Issuu on Google+

16

hoofdstuk 1  | taak 3

i i i Uitvoeren

5.1 Lees de teksten. Situatie 1: informeel Yvonne (A) en Maarten (C) zien Sarah (B). A: Hallo Sarah, dit is Maarten. B: Hoi Maarten. C: Kom je ook uit Amsterdam? B: Nee, ik kom uit Groningen. A: We moeten gaan. Tot ziens. C: Doeg. B: Dag Maarten. Situatie 2: formeel Mevrouw (A) en meneer De Wit (C) zien meneer Van der Meer (B). A: Goedemiddag meneer Van der Meer, dit is mijn man. B: Goedemiddag. C: Woont u ook in Weesp? B: Nee, ik woon in Amersfoort. A: Oké. We gaan weer. Tot ziens. C: Dag meneer en mevrouw Van der Meer.

5.2 Je docent en twee cursisten zijn A, B en C. Zij lezen samen de teksten van situatie 1 en 2 hardop. Luister en lees mee.

5.3 Voer drie gesprekken in drietallen. Gesprek 1: informeel A en B groeten elkaar. A stelt C voor aan B. C stelt een vraag aan B. B antwoordt. • Woon je ook in …? • Ja / Nee, … • Groet en ga weg. Wissel van rol. Gesprek 2: formeel A en B groeten elkaar. A stelt C voor aan B. C stelt een vraag aan B. B antwoordt. • Waar komt u vandaan? • Ik kom uit … • Groet en ga weg.


CODE Plus Takenboek 1