New Interface onderbouw 1 vmbo-gt / havo

Page 1



New Interface 1 vmbo-GT/havo

Yellow label Leerwerkboek A

Annie Cornford Frederieke Lelieveld Diane van Steekelenburg Eindredactie Marion Simon


1 2 3 4

RED vmbo-BK vmbo-BK vmbo-B vmbo-B

ORANGE

YELLOW vmbo-GT/havo vmbo-GT vmbo-GT vmbo-GT

vmbo-K vmbo-K

BLUE havo/vwo havo havo

PURPLE vwo vwo vwo

New Interface LRN-line is gebaseerd op het werk van de auteurs van New Interface 3rd edition: Nynke Bottinga, Marleen Cannegieter, Annie Cornford, Simone van Dijk, Marjan den Hertog, Jos van Heusden, Michiel Jansen, Simon Joseph, Paulien Lammers, Frederieke Lelieveld, Annette Lether, Dianne Manders, Nienke Marinus, Nathalie Meeuwsen, Hans Mol, Hanna Molenaar, Mayke Munten, Marieke Nijhof, Sally Ripley, Marion Simon, Marieke Smeenk, Diane van Steekelenburg, Madelijn Storm van Leeuwen, Vera Stupenea, Hedwig Suurmeijer, Marieke Valstar, Sandra van de Ven.

Bureauredactie Hanna Molenaar

Omslagfotografie Flirt Creativity

Vormgeving Studio Michelangela

Opmaak Crius Group

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt.

opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2019

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën,

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 91893 9 Eerste druk, eerste oplage, 2019

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

2


Inhoud Unit 1 Friends

8

Unit 2 Music

48

Unit 3 Fashion

86

Checkbook

129

Alfabetische woordenlijsten

148

Speech cards

160

3


Skilled for life! In de huidige wereld is alles mogelijk, wordt er gezegd. Maar wat betekent dat eigenlijk voor wat je moet kunnen en weten? Met New Interface leer je hoe je goed spreekt, luistert, leest, schrijft – kortom: leeft – in deze taal die je overal tegenkomt, nu of in de toekomst. Naast het verbeteren van je Engels helpt de methode je om jezelf te ontwikkelen en je voor te bereiden op het leven. Niet het leven, maar JOUW leven. Want om je in de wereld staande te houden, heb je niet alleen language skills maar ook life skills nodig. Dat zijn belangrijke vaardigheden als problemen oplossen, kritisch denken of doelen stellen. Zo maakt Engels je wereld groter.

4


Symbolen In de leerwerkboeken kun je de volgende symbolen tegenkomen: Werk aan je persoonlijke ontwikkeling ĂŠn aan Engels. Werk samen met een of meer klasgenoten. Ga naar de New Interface-website of zoek iets op internet. Beluister het audiofragment. Scan de QR-code bij de opdracht of vind het fragment op de New Interface-website. Bekijk het videofragment. Scan de QR-code bij de opdracht of vind het fragment op de New Interface-website. Oefen dit onderwerp nog eens.

Hoe zit een Unit in elkaar? Elk hoofdstuk is op dezelfde manier opgebouwd: }} }} }} }} }} }} }} }} }}

Introduction: openingsles waarin je kennismaakt met de leerdoelen en wat je eraan hebt Lesson 1 Reading: leesvaardigheid Lesson 2 Writing: schrijfvaardigheid Lesson 3 Listening and watching: luister- en kijkvaardigheid Lesson 4 Speaking: gespreks- en spreekvaardigheid Lesson 5 Project: projectles waarin je alles van het hoofdstuk toepast Self-test: diagnostische toets om te zien of je klaar bent voor je toetsen (online) Catch up: herhalingsopdrachten om extra te oefenen voor je toetsen (online) Get ahead: extra plusopdrachten (online)

Achter in het boek vind je het Checkbook: hier kun je alle grammatica-uitleg, woordenlijsten en nuttige zinnen (phrases) vinden. Handig om iets snel op te zoeken of om te leren. Ook elke les heeft een zelfde structuur: }} }} }} }} }} }} }}

Leerdoelen: de life en language skills van de les op een rij Try out: een korte entry test online over wat je al weet Get started: opwarmopdrachten Find out: tekstbegrip Vocabulary / grammar / phrases: kennisonderdelen Express yourself: toepassen wat je geleerd hebt in de les Looking back: jezelf beoordelen en bepalen wat je beter wilt doen.

Online kun je nog extra oefenen met woordjes, grammatica en zinnen in Practise more of extra verrijkingsopdrachten doen in Get ahead. Wil je (ook) digitaal werken met het lesmateriaal? Ga dan naar de digitale leeromgeving via www.thiememeulenhoff.nl/newinterface

5


Useful phrases A

Across Answer in Dutch. Answer the questions. Ask questions.

Horizontaal Antwoord in het Nederlands. Beantwoord de vragen. Stel vragen.

C

Choose from … Compare … Complete the sentences.

Kies uit … Vergelijk … Maak de zinnen af.

D

Down

Verticaal

E

Explain.

Leg uit.

F

Fill in the correct form. Finish … Finished? Switch roles.

Vul de juiste vorm in. Maak … af. Klaar? Wissel van rol.

G

Guess …

Raad …

H

Have a conversation about … Have a look at the text. How do you say this in English?

Heb een gesprek over … Bekijk de tekst. Hoe zeg je dit in het Engels?

I

Imagine ...

Stel je voor ...

L

Listen and read along. Listen again. Look at the example.

Luister en lees mee. Luister nog een keer. Kijk naar het voorbeeld.

M

Make questions / sentences. Match ...

Maak vragen / zinnen. Zoek ... bij elkaar.

N

Note: there are two extra words.

Let op: er blijven twee woorden over.

P

Practise … Predict … Prepare your role Put in the correct order.

Oefen … Voorspel … Bereid je rol voor. Zet in de juiste volgorde. 6


R

Read … aloud.

T

Take turns. Talk about … Talk to your classmate in English. Tell your classmate ... Tick … Translate … Try to …

U

Use ...

W

Work with a classmate. Write an email / a letter / a note. Write down … Write … in full.

Y

You may use a dictionary.

Lees … hardop voor.

Wissel elkaar af. / Om de beurt. Praat over … Praat Engels met je klasgenoot. Vertel je klasgenoot ... Kruis …aan. Vertaal … Probeer het …

Gebruik ...

Werk samen met een klasgenoot. Schrijf een e-mail / een brief / een aantekening. Schrijf op … Schrijf … voluit.

Je mag een woordenboek gebruiken.

7


UNIT 1 Friends    Introduction

Friends

Introduction Daar ben je dan, op je nieuwe school. Een ander gebouw, andere vakken en allemaal nieuwe klasgenoten. Weet jij al met wat voor mensen je nu leeft en leert? Wat ze leuk vinden om te doen? En waarvoor je je nieuwe klasgenoten om hulp kunt vragen? Dat ga je de komende weken uitvinden door met elkaar te communiceren, samen te werken en informatie te delen. Alle kennis pas je ten slotte toe in een speeddatespel.

8


UNIT 1 Friends    Introduction

Looking ahead LEERDOELEN

• • • 1

Je denkt na over waarom je de stof uit deze unit leert. Je kijkt vooruit naar de dingen die je in deze unit gaat leren. Je denkt na over hoe je jezelf kunt ontwikkelen terwijl je Engels leert.

You and your classmates Veel opdrachten in dit hoofdstuk gaan over jou en je klasgenoten. Je leert over jezelf te vertellen in het Engels en vragen te stellen aan anderen. En door goed naar elkaar te luisteren en je in te leven in de ander leer je elkaar beter kennen. Lees de Tip: Belangstelling tonen. Beantwoord de vragen in het Nederlands. TIP

Belangstelling tonen

Bij communicatie hoort ook dat je je kunt inleven in een ander. Dat kan in veel situaties belangrijk zijn. Bijvoorbeeld in een nieuwe klas waarin je elkaar nog niet zo goed kent. Je kunt dan vragen stellen om elkaar te leren kennen. Als je goed naar de antwoorden luistert en laat zien dat je iemands gevoel begrijpt, dan toon je inlevingsvermogen.

1 Welke vragen stel jij als je iemand voor het eerst ontmoet?

2 Wat voor dingen vertel je graag over jezelf aan een ander? Gaat dat over sport, familie, een huisdier, of iets anders?

2

Thinking about learning goals In deze unit ga je Engels spreken, schrijven, lezen en beluisteren. Je vertelt over jezelf en over andere mensen en je luistert naar anderen. Wat weet je aan het eind van de unit over elkaar? Wat wil jij graag kunnen in het Engels?

• • •

Geef de volgende leerdoelen een cijfer van 1 tot en met 5, waarbij je 1 het belangrijkst vindt en 5 het minst belangrijk. Zet je cijfer achter de doelen. Je mag sommige doelen ook hetzelfde cijfer geven. Klaar? Bespreek jullie cijfers. Vinden jullie hetzelfde belangrijk? Waarom wel/niet? Werk samen met een klasgenoot.

Leerdoel

Cijfer

een beschrijving van nieuwe mensen begrijpen een formulier invullen iets schrijven over mezelf en anderen belangstelling tonen voor anderen

9


UNIT 1 Friends    Introduction

Leerdoel

Cijfer

mezelf voorstellen aan nieuwe mensen antwoord geven op vragen over mezelf iets vertellen over mezelf

3

Using English in real life Aan het eind van deze unit doe je een speeddatespel in het Engels. Je hebt dan heel korte gesprekjes met klasgenoten waarin je jezelf moet voorstellen aan elkaar. Je ziet hier verschillende situaties waarin je je ook moet voorstellen. Bekijk de Leerdoelen. Welke leerdoelen zou je in deze situaties kunnen gebruiken? Zet de letters van de leerdoelen (a t/m g) bij de situaties. Bij sommige situaties kun je meerdere doelen noteren.

LE E RDOE LE N a b c d e f g

een beschrijving van nieuwe mensen begrijpen een formulier invullen iets schrijven over mezelf en anderen belangstelling tonen voor anderen mezelf voorstellen aan nieuwe mensen antwoord geven op vragen over mezelf iets vertellen over mezelf

Situaties

Leerdoelen

1. Je schrijft je in voor een sportkamp in Engeland. Je vult op de website een formulier in met informatie. 2. Je gaat met school op uitwisseling in Denemarken. Je krijgt een e-mail van de jongen waar jij logeert. Hij beschrijft zijn klas. 3. Je schrijft de Deense jongen een e-mail terug waarin je vertelt over jouw klas. 4. Je ontmoet een Amerikaans meisje in de trein. Je stelt jezelf aan haar voor. 5. Het Amerikaanse meisje is hier op vakantie en stelt vragen aan je over Nederland. Je vertelt over jezelf, school en je familie. 6. Je stelt het Amerikaanse meisje ook vragen over haar leven in Amerika.

Weet je nog andere situaties waarin je een of meer van de leerdoelen zou kunnen gebruiken? Beschrijf zo’n situatie.

10


UNIT 1 Friends    Lesson 1: Reading

Lesson 1: Reading LEERDOELEN

• • • • •

Sociale en culturele vaardigheden – Je kunt inlevingsvermogen en belangstelling voor anderen tonen. Communiceren – Je kunt communicatie gebruiken voor verscheidene doelen. A1.3 – Je kunt je een idee vormen van de inhoud van een korte tekst, vooral als die geïllustreerd is. A1.3 – Je kunt in korte informatieve teksten informatie over personen en plaatsen begrijpen. A2.3 – Je kunt korte beschrijvende teksten over vertrouwde onderwerpen begrijpen.

TRY OUT What do you already know? Do the exercises on the New Interface website. Discuss with your teacher if you can skip some of the exercises in this lesson.

Get started 1

Your first week Geef jouw eerste week op school een cijfer van 1–10. Leg in twee zinnen uit waarom je dit cijfer geeft.

2

What’s your name? Doe deze opdracht met de hele klas. Loop door de klas. Doe alsof je elkaar net leert kennen en stel jezelf voor aan je klasgenoten. In het Engels natuurlijk!

Hello, my name is Jeremy.

3

Hi Jeremy, I’m Kristie. Nice to meet you.

What’s in your rucksack? Wat zit er in jouw rugzak? Schrijf zoveel mogelijk Engelse woorden op. Gebruik een (online) woordenboek als je de Engelse woorden niet kent.

11


UNIT 1 Friends

Lesson 1: Reading

Find out The first week of school Week 1 – Assignment 1 •

• •

Make a plan of your new class. Write down the names of all your classmates. Write something about yourself. Then do an interview with four classmates. Answer these questions: 1 Are you quiet, funny, serious, sporty or ...? 2 Say something about clothes. Are you into jeans or T-shirts? 3 What are you good at? 4 And now describe your classmate: Are they tall or not? Are they nice, serious, clever, ... ?

This is my new class: 1B! We are thirty kids, thirteen boys and seventeen girls.

This is me. My name is Neil.

I’m thirteen years old and I live in a small village called Dunster. I’ve got red hair and I often wear jeans and T-shirts. I’m not really into school, but I love sports. I play football, basketball and tennis. I like animals and I’m very handsome (haha). And oh yeah, I’m not very good at making jokes. Next to me in class is Brian. We are best friends. His parents are from America, but he was born in England.

Brian, age 13

Brian’s got short blond hair (but you can’t see it because he always wears his baseball cap). He’s got brown eyes. Dream job: professional basketball player He is: funny and he loves sports He’s good at: basketball

Caitlyn, age 12

Caitlyn has got brown hair and blue eyes. She normally wears glasses, but not in her first week of school. Dream job: cook She is: always full of plans She’s good at: baking cupcakes

Dana, age 12

Dana has got straight blond hair and green eyes. She isn’t very tall. Dream job: journalist She is: interested in history She’s good at: writing stories

Aron and Calvin, age 11 (twins!)

Aron and Calvin have got short black hair. They have brown eyes and they sometimes wear black clothes. Dream job Aron: managing director (he wants to become very rich) Dream job Calvin: singer in a band They are: serious They’re good at: gaming

Glossary assignment plan

opdracht plattegrond

handsome managing director 12

knop directeur


UNIT 1 Friends

Lesson 1: Reading

Skimming the text

4

Have a look at The first week of school. Use the Tip: Skimmen. Answer the questions in Dutch. TIP

Skimmen

Als je skimt, lees je de tekst nog niet, maar bekijk je hem. Je kijkt naar het soort tekst en het onderwerp. Dit doe je door naar de titel, tussenkopjes en plaatjes te kijken. Ook let je op opvallende woorden zoals getallen of namen (met een hoofdletter).

1 Uit welke drie onderdelen bestaat de tekst? 1 2 3

2 Wie heeft deel 2 en 3 van de tekst gemaakt? 3 Over welke klasgenoten heeft Neil iets geschreven? Schrijf de namen op.

Understanding information about people and things

5

Read The first week of school.

a

Match the names with the correct pictures.

• • Aron and Calvin

b

• • Brian

• • Caitlyn

• • Dana

• • Neil

Match the names with the things they like.

• • Brian

• • Caitlyn

• • Aron and Calvin 13

• • Neil

• • Dana


UNIT 1 Friends    Lesson 1: Reading

6

Understanding short texts Read The first week of school. Read the sentences. Are they true (waar) or false (niet waar)? true

false

1 Neil heeft dertig klasgenoten.

2 Neil is grappig.

3 Brian is geboren in Engeland.

4 Brian draagt altijd een pet.

5 Caitlyn heeft blauwe ogen.

6 Dana is klein.

7 Aron is ouder dan Calvin.

8 Aron en Calvin hebben lang haar.

Vocabulary 7

Fill in Use Vocabulary 1.1. Use the Tip: Woordjes leren. Read the sentences. Fill in the correct English words. Note: There are two extra words. TIP

Woordjes leren Als je woordjes leert … • bedek je de Nederlandse woorden; • schrijf je de woorden op die je nog niet kent; • doe je hetzelfde met de Engelse woorden; • leer je alleen de woorden die je nog niet kent.

Choose from: cap – classmates – clever – describe – glasses – job – next to – often – parents – rich – straight. 1 I love my

. My mother and father are great!

2 My eyes are not very good, so I have to wear 3 The other kids in my class are called 4 Lucy has long,

. blonde hair.

5 My father is very 6 I am not very

. He is a professor at a university. . I do not have a lot of money.

7 My best friend Joe sits

me in class.

8 I need money, but I am too young to get a 9 Can you

.

.

your best friend? Is he tall or short?

14


UNIT 1 Friends    Lesson 1: Reading

Match

8

Use Vocabulary 1.1. Match the Dutch descriptions (beschrijvingen) with the correct English words. Note: There are two extra words. Choose from: cap – classmate – clever – cook – describe – glasses – history – kids – like – often – parents – quiet.

1 houden van – aardig vinden – fijn vinden 2 familie – vader en moeder 3 beter zien – ogen 4 niet veel geluid – zacht 5 voor op je hoofd – soort hoed 6 persoon – eten – restaurant – keuken 7 veel keren – niet weinig 8 personen – jong 9 vroeger – vak op school 10 persoon – klas – even oud

Grammar Grammar: I, you, he

9

Use Grammar: I, you, he. GRAMMAR

I, you, he I like you. He is clever. They are classmates. Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

a

Read the sentences. What do the words in italics (schuingedrukt) mean in Dutch? 1 I live in a small village called Dunster. 2 What are you good at? 3 He was born in England. 4 She normally wears glasses. 5 We are best friends. 6 They have brown eyes.

15


UNIT 1 Friends    Lesson 1: Reading

b

Use the Tip: Hoofdletters. Fill in. TIP

Hoofdletters

Het woordje voor ‘ik’ in het Engels - I - schrijf je altijd met een hoofdletter. Wanneer je een los woordje invult aan het begin van een zin, dan schrijf je dat ook altijd met een hoofdletter.

Choose from: I – you – he – she – it – we – they. Hello, (1) but (3) 1F. (5)

am Luciano. And this is Marcia. (2)

is my best friend. Marcia is very funny,

am not good at making jokes at all. Marcia and (4)

are in the same class:

don’t know the names of all our classmates yet, but (6)

are very friendly.

Our school is called Castle school. (7) is very clever. (9)

is a nice school. Charles is my new friend. (8)

wears glasses and is very quiet.

Tell me something about (10) classmates like? Are (12)

. Do (11)

like your new school? What are your new

nice?

Grammar: To be

10

Use Grammar: To be. GRAMMAR

To be I am happy. You are happy. He / She / It is happy. We / You / They are happy.

I am not happy. You are not happy. He / She / It is not happy. We / You / They are not happy.

Am I happy? Are you happy? Is he / she / it happy? Are we / you / they happy?

Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

a

Read the conversation and choose the correct words. Terry

Hello, my name (1) am / are / is Terry. What (2) am / are / is your name?

Paul

My name (3) am / are / is Paul.

Terry

Nice to meet you, Paul. (4) Am / Is / Are you in class 1D?

Paul

Yes, I (5) is / are / am.

Terry

How old (6) am / is / are you?

Paul I (7) is / are / am thirteen years old. And you? Terry I (8) am not / is not / are not thirteen yet. I (9) is / are / am twelve years old. Terry

Oh, who (10) am / are / is that? Do you know her?

Paul That (11) am / are / is Erica. She (12) am / are / is my sister. She (13) am not / is not / are not in our class. Terry She (14) am / are / is beautiful! Paul Really? (15) Am / Are / Is you serious? Erica! Come over here! This (16) am / are / is my new friend Terry. Terry

Oh no!

16


UNIT 1 Friends    Lesson 1: Reading

b

Use the Tip: Zinnen schrijven. Make questions. Use the words given. TIP

Zinnen schrijven

Als je een hele zin schrijft, vergeet dan niet dat die altijd begint met een hoofdletter en altijd eindigt met een punt, een vraagteken of een uitroepteken.

Example: you – funny

Are you funny?

1 you – good at football 2 you – thirteen years old 3 your parents – nice 4 your classmates – friendly 5 your best friend – sporty 6 you – tall 7 you – into clothes

11

Grammar: Talking and using to be Work with a classmate. Use Grammar: To be. Use the questions from the previous exercise. Your classmate answers your questions in English. Switch roles. PRACTISE MORE Do you want to practise some more with Vocabulary and Grammar? Then you can do extra exercises on the New Interface website.

17


UNIT 1 Friends    Lesson 1: Reading

Express yourself MR MORRIS INTRO D U C E S H I MS E LF Hi, I’m Rick Morris. I teach 1B, but they’re of course not the only class I teach. I’m thirty-five years old. I love teaching. I’ve always wanted to be a teacher. I love working with kids and I like teaching them Spanish. My hobbies are reading, hiking and camping. Oh, and I’m also good at tennis. I’m not very good at football. The kids at school always make fun of me when I play football. They are much better at the game than I am. I’m married to Rosa. She is a teacher as well, but not at this school.

12

Ask Mr Morris Read Mr Morris introduces himself and the Tip: Vragen stellen. What could you ask Mr Morris? Write down at least four questions for Mr Morris. The answers to your questions must be in the text. TIP

Vragen stellen

Je stelt ander soort vragen aan een docent dan aan een klasgenoot. Misschien zijn je vragen aan een docent minder persoonlijk dan die aan een klasgenoot. En je stelt je vragen waarschijnlijk beleefder en gebruikt Mr of Mrs. Let er daarom goed op tegen wie je praat als je een vraag formuleert.

18


UNIT 1 Friends

13

Lesson 1: Reading

Ask your teacher Work with a classmate. Choose a teacher at your school. What do you already know about this teacher? What things do they like ? Also read the Tip: Vragen stellen again. Write down questions for your teacher about school, sports, hobbies, subjects, other teachers, etc. Write at least six questions. Ready? Your classmate reads your questions and tries to answer them. Be creative! Switch roles.

14

Looking back Heb je de Express yourself-opdracht af en de antwoorden vergeleken met het modelantwoord? Kijk of je de doelen bereikt hebt. Kruis het juiste vakje aan.

• •

Een korte beschrijving over een docent begrijpen.

Zes vragen (of meer) formuleren die je aan een docent kunt stellen.

Heb je ergens een of gekozen? Vraag dan je docent of een klasgenoot om hulp. Maak de opdracht daarna opnieuw en kijk of je jezelf hebt verbeterd. GET AHEAD Do you have extra time? Then do the Get ahead exercise on the New Interface website.

19


UNIT 1 Friends    Lesson 2: Writing

Lesson 2: Writing LEERDOELEN

• • •

Communiceren – Je kunt communicatie gebruiken voor verscheidene doelen. A1.2 – Je kunt een eenvoudige lijst met vragen over jezelf invullen. A1.4 – Je kunt een paar eenvoudige zinnen over jezelf en anderen opschrijven.

TRY OUT What do you already know? Do the exercises on the New Interface website. Discuss with your teacher if you can skip some of the exercises in this lesson.

Get started 15

Sports at school Susan wants to join the school hockey team. Answer the questions.

1 Kun je bij jou op school na schooltijd ook sporten doen? Welke? 2 Hoe kun je je aanmelden voor zo’n schoolsport? 3 Doen jullie mee met sporttoernooien tussen scholen? Zo ja, winnen jullie teams weleens?

16

After-school activities Work with a classmate. Look at this list. Sports

Arts and music

Homework

basketball

school band

homework club

table tennis

drawing and painting

chess club

drama club

rugby badminton

Which activities do you like? Choose three activities. Then talk to your classmate and ask each other which activities you like. Try to do this in English.

20


UNIT 1 Friends    Lesson 2: Writing

17

Popular sports Work with a classmate. Rugby and cricket are sports which are popular in the United Kingdom. Which sports are popular in the Netherlands? Discuss this with your classmate. Write down three sports. Try to do this in English.

Find out www.rgshockey.co.uk

Join the team Wanted: hockey players for the school team Would you like to join a sports club at school? Then RGS hockey is the thing for you. It’s fun, you can make new friends and you learn to play hockey! The RGS teams train twice a week on the school sports field. Are you interested? Then fill in the form. Name

Susan Davids Boy Girl

Address

25 Church Street

Cowgate NE5

Age

14

Email address

SueDavids99@gmail.com

Mobile number

07546 215 536

Please answer these short questions: Have you got any hockey experience?

Yes

No

What other sports do you do? I do tennis and swimming, but I also like horse riding and skating. Tell us something about yourself: My name is Susan, but most of my friends call me Sue. I’m 14 years old and I’ve got long blond hair. I’m not very tall. I’ve got two older sisters. They are called Marion and Shirley. I haven’t got any brothers. Marion is 16 years old. She is a senior at RGS Newcastle. Shirley is 20 years old and is at university in London. Both my sisters have got boyfriends: Ted and Richard. I haven’t got a boyfriend but I have two really good girlfriends. They are called Sara and Mia and they’re my best friends. They are 13 and 14 years old. I play tennis with them, but we haven’t got much time to play now. We’ve got so much homework!

Glossary twice

twee keer

experience 21

ervaring


UNIT 1 Friends    Lesson 2: Writing

18

Skim the text Have a look at Join the team. Answer the questions in Dutch.

1 Wat is dit voor tekst? 2 Wanneer moet je hier informatie invullen?

19

Join the team Read Join the team. Choose the words that fit (passen bij) Susan. blond hair / tall / 13 years old / black hair lives in Cowgate / has a boyfriend / two sisters / plays tennis

Vocabulary 20

Match Use Vocabulary 1.2. Match the English words with the Dutch descriptions. Note: There are two extra words. Choose from: boyfriend – fill in – horse riding – join – number – other – skating – sports field – swimming – tell. 1 Zeven is er één en vier ook. 2 Dit doe je met een verhaaltje. 3 Deze sport doe je in het water. 4 Dit doe je met een formulier. 5 Dit kun je doen als er ijs ligt. 6 Sport met dieren. 7 Niet dezelfde. 8 De jongen waar iemand verliefd op is.

22


UNIT 1 Friends    Lesson 2: Writing

21

Complete the sentences Use Vocabulary 1.2. Complete the sentences. Note: There are two extra words. Choose from: about – both – boyfriend – call – fill in – join – most – sports field – swimming. her Giggy.

1 Her name is Angela, but her older brothers 2 Tell me something

your family.

3 Let’s go to the

and play football.

4 Sue and Sara are

in class 1B.

5 My sister has a

. They are really in love.

6 I would like to 7

the tennis club. children in my class like doing sports.

Grammar 22

Grammar: One, two, three Use the puzzle. Use Grammar: One, two, three. Write down the numbers in the puzzle. Look at the example. GRAMMAR

One, two, three 8 eight 13 thirteen 15 fifteen 21 twenty-one

44 forty-four 50 fifty 118 one hundred and eighteen 999 nine hundred and ninety-nine

Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

Example: 144

o n e

h u n d r e d

a n d

f o r t y

f o u r

899 22

— —

8 15 11 453

102 76

23


UNIT 1 Friends

23

Lesson 2: Writing

Grammar: Have got / has got Use Grammar: Have got. Complete the sentences. GRAMMAR

Have got I’ve got a sister. He’s got a brother. We’ve got all day.

I haven’t got a sister. He hasn’t got a brother. We haven’t got all day.

Have you got a sister? Has he got a brother? Have we got all day?

Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

Choose from: ’ve got – ’s got – have got – has got. a lot of friends.

1 My sister 2 We

three sport fields at our school.

3 They

straight hair.

4 You

a nice cap!

5 I

25 classmates.

6

24

she

long black hair?

7

you

any hockey experience?

8

they

much homework?

Grammar: Haven’t got / hasn’t got Use Grammar: Have got. Choose the correct words. 1 We hasn’t got / haven’t got a lot of computers at our school. 2 I hasn’t got / haven’t got English lessons today. 3 Tom and Elena hasn’t got / haven’t got kids. 4 He haven’t got / hasn’t got a question. 5 Hasna haven’t got / hasn’t got much time today.

25

Grammar: Have got / haven’t got Use Grammar: Have got. Make sentences. Write what you have got or haven’t got. Use the pictures.

1

2

3

1 I 2 We 3 4 24

4


UNIT 1 Friends    Lesson 2: Writing

26

Grammar: Have got Use Grammar: Have got. Write these sentences in English. Use the correct form of have got.

1 Ik heb rood haar. 2 Zij hebben een bril. 3 Liv heeft een vriendje. 4 Ik heb geen baan. 5 Heeft zij drie broers? 6 Heb je het adres? 7 We hebben het nummer niet. 8 Hebben zij blond haar?

Phrases 27

How do you say this in English? Look at Join the team. Use Phrases Writing. Write the phrases.

1 a Hoe schrijft Susan dat ze Susan heet?  b Schrijf nu op hoe jij heet.

2 a Hoe schrijft Susan dat ze 14 jaar is?  b Schrijf nu op hoe oud jij bent.

3 a Hoe schrijft Susan dat ze blond haar heeft?  b Schrijf nu op welke kleur jouw haar heeft.

4 a Susan schrijft dat ze tennist en zwemt. Wat schrijft ze?

b Schrijf nu op welke sporten jijzelf doet.

5 a Hoe schrijft Susan dat ze niet erg groot is?  b Schrijf nu op of jij groot of klein bent.

6 a Hoe schrijft Susan dat ze twee zussen heeft?  b Hoe schrijft Susan dat ze geen broers heeft?  c Schrijf nu op hoeveel zussen of broers jij hebt.

7 a Hoe schrijft Susan dat haar zussen Marion en Shirley heten?

b Schrijf nu op hoe jouw broers of zussen heten.

25


UNIT 1 Friends

Lesson 2: Writing

PRACTISE MORE Do you want to practise some more with Vocabulary, Grammar and Phrases? Then you can do extra exercises on the New Interface website.

Express yourself 28

After–school activity You want to sign up for an activity after school. Answer these questions about yourself. Write down the answers. Write full (hele) sentences.

After-school activity

SIGN UP

What’s your name: How old are you:

What class are you in?

What after-school activity would you like to join? I would like to join: Have you got any experience in this activity?

yes / no

What sports do you do? What other hobbies do you have? Explain why you would like to join our club.

29

Sports club You’re a new member of a sports club. The other members would like to get to know you. They ask you to write something about yourself in the club paper (clubblad). These are some things you could write about yourself. What would you like to tell them? Tick yes or no. There are no wrong answers. yes

no

1 your name

2 your age

3 the names of your friends

4 your hobbies

5 the name of your school

6 something about your family

7 how old you are

26


UNIT 1 Friends

30

Lesson 2: Writing

Club paper Now write a story about yourself for the club paper. Use 40–50 words.

• • • • • • •

31

Stel jezelf voor: naam, leeftijd. Vertel hoe je eruitziet. Vertel iets over je familie: hoeveel broers en zussen heb je? Vertel hoe je broers en zussen heten en hoe oud ze zijn. Vertel hoe je broers of zussen eruitzien. Vertel wat je hobby’s zijn. ...

Looking back Heb je de Express yourself-opdracht af en de antwoorden vergeleken met het modelantwoord? Kijk of je de doelen bereikt hebt. Kruis het juiste vakje aan.

• •

Eenvoudige vragen over jezelf beantwoorden.

Een kort tekstje over jezelf schrijven waarin je alle punten uit de opdracht verwerkt hebt.

Je broer(s) en zus(sen) beschrijven.

of gekozen? Vraag dan je docent of een klasgenoot om hulp. Maak de Heb je ergens een opdracht daarna opnieuw en kijk of je jezelf hebt verbeterd. GET AHEAD Do you have extra time? Then do the Get ahead exercise on the New Interface website.

27


UNIT 1 Friends    Lesson 3: Listening and watching

Lesson 3: Listening and watching LEERDOELEN

• • • •

Probleem oplossen – Je kunt aangeven in welke situatie een probleem of vraag zich voordoet. A1.4 – Je kunt in korte, duidelijk gesproken teksten namen, getallen en bekende woorden verstaan (luisteren). A1.5 – Je kunt het onderwerp bepalen van een korte luistertekst of een filmpje (kijken). A2.2 – Je kunt het onderwerp bepalen van een langzaam en duidelijk gesproken gesprek (luisteren).

TRY OUT What do you already know? Do the exercises on the New Interface website. Discuss with your teacher if you can skip some of the exercises in this lesson.

Get started 32

Making new friends Answer the questions in Dutch.

1 Wat is de beste plek om nieuwe vrienden te ontmoeten? School of de sportclub? Waar kan het nog meer?

2 Bij een sleepover blijf je slapen bij vrienden. Wat is het Nederlandse woord voor een sleepover? 3 Naar wat voor films kijk je graag met vrienden?

33

When is bed time? Lees de twee vragen en schrijf de antwoorden op een apart blaadje. 1 When is it time for lights out on school nights? 2 When is it time for lights out at the weekend? Je gaat nu twee keer een rij maken met je klasgenoten op volgorde van jullie antwoorden. • Start met de leerling die het vroegst naar bed gaat. • Praat Engels met je klasgenoten om erachter te komen waar jouw plek in de rij is. • Begin met vraag 1, maak daarna een nieuwe rij voor vraag 2.

28


UNIT 1 Friends

Lesson 3: Listening and watching

Find out 34

Predicting the stories De luistertekst die je straks gaat horen gaat over logeren. Daarna bekijk je een filmpje waarin een jongen op zoek gaat naar nieuwe vrienden. Lees de woorden. bed

sleep

cool

cold

meet

bedroom

bathroom

tired

interested

father

girls

house

pick up lines

clothes

television

Welke woorden verwacht je te horen in de luistertekst A sleepover? Welke woorden verwacht je in het filmpje FriendMatch? Bedenk zelf ook nog twee woorden. A sleepover:

FriendMatch:

35

Understanding the story Read the Tip: Luisteren voorbereiden. Listen to A sleepover. Put pictures 1–6 in the correct order. TIP

Luisteren voorbereiden

Lees de inleiding en de vragen door voordat je gaat luisteren. Je hebt dan al een idee waar de luistertekst over gaat. Bedenk wat je al weet over dit onderwerp of wat je denkt dat je gaat horen.

N

N

N

1

2

3

4

5

6

Correct order: 29


UNIT 1 Friends    Lesson 3: Listening and watching

Listening to a story about a sleepover

36

Listen to A sleepover. Choose the correct answers. 1 How many steps are there in the house? a. 26 b. 62 c. 92

4 How many toilets are there in the house? a. 2 b. 7 c. 9

2 What is Katy’s hobby? a. watching television b. playing tennis c. watching tennis on TV

5 Which sentence is true? a. Ben is tired. b. Adam is tired. c. Ben and Adam are tired.

3 Where are they going to watch a film? a. in the living room b. in Ben’s room c. in the cinema downstairs

6 Which floor is Katy’s bedroom on? a. first b. second c. third

Vocabulary Match

37

Match the correct words with the numbers in the picture.

1

8

2

7

6

5

9

10

30

4

3


UNIT 1 Friends    Lesson 3: Listening and watching

Choose from: bathroom – bedroom – dining room – downstairs – entrance – furniture – living room – kitchen – upstairs – window.

38

1

6

2

7

3

8

4

9

5

10

Puzzle Use Vocabulary 1.3. Find the English translation of the words in the puzzle. Mark (markeer) the words in the puzzle and write down the English words.

1 badkamer

x

t

s

p

u

t

s

2 keuken

c w n w q q

x

r

e

r

b

3 moe

i

k

e

k

p

t

z

x

i

s

a

4 boven

n

z

e

h

i

z

c

a p

n

t

5 beneden

e

f

u

r

n

i

t

u

r

e

h

6 meubels

m u

e

c

t

s

e

f

u

h

r

a d

x

i

n

k

c

l

g

c

o

a

l

n w a

u

c

o w

t

o

o

g

o w

i

n

d

o w

i

m

h

t

a w

r

k

p

7 spannend 8 kijken 9 raam

s

m d

r

i

c

a

10 verdieping 11 wakker worden 12 bioscoop

Find out 39

Understanding a video In the video Alex and Bella are talking about Alex’s birthday. Watch FriendMatch. Write down the answers.

1 Waarom zoekt Alex nieuwe vrienden? 2 Waar vindt hij die nieuwe vrienden?

31

q


UNIT 1 Friends    Lesson 3: Listening and watching

40

Answering questions about FriendMatch Watch FriendMatch. Choose the correct answer. 1 Alex’s birthday is in ... day(s). a. one b. two c. three 2 Bella completes (vult in) Alex’s profile. Which information does she NOT mention (noemen)? a. name b. hobbies c. age 3 Bella and Alex both like ... a. tennis. b. football. c. running.

4 Why doesn’t the match with Lydia work? a. Alex doesn’t like her enough. b. Alex takes longer than 30 seconds. c. Bella doesn’t like her. 5 Why is Eric not a good match? a. He likes water sports and Alex doesn’t. b. He is from America. c. He looks like their English teacher. 6 What does Bella think of Alex’s date with Samantha? She is ... a. surprised (verrast). b. angry. c. happy for Alex.

Making a list of activities

41

Ben and Adam are having a sleepover. In the video, Alex and Bella are chatting and using an online match app.

a

What other things can Ben and Adam and Alex and Bella do when they hang out together? Make a list. Ben and Adam (listening)

b

Alex and Bella (watching)

What do you do when you hang out with your friends? Make a list of your favourite activities and things you always do together. My favourite activities are:

Together we always:

PRACTISE MORE Do you want to practise some more with Vocabulary? Then you can do extra exercises on the New Interface website.

32


UNIT 1 Friends    Lesson 3: Listening and watching

Express yourself 42

Planning a sleepover In this lesson you’ve listened to a story about a sleepover. On the internet there are lots of videos about sleepovers. Go to YouTube and look for British or American videos about sleepovers. Watch one or two of them. Answer the questions.

1 What are the videos about? What information about sleepovers do you get? 2 Are most of the sleepovers in the videos for boys or girls? 3 Which of the activities in the videos would you like to do at your own party? 4 Are there also things in the videos you don’t like, or which are not safe or could go wrong?

43

What could go wrong? Work with a classmate. Hier zijn wat dingen die mis kunnen gaan op een slaapfeest. Welke vinden jullie het ergst en welke vallen wel mee? Nummer de zinnen van 1 (ergste) tot en met 5 (valt wel mee). Schrijf het nummer achter de zin. Kunnen jullie zelf nog twee andere dingen verzinnen die mis kunnen gaan op je slaapfeestje? Schrijf ze erbij. Your mum and dad are extra strict (streng). They say lights out at ten! Some of your friends can’t stay over. You can’t find a good movie to watch. Your little sister wants to join the party. There’s not enough food. All the others fall asleep before midnight.

33


UNIT 1 Friends

44

Lesson 3: Listening and watching

What could go wrong? Work with a classmate. Read the Tip: Problemen oplossen. Lees wat er mis kan gaan op een slaapfeest. Bedenk voor minimaal drie problemen een oplossing. Schrijf je oplossing in het Engels. TIP

Problemen oplossen

Als je iets organiseert, zoals bijvoorbeeld een feestje, kan er van alles mis gaan. Dan is het handig als je alvast van tevoren bedenkt tegen welke problemen je aan kunt lopen, én hoe je die kunt oplossen.

1 2 3 4 5 6

45

Your mum and dad are extra strict. They say lights out at ten. Some of your friends can’t stay over. You can’t find a good movie to watch. Your little sister wants to join the party. There’s not enough food. All the others fall asleep before midnight.

Looking back Heb je de Express yourself-opdrachten af en de antwoorden vergeleken met het modelantwoord? Kijk of je de doelen bereikt hebt. Kruis het juiste vakje aan.

Je begrijpt waar de video's over gaan en welke informatie gegeven wordt over slaapfeestjes.

Je verstaat woorden in de video's die gaan over slaapfeestjes.

Je bedenkt drie oplossingen voor dingen die fout kunnen gaan op een slaapfeestje.

of gekozen? Vraag dan je docent of een klasgenoot om hulp. Maak de Heb je ergens een opdracht daarna opnieuw en kijk of je jezelf hebt verbeterd. GET AHEAD Do you have some extra time? Then do the Get ahead exercise on the New Interface website.

34


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

Lesson 4: Speaking LEERDOELEN

• • • • • •

Sociale en culturele vaardigheden – Je kunt inlevingsvermogen en belangstelling voor anderen tonen. A1.1 – Je kunt jezelf en anderen voorstellen en reageren als iemand voorgesteld wordt. Je kunt op een eenvoudige manier groeten en afscheid nemen (gesprek). A1.4 – Je kunt overweg met aantallen, hoeveelheden, kosten en tijden (gesprek). A1.5 – Je kunt vragen beantwoorden en stellen over jezelf en anderen, waar zij wonen, wie zij kennen, wat zij bezitten (gesprek). A1.1 – Je kunt eenvoudige informatie over jezelf geven (spreken). A1.1 – Je kunt alledaagse uitdrukkingen begrijpen die rechtstreeks tot je worden gezegd in heldere, langzame en herhaalde bewoordingen door een sympathieke spreker (luisteren).

TRY OUT What do you already know? Do the exercises on the New Interface website. Discuss with your teacher if you can skip some of the exercises in this lesson.

Get started 46

What do you find difficult? Sommige dingen zijn best lastig op een nieuwe school. Hieronder staan er een paar. Welke dingen vond jij lastig? Write down the things that were difficult for you. Choose from: • to be the youngest pupil again; • many different teachers; • finding the way in the new school; • many different new subjects; • new classmates. You can also write down other things of course.

35


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

47

My old school What was your old school like? Work with a classmate. Read the Tip: Belangstelling tonen. Tell your classmate something about your old school. TIP

Belangstelling tonen

Bij communicatie hoort ook dat je je kunt inleven in een ander. Dat kan in veel situaties belangrijk zijn. Bijvoorbeeld in een nieuwe klas waarin je elkaar nog niet zo goed kent. Je kunt dan vragen stellen om elkaar te leren kennen. Als je goed naar de antwoorden luistert en laat zien dat je iemands gevoel begrijpt, dan toon je inlevingsvermogen.

Tell your classmate: • the name of the school; • the school address (town); • the number of classrooms; • the name of your favourite teacher; • the name of your best friend. Try to make full English sentences. My old school is called … The school is in … Take turns and listen to what your classmate tells you. Ask questions.

Find out QUICK GUIDE TO STEVENSON SCHOOL

There are four buildings at Stevenson School with a square in the middle. Building A has got three floors with classrooms for geography and science. In building B are the library and classrooms for languages and technology. The C building is for maths and drama. On the other side is building D with the canteen and the gym. Outside are the tennis courts and the school sports field.

36


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

48

Stevenson School Read Quick guide to Stevenson School. Match the buildings and grounds with the subjects. Building A Building B Building C Building D Outside

• • • • •

• • • • •

library, languages, technology maths, drama tennis courts, sports field geography, science canteen, gym

NEW SCHOOL, N E W CLA SSMAT E S  Noah  Excuse me. How can I find the library?  Pete  The library? I think it’s in building B, but I’m not sure. I can go with you.  Noah  Great. Thanks. I’m Noah, by the way.  Pete  Noa, isn’t that a name for a girl?  Noah  No, it’s Noah with an h at the end. Like the French tennis player.  Pete  Really? Well, my name is Pete with an e at the end.  Noah  Is it your first week at school too?  Pete  Yeah. What school are you from?  Noah  I’m from Harrington Hill. I’m the only boy from my school here. All the others are at St. Gregory’s College.  Pete  Why are you here then?  Noah  My parents say that Stevenson is the best school in the area, so ...  Pete  Ah, parents ... What class are you in?  Noah  I’m in 1F.  Pete  That’s funny. I’m in class 1F! But you’re not in my class?!  Noah  Yes, I am, but I’m not very tall. I sit at the back of the class most of the time.  Pete  Look, isn’t that the library?  Noah  Yes, it is! Thanks for helping me.  Pete  No problem. And nice to meet you!

Glossary area

gebied

37


UNIT 1 Friends

49

Lesson 4: Speaking

Pete and Noah Listen to New school, new classmates and read along with the text. What do you know about Pete and Noah? Choose the right name(s). 1 Pete / Noah thinks the library is in building B. 2 Pete / Noah has the same name as a tennis player. 3 Pete / Noah have their first week at school. 4 Pete / Noah is from Harrington Hill. 5 Pete / Noah are in class 1F. 6 Pete / Noah is not very tall.

Vocabulary 50

Find the right words Use Vocabulary 1.4. Fill in. Note: There are two extra words. Choose from: at the back – building – languages – maths – only – outside – say – science – square. .

1 The sun is shining. Let’s go 2 I can’t hear you. Can you

it again please?

3 What’s your place in the classroom? – I always sit 4 At school we learn four

: English, French, Spanish and German.

5 Do you see that

over there? That’s my school.

6 There is a large

at our school. We often go there during the break.

7 I’m the

51

.

eleven-year-old girl in my class.

Match Use Vocabulary 1.4. Work with a classmate. One of you points at a picture. The other says the English word. Take turns. Note: There are two extra words. Choose from: canteen – classroom – geography – gym – languages – library – maths – science – square.

38


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

Grammar Grammar: To be

52

Use Grammar: To be. GRAMMAR

To be I am happy. You are happy. He / She / It is happy. We / You / They are happy.

I am not happy. You are not happy. He / She / It is not happy. We / You / They are not happy.

Am I happy? Are you happy? Is he / she / it happy? Are we / you / they happy?

Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

a

Fill in. Choose from: am – are – is – am not – isn’t / is not – aren’t / are not. Hi! I (1)

Sandy. I (2)

We (4)

from Australia. My father (5)

my mother (6)

new at this school. I (3)

a computer programmer and

a teacher. She (7)

a teacher at this school. She teaches

at Compton College. My parents (8) best friend. She (10)

both forty years old. Caro (9)

very nice. What about you? Who (11)

about yourself.

b

Work with a classmate. Use Grammar: To be and look at exercise a. Now tell your classmate something about yourself. Take turns. Example: My name is Carlotta. I’m not Dutch. I’m from Italy.

1 2 3 4 5 6

English.

Vertel hoe je heet. Vertel dat je niet Engels bent. Vertel waar je vandaan komt. Vertel hoe oud je vader is. Vertel hoe oud je moeder is. Vertel wie je vrienden zijn.

39

my you? Tell me


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

53

Grammar: Have got Work with a classmate. Use Grammar: Have got. GRAMMAR

Have got I’ve got a sister. He’s got a brother. We’ve got all day.

I haven’t got a sister. He hasn’t got a brother. We haven’t got all day.

Have you got a sister? Has he got a brother? Have we got all day?

Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

a

One of you asks a question. The other answers. Look at the example. Take turns. Example:

* Has Sophie got a dog? - Yes, she’s got a dog. Sophie / dog

b

Mike / a friend

Noah / a place at the back

they / lessons today

they / Mr Grayson for maths

Kim / a sandwich for lunch

Shannah / a big school bag

Stel de vragen aan elkaar. Verzin zelf ook nog twee vragen. Gebruik eventueel een apart blaadje om jouw vragen op te schrijven. Example:

* Have you got a dog? - Yes, I’ve got a dog. Have you got …

1 2 3 4

5 6 7 8

a friend? a place at the back? lessons today? Mrs Grayson for maths? 40

a sandwich for lunch? a big school bag? … …


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

54

Grammar: The alphabet Work with a classmate. Use Grammar: The alphabet. Your classmate says six letters in English. Write them down on a piece of paper. GRAMMAR

The alphabet a rijmt op day e rijmt op me g spreek je uit als /dzjie/ h spreek je uit als /eetsj/

i rijmt op my j spreek je uit als /dzjeei/ w spreek je uit als /double you/ y klinkt als why

Je kunt de uitgebreide uitleg in je Checkbook vinden.

55

Spell and have a conversation Read the conversation aloud (hardop). Spell the name of the village.

Where are you from?

I’m from Washford.

Sorry, can you say that again?

Washford. W-A-S-H-F-O-R-D.

Like this? Washford.

56

Yes, that’s right!

Conversation Work with a classmate. One of you uses speech card 1, the other uses speech card 11. Look at the conversation. Do it together. Then use the speech cards and do the conversation again.

• • • • •

Vervang de vetgedrukte namen door de namen op jouw speech card. Je klasgenoot luistert goed en schrijft de namen op. Controleer de antwoorden. Als de antwoorden niet helemaal goed zijn, zoek dan uit waarom. Heb jij de letters verkeerd uitgesproken of heeft je klasgenoot het niet goed verstaan? Klaar? Wissel van rol.

1 2 3

41


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

Phrases How do you say this in English?

57

Work with a classmate. Use Phrases Speaking.

a

Match sentences. Ready? Then do the conversation together. What class are you in? Where do you live? What’s your name? What school are you from? What is he like? How old are you? What are you good at? Have you got a new friend?

b

• • • • • • • •

I’m Elena. I’m twelve years old. I’m from Rotherfield Primary School. I’m in class 1B. I’m good at languages and history. Yes, his name is Pete. He is funny and he loves maths. I live in a small village called Dunster.

Now have the conversation with a classmate. One of you asks these questions. The other one answers them. Switch roles.

1 2 3 4 5 6 7 c

• • • • • • • •

What’s your name? How old are you? What school are you from? What class are you in? What are you good at? Where do you live? Have you got any brothers or sisters?

Use Phrases Speaking. Use the Tip: Zinnen schrijven. Write the sentences. TIP

Zinnen schrijven

Als je een hele zin schrijft, vergeet dan niet dat die altijd begint met een hoofdletter en altijd eindigt met een punt, een vraagteken of een uitroepteken.

1 Iemand heeft je geholpen. Wat zeg je?

2 Je begroet je vrienden op school. Wat zeg je?

3 Je wordt voorgesteld aan een nieuw lid bij je vereniging. Wat zeg je aan het einde van het gesprekje?  42


UNIT 1 Friends    Lesson 4: Speaking

4 Je wilt iemand iets vragen. Hoe trek je zijn aandacht?

5 Je zegt tegen een klasgenoot dat je niet erg goed bent in geschiedenis. Wat zeg je?

6 Je vertelt je ouders dat je 24 klasgenoten hebt. Wat zeg je?

7 Je zegt dat je weg moet. Wat zeg je?

PRACTISE MORE Do you want to practise some more with Vocabulary, Grammar and Phrases? Then you can do extra exercises on the New Interface website.

Express yourself 58

This is me Use the Tip: Elevator pitch. TIP

Elevator pitch

Als je jezelf voorstelt aan iemand kun je een elevator pitch gebruiken. Een elevator pitch is een korte beschrijving van jezelf die je al hebt voorbereid. Als je dan iemand in de lift (elevator) tegenkomt die je heel interessant (of knap) vindt, heb je je verhaal meteen bij de hand. Het is ook heel handig bij een speeddate! Schrijf wat dingen over jezelf op, streep weg wat niet belangrijk is en houd alleen de vier meest interessante zinnen over jezelf over. Leer die uit je hoofd.

Write your own elevator pitch. Write four to six sentences about yourself in which you say: • your name and age; • where you are from; • what your old school was; • what you are good at. Come up with two other things about yourself which you find interesting and make you different from others (for instance: ‘I’ve got very long hair’ or ‘I’ve got football training four times a week!’).

43


UNIT 1 Friends

Lesson 4: Speaking

Information about classmates

59

Werk samen met drie klasgenoten die je nog niet zo goed kent. Je gaat elkaar vragen stellen over jullie elevator pitches. Met de antwoorden die je krijgt, vul je kaartjes in.

60

a

Bereid je voor. Vraag ook of je klasgenoten nog twee dingen kunnen vertellen over zichzelf die bijzonder of anders zijn. Stel vragen over: • name; • age; • old school; • is from; • is good at; • two things that make them different from others.

b

Stel je vragen in het Engels. Je klasgenoten geven antwoord. Vul met de antwoorden de kaartjes in. Name:

Name:

Name:

Age:

Age:

Old school:

Old school:

Is from:

Is from:

Is good at:

Is good at:

Two special things:

Two special things:

Age:

Old school: Is from:

Is good at:

Two special things:

Looking back Heb je de Express yourself-opdrachten af en de antwoorden vergeleken met het modelantwoord? Kijk of je de doelen bereikt hebt. Kruis het juiste vakje aan.

• • •

Informatie schrijven en geven over jezelf in het Engels.

Goede vragen bedenken en stellen aan drie klasgenoten.

Informatie over drie klasgenoten noteren op een kaartje.

of gekozen? Vraag dan je docent of een klasgenoot om hulp. Maak de Heb je ergens een opdracht daarna opnieuw en kijk of je jezelf hebt verbeterd. GET AHEAD Do you have extra time? Then do the Get ahead exercise on the New Interface website.

44


UNIT 1 Friends    Lesson 5: Project

Lesson 5: Project LEERDOELEN

Je past je life én language skills toe in een project.

Play the speed date game

Introduction In dit project ga je na de voorbereiding in groepjes van vier een speeddatespel spelen. Daarna gaat één leerling uit elk groepje het spel met de rest van de klas spelen. Door je goed voor te bereiden en het spel eerst in een klein groepje een paar keer te oefenen kan jouw groepje het beste van de klas worden.

Think of a situation Gebruik je fantasie en bedenk een situatie waarin je jezelf moet voorstellen in 10-15 minuten. Maak notities in het Engels op een los vel papier. Bedenk: • de situatie; • waar je bent; • aan wie je je moet voorstellen; • waarom je je moet voorstellen aan deze persoon of groep mensen. Example: Situation: joining a new football team Where are you: at the sports field Who is/are with me: my new team members Why introduce myself: I’m new in this team Bedenk ook wat in deze situatie belangrijk is om over jezelf te vertellen. Schrijf dit in het Engels op. Schrijf dit ook op een los vel papier. Important to tell: I’m good at football. I’m fourteen years old. ... Als iedereen klaar is, kun je aan de speeddate beginnen. 45


UNIT 1 Friends

Lesson 5: Project

Do the speed dates Maak twee tweetallen. Met iemand uit je groepje speel je het spel. • Je stelt jezelf voor met de gegevens uit de lijst important to tell. Vertel NIET wat de situatie is! • Je klasgenoot mag vragen stellen in het Engels om erachter te komen wat de situatie is. • Als het antwoord geraden is, wissel je van rol. • Als jullie speeddate klaar is maak je een nieuw tweetal tot je met de iedereen uit je groepje gespeeld hebt.

Discuss Neem drie minuten voor overleg met je groepje. Bepaal samen wie de leukste of meest verrassende situatie had bedacht. Diegene gaat het speeddatespel spelen namens jullie groepje met de rest van de klas. Geef nog tips mee om het lijstje of de situatie te verbeteren. Iemand anders uit jullie groepje mag helpen door te bepalen wie uit de klas een vraag mag stellen. Bepaal samen wie die persoon gaat zijn.

Play with your class Nu stelt de winnaar van elk groepje zich op dezelfde manier voor aan de hele klas en speelt het spel. De helper staat er ook bij en bepaalt wie een vraag mag stellen. Als alle groepjes zijn geweest en de situaties bekend zijn bepaal je welk groepje de leukste of interessantste situatie had. De meeste stemmen gelden en je stemt niet mee voor je eigen groepje.

Looking back Heb je het project afgerond? Vul dan het beoordelingsmodel in. Heb je de doelen bereikt?

• • • • •

Een interessante situatie bedenken waarin je jezelf moet voorstellen.

Belangstelling tonen voor anderen.

Goed communiceren om achter de juiste situatie te komen.

Goede vragen bedenken en stellen.

Verstaanbaar Engels gebruiken wanneer je jezelf voorstelt en vragen stelt.

De juiste Engelse woorden en grammatica gebruiken tijdens het voorstellen en vragen stellen.

Goed naar elkaar luisteren tijdens het overleg in je groepje.

46


UNIT 1 Friends    Lesson 5: Project

Room for improvement Kies het juiste antwoord voor jou. Heb je ingevuld dat je nog niet tevreden bent over een onderdeel? Bedenk dan waar je in het vervolg aandacht aan wilt besteden. ◯◯ ◯◯ ◯◯ ◯◯ ◯◯ ◯◯ ◯◯ ◯◯

Voorbereiden Inhoud Samenwerken Luisteren naar elkaar Woordenschat Grammatica Phrases Iets anders:

SELF-TEST After the lessons you can do the Self-test on the New Interface website.

47