Feniks bovenbouw 3-4 vmbo-kgt| Historisch overzicht vanaf 1848 en staatsinrichting

Page 1

Historisch Overzicht vanaf 1848 en Staatsinrichting Geschiedenis voor de bovenbouw 3|4 vmb0-kgt

Geschiedenis voor de bovenbouw 3|4 vmb0-kgt

Historisch Overzicht vanaf 1848 en Staatsinrichting 3|4 vmb0-kgt

TM Feniks_bb_HO_kgt_omslag.indd 1

12/10/17 13:06


TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 1

12/10/17 13:45


Inhoud

Zo werk je met Feniks  4

1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Nederland van 1848 tot 1914  6 Oriëntatie  6 Een nieuwe grondwet  8 Werken en wonen  17 Een verzuilde samenleving  24 Gelijke rechten voor iedereen?  30 Afsluiting  36 Examentraining  39

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

De Koude Oorlog (1945-1989)  124 Oriëntatie  124 Een verdeelde wereld  126 Crises tijdens de Koude Oorlog  132 Internationale samenwerking  137 Nederland in de Koude Oorlog  142 Afsluiting  148 Examentraining  151

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918)  68 Oriëntatie  68 Spanningen in Europa  70 Een gruwelijke oorlog  47 Een nieuw Europa  53 Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog  59 Afsluiting  64 Examentraining  67

6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Naar een nieuwe eeuw  152 Oriëntatie  152 Een nieuw Europa?  154 Nieuwe bedreiging voor de vrede  159 De Europese Unie  164 Nederland na de Koude Oorlog  171 Afsluiting  176 Examentraining  179

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Het interbellum (1919-1939)  68 Oriëntatie  68 Leven in de Sovjet-Unie  70 Crisis en ontevredenheid  75 Adolf Hitler aan de macht  81 Nederland in het interbellum  87 Afsluiting  92 Examentraining  95

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

De Tweede Wereldoorlog (1939-1945)  96 Oriëntatie  96 Duitsland begint een nieuwe oorlog  98 De bezetting van Nederland  103 Duitsland verliest, maar de prijs is hoog  109 Nederlands-Indië wordt Indonesië (GT)  115 Afsluiting  120 Examentraining  123

Onderzoeksopdracht  180 Examentraining  182 Kaartopdracht  186 Hulpmiddelen  188 Leeswijzer tekstbronnen  188 Kijkwijzer spotprenten  188 Stappenplan onderzoek  193 Vaardighedenoverzicht  194 Tijdvakken  198

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 3

12/10/17 13:45


4

Zo werk je met Feniks Voor je ligt het Historisch Overzicht vanaf 1848 en Staatsinrichting. Dit zijn de onderwerpen die je voor het centraal schriftelijk eindexamen geschiedenis gaat bestuderen. Achter in dit boek vind je ook een overzicht van de onderwerpen voor het schoolexamen. Voor elk onderwerp heeft Feniks een apart boekje met tekst en opdrachten. Veel plezier met het vak geschiedenis en succes op het examen! De hoofdstukken Een hoofdstuk van Feniks bestaat uit de volgende onderdelen. Oriëntatie In de Oriëntatie vind je de hoofdvraag van het hoofdstuk. Deze vraag kun je aan het eind van het hoofdstuk beantwoorden. Als je de opdrachten van de Oriëntatie maakt en de teksten leest, weet je waarover het hoofdstuk gaat. Op de tijdbalk zie je het tijdvak waarin dit hoofdstuk zich afspeelt. Paragraaf 1 t/m 4 Elke paragraaf begint met een deelvraag. Deze vraag staat centraal in deze paragraaf. Je maakt opdrachten, je leest teksten en tekstbronnen en je bekijkt beeldbronnen, zodat je aan het eind van de paragraaf de deelvraag kunt beantwoorden. In Wie was …? lees je over de belangrijkste historische personen uit deze periode. De begrippen die je moet leren, staan in de tekst vetgedrukt. Op dezelfde pagina of de pagina ernaast vind je de uitleg van het begrip. Er zijn verschillende soorten opdrachten. Vat samen

helpt je om de deelvraag te beantwoorden en de kern van de paragraaf samen te vatten.

Je oefent: …

gaat over een vaardigheid, iets wat je moet kunnen. Je oefent bijvoorbeeld met het beoordelen van de betrouwbaarheid van een bron. Een uitleg van de vaardigheden vind je achter in dit boek en op www.thiememeulenhoff.nl/feniksvmbo.

Verdieping

betekent dat je iets extra’s over het onderwerp leert.

Havo-opdracht is voor jou als je erover denkt om naar de havo te gaan of als je graag een moeilijkere opdracht wilt proberen. Deze opdracht laat je alvast kennismaken met het soort vragen dat je op de havo bij het vak geschiedenis krijgt. Probeer het maar eens!

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 4

betekent dat je deze opdracht samen kunt doen.

betekent dat je bij de opdracht de computer nodig hebt, omdat je iets online moet opzoeken of omdat er informatie op www.thiememeulenhoff.nl/feniksvmbo staat.

12/10/17 13:45


5

Paragraaf 5 Afsluiting In de Afsluiting vind je alles wat je moet weten op een rij. Met de opdrachten in de Afsluiting kun je de hoofdvraag van dit hoofdstuk beantwoorden. Op de tijdbalk staan de belangrijkste gebeurtenissen uit de periode waarover dit hoofdstuk gaat. Ook de begrippen en de belangrijkste personen staan hier op een rij. Gebruik dit overzicht bij het voorbereiden van een toets of het examen. Examentraining Aan het einde van elk hoofdstuk vind je het onderdeel Examentraining. Met de opdrachten in dit onderdeel kun je oefenen voor het examen. Het zijn echte examenopdrachten die al eens op een examen zijn gebruikt. Met deze opdrachten bereid je je goed voor op het examen. Aanvullende onderdelen Naast de hoofdstukken bevat dit boek nog aanvullende onderdelen. Onderzoeksopdracht In de onderzoeksopdracht leer je over een onderwerp door zelf op onderzoek uit te gaan. Dit doe je aan de hand van een onderzoeksvraag. Door bronnen te onderzoeken kun je aan het eind van de opdracht de onderzoeksvraag beantwoorden. Examentraining In elk examen staan enkele opdrachten die niet over de periode van één hoofdstuk gaan, maar over het hele Historisch Overzicht, of over een deel ervan. In het onderdeel Examentraining aan het eind van dit boek staat dat soort opdrachten. Kaartopdracht Op je examen moet je aan de kaart van Europa kunnen zien uit welke periode van de twintigste eeuw deze komt. Met deze kaartopdracht oefen je dat. Belangrijke personen Alle belangrijke personen vanaf 1848 die je moet kennen voor je examen staan in het overzicht Belangrijke personen nog eens op een rij. Hulpmiddelen Het onderdeel Hulpmiddelen bevat een leeswijzer waarmee je tekstbronnen kunt beoordelen, een aantal vragen om beeldbronnen te analyseren en een kijkwijzer om spotprenten te analyseren. Vaardighedenoverzicht De vaardigheden die je op je examen moet beheersen, staan hier op een rij met een korte beschrij­ving.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 5

12/10/17 13:45


6

1 Nederland van 1848 tot 1914

1

Nederland van 1848 tot 1914

hoofdvraag Welke ontwikkelingen maakte Nederland door in de periode 1848-1914?

bron 1

Een demonstratie in 1916. Op de wagen staat ‘Algemeen vrouwenkiesrecht in de grondwet’.

Waarover gaat dit hoofdstuk? bron 1

Bijschrift.

In het jaar 1848 werd de grondwet van Nederland herzien. De belangrijkste verandering was dat de macht in ons land anders werd verdeeld. Tot 1848 had de koning bijna alle macht in handen. Zijn wil was wet. Was hij het niet eens met de ministers, dan luisterde hij gewoon niet naar ze. Door de nieuwe grondwet kreeg de koning minder macht. Een klein deel van de mannen kreeg kiesrecht, dat wil zeggen dat zij mochten meebeslissen over het bestuur van het land. Later in de negentiende eeuw kregen meer mannen kiesrecht. In 1919 gold dat recht ook voor vrouwen. Nederland werd dus steeds democratischer. Maar dat ging niet vanzelf: verschillende groepen mensen hebben hard moeten strijden om te zorgen dat er ook politici kwamen die goed voor hún belangen opkwamen. In dit hoofdstuk leer je over die strijd en over de gevolgen daarvan voor Nederland in onze tijd.

3000 v. Chr.

1

v. Chr.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 6

500

n. Chr.

12/10/17 13:45


7

Oriëntatie

Opdrachten 1

Lees: Waarover gaat dit hoofdstuk?

2

Bekijk: bron 1, 2 en 3

a Welke grote verandering bracht de grondwets­ herziening van 1848? b Nederland werd dus steeds democratischer. Leg uit wat met deze zin in de tekst bedoeld wordt.

bron 2

bron 2

Bijschrift.

Tot 1917 was er alleen kiesrecht voor mannen die rijk genoeg waren om een bepaald bedrag aan belasting te betalen. Dit bedrag heet census. Tekening uit 1902.

a Maak de zin af. Bron 1, 2 en 3 gaan alle drie over ... b Wat heeft het onderwerp van opdracht a te maken met: 1 de Tweede Kamer 2 verkiezingen 3 democratie? c Gebruik de ‘Kijkwijzer spotprenten’ op pagina 188 van dit boek. Beantwoord voor bron 2 zo veel mogelijk van de vragen. d Kies het juiste woord. In 1902 hadden arme mannen wel / geen kiesrecht. Rijke mannen hadden dat wel / niet. e Hadden vrouwen in 1916 kiesrecht, volgens bron 1? f Neem het schema over en kruis de juiste vakjes aan. Gebruik bron 1, 2 en 3, en je antwoorden bij opdracht d en e. Wie hebben kiesrecht? rijke mannen

arme mannen

vrouwen

kinderen

1902 1916 2014

3

Bekijk: de tijdbalk

4

Het belang van dit onderwerp

a In welke twee tijdvakken valt de periode waarover dit hoofdstuk gaat? b In welke twee eeuwen valt de periode van dit hoofdstuk?

bron 3

Kinderen hebben geen kiesrecht. Wél mag dit meisje haar moeder ‘helpen’ met stemmen. Foto uit 2014.

1000

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 7

De politiek besluit over veel onderwerpen die jou aangaan. Geef daarvan drie voorbeelden.

1500

1600

1700

1800

1900 1950 2000

12/10/17 13:45


8

1 Nederland van 1848 tot 1914

1.1

Een nieuwe grondwet

deelvraag Welke gevolgen had de grondwet van 1848 voor het bestuur van Nederland?

Revolutiejaar 1848 1848 was een onrustig jaar in Europa. In veel steden kwamen mensen in opstand. Zij eisten meer inspraak in het bestuur. In Frankrijk kwam zelfs een revolutie, waarbij opstandelingen de koning afzetten. Daardoor was dat land niet langer een monarchie maar een republiek. Ook het Nederlandse volk had in die tijd nauwelijks invloed op de politiek. Koning Willem II besliste vrijwel alles zelf. Er waren wel ministers en een parlement, maar zij hadden weinig te vertellen. Een groep rijke burgers vond dit oneerlijk: zij mochten nergens over meepraten, terwijl zij wĂŠl belasting moesten betalen. Deze liberalen wilden dat de burgers meer macht kregen en de koning minder. De overheid zou moeten zorgen voor orde en veiligheid in het land en zich verder zo weinig mogelijk moeten bemoeien met het leven van de burgers. Daardoor zou er meer vrijheid zijn voor mensen, zodat iedereen in zijn leven kon bereiken wat hij wilde. Om dit te regelen, moest de grondwet worden veranderd. Toen er ook in Nederland rellen uitbraken, gaf koning Willem II een groep mensen de opdracht om een grondwetsherziening te schrijven. De leider van deze groep mensen was de liberale politicus Johan Thorbecke.

bron 4

grondwet Belangrijkste wet van een land waarin staat hoe het land wordt bestuurd en wat de rechten van de inwoners zijn. liberalen Politieke groep die vindt dat ieder mens zo veel mogelijk vrijheid moet hebben. De overheid moet zich daarom zo weinig mogelijk met de samenleving en de economie bemoeien. monarchie Land met een koning of keizer als staatshoofd. parlement In Nederland: de Eerste Kamer en Tweede Kamer, samen ook de Staten-Generaal genoemd. republiek Land zonder koning. In een republiek is vaak een president het staatshoofd.

Berlijn in maart 1848.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 8

12/10/17 13:45


9

1.1 Een nieuwe grondwet

Wie was Johan Thorbecke?

Wie waren Willem II en Willem III?

De liberaal Johan Thorbecke (1798-1872) werd in 1844 lid van de Tweede Kamer. Hij probeerde de koning ervan te overtuigen dat de macht in Nederland anders verdeeld moest worden, maar de koning wilde dat niet. Vier jaar later veranderde Willem II van mening en hij vroeg Thorbecke de grondwet te wijzigen. Het parlement kreeg toen meer macht en de koning minder. Thorbecke vond dat alleen rijke en goed opgeleide burgers verstand konden hebben van politiek. Daarom kregen alleen mensen die rijk genoeg waren om minimaal een bepaald bedrag aan belasting te betalen kiesrecht. Dit beperkte kiesrecht heet censuskiesrecht. Thorbecke was tot aan zijn dood in 1872 afwisselend minister en Tweede Kamerlid.

Koning Willem I werkte vaak achttien uur per dag, omdat hij alles zelf wilde regelen. Hij negeerde het parlement en beschouwde de ministers als zijn hulpjes. Zijn zoon vond dat het volk meer invloed moest hebben op het bestuur. Maar toen deze in 1840 zelf koning werd, wilde Willem II (1792-1849) net zo min de macht met iemand delen als zijn vader vóór hem. In 1848 veranderde dat. De nieuwe grondwet beperkte de macht van de koning, want in een constitutionele monarchie moet iedereen zich aan de wet houden, ook de koning. Al een jaar na invoering van de nieuwe grondwet overleed Willem II. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, Willem III (18171890). Deze vond de grondwet maar niets. Hij wilde weer terug naar de situatie van vóór 1848 en, net als zijn grootvader, zélf alle macht in handen hebben. Willem III kon de grondwet echter niet meer ongedaan maken. Daarin was namelijk de ministeriële verantwoordelijkheid geregeld. Dit betekent dat de koning niets mag doen of zeggen waarmee de ministers het oneens zijn. Willem III had regelmatig woedeaanvallen en ook met minister Thorbecke maakte hij vaak ruzie. Toen Willem III eens een wet moest ondertekenen waarmee hij het niet eens was, brak hij woedend zijn pen in tweeën. ‘Majesteit, daar had ik op gerekend’, zei Thorbecke kalm en haalde een nieuwe pen uit zijn zak.

Verdeelde macht Door de grondwet van Thorbecke werd Nederland een parlementaire democratie. Elke vier jaar bepalen de Nederlanders die kiesrecht hebben wie er namens hen het land mogen besturen. De volksvertegenwoordiging – het parlement – heeft sinds 1848 veel macht, maar niet alle macht. De macht is in ons land namelijk in drie stukken opgedeeld: • De macht om wetten te maken en wetten te veranderen, heet de wetgevende macht. Deze is in handen van het parlement. • De macht om wetten uit te voeren, heet de uitvoerende macht. De regering heeft deze macht. • De macht om mensen te straffen die zich niet aan de wet houden, is de rechterlijke macht. Deze is in handen van rechters. Iemand kan maar bij een van de drie machten horen. Je mag bijvoorbeeld niet tegelijkertijd rechter én Tweede Kamerlid zijn. Door de verdeling van de machten kan nooit één persoon of één groep alle macht in handen krijgen.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 9

censuskiesrecht Alleen mensen die vanaf een bepaald bedrag aan belasting betalen, mogen stemmen. constitutionele monarchie Koninkrijk met een grondwet (constitutie). kiesrecht Recht om bij verkiezingen een stem uit te brengen. ministeriële verantwoordelijkheid De ministers zijn verantwoordelijk voor de politieke daden en politieke uitspraken van de koning. parlementaire democratie Democratie waarin burgers via gekozen volksvertegenwoor­ digers invloed hebben op het bestuur. regering De koning en de ministers. De ministers hebben de uitvoerende macht.

12/10/17 13:45


10

1 Nederland van 1848 tot 1914

Kiezers

Parlement

Regering

Eerste Kamer (75 zetels)

Kiezers

Tweede Kamer (150 zetels)

Provinciale Staten Gemeenteraad

Koning

Koning

+ Enkele politieke partijen die samen een meerderheid hebben in de Tweede Kamer, bepalen wie in de regering komen

Ministers

Ministers Kiezers

bron 5

Kiezers

Kiezers

Burgers met kiesrecht

Het politieke stelsel van Nederland.

Koning

Koning

Koning

Klassieke grondrechten

Coalitie en oppositie

Wat als de overheid als geheel – dus de drie machten Ministers Ministers Ministers samen – te machtig wordt? Dat kan nare gevolgen hebben, want een machtige overheid kan burgers gaan onderdrukken. Om dat te voorkomen, waren er al voor de tijd van Thorbecke klassieke grondrechten in de grondwet opgenomen. De belangrijkste zijn: • Vrijheid van godsdienst. Je mag geloven wat je wilt. • Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van drukpers. Je mag alles zeggen en schrijven zolang je niet discrimineert of aanzet tot haat. Thorbecke nam deze grondrechten in zijn nieuwe grondwet over en voegde er nog enkele aan toe: • Vrijheid van vereniging en vergadering. Mensen mogen zich organiseren en bij elkaar komen om met elkaar te praten. • Vrijheid van onderwijs. Iedereen mag een school beginnen, mits het niveau van het onderwijs voldoende is om een diploma te halen. Iedereen mag ook voor zijn kinderen de school kiezen waarvan het onderwijs het best past bij zijn ideeën of geloof. Waarom zijn grondrechten zo belangrijk? Ten eerste omdat ze burgers beschermen tegen de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden. Door de grondrechten mag de overheid burgers dus niet discrimineren of een geloof verbieden. Ten tweede kan er nooit een wet worden aangenomen die in strijd is met de grondrechten. Iedere nieuwe wet moet kloppen met de grondrechten, dus met de belangrijkste afspraken die in ons land gelden en die in de grondwet staan.

In de tijd van Thorbecke waren er in ons land nog geen politieke partijen. Je stemde op een persoon omdat je zijn ideeën goed vond. In onze tijd is een politicus lid van een politieke partij. Dat betekent dat hij zich moet houden aan de ideeën van die partij. Na de verkiezingen worden de zetels van de Tweede Kamer verdeeld. Als een partij twaalf zetels haalt, dan komen er namens die partij twaalf mensen in de Tweede Kamer. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij de meerderheid van de zetels kreeg. Wie mag dan het land besturen als er geen meerderheid is? Zonder de steun van een meerderheid in de Tweede Kamer is regeren vrijwel onmogelijk. Daarom gaan vertegenwoordigers van de partijen met elkaar praten. Als de grootste politieke partij met enkele andere partijen een meerderheid in de Tweede Kamer heeft en deze partijen het met elkaar eens zijn over de meeste onderwerpen, kunnen zij een coalitie vormen. De partijen die niet in de coalitie zitten, worden de oppositie genoemd. De regering bestaat uit mensen uit de coalitiepartijen, ook wel regeringspartijen genoemd.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 10

12/10/17 13:45


11

1.1 Een nieuwe grondwet

bron 6

Het Binnenhof in Den Haag. Hier vergaderen onder meer de Eerste Kamer, de Tweede Kamer en de regering. Ook zijn er honderden kantoorruimtes voor politici en ambtenaren. Het ronde torentje links op de foto is de werkkamer van de minister-president.

Taken van het parlement

Een minister of een Tweede Kamerlid doet een wetsvoorstel. Stap 2 De Tweede Kamer stemt over het voorstel.

Voor

Tegen

Stap 3 De Eerste Kamer stemt over het voorstel.

Voor

Tegen

Stap 4 De nieuwe wet wordt aaangenomen. bron 7

Van wetsvoorstel tot wet.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 11

De minister of het Tweede Kamerlid moet het voorstel aanpassen.

Stap 1

De minister of het Tweede Kamerlid moet het voorstel aanpassen.

Het parlement – de Eerste en Tweede Kamer samen – heeft twee taken. 1 Het maken en goedkeuren van wetten. De Tweede Kamer heeft daarbij twee rechten die de Eerste Kamer niet heeft: • Recht van amendement. Leden van de Tweede Kamer mogen een wetsvoorstel van een minister wijzigen of aanvullen. • Recht van initiatief. Leden van de Tweede Kamer mogen zélf een wetsvoorstel indienen. 2 Het controleren van de regering. Het parlement heeft daarvoor drie rechten: • Recht van budget. De ministers moeten het parlement vertellen waaraan zij het geld van de belastingen besteden. Het parlement moet die bestedingen goedkeuren. • Recht van interpellatie. Het parlement mag een minister om informatie vragen. De minister is verplicht die informatie te geven en hij moet daarbij eerlijk en volledig zijn. • Recht van enquête. Het parlement kan buiten de minister om zelf een onderzoek laten doen naar iets. coalitie Politieke partijen die samen de regering vormen. klassieke grondrechten Vrijheidsrechten die burgers beschermen tegen de overheid. oppositie Politieke partijen die niet tot de regeringspartijen behoren.

12/10/17 13:45


12

Problemen om Luxemburg

1 Nederland van 1848 tot 1914

GT

Willem III was behalve koning van Nederland ook groothertog van Luxemburg. Dat land was lid van de Duitse Bond. In die tijd bestond het land Duitsland nog niet. Wel waren er een heleboel Duitse landen en landjes die met elkaar samenwerkten. Ze noemden hun samenwerking de Duitse Bond. Frankrijk werd ongerust toen de Duitse Bond steeds machtiger werd en wilde daarom Luxemburg kopen. Zonder Luxemburg zou de Duitse Bond een deel van zijn macht verliezen, zo was het idee. Willem III stemde in met het plan en ook zijn ministers vonden het goed. Willem III stuurde zijn zoon naar Parijs om het te regelen. Maar de leider van de Duitse Bond ontdekte het plan en verklaarde dat dit een reden tot oorlog was. Op een vergadering in Londen werd de zaak gesust: Luxemburg zou niet meer bij de Duitse Bond horen, maar ook niet aan Frankrijk verkocht worden. Daarmee werd een oorlog voorkomen. De Luxemburgse Kwestie kreeg in Nederland een politiek gevolg. Koning en ministers hadden het parlement niet ingelicht over de plannen voor de verkoop van Luxemburg en over de oorlogsdreiging. Het parlement hoorde dit pas achteraf. De parlements­ leden vonden dat zij geen regering konden controleren die belangrijke informatie achterhield. Daarom moest de regering aftreden, besloot het parlement. Maar de ministers weigerden dat en Willem III steunde hen daarin. Tegen de koning kon het parlement niets ondernemen, want volgens de grondwet is de koning onschendbaar. Maar de ministers tot aftreden dwingen kon het parlement wel, namelijk door alle financiÍle plannen af te keuren. De regering kon daardoor geen geld meer uitgeven en kon dus niet meer regeren. De enige oplossing was toen: vertrekken. Sindsdien neemt een regering altijd ontslag als de meerderheid van het parlement dat wil.

onschendbaar Hier: de koning is niet verantwoordelijk voor zijn politieke daden of politieke uitspraken.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 12

GT

12/10/17 13:45


13

1.1 Een nieuwe grondwet

1.1

Opdrachten

1

Dit weet je al

2

Lees: Revolutiejaar 1848

a Welke politieke partijen kennen jullie? b Op welke politieke partij zou jij nu stemmen? Waarom juist op die partij? c Zijn de volgende zinnen goed of fout? Bespreek het samen. Verbeter de foute zinnen, maar zoek daarvoor niet eerst informatie op. Verbeter dus de zinnen met wat je nú weet. 1 De leden van de Tweede Kamer worden ook wel ministers genoemd. 2 Ministers zijn de hulpjes van de koning. 3 Ministers worden tijdens verkiezingen gekozen door burgers van achttien jaar en ouder. 4 Nederland is een republiek. 5 De leden van de Tweede Kamer moeten doen wat de koning wil. a Wat is het verschil tussen een monarchie en een republiek? b Welke zinnen over de liberalen in de negentiende eeuw zijn waar? A Liberalen wilden liever een republiek dan een monarchie. B Liberalen wilden dat de overheid goed voor hen zorgde. C Liberalen wilden dat de overheid hen zo veel mogelijk met rust liet. D Liberalen wilden dat burgers meer macht kregen en de koning minder. c Leg de zinnen uit die je koos bij opdracht b: waarom wilden de liberalen dat? d In 1848 braken er in veel Europese steden rellen uit. Wat wilden de relschoppers bereiken? e Denk je dat de liberalen het eens waren met de relschoppers? Leg je antwoord uit. f Hoe reageerde koning Willem II toen er in Nederland rellen uitbraken? g Vind je dat een verstandige reactie, of juist niet? Leg je mening uit.

3

Bekijk: bron 4 Je oefent: bruikbaarheid van bronnen

a Van welk land is Berlijn in onze tijd de hoofdstad? b Welk woord vind jij het best passen bij bron 4? Kies uit: demonstratie / rellen / opstand / oorlog / anders, namelijk ... c Leg je keuze bij opdracht b uit aan de hand van minstens twee beeldelementen.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 13

d Lees: bron 8. Ook in Amsterdam was het onrustig. Wat deed de overheid hiertegen, volgens bron 8? e Vindt de schrijver van bron 8 de gebeurtenissen die hij beschrijft goed of niet goed? Leg uit door welk woord je dat weet. f Stel, je doet onderzoek naar de gebeurtenissen in 1848. De onderzoeksvraag is: Hoe verliepen de rellen en opstanden in 1848? Zijn bron 4 en 8 bruikbaar voor je onderzoek? Leg je antwoord uit. g Je doet opnieuw een onderzoek naar de gebeurtenissen in 1848. Nu is de onderzoeksvraag: Wat waren de oorzaken van de rellen en opstanden in 1848? Zijn bron 4 en 8 bruikbaar voor je onderzoek? Leg je antwoord uit. h Bedenk zelf nog een onderzoeksvraag waarvoor bron 4 en bron 8 bruikbaar zijn. bron 8

Uit een nieuwsbericht van 24 maart 1848: ‘Reizigers die met de laatste spoortrein zijn aangekomen, vertellen dat in Amsterdam relschoppers bij den burgemeester de ruiten hebben ingeworpen. Bij een zilversmid zijn de kasten gestolen, ook een schoenmakerswinkel is geplunderd; een agent van politie is deerlijk mishandeld; militaire patrouilles te paard en te voet doorkruisen den stad. Den reiziger heeft dit in zijn reis door de stad gezien, wie weet hoe het er elders uitziet.’ Naar: www.geheugenvannederland.nl.

4

Lees: Wie was Johan Thorbecke?

5

Lees: Wie waren Willem II en Willem III?

a Leg uit waarom Thorbecke de grondlegger van de Nederlandse democratie wordt genoemd. (Zoek eventueel de betekenis van het woord grondlegger op.) b Hoe democratisch vind jij Thorbecke? Leg je antwoord uit. a De liberalen verwachtten dat Willem II, toen hij koning werd, de macht in het land anders zou verdelen. Waarom verwachtten ze dat? b Welke zin is juist? In een constitutionele monarchie ... A staat de koning boven de grondwet. B staat de grondwet boven de koning. C staan de ministers boven de koning.

12/10/17 13:45


14

1 Nederland van 1848 tot 1914

1. c Eén koning kreeg als bijnaam ‘koning Gorilla’. Was dat

Willem II of Willem III, denk je? Haal uit de tekst een argument voor je mening. d Waarom kon Willem III de grondwet niet gewoon afschaffen? Hij was toch koning? e Wat heeft opdracht d te maken met het begrip ministeriële verantwoordelijkheid? f Op Prinsjesdag leest de koning de troonrede voor. In die toespraak worden de plannen van de regering voor het komende jaar bekendgemaakt. De koning schrijft de troonrede niet zelf, dat doen de ministers. Bedenk waarom dat is. Gebruik het begrip ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ in je antwoord.

6

Lees: Verdeelde macht, en bekijk: bron 5 en 6

a De leden van de volksvertegenwoordiging worden gekozen door mensen met kiesrecht. Nederland heeft op drie niveaus een volksvertegenwoordiging. Welke zijn het? 1 Lokaal (plaatselijk): ... 2 Per provincie: ... 3 Landelijk: ... b De Eerste Kamer wordt indirect gekozen door het volk. Leg deze zin uit. c Welke drie machten zijn er? d Vul de zinnen in. Kies steeds uit je antwoorden bij opdracht c de juiste macht. 1 Een minister heeft ... macht. 2 De gemeenteraad heeft ... macht. 3 De Eerste Kamer heeft ... macht. 4 Het parlement heeft ... macht. 5 De regering heeft ... macht. e Welke twee machten vergaderen op het Binnenhof? Leg je antwoord uit. f Iemand kan nooit tegelijkertijd bij twee machten horen. Lees de laatste zin van ‘Wie was Johan Thorbecke?’ nog eens. Hoe kan het dat hij minister én Tweede Kamerlid was?

7

Lees: Klassieke grondrechten

a Maak de zin af. Klassieke grondrechten zijn bedoeld om burgers te beschermen tegen ... b Welke klassieke grondrechten stonden al vóór 1848 in de grondwet? c Welke kwamen er in 1848 bij? d Welke van de klassieke grondrechten van opdracht b en c vind jij het minst belangrijk? Leg je keuze uit. e Welke vind je het belangrijkst? Waarom?

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 14

8

Lees: Coalitie en oppositie

a Hoeveel zetels heeft de Tweede Kamer? Kijk hiervoor in bron 5. b De meerderheid is de helft plus één. Welk aantal zetels is een meerderheid in de Tweede Kamer? c Gebruik bron 9. Hebben de politieke partijen PvdA en VVD samen een meerderheid? d Na de verkiezingen van 2012 gingen de PvdA en de VVD met elkaar overleggen. Over de meeste onderwerpen werden ze het eens. De PvdA en de VVD vormden een coalitie. Wat is een coalitie? e Leg uit waarom een politieke partij die aan een coalitie deelneemt, niet al zijn verkiezingsbeloften kan waarmaken. f Stel dat de PvdA en de VVD het in 2012 niet eens waren geworden. Er was dan een coalitie van andere partijen gekomen. Bijvoorbeeld een coalitie van: PvdA + SP + D66 + CDA. Hoeveel zetels zou die coalitie hebben? g Bedenk nog een mogelijke coalitie. Schrijf je berekening erbij.

50+ (2)

GL (4) PvdD (2) D66 (12) PvdA (38)

SP (15)

bron 9

VVD (41) CDA (13)

CU (5) SGP (3) PVV (15)

Zetelverdeling in de Tweede Kamer na de verkiezingen van 2012.

9

a Wat is de oppositie? b Neemt de regering een maatregel waarmee de oppositie het oneens is, dan zal de oppositie er veel kritiek op hebben. De regering weet dat. Leg uit dat dankzij de oppositie de kwaliteit van het bestuur beter wordt. c Lees bron 10. Hoe blijkt uit de eerste zin van bron 10 dat de SP in de oppositie zit? d Welke twee dingen zou de SP anders doen als zij een regeringspartij was? Haal je antwoord uit bron 10. e Stel, veel mensen zijn het met Marijnissen eens. Wat gebeurt er dan waarschijnlijk met de SP bij de volgende verkiezingen?

12/10/17 13:45


15

1.1 Een nieuwe grondwet

1.

bron 10

bron 12

Jan Marijnissen, leider van de politieke partij SP, zei in 2002: ‘Ik weet zeker dat de kiezers de besluiten van deze regering niet willen. De tweedeling tussen arm en rijk wordt niet opgeheven, het geld dat nodig is voor zorg, zieken en ouderen verdwijnt in toys voor de militaire boys. Ze schaffen subsidie op energiezuinige auto’s af. Ze beschermen het milieu niet, maar laten de natuur volbouwen door mensen met poen. Over armoede spreekt de regering niet.’ Bron: Algemene beschouwingen 2002.

10 Lees: Taken van het parlement

a Welke twee taken heeft het parlement? b Neem het schema over. 1 Schrijf in de eerste kolom de vijf parlementaire rechten. 2 Kruis in de tweede kolom de rechten van de Eerste Kamer aan en in de derde kolom de rechten van de Tweede Kamer. 3 Het recht van amendement en het recht van enquête zijn door Thorbecke in de grondwet gezet. De andere drie rechten stonden ook in eerdere grondwetten. Verwerk dit in de laatste kolom van het schema. Recht

Eerste Kamer?

Tweede Kamer?

n n n n n

n n n n n

Recht van ... Recht van ... Recht van ... Recht van ... Recht van ...

Nieuw in 1848? n n n n n

c Lees bron 11 en 12. Geef bij elk nieuwsbericht aan van welk recht er gebruikgemaakt wordt. Leg je antwoorden uit. bron 11

‘Mensen die de koning beledigen, riskeren een celstraf van maximaal vijf jaar. D66-Tweede Kamerlid Kees Verhoeven gaat bekijken hoe de wet op dat punt kan worden veranderd. Verhoeven wijst erop dat belediging al strafbaar is. Iedereen kan daarvan aangifte doen, ook de koning, stelt hij. Een specifieke wet over het beledigen van de koning is dan ook niet nodig, vindt de D66’er, die nu aan de slag gaat met het initiatiefwetsvoorstel. Aanleiding voor de discussie is de vervolging die een activist boven het hoofd hing, omdat hij “fuck de koning” had geroepen.’

‘Het Nederlandse leger heeft een groot tekort aan munitie. Militairen moeten tijdens schietoefeningen nu zelf “pang-pang-pang” roepen, zegt Jean Debie van de militaire vakbond VBM. Verschillende Kamerleden hebben zaterdagavond op het bericht gereageerd. CDA-Kamerlid Raymond Knops zei dat zijn partij het tekort aan munitie al in 2014 voorzag. De Kamerleden Van Klaveren en Bontes willen opheldering van minister Hennis over deze “beschamende vertoning”.’ Bron: nu.nl, 1 augustus 2015.

11 Bekijk: bron 7, en lees: bron 13

a Maak de zin af. Een wetsvoorstel kan worden ingediend door een ... of door een lid van de ... b Welk wetsvoorstel wil minister Van der Steur (bron 13) indienen? c Welk argument geeft hij voor zijn wetsvoorstel? d Welk argument geeft Kamerlid Oskam tegen het wetsvoorstel? e Het wetsvoorstel uit bron 13 werd geen wet. Bij welke stap van bron 7 liep het wetsvoorstel vast? bron 13

Uit een nieuwsbericht: ‘Minister Van der Steur van Veiligheid en Justitie heeft voorgesteld de wet te wijzigen zodat gevangenen voortaan moeten meebetalen aan hun verblijf in de gevangenis. “Diegene die door strafbare feiten hoge kosten veroorzaakt, moet ook een bijdrage betalen voor deze kosten”, aldus de minister. In de Tweede Kamer is er weliswaar voldoende steun voor het plan, maar in de Eerste Kamer niet. Het plan zal daardoor vermoedelijk stranden. Het CDA vreest dat het plan ertoe kan leiden dat ex-gevangenen hun oude slechte gewoontes weer oppakken. “Wij zijn bezorgd dat de criminaliteit toeneemt bij mensen die met schulden uit de gevangenis komen”, aldus CDA-Kamerlid Oskam.’ Bron: Trouw, 18 juni 2015.

Bron: Trouw, 19 mei 2015.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 15

12/10/17 13:45


16

1. 12

1 Nederland van 1848 tot 1914

Lees: Problemen om Luxemburg

GT

De Luxemburgse Kwestie had twee fases: Fase 1 Het internationale conflict tussen Nederland, de Duitse Bond en Frankrijk Fase 2 Het binnenlands conflict in Nederland. a Vat fase 1 in maximaal drie zinnen samen. Maak daarin duidelijk wat elk van de drie partijen wilde, en wat er vervolgens gebeurde. b Tijdens fase 2 was het parlement boos omdat het een van zijn taken niet had kunnen uitvoeren. Welke taak was dat, en waarom kon het parlement deze taak niet uitvoeren? c Kijk nog eens naar het schema bij opdracht 10b. Met welk parlementair recht kon het parlement de regering dwingen tot aftreden? d Welk doel had dat recht? e Volgens sommige mensen heeft het parlement in de Luxemburgse Kwestie misbruik gemaakt van dit recht. Leg dat uit. f Maak de zin af. Wanneer de koning iets onverstandigs zegt of doet, dan is hij daar niet zelf verantwoordelijk voor, want hij is ... g Wie zijn wél verantwoordelijk voor de fouten die de koning maakt? Gebruik in je antwoord een begrip uit deze paragraaf.

14 Verdieping

a Stel, jullie vormen een nieuwe politieke partij. Bedenk drie dingen die jullie in Nederland willen veranderen. Geef aan: • waarom je die dingen wilt veranderen • hoe je die dingen wilt veranderen (hoe het moet worden) • waar je het geld vandaan haalt. b Bekijk bron 14. Maak de zinnen af. Op een verkiezingsposter wordt meestal in een slogan samengevat wat een politieke partij belangrijk vindt. In bron 14 is die slogan: ... Ook staat de naam van de partij en van een belangrijke politicus uit die partij op de poster. De naam van de politieke partij van bron 14 is ... Een belangrijke politicus van die partij is Diederik S... De poster heeft veel / weinig kleur. c Verwerk jullie politieke ideeën van opdracht a in een verkiezingsposter. Of maken jullie liever een verkiezingsfilmpje? Overleg het met je docent.

13 Vat samen

a Schrijf de ontbrekende woorden op. In 1848 werd een nieuwe … (1) gemaakt door de liberaal … (2). Er veranderde veel. Nederland werd een … (3) waarin ook de … (4) zich aan de grondwet moest houden. Voortaan waren de ministers … (5) voor de politieke daden en uitspraken van de koning. Dat betekende dat de koning zelf niets meer mocht beslissen over het bestuur. In de grondwet stond ook dat de burgers … (6) mochten kiezen. Zij namen plaats in de … (7). Alleen mannen die minimaal een bepaald bedrag aan belasting betaalden, mochten stemmen. Deze vorm van kiesrecht heet … (8). b Neem het schema over. Schrijf in de juiste kolom: Eerste Kamer – ministers – parlement – regering – Staten-Generaal – Tweede Kamer – volksvertegenwoordiging. Wetgevende macht

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 16

Uitvoerende macht

bron 14

Verkiezingsposter van de PvdA uit 2012.

15 Havo-opdracht

Je oefent: continuïteit en verandering

a Vergelijk het koningschap van Willem III met het koningschap van Willem-Alexander. Let daarbij op de politieke rol van de koning en op de wijze waarop elke koning omgaat met die rol. Geef voorbeelden van continuïteit én van verandering. b Is er volgens jou in anderhalve eeuw koningschap vooral sprake van continuïteit of van verandering? Onthouden 1, 2a, 2d, 2f, 3a, 3d, 7a, 7b, 7c, 8a, 8b, 8c, 8d, 8f, 9a, 10a, 10b, 11a, 13 Begrijpen 2b, 2c, 2e, 2g, 3e, 3f, 3g, 3h, 4a, 5, 6, 7d, 7e, 8e, 8g, 9b, 9c, 9d, 9e, 10c, 11b, 11c, 11d, 11e, 12 Toepassen 3b, 3c, 4b, 14, 15

12/10/17 13:45


17

1.2 Werken en wonen

1.2

Werken en wonen

deelvraag Welke gevolgen had de opkomst van de industrie voor de arbeiders?

Industrialisatie In de tweede helft van de negentiende eeuw werden er in ons land veel fabrieken gebouwd, vooral in of bij steden. De machines in die fabrieken draaiden op stoomkracht, waardoor er snel en veel geproduceerd kon worden. Door deze industrialisatie veranderde Nederland. Eeuwenlang had het grootste deel van de bevolking in de landbouw gewerkt, maar nu werkten er ook veel mensen in een fabriek. Deze arbeiders deden zwaar werk en maakten lange dagen voor weinig geld. Had een arbeider een gezin, dan werkten zijn vrouw en kinderen vaak ook in de fabriek. Hun inkomen was nodig om als gezin te kunnen overleven. Veel keus was er niet, want door de hoge werkloosheid kon een fabrikant een

protesterende arbeider makkelijk vervangen. Er waren geen wetten die de arbeiders beschermden tegen slechte bazen. Thuis hadden arbeiders het meestal niet beter. Ze woonden met vaak grote gezinnen in krotten, waar weinig hygiëne was. Het bestaan van arbeiders leek uitzichtloos. industrialisatie Overgang van het maken van producten met de hand naar het maken van producten met machines. Er komen fabrieken en veel mensen die tot die tijd in de landbouw werkten, worden fabrieksarbeider.

GT

Groningen

Groningen

Leeuwarden

No ord zee

No ord zee

Leeuwarden

Sneek

Den Helder

Alkmaar

Zwolle Haarlem

Haarlem

Amsterdam

Leiden Den Haag Delft

Utrecht

Gouda

Almelo Hengelo Hilversum Deventer Enschede Amersfoort Zutphen

Gouda Utrecht Arnhem Rotterdam Tiel Gorinchem Nijmegen Dordrecht ‘s-Hertogenbosch Breda DUITSLAND Tilburg Middelburg Bergen op Zoom

Dordrecht ‘s-Hertogenbosch

Zwolle

Delft

Vlaardingen Schiedam

Nijmegen

Rotterdam

Kampen

Zaandam Amsterdam

Leiden Den Haag

Veendam

DUITSLAND

Middelburg

Vlissingen Roermond

BELGIË

BELGIË 0

25

Maastricht

50 km

25

Maastricht

50 km

1 : 3.000.000

1 : 3.000.000

Bevolking rond 1800 inwoners per km²

0

Sittard

steden met

Bevolking rond 1900 steden met inwoners per km²

minder dan 40

meer dan 50.000 inwoners

minder dan 60

40 - 60

20.000 - 50.000 inwoners

60 - 120

50.000 - 100.000 inwoners

60 - 120

10.000 - 20.000 inwoners

120 - 240

20.000 - 50.000 inwoners

meer dan 240

10.000 - 20.000 inwoners

meer dan 120

bron 15

Nederland in 1800.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 17

bron 16

meer dan 100.000 inwoners

Nederland in 1900.

12/10/17 13:45


18

1 Nederland van 1848 tot 1914

Verandering via vakbonden Klaagde één werknemer over de slechte arbeids­omstandigheden in een fabriek, dan was de kans groot dat hij werd ontslagen. Maar klaagden alle arbeiders tegelijk, dan kon de fabrikant hen niet allemaal ontslaan. Het werk in zijn fabriek zou dan stil komen te liggen en dat kostte hem geld. Om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, moesten werknemers zich dus verenigen. Overal in Europa richtten arbeiders vakbonden op: organisaties die namens een grote groep arbeiders onderhandelden met fabrikanten. Ieder lid betaalde maandelijks een geldbedrag aan de vakbond. Dat geld ging in een spaarkas. Als de fabrikant niet luisterde naar de eisen van de vakbond, dan konden de arbeiders gaan staken. Omdat de stakende arbeiders geen loon kregen, ontvingen ze wat geld uit de spaarkas van de vakbond. Ook als een vakbondslid ziek werd, kreeg hij een kleine uitkering uit de spaarkas.

bron 18

Verandering via een revolutie In bijna elk Europees land was de situatie hetzelfde: de meerderheid van de mensen leefde in grote armoede en had niets te zeggen, terwijl een kleine minderheid veel geld en alle macht had. De Duitse

‘De staking’. Schilderij van Robert Köhler uit 1886.

filosoof Karl Marx vond dat verkeerd. Volgens hem moest particulier bezit worden afgeschaft: alles moest van iedereen zijn. De macht moest in handen komen van de arbeiders, van de mensen dus die het werk deden. Als er geen rijkdom en armoede meer was, en geen macht en machteloosheid, dan waren alle mensen gelijkwaardig. Marx besefte dat deze ideale situatie niet vanzelf zou komen, want rijke en machtige mensen staan hun bezittingen en macht niet zomaar af. Daarom was er volgens Marx een revolutie nodig. Alle arbeiders moesten in opstand komen en – eventueel met geweld – de ideale samenleving invoeren. Mensen die de ideeën van Karl Marx in praktijk willen brengen, heten communisten. Hun leer heet het communisme.

Verandering via het parlement Ook andere mensen vonden de grote ongelijkheid tussen arm en rijk in de samenleving verkeerd. Zij wilden dit veranderen via wetgeving. Deze sociaaldemocraten wilden dat rijke mensen meer belasting gingen betalen, zodat de overheid daarmee voorzieningen kon betalen waarvan álle mensen in een land profiteerden, ook arme mensen. Sociaaldemocraten en communisten hebben dus hetzelfde doel: een samenleving waarin bezit gelijk is verdeeld. Dit streven noemen we socialisme. Maar de manier waarop ze dat willen bereiken, is verschillend. Communisten zien de sociaaldemocratie dan ook als een tussenstap naar de ideale samenleving, niet als het eindpunt.

bron 17

Een woning in een Amsterdamse arbeidersbuurt. Foto uit 1913.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 18

12/10/17 13:45


19

1.2 Werken en wonen

Wie was Pieter Jelles Troelstra?

Sociale wetten

Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) stoorde zich aan het onrecht dat hij in de samenleving zag. Samen met twee vrienden richtte hij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) op. Deze partij zette zich in voor betere levensomstandigheden voor arbeiders. Om dat te kunnen bereiken, wilde de SDAP algemeen kiesrecht. Dan konden ook arbeiders stemmen, zodat er in de Tweede Kamer meer sociaaldemocraten zouden komen. Zij konden dan opkomen voor de belangen van de arbeiders. Troelstra zat ruim twintig jaar in de Tweede Kamer. Hij hield vaak lange en felle toespraken waarin hij opriep tot veranderingen.

Niet alleen socialisten wilden betere levensomstandigheden voor de arbeiders, ook andere mensen dachten na over wat men de sociale kwestie noemde. Tot dan toe waren arme mensen afhankelijk van liefdadigheid: van de hulp van kerken of vrijwilligers. De armoede was nu echter zo groot en de problemen zo ernstig dat ze niet opgelost konden worden met liefdadigheid alleen. Veel mensen, ook liberalen, vonden dat de overheid in actie moest komen. In 1854 werd met het aannemen van de Armenwet een eerste stap gezet. Die wet regelde dat mensen die geen hulp van de liefdadigheid kregen, steun kregen van de overheid. In 1874 maakte de liberale politicus Samuel van Houten een wet tegen kinderarbeid. Dit ‘Kinderwetje van Van Houten’ werd nauwelijks gecontroleerd, zodat er kinderarbeid bleef bestaan. Pas met de Leerplichtwet (1901), die regelde dat kinderen van zes tot twaalf jaar naar school moesten en die wĂŠl werd gecontroleerd, kwam er een einde aan de ergste kinderarbeid. In datzelfde jaar werd de Woningwet ingevoerd, waarin stond dat een woning van redelijke kwaliteit moest zijn. De overheid mocht een krot onbewoonbaar verklaren en betaalde zo nodig mee aan de bouw van nieuwe huizen. Ook kwam er een Ongevallenwet: arbeiders die na een ongeluk niet meer konden werken, kregen voortaan een kleine uitkering. Mede door deze sociale wetten verbeterden de levensomstandigheden van de arbeiders.

bron 19

Verkiezingsposter van de SDAP uit 1918.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 19

GT

algemeen kiesrecht Recht van alle burgers (vanaf een bepaalde leeftijd) om bij verkiezingen te mogen stemmen. communisme Politieke stroming die het verschil tussen arm en rijk wil opheffen door een revolutie van de arbeiders. sociaaldemocratie Politieke stroming die het verschil tussen arm en rijk wil opheffen door sociale wetten. socialisme Verzamelnaam voor het streven van communisten en sociaaldemocraten naar een samenleving die is gebaseerd op gelijkheid. sociale kwestie GT De slechte levensomstandigheden van de arbeiders in de negentiende eeuw en het besef dat daar iets aan gedaan moest worden. sociale wet GT Wet waarmee de overheid het leven van mensen probeert te verbeteren. vakbond Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers.

12/10/17 13:45


20

1 Nederland van 1848 tot 1914

1.2

Opdrachten

1

Dit weet je al

2

Lees: Industrialisatie

a Leg aan elkaar uit wat de volgende woorden betekenen: huisnijverheid – stoommachine – industriële revolutie – spierkracht – stoomkracht. Lukt het niet, zoek de woorden dan online op. b Welke woorden van opdracht a horen bij de negentiende eeuw? Leg van ieder woord uit waarom het wel of niet bij de negentiende eeuw hoort.

e Verstedelijking betekent dat steden groter worden doordat er meer mensen in een stad gaan wonen. Is er in de negentiende eeuw sprake van verstedelijking? Hoe zie je dat in bron 15 en 16? f Bekijk bron 21. Stel, je wilt met een bron aantonen dat de kaarten van bron 15 en 16 kloppen. Is bron 21 daarvoor een bruikbare bron? Leg je antwoord uit. 75

a Leg uit dat de industrialisatie voor veel mensen negatieve gevolgen had. b Bekijk bron 20. Was er in Haarlem tussen 1860 en 1910 sprake van industrialisatie, of juist niet? Leg je antwoord uit. c Gebruik een lege pagina in je schrift. Schrijf erboven: Het moeilijke leven van arbeiders. Verdeel daaronder de pagina in twee kolommen. Schrijf boven de linkerkolom: Op het werk. Schrijf boven de rechterkolom: Thuis. d In de tekst staan verschillende zaken die het werk in een fabriek moeilijk en zwaar maakten. Schrijf ze in de linkerkolom. Schrijf de moeilijkheden waarmee een arbeider thuis te maken had in de rechterkolom. (Bij opdracht 4 vul je het schema verder in.) 2.000

kW

500

1870

1880

1890

1900

1910 jaar

bron 20 De hoeveelheid energie die stoommachines in fabrieken in Haarlem leverden.

3

Haarlem

65

Dordrecht

60

Den Bosch

55

Nijmegen

50 45 40 35 30 25 20 15 1830

Bekijk: bron 15 en 16

GT

a Maak de zinnen af. Op de kaarten zie je het aantal ... per km2. Ook zie je welke ... er zijn en hoeveel inwoners die hebben. b Wat is er in de negentiende eeuw gebeurd met het aantal inwoners per km2 in Nederland? c Fabrieken werden vooral in of bij steden gebouwd. Bedenk daar twee redenen voor. d Veel mensen verhuisden naar de stad. Bedenk waarom ze dat deden.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 20

1840

bron 21

1.000

0 1860

70

4

1.500

x 1.000

1850

1860

1870

1880

1890

1900

1910 jaar

Aantal inwoners van vier steden die rond 1830 ongeveer even groot waren.

Bekijk: bron 17 Je oefent: bruikbaarheid van bronnen

a Het huis op de foto van bron 17 is een ongezonde woning. Geef daar twee redenen voor. Schrijf ze in de juiste kolom van het schema van opdracht 2. b Kies de juiste woorden. Bron 17 geeft wel / geen informatie over de woonomstandigheden van arbeiders. Bron 17 geeft wel / geen informatie over de arbeidsomstandigheden. c Neem het volgende schema over. Verwerk je antwoord bij opdracht b: zet achter bron 17 een kruisje in de juiste kolom of kolommen. Wonen

Werken

bron 17 bron 22 bron 23 bron 24 bron 25 bron 26

12/10/17 13:45


21

1.2 Werken en wonen

Lees bron 22 tot en met 26. d Haal uit elke bron informatie over de arbeids- of woonomstandigheden van arbeiders. Schrijf deze informatie in het schema van opdracht 2. e Vul het schema van opdracht c verder in. Zet kruisjes in de juiste kolommen. bron 22

Parlementaire enquête (1886-1887), een onderzoek naar de levensomstandigheden van arbeiders. J.H. Wijnen vertelt over het werk bij de ovens in een aardewerkfabriek: ‘Zulk een oven wordt op eene vreselijke, allerschrikkelijkste hitte opengebroken en dan moet na eenige tijd van afkoeling de werkman in dien oven gaan, waarin, ik durf het rechtuit te verklaren, de fabrikant zijn jachthond of zijn rijpaard niet zou wagen. Om zich tegen de hitte te beschermen, droegen de ovenwerkers natte doeken om het hoofd, die wel eens verschroeiden. Buiten adem strompelden de mannen na een kwartier uit de oven om een liter water te drinken en een kwartier uit te rusten, waarna zij voor één gulden vijfentwintig per dag opnieuw de ovens ingingen.’ Bron: Verslag van de parlementaire enquête ‘De toestand in werkplaatsen en fabrieken’, 1887.

bron 23

Ook in Groot-Brittannië liet het parlement een enquête houden. Michael Ward vertelde daar: ‘Toen ik arts was in het ziekenhuis werden er regelmatig slachtoffers van ongelukken binnengebracht. Kinderen kwamen met hun handen en armen tussen de machines terecht. In veel gevallen werd de huid tot op het bot weg geschraapt en kwamen de spieren bloot te liggen. Soms waren er een of twee vingers afgerukt. Afgelopen zomer bezocht ik de school in Lever Street. Van de leerlingen die op dat moment op school waren, werkten er 106 voor een deel van de tijd ook in de fabriek. Bijna de helft van deze kinderen had tijdens dat werk al verwondingen door een van de machines opgelopen.’

bron 24

Journalist Louis Hermans bezocht regelmatig Rotterdamse arbeidersbuurten. Hij zag daar ‘twee kleine, magere en wasachtig-witte kindertjes. Twee kindertjes van een jaar oud, met groote hongeroogen, met armpjes en beentjes als trommelstokken, met lijfjes als gevilde konijntjes’. Bron: L. Hermans en H. Spiekman, Wat zij krijgen. Wat zij noodig hebben, 1907.

bron 25

Uit een interview met een fabrikant: ‘Vraag: Het gebeurt dus dat zij, met een zeer klein rustuurtje tussendoor, dertig uur achter elkaar doorwerken? Antwoord: Ja, dat gebeurt wel eens. Vraag: Vindt u dat geen zeer zware arbeid? Antwoord: Dat zal ik niet tegenspreken, maar ze mogen van zes uur tot acht uur wel even slapen. Vraag: Op de grond? Antwoord: Natuurlijk. Maar het is best lekker warm, vanwege de verwarmingsbuizen.’ Naar: Rapport staatscommissie, 1890.

bron 26

Uit een interview met een ambtenaar van de gemeente Den Bosch: ‘Vraag: Zijn de woningen van arbeiders redelijk goed te noemen? Antwoord: Zeer slecht. Vraag: In hoeverre zijn de huizen zeer slecht? Antwoord: Er is geen licht, geen frisse lucht en ze zijn veel te klein. Vraag: Hoe is voor de afvoer van ontlasting gezorgd? Antwoord: Soms worden tonnen met ontlasting opgehaald, maar niet altijd.’ Naar: Rapport staatscommissie woningbouw, 1892.

Naar: Notulen Britse Hogerhuis, 1819.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 21

12/10/17 13:45


22

1. 5

1 Nederland van 1848 tot 1914

Lees: Verandering via vakbonden

a Stel, jij werkt voor een vakbond. Je hebt gehoord dat een fabrikant zijn personeel heel slecht behandelt. Je gaat naar een arbeider van die fabriek en vraagt hem mee te doen met een staking die jouw vakbond organiseert. De arbeider antwoordt: ‘Als ik staak, word ik waarschijnlijk ontslagen en krijg ik geen loon. Dat geld kan ik niet missen.’ Wat is als vakbondsman jouw reactie? b Bekijk bron 27. Welke ontwikkeling zie je in bron 27? c Bron 27 bewijst dat er tussen 1901 en 1910 steeds meer vakbonden kwamen. Bedenk een argument vóór deze stelling. d Bedenk ook een argument tegen de stelling van opdracht c. 40 Gemiddeld aantal stakingen per jaar in de vier grote steden 1906 - 1910 1901 - 1905

35 30 25 20 15 10 5 0

Amsterdam

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

bron 27

6

Bekijk: bron 18

a De arbeiders staan bij het huis van een rijke man. Hoe kun je dat zien? b Een arbeider spreekt de rijke man toe. Bedenk wat hij zegt. c Bij deze staking wordt misschien geweld gebruikt. Welke aanwijzing geeft de schilder daarvoor? d Kijk goed naar de arbeidersvrouwen op het schilderij. Wat doen ze? e Verklaar de houding van de vrouwen. f Beschrijf met enkele steekwoorden: • hoe het terrein eruitziet • hoe het industriegebied op de achtergrond eruitziet • wat voor weer het is. g De schilder zal de beeldelementen die je bij opdracht f beschreef, bewust zo hebben weergegeven. Leg dat uit.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 22

7

L ees: Verandering via een revolutie, en: Verandering via het parlement

a Hoe ziet de ideale samenleving volgens Karl Marx eruit? b Hoe wilde hij die ideale samenleving bereiken? c Geef per zin aan bij welke groep de zin hoort. Doe dat zonder de begrippenlijst te gebruiken. Kies uit: socialisten – communisten – sociaaldemocraten. 1 Deze mensen zijn het eens met de ideeën van Karl Marx. 2 Zij willen een revolutie. 3 Zij vinden het doel van Marx goed, maar willen geen revolutie. 4 De communisten en de sociaaldemocraten samen. 5 Zij willen wetten maken die zorgen voor een betere samenleving. d Controleer je antwoorden bij opdracht c met behulp van de begrippenlijst in de Afsluiting van dit hoofdstuk. Had je fouten, lees de teksten dan nog een keer.

8

Lees: Wie was Pieter Jelles Troelstra?

9

Bekijk: bron 19

a Toen de SDAP werd opgericht, had Nederland censuskiesrecht. Leg uit wat dat is. Lees het na in de begrippenlijst in de Afsluiting van dit hoofdstuk als je het niet meer weet. b Door het censuskiesrecht konden arbeiders niet stemmen. Leg dat uit. c Waarom wilde de SDAP algemeen kiesrecht? d Volgens de liberalen moest de overheid zorgen voor orde en veiligheid en zich verder zo min mogelijk met de burgers bemoeien. Hoe zagen de sociaaldemocraten de rol van de overheid? e Leg uit waarom de sociaaldemocraten de rol van de overheid op die manier zagen. a Aan welk beeldelement kun je zien dat de SDAP zich inzette voor de belangen van arbeiders? b Tegen welke vijf zaken streed de SDAP, volgens deze poster?

12/10/17 13:45


23

1.2 Werken en wonen

1. 10

Lees: Sociale wetten

GT

a Welke vijf sociale wetten worden er in de tekst genoemd? b Lees bron 22 tot en met 26 nog eens. Elke bron gaat over een probleem. Bedenk bij elke bron een sociale wet die het probleem helpt oplossen. c Lees in opdracht 8d nog eens hoe de liberalen de rol van de overheid zagen. Waarom lijkt het vreemd dat liberalen sociale wetten maakten? d Weinig liberalen waren tegen de Armenwet van 1854. Iemand die geen inkomen heeft en geen hulp krijgt van de liefdadigheid, zal immers misschien gaan stelen. Hij is dan een bedreiging voor de orde en de veiligheid in de samenleving. De overheid mag dus iets doen om dat te voorkomen. Bij andere sociale wetten is het lastiger om te beredeneren waarom de liberalen deze wilden. Bedenk welke andere redenen liberalen konden hebben om met een sociale wet in te stemmen. Gebruik de tips die tussen haakjes staan. 1 (Slechte hygiëne leidde tot besmettelijke ziektes.) 2 (Veel liberalen waren christelijk.) 3 (Gezonde en sterke arbeiders zijn productiever dan zwakke en zieke arbeiders.)

11 Vat samen

a Beschrijf de levensomstandigheden van de arbeiders in de negentiende eeuw in maximaal dertig woorden. b Leg uit wat de volgende namen en begrippen te maken hebben met de levensomstandigheden van de arbeiders. 1 Troelstra 2 SDAP 3 communisten 4 vakbond 5 sociaaldemocraten

12 Verdieping

Lees: bron 28

a Hoe kun je uit bron 28 afleiden dat vakbonden nog steeds opkomen voor de belangen van werknemers? b Reageer met argumenten op de volgende drie stellingen. Je mag de argumenten uit bron 28 halen of zelf bedenken. Stelling 1 Vakbond De Unie is een betere vakbond dan CNV en FNV. Stelling 2 Vakbonden zijn in onze tijd nog net zo hard nodig als in de negentiende eeuw. Stelling 3 In de negentiende eeuw waren vakbonden nodig. In onze tijd kun je ze beter verbieden, want ze zorgen alleen maar voor onrust. bron 28

‘De lonen moeten dit jaar met 3,5 tot 4,5% omhoog om te voorkomen dat Nederlanders er financieel op achteruitgaan. Dat stelt vakbond De Unie. De Unie is een kleine vakbond met 97.000 leden die voornamelijk in de industrie en in de zorg werken. De grote vakbonden CNV en FNV hebben geen behoefte deel te nemen aan de plannen van De Unie.’ Bron: Nieuwsbericht uit maart 2008.

13 Havo-opdracht

Op de afbeelding bij ‘Wie was Pieter Jelles Troelstra?’ houdt Troelstra een toespraak. Hij was een goede spreker en zijn speeches maakten vaak veel indruk op de toehoorders. Schrijf de toespraak die Troelstra op deze tekening zou kunnen houden. Je wordt beoordeeld op de inhoudelijke punten die je inbrengt en op de argumentatie daarbij. Je wordt ook beoordeeld op de retorica: je wilt overtuigen, opzwepen, tot actie oproepen … en dat moet uit je woorden blijken. Onthouden 1, 2a, 2c, 2d, 3a, 7, 8a, 8b, 8c, 8d, 9b, 10a Begrijpen 2b, 3b, 3c, 3d, 3e, 3f, 4, 5, 6, 8e, 9a, 10b, 10c, 10d, 11 Toepassen 12, 13

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 23

12/10/17 13:45


24

1.3

1 Nederland van 1848 tot 1914

Een verzuilde samenleving

deelvraag Waarom en hoe raakte de samenleving verdeeld in vier zuilen?

Protestanten en katholieken In Nederland waren in de negentiende eeuw vrijwel alle mensen christelijk. Daarvan waren sinds de zestiende eeuw de protestanten in de meerderheid. Zij woonden vooral in de noordelijke provincies. Protestantse predikers – dominees – waren mannen met veel gezag. Vaak waren ze erg streng in de leer. Zij vertelden hun gelovigen dat al het gezag van God kwam, dus ook de overheid. Daarom hoorde gehoorzaamheid bij het geloof, mits de gezagsdragers volgens de regels van de Bijbel handelden. Van nieuwe ideeën, zoals het socialisme, moesten deze protestanten niets hebben. De katholieken waren een grote minderheidsgroep. De meeste katholieken woonden in het zuiden. Katholieken hadden minder rechten dan protestanten. Zij mochten bijvoorbeeld geen kerken bouwen en niet voor de overheid werken. Dat veranderde in 1848. In de grondwet van Thorbecke stond immers dat alle burgers gelijke rechten hadden. Maar in de praktijk merkten de katholieken daar weinig van. Daarom streden zij voor emancipatie: ze wilden niet alleen volgens de wet, maar ook in het dagelijks leven dezelfde rechten en kansen hebben als protestanten. Op sommige punten waren katholieken en protestanten het helemaal met elkaar eens. Ook katholieken waren tegen het socialisme. Het socialisme zou maar tot verdeeldheid tussen werkgevers en werknemers leiden, vonden zij. De overheid moest dit voorkomen door zelf voor de zwakkeren op te komen en te zorgen voor samenwerking. Net als de protestanten vonden ook de katholieken dat de overheid moest uitgaan van de principes van het christendom. Samen werden beide groepen de confessionelen genoemd.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 24

bron 29 Het onderwijs op katholieke scholen werd vaak verzorgd door nonnen (op meisjesscholen) en paters (op jongensscholen). Foto uit 1941.

Schoolstrijd In de grondwet van Thorbecke stond dat de overheid de scholen betaalde. Op deze openbare scholen kregen de kinderen les in de ‘christelijke deugden’, maar dat vonden veel confessionelen onvoldoende. Zij richtten daarom eigen scholen op, waar de leerlingen katholiek of protestants godsdienstonderwijs kregen. Dat mocht, want in de grondwet is de vrijheid van onderwijs geregeld. De confessionelen moesten dit ‘bijzonder onderwijs’, de naam voor nietopenbare scholen, wel zelf betalen. Dat laatste wilden zij veranderen. Zij vonden dat de overheid zowel het openbare als het bijzonder onderwijs moet betalen. In de Tweede Kamer zaten in die tijd vrijwel alleen liberalen, en die voelden daar niets voor. Dit conflict over het onderwijs wordt de schoolstrijd genoemd en duurde bijna driekwart eeuw.

12/10/17 13:45


25

1.3 Een verzuilde samenleving

Wie was Abraham Kuyper? Abraham Kuyper (1837-1920) was dominee. In 1879 richtte hij de eerste politieke partij van Nederland op: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Met die naam gaf hij aan dat zijn partij tegen sommige ideeën van de Franse Revolutie was. Tijdens de Franse Revolutie waren veel liberale ideeën voor het eerst toegepast. Vooral de gedachte dat God niet belangrijk is, of zelfs niet bestaat, vond de ARP verkeerd. Veel antirevolutio­nairen, zoals de ARPleden zich noemden, waren ‘kleine luyden’: eenvoudige en gewone mensen, zoals winkeliers, schoolmeesters en boeren. Door hard werken konden ze hun gezinnen onderhouden. Ze waren niet heel arm zoals veel fabrieksarbeiders, maar zeker ook niet rijk. De meesten hadden geen kiesrecht, want dat was er immers alleen voor mensen die minstens een bepaald bedrag aan belasting betaalden. De hoogte van dat bedrag moest omlaag, vond Kuyper, zodat ook de ‘kleine luyden’ kiesrecht kregen. In 1901 werd Kuyper minister-president.

Wie was Herman Schaepman? Met zijn lange zwarte jas en zijn priesterboord was de roomskatholieke politicus Herman Schaepman (1844-1903) een opvallende verschijning in de Tweede Kamer. In 1880 was hij de eerste priester die volksvertegenwoordiger werd. Schaepman heeft veel voor de emancipatie van katholieken gedaan. In de Tweede Kamer zette hij zich onder meer in voor de gelijkheid van openbaar en bijzonder onderwijs, de leerplicht en de uitbreiding van het kiesrecht, en voor betere levensomstandigheden voor de arbeiders. Schaepman was het vaak eens met Abraham Kuyper, waardoor zij goed konden samenwerken. Door de samenwerking van de twee mannen kreeg Nederland in 1888 voor het eerst een confessionele regering. Ruim twintig jaar na de dood van Schaepman zouden de katholieken, net als de protestanten, een politieke partij oprichten: de RKSP.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 25

Liberalen De liberalen hadden in 1848 geen politieke partij. Dat was ook niet nodig, want zij hadden de macht en er waren nog geen andere politieke partijen. Maar toen andere groepen zich gingen organiseren, konden de liberalen niet achterblijven. In 1885 richtten zij de Liberale Unie op. De meeste mensen die op deze partij stemden, waren rijke burgers.

Verzuiling De samenleving was verdeeld geraakt in vier groepen: liberalen, socialisten, protestanten en katholieken. Vrijwel iedere Nederlander hoorde bij een van deze ‘zuilen’, zoals de groepen werden genoemd. Iedere zuil had een eigen krant, een eigen vakbond, een eigen radio-omroep. En het ging verder: er kwamen katholieke sportverenigingen, socialistische tijdschriften, protestantse zangkoren, enzovoort. De samenleving raakte verzuild: verdeeld in groepen. De politieke leiders van de zuilen realiseerden zich dat ze moesten samenwerken om dingen te kunnen bereiken. Daarom overlegden zij veel. Gewone mensen hadden echter weinig contact met mensen uit een andere zuil. Zij leefden binnen hun eigen groep. Kwam een protestants meisje met een katholieke jongen thuis? Dan zwaaide er wat! Las een katholiek gezin een socialistische krant? Reken maar dat de pastoor om uitleg kwam vragen.

confessionelen Mensen of groepen mensen die hun ideeën over politiek, onderwijs, enzovoort baseren op hun godsdienst. emancipatie Strijd voor het krijgen van dezelfde rechten als alle andere groepen in de samenleving. verzuiling Verdeling van de samenleving in groepen die vrijwel langs elkaar leven. Een zuil was gebaseerd op een bepaalde godsdienst of levensbeschouwing.

12/10/17 13:45


26

1 Nederland van 1848 tot 1914

Caoutchouc-artikel

GT

In 1887 werd de grondwet herzien. Met een nieuw artikel (regel) werd vastgelegd wie kiesrecht had en wie niet. Voortaan gold het kiesrecht voor alle volwassen mannen ‘die daarvoor geschikt waren’. Maar wat daarmee precies bedoeld werd, stond er niet bij. Daardoor lukte het politici om de eisen voor ‘geschiktheid’ steeds lager te krijgen. ‘Als iemand een schooldiploma heeft gehaald, is dat een bewijs voor zijn intelligentie en is hij dus geschikt om te mogen stemmen’, redeneerde een politicus in 1896. Aangezien niemand goede tegenargumenten had, was een schooldiploma voortaan genoeg om kiesrecht te krijgen. De moeilijke naam van de wet (spreek uit: kaoetsjoek) komt van een bepaald soort rubber. Je kunt rubber makkelijk in een andere vorm kneden. Dat was met deze wet net zo: met een goed argument kon een hele groep mensen kiesrecht krijgen.

bron 30

De vlag van het katholieke trein- en trampersoneel in Gouda. ‘R.K.’ betekent roomskatholiek.

bron 31

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 26

De tekst bij deze spotprent was 'De Roomsche kippenren. Te Voorschoten is een Roomsch-Katholieke eieren-veiling opgericht. Er zullen slechts eieren worden verhandeld die door Roomsche kippen zijn gelegd'. Spotprent van Albert Hahn uit 1912.

12/10/17 13:45


27

1.3 Een verzuilde samenleving

1.3 1

Opdrachten

Dit weet je al

Vanaf de zestiende eeuw was de christelijke kerk verdeeld in katholieken en protestanten. Bij welke groep horen de volgende woorden? Bespreek het samen en zoek het online op als je het niet weet. paus – dominee – bisschop – priester – veel versieringen in de kerk – geen versieringen in de kerk – monnik – non – Rome

2

Lees: Protestanten en katholieken

a Welke overeenkomsten tussen katholieken en protestanten worden er in de tekst genoemd? b Welk verschil tussen deze twee groepen wordt in de tekst genoemd? Gebruik het begrip emancipatie in je antwoord. c Socialisten streden voor emancipatie van de arbeiders. Leg deze zin uit.

3

Lees: Schoolstrijd, en bekijk: bron 29

4

J e oefent: feit en mening, standplaatsgebondenheid Lees: bron 32

a Is de school op de foto van bron 29 een openbare of een bijzondere school? Leg uit aan welk beeldelement je dat ziet. b Wordt er op deze school confessioneel onderwijs gegeven, of juist niet? Laat uit je antwoord blijken dat je begrijpt wat confessioneel betekent. c Wat wilden de protestanten en de katholieken met de schoolstrijd bereiken? d Verplaats je in een liberaal. Leg uit waarom jij het oneens bent met het standpunt van de katholieken en protestanten in de schoolstrijd.

a Wat vindt de schrijver van bron 32 van de socialisten? b Is de schrijver van de bron confessioneel? Leg je antwoord uit. c Waar maakt de schrijver zich zorgen om? d Maakt de schrijver vooral gebruik van feiten of van meningen? Kies het antwoord dat volgens jou de verhouding het best weergeeft. A De schrijver gebruikt 20% meningen en 80% feiten. B De schrijver gebruikt 50% meningen en 50% feiten. C De schrijver gebruikt 80% meningen en 20% feiten. e De schrijver vertelt dat ruim een derde van de onderwijzers op openbare scholen socialist is. Vermoedelijk weet hij dat niet zeker. Waarom schrijft hij dan niet: Ik denk dat een derde van de onderwijzers socialist is?

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 27

f Leg met een voorbeeld uit dat deze bron veel zegt over de standplaatsgebondenheid van de schrijver. bron 32

Fragment uit een ingezonden brief in een krant uit 1904: ‘Socialisten stellen godsdienst gelijk aan pest en cholera. Lang niet alle onderwijzers op de openbare scholen zijn socialisten, o nee! Maar toch wel meer dan een derde! Zeg zelf, kunnen christenouders aan zulke onderwijzers hun kinderen toevertrouwen? Aan mannen die, zolang zij voor de klas staan, in het kind de neiging tot kritiek zullen ontwikkelen? Dus óók kritiek op Vaders Bijbel en Moeders gebed?’ Bron: De Fakkel, een wekelijkse krant uit 1904.

5

Lees: Wie was Abraham Kuyper?

6

Lees: Wie was Herman Schaepman?

a Bedenk of de antirevolutionairen van Kuyper de volgende veranderingen zouden steunen, of juist niet. Leg steeds je antwoord uit. 1 Er moet een verbod komen op christelijk onderwijs. 2 De kleine luyden moeten kiesrecht krijgen. 3 Voortaan moeten alle schoolkinderen leren hoe geweldig de Franse Revolutie was. 4 De ARP komt aan de macht. b Kuyper wilde een verruiming van het kiesrecht, maar hij wilde geen algemeen kiesrecht. Om Kuypers standpunt te begrijpen, moet je eerst de volgende hulpvragen beantwoorden. 1 Wie hadden er kiesrecht bij censuskiesrecht? de rijken / de middenklasse / de armen 2 Wie kregen er kiesrecht als het kiesrecht werd verruimd? de rijken / de middenklasse / de armen 3 Welke groep is over? 4 Veel / weinig mensen die bij deze groep hoorden, waren socialist. 5 Hoe dacht Kuyper over de socialisten? c Leg nu in één zin uit waarom Kuyper geen algemeen kiesrecht wilde. Waarom konden Schaepman en Kuyper goed samenwerken? Geef drie redenen.

12/10/17 13:45


28

1. 7

1 Nederland van 1848 tot 1914

Lees: Verzuiling

a Neem de tekening over.

10 Lees: Caoutchouc-artikel

GT

a Geef van elk van de vier zuilen aan hoe men dacht over het Caoutchouc-artikel. Beargumenteer je antwoorden kort. b Bekijk de cijfers in bron 33. Maak de zin af. Het Caoutchouc-artikel had vooral op de korte / lange termijn effect, want … c De eisen waaraan mensen moesten voldoen om kiesrecht te krijgen, werden steeds lager. Leg uit of je die bewering terugziet in de cijfers van bron 33. bron 33

Percentage volwassen mannen met kiesrecht 1880 12% 1890 14% 1900 49% 1910 65% Bron: parlement.com.

11 Vat samen b Schrijf op de juiste plaatsen in het schema: Liberale Unie – ARP – RKSP – socialisten – de leiders werken samen. c Schrijf de nummers in de juiste zuil. 1 = katholieke sportvereniging, katholieke krant, katholieke vakbond 2 = protestants zangkoor, protestantse krant, protestantse radio-omroep 3 = socialistische muziekvereniging, socialistische jongerenclub, socialistische vakbond 4 = liberale krant, liberale voetbalvereniging, liberale radio-omroep d Hoe zie je aan het schema dat er tussen de zuilen weinig contact was?

8

Bekijk: bron 30

9

Bekijk: bron 31

a Bij welke zuil hoorden de arbeiders die deze vlag lieten maken? b Leg uit waarom er een heiligenbeeld op de vlag is afgebeeld. c Leg uit dat deze vlag een goed voorbeeld is van verzuiling. a Leg uit dat bron 31 over de verzuiling gaat. b Is de tekenaar voorstander of tegenstander van de verzuiling? Leg je mening uit. c Wat wil de tekenaar bereiken met deze tekening, denk je?

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 28

a Verdeel een pagina in je schrift in vier vakken. Schrijf boven elk vak de naam van een van de vier zuilen. b Schrijf de volgende woorden en namen in het juiste vak. Sommige woorden horen in twee vakken. Schaepman – dominee – priester – Zuid-Nederland – openbaar onderwijs – bijzonder onderwijs – kleine luyden – rijke burgerij – ARP – RKSP – Kuyper – confessionelen – LU – willen verruiming van kiesrecht – willen algemeen kiesrecht c Schrijf ook de woorden en namen van opdracht 11b van paragraaf 1.2 in de vakken. Je hebt dan een overzicht van de vier zuilen. d Schrijf de nummers van de volgende uitspraken in het juiste vak of in de juiste vakken. 1 ‘Er moet snel verbetering in de situatie van de arbeiders komen!’ 2 ‘Wij willen dat de overheid ook onze scholen betaalt.’ 3 ‘De school hoeft zich niet met godsdienst te bemoeien, dat is iets voor de ouders.’ 4 ‘Politieke problemen kun je het best met de richtlijnen uit de Bijbel oplossen.’ 5 ‘De paus vertelt ons hoe wij moeten leven.’ 6 ‘Algemeen kiesrecht is niet goed, maar een verruiming van het kiesrecht is wel goed.’

12/10/17 13:45


29

1.3 Een verzuilde samenleving

1. 12

Verdieping Je oefent: standplaatsgebondenheid

Henk is getrouwd en heeft acht kinderen. Met zijn werk in de fabriek verdient hij precies genoeg om zijn gezin te kunnen onderhouden. Hun woning is heel klein en het dak lekt. Henk heeft last van zijn rug en het werk valt hem zwaar. Maar hij moet het volhouden, omdat zijn kinderen anders honger lijden. Henk en zijn vrouw zijn zeer gelovige protestanten. Elke zondag gaan ze naar de kerk. Voor elke karige maaltijd bidden ze: ‘Here God, help alstublieft ons leven iets minder zwaar te maken!’ a Welk motief heeft Henk om socialist te worden? b Welk motief heeft Henk om juist geen socialist te worden? c Een socialistische leider komt bij Henk op bezoek. Hij wil Henk overhalen om socialist te worden. Het socialisme heeft Henk veel te bieden, is zijn boodschap. De dominee hoort ervan en bezoekt Henk de volgende dag. De kerk heeft je veel meer te bieden dan de socialisten, beweert de dominee. Een van jullie is de socialist, de ander is de dominee. Schrijf allebei een betoog (150-200 woorden) waarmee je Henk probeert over te halen bij jouw zuil te komen of te blijven. Je legt daarom uit wat jouw zuil voor Henk kan doen en waarom de andere zuil niet deugt. d Lees elkaars betogen. Wat zou jij doen, als je Henk was?

13 Havo-opdracht

Lees: bron 34

a Uit welk woord kun je opmaken bij welke zuil dit strijdlied hoort? b Welke visie op het gezin blijkt uit deze bron? c Wij vreezen rood noch dood. Wat wordt bedoeld met ‘rood’? d Bij opdracht c staat een regel uit het lied. Verklaar deze regel vanuit de ideologie van de maker. bron 34

Bij dit lied uit 1920 stond: ‘een strijdlied, te spelen op krachtig marschtempo’. De trommels slaan, de vaandels gaan, ‘t is tijd om op te rukken! Voor God en goed en ‘t eigen bloed, Wie slaaf is moge bukken! Wij zijn de christenkerels, Wij willen eerlijk brood, Wij weten van geen wijken, Wij vreezen rood noch dood! Om kind en vrouw in gouden trouw zal onze vuist zich sluiten! Heer Christus’ kruis in ‘t Roomsche huis, En Lucifer er buiten! Bron: Michel van der Plas, Uit het Rijke Roomsche leven, 1963.

Onthouden 1, 2a, 2b, 3a, 3b, 4a, 4c, 5b, 6, 7a, 7b, 7c, 11a, 11b, 11c Begrijpen 2c, 3c, 4b, 4d, 4e, 4f, 5a, 5c, 7d, 8, 9, 10, 11d, 13 Toepassen 3d, 12

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 29

12/10/17 13:45


30

1 Nederland van 1848 tot 1914

1.4

Gelijke rechten voor iedereen?

deelvraag W aarom en hoe streden vrouwen voor emancipatie? Wat waren de veranderingen in de grondwet van 1917?

Weinig rechten voor vrouwen Mannen hadden in de negentiende eeuw meer rechten dan vrouwen. Vrouwen hadden niets te zeggen over hun huwelijk, over hun kinderen of over geld. Alleen een man kon bijvoorbeeld een echtscheiding aanvragen. Ook hadden vrouwen geen kiesrecht en konden zij geen hoger onderwijs volgen. Vrouwen uit de hogere burgerij werkten niet buitenshuis. Ze gaven leiding aan het huishouden en vulden verder hun dagen met lezen, visite ontvangen, borduren of muziek maken. De paar vrouwen uit de hogere klasse die wél werkten, verdienden vaak minder dan een man die hetzelfde werk deed. Vrouwen uit de arbeidersklasse en middenklasse werkten ook, anders zou het gezin niet kunnen overleven. Ze waren bijvoorbeeld dienstbode, naaister of wasvrouw, of werkten op de boerderij of in de winkel van hun man of vader. En aan het eind van de negentiende eeuw gingen ook veel vrouwen in de fabrieken werken. Een groep vrouwen uit de hogere burgerij wilde de positie van vrouwen verbeteren. Zij werden feministen genoemd. Bekende feministen waren Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker. Zij behoorden tot wat we de Eerste Feministische Golf (1880-1920) noemen. De belangrijkste doelen van deze feministen waren het verkrijgen van kiesrecht en het recht op goed onderwijs voor vrouwen.

Wie was Wilhelmina Drucker? Wilhelmina Drucker (1847-1925) was de dochter van een ongehuwde naaister. Dat haar moeder ongetrouwd was, heeft grote invloed op Wilhelmina’s leven gehad. Het was in die tijd een schande als een ongetrouwde vrouw een kind kreeg. Wilhelmina wist wie haar vader was, en toen hij was overleden schreef ze een kritisch boek over de manier waarop hij haar moeder had behandeld. Wilhelmina vond dat vrouwen dezelfde rechten moesten hebben en dezelfde kansen moesten krijgen als mannen, en besloot daarvoor te gaan strijden. Ze richtte in 1889 de Vrije Vrouwenvereniging (VVV) op en vijf jaar later de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK). Deze verenigingen zetten zich in voor de emancipatie van de vrouw. De leden leerden debatteren, een mening vormen, spreken in het openbaar, vergaderen en organiseren. Veel mensen waren tegen Wilhelmina’s ideeën. Een keer werd ze tijdens een spreekbeurt door de toehoorders zelfs bekogeld met rotte appels. Maar dit weerhield Wilhelmina niet: bij de volgende spreekbeurt trok ze gewoon een jurk aan die makkelijk schoon te maken was.

bron 35 In 1890 maakte de Vrije Vrouwenvereniging haar standpunten bekend met een poster. Dit zijn daar twee tekeningen uit.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 30

12/10/17 13:45


31

1.4 Gelijke rechten voor iedereen?

Wie was Aletta Jacobs? De vader van Aletta Jacobs (18541929) was huisarts in Sappermeer (Groningen). Aletta bewonderde haar vader en het werk dat hij deed. Omdat ze zelf ook arts wilde worden, schreef ze in 1871 een brief aan minister Thorbecke waarin ze hem vroeg of zij mocht studeren. Thorbecke schreef toen eerst een brief aan haar vader, want hij wilde zeker weten dat deze het eens was met de plannen van zijn dochter. Aletta was in ons land het eerste meisje dat aan een universiteit afstudeerde en de eerste Nederlandse vrouwelijke arts. Na haar studie werd ze huisarts in Amsterdam. Om de gezondheid van vrouwen te verbeteren, zorgde ze dat er meer kennis kwam over voorbehoedsmiddelen. Arme vrouwen en prostituees konden op haar hulp rekenen, soms zelfs gratis. Aletta zette zich ook in voor het verbeteren van vrouwenrechten. Ze streed tientallen jaren voor vrouwenkiesrecht en wilde dat meisjes dezelfde kansen op goed onderwijs kregen als jongens. In 1903 werd Aletta Jacobs voorzitster van de VvVK.

Een nieuw kiesstelsel De afspraken over het algemeen kiesrecht en de financiering van het onderwijs werden in 1917 vastgelegd in een nieuwe grondwet. Daarin werd nog een derde grote verandering vastgelegd: een nieuw kiessysteem. Nederland had tot die tijd een districtenstelsel. Het land was in een aantal gebieden, districten, verdeeld. Je kon alleen stemmen op iemand uit het district waarin je woonde. Wie in een district de meeste stemmen kreeg, werd lid van de Tweede Kamer. Dit districtenstelsel had als voordeel dat de kandidaten hun regio goed kenden. Daardoor konden ze goed opkomen voor de belangen van de mensen die er woonden. De mensen in de regio konden bovendien bij verkiezingen kiezen uit kandidaten die ze meestal een beetje kenden, omdat die immers uit hun gebied kwamen. Het districtenstelsel had echter een groot nadeel: uit elk district kon maar één persoon in de Tweede Kamer komen. Daardoor zagen alle mensen die niet op die persoon hadden gestemd, zich niet vertegenwoordigd. Met de wijzigingen in de grondwet werd het districtenstelsel vervangen door evenredige vertegenwoordiging. Voortaan was er één landelijke lijst met kandidaten. Mensen uit het hele land kozen uit dezelfde personen. In onze tijd is dit nog steeds zo.

Einde van de schoolstrijd: algemeen kiesrecht Niet alleen vrouwen lieten van zich horen, ook socialisten en confessionelen streden voor hun belangen. Twee politieke problemen speelden al tientallen jaren: het kiesrecht en de schoolstrijd. De liberale premier Cort van der Linden was vastbesloten om beide problemen op te lossen. De socialisten wilden algemeen kiesrecht, de liberalen niet. De confessionelen wilden uitbreiding van het kiesrecht, maar geen algemeen kiesrecht. Toch steunden de confessionelen de socialisten in hun streven naar algemeen kiesrecht. Hierdoor was er een meerderheid in de Tweede Kamer en kwam er in 1917 algemeen actief kiesrecht voor mannen. Vrouwen kregen passief kiesrecht, wat wil zeggen dat zij niet mochten stemmen, maar zich wel verkiesbaar mochten stellen. Twee jaar later, in 1919, kregen vrouwen alsnog actief kiesrecht. In ruil voor hun hulp steunden de socialisten de confessionelen in de schoolstrijd. Hierdoor was er een meerderheid die wilde dat ook het bijzonder onderwijs voortaan door de overheid werd betaald. Deze dubbele afspraak, waarbij confessionelen en socialisten elkaar hielpen, heet de Pacificatie van 1917. Met de Pacificatie eindigde de schoolstrijd, maar de verzuiling zou blijven bestaan tot ver in de tweede helft van de twintigste eeuw.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 31

actief kiesrecht Recht om tijdens verkiezingen je stem uit te brengen. districtenstelsel Kiessysteem waarbij je alleen kunt stemmen op iemand uit je eigen regio (district). Per district wordt de persoon met de meeste stemmen de volksvertegenwoordiger. evenredige vertegenwoordiging Kiessysteem met één landelijke kandidatenlijst. Wie een bepaald aantal stemmen krijgt, wordt volksvertegenwoordiger. feminisme Streven naar gelijke rechten voor mannen en vrouwen. passief kiesrecht Recht om tijdens verkiezingen gekozen te worden.

12/10/17 13:46


32

bron 36

1 Nederland van 1848 tot 1914

Spotprent van Johan Braakensiek uit december 1916.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 32

12/10/17 13:46


33

1.4 Gelijke rechten voor iedereen?

1.4

Opdrachten

1

Dit weet je al

2

Lees: Weinig rechten voor vrouwen

a Wat is emancipatie? b Welke verschillende groepen streden in de negentiende eeuw voor emancipatie? Geef bij elke groep precies aan wat deze wilde bereiken. a Zijn de volgende uitspraken in de negentiende eeuw van een man of van een vrouw? Leg steeds je keuze uit. 1 ‘Ik ga niet naar het voortgezet onderwijs, want ik ga toch niet werken en heb dus geen goede opleiding nodig.’ 2 ‘Ik ga ons geld investeren in een bedrijf in Nederlands-Indië.’ 3 ‘Ik wil scheiden, maar het kan niet.’ 4 ‘Ik heb veel plezier gehad tijdens mijn studententijd.’ b In de tekst staan voorbeelden van de ongelijkheid tussen man en vrouw. Welke voorbeelden zijn dat? c Bedenk waarom vooral vrouwen uit rijke families zich inzetten voor gelijke rechten. Vrouwen uit arme families hadden hier toch ook mee te maken? d Het woord feministe is afgeleid van het Latijnse woord femina (‘vrouw’). Leg uit waarom deze benaming goed past bij de doelen van de feministen. e Leg met een voorbeeld uit dat feministen zich inzetten voor vrouwenemancipatie.

3

Lees: Wie was Wilhelmina Drucker?, en bron 37

a Geeft Wilhelmina Drucker in bron 37 feiten, of geeft ze haar mening? Leg je antwoord uit. b Welke rechten hebben mannen, volgens de bron, die vrouwen niet hebben? c Waarom vindt Wilhelmina het oneerlijk dat vrouwen deze rechten niet hebben? d Bron 37 komt uit een boekje. Wat was het doel van dat boekje, denk je? A Vrouwen ervan overtuigen op te komen voor gelijke rechten. B Vrouwen laten weten dat de strijd om gelijke rechten bijna was voltooid. C Vrouwen duidelijk maken dat hun echtgenoot niet deugt. D Vrouwen duidelijk maken welke rechten mannen hebben en vrouwen niet.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 33

e Bekijk bron 1 op pagina 6 nog eens. Je ziet een demonstratie. Door wie kan deze zijn georganiseerd? Kies de juiste zin en leg je keuze uit. A Wel door de VVV, maar waarschijnlijk niet door de VvVK. B Wel door de VvVK, maar waarschijnlijk niet door de VVV. C De VVV en de VvVK kunnen allebei deze demonstratie georganiseerd hebben. D De VVV en de VvVK hebben deze demonstratie waarschijnlijk geen van beide georganiseerd. bron 37

Wilhelmina Drucker schreef in 1892 over de ongelijkheid tussen man en vrouw: ‘Steeds als ik een stomdronken kerel tegen een muur of brugleuning zie vallen of in zichzelf vloekend zie voortwaggelen, zeg ik tot mijzelf: zie, dát kan beslissen over de kinderen, dát kan getuigen voor de rechtbank, dát gaat over het huishoudgeld, terwijl de vrouw, die tobt, en zwoegt en werkt om haar familie brood te verschaffen, of dagen en nachten blokt om kennis te vergaren, veel minder is …’ Naar: Wilhelmina Drucker, Een woordje aan de vrouwen van Nederland, 1892.

4

Bekijk: bron 35 Je oefent: standplaatsgebondenheid

a Beschrijf wat de VVV wil, volgens de tekening van bron 35. b Welke uitleg van bron 35 is juist? A De tekening is een grapje, bedoeld om mannen boos te maken. B Slechte hygiëne was een groot probleem in die tijd. Daar komen ziektes van. Daarom was het belangrijk om vrouwen duidelijk te maken dat ze beter op hun hygiëne moesten letten. C De tekening laat zien dat mannen moeten werken en dat vrouwen lekker kunnen doen waar ze zin in hebben. Dat past goed bij feministen, want die zijn voor een betere positie van de vrouw. D Mannen kunnen naar het café, terwijl hun vrouwen voor huishouden en kinderen zorgen. Door dat een beetje om te draaien, wordt de ongelijkheid op een grappige manier duidelijk.

12/10/17 13:46


34

1 Nederland van 1848 tot 1914

1. Lees bron 38.

c Beschrijf in één zin hoe Kuyper over de verhouding tussen man en vrouw dacht. d Wat zouden in die tijd feministen van bron 38 vinden? Leg je antwoord uit. e Wat zou Kuyper van de tekening van bron 35 vinden? Leg je antwoord uit. bron 38

Abraham Kuyper, de leider van de ARP, schreef in 1880: ‘Huisgezinnen waarin de vrouw nummer één is geworden en manlief de ondergeschikte speelt, houden zich niet aan Gods wil. Een man die zijn vrouw in huis de baas laat spelen, is laf en onmannelijk. De vrouw is aan de man onderworpen, de man is de baas in huis.’

Naar: Abraham Kuyper, Antirevolutionair óók in uw Huisgezin, 1880.

5

Lees: Wie was Aletta Jacobs?

6

Lees: Einde van de schoolstrijd: algemeen kiesrecht

a Aletta was in ons land de eerste vrouwelijke student van de negentiende eeuw. Is er een verband met haar latere strijd voor vrouwenrechten, denk je? Leg je mening uit. b Aletta wilde vooral arme mensen helpen. Hoe kun je dat uit de tekst opmaken? c In de negentiende eeuw waren grote gezinnen normaal. Veel vrouwen kregen tien of meer kinderen. Leg het verband uit tussen voorbehoedsmiddelen en de gezondheid van vrouwen. a Welke twee politieke problemen werden met de Pacificatie van 1917 opgelost? b Neem het schema over. Geef daarin aan hoe de vier zuilen over deze zaken dachten. Doe dat door in elk vakje een + (plus) of een – (min) te zetten. Algemeen kiesrecht?

liberalen socialisten protestanten

c Vul de namen van de zuilen in. De ... wilden algemeen kiesrecht. De ... en de ... hielpen hen aan een meerderheid. De ... en de ... wilden dat de overheid het bijzonder onderwijs betaalde. De ... hielpen hen aan een meerderheid. d In 1918 kwam de eerste vrouw in de Tweede Kamer. Zij heette Suze Groeneweg. Leg uit dat de verkiezing van Groeneweg bewijst dat vrouwen in 1918 passief kiesrecht hadden. e Vul het jaartal in. Mannen kregen algemeen passief kiesrecht en algemeen actief kiesrecht in ... Vrouwen kregen algemeen passief kiesrecht in ... en algemeen actief kiesrecht in ...

7

Bekijk: bron 36

a Op deze pagina zie je bron 36 nog een keer, nu met nummers erin. Geef bij elke zin aan over welk nummer die gaat. A Dankzij minister-president Cort van der Linden kregen verschillende groepen mensen hun zin. Hij deelde als het ware cadeautjes uit en is daarom afgebeeld als sinterklaas. B De leider van de protestanten kreeg het voor elkaar dat voortaan ook het bijzonder onderwijs door de overheid werd betaald. C Op dit cadeau staat ‘bijz. onderwijs’. D De socialisten zijn erg blij met de Pacificatie van 1917. E Aletta Jacobs is verdrietig, want zij krijgt niet wat ze hebben wilde. b Welk nummer heeft Pieter Jelles Troelstra in de afbeelding? c Welk nummer heeft Abraham Kuyper? d In 1919 kon Aletta Jacobs weer lachen. Leg deze zin uit.

Betaalt de overheid het bijzonder onderwijs?

➋ ➊

➍ ➎

katholieken

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 34

12/10/17 13:46


35

1.4 Gelijke rechten voor iedereen?

1. 8

Lees: Een nieuw kiesstelsel

a Welke voordelen en welk nadeel had het districten­ stelsel volgens de tekst? b In 1848 waren vrijwel alle leden van de Tweede Kamer liberaal. Hoe was dat kort na 1917? c Leg uit dat het nadeel van opdracht a in 1917 veel belangrijker was dan hetzelfde nadeel in 1848. d Bedenk een voordeel en een nadeel van evenredige vertegenwoordiging. e Bij algemeen kiesrecht is evenredige vertegenwoordi­ ging eerlijker dan een districtenstelsel. Leg deze zin uit. f Bekijk bron 39. Hoort bron 39 bij een districtenstelsel of bij evenredige vertegenwoordiging? Leg je keuze uit.

b In het kader staat een aantal gebeurtenissen. Geef per gebeurtenis in de grafiek van opdracht a aan hoe gelukkig Wilhelmina daarmee was: 2 = heel gelukkig  1 = een beetje gelukkig  0 = neutraal  –1 = een beetje ongelukkig –2 = erg ongelukkig 1871: Aletta Jacobs wordt toegelaten tot de universiteit. 1880: De Amsterdamse Kalverstraat is tussen 12 en 16 uur afgesloten voor vrouwen, omdat op dat tijdstip mannen van en naar de beurs lopen. 1886: Wilhelmina komt in aanraking met het socialisme. 1889: Oprichting van de Vrije Vrouwen Vereniging. 1894: Oprichting van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht. 1898: De Nationale Tentoonstelling Vrouwenarbeid in Den Haag. 1917: Pacificatie van 1917. 1918: Suze Groeneweg is het eerste vrouwelijke Tweede Kamerlid voor de SDAP. 1919: Invoering van het algemeen actief kiesrecht voor vrouwen. 1922: De eerste verkiezingen waarbij vrouwen mogen stemmen. c Verbind de punten in de grafiek met een doorgaande lijn. d Trek twee conclusies uit de grafiek.

11 Havo-opdracht bron 39

9

Deel van een stembiljet.

Vat samen

a Leg met behulp van drie voorbeelden uit dat vrouwen in de negentiende eeuw minder rechten hadden dan mannen. b Welke drie grote politieke veranderingen werden in de grondwet van 1917 geregeld?

10 Verdieping

a Mede door de volgende factoren werd in de negentiende eeuw de achtergestelde positie van de vrouw in stand gehouden. Leg dit van elke factor uit. 1 Juridische beperkingen 2 Opvoedkundige opvattingen 3 Godsdienstige overtuigingen 4 Sociale verhoudingen b Welke factor vind jij de belangrijkste verklaring voor de achtergestelde positie van de vrouw? Beargumenteer je mening. Onthouden 1, 2a, 2b, 6a, 6b, 6c, 6e, 8a, 9 Begrijpen 2c, 2d, 2e, 3, 4, 5, 6d, 7, 8b, 8c, 8d, 8e, 8f, 11 Toepassen 10

a Neem de grafiek over. 2 1 0 –1

1840

1850

1860

1870

1880

1890

1900

1910

1920

1930

[@Opmaak: Maak de assenstelsel levenslijn; y-as: 2, 1, 0, –2 -2; x-as: 1840 tot en met 1930. Zie voorbeeld:] -1,

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 35

12/10/17 13:46


36

1 Nederland van 1848 tot 1914

1.5

Afsluiting tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)

tijd van wereldoorlogen (1900-1950)

leerdoelen • Je weet welke gevolgen de grondwet van 1848 had voor het bestuur van Nederland. • Je weet welke gevolgen de opkomst van de industrie had voor de arbeiders. • Je weet waarom en hoe de samenleving verdeeld raakte in vier zuilen. • Je weet waarom en hoe vrouwen streden voor emancipatie. • Je weet wat de veranderingen waren in de grondwet van 1917.

1840

personen 1848 > Onrust in Europa. Revoluties in verschillende Europese landen. 1848 > Grondwet van Thorbecke.

1860

10 mei 1940: Duitse aanval op Nederland

Wilhelmina Drucker (1847-1925) Drucker was een feministe. Zij richtte de VVV en de VvVK op.

Aletta Jacobs (1854-1929) Jacobs was de eerste vrouwelijke huisarts in Nederland. Ze zette zich in voor de emancipatie van de vrouw.

Abraham Kuyper (1837-1920) Kuyper was een protestants Tweede Kamerlid. Hij richtte de ARP op. In 1901 werd hij minister-president.

Herman Schaepman (1844-1903) Schaepman zette zich als Tweede Kamerlid in voor de emancipatie van de katholieken.

Johan Thorbecke (1798-1872) Thorbecke was een liberaal parlementariër en later minister. Hij schreef de grondwets­ herziening van 1848.

Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) Troelstra was socialist. Hij richtte de SDAP op en zat ruim twintig jaar in de Tweede Kamer.

Willem II (1792-1849) Willem II was van 1840 tot 1849 Koning der Nederlanden. Hij liet Thorbecke de grondwet wijzigen, waardoor ons land een parlementaire democratie werd.

1866-1867 > Luxemburgse kwestie.

1880

1887 > Caoutchouc-artikel.

1900

1917 > Pacificatie van 1917: einde schoolstrijd en invoering algemeen kiesrecht voor mannen en passief kiesrecht voor vrouwen. Kiesstelsel volgens evenredige vertegenwoordiging.

1920

1919 > Algemeen actief vrouwenkiesrecht. 1922 > Eerste verkiezingen waaraan mannen én vrouwen mogen deelnemen.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 36

12/10/17 13:46


37

1.5 Afsluiting

Willem III (1817-1890) Koning der Nederlanden van 1849 tot 1890.

begrippen actief kiesrecht Recht om tijdens verkiezingen je stem uit te brengen. algemeen kiesrecht Recht van alle burgers (vanaf een bepaalde leeftijd) om bij verkiezingen te mogen stemmen. censuskiesrecht Alleen mensen die vanaf een bepaald bedrag aan belasting betalen, mogen stemmen. coalitie Politieke partijen die samen de regering vormen. communisme Politieke stroming die het verschil tussen arm en rijk wil opheffen door een revolutie van de arbeiders. confessionelen Mensen of groepen mensen die hun ideeën over politiek, onderwijs, enzovoort baseren op hun godsdienst. constitutionele monarchie Koninkrijk met een grondwet (constitutie). districtenstelsel Kiessysteem waarbij je alleen kunt stemmen op iemand uit je eigen regio (district). Per district wordt de persoon met de meeste stemmen de volksvertegenwoordiger. emancipatie Strijd voor het krijgen van dezelfde rechten als alle andere groepen in de samenleving. evenredige vertegenwoordiging Kiessysteem met één landelijke kandidatenlijst. Wie een bepaald aantal stemmen krijgt, wordt volksvertegenwoordiger. feminisme Streven naar gelijke rechten voor mannen en vrouwen.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 37

grondwet Belangrijkste wet van een land waarin staat hoe het land wordt bestuurd en wat de rechten van de inwoners zijn. industrialisatie Overgang van het maken van producten met de hand naar het maken van producten met machines. Er komen fabrieken en veel mensen die tot die tijd in de landbouw werkten, worden fabrieksarbeider. kiesrecht Recht om bij verkiezingen je stem uit te brengen. klassieke grondrechten Vrijheidsrechten die burgers ­beschermen tegen de overheid. liberalen Politieke groep die vindt dat ieder mens zo veel mogelijk vrijheid moet hebben. De overheid moet zich daarom zo weinig mogelijk met de samenleving en de economie ­bemoeien. ministeriële verantwoordelijkheid De ministers zijn verantwoordelijk voor de politieke daden en politieke uitspraken van de koning. monarchie Land met een koning of keizer als staatshoofd. oppositie Politieke partijen die niet tot de regeringspartijen behoren. parlement In Nederland: de Eerste Kamer en Tweede Kamer, samen ook de Staten-Generaal genoemd. parlementaire democratie Democratie waarin burgers via gekozen volksvertegenwoor­digers invloed hebben op het bestuur.

passief kiesrecht Recht om tijdens verkiezingen gekozen te worden. regering De koning en de ministers. De ministers hebben de ­uitvoerende macht. republiek Land zonder koning. In een republiek is vaak een president het staatshoofd. sociaaldemocratie Politieke stroming die het verschil tussen arm en rijk wil opheffen door sociale wetten. socialisme Verzamelnaam voor het streven van communisten en sociaaldemocraten naar een samenleving die is gebaseerd op gelijkheid. vakbond Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers. verzuiling Verdeling van de samenleving in groepen die vrijwel langs elkaar leven. Een zuil was gebaseerd op een bepaalde godsdienst of levensbeschouwing.

begrippen GT onschendbaar gt Hier: de koning is niet verantwoordelijk voor zijn politieke daden of politieke uitspraken. sociale kwestie gt De slechte levensomstandigheden van de arbeiders in de negentiende eeuw en het besef dat daar iets aan gedaan moest worden. sociale wet gt Wet waarmee de overheid het leven van mensen probeert te verbeteren.

12/10/17 13:46


38

1 Nederland van 1848 tot 1914

1.5 1

Opdrachten

Plaats in de tijd

a Neem de tijdbalk over. Kies uit iedere paragraaf van dit hoofdstuk de gebeurtenis die volgens jou het belangrijkst is en geef deze aan op de tijdbalk.

1840

1860

1880

1900

1920

b Leg bij elke gebeurtenis je keuze uit: waarom vind je juist die gebeurtenis het belangrijkst?

2

Van wie kunnen de volgende uitspraken zijn? Bij sommige uitspraken zijn meerdere antwoorden goed. 1 ‘Alleen rijke en goed opgeleide burgers kunnen iets verstandigs zeggen over het bestuur van Nederland.’ 2 ‘Ik ben erg tevreden met de uitkomst van de Pacificatie van 1917.’ 3 ‘Maatschappelijke problemen kun je het best oplossen met behulp van de Bijbel.’ 4 ‘Mijn vader had Thorbecke nóóit die nieuwe grondwet moeten laten maken!’

3

Begrippen

1 Emancipatie, 2 Evenredige vertegenwoordiging, 3 Sociaaldemocratie. Maak bij deze drie begrippen steeds de volgende opdrachten. • Leg uit wat het begrip betekent. • Zoek een tweede begrip dat ermee te maken heeft. • Leg het verband uit tussen de twee begrippen. Voorbeeld Coalitie: dit zijn de partijen die samen een ­ meerder­heid hebben in de Tweede Kamer en daar samenwerken. Hierbij hoort het begrip oppositie, want dat zijn de partijen die niet in de coalitie zitten.

4

Vat samen: paragraaf 1.1

Schrijf de juiste woorden op. a In 1848 kwamen overal in Europa mensen in opstand. Zij eisten ... b In Nederland wilden de liberalen / confessionelen een nieuwe ... waarin werd geregeld dat de koning minder macht had. c De taken van het parlement zijn: 1 ... en 2 ... d In onze tijd is het kiessysteem een districtenstelsel / stelsel van evenredige vertegenwoordiging. e De ministers en de koning zijn samen de ... f Als de Eerste Kamer een wetsvoorstel afkeurt, gaat dat terug naar de ... of naar een Tweede Kamerlid.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 38

5

Vat samen: paragraaf 1.2

6

Vat samen: paragraaf 1.3

a Beschrijf in ongeveer dertig woorden een dag uit het leven van een arbeider rond 1860. b Maak een schema met vier kolommen. Schrijf boven de linkerkolom: socialisten. Schrijf daaronder de naam van hun politieke partij en de naam van een belangrijke socialist. (Bij opdracht 6b maak je dit af.) a Bekijk bron 40. Wat heeft deze te maken met verzuiling? b Vul het schema van opdracht 5b verder in. Schrijf boven de drie lege kolommen ‘protestanten’, ‘katholieken’ en ‘liberalen’. Schrijf daaronder de namen van de politieke partijen, en van elke partij de naam van een belangrijke persoon.

bron 40

7

Vat samen: paragraaf 1.4

a Beschrijf de belangrijkste doelen van de feministen. b Neem het schema over. Dit gaat over de Pacificatie van 1917. Schrijf bij de bovenste pijl wat socialisten deden om de confessionelen te helpen en bij de onderste wat confessionelen deden voor de socialisten. socialisten

8

confessionelen

Het belang van dit onderwerp

a Over een paar jaar mag je stemmen. Lees de stellingen. Welke stelling is onjuist? Leg uit waarom. A Ik ga niet stemmen, want de politiek gaat alleen over dingen die mij niets aangaan. B Ik ga niet stemmen, want mijn stem maakt geen verschil. Politici doen toch wat zij zelf willen. C Ik ga wel stemmen, want dan heb ik invloed op hoe Nederland bestuurd wordt. b Leg in ongeveer tien regels uit met welke stelling jij het het meest eens bent. Ben je het met geen enkele stelling eens, leg dan uit hoe je er dan wél over denkt. Onthouden 1, 4, 5, 6b, 7 Begrijpen 2, 3, 6a Toepassen 8

12/10/17 13:46


39

1 Examentraining

Examentraining Gebruik bron 1. 1 In de grafiek is een sterke stijging te zien tussen 1915 en 1920. Noem een politiek besluit dat voor deze sterke stijging gezorgd heeft.

(Uit: CE vmbo-GT, 2e tijdvak 2015.)

2 Hieronder staan drie uitspraken over de tijd rond 1900: 1 Wij willen algemeen kiesrecht voor de werkenden én een achturige werkdag. 2 Wij willen dat de overheid zich vooral bezighoudt met de veiligheid en de verdediging van het land. 3 Wij willen dat in de politiek de ideeën van de paus te herkennen zijn. Vier groepen: A Liberalen C Rooms-katholieken B Protestanten D Socialisten Geef per uitspraak aan welke groep daarbij hoort. Let op! Elke groep mag maar één keer worden gebruikt. Er blijft één groep over. Doe het zo:  Bij uitspraak 1 hoort … (vul letter in).

(Uit: CE vmbo-KB, 1e tijdvak 2015.)

Gebruik bron 2. 3 Is dit lied vóór of na 1917 geschreven? Verklaar je antwoord. Doe het zo:  Het lied is … (kies uit: vóór / na) 1917 geschreven, omdat … (geef een verklaring).

(Uit: CE vmbo-KB, 1e tijdvak 2014.)

Gebruik bron 3. 4 Hoe heet de politicus die deze brief geschreven heeft?

(Uit: CE vmbo-GT, 2e tijdvak 2014.)

Gebruik nogmaals bron 3. 5 In de bron wordt gesproken over een wijziging van de grondwet. Noem één wijziging die in de Grondwet van 1848 is opgenomen.

(Uit: CE vmbo-GT, 2e tijdvak 2014.)

bron 1

bron 2

Overheidsuitgaven voor het onderwijs in Nederland (in gulden)

x 1 miljoen Dit lied is geschreven naar aanleiding van een belangrijke politieke gebeurtenis: 90

100

80

Eindelijk is het er van gekomen, Holland kreeg een blij bericht, Het is niet langer meer een sprookje, Het is geen fantasieverhaal: De eerste vrouw zit in de Kamer Van de Staten-Generaal.

70 60 50 40 30 20 10 0

1905

1910

1915

1920

1925

bron 3 Een politicus schrijft aan zijn vrouw (12 april 1848): Mijn lieve vrouw! Ik heb gisteravond het nieuwe ontwerp voor een wijziging van de grondwet opgesteld. Het ontwerp wordt nu gedrukt en morgen moet ik dat misschien nog aanpassen. Daarna zal ik het ontwerp aan de koning geven.

TM Feniks_bb_HO_kgt-BOEK.indb 39

12/10/17 13:46


Historisch Overzicht vanaf 1848 en Staatsinrichting Geschiedenis voor de bovenbouw 3|4 vmb0-kgt

Geschiedenis voor de bovenbouw 3|4 vmb0-kgt

Historisch Overzicht vanaf 1848 en Staatsinrichting 3|4 vmb0-kgt

TM Feniks_bb_HO_kgt_omslag.indd 1

12/10/17 13:06