Page 25

hoofdstuk 1  |  Grammatica en spelling

23

Taak 4

‘Hebben’ en ‘zijn’ in het presens Singularis 1 ik 2 je / jij , u 3 ze / zij, hij

hebben heb hebt heb je heeft

zijn ben bent ben je is

Pluralis 1 we / wij 2 jullie 3 ze / zij

hebben hebben hebben

zijn zijn zijn

Het verbum

Let op: Je hebt een zus. à Heb je een zus? Je bent de nieuwe cursist. à Ben je de nieuwe cursist?

Subject en persoonsvorm

De zin

subject 1 Ik Hij

persoonsvorm 2 ben geeft

rest 3 huisarts. autorijles.

We Dewi en Eddy

wonen hebben

in Weesp. twee kinderen.

plaats 1 = subject plaats 2 = persoonsvorm (pv)

CODE Plus Takenboek 1  

Bekijk hier de inhoudsopgave en het eerste hoofdstuk van het CODE Plus Takenboek deel 1 voor een goede eerste indruk.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you