wijze kunt begroeten.

Opdracht 59 Verkoopargumenten Verzamel informatie over twee uiteenlopende typen van een bepaald product. Je moet denken aan verschillende merken, kwaliteiten en prijzen (verkoopargumenten). Kies een product dat je zelf hebt. Bedenk vragen die je kunt stellen aan een klant om hem het juiste product te adviseren en de juiste argumenten te geven.

Opdracht 60 Sellogram Verwerk je informatie in twee sellogrammen. Zet de producteigenschappen verticaal en de klantwensen horizontaal. Kijk naar het voorbeeld van een zonnecrème hieronder. Koopargument Verkoopargument Getest op huideffect Milieubewust In spuitacon Doorzichtig reservoir Dubbelverpakking met aftersun Bekend Frans merk Zomeraanbieding

Veilig

Gemakkelijk

Mooi

Duurzaam

Exclusief

Voordelig

X X X

X X

X X

X

X

X

X X

Opdracht 61 Verkoopgesprek voeren Je voert een verkoopgesprek met een medeleerling. In de voorbereiding verzamel je informatie over producten (zie opdrachten 59 en 60). Zorg ervoor dat het gesprek alle fases doorloopt.

Opdracht 62 Verkoopgesprek observeren Tijdens de gesprekken van opdracht 61 maak je aantekeningen. Gebruik het formulier op VakTraject Nederlands Online.

12


Mondelinge taalvaardigheid

Domein 1

Opdracht 63 Observatie presenteren Je docent vraagt enkele leerlingen hun observaties van opdracht 62 te presenteren.

Onderhandeling

Domein 1

Een onderhandeling heeft vier fases. Zorg ervoor dat de sfeer goed is. Wees op je hoede voor trucjes. 1 Voorbereiding: bepaal tot hoever je wilt gaan en wat je doet als je geen overeenkomst hebt. 2 Je eerste bod zet je in op een zekere afstand van waar je wilt uitkomen. 3 Je doet om de beurt een bod en komt zo tot elkaar. Je kunt de onderhandeling voor een bepaalde tijd onderbreken of definitief afbreken als je er niet goed uitkomt. 4 Rond de onderhandeling af met of zonder overeenkomst. Feliciteer de andere partij met het behaalde resultaat als je tot een overeenkomst bent gekomen.

Opdracht 64 Scooter kopen?

Een handelaar biedt in een advertentie een scooter aan voor € 1000. Jij hebt maar € 825 spaargeld en daar komt niets meer bij. Bepaal met een medeleerling wat bij deze onderhandeling je maximumprijs wordt, wat je eerste bod zal zijn en wat er gebeurt als de onderhandeling niet lukt. Oefen daarna samen het gesprek.

Opdracht 65 Onderhandelen Je bereidt je met een medeleerling voor op een rol in een rollenspel. Samen bepaal je de onderhandelingsstrategie. Een van beiden speelt het rollenspel uit. Je docent wijst twee andere leerlingen aan die zich voorbereiden op de andere rol. Die krijgen de situatiebeschrijvingen 65A tot en met 65D. Duur rollenspel: tien minuten. A Je gaat een tweedehandsauto kopen die in de krant staat voor € 7000. B Je gaat in op een verzoek jeugdtrainer te worden bij de voetbalvereniging DHZ, maar daarbij heb je wel enige wensen. C Je benadert een verkoopster van een concurrent. Je vraagt of zij bij jou komt werken. Zij is een bijzonder goede verkoopster. Je doet haar een aanbod. D Je wilt voor alle eerstejaarsleerlingen (dat zijn er 120) een werkweek organiseren. In de stagepot zit een aardig bedrag. Je wilt niet al het geld kwijt zijn aan de huur van de appartementen.

13


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Evaluatiegesprek In een evaluatiegesprek wil je weten of een afnemer tevreden is. Je neemt door wat de afspraken waren en wat er in werkelijkheid is gebeurd. Je spreekt open en stimuleert ook je gesprekspartner(s) dat ook te doen. Ga niet in discussie met de klant. Eventuele kritiekpunten noteer je.

Opdracht 66 Evaluatiegesprek school 1

2

Voer een evaluatiegesprek met een medeleerling. Gebruik het formulier op VakTraject Nederlands Online. Kies een van de volgende onderwerpen. a De inhoud van de lessen Nederlands b De bpv-begeleiding c Het aanbod in de schoolkantine d De hygiĂŤne op school e Het weer de afgelopen maand f De buitenschoolse activiteiten g De rekenlessen Rapporteer over de inhoud van het evaluatiegesprek aan je docent of een medeleerling.

Opdracht 67 Evaluatiegesprek werk 1

2

14

Voer een evaluatiegesprek met een medeleerling. Kies een van de volgende situaties. a Je levert een klus af en loopt met de klant alles nog eens na. b Je levert een product af en controleert samen met de klant of het product naar wens is. c Na een bepaalde periode bezoek je de klant en controleer je of deze nog tevreden is over de levering van het werk of het product. Ontwerp een controlelijst voor het evaluatiegesprek en gebruik die.


Mondelinge taalvaardigheid

Domein 1

Opdracht 68 Test je kennis 1 2 3 4

Hoe begin je een baliegesprek? ‘Om de klant te helpen heb jij bepaalde gegevens van hem nodig.’ Welke gegevens bijvoorbeeld? ‘Toon begrip voor een klacht.’ Wat wordt daarmee bedoeld? Beschrijf het verloop van een verkoopgesprek.

Opdracht 69 Test je woordenschat Je docent vertelt je op welke manier je je woordenschat test.

Domein 1 15


Lezen

2.4

Domein 2

Globaal en intensief lezen

Globaal lezen Bij globaal lezen kun je over de onduidelijkheden heen lezen. Je kijkt wat er ongeveer in de alinea’s staat. Een alinea vormt een eenheid: één hoofdgedachte per alinea. Soms staat de hoofdgedachte letterlijk geformuleerd. Soms moet je de hoofdgedachte samenstellen uit een paar trefwoorden, verspreid over de alinea.

Opdracht 153 Falen bestaat niet - belemmeren - de overtuiging - calvinistisch falen de steilste leercurve averechts de nek uitsteken

Domein 2

-

tegenhouden de dingen die we zeker weten streng christelijk (volgens de leer van Calvijn) compleet mislukken de grootste leersprongen tegenovergesteld iets doen waarop je kritiek kunt verwachten

Falen bestaat niet!

1

5

Dit artikel gaat over baantjes, belemmeringen, creatie, kansen, mogelijkheden, overtuigingen, school, rapporten. I De meest belemmerende overtuiging die ons beperkt in het cree¨ren van wat we echt willen, is de angst om fouten te maken. En tegelijkertijd is dat dus de grootste fout die er is. Fouten maken staat in ons calvinistische land gelijk aan

17


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

10

falen. En falen is niet goed. Ik vind fouten maken juist geweldig, want doordat je iets fout doet, vind je de manier waarop het wel moet. Of weet je waar je kwaliteiten wel liggen. Of weet je wat je nog kunt verbeteren aan je aanpak. II Kortom, falen bestaat niet. Er bestaan alleen resultaten. En als de resultaten je niet bevallen, dan kun je je aanpak veranderen.

Aangeleerde angsten

15

20

25

30

35

III Met de angst om te falen worden we niet geboren. We worden alleen geboren met de angst voor harde geluiden en de angst om te vallen. Alle andere angsten zijn aangeleerd. Dat zie je aan opgroeiende kinderen. Die doen alles. Ogenblikkelijk. Op het moment dat het in ze opkomt, doen ze het. Wat het ook is. Niet gehinderd door welke angst dan ook. En wanneer in je leven heb je de steilste leercurve? Juist, als je kind bent. IV Later krijgen we van alles aangepraat: dat iets gevaarlijk is (ook al hoeft dat niet zo te zijn), dat iets eng is (is dat wel zo?), dat iets niet mag (van wie niet?), dat we iets niet kunnen (echt niet, of is er wat oefening nodig?). Die beperkende gedachten nemen we mee in ons leven. En in sommige gevallen is dat heel erg goed (uitkijken bij oversteken, niet op te dun ijs lopen). Maar in veel gevallen niet. V In veel gevallen gaan deze aangeprate overtuigingen averechts werken in ons leven. Want wat gebeurt er als je als kind iets doet wat ingaat tegen de belemmerende overtuiging van je ouders of leerkrachten? Die worden boos, die raken in paniek, of die geven jou straf. Dus je leert niet wat er gebeurt als je het wel doet. En je leert wel dat je straf krijgt. Je neemt hun angst over. VI En dus krijgen we angst om te falen. Die angst wordt nog eens versterkt door ons gangbare schoolsysteem. Je wordt afgerekend op wat je fout doet. De 5 op je rapport: daar wordt over gesproken op de klassenavond, maar de 9 die er ook op staat, blijft onderbelicht. VII In baantjes gaat het ook zo: wat je fout doet, dat is wat je te horen krijgt tijdens je functioneringsgesprek. Je moet aan die en die kwaliteiten werken, want die zijn nog onder de maat. En de zaken waarin je goed bent, die kunnen wel wat minder, als die mindere punten maar worden verbeterd.

Grijze middelmaat

40

45

18

VIII Het gevolg hiervan is dat niemand zijn nek uitsteekt. Dat onze maatschappij vervalt tot een maatschappij waarin de grijze middelmaat regeert. Waarin beperkingen zwaarder wegen dan kansen. Een maatschappij waarin een lening voor een hoop stenen wordt betiteld als ‘zekerheid’. En waarin mensen bang zijn om iets fout te doen. En daardoor niet meer buiten hun comfortzone stappen en daardoor niet meer leren. Niet meer leven. IX Falen bestaat niet. Alleen resultaat bestaat. En als het resultaat je niet bevalt, dan moet je iets anders doen. En of het resultaat goed of slecht is, dat bepaal je zelf. Laat de beperkingen van anderen, juist jouw uitdaging worden. Walt Disney zei het al: als de grote menigte een bepaalde kant op gaat, ga dan de andere kant op, want daar liggen veel meer kansen!


Lezen

1 2 3 4

Geef Geef Geef Geef

5

Wat voor tekstsoort is dit?

Domein 2

in één zin de inhoud van de tekst. Let op de titel en de illustratie. in één zin aan wat de inhoud is van het tekstdeel na de eerste tussenkop. in één zin aan wat de inhoud is van het tekstdeel na de tweede tussenkop. een omschrijving van het woord comfortzone (VIII).

Intensief lezen Bij intensief lezen wil je alles in een tekst begrijpen. De woordbetekenis leid je af of zoek je op. Je loopt verwijzingen en verbanden na. Bij intensief lezen kijk je naar de opbouw (structuur) van de tekst. Daarbij geef je aan welke alinea’s de inleiding en het slot vormen. Als je kijkt naar de kern van de tekst, dan geef je de alineaverbanden. mening oorzaak probleem/vraag

• argument • gevolg • antwoord

= conclusie-argument = oorzaak-gevolg = probleem-oplossing

4 5 6

aantal mededelingen algemene uitspraak feit/mening

• samenvatting • voorbeeld • tegengesteld feit/ mening

= samenvattend = voorbeeldgevend = tegenstellend

7

argument 1 mening 1 voorbeeld 1

• argument 2 • mening 2 • voorbeeld 2

= opsommend = opsommend = opsommend

Domein 2

1 2 3

Signalen en signaalwoorden geven een aanwijzing van het tekstverband: omdat, want, met als gevolg, het antwoord is …, kortom, dus, bijvoorbeeld, zoals, maar, ten eerste … ten tweede …, ten slotte.

Opdracht 154 Houdbaarheidsdatum - de bijval - het pleidooi

de steun het betoog (vóór iets)

19


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Houdbaarheidsdatum heeft langste tijd gehad

1

5

10

15

20

25

20

I Producten als rijst, pasta, suiker, koffie en frisdrank blijven jaren langer goed dan op de verpakking staat vermeld. Toch gooit menigeen ze na verloop van tijd weg. Het Voedingscentrum wil daarom geen houdbaarheidsdatum meer vermelden om voedselverspilling te voorkomen. II De tekst ‘ten minste houdbaar tot’ kan in veel gevallen zo van verpakkingen verdwijnen, meent het Voedingscentrum. Hoogleraar voeding en gezondheid Jaap Seidell van de Vrije Universiteit Amsterdam is het daar helemaal mee eens. III Volgens hem heeft de tekst niets, maar dan ook e´cht helemaal niets met voedselveiligheid te maken. ‘Sommige producten zijn nog tientallen jaren goed nadat zo’n datum is verstreken. Zeker als de verpakkingen dicht zijn’, stelt hij. ‘Met die tekst garanderen fabrikanten alleen dat een product op de einddatum precies hetzelfde van kwaliteit is als nu. Maar als je koekjes maanden “te laat” openmaakt, hebben ze hooguit een andere kleur of smaak. Maar kwaad kan het niet. En die chocoladeletter kun je over twee jaar rustig eten.’ IV Dat vindt ook Marcel Zwietering, hoogleraar levensmiddelenmicrobiologie van de Wageningen Universiteit. ‘Voor mensen zit de verwarring in het begrip “bederf”. Ze denken dat bederf gelijk staat aan onveiligheid. Dat hoeft niet zo te zijn’, stelt hij. ‘Op mijn kamer heb ik een pot suiker staan die keihard is. Feitelijk is de suiker bedorven, maar als je hem loshakt, kan hij prima in de koffie.’ V Hetzelfde geldt voor bloem, doceert de professor. ‘Daar kunnen op den duur insectjes in rondlopen. Maar ook dan kun je er nog rustig een brood van bakken. Misschien een smerig idee, maar onveilig is het niet.’ VI Maar hij heeft enige twijfel of het pleidooi van het Voedingscentrum wel zo verstandig is. ‘Als je houdbaarheidsdata weghaalt, zit je met het gevaar van “cowboys” die restpartijen van e´cht heel oude producten op de markt brengen. Dan zit je als consument met koekjes die niet gevaarlijk zijn, maar die je ook niet meer kunt eten. Dat moet je niet willen.’


Lezen

30

Domein 2

VII Het Voedingscentrum stelt daartegenover dat door de houdbaarheidsdata te verwijderen, een groot deel van het probleem van voedselverspilling wordt opgelost. De gemiddelde Nederlander gooit jaarlijks 50 kilo aan levensmiddelen weg, waarvan 40 kilo feitelijk nog prima is. VIII Dat is zonde, vindt het centrum. Het centrum stelt dat dit komt doordat de helft van de mensen het verschil niet kent tussen de aanduidingen ‘ten minste houdbaar tot’ en ‘te gebruiken tot’ op verpakkingen. ‘Aan “te gebruiken tot” moet je je wel houden’, zegt Roy van der Ploeg van het Voedingscentrum. ‘Die tekst geldt voor verse producten als vlees, vis en gesneden groenten. Daar moet je geen risico mee nemen.’ IX Seidell vindt daarom dat naast ‘ten minste houdbaar tot’ allerlei andere levensmiddelenteksten onder de loep moeten worden genomen. ‘Mensen begrijpen vaak niets van wat er allemaal op staat en doen maar wat. Het allerbeste is als iedereen voortaan naast verkeersles ook voedingsleer op school krijgt. Hoe je met je voedsel omgaat, hoort net zo goed basiskennis te zijn als weten wat een oranje verkeerslicht betekent.’

35

40

45

Geef in één zin de inhoud van de tekst. Let op de titel en illustratie.

Domein 2

1

Globaal lezen 2 Lees de eerste alinea(’s). Schrijf een korte aanvulling op het antwoord bij vraag 1. Intensief lezen 3 Geef per alinea twee trefwoorden aan die de inhoud het best samenvatten. 4 Geef de inhoud van alinea VII, VIII en IX weer. In die volgorde. 5 Geef de betekenis van: kwaad kan het niet (III). 6 Geef het zelfstandig naamwoord bij garanderen (III) en doceren (V). 7 De titel bevat een grapje. Leg dat uit. 8 Wat betekent onder de loep nemen (IX) letterlijk? Wat is de figuurlijke betekenis? 9 Wat is het verband tussen alinea IV en III? Noteer het eventuele signaalwoord. 10 Wat is het verband tussen alinea VI en V? Noteer het eventuele signaalwoord. 11 Wat is het verband tussen alinea IX en VIII? Noteer het eventuele signaalwoord. 12 Wat voor tekstsoort is dit?

Opdracht 155 Besparen - de vrek - de moraalridder - de bravoureverhalen - de conjunctuur - de inflatie - zindelijk

iemand die nooit geld uitgeeft iemand die anderen steeds vertelt hoe het moet de stoere verhalen de maatschappelijke welvaart de situatie waarbij het geld minder waard wordt gezegd van kinderen als ze niet meer in hun broek plassen

21


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

‘Voordelig bruin brood met kaas en worst is ook goed’

1

5

10

15

20

25

30

22

I Marieke Henselmans wil vooral niet overkomen als een vrek, een betweter of erger nog: een moraalridder. ‘Ik wil alleen iets positiefs geven aan mensen die niet weten waar hun geld blijft. Er wordt wat aangerommeld en getobd met de financie¨le huishouding. We vertellen liever alleen de bravoureverhalen en niet over ons gestuntel en het misbruik dat anderen van ons maken.’ II Zelf begon Henselmans te besparen toen ze drie kleine kinderen had en ontdekte dat het een fabeltje is dat kinderen zo duur zijn. Als je tenminste jezelf niet wijsmaakt dat alles wat je voor hen aanschaft, nieuw en het beste van het beste moet zijn. Ze kreeg de smaak van zuinig leven te pakken en schreef er in 1999 het boek Consuminderen met kinderen in tijden van overvloed over. De conjunctuur is niet meer zo vrolijkmakend als destijds. Bezuinigen is nu voor bijna iedereen noodzaak. III De kunst is volgens Henselmans dat je vervolgens genoeg overhoudt voor wat belangrijk is en je gelukkig maakt. IV Nutteloze uitgaven zijn er volgens haar heel veel, van zakjes gesneden groente tot verzekeringen. ‘Een zakje gesneden sla is gemiddeld tien keer zo duur als een krop. De inhoud van die zakjes wordt trouwens steeds kleiner; e´e´n keer niezen en het is weg. En wat verzekeringen betreft: de meeste kun je opzeggen, dat scheelt honderden euro’s per jaar. We laten ons zo bang maken dat we zekerheid en controle denken te kunnen kopen door verzekeringen af te sluiten. Het doel van de verzekeraar is niet om uit te betalen, maar geld te verdienen.’ V Wie onrustig slaapt vanwege een noodlot dat kan toeslaan, moet gaan sparen, adviseert Henselmans. ‘Economen beweren dat dat geen zin heeft omdat de inflatie hoger is dan de rente die je ontvangt. Wat een onzin. Je spaart niet om de rente, maar om een buffer te hebben voor noodsituaties.’ VI Op een houtje bijten hoeft niet. Veel kan goedkoper, door meer zelf te doen, dure spullen zoals gereedschap en speelgoed te lenen of tweedehands aan te schaffen en te kiezen voor meer eenvoud. Wat het laatste betreft: Henselmans meent duizenden euro’s te hebben bespaard door haar drie zoons in hun


Lezen

Domein 2

35

40

45

50

1

Domein 2

schoolgaande jaren simpel gevulde broodtrommels mee te geven voor de lunch. ‘Dus geen uitsloversbrood, mueslirepen en knijpfruitflesjes, maar voordelig bruin brood met kaas en worst en een stuk fruit. Op hun 18de kregen mijn zoons de uitgespaarde euro’s om er autorijlessen van te betalen, een laptop of een camera.’ VII Als doorgewinterde bespaarder kent Henselmans ook de grootste blunders, zoals de ’vrekkenvalkuil’: blind afgaan op aanbiedingen en dan groots inslaan. Om later te ontdekken dat je niet alles op krijgt. Dat is haar zelf overkomen toen haar kinderen klein waren. Ze kocht kruiwagens vol afgeprijsde luiers. Ze had nog een grote voorraad op zolder toen haar kinderen allang zindelijk waren. VIII Henselmans adviseert besparingen vooral te zoeken in kleine dagelijkse zaken omdat die op de lange termijn goed vol te houden zijn. Zoals beperkt inkopen bij de supermarkt en het menu aanpassen aan aanbiedingen. Dure cre`mes waarvan de werking nooit is aangetoond afschaffen, tubes tandpasta openknippen als ze op lijken omdat er dan nog 10 procent van de totale inhoud uit te knijpen valt. Ze is ook goed in tips als zelf wijn, jam en brood maken, haren knippen, de werkster ontslaan en ook reparaties niet meer uitbesteden. IX En waar moet de zich uit de naad werkende bespaarder de tijd vandaan halen? ‘Wie minder uitgeeft, hoeft minder uren te werken, dus houdt meer tijd over. Hard en veel uren werken is een keuze, net zo goed als veel geld uitgeven.’ Geef in één zin de inhoud van de tekst. Let op de titel en illustratie.

Globaal lezen 2 Lees de eerste alinea. Schrijf een korte aanvulling op het antwoord bij vraag 1. Intensief lezen 3 Geef van de alinea’s II, III en IX twee trefwoorden aan die de inhoud het best samenvatten. 4 In alinea IV en V geeft Henselmans twee adviezen. Beschrijf die in twee korte zinnen in de gebiedende wijs. 5 Geef de betekenis van: op een houtje bijten (VI). 6 Beschrijf de ‘vrekkenvalkuil’ (VII). 7 Noem alle tips in alinea VI en VIII. 8 Het gaat het erom dat je geld overhoudt voor leuke dingen. Beschrijf het voorbeeld hiervan in alinea VI. 9 Wat voor tekstsoort is dit?

23


Schrijven

2

Domein 3

Aantekeningen maken en werken met formulieren

Aantekeningen maken Aantekeningen maken doe je als je iets wilt onthouden. Bijvoorbeeld als je iets leest of naar iemand luistert. Het is een lees- en luistervaardigheid: wat is belangrijk? Maar het is ook een schrijfvaardigheid: hoe schrijf je dat handig op? Je schrijft de belangrijkste informatie in trefwoorden op. Veel bedrijven werken met formulieren. Met een formulier structureer je de aantekeningen en de informatie die belangrijk is.

2.1

Formulieren

Opdracht 167 Formulieren in de bpv Schrijf op welke formulieren er worden gebruikt in je bpv-bedrijf. Formulieren in de bpv; naam instelling/organisatie 1 2 3 4 5 6

7 8 9 10 11 12

Domein 3

Opdracht 168 Formulieren verzamelen Verzamel bij je bpv-bedrijf zo veel mogelijk formulieren die met je toekomstige beroep te maken hebben. Zorg ervoor dat je deze formulieren hebt, voordat je opdracht 235 doet. In die opdracht maak je een verslag over het onderwerp formulieren.

2.2

Werkplanning

Opdracht 169 Werkplanning Maak een werkplanning voor het maken van opdrachten Nederlands. Gebruik hiervoor het volgende formulier. Je docent geeft richtlijnen die je in je werkplanning moet meenemen.

25


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Werkzaamheden

Benodigde tijd

Planning

Naam en handtekening medewerker (leerling): Naam en handtekening leidinggevende (docent): Datum:

26

Opleverdatum

Aandachtspunten


Schrijven

2.3

Domein 3

Memo en telefoonmemo

Memo Bij elke vorm van overleg worden aantekeningen gemaakt. Dit zijn memo’s. Organisaties gebruiken memo’s, zoals telefoonmemo’s. Je schrijft op een memo in het kort de belangrijkste gegevens op. Je maakt aantekeningen om ze niet te vergeten. Of om iemand anders te informeren. Ook boodschappenbriefjes zijn memo’s. Memo’s zijn geen officiële documenten, maar ze zijn in de praktijk heel belangrijk.

Opdracht 170 Boodschappenlijstje Jij en een medeleerling organiseren een feestje voor vrienden. Dat gebeurt bij jou thuis. Als iedereen komt, ben je met twaalf mensen. Maak een boodschappenlijstje.

Domein 3

Telefoonmemo Op een telefoonmemo maak je aantekeningen van een telefoongesprek: met wie heb je gesproken, jouw naam, datum, tijd, onderwerp van gesprek en andere gegevens (fax- en telefoonnummers, adres). Wat moet er met het memo gebeuren: voor wie is het memo? Je schrijft telefoonmemo’s voor collega’s. Telefoonmemo’s worden vaak als e-mailbericht naar de te informeren medewerker verstuurd. Voorbeeld: zie het telefoonmemo bij opdracht 171. Onder aan een memo zet je je paraaf. Een paraaf is een korte handtekening. ■ Iedereen weet dan dat jij de aantekeningen hebt gemaakt. Noteer eventuele telefoonnummers als volgt. ■ (070) 385 67 88: netnummer tussen haakjes; 06-33 79 62 03

27


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Opdracht 171 Ziektekostenverzekering Hierna staat een telefoonmemo. Zet de gegevens op de juiste plaats. Datum: noteer de datum van vandaag. Tijd: noteer hoe laat het is. Yannick Verheij, Schimmelpenninckstraat 66, 4481 AJ, Kloetinge, heeft een vraag over een vergoeding van tandartskosten: het gaat om het plaatsen van een kroon en een eventuele wortelkanaalbehandeling. Je wilt hem doorverbinden naar je collega die daarover gaat, Gülsüm Gülçiçek, maar je hoort dat zij op dit moment in een vergadering zit. Je belooft de heer Verheij dat mevrouw Gülçiçek vanmiddag (datum noteren) terugbelt. Telefoonnummer: (0113) 75 21 43. Als je alles hebt ingevuld, zet je je paraaf onder aan je memo.

28


Schrijven

Domein 3

Opdracht 172 Groothandel in sieraden Vul de volgende telefoonmemo’s in. Zet de gegevens op de juiste plaats. Je werkt bij Groothandel Les Bijoux in Amsterdam. Les Bijoux verkoopt sieraden en modeaccessoires aan juwelierszaken, warenhuizen en trendy winkels. Je docent geeft jou de gegevens.

Domein 3 29


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

2.6

Aantekeningen maken tijdens een vergadering

Werkzaamheden in een organisatie moeten op elkaar worden afgestemd. Plannen worden besproken. Afspraken worden gemaakt. Overal wordt vergaderd. Een vergadering heeft altijd een lijst van bespreekpunten: de agenda. Een agenda bevat vaste agendapunten, zoals de opening, de rondvraag en de sluiting. Daarnaast worden er agendapunten per vergadering vastgesteld. Die onderwerpen zijn voor elke vergadering anders.

30


Schrijven

Domein 3

Opdracht 177 Vergaderen met een agenda Bestudeer de theorie over de agenda op VakTraject Nederlands Online. Beantwoord daarna de volgende vragen. 1

Noteer achtereenvolgens de vaste agendapunten van een vergadering.

2

Wat is het doel van het agendapunt Wat verder ter tafel komt?

3

Hoe noem je de ofďŹ ciĂŤle aantekeningen die van een vergadering gemaakt worden?

Opdracht 178 Agenda klassenbespreking Stel een agenda op voor een klassenbespreking. Naast de vaste agendapunten bepaal je welke volgende onderwerpen besproken moeten worden, zoals het maken van huiswerk, de becijfering van toetsen, het voorkomen van lesuitval. Een aantal agenda’s wordt gebruikt voor enkele klassenbesprekingen.

Opdracht 179 Aantekeningen maken tijdens de klassenbespreking

Besluitenlijst vergadering:

Domein 3

Tijdens de klassenbesprekingen van opdracht 178 maak je aantekeningen. Die aantekeningen verwerk je in een besluitenlijst. Maak op de computer een model van een besluitenlijst. Gebruik hiervoor het volgende voorbeeld. Datum:

Namen aanwezigen: Notulist:

Agendapunt

Toelichting

Besluit

1 Opening 2 Vaststellen van de agenda Enzovoorts

31


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Opdracht 180 Agenda vergadering over de hangplek Stel een agenda op voor de vergadering bij opdracht 75.

Opdracht 181 Notuleren in de praktijk Maak met je bpv-begeleider een afspraak over het maken van notulen in de praktijk. Is er een vergadering waarbij jij kunt notuleren? Verwerk je gegevens in een besluitenlijst en laat deze controleren door je bpv-begeleider.

32


Taalverzorging

6

Domein 4

Voorzetsels: uit, van, onder, op, in

Voorzetsels staan vaak in een woordgroep met een zelfstandig naamwoord. Voorzetsels kun je aanvullen met de woordgroep het kooitje, zoals voor het kooitje en naar het kooitje.

Opdracht 319 Maak een lijst van twintig voorzetsels. Neem die op in je woordenlijst.

Opdracht 320 Maak met tien van de voorzetsels in opdracht 319 een zin.

Opdracht 321 Onderstreep de woordgroepen met een voorzetsel. Bijvoorbeeld Ik kocht deze prachtige broek in de uitverkoop. In de uitverkoop kocht ik deze prachtige broek. 102-jarige Belg mag naar kleuterschool 1 Een 102-jarige man uit de Belgische plaats Retie heeft in de maand januari een brief van vier kleuterscholen gekregen. 2 De man kreeg een uitnodiging om binnenkort in de eerste klas aan zijn schoolloopbaan te beginnen. 3 De uitnodiging was het gevolg van een administratieve fout. 4 In Retie in de Antwerpse Kempen ontvangen kinderen die in 2009 zijn geboren, een brief van de kleuterscholen. 5 Bij het zoeken naar dat jaartal zijn waarschijnlijk alleen de twee laatste cijfers van het geboortejaar, 09, bekeken. 6 Daardoor kreeg ook de in 1909 geboren 102-jarige een brief.

Opdracht 322 Zet de woordgroep met het voorzetsel vooraan in de zin. Bijvoorbeeld De verkoopmedewerker kreeg een aanstellingsbrief van de afdeling Personeelszaken. Van de afdeling Personeelszaken kreeg de verkoopmedewerker een aanstellingsbrief.

Domein 4

Brommer rijdt 121 kilometer per uur 1 De politie zag woensdag tussen de Groningse plaatsen Niebert en Tolbert een brommer voorbij scheuren. 2 Een 18-jarige bestuurder uit Leek reed op zijn brommer omgerekend 121 kilometer per uur. 3 Politieagenten konden hem pas na een achtervolging op de Holm in Tolbert aanhouden. 4 De bestuurder bleek na correctie 116 kilometer te hebben gereden.

33


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

5 6 7 8

Een bromfietser mag buiten de bebouwde kom op de rijbaan niet harder dan 45 kilometer gaan. Hij krijgt dus een bekeuring voor 71 kilometer te hard rijden. De bromfietser kan rekenen op een forse boete. De politie heeft de brommer en het rijbewijs van de inwoner uit Leek in beslag genomen. Voorzetsels staan meestal vooraan in een woordgroep. Ze kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan. De betekenis is vaak anders.

Opdracht 323 Bespreek de verschillen tussen de eerste en tweede zin. 1a Mijn ouders reden met een gehuurde auto Polen in. 1b Mijn ouders reden met een gehuurde auto in Polen. 2a Leo fietste hard de stoep op. 2b Leo fietste hard op de stoep. 3a De inbrekers zijn de tuin door gewandeld. 3b De inbrekers zijn door de tuin gewandeld. 4a Kate sprong het water in. 4b Kate sprong in het water.

Opdracht 324 Vul de juiste voorzetsels in. Beginnersfout nekt winkeldief 1

Een winkeldief bleek donderdagmiddag

Nijmegen toch wat minder pienter dan

hij zelf dacht. een sportwinkel verwijderde hij alle alarmlabels zich wilde nemen. 5

die manier wilde hij

dief had de labels echter

de poortjes komen. De 30-jarige

zijn jaszak gedaan.

Het personeel betrapte de dief Surveillerende agenten sloten hem

het moment dat hij de winkel pardon

een typische beginnersfout en namen de dief mee

34

de spullen die hij

liep.

de boeien. Die noemden het het hoofdbureau.


Taalverzorging

Domein 4

Opdracht 325 Vul de juiste voorzetsels in.

Kleinste vrouw ter wereld 1

Een Indiase studente is vrijdag

Guinness World Records uitgeroepen

de wereld. Jyoti Amge komt

kleinste vrouw

de meeste mensen

net

een lengte

62,8 centimeter

de knie. De Indiase kreeg de onderscheiding

haar 18de verjaardag. ‘Het is geweldig om mijn verjaardag 5

vieren

een

nieuw wereldrecord. Het is eigenlijk een extra verjaardagscadeau’, zei ze. De vorige titelhoudster, de Amerikaanse Bridgette Jordan

Sandoval, Illinois, was 7 een arts

centimeter langer dan Jyoti. Jyoti werd de afgelopen 24 uur drie keer de erfelijke aandoening achondroplasie, een vorm

gemeten. Ze lijdt

dwerggroei, die de groei 10

de

uitgeroepen

haar botten remt. In 2009 werd de studente al

de kleinste tiener

de wereld. Ze was toen 61,9 centimeter.

Hoewel ze niet groter is dan een gemiddelde tweejarige, heeft de familie

Jyoti

haar altijd een zo normaal mogelijk leven proberen te laten leiden. Ze slaagde deze haar middelbareschooldiploma en droomt nu

een carrière als

Domein 4

maand

Bollywoodactrice. 15

De Indiase is niet de kleinste vrouw de Nederlandse Pauline Musters,

de geschiedenis. Die titel behoort toe 19-jarige leeftijd

1895

een

longontsteking overleden, die slechts 61 centimeter groot was.

35


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Sommige woorden hebben een vaste combinatie met een voorzetsel. Vaak is de betekenis van dat voorzetsel dan anders. Als je gek bent op iemand, is dat iets anders dan wanneer je gek wordt van iemand.

Opdracht 326 Op VakTraject Nederlands Online vind je een lijst van woorden met vaste combinaties. Kijk in die lijst en zet bij 1 t/m 16 het juiste voorzetsel. Schrijf daaronder een zin waarin je de combinatie gebruikt. Zorg ervoor dat je de betekenis van de combinatie kent. Bijvoorbeeld: zich abonneren …… iets Zich abonneren op iets Wij zijn geabonneerd op de Donald Duck.

36

iets

1

Aandringen

2

Boos worden

3

Zijn deelneming betuigen

4

Zich hechten

5

Medelijden hebben

6

Zich ontfermen

7

Onverschillig zijn

8

Profiteren

9

Slagen

iemand

iets

iemand

iemand

iets

iets

iets

een examen

10 Spotten

iets

11 Stoppen

iets


Taalverzorging

12 Trots zijn

iemand of iets

13 Zich uitgeven

iemand

14 Verantwoordelijk zijn

15 Verlangen

16 Zwichten

Domein 4

iets

iets

iets

Opdracht 327 Schrijf met de volgende werkwoorden steeds twee korte zinnen zoals in het voorbeeld. Bijvoorbeeld Aandringen – Ik drong op uitbetaling aan – Ik heb op uitbetaling aangedrongen. Achterblijven

2

Doornemen

3

Voorgaan

4

Nakomen

5

Aannemen

6

Omkijken

Domein 4

1

37


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

Opdracht 328 Laat je zinnen van opdracht 302 controleren door een medeleerling. Bespreek daarna de resultaten.

Opdracht 329 Neem interessante woorden uit de opdrachten 296 tot en met 303 op in je woorddossier. Overhoor je kennis van de woorden die al in je dossier staan.

Opdracht 330

Breid je mindmap ‘taalverzorging’ uit met trefwoorden bij ‘voorzetsel’.

7

De voornaamwoorden deze, die, dit en dat

Bij het hoort ‘dit’ en ‘dat’, en bij de hoort ‘deze’ en ‘die’: het boek dat op tafel ligt; de trein die op tijd vertrekt.

Opdracht 331 Vul in: de, het, deze/die of dit/dat. Parkeerrekening van 51.000 euro 1

eigenaar van een Franse Citroën BX, centrum van

in een parkeergarage in

stad Luxemburg staat, kan beter een andere auto kopen.

auto staat al vijf jaar weg te stoffen. parkeerkosten 5

inmiddels betaald moeten worden, zijn opgelopen tot

ongeveer 51.000 euro. Wat er met beheerders van voertuig.

dagtarief is 26,90 euro per dag en door

moet hij veel meer betalen dan

eigenaar

politie,

hem niet wegslepen. Maar

kans dat

zou

door

auto

beheerders benaderd is,

feit dat hij geen

kost namelijk 3000 euro per jaar. Daarmee

rekening op ‘slechts’ 15.000 euro uitkomen.

Opdracht 332 Beantwoord de vragen op VakTraject Nederlands Online.

38

wagen. Omdat

eigenaar komt opdagen, is nihil.

toch, dan zal hij spijt hebben van

jaarabonnement heeft genomen.

bedrag is

auto echt terug willen, dan

waarde van

correct staat geparkeerd, wil

Doet hij

auto is gebeurd, weten

garage niet. Ze weten zich geen raad met

rekening zo opgelopen. Mocht

10

eigenaar van


Taalverzorging

Domein 4

Opdracht 333 Vul in: de, het, deze/die of dit/dat.

Brede bierfiets verboden 1

rechter in Amsterdam heeft een zogenoemde bierfiets, gehuurd wordt, verboden. Volgens een vonnis voldoet

rijdende bar niet aan

vaak voor feestjes

woensdag gepubliceerd is,

regels.

rechter deed zijn uitspraak in een zaak over een ongeluk met zo’n bierfiets. 5

vond in mei vorig jaar plaats. Er raakten toen drie vrouwen gewond. voertuig,

tijdens

rit een lekker vaartje had, was tegen een viaduct

gebotst. verhuurder van

voorwaardelijk.

boete kreeg

voldoende had voorgelicht over Volgens

gebruik van

bierfiets. in

verkeer opvalt door

Regeling Voertuigen niet breder zijn dan

bierfiets uitspraak van

voortaan niet zomaar

bedrag was

Domein 4

meter breed.

helft van

om een tap zitten – worden beschouwd als een fiets.

Maar fietsen mogen volgens anderhalve meter.

rechtszaak aanwezig was,

verhuurder ook, omdat hij zijn klanten niet rijdende bar –

vonnis moet

fietsende berijders 15

tijdens

rechter een boete van 1500 euro.

kreeg van 10

voertuig,

bij het ongeluk was betrokken, was 2,20 rechter zou dus betekenen dat bierfietsen

weg op mogen.

39


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

gemeente Amsterdam overwoog eerder om bierfietsen, 20

voertuig te verbieden, omdat

vooral populair zijn bij vrijgezellenfeestjes, in

stad

voor overlast en onveilige verkeerssituaties zouden zorgen. gemeente zag uiteindelijk van een algemeen verbod af. Wel wordt bierfiets geweerd uit bekend is onder

Wallengebied. In

gebied,

internationaal

naam Red Light District, geldt een alcoholverbod.

Opdracht 334 Beantwoord de vragen op VakTraject Nederlands Online.

Opdracht 335 Neem interessante woorden uit de opdrachten 306 tot en met 309 op in je woorddossier. Overhoor je kennis van de woorden die al in je dossier staan.

Opdracht 336

Breid je mindmap ‘taalverzorging’ uit met trefwoorden bij ‘voornaamwoorden’.

8

Zinnen met voegwoorden

Voegwoorden verbinden zinnen. 1 Je kunt mee-eten als je op tijd bent. Deze zin bestaat eigenlijk uit twee zinnen: 2 Je kunt mee-eten en 3 Je bent op tijd.

Opdracht 337 Voeg de volgende zinnen samen. Gebruik een voegwoord. Bijvoorbeeld Je oefent veel. Je komt ver. Als je veel oefent, kom je ver. Of: Je komt ver als je veel oefent. 1 2 3 4 5 6 7 8

40

Ik ben te laat. De bus had vertraging. Mijn zus heeft gesolliciteerd. Ze zag een interessante advertentie in de krant. Wilmar regelt veel zaken in het magazijn. Hij is magazijnbeheerder. De verkoper is tevreden. Vandaag heeft hij twee scooters verkocht. Mijn moeder wil het weten. Ik kom thuis eten. De chef is vandaag niet aanwezig. Ik bel u morgen. Mijn broer wil op zichzelf wonen. Hij spaart zo veel mogelijk. Het feest begon om 20.00 uur. ‘s Middags was alles klaargezet.


Taalverzorging

Domein 4

9 Gina begon aan haar presentatie. Het publiek werd stil. 10 Aletta mailde de tekst naar haar collega. De tekst had zij helemaal gecontroleerd. Een voegwoord kan vooraan in de zin staan. De zinsvolgorde is afhankelijk van een voegwoord. Kijk naar de plaats van ‘ik ga’ en ‘ik rijd’ in de volgende zinnen. 1 Ik ga naar school. Ik rijd altijd langs het ziekenhuis. 2 Als ik naar school ga, rijd ik altijd langs het ziekenhuis.

Opdracht 338 Noteer onder elke zin of de woordvolgorde goed of fout is. 1

De winst en de omzet zijn gestegen, omdat er zijn in het vierde kwartaal veel smartphones verkocht.

2

De winst en de omzet zijn gestegen, want er zijn in het vierde kwartaal veel smartphones verkocht.

3

Ik bel u terug, zodra ik nadere informatie voor u heb.

4

Ik bel u terug, zodra ik heb nadere informatie voor u.

5

Het wordt druk op oudejaarsavond, want rond twaalf uur komen al mijn vrienden bij ons thuis.

6

Het wordt druk op oudejaarsavond, omdat rond twaalf uur komen al mijn vrienden bij ons thuis.

Opdracht 339

Domein 4

Maak telkens van de volgende zinnen één zin. Verander aan de zinnen niet meer dan noodzakelijk is. 1 We gaan naar het zwemparadijs. Daar zijn hoge glijbanen. 2 De ouders zijn ongerust. De operatie duurt al twee uur. 3 Het werd stil. De leraar ging de namen oplezen. 4 We kunnen u meteen helpen. U komt vandaag langs. 5 Je komt op tijd. Je rijdt mee. 6 Ik vind het vervelend. Je laat me altijd wachten. 7 Ik maak me zorgen. De wereld vergaat. 8 Het begon erg hard te waaien. De parasol vloog de lucht in.

41


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

9 Ik stond tien minuten te wachten. De bus kwam eraan. 10 De bus had vertraging. Ik kwam te laat voor mijn afspraak.

Opdracht 340 Neem interessante woorden uit de opdrachten 312 tot en met 314 op in je woorddossier. Overhoor je kennis van de woorden die al in je dossier staan.

Opdracht 341

Breid je mindmap ‘taalverzorging’ uit met trefwoorden bij ‘voegwoorden’.

9

Hoofdzinnen en bijzinnen: ik zeg dat ik die lekke band ga plakken

Hoofdzinnen hebben een vaste woordvolgorde. De persoonsvorm staat bijna altijd op de tweede plaats. ■ Tussen het onderwerp en de persoonsvorm staan nooit andere woorden. ■ Andere werkwoordsvormen staan achteraan in de zin. ■ In alle andere gevallen zijn het bijzinnen.

Opdracht 342 Geef van de volgende zinnen aan of het schuingedrukte deel een hoofdzin of een bijzin is.

42

1

We gaan zwemmen.

2

Vandaag gaan we zwemmen.

3

Ik denk dat we gaan zwemmen.

4

Ik denk dat we vandaag gaan zwemmen.

5

Ik denk dat je je vergist als je denkt dat we gaan fietsen.


Taalverzorging

6

Ik denk dat je je flink vergist als je denkt dat we vandaag gaan fietsen.

7

Ik ga naar huis, want we gaan fietsen.

Domein 4

Opdracht 343 Geef van de volgende zinnen aan of het schuingedrukte deel een hoofdzin of een bijzin is.

Lachen maakt jonger Mensen die lachen, worden gemiddeld twee jaar jonger geschat.

2

Foto’s van vrolijke mensen zijn mogelijk misleidend, omdat je niet goed kunt zien of rimpels rond de mond en ogen veroorzaakt worden door de leeftijd of door het lachen.

3

Lachen maakt mensen ook aantrekkelijker.

4

De leeftijd werd het best geschat bij neutrale gezichten, aldus een uitgebreid onderzoek.

5

Het blijkt over het algemeen dat de leeftijd van oudere mensen slechter werd ingeschat dan die van jongere mensen.

Domein 4

1

43


VakTraject Nederlands Leer-werkboek 2F Economie

6

Hoe ouder de deelnemers zelf waren, hoe moeilijker ze het vonden om de juiste leeftijden te schatten.

7

De deelnemers aan het onderzoek zeiden dat ze het het makkelijkst vonden om de leeftijd te schatten van leeftijdsgenoten.

Opdracht 344 Neem interessante woorden uit de opdrachten 342 en 343 op in je woorddossier. Overhoor je kennis van de woorden die al in je dossier staan.

Opdracht 345

Breid je mindmap ‘taalverzorging’ uit met trefwoorden bij ‘voegwoorden, hoofdzinnen en bijzinnen’.

44


VakTraject Nederlands leer-werkboek 2F mbo Economie