Issuu on Google+

Bedrijfseconomie en financiën voor commerciële opleidingen in het mbo

Begroten en budgetteren

Begroten en budgetteren Henk Tijssen Inge Berg

Begroten en budgetteren voor mbo Henk Tijssen Inge Berg

De serie Rendement is ontwikkeld voor de commerciële opleidingen binnen de sector economie van het middelbaar beroepsonderwijs. De serie bestaat uit een reeks basis- en profielboeken die onder andere geschikt zijn voor de opleidingen marketing, communicatie, evenementenorganisatie en junior accountmanagement. Kenmerkend voor Rendement is de duidelijke en heldere structuur en de aansluiting bij de vernieuwde kwalificatiedossiers. Rendement is rijk aan voorbeelden en opdrachten die aansluiten bij de toekomstige beroepspraktijk.

voor iedere mbo deelnemer die de basisprincipes van bedrijfseconomie en financiën wil begrijpen. De onderwerpen die aan bod komen zijn: kosten, budgetten, begrotingen, de balans, financiële kengetallen, distributiekengetallen, tabellen en grafieken.

14445_OS Rendement Begroten en budgetteren.indd 1

Henk Tijssen & Inge Berg

De uitgave Begroten en budgetteren is het basisboek

30-05-13 10:48


Begroten en budgetteren Bedrijfseconomie en financiën voor commerciële opleidingen in het mbo

Henk Tijssen Inge Berg


Colofon Auteur

Evelien van Dijk

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is dé educatieve mediaspecialist en levert educatieve oplossingen voor het Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Middelbaar Beroepsonderwijs en Hoger Onderwijs. Deze oplossingen worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de onderwijsmarkt en dragen bij aan verbeterde leeropbrengsten en individuele talentontwikkeling.

Bureauredactie

ThiemeMeulenhoff haalt het beste uit élke leerling.

Henk Tijssen Inge Berg

Redactie

Singeling Tekstproducties

Opmaak Imago Mediabuilders

Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze educatieve oplossingen: www.thiememeulenhoff.nl of via de Klantenservice 088 800 20 16 ISBN 978 90 06 87102 9 Eerste druk, eerste oplage, 2013 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2013 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatieen Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Woord vooraf Het middelbaar beroepsonderwijs verandert voortdurend onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en in het bijzonder door de eisen die de beroepspraktijk aan de opleidingen stelt. Sinds eind jaren ’90 is Rendement dé methode voor commerciële opleidingen in het mbo. Met de introductie van de herziene kwalificatiedossiers introduceert ThiemeMeulenhoff de compleet herziene methode. Rendement sluit aan op de actualiteit, de door docenten aangedragen inhoudseisen van de commerciële opleidingen, en het kwalificatiedossier. Meer over de aansluiting met de kwalificatiedossiers en bijvoorbeeld de aansluiting met de toetsmatrijzen van SPL, vindt u op onze methodesite: www.rendementonline.nl. Eén van de kenmerken van Rendement is de structuur van de boeken. Doel is de zelfwerkzaamheid van studenten te vergroten. De hoofdstukken zijn zo ingedeeld dat de student de lesstof direct kan plaatsen in de wereld van nu: ■ Inleiding met een praktijkvoorbeeld: de student ziet direct het praktisch nut van de leerstof. ■ Een schema in het begin en een checklist aan het eind van ieder hoofdstuk om snel inzicht te krijgen in de lesstof. ■ De belangrijkste begrippen staan in de kantlijn en zijn verzameld in een begrippenlijst. ■ Elk hoofdstuk bevat verschillende soorten vragen om tussentijds de kennis van de student te meten. ■ Aan het eind van ieder hoofdstuk staan toepassingsvragen om de opgedane kennis direct in praktijk te brengen. De onderscheidende kenmerken van Rendement zijn: ■ Door de duidelijke structuur en vele praktijkvoorbeelden sluit de leerstof aan bij de beroepspraktijk en de belevingswereld van de student. ■ De boeken zijn volledig in kleur en geschreven in heldere taal. ■ In het boek zijn de NIMA-A begrippen opgenomen die van belang zijn in de beroepspraktijk en eventuele vervolgopleidingen. ■ De boeken van Rendement dienen als lesstof tijdens de studie en als naslagwerk voor na de studie. Rendement is onder andere geschikt voor de opleidingen: medewerker marketing en communicatie; ■ medewerker evenementenorganisatie; ■ junior accountmanagement. ■


Rendement is een unieke serie. Afhankelijk van de mogelijkheden op school, de leerstijl van de student, en de persoonlijke voorkeur van de docent kan een werkvorm worden bepaald. Rendement leent zich niet alleen voor klassikaal onderwijs, maar ook voor het zelfstandig verwerken van de leerstof. Bij alle delen hoort ondersteunend docentenmateriaal. Deze vindt u op onze website. Daarin zijn de uitwerkingen opgenomen van de vragen en opdrachten uit het boek, maar ook extra toetsen met uitwerkingen. Natuurlijk beslist de docent of studenten de antwoorden tot hun beschikking hebben. Daarom heeft u een inlogcode nodig voor dit deel van de website. De uitgaven van Rendement zijn met de grootste zorg en bevlogenheid ontwikkeld. Wij hopen dat u met plezier zult werken met de uitgaven van Rendement. Wanneer u vragen of suggesties heeft, dan waarderen wij het bijzonder wanneer u contact met ons opneemt.

De auteurs en uitgever


Overzicht boeken Rendement per opleiding Rendement kunt u inzetten voor het huidige kwaliďŹ catiedossier. Met Rendement kunt u als volgt vorm geven aan de kwaliďŹ catiedossiers vanaf 2014. Opleiding

Titel Rendement

Medewerker marketing en communicatie

Economie en recht Basisboek marketing 1 Begroten en budgetteren Media en vormgeving Basisboek marketing 2 Marktonderzoek Communicatie

Medewerker evenementenorganisatie

Economie en recht Basisboek marketing 1 Begroten en budgetteren Media en vormgeving Basisboek marketing 2 Evenementen


Inhoudsopgave Inleiding 11 1 Kostensoorten 13 1.1 Inleiding 15 Vragen en opdrachten 16 1.2 Huisvestingskosten 16 Vragen en opdrachten 19 1.3 Personeelskosten 19 1.3.1 Tijdloon 19 1.3.2 Stukloon 20 1.3.3 Premieloon 21 1.3.4 Kosten van diensten van derden 22 Vragen en opdrachten 23 1.4 Andere kosten 24 1.4.1 Inkoop- en verkoopkosten 24 1.4.2 Fabricagekosten 25 1.4.3 Organisatie- en administratiekosten 26 1.4.4 Transportkosten 27 1.4.5 Onvoorziene kosten 27 Vragen en opdrachten 28 1.5 Afschrijven, slijtage en levensduur 28 1.5.1 Economische slijtage 29 1.5.2 Technische en economische levensduur 31 Vragen en opdrachten 33 1.6 Complementaire kosten 33 Vragen en opdrachten 38 1.7 Afschrijvingssystemen 39 1.7.1 Afschrijven met een vast percentage van de aanschafprijs 40 1.7.2 Afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde 42 Vragen en opdrachten 45 1.8 Sleutelbegrippen 46 1.9 Checklist hoofdstuk 1 47 1.10 Toepassingsvragen 48 2 Budgetten 54 2.1 Inleiding 55 Vragen en opdrachten 56 2.2 Functies van een budget 56 Vragen en opdrachten 57


3

4

5

2.3 Soorten budgetten 57 Vragen en opdrachten 59 2.4 Budgetteringsmethoden 59 Vragen en opdrachten 61 2.5 Sleutelbegrippen 61 2.6 Checklist hoofdstuk 2 62 2.7 Toepassingsvragen 62 Begroten 64 3.1 Inleiding 65 Vragen en opdrachten 66 3.2 Vorm en functie van begrotingen 67 3.2.1 Balans en resultatenrekening 67 3.2.2 Budget 69 3.2.3 Functies van een begroting 71 Vragen en opdrachten 72 3.3 De liquiditeitsbegroting 73 Vragen en opdrachten 74 3.4 De exploitatiebegroting 75 3.4.1 Het belang van een exploitatiebegroting Vragen en opdrachten 81 3.5 Sleutelbegrippen 82 3.6 Checklist hoofdstuk 3 82 3.7 Toepassingsvragen 82 Kosten 84 4.1 Inleiding 85 Vragen en opdrachten 86 4.2 Verwachte, werkelijke en standaardkosten 87 4.2.1 Voor- en nacalculatie 87 4.2.2 Standaardkosten 88 Vragen en opdrachten 89 4.3 Variabele en constante kosten 89 Vragen en opdrachten 96 4.4 Opslagmethoden 99 4.4.1 De primitieve opslagmethode 99 4.4.2 De verďŹ jnde opslagmethode 104 Vragen en opdrachten 106 4.5 Sleutelbegrippen 109 4.6 Checklist hoofdstuk 4 110 4.7 Toepassingsvragen 110 Kostprijs 114 5.1 Inleiding 115 Vragen en opdrachten 115

77


6

7

5.2 Directe en indirecte kosten 115 Vragen en opdrachten 117 5.3 Bezettingsresultaat en bedrijfsresultaat 118 5.3.1 Het bezettingsresultaat 118 5.3.2 Het bedrijfsresultaat 121 Vragen en opdrachten 125 5.4 Het bedrijfsminimum 126 Vragen en opdrachten 130 5.5 Kostencalculaties 131 5.5.1 DifferentiĂŤle kostencalculatie 131 5.5.2 Kostprijsplusmethode 132 5.5.3 Dekkingsbijdrage 132 Vragen en opdrachten 133 5.6 Sleutelbegrippen 133 5.7 Checklist hoofdstuk 5 135 5.8 Toepassingsvragen 135 De balans 144 6.1 Inleiding 145 Vragen en opdrachten 149 6.2 De activazijde van de balans 150 6.2.1 Vaste activa 150 6.2.2 Vlottende activa 151 6.2.3 Liquide middelen 152 Vragen en opdrachten 152 6.3 De passivazijde van de balans 155 Vragen en opdrachten 156 6.4 ROI, ROS en solvabiliteit 157 Vragen en opdrachten 159 6.5 Sleutelbegrippen 160 6.6 Checklist hoofdstuk 6 162 6.7 Toepassingsvragen 162 FinanciĂŤle kengetallen 164 7.1 Inleiding 165 Vragen en opdrachten 166 7.2 Voorraad 166 7.2.1 Gemiddelde voorraad 166 7.2.2 Omzetsnelheid / omloopsnelheid 167 Vragen en opdrachten 168 7.3 Liquiditeitskengetallen 168 Vragen en opdrachten 171 7.4 Solvabiliteitskengetallen 171 7.4.1 Solvabiliteitsverhouding 171


8

7.4.2 Vermogensverhouding 172 7.4.3 Percentage eigen vermogen in het totaal vermogen 173 Vragen en opdrachten 173 7.5 Rentabiliteitskengetallen 173 Vragen en opdrachten 175 7.6 Cashow 176 Vragen en opdrachten 179 7.7 Debiteurensaldo en -bewaking 179 Vragen en opdrachten 180 7.8 Kredietprijs en kredietlimiet 180 Vragen en opdrachten 182 7.9 Sleutelbegrippen 182 7.10 Checklist hoofdstuk 7 183 7.11 Toepassingsvragen 184 Analyseren van het gevoerde beleid 186 8.1 Inleiding 187 Vragen en opdrachten 188 8.2 Distributiekengetallen 188 8.2.1 Afzet en omzet 189 8.2.2 Distributiespreiding 189 8.2.3 Marktbereik 190 8.2.4 Selectie-indicator 191 8.2.5 Omzetaandeel 192 8.2.6 Marktaandeel 193 8.2.7 Marktaandeel vergroten 193 Vragen en opdrachten 195 8.3 Bereik en dekking 196 8.3.1 Het bereik en de dekking van een reclame-uiting of promotionele actie berekenen 196 8.3.2 Van een gegeven direct-marketingactie de respons (RPM), kosten per respons (CPR) en conversieverhouding berekenen 199 Vragen en opdrachten 200 8.4 Inzicht in het resultaat 201 8.4.1 Terugverdientijd 201 8.4.2 Customer lifetime value 202 8.4.3 Vendor rating 203 Vragen en opdrachten 204 8.5 Verschillenanalyse 204 Vragen en opdrachten 206 8.6 Sleutelbegrippen 206 8.7 Checklist hoofdstuk 8 207 8.8 Toepassingsvragen 207


9

Tabellen 210 9.1 Inleiding 211 9.2 Eigenschappen van tabellen 212 Vragen en opdrachten 215 9.3 Afrondingsperikelen 216 Vragen en opdrachten 218 9.4 Over fouten 219 Vragen en opdrachten 220 9.5 Soorten tabellen 221 Vragen en opdrachten 223 9.6 Sleutelbegrippen 224 9.7 Checklist hoofdstuk 9 224 9.8 Toepassingsvragen 224 10 GraďŹ eken 228 10.1 Inleiding 229 10.2 Afspraken 230 Vragen en opdrachten 231 10.3 Het staafdiagram 232 Vragen en opdrachten 236 10.4 Het samengestelde staafdiagram 236 Vragen en opdrachten 238 10.5 Het gestapelde staafdiagram 238 Vragen en opdrachten 241 10.6 Het lijndiagram 241 Vragen en opdrachten 245 10.7 Sleutelbegrippen 245 10.8 Checklist hoofdstuk 10 245 10.9 Toepassingsvragen 246


Inleiding

Inleiding

Voor je ligt het boek Begroten en budgetteren uit de serie Rendement. In dit boek komen alle ďŹ nanciĂŤle zaken aan de orde waarmee jij als medewerker te maken krijgt.

Iedereen geeft dagelijks geld uit. Aan een dak boven je hoofd, aan eten, aan de bus of je brommer, aan schoolboeken, aan sport en uitgaan. Bedrijven geven ook geld uit. Ieder bedrijf maakt namelijk kosten. Alle soorten kosten, van personeel tot huisvesting, van marketingkosten tot afschrijving, komen aan de orde in hoofdstuk 1 (Kostensoorten). Bedenk daarbij dat er een belangrijk verschil is tussen kosten en uitgaven. Als een bedrijf geld uitgeeft, heeft het dus minder geld in kas of op de bank. Tegenover deze uitgave staat de ont-

11


Begroten en budgetteren

vangst van een product, bijvoorbeeld een computer of een kassa. Er is dan echter nog geen sprake van kosten. Kosten maak je namelijk pas op het moment dat het product dat je gekocht hebt in waarde gaat dalen. Bedrijven weten bijvoorbeeld dat computers na drie jaar gebruik vervangen moeten worden door nieuwe exemplaren. De waardedaling van de computer in die drie jaar wordt uitgedrukt in kosten. Over deze kosten leer je alles in hoofdstuk 4 (Kosten). Als je alle kosten en kostensoorten in beeld hebt kun je ermee aan de slag. Je manager kan je vragen om een budget op te stellen (hoofdstuk 2). Dit kan een budget zijn voor bijvoorbeeld een marketingactie of voor een groot evenement. Met zo'n budget weet je precies hoeveel geld je kan en mag uitgeven. Het kan ook zo zijn dat je een begroting moet maken (hoofdstuk 3). Daarmee weet je wat je in de toekomst aan kosten denkt te maken. Of je gaat een berekening maken van de kostprijs van een product. Heel belangrijk, want dan weet je ook welke verkoopprijs een product moet hebben zodat jij winst kunt maken. Wat daarbij komt kijken leer je in hoofdstuk 5. Bedrijven moeten en willen goed inzicht hebben in hun financiële situatie. Hoeveel geld wordt er verdiend? Hoeveel wordt er uitgegeven? Doet het bedrijf het goed of gaat het bijna op de fles? Dat inzicht moeten bedrijven aan anderen geven, bijvoorbeeld de belastingdienst en geldschieters als investeerders en banken. Daarom maakt ieder bedrijf een balans (hoofdstuk 6). Met die balans kunnen dan weer allerlei cijfers berekend worden die iets zeggen over de financiële situatie. Dit zijn de zogenaamde kengetallen, waarover je leert in hoofdstuk 7 van dit boek. Net als iedereen willen ook bedrijven financieel gezond blijven. Dit geldt zowel voor commerciële organisaties, wiens doel het is om winst te maken, als voor non-profit bedrijven. Die laatsten willen namelijk ook niet te veel schulden en andere geldproblemen krijgen. Daarom zullen bedrijven voortdurend bekijken hoe het op verschillende gebieden loopt. Dit heet ook wel analyseren van het gevoerde beleid (hoofdstuk 8). Tot slot is het belangrijk dat je als medewerker weet hoe je al deze informatie over geld en cijfers op een duidelijke manier presenteert. Daarvoor heb je kennis nodig over het gebruik van grafieken en tabellen. Hierover leer je in de laatste twee hoofdstukken van dit boek.

12


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

1 Kostensoorten 1.1 Inleiding Vragen en opdrachten 1.2 Huisvestingskosten Vragen en opdrachten 1.3 Personeelskosten 1.3.1 Tijdloon 1.3.2 Stukloon 1.3.3 Premieloon 1.3.4 Kosten van diensten van derden

Vragen en opdrachten 1.4 Andere kosten 1.4.1 Inkoop- en verkoopkosten 1.4.2 Fabricagekosten 1.4.3 Organisatie- en administratiekosten 1.4.4 Transportkosten 1.4.5 Onvoorziene kosten

Vragen en opdrachten 1.5 Afschrijven, slijtage en levensduur 1.5.1 Economische slijtage 1.5.2 Technische en economische levensduur

Vragen en opdrachten 1.6 Complementaire kosten Vragen en opdrachten 1.7 Afschrijvingssystemen 1.7.1 Afschrijven met een vast percentage van de aanschafprijs 1.7.2 Afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde

13


Begroten en budgetteren

Vragen en opdrachten 1.8 Sleutelbegrippen 1.9 Checklist hoofdstuk 1 1.10 Toepassingsvragen

14


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

1

Kostensoorten

1.1

Inleiding

Iedere organisatie krijgt te maken met kosten. Voor niets gaat de zon op, zegt het spreekwoord al. Iedere onderneming zal kosten moeten maken voordat er producten of diensten verkocht kunnen worden. Kosten worden opgenomen in een begroting. Daarover leer je in hoofdstuk 3 van dit boek. Er zijn verschillende soorten kosten. Je krijgt bijvoorbeeld te maken met kosten die je iedere dag opnieuw maakt. Deze kosten tel je bij elkaar op en deze zijn zichtbaar op de begroting als jaarlijkse kosten. Denk daarbij aan kosten voor huisvesting, personeel, productie, transport, marketing, enzovoort. Daarnaast zijn er kosten die je maar één keer in de zoveel jaar maakt. Dan gaat het meestal om grote investeringen, bijvoorbeeld in gebouwen of machines. Deze kosten zet je niet eenmalig op de begroting. Je maakt immers langdurig gebruik van deze investeringen. Dit zijn de zogenaamde afschrijvingskosten.

CASUS Transportkosten stijgen ondanks dalende

brandstofprijzen

De transportkosten zijn met 7,2 procent gestegen in het tweede kwartaal

van 2012 ten opzichte van het eerste kwartaal. Dat blijkt uit de twaalfde

editie van de Transport Market Monitor (TMM) door Transporeon en

Capgemini Consulting.

De significante prijsstijging tussen het eerste en tweede kwartaal is een

terugkerende jaarlijkse trend in de historie van de Transport Market Mo-

nitor. Tijdens dit kwartaal zet de voortdurende economische instabiliteit

een eventueel herstel onder druk. De dieselindex weerspiegelt dit met een

vertraging van de groei. Zo blijkt uit het rapport.

Ramon Veldhuijzen van Capgemini Consulting, een van de auteurs van het

rapport, legt uit: ‘Ongeacht de Europese recessie en een daling van de

dieselprijs, zijn de transportkosten opnieuw gestegen. Vervoerders zullen

15


Begroten en budgetteren

dit moeilijk kunnen verantwoorden aan de transportmanagers die moeten werken met steeds krappere budgetten. Daarom is een goede samenwerking tussen vervoerders en verladers bijzonder belangrijk om samen nieuwe manieren te vinden om kosten te besparen.’ Capaciteitsindex In vergelijking met vorig jaar daalde de index in het tweede kwartaal met 4,3 procent. De dieselindex daalde in het tweede kwartaal naar 107,5 (-1,5%), vergeleken met het eerste kwartaal van 2012. Een andere factor met een hoge impact op de transportkosten is de capaciteitsindex. Deze daalde met 34,9 procent in het tweede kwartaal (index 78,2), in vergelijking met het eerste kwartaal van 2012 (index 120,1). Prijsherstel niet ongewoon De prijsstijging in het tweede kwartaal past in het patroon van de prijsindex in de voorgaande jaren. De prijzen stijgen met gemiddeld 8,5 procent tussen het eerste en tweede kwartaal. ‘Een prijsherstel in het tweede kwartaal is niet ongewoon en kan worden verklaard door het seizoensgebonden herstel in het voorjaar’, aldus Peter Förster, Managing Director van Transporeon. ‘Het is echter opmerkelijk dat de transportprijzen aanzienlijk lager zijn dan in dezelfde periode vorig jaar. Met uitzondering van 2009, het jaar van de economische crisis, zijn ze op het laagste niveau sinds het begin van het verzamelen van gegevens voor de Transport Market Monitor in de eerste helft van 2008.’

Vragen en opdrachten Vraag 1 Beantwoord de volgende vragen over de casus. a Hoeveel stijgen de prijzen gemiddeld tussen het eerste en het tweede kwartaal? b Zijn de kosten voor diesel gedaald of gestegen? c Hoeveel zijn de transportkosten volgens het artikel gestegen? d Wat wordt bedoeld met een significante prijsstijging? e Wat is een trend?

1.2

Huisvestingskosten

Iedere onderneming of organisatie heeft een plek nodig. Huisvestingskosten zijn de kosten die je maakt voor een bedrijfspand. Denk hierbij aan huur of hypotheekkosten, gas, water, elektra, kosten van onderhoud, aanschaf van inventaris, schoonmaakkosten en verschillende gemeentelijke heffingen.

16


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Normaal gesproken is het stuk land, de grond, alleen van belang als vestigingsplaats voor de onderneming. In dit geval is de grond niet aan slijtage onderhevig. Er hoeft dan ook niet op de grond te worden afgeschreven. Natuurlijk is er wel vermogen in de onderneming gestoken om de grond te kunnen aanschaffen. Wanneer de onderneming de grond in eigendom heeft, zullen de kosten van de grond uitsluitend bestaan uit interestkosten. Moet de grond worden gehuurd, dan spreekt men van (erf)pacht. In dat geval zijn er geen interestkosten. Een uitzondering hierop vormen bijvoorbeeld mijnen. Omdat er ‘iets’ in de grond zit, kost de grond aanmerkelijk meer dan in andere gevallen. Nu moet wel op de grond worden afgeschreven, omdat de mijn langzamerhand uitgeput raakt en minder waard wordt. In ons land wordt deze delfstof (kolen) al vele jaren niet meer uit de grond gehaald. Het aardgas kwam ervoor in de plaats. Kosten van grond kunnen bestaan uit interestkosten als de grond gekocht is of kosten van uit pacht als de grond niet in eigendom is. grond

Fig. 1.1 Bedrijven hebben altijd behoefte aan goede huisvesting

VOORBEELD Gegeven

Onderneming Wanter heeft in 2012 een stuk grond gekocht voor

€ 240.000,- waarop ze haar bedrijf heeft gevestigd. Over het geïnvesteerd

vermogen berekent men 12% interest. Een andere mogelijkheid was ge

weest de grond te pachten voor een bedrag van € 2100,- per maand.

17


Begroten en budgetteren

Gevraagd Bereken de jaarlijkse kosten van de grond als: a de grond is gekocht; b de grond wordt gepacht. Uitwerking a Omdat de grond als vestigingsplaats wordt gebruikt, hoeven we niet af te schrijven. De kosten blijven beperkt tot de interest: 12% van € 240.000,= € 28.800,b In dit geval moet pacht worden betaald. Per jaar is die 12 × € 2.100,- = € 25.200,-

Het is verder zo dat de fiscus grondeigenaren bepaalde belastingen oplegt. Deze belastingen worden dan natuurlijk ook gerekend tot de kosten van de grond. Als een bedrijf een bedrijfspand wil kopen, dan moet daarvoor vaak een lening bij een bank worden afgesloten. Het bedrijfspand fungeert dan als onderpand voor een hypotheek. Een geldlening waaraan een hypotheek verbonden is, heet een hypothecaire lening, een hypothecair krediet of een lening met hypothecaire zekerheid. Men spreekt ook wel gewoon over ‘hypotheek’. De geldgever, meestal een bank of financiële instelling, is de hypotheeknemer (hij verkrijgt het eerste recht van verkoop) of hypotheekhouder. De geldnemer, de eigenaar van het onderpand, heet hypotheekgever. Mocht het bedrijf niet aan de betalingsverplichtingen kunnen voldoen, dan wordt het pand verkocht en gaat de opbrengst naar de bank. Zo wordt de hypotheek dan afgelost. Aflossen kan natuurlijk ook door iedere maand een bepaald deel van de lening aan de bank terug te betalen. Er zijn verschillende soorten hypotheken. Tot nu toe was het zo dat de rente over een hypotheek in mindering gebracht kon worden op de belasting die een bedrijf moet betalen. Omdat de overheid deze zogenaamde renteaftrek wil beperken, zullen ook de hypotheekvormen veranderen. Zo is het sinds 2013 heel moeilijk om nog een aflossingsvrije hypotheek te krijgen. Bedrijven moeten ieder jaar aflossen en dat kan bijvoorbeeld met een lineaire hypotheek of een annuiteitenhypotheek. hypotheek

18

Een hypotheek is een lening van geld waarbij meestal onroerend goed als onderpand dient.


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Vragen en opdrachten Vraag 2 Beantwoord de volgende vragen. a b c d e f

Welke kosten zijn verbonden aan het gebruik van de grond? Waarom hoeft op de grond meestal niet te worden afgeschreven? Noem zes soorten huisvestingskosten. Wat is een hypotheek? Waarom sluiten bedrijven hypotheken af? Wat ontvangt een bank als vergoeding voor het geven van een hypotheek aan een bedrijf?

1.3

Personeelskosten

Mensen stellen hun arbeid ter beschikking aan de bedrijven. Dat doen ze niet gratis. Ze krijgen een beloning die we loon of salaris noemen. De kosten van arbeid bestaan uit loon. Om aan te geven hoe dit loon tot stand komt, behandelen we drie loonsystemen: ■ tijdloon (1.3.1); ■ stukloon (1.3.2); ■ premieloon (1.3.3).

1.3.1

Tijdloon

Er is sprake van tijdloon, wanneer bij het vaststellen van het loon op niets anders wordt gelet dan op de gewerkte tijd. Het loon is een vast bedrag per tijdeenheid. Het maakt niet uit of men hard of minder hard werkt. De hoogte van het loon wordt uitsluitend bepaald door de gewerkte tijd. In het onderwijs ontvangt men een vast bedrag per lesuur. Iemand die 28 uur per week lesgeeft, zal dus een hoger inkomen hebben dan iemand die 8 uur per week lesgeeft. In een laboratorium krijgt iemand geen loon betaald naar het aantal proeven of uitvindingen. Ook daar wordt een vast loon uitbetaald. Als voordelen van het tijdloon noemen we: ■ Het vaststellen van het loon is eenvoudig. Het maandbedrag staat vast. Er zal weinig administratieve rompslomp zijn. ■ De kwaliteit van de arbeid kan hoog zijn. De werknemer hoeft zich niet te haasten en kan een kwalitatief hoogstaand product afleveren. ■ De werknemer hoeft zich geen zorgen te maken over zijn verdiensten. Hij weet wat hij aan het eind van de maand aan loon ontvangt. Natuurlijk zijn er ook nadelen aan het tijdloon verbonden: ■ Er is veel controle noodzakelijk om te voorkomen dat de werknemer er zijn gemak van neemt.

19


Begroten en budgetteren

Een stimulans om meer te presteren ontbreekt. Grotere prestaties leiden toch niet tot een hoger salaris.

Er is een aantal situaties waarin tijdloon moet worden toegepast: lopendebandwerk; anders zou de werknemer die het langzaamst werkt, het loon bepalen van alle werknemers aan de lopende band; ■ als de prestatie niet is te meten, zoals bij het werk van een brandweerman; ■ bij het verrichten van veel verschillende werkzaamheden, zoals bij administratief werk, waardoor een werknemer niet in zijn tempo kan komen; ■ bij precisiearbeid, zoals het maken van chips voor de computer. Het kan veel tijd kosten om dit goed te doen en het is niet de bedoeling dat de werknemer het werk afraffelt om sneller klaar te zijn. ■

tijdloon

Bij tijdloon wordt de hoogte van het loon uitsluitend bepaald door de gewerkte tijd.

Fig. 1.2 Het succes van een onderneming valt of staat met het personeel

1.3.2

Stukloon

Bij stukloon wordt uitsluitend gelet op het aantal geleverde prestaties. Per prestatie is een vast bedrag vastgesteld, bijvoorbeeld € 5,-. Levert een werknemer in een maand 400 prestaties, dan ontvangt hij 400 × € 5,- = € 2000,-. Een

20


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

andere werknemer die slechts 140 prestaties levert, zal niet meer ontvangen dan 140 × € 5,- = € 700,-. Als voordelen van het stukloon gelden: ■ Een bekwame werknemer verdient meer dan een minder bekwame werknemer. ■ De loonkosten staan per product vast, wat bij tijdloon niet het geval is. Als nadelen van het stukloon gelden: Er zal een goede kwaliteitscontrole opgezet moeten worden. Het gaat de werknemer nu alleen nog om de kwantiteit en niet om de kwaliteit. ■ Als een werknemer zijn werk geheel of gedeeltelijk niet kan doen, heeft dit grote gevolgen voor zijn inkomen. ■

Bij stukloon wordt de hoogte van het loon uitsluitend bepaald door het aantal stukloon geleverde prestaties.

1.3.3

Premieloon

Er zijn verschillende soorten premieloonstelsels. Kenmerkend voor alle premieloonstelsels is dat geprobeerd wordt de voordelen van het tijdloonstelsel en de voordelen van het stukloonstelsel te combineren. Bij premieloonstelsels krijgt iedere werknemer een vast basisloon (tijdloon). Weet hij meer te presteren dan een vooraf vastgestelde norm, dan ontvangt hij boven op dit basisloon een premie (stukloon). Op deze wijze wordt het voordeel voor de werkgever voor een gedeelte doorgegeven aan de werknemer. Bij premieloon wordt de hoogte van het loon bepaald door het vaste basisloon premieloon te verhogen met een premie voor goede prestaties.

VOORBEELD Gegeven

Wim Bertels werkt bij webwinkel Stuurop als expeditiemedewerker. Per

werkdag van 8 uur moet hij 48 bestellingen gereedmaken. Zijn uurloon

bedraagt € 18,-. Voor elke bestelling die hij meer uitvoert, ontvangt hij 40%

van het bespaarde loon.

Gevraagd

Bereken het uurloon van Wim Bertels wanneer hij op een dag 52 bestel-

lingen uitvoert.

21


Begroten en budgetteren

Uitwerking Per uur moet Wim 48 8 = 6 bestellingen uitvoeren. Om 52 bestellingen uit te voeren, mag hij 52 = 823 uur besteden. Hij spaart dus 23 uur uit met een 6 2 waarde van 3 × € 18,- = € 12,-. Hiervan ontvangt Wim 40% = € 4,80. Het uurloon van Wim bedraagt dan € 18,- + € 4;80 = € 18,60. 8

Er zijn nog vele andere systemen mogelijk, zoals loon afhankelijk van leeftijd. Natuurlijk bestaat de mogelijkheid dat enkele van deze loonsystemen door elkaar heen lopen. In het onderwijs bijvoorbeeld wordt betaald naar bevoegdheid, maar ook naar het aantal dienstjaren. Bovendien is het de bedoeling dat het loon toeneemt als ook het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie toeneemt.

1.3.4

Kosten van diensten van derden

Het is voor een onderneming ondoenlijk alles zelf te doen. Als er op een dag tweehonderd facturen worden verzonden, is het onzin deze met een eigen besteldienst te gaan bezorgen. Dan is het veel goedkoper om gebruik te maken van een gespecialiseerde instelling zoals PostNL of een koeriersbedrijf. Dit geldt zeker voor webwinkels die geen eigen bezorgdienst hebben. Vaak zijn de kosten beslissend voor de keuze tussen het zelf doen of het uitbesteden van een activiteit. Wanneer andere ondernemingen een onderdeel van het (productie)proces goedkoper kunnen verrichten dan de eigen onderneming, is het onzin om het toch zelf te willen doen. Maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. Andere bedrijven beschikken vaak over zeer deskundig personeel, waardoor bepaalde zaken veel gemakkelijker kunnen worden opgelost. Denk bijvoorbeeld aan het gebruikmaken van accountants. Ontstaat er in een bedrijf onderbezetting, dan zie je vaak dat zaken die vroeger uitbesteed werden weer in het eigen bedrijf verricht gaan worden. Het personeel wordt dan meer ingezet. Vaak ook zal een onderneming gebruikmaken van tussenpersonen zoals een makelaar, een verzekeringsagent, een expediteur of anderen. Soms is dit verplicht, zoals bij de effectenbeurs, maar meestal wordt van deze tussenpersonen gebruikgemaakt vanwege hun grote deskundigheid. Andere bedrijven waarvan we gebruik kunnen maken, of beter gezegd die ons diensten verlenen, zijn: reclamebureaus, ICT-bedrijven, verzekeringsmaatschappijen, banken, energiebedrijven en ondernemingen die het transport en de opslag van de goederen voor hun rekening nemen. Wanneer we van de diensten van andere bedrijven gebruikmaken, ontvangen we daarvoor rekeningen.

22


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

De bedragen op de rekeningen stellen meteen de kosten van de diensten van derden voor, mits zij niet hoger zijn dan wanneer de onderneming de werkzaamheden zelf zou doen. We spreken van diensten van derden wanneer een ander bedrijf iets doet in het diensten van derden belang van het eigen bedrijf. Gegeven In verband met de vernieuwing van de structuur van het mbo wil uitgeverij Boekenland workshops geven in een aantal plaatsen in Nederland. Voor de workshop in Eindhoven wordt de volgende raming gemaakt: ■ personeel Boekenland 3 personen gedurende 6 uur à € 30,- per uur; ■ transportonderneming ‘De snelle Vliet’ voor het transport van de methoden en ander voorlichtingsmateriaal € 1140,-, exclusief € 199,50 omzetbelasting. Gevraagd Bereken het bedrag van de diensten van derden voor uitgeverij Boekenland. Uitwerking De personeelsleden in dienst van Boekenland zijn geen derden en hun loon behoort dus ook niet tot de kosten van derden. De verleende diensten komen in dit geval alleen van ‘De snelle Vliet’ en bedragen dus € 1140,-, omdat de omzetbelasting teruggevorderd kan worden van de belastingdienst.

VOORBEELD

Vragen en opdrachten Vraag 3 Beantwoord de volgende vragen. a b c d e f

Welke drie loonsystemen ken je? Wat is tijdloon? Noem twee voordelen en twee nadelen van tijdloon. Noem twee situaties waarin tijdloon moet worden toegepast. Noem twee voordelen en twee nadelen van stukloon. Wat is een premieloonstelsel?

23


Begroten en budgetteren

Fig. 1.3 Om alle kosten te dekken heb je een grote zak geld nodig

1.4

Andere kosten

1.4.1

Inkoop- en verkoopkosten

Inkoopkosten Bij inkoopkosten gaat het niet om de kosten die je maakt als je een product inkoopt. Als je producten inkoopt geef je wel geld uit maar eigenlijk maak je nog geen kosten.

VOORBEELD

24

Je koopt 100 koffiebekers voor je bedrijf in, voor € 1,- per stuk. Dat kost je nog niets. Je betaalt weliswaar € 100,-, maar als je de koffiebekers binnen 8 dagen terug zou brengen, krijg je je geld terug. Stel echter dat je 50 van deze koffiebekers verkoopt voor € 5,- per stuk. omzet

50 x 5 =

€ 250,-

inkoopprijs van het verkochte

50 x 1 =

€ 50,-

winst

50 x 4 =

€ 200,-

Je omzet is in dit geval 250 euro. Als je daar de kosten vanaf haalt (50 euro) houd je de nettowinst over (200 euro). Van de 100 stuks zijn er dus 50 verkocht en het restant ligt op voorraad.


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

De inkoopwaarde van de omzet bestaat uit de inkoopkosten van de verkochte inkoopwaarde goederen. van de omzet De inkoopkosten zijn de kosten voor een bedrijf om de goederen in huis te krijgen.

inkoopkosten

De inkoopprijs wordt gevormd door de inkoopkosten per product.

inkoopprijs

Verkoopkosten Verkoopkosten maak je om je producten of diensten te kunnen verkopen. Onder kosten worden die zaken gerekend die met verbruik te maken hebben. Het is belangrijk om deze kosten inzichtelijk te maken. Dan weet je namelijk wat het je kost om een product te verkopen. Verkoopkosten bestaan uit: ■ presentatiekosten (showroom inrichten, naambord aan de gevel); ■ promotiekosten (kosten voor marketing, reclameacties, direct mail).

1.4.2

Fabricagekosten

Fabricagekosten worden ook wel productiekosten genoemd. Fabricagekosten zijn alle kosten die nodig zijn om een product te maken, exclusief de verkoopkosten.

fabricagekosten

Fabricagekosten druk je uit in een bepaald bedrag per periode. Een bedrijf produceert fietsen. De totale kosten om de fietsen te maken bedragen € 300,- per fiets. De fabriek maakt 10.000 fietsen per jaar. De totale fabricagekosten per jaar bedragen dan: 10.000 × € 300,- = € 3.000.000,-

VOORBEELD

25


Begroten en budgetteren

Fig. 1.4 In een broodfabriek maak je ook fabricagekosten

1.4.3

Organisatie- en administratiekosten

Om alles in de onderneming soepel te laten verlopen maak je ook organisatieen administratiekosten. Ook deze kosten druk je uit in een bepaald bedrag per jaar. Zoals je in paragraaf 1.3.4 hebt kunnen lezen, worden administratiekosten vaak door derden gemaakt. Organisatiekosten zijn kosten die je maakt om de onderneming normaal te laten lopen. Denk daarbij aan kantoorkosten (kosten voor papier, telefonie, printers en computers). Ook het papierwerk moet op orde zijn. Administratiekosten zijn de kosten die een bedrijf maakt om de administratie te laten doen. Denk hierbij aan de kosten van: ■ boekhouder; ■ accountant; ■ controller; ■ belastingadviseur.

26


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Fig. 1.5 Ondanks de groei van digitale communicatie worden er in bedrijven veel kosten gemaakt voor printen en kopiëren

1.4.4

Transportkosten

Transportkosten maak je om een product te vervoeren van de plaats van pro- transportkosten ductie naar de plaats van verbruik. De transportkosten bestaan uit: de afschrijvingen op de bouw- en beheerskosten van de infrastructuur; ■ de menselijke en materiële kosten, die verband houden met het transport (chauffeurs, brandstoffen, vrachtwagens). ■

De totale transportkosten worden soms gemeten als een percentage van de uiteindelijke verkoopprijs. Transportkosten kunnen ook bestaan uit verzendkosten of portokosten.

1.4.5

Onvoorziene kosten

Onvoorziene kosten zijn kosten waar je in eerste instantie niet aan gedacht hebt, of kosten die je onverwacht moet maken. Voor onvoorziene kosten wordt vaak de volgende formule gebruikt:

27


Begroten en budgetteren

totaalbedrag van alle kosten tot nu toe × 0,1 = het bedrag voor onvoorziene kosten

Met andere woorden: men schat in dat boven op alle kosten nog eens 10% extra komt om onvoorziene kosten te dekken.

Vragen en opdrachten Vraag 4 Beantwoord de volgende vragen. a b c d e

Noem vijf soorten kosten waar ondernemingen mee te maken krijgen. Wat is het verschil tussen inkoopkosten en fabricagekosten? Wat zijn onvoorziene kosten? Geef drie voorbeelden van organisatiekosten. Geef drie voorbeelden van administratiekosten.

1.5

Afschrijven, slijtage en levensduur

Ieder productiemiddel brengt kosten met zich mee. De kosten van een duurzaam productiemiddel bestaan uit: ■ interest- of rentekosten: hoe langer een duurzaam productiemiddel meegaat, des te langer wordt er beslag gelegd op vermogen en des te hoger zijn de interestkosten; ■ onderhoudskosten: ieder duurzame productiemiddel, of het nu een auto of een grote machine is, moet worden onderhouden; ■ kosten in verband met de waardedaling: dit heet ook wel afschrijving; ■ kosten in verband met het verminderen van de prestaties. Het belangrijkste van deze productiemiddelen is hun duurzaamheid. Wanneer we een duurzaam productiemiddel aanschaffen, kopen we niet alleen prestaties die we op dit moment nodig hebben, maar ook prestaties die gericht zijn op de toekomst. afschrijven

Afschrijven is het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardedaling van duurzame productiemiddelen. Bij duurzame productiemiddelen wordt er onderscheid gemaakt tussen slijtende en niet-slijtende productiemiddelen. Als niet-slijtend productiemiddel wordt alleen de grond beschouwd en dan nog speciaal de grond als vestigingsplaats. Tot de slijtende productiemiddelen behoren de duurzame productiemiddelen die verscheidene productieprocessen meegaan, maar door

28


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

technische slijtage geleidelijk worden opgebruikt. Voorbeelden zijn machines en transportmiddelen.

1.5.1

Economische slijtage

Economische slijtage heet ook wel economische veroudering. Het kan verschillende oorzaken hebben: ■ ontwikkeling van de techniek; ■ veranderingen in de behoeften van de consumenten; ■ vermindering van de productiecapaciteit.

Ontwikkeling van de techniek In onze tijd is men voortdurend bezig met het verlagen van de kosten van productiemiddelen, dus ook bij duurzame productiemiddelen. Weet men de capaciteit van een productiemiddel op te voeren, dan stijgen de kosten van zo’n duurzaam productiemiddel doorgaans minder dan evenredig. Maar ook door verbeteringen aan te brengen in de productietechniek kunnen duurzame productiemiddelen goedkoper op de markt worden gebracht. Duurzame productiemiddelen die op dat moment in gebruik zijn, zullen door de hiervoor genoemde ontwikkelingen in waarde dalen.

Fig. 1.6 De typemachine is op de werkvloer verdrongen door de computer

29


Begroten en budgetteren

Veranderingen in de behoeften van de consumenten In de onderneming is men afhankelijk van de vraag van de consument naar het product. Valt deze vraag weg, dan hoeft het product ook niet meer te worden geproduceerd en kan het daarvoor aangeschafte productiemiddel waardeloos zijn geworden. Denk maar aan de zogenoemde rage-artikelen; hiervoor is slechts korte tijd belangstelling. Daarnaast zijn er nog beperkingen die het onmogelijk maken duurzame productiemiddelen maximaal te gebruiken. We noemen: ■ seizoensinvloeden: het duurzaam productiemiddel wordt slechts een deel van het jaar gebruikt. Een schaatsbaan is bijvoorbeeld in de zomer vaak gesloten; ■ koopgewoonten van het publiek: een winkel moet op het topbezoek (zaterdag en koopavond) worden ingesteld. Dat betekent een enorme onderbezetting van kassa’s en van personeel op bijvoorbeeld donderdagmorgen; ■ wettelijke regelingen: de overheid verbiedt meestal dat er in een bedrijf 24 uur per etmaal wordt gewerkt. In een aantal gevallen is het noodzakelijk dat er 24 uur per etmaal kan worden gewerkt. We spreken dan van continubedrijven, zoals Hoogovens en openbare nutsbedrijven (gasbedrijf en dergelijke). Bij de openbare nutsbedrijven is het doel de consument zoveel mogelijk ter wille te zijn. Daarom is er 24 uur per etmaal gas, elektriciteit, water, enzovoort, beschikbaar. Bij Hoogovens is het aandeel van de kosten van duurzame productiemiddelen in vergelijking tot de totale kosten zo groot dat het zeer wenselijk is dat de onderneming continu in bedrijf is. Het stilleggen en weer opnieuw starten van de productie kost daar ook zoveel tijd en energie dat continuproductie de enige mogelijkheid is om te kunnen blijven concurreren met bedrijven in het buitenland.

30


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Fig. 1.7 Mensen hebben 24 uur per dag behoefte aan energie

1.5.2

Technische en economische levensduur

Deze economische slijtage brengt ons op het probleem van de levensduur. We onderscheiden: ■ de technische levensduur; ■ de economische levensduur.

Technische levensduur De technische levensduur is die periode waarin het productiemiddel technisch in staat is prestaties te leveren. Is deze periode voorbij, dan is het duurzaam productiemiddel versleten. Soms kan zo’n duurzaam productiemiddel nog wel in een andere onderneming worden gebruikt. Het kan dan nog verkocht worden. De verwachte opbrengst van het duurzaam productiemiddel bij verkoop noemen we de restwaarde of de residuwaarde. Deze restwaarde wordt vooraf geschat.

31


Begroten en budgetteren

technische levensduur

Onder de technische levensduur van een productiemiddel verstaan we de periode waarin dit middel technisch gezien in staat is prestaties te leveren.

restwaarde

De restwaarde van een productiemiddel is de geschatte waarde ervan aan het einde van de levensduur.

Economische levensduur De economische levensduur is die periode waarin het productiemiddel prestaties kan leveren die voor het bedrijf waarde hebben. Het is heel goed mogelijk dat er op de markt een nieuw duurzaam productiemiddel verschijnt dat de prestaties beter en/of sneller en/of goedkoper kan leveren dan het duurzame productiemiddel dat het bedrijf in gebruik heeft. De waarde van het in gebruik zijnde productiemiddel zal hierdoor dalen. Het is niet onmogelijk dat het duurzame productiemiddel dat het bedrijf in gebruik heeft, wordt vervangen door het nieuwe. Het oude productiemiddel wordt dan buiten gebruik gesteld, hoewel het technisch gezien nog lang niet is versleten. Er is dan sprake van economische slijtage (economische veroudering). Wanneer een touringcar een jaar of drie is gebruikt, zijn er nieuwe bussen op de markt gekomen met meer luxe dan de gebruikte bussen. Reizigers die een busreis maken, wensen niet meer in zo’n ‘oude’ bus te rijden. Technisch kan zo’n bus nog best mee, maar economisch is de bus versleten. De computerbranche is een van de bedrijfstakken waarin de ontwikkeling vreselijk snel gaat. Steeds weer komen er digitale producten op de markt die handiger zijn en meer kunnen dan de computer op de kantoortafel die de onderneming in gebruik heeft. Ook in deze gevallen is er sprake van economische slijtage. Zowel van de technische levensduur als van de economische levensduur moet de onderneming een schatting maken. Vooral de schatting van de economische levensduur is van belang, omdat die bepaalt hoe hoog de afschrijvingskosten zijn. economische levensduur

32

Onder de economische levensduur van een productiemiddel verstaan we de periode waarin het gebruik van het middel rendabel is voor de onderneming. Zodra vervanging goedkoper is dan voortzetting van het gebruik, eindigt de economische levensduur.


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Fig. 1.8 Stoomtreinen hebben geen economische waarde meer

Vragen en opdrachten Vraag 5 Beantwoord de volgende vragen. a Welke nadelen brengt het aanschaffen van een duurzaam productiemiddel met zich mee? b Wat versta je onder de technische levensduur? c Wat is de economische levensduur? d Welke van deze twee is doorgaans het langste? Waarom? e Welke redenen ken je voor economische slijtage? f Welke andere redenen ken je nog waardoor een productiemiddel niet optimaal kan worden gebruikt?

1.6

Complementaire kosten

Onder de complementaire kosten van een duurzaam productiemiddel verstaan complementaire kosten we alle andere kosten dan afschrijvingskosten en rentekosten. Bij een duurzaam productiemiddel kennen we: ■ de afschrijvingskosten; ■ de rentekosten; ■ de complementaire kosten.

33


Begroten en budgetteren

In het algemeen nemen de complementaire kosten jaarlijks gedurende de levensduur van het duurzaam productiemiddel toe, ten opzichte van het jaar daarvoor. Oorzaken daarvoor kunnen zijn: ■ de toenemende hoeveelheid afval en uitval; ■ de toenemende onderhouds- en reparatiekosten; ■ het extra grondstoffenverbruik.

Fig. 1.9 Onderhoudskosten van auto's kunnen flink oplopen als een auto ouder wordt Niet alleen stijgen elk jaar de complementaire kosten, ook is het gebruikelijk dat het aantal te produceren producten per jaar afneemt, onder meer door het langzamer gaan lopen van het duurzame productiemiddel en omdat het productiemiddel vaker onderhoudsbeurten moet ondergaan. Daardoor neemt de omzet en daarmee ook de terugverdiende kosten af. Wanneer de terugverdiende kosten hoger zijn dan de complementaire kosten, komt er geld de onderneming binnen om de rentekosten en de afschrijvingskosten geheel of gedeeltelijk te dekken. Het duurzame productiemiddel levert hierdoor een bijdrage aan de dekking van de jaarlijkse constante kosten.

VOORBEELD

Gegeven

Transportonderneming Hobbema heeft een vrachtwagen in gebruik die

twaalf jaar geleden is aangeschaft voor € 70.000,-. Omdat de onderneming

ook moderne vrachtwagens in gebruik heeft, wordt met deze vrachtwagen 34


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

slechts 15.000 km per jaar gereden. De loonkosten bedragen voor de chauffeur € 11.200,- per jaar. De overige complementaire kosten zijn € 8400,- per jaar. De kostprijs per km is berekend op € 1,20. Deze kosten worden uiteindelijk doorberekend aan de klant. Gevraagd Bereken of de economische levensduur van dit productiemiddel is verstreken. Uitwerking per jaar wordt terugverdiend 15.000 x € 1,20

€ 18.000,-

€ 11.200,- loonkosten + € 8.400,- overige complementaire kosten

€ 19.600,-

nadelig resultaat

€ 1.600,-

De uitkomst van deze berekening is negatief. Dit betekent dat de economische levensduur is verstreken.

Op het moment dat de complementaire kosten hoger zijn dan de terugverdiende kosten moet de onderneming geld toeleggen op de prestaties van het duurzame productiemiddel. Dat zal de onderneming natuurlijk niet doen en dus is de economische levensduur voorbij. Immers, de prestaties hebben geen waarde meer voor de onderneming. Het duurzame productiemiddel moet dan vervangen worden. Dat is de reden dat de afschrijvingsbedragen gebaseerd worden op de economische levensduur.

Gegeven

VOORBEELD

In onderneming Westra is een machine aangeschaft met een aanschafprijs

van € 90.000,-. De technische levensduur is 7 jaar. De restwaarde van de

machine wordt op € 10.000,- gesteld, ongeacht het tijdstip waarop de

machine buiten gebruik wordt gesteld.

De complementaire kosten zullen naar schatting in het eerste gebruiksjaar

€ 5000,- bedragen. Daarna zullen de complementaire kosten per jaar met

€ 2000,- stijgen ten opzichte van het jaar daarvoor.

Men verwacht in het eerste jaar 3000 artikelen te kunnen produceren en

afzetten. Elk jaar nemen de productie en afzet met 300 artikelen af ten

opzichte van het jaar daarvoor.

Met rentekosten wordt geen rekening gehouden.

Gevraagd

Bereken de economische levensduur van deze machine.

35


Begroten en budgetteren

36

Uitwerking De waardedaling van de machine, dus de totale afschrijving op de machine, is ongeacht de levensduur steeds: € 90.000,- – € 10.000,- = € 80.000,De complementaire kosten zijn na twee jaar: € 5.000,-

eerste jaar tweede jaar

€ 5.000,- + € 2.000,-

€ 7.000,€ 12.000,-

totaal

Na drie jaar: € 5.000,-

eerste jaar tweede jaar

€ 5.000,- + € 2.000,-

€ 7.000,-

derde jaar

€ 5.000,- + € 2.000,- + € 2.000,-

€ 9.000,-

totaal

€ 21.000,-

De productie is in het eerste jaar 3000 stuks. In het tweede jaar is de productie 300 stuks minder, dus 2700 producten. De totale productie in de eerste twee jaar is dan 3000 + 2700 = 5700 stuks. In het eerste jaar zijn de totale kosten: € 80.000,- + € 5000,- = € 85.000,Deze kosten kunnen worden terugverdiend uit de verkoop van 3000 producten. De kosten per product bedragen dan € 85:000;− = € 28,33 3:000 Gaat de machine twee jaar mee, dan zijn de totale kosten: € 80.000,- + € 12.000,- = € 92.000,De kosten per product zijn dan €92:000;− 5:700 = € 16,Werken we dit uit voor de technische levensduur van 7 jaar, dan krijgen we in een tabel het volgende:


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

aantal gebruikstotale afschrijtotale complementotale kostotaal aantal kosten per

jaren ving taire kosten ten prestaties product

1 € 80.000,€ 5.000,€ 85.000,3.000 € 28,33

2 € 80.000,€ 12.000,€ 92.000,5.700 € 16,14

3 € 80.000,€ 21.000,€101.000,8.100 € 12,46

4 € 80.000,€ 32.000,€112.000,10.200 € 10,98

5 € 80.000,€ 45.000,€125.000,12.000 € 10,41

6 € 80.000,€ 60.000,€140.000,13.500 € 10,37

7 € 80.000,€ 77.000,€157.000,14.700 € 10,68

We zien dat de totale kosten per product het laagst zijn bij een ge

bruiksduur van 6 jaar. De economische levensduur is dus 6 jaar. Gedu

rende deze periode rekenen we € 10,37 door in de kostprijs van het pro-

duct. Hierdoor verdienen we de afschrijvingskosten en de complementaire

kosten volledig terug. Wanneer ook met rentekosten rekening was ge

houden, geldt voor de rentekosten hetzelfde als wat gezegd is over de

complementaire kosten.

Tabel 1.1

VOORBEELD Gegeven

We gaan uit van de gegevens van het vorige voorbeeld. De complemen-

taire kosten zijn in het eerste jaar dus € 3000,– met een jaarlijkse stijging

van € 2000,–. De waardedaling van de machine is op ieder moment

€ 80.000,–. In het eerste jaar kunnen 3000 stuks geproduceerd worden,

deze hoeveelheid daalt ieder volgend jaar steeds met 300 stuks.

Gevraagd

Bereken de bedragen die jaarlijks voor afschrijving op de machine ter

beschikking komen.

37


Begroten en budgetteren

Uitwerking De economische levensduur is berekend op zes jaar. Daarom moeten we van die zes jaar berekenen wat uit de terugverdiende kosten beschikbaar is voor afschrijvingen. Dit bedrag wordt verkregen door van de terugverdiende kosten per jaar de jaarlijkse complementaire kosten af te halen.

Tabel 1.2 jaar

terugverdiende kosten

complementaire kosten

beschikbaar voor afschrijving

1

3.000 x € 10,37 = € 31.110,-

€ 5.000,-

€ 26.110,-

2

2.700 x € 10,37 = € 27.999,-

€ 7.000,-

€ 20.999,-

3

2.400 x € 10,37 = € 24.888,-

€ 9.000,-

€ 15.888,-

4

2.100 x € 10,37 = € 21.777,-

€ 11.000,-

€ 10.777,-

5

1.800 x € 10,37 = € 18.666,-

€ 13.000,-

€ 5.666,-

6

1.500 x € 10,37 = € 15.555,-

€ 15.000,-

€ 555,-

totaal beschikbaar voor afschrijving

€ 79.995,-

Met de verkoop van de producten wordt terugverdiend

€ 79.995,-

De restwaarde van de machine is

€ 10.000,-

Er is beschikbaar voor een nieuwe machine

€ 89.995,-

De aanschafprijs van deze machine was oorspronkelijk € 90.000,–. Dit bedrag wordt in zijn geheel terugverdiend. Als zich geen prijsverhogingen voordoen, kan weer een nieuwe machine gekocht worden. De € 5,– verschil is ontstaan door afronding van het bedrag van € 10,37.

Vragen en opdrachten Vraag 6 Beantwoord de volgende vragen. a Met welke drie kosten moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de economische levensduur van een duurzaam productiemiddel? b Hoe komt het dat de complementaire kosten meestal ieder jaar toenemen? c Hoe komt het dat de productie ieder jaar minder is dan het voorgaande jaar?

38


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

1.7

Afschrijvingssystemen

Zoals gezegd is afschrijven het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardedaling van duurzame productiemiddelen. Enerzijds is dit af te lezen op de balans, waar het duurzaam productiemiddel voor een lagere waarde wordt opgenomen dan in de periode daarvoor. Anderzijds wordt de waardevermindering verantwoord op de resultatenrekening, omdat de afschrijvingskosten kosten van het productieproces zijn. Door een bedrag voor afschrijvingskosten op te nemen in de kostprijs, komt er bij de verkoop van de producten geld binnen dat niet direct weer hoeft te worden uitgegeven. Afschrijven is ook een middel om te sparen om te zijner tijd een nieuwe machine te kunnen aanschaffen. De uitdrukking ‘dat kun je wel afschrijven’ zal niet onbekend zijn. Daarmee wordt bedoeld dat iets niets meer waard is; het product is sterk in waarde gedaald.

Fig. 1.10 Oude auto's zijn niets meer waard

39


Begroten en budgetteren

De grootte van de afschrijving op duurzame productiemiddelen is afhankelijk van: ■ de waarde van het duurzaam productiemiddel; ■ de economische levensduur; ■ de restwaarde; ■ het gebruik. Om vast te stellen welk bedrag periodiek als waardevermindering moet worden geboekt, zijn verscheidene afschrijvingsmethoden ontworpen. In dit hoofdstuk komt aan de orde: ■ afschrijven met een vast percentage van de aanschafprijs; ■ afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde. Er kan afgeschreven worden met een vast percentage van de aanschafprijs of met een vast percentage van de boekwaarde.

1.7.1

Afschrijven met een vast percentage van de aanschafprijs

We mogen deze methode alleen gebruiken als de waardedaling van het duurzaam productiemiddel elke periode even groot is. Dit houdt in dat het aantal prestaties van het duurzaam productiemiddel jaarlijks even groot is en dat aan elke prestatie evenveel waarde kan worden gehecht.

VOORBEELD

Gegeven

In onderneming Winsor is een machine MX in gebruik. Van deze machine

is het volgende bekend:

aanschafprijs € 60.000,

restwaarde € 3.000,

economische levensduur 6 jaar

Gevraagd

a Het jaarlijks af te schrijven bedrag als men elk jaar evenveel afschrijft.

b Het afschrijvingspercentage.

Uitwerking

a Het bedrag van € 60.000,- heeft de onderneming betaald toen de machine

werd aangeschaft. We noemen dat de aanschafprijs. Omdat de machine bij

verkoop nog € 3000,- zal opbrengen, zal moeten worden afgeschreven:

€ 60.000,- – € 3000,- = € 57.000,-. Daarvoor hebben we 6 jaar de tijd.

Het jaarlijks af te schrijven bedrag is dan: 40


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

€ 57:000;– 6

= € 9.500,– We moeten dus afschrijven € 9500,- van de aanschafprijs van € 60.000,-. Dat is in procenten: € 9:500;– € 60:000;– x 100% = 15,83%

De formule om het jaarlijks af te schrijven bedrag te vinden is: afschrijvingsbedrag per periode = A n– R A = aanschafwaarde van het productiemiddel R = restwaarde van het productiemiddel n = economische levensduur van het productiemiddel

In het voorbeeld hierboven geldt: A = € 60.000,R = € 3000,n=6 De formule geeft dan: € 60:000;–6− € 3000;– = € 9.500,– Gegeven Van een machine K zijn de volgende gegevens bekend: aanschafprijs

€ 49.000,-

restwaarde

€ 4.000,-

economische levensduur

5 jaar

technische levensduur

6 jaar

Het aantal te vervaardigen producten is 200 per maand. Gevraagd a Moeten we afschrijven op basis van de technische of op basis van de economische levensduur? b Bereken het maandelijks af te schrijven bedrag als men maandelijks steeds een gelijk bedrag afschrijft. c Bereken het maandelijkse afschrijvingspercentage in twee decimalen nauwkeurig. d Bereken de afschrijvingskosten per eenheid product. e Bereken de waarde van de machine aan het begin van het vierde jaar. f Bereken de maandelijkse afschrijvingskosten als naast de aanschafprijs van € 49.000,- aan installatiekosten betreffende fundering en elektriciteit € 4500,- besteed moet worden.

VOORBEELD

41


Begroten en budgetteren

Uitwerking a Men gaat uit van de kortste levensduur en dat is normaliter de economische levensduur. € 49:000;– – € 4:000;– 5x12

b

A–R n

c

€ 750;– € 49:000;–

d e

=

€ 750;– 200

= € 750,–

x 100% = 1,53% (afgerond)

= € 3,75

aanschafprijs

€ 49.000,-

afgeschreven 36 × € 750,-

€ 27.000,-

waarde na drie jaar

€ 22.000,-

Of: nog af te schrijven 2 jaar = 24 x € 750,- =

€ 18.000,€ 4.000,-

restwaarde waarde na drie jaar

€ 22.000,-

f De installatiekosten zijn noodzakelijk en verhogen het af te schrijven bedrag met € 4500,-. De maandelijkse afschrijvingskosten bedragen: € 49:000;– þ € 4:500;– – € 4:000;– = € 825,– 5x12

1.7.2

Afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde

De boekwaarde is de waarde waarvoor een duurzaam productiemiddel in de boekhouding staat. Wanneer een machine voor € 100.000,- is aangeschaft en er is € 30.000,- op afgeschreven, dan is de boekwaarde € 70.000,-. Er zijn nogal wat duurzame productiemiddelen waarvan het prestatievermogen afneemt naarmate het productiemiddel ouder wordt. Dit kan komen doordat de machine wat langzamer gaat lopen en dus per tijdseenheid minder producten kan maken. Het kan ook zijn dat de machine naarmate zij ouder wordt nogal wat gebreken gaat vertonen en vaker moet worden gerepareerd. In de tijd dat de machine stilstaat, kan natuurlijk niet worden geproduceerd. Wanneer het prestatievermogen van de machine afneemt, kan gebruik worden gemaakt van de methode waarbij wordt afgeschreven met een vast percentage van de boekwaarde, omdat bij die methode de afschrijvingsbedragen van periode tot periode afnemen.

42


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Gegeven

VOORBEELD

Een machine met een aanschafwaarde van € 100.000,- wordt afgeschreven

met 30% per jaar van de boekwaarde.

Gevraagd Bereken de afschrijvingsbedragen per jaar in het eerste tot en met het vierde jaar. Uitwerking Aan het begin van het eerste jaar is de boekwaarde gelijk aan de aanschafwaarde, omdat er nog niet is afgeschreven. € 100.000,-

aanschafprijs e

afschrijving 1 jaar 30% van € 100.000,- = e

boekwaarde 2 jaar e

afschrijving 2 jaar 30% van € 70.000,- = e

boekwaarde 3 jaar e

afschrijving 3 jaar 30% van € 49.000,- = e

boekwaarde 4 jaar e

afschrijving 4 jaar 30% van € 34.300,- =

€ 30.000,€ 70.000,€ 21.000,€ 49.000,€ 14.700,€ 34.300,€ 10.290,-

Uit het voorbeeld zien we dat de afschrijvingsbedragen fors dalen: e ■ 1 jaar € 30.000,-; e ■ 2 jaar € 21.000,-; e ■ 3 jaar € 14.700,-; e ■ 4 jaar € 10.290,-. In het eerste jaar wordt dus vrijwel drie keer zoveel afgeschreven als in het vierde jaar.

Gegeven Van een duurzaam productiemiddel, dat wordt afgeschreven met 20% van de boekwaarde per jaar, bedraagt de boekwaarde aan het begin van het derde jaar € 32.000,–. Gevraagd Bereken de aanschafprijs van het duurzame productiemiddel.

VOORBEELD

43


Begroten en budgetteren

VOORBEELD

44

Uitwerking De aanschafprijs is de onbekende die we op 100% stellen. aanschafprijs

100%

afschrijving 1e jaar 20% van 100% =

20%

e

boekwaarde 2 jaar e

afschrijving 2 jaar 20% van 80% = e

boekwaarde 3 jaar

80% 16% 64%

Nu is deze boekwaarde gegeven, dus 64% = € 32.000,-. De aanschafprijs is: 100 x € 32:000;– = € 50.000,– 64

Gegeven In onderneming Klos wordt met behulp van machine P een product vervaardigd. De aanschafprijs van de machine was € 30.000,– en de jaarlijkse afschrijving werd gesteld op 20% van de boekwaarde. In het eerste jaar worden 14.000 artikelen vervaardigd. Het aantal artikelen neemt elk jaar met 2.000 af. Gevraagd Bereken voor het derde jaar: a de afschrijvingskosten; b het aantal te produceren eenheden; c de machinekosten per eenheid product. Uitwerking a € 30.000,-

aanschafprijs e

afschrijving 1 jaar

€ 6.000,€ 24.000,-

e

afschrijving 2 jaar

€ 4.800,€ 19.200,-

e

afschrijving 3 jaar

€ 3.840,-


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

b In het eerste jaar worden 14.000 producten gemaakt. In het tweede jaar

zijn dat er 12.000 en in het derde jaar 10.000.

€ 3:840;–

c De machinekosten per eenheid product zijn 10:000 = € 0,38

Vragen en opdrachten Vraag 7 Beantwoord de volgende vragen. a Wat is afschrijven? b Waarvan is de afschrijving op een duurzaam productiemiddel afhankelijk?

Vraag 8 Een machine wordt aangeschaft voor € 36.000,-. De economische levensduur wordt gesteld op 5 jaar. De restwaarde wordt geschat op € 1000,-. Er wordt afgeschreven met een vast percentage van de aanschafprijs. Bereken het jaarlijks af te schrijven bedrag.

Vraag 9 In supermarkt Harmans is een vrieskist aangeschaft voor € 14.200,-. De levensduur wordt geschat op 6 jaar. De restwaarde wordt gesteld op 20% van de aanschafprijs. Bereken het jaarlijks af te schrijven bedrag.

Vraag 10 Een machine waarop 15% per jaar van de aanschafprijs wordt afgeschreven, heeft een boekwaarde van € 18.000,-, nadat er vier jaar op is afgeschreven. Bereken de aanschafprijs van deze machine.

Vraag 11 In de industriële onderneming Robust bv kunnen per jaar 5000 producten worden gemaakt met behulp van machine SW. Van deze machine is het volgende bekend: ■ aanschafprijs € 120.000,-, exclusief € 5000,- installatiekosten; ■ restwaarde € 7000,-; ■ verwachte sloopkosten € 2000,-; ■ levensduur 10 jaar. a b c d

Bereken Bereken Bereken Bereken

het jaarlijks af te schrijven bedrag. het jaarlijkse afschrijvingspercentage. de afschrijvingskosten per eenheid product. de waarde van de machine aan het einde van het negende jaar.

45


Begroten en budgetteren

Vraag 12 Wat weet je van de grootte van de afschrijvingsbedragen bij de verschillende afschrijvingsmethoden gedurende de levensduur van het duurzaam productiemiddel?

Vraag 13 Een bedrijfsauto is aangeschaft voor € 25.000,-. Er zal op worden afgeschreven met 30% per jaar van de boekwaarde. Bereken de afschrijving in het eerste, tweede en derde gebruiksjaar.

Vraag 14 Op een machine wordt per jaar 20% van de boekwaarde afgeschreven. Nadat er drie jaar is afgeschreven, heeft de machine een boekwaarde van € 25.600,-. Bereken de aanschafprijs.

Vraag 15 Een machine wordt afgeschreven met 30% van de boekwaarde per jaar. De boekwaarde na vier jaar is € 24.010,-. Bereken de aanschafprijs.

Vraag 16 In onderneming Cantor wordt het product Tar geproduceerd en verkocht. Voor de productie van Tar is een machine aangeschaft met een aanschafprijs van € 84.000,-. De afschrijving bedraagt 25% per jaar van de boekwaarde. In het eerste jaar worden 10.000 artikelen geproduceerd en afgezet. Elk volgend jaar vermindert de productie en afzet met 1000 eenheden ten opzichte van het vorige jaar. a Bereken de afschrijvingskosten voor het vierde jaar. b Bereken de productie in het vierde jaar. c Bereken de afschrijvingskosten per eenheid product in het vierde jaar.

1.8

46

Sleutelbegrippen

Kosten van grond

Interestkosten (als grond in eigendom is) of pacht (als de grond niet in eigendom is).

Hypotheek

Lening van geld waarbij meestal onroerend goed als onderpand dient.

Tijdloon

Loon waarbij de hoogte uitsluitend wordt bepaald door de gewerkte tijd.


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Stukloon

Loon waarbij de hoogte uitsluitend wordt bepaald door het aantal geleverde prestaties.

Premieloon

Loon waarbij de hoogte wordt bepaald door het vaste basisloon, verhoogd met een premie voor goede prestaties.

Diensten van derden

Situatie waarin een ander bedrijf iets doet in het belang van het eigen bedrijf.

Inkoopwaarde van de omzet

Inkoopkosten van verkochte goederen.

Inkoopkosten

Kosten voor een bedrijf om goederen in huis te krijgen.

Inkoopprijs

Inkoopkosten per product.

Fabricagekosten

Alle kosten die nodig zijn om een product te maken, exclusief de verkoopkosten.

Transportkosten

Alle kosten die nodig zijn om een product te vervoeren van de plaats van productie naar de plaats van verbruik.

Technische levensduur

Periode waarin een productiemiddel technisch gezien in staat is prestaties te leveren.

Restwaarde

Geschatte waarde van een productiemiddel aan het einde van de levensduur.

Economische levensduur

Periode waarin een productiemiddel in staat is prestaties te leveren die waarde hebben voor de onderneming.

Complementaire kosten

Alle kosten van een productiemiddel anders dan afschrijvingskosten en rentekosten.

Afschrijven

Het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardedaling van duurzame productiemiddelen.

1.9

Checklist hoofdstuk 1

Je begrijpt dat: â–Ą bedrijven kosten maken om producten te maken en te verkopen; â–Ą er verschillende manieren zijn om deze kosten te beheersen. 47


Begroten en budgetteren

Je herkent in de wereld om je heen dat: □ producten in de loop van de tijd minder waard worden; □ bedrijven hun kosten verwerken in de prijzen van producten.

1.10

Toepassingsvragen

Vraag 17 Kopen of pachten Handelsonderneming Sluiter heeft haar gebouw gebouwd op een stuk grond dat in eigendom is verkregen voor € 820.000,-. Als interestkosten wordt 8% per jaar berekend. De grond had ook gepacht kunnen worden voor € 6000,- per maand. Bereken het jaarlijkse voordeel van het kopen van de grond ten opzichte van het pachten.

Vraag 18 Loon berekenen Clara Burgers vult in een verffabriek blikken met verf. Zij wordt geacht 100 blikken per uur te vullen. Ze verdient een salaris van € 312,- per week. Per week wordt 40 uur gewerkt. Wanneer zij meer blikken vult, ontvangt zij een premie van 50% van het uitgespaarde loon. In week 49 heeft Clara 4380 blikken gevuld. Bereken het loon van Clara in week 49.

Vraag 19 Loon berekenen Hans Baars werkt in een rijwielfabriek. Hij draait daar velgen. De normale prestatie is gesteld op 15 velgen per uur. Het basisloon is € 300,- bij een 40urige werkweek. Wanneer hij sneller werkt dan normaal, ontvangt hij een premie van 30% van de uitgespaarde tijd. a Bereken het weekloon wanneer Hans in een week 500 velgen maakt. b Bereken het weekloon wanneer Hans in een week 600 velgen maakt. c Bereken het weekloon wanneer Hans in een week 700 velgen maakt.

Vraag 20 Kosten van diensten van derden Onderneming Bleistra laat haar administratie verzorgen door belastingkantoor Joustra. Voor de administratie over 2013 brengt Joustra onderneming Bleistra het volgende in rekening: ■ administratieve werkzaamheden 46 uur à € 30,■ samenstelling loonstaten personeel 6 stuks à € 65,■ samenstellen en bespreken balans 5 uur à € 100,■ verzorging belastingaangifte € 250,■ advisering betreffende investeringen € 800,■ btw 21% Bereken voor onderneming Bleistra de kosten van diensten van derden. 48


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

Vraag 21 Omzet, winst en inkoopkosten Je koopt 350 vlaggenmasten voor je bedrijf in, voor € 123,- per stuk. Je verkoopt 130 masten voor € 235,- per stuk. Bereken de omzet, winst en inkoopkosten.

Vraag 22 Fabricagekosten Een bedrijf produceert zakagenda's. De totale kosten om één agenda te maken bedragen € 3,-. Het bedrijf maakt 20.000 agenda's per jaar. Bereken de fabricagekosten.

Vraag 23 Onvoorziene kosten Bereken de onvoorziene kosten als de totale kosten € 675.000,- zijn.

Vraag 24 Jouw school a Beschikt de school over duurzame productiemiddelen? Zo ja, welke weet je? b Op welke manier schrijft de school op haar duurzame productiemiddelen af?

Vraag 25 Jouw omgeving Welke afschrijvingsmethoden zijn er? Informeer bij ondernemingen in de omgeving welke methode daar wordt gebruikt en waarom.

Vraag 26 Product Misa In een onderneming is voor de vervaardiging van het product Misa een machine aangeschaft. Met betrekking tot deze machine worden de volgende gegevens verstrekt: ■ aanschafprijs € 63.000,-; ■ restwaarde € 3000,-; ■ economische levensduur 6 jaar; ■ technische levensduur 9 jaar. Per jaar worden 4000 producten gemaakt. Er wordt afgeschreven met een vast percentage van de aanschafprijs. a Bereken het jaarlijks af te schrijven bedrag. b Bereken het afschrijvingspercentage in twee decimalen nauwkeurig. c Bereken de afschrijvingskosten per product. d Bereken de boekwaarde van de machine aan het einde van het vierde gebruiksjaar.

49


Begroten en budgetteren

Vraag 27 Onderneming Zandstra In onderneming Zandstra is een machine aangeschaft waarmee jaarlijks 12.000 paar schaatsen kunnen worden gemaakt. € 28.400,-

machine UT 12

€ 5.964,-

btw 21%

€ 34.364,-

totaal

De economische levensduur van de machine wordt op 8 jaar gesteld, waarna de restwaarde € 1400,- zal zijn. Er wordt afgeschreven met een vast percentage van de aanschafprijs. a Bereken het jaarlijks af te schrijven bedrag. b Bereken het afschrijvingspercentage in één decimaal nauwkeurig. c Bereken de afschrijvingskosten per eenheid product. d Bereken de boekwaarde van de machine aan het einde van het vijfde gebruiksjaar.

Vraag 28 Onderneming Panter In onderneming Panter wordt het product Blos vervaardigd. Voor de productie wordt gebruikgemaakt van een machine met een aanschafprijs van € 94.000,- en een restwaarde van € 4000,-. De economische levensduur wordt geschat op 5 jaar. Er wordt afgeschreven met een vast percentage van de aanschafprijs. Per jaar kunnen met de machine 6000 stuks Blos worden geproduceerd. a Bereken de afschrijvingskosten per product Blos. b De werknemer die de machine bedient, werkt 36 uur per week. De loonkosten bedragen € 378,- per week. Een werknemer kan drie producten per uur fabriceren. Verder maakt de onderneming gebruik van diensten van derden. De kosten daarvan kunnen worden gesteld op € 2,50 per product. Andere dan de genoemde kosten zijn er niet. Bereken de loonkosten per product Blos. c Bereken de kostprijs per product Blos.

Vraag 29 Onderneming Hendriks In onderneming Hendriks wordt met behulp van een machine het product Hers geproduceerd. De aanschafprijs van de machine bedraagt € 124.000,-; de restwaarde is € 4000,- en de economische levensduur is 8 jaar. De machine maakt per jaar 2000 draaiuren. Per product worden drie machine-uren verbruikt. Per product zijn twee werknemers nodig die elk drie uur aan het product werken. De loonkosten per uur zijn € 15,75. a Bereken de machinekosten per uur.

50


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

b Bereken de kostprijs per product aannemende dat er geen andere kosten worden gemaakt. c Voor een van de producten worden 3,5 machine-uren en 7 arbeidsuren verbruikt. Bereken de kostprijs van dit product.

Vraag 30 Ondernemer P. Lut Ondernemer P. Lut heeft aan het begin van dit jaar een machine aangeschaft voor € 300.000,-. De fabrikant van de machine heeft aangegeven dat de technische levensduur gesteld kan worden op 8 jaar. De verwachting is dat de complementaire kosten in het eerste jaar € 4000,- zullen bedragen en jaarlijks met € 1000,- zullen toenemen. De productie zal volgens de heer Lut in het eerste jaar 4000 eenheden product bedragen en jaarlijks met 500 eenheden afnemen. De restwaarde is als volgt: ■ aan het eind van het eerste jaar: € 220.000,-; ■ aan het eind van het tweede jaar: € 160.000,-; ■ aan het eind van het derde jaar: € 120.000,-; ■ aan het eind van het vierde jaar: € 80.000,-; ■ aan het eind van het vijfde jaar: € 50.000,-; ■ aan het eind van het zesde jaar: € 30.000,-; ■ aan het eind van het zevende jaar: € 20.000,-; ■ aan het eind van het achtste jaar: € 15.000,-. a b c d

Geef het verschil aan tussen de economische en de technische levensduur. Tot welke kostensoort behoren de in dit vraagstuk genoemde kosten? Noem drie andere kostensoorten. Wanneer zal bij ondernemer Lut sprake kunnen zijn van een verspilling op het gebied van loonkosten? e Bereken de economische levensduur van de machine die de heer Lut heeft aangeschaft.

Vraag 31 Tovami bv Tovami bv heeft ten behoeve van de productie van een specifiek product een machine aangeschaft. De aanschafprijs van de machine is € 50.000,-. De technische levensduur is 5 jaar. De restwaarde is op elk moment nihil. ■ De machine brengt in het eerste jaar 4000 producten voort. ■ De productie neemt jaarlijks af met 800 stuks. ■ De complementaire kosten bedragen in het eerste jaar al € 18.000,- en nemen jaarlijks toe met € 6000,-. ■ Het bruto grondstoffenverbruik is 5 kg à € 2,- per kg. Er ontstaat geen afval. ■ Tovami past het stukloonstelsel toe; per product wordt € 5,- betaald.

51


Begroten en budgetteren

â– 

De overige complementaire kosten bedragen â‚Ź 3,93. Ondanks het goede onderhoud van de machine moeten noodzakelijkerwijs toch vele producten worden afgekeurd, de uitval is 8%. Deze afgekeurde producten kunnen niet verkocht worden.

a b c d e f g h i

Wat is het verschil tussen afval en uitval? Welke kostensoorten worden in deze opgave genoemd? Leg uit wat het stukloonstelsel betekent. Noem nog een ander loonstelsel. Bepaal de economische levensduur van de aangeschafte machine. Bereken de machinekosten per gekeurd product. Kan bij gelijkblijvende prijzen een nieuwe machine worden gekocht? Bereken de kostprijs van een ongekeurd product. Bereken de kostprijs van een goedgekeurd product.

Vraag 32 Spreadsheet Ontwerp een spreadsheet waarmee de economische levensduur berekend kan worden. Pas dit vervolgens toe op opgave 30 (de heer Lut).

52


Hoofdstuk 1 Kostensoorten

53


Bedrijfseconomie en financiën voor commerciële opleidingen in het mbo

Begroten en budgetteren

Begroten en budgetteren Henk Tijssen Inge Berg

Begroten en budgetteren voor mbo Henk Tijssen Inge Berg

De serie Rendement is ontwikkeld voor de commerciële opleidingen binnen de sector economie van het middelbaar beroepsonderwijs. De serie bestaat uit een reeks basis- en profielboeken die onder andere geschikt zijn voor de opleidingen marketing, communicatie, evenementenorganisatie en junior accountmanagement. Kenmerkend voor Rendement is de duidelijke en heldere structuur en de aansluiting bij de vernieuwde kwalificatiedossiers. Rendement is rijk aan voorbeelden en opdrachten die aansluiten bij de toekomstige beroepspraktijk.

voor iedere mbo deelnemer die de basisprincipes van bedrijfseconomie en financiën wil begrijpen. De onderwerpen die aan bod komen zijn: kosten, budgetten, begrotingen, de balans, financiële kengetallen, distributiekengetallen, tabellen en grafieken.

14445_OS Rendement Begroten en budgetteren.indd 1

Henk Tijssen & Inge Berg

De uitgave Begroten en budgetteren is het basisboek

30-05-13 10:48


Begroten en budgetteren bladerboek