__MAIN_TEXT__

Page 1


Laagland VWO A.indb 208

22/12/17 08:56


Literatuur Nederlands voor de tweede fase

Laagland, literatuur lezer 4e editie Literaire ontwikkeling en begrippen leerwerkboek A

Gerrit van der Meulen

Laagland VWO A.indb 1

4/5/6 vwo

Willem van der Pol

22/12/17 08:55


Methodeoverzicht Laagland, literatuur & lezer, 4e editie voor de tweede fase havo/vwo bestaat uit de volgende delen: havo boeken

Laagland A Literaire ontwikkeling en begrippen 4/5 havo Laagland B Literatuurgeschiedenis 4/5 havo

digitaal met Schooltas

Laagland A Literaire ontwikkeling en begrippen 4/5 havo in Schooltas Laagland B Literatuurgeschiedenis 4/5 havo in Schooltas

vwo boeken

Laagland A Literaire ontwikkeling en begrippen 4/5/6 vwo Laagland B Literatuurgeschiedenis 4/5/6 vwo

digitaal met Schooltas

Laagland A Literaire ontwikkeling en begrippen 4/5/6 vwo in Schooltas Laagland B Literatuurgeschiedenis 4/5/6 vwo in Schooltas

ISBN 9789006371376 Vierde druk, tweede oplage, 2018 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017

Redactie/bureauredactie Atonaal, Rineke Crama, Allingawier Vormgeving Sproud, Sanneke Prins, Haarlem

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

Opmaak Crius Group, Hulshout Omslagontwerp Sproud, Sanneke Prins, Haarlem Omslagfoto © Jan Cremer, The Sea, the Sky, the Earth, the Wind (Sea) 2005 c/o Pictoright Amsterdam 2017

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Laagland VWO A.indb 2

22/12/17 08:55


Inhoud Introductie

4

Module 1 Tekst en lezer Opdrachten Theorie 1.1 Fictie en literatuur 1.2 Lezer en tekst 1.3 Jij als lezer

6 7 26 27 29

Module 2 Literair taalgebruik en betekenistoekenning Opdrachten Theorie 2.1 Nadruk op taalgebruik 2.2 Stijlfiguren 2.3 Beeldspraak en symboliek 2.3.1 Metaforen 2.3.2 Metonymia 2.3.3 Personificatie 2.3.4 Synesthesie 2.3.5 Symboliek 2.4 Betekenistoekenning

30 31 53 53 55 55 56 57 57 57 57

Module 3 Het lezen van verhalende teksten Opdrachten Theorie 3.1 Waarom verhalen? 3.2 Geschiedenis: waarover wordt verteld? 3.3 Verhaal: hoe wordt verteld? 3.4 Verteller: wie vertelt? 3.5 Focalisatie: wie neemt waar? 3.6 Auteursaanwijzingen 3.7 Verhaalgenres

58 59 87 87 89 91 92 93 94

Module 4 Het lezen van gedichten Opdrachten Theorie 4.1 Grote gevoelens? 4.2 Presentatie 4.3 Wie presenteert en wat? 4.4 Bouwstenen: versregels en strofen 4.5 Herhaling: inhoud, klank, metrum en ritme 4.6 Vast of vrij 4.7 Gedicht versus verhalende teksten 4.8 Dichtersaanwijzingen 4.9 Genres

96 97 122 122 123 125 125 127 127 128 128

Module 5 Toneel Opdrachten Theorie 5.1 Toneel, literatuur om te lezen en te zien 5.2 Het toneelstuk als tekst 5.3 Het toneelstuk als voorstelling 5.4 Toneelgenres

130 131 139 139 141 142

Module 6 Literatuur en maatschappij Opdrachten Theorie 6.1 Verbanden tussen literatuur en maatschappij 6.2 Literatuur en geld: uitgeverij, auteur en prijzen 6.3 Het publieke domein: oordelen over literatuur 6.4 Schokkende boeken en taboes 6.5 Ideologie en literatuur

144 145 177 177 179 180 182

Werkwijzers bij het lezen voor je lijst 185 Namen- en titelregister 195 Begrippenregister 199 Bronvermelding 203

Laagland VWO A.indb 3

3

22/12/17 08:55


Introductie De omslagfoto van het boek dat je nu in handen hebt, is een gedeelte van een schilderij uit de reeks zeegezichten van de schrijver en schilder Jan Cremer. De Noordzee, de luchten en het laagland van Nederland vormen hier het onderwerp. De golven lijken ontembaar, opgezweept door weer en wind, en weerspiegelen de dynamiek van de lucht. We hebben als schrijvers van Laagland, literatuur & lezer, 4e editie juist dit schilderij gekozen op de omslagen van de boeken, omdat het zo goed past bij de rijke, veelzijdige en boeiende literatuur van het Nederlandse taalgebied. Wij hopen dat jij dat ook gaat ontdekken en beleven. Laagland, literatuur & lezer, 4e editie is een volledige methode literatuur Nederlands voor de tweede fase havo en vwo. In boek A leer je theorie en maak je opdrachten over literaire ontwikkeling en literaire begrippen, twee subdomeinen van het schoolexamen literatuur. Het boek is ingedeeld in modules waarin je langere tijd aan een bepaald onderdeel werkt, bijvoorbeeld aan het lezen van gedichten (module 4). Als je de modules van boek A helemaal hebt doorgewerkt, kun je literaire teksten en tekstsoorten herkennen en onderscheiden en kun je literaire begrippen hanteren bij de interpretatie van literaire teksten. Ook kun je beargumenteerd verslag uitbrengen van je leeservaringen en over je leesontwikkeling met een aantal door jou geselecteerde literaire werken (de lees- of boekenlijst). Een module begint met een inleiding waarin kort staat waar de module over gaat en hoe deze is opgebouwd. Daarna volgen opdrachten die je moet maken. In elke module wordt de bijbehorende theorie, die als basis voor de opdrachten dient, aangeboden. Je werkt boek A het best door als je begint bij module 1, vervolgens module 2 en zo verder.

Verschillende soorten opdrachten Elke module in boek A bestaat uit verschillende soorten opdrachten: • Opdrachten die je alleen, samen met een medeleerling of in een groepje moet maken. • Keuzeopdrachten: opdrachten waarin je een keuze maakt over wat en hoe je die gaat uitvoeren. Ook kun je soms kiezen tussen verschillende opdrachten. • Verdiepingsopdrachten: opdrachten die je kunt maken in plaats van één of meer andere opdrachten. Een verdiepingsopdracht geeft extra verdieping of nodigt je uit anders te denken, iets te onderzoeken of op een creatieve manier uit te voeren. • Slotopdrachten: samenvattende opdrachten waarin diverse theorie die je hebt geleerd, wordt gecombineerd. Slotopdrachten komen aan het eind van een module voor. We maken in dit boek gebruik van enkele iconen: Bij deze opdracht wordt naar een website verwezen. Bij deze opdracht hoort een video- of luisterfragment. Deze tekst kun je ook beluisteren. Scan de QR-code die bij de tekst staat. Deze opdracht maak je samen met een medeleerling. Deze opdracht maak je in een groepje medeleerlingen. Bij sommige opdrachten staat een QR-code. Je hebt een (gratis) QR-scanner/reader nodig op je mobiele telefoon of tablet.

Laagland VWO A.indb 4

22/12/17 08:55


Lezen voor je lijst Voor vwo moet je ten minste twaalf literaire werken lezen waarvan ten minste drie van vóór 1880. Op de website www.lezenvoordelijst.nl vind je allerlei tips voor boeken die je kunt lezen voor je lijst. De boeken worden ingedeeld naar zes leesniveaus. Je moet op je schoolexamen literatuur kunnen laten zien dat je een bepaald leesniveau hebt bereikt. Voor vwo is dat minstens niveau 4. Achter in dit boek vind je een aparte afdeling Werkwijzers bij het lezen voor je lijst. Hierin staan verschillende werkwijzers, zoals het balansverslag en het leesverslag, die je kunt gebruiken bij het lezen van boeken voor je lijst. Vanzelfsprekend is je docent de eerst aangewezen persoon om je te helpen bij het lezen voor je lijst.

Literatuurgeschiedenis Bij dit boek hoort ook boek B over literatuurgeschiedenis, het andere subdomein van het schoolexamen literatuur, dat je doorwerkt als je boek A hebt gedaan. Voor je schoolexamen literatuur moet je een literair werk in de tijd van ontstaan kunnen plaatsen. Ook op de website www.literatuurgeschiedenis.nl kun je informatie vinden. Met deze twee boeken, A en B, bereidt Laagland, literatuur & lezer, 4e editie jou volledig op het schoolexamen literatuur voor. Wij wensen je veel succes, leeservaringen en leesplezier! Gerrit van der Meulen Willem van der Pol

5

Laagland VWO A.indb 5

22/12/17 08:55


MODULE |

1

Tekst en lezer Inleiding In deze module leer je in de eerste plaats het verschil (her)kennen tussen fictionele en nonfictionele teksten en de drie verschillende verschijningsvormen van literatuur. Vervolgens leer je hoe de wisselwerking tussen jou als lezer en de literaire tekst tot stand komt: het effect van een tekst, open plekken, jouw verwachtingen, spanning en het zoeken naar samenhang. Ten slotte leer je waarom individuele verschillen tussen lezers belangrijk zijn en welke rol gender en identiteit spelen bij het lezen van literaire teksten. Je leert deze verschillende zaken door het precies lezen van teksten, het maken van opdrachten erover, het bestuderen en gericht toepassen van de theorie. 6

Laagland VWO A.indb 6

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

Overzicht opdrachten en theorie Pagina

• De opdrachten 1 , 2 , 3 en 4 gaan over de theorie van 1.1 Fictie en literatuur.  7-11 • Opdracht 4 is een keuzeopdracht. 11 • De opdrachten 5 , 6 , 7 , 8 en 9 gaan over de theorie van 1.2 Lezer en tekst.  12-17 • Opdracht 9 is een verdiepingsopdracht. 15-17 • Je maakt opdracht 8 óf de verdiepingsopdracht 9 .  13, 15 • De opdrachten 10 , 11 , 12 , 13 , 14 , 15 , 16 en 17 gaan over de theorie van 1.3 Jij als lezer.17-25 • Opdracht 14 en 15 zijn keuzeopdrachten. Maak óf opdracht 14 óf opdracht 15 . 21, 23 17 • Opdracht is een keuzeopdracht. 25

De opdrachten 1, 2, 3 en 4 gaan over de theorie van 1.1 Fictie en literatuur.

Opdracht 1

theorie 1.1

Bestudeer de theorie van 1.1 Fictie en literatuur en maak vervolgens twee kolommen. Zet boven de eerste kolom: non-fictie, boven de tweede kolom: fictie. Zet in de kolom non-fictie de drie kenmerken van non-fictie, zet in de kolom fictie de drie kenmerken waarin fictie van non-fictie verschilt.

Opdracht 2

theorie 1.1

Lees de teksten “Artis redt boomslak Tahiti van ondergang” en “De dierentuin” van Bernlef (1937-2012) en beantwoord samen met een medeleerling de vraag.

Artis redt boomslak Tahiti van ondergang

5

Door menselijk ingrijpen had de Polynesische boomslak op Tahiti het nakijken. Zo’n 900 nieuwe weekdieren moeten nu de orde herstellen. Met hulp uit Nederland.

10

Normaal gesproken verzorgt Maartje de Vries (38) olifanten en roofdieren in Artis, maar sinds een jaar heeft ze er een speciale taak bij: het kweken en verzorgen van Polynesische boomslakken. De

15

Amsterdamse dierentuin helpt een handje om de met uitsterven bedreigde dieren terug op aarde te brengen. En wel in zijn natuurlijke leefgebied, Tahiti. Vorige maand landde er op dit eiland in de Stille Zuidzee een vliegtuig met aan boord 877 Polynesische boomslakken. De Vries was twee dagen eerder al afgereisd. ‘Zo kon ik me alvast voorbereiden op hun komst’, zegt ze. Lukraak uitzetten in de 7

Laagland VWO A.indb 7

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

20

25

30

35

40

45

50

55

60

65

natuur is geen optie. ‘De slakken moeten eerst acclimatiseren en wat eten.’ Artis is een van de vijftien Europese en Amerikaanse dierentuinen die meedoet aan het project om de Polynesische boomslak van een ondergang te redden. Hiermee wil de dierentuin een bijdrage leveren aan natuurbehoud. Het project omvat niet alleen de herintroductie van de boomslak, maar ook veldonderzoek op Tahiti, de bescherming van het leefgebied van de slakken, genetische analyse van de populaties en educatie aan scholieren over de belangrijke rol die slakken spelen in het ecosysteem. Het voortbestaan van inheemse boomslakken is belangrijk voor de biodiversiteit. Ze fungeren als een soort ‘managers van het bos’ omdat ze vegetatie en verrotte planten eten. Daarnaast is de slak een ideaal modeldier om evolutieonderzoek naar te doen. Slakken hebben namelijk de gave om zich snel aan te passen aan hun omgeving. Ze zijn bijvoorbeeld een goede indicator om klimaatverandering mee te meten. De Polynesische boomslak wordt bedreigd sinds in 1967 een nieuw soort slak op het eiland werd geïntroduceerd, de grote agaatslak (Lissachatina fulica). Het idee was om deze slak tot lokale delicatesse te verheffen, maar dit mislukte jammerlijk. In plaats daarvan verspreidde de agaatslak zich in rap tempo over het eiland en at het de gewassen van de lokale bevolking op. De Amerikaanse roofslak werd ingezet als natuurlijk bestrijdingsmiddel, maar bleek het vooral gemunt te hebben op de boomslak – een veel makkelijkere prooi dan de agaatslak. Binnen enkele jaren waren er nauwelijks nog boomslakken op Tahiti te vinden. Sommige soorten – het zijn er honderd in totaal – stierven in het wild zelfs helemaal uit. Gelukkig hadden twee Amerikaanse wetenschappers op het eiland wat boomslakken achtergehouden. Die werden naar verschillende dierentuinen getransporteerd om via kweekprogramma’s

70

75

80

85

90

95

100

105

een nieuwe populatie te stichten. Artis ontving vorig jaar een aantal boomslakken uit Engeland. Binnen een jaar kweekte de dierentuin ruim tweehonderd nihoboomslakken (Partula nodosa’s), een uitgestorven soort. Daarnaast ontving het een paar honderd geweekte slakken van andere dierentuinen, zodat ze gezamenlijk op het vliegtuig naar Tahiti konden worden gezet. Het kweken van slakken is geen hogere wiskunde, zegt De Vries. ‘Zelfs één slak kan zichzelf bevruchten. Als je er een paar bij elkaar zet en ervoor zorgt dat ze te eten krijgen en de luchtvochtigheid goed is, gaat het eigenlijk vanzelf.’ Tahiti is een vochtig en tropisch eiland. Vandaar dat boomslakken er goed gedijen. Om de overlevingskans van de weekdieren tijdens de vlucht naar Tahiti – 17 uur in totaal, met een tussenstop in Los Angeles – te vergroten, werden ze in papiertjes gewikkeld. ‘De slakken zijn droog vervoerd’, zegt De Vries. ‘Als de omgeving vochtig is, kruipen ze in hun schelp.’ Bij aankomst zijn de slakken gemarkeerd, zodat ze gemonitord kunnen worden. Vervolgens zijn ze in potjes aan bomen gehangen, om van daaruit in hun gebruikelijke slakkengang de vrijheid tegemoet te kruipen. Nog altijd circuleert de roofslak op Tahiti, maar volgens De Vries hoeven de boomslakken daar niet bang voor te zijn. ‘We hebben ze alleen in valleien uitgezet waar geen roofslakken zijn gespot. Er zullen nog wel wat vogeltjes zijn die ze opeten, maar als de populatie groot genoeg is, vormt dat geen probleem.’ Uit: Irene de Zwaan, Artis redt boomslak Tahiti van ondergang.

8

Laagland VWO A.indb 8

22/12/17 08:55


5

10

15

20

25

30

35

40

Het had hem verbaasd hoe onverbiddelijk de mensen in de belegerde stad aan hun dagelijkse gewoontes bleven vasthouden. Het beleg duurde nu al ruim een jaar, maar nog steeds schonk zijn vrouw om drie uur ’s middags de thee uit en verwachtte zij hem om zeven uur voor het eten, al was het iedere dag onzeker of er wel wat te eten viel, of hij weer heelhuids thuis zou komen. Mensen keken op hun horloge, schreven afspraken in hun agenda’s, alsof je je nog vrijuit over straat kon bewegen en er vanuit de heuvels niet het voortdurende gevaar van sluipschutters loerde, die, gewapend met telescoopgeweren, op alles schoten wat er in de straten van de stad beneden hen bewoog. Maar was hij zelf veel anders? Meer dan twintig jaar al werkte hij als oppasser in de kleine dierentuin van de stad. Hij stond er alleen voor, nu zijn beide collega’s het slachtoffer van de sluipschutters waren geworden. De jongste was al in de eerste week van het beleg voor de wolvenkooi neergeschoten, zijn andere collega miste sinds kort een been. De dierentuin lag aan de rand van de stad. Alhoewel de levende have niet veel voorstelde – een gevlekte Bengaalse tijger, een oude zandkleurige leeuw die niets deed dan slapen, acht Shetlandpony’s, een Amerikaanse bizon die eruitzag alsof hij een gerafeld vloerkleed op zijn rug meetorste, een lama, een paar antilopen en ontelbare zwanen, eenden en pauwen – was de dierentuin in vredestijd een geliefkoosd uitje geweest voor jonge gezinnen met kinderen, voor oude mannen met linnen petten en wat jonge kunstacademiestudenten, die met de tong uit hun mond de bewegingen van dieren in gevangenschap probeerden vast te leggen. Een maand na het begin van het beleg waren de panter, drie van de pony’s, alle

45

50

55

60

65

70

75

80

85

1 | OPDRACHTEN

De dierentuin antilopen, de zandkleurige leeuw en de Amerikaanse bizon dood. Hun lijken konden in het begin zelfs niet weggehaald worden. Nee, hij was het met de directeur eens geweest, het was maar beter de dierentuin tijdelijk te sluiten. Maar zo eenvoudig als de directeur dat vanachter zijn bureau had beslist was dat toch ook weer niet. De overgebleven dieren konden niet aan hun lot worden overgelaten. Loslaten ging niet. Afmaken zou capitulatie voor de vijand in de heuvels betekenen. En dus zat er niets anders op dan de dieren die over waren dagelijks te blijven voeren. Ook hier hield hij zich, net als zijn vrouw thuis, aan de gebruikelijke uren. Het pluimvee kreeg ’s morgens te eten en de overgebleven grotere dieren ’s middags om half vier. De directeur belastte zich met de inkoop van het voedsel tot hij, nu een maand geleden, plotseling verdween, zoals er tegenwoordig zoveel mensen plotseling verdwenen. Dood of gevlucht. Iedere dag noemde zijn vrouw nieuwe namen van vrienden en bekenden die de stad waren ontvlucht. In haar opsomming hoorde hij een licht verwijtende ondertoon. Maar dan schudde hij zijn hoofd. Hij kon de dieren niet alleen laten. Daar viel niet aan te denken. En dus was hij ook niet echt verbaasd geweest toen hij op een avond thuiskwam en het huis leeg vond. Op tafel lag een briefje dat zijn vrouw met een bevriende familie de belegerde stad had verlaten. Eigenlijk had hij geen tijd om er lang over na te denken; het zoeken naar voedsel voor de dieren nam al zijn tijd in beslag. In het begin vond hij nog wel een willig oor bij het abattoir en de paar overgebleven slagers in de stad, maar nu aten de mensen alles van een dier op. En van uitgebeende karkassen alleen kon de Bengaalse tijger niet leven. De paar kleinere dieren, pauwen, 9

Laagland VWO A.indb 9

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

90

95

100

105

110

konijnen, duiven en meeuwen, die dagelijks het slachtoffer werden van de jonge prijsschieters in de heuvels, waren bij lange na niet voldoende om hem te voeden. De tijger liep niet langer langs de tralies heen en weer, waarbij de vlekken op zijn glanzende vel op het ritme van zijn poten meebewogen, maar lag nu apathisch in een hoek van zijn kooi, met ingevallen hijgende flanken. Verschrikkelijk om aan te zien. Zo was het gekomen. Zo was hij ertoe gekomen. De paar mensen die hij op straat tegenkwam dachten misschien dat hij een lijk naar het kerkhof bracht. Of misschien wisten ze waar hij met het lijk heen ging, maar kon het hun niet schelen, zolang zij maar niet op zijn karretje lagen. Iedere keer dat hij met een lijk de dierentuin inreed koos hij een andere route naar de kooi van de tijger om de kans opgemerkt te worden door de sluipschutters zo klein mogelijk te maken.

135

140

145

150

155

115

120

125

130

De eerste keer had hij, misselijk van zelfoverwinning, het lichaam van een oude man zonder schoenen de kooi ingeschoven en was meteen naar huis gegaan zonder zich om de andere dieren te bekommeren. Het ging nu alleen nog maar om de tijger. Hij zocht de op straat liggende lijken met zorg uit. Lichamen die stonken raakte hij niet aan, net zomin als die van dode vrouwen en kinderen. Een paar keer werd hij tijdens het transport naar de dierentuin bijna zelf geraakt. Toen een wiel van zijn kar werd geschoten had hij het lichaam van de dode over een schouder gelegd en naar een gat in de afrastering gesjouwd. Terwijl hij zich bukte om met zijn vrije hand een doorgang te maken voelde hij het lichaam op zijn rug tweemaal kort achter elkaar heftig schokken. Even verstijfde hij, toen begreep hij wat er gebeurd was.

160

165

170

Hij sleepte het lijk aan de voeten over een grasveldje naar de kooi. Zo gauw de tijger hem gewaar werd sprong hij in zijn volle lengte tegen de tralies omhoog, groot en ontzagwekkend met zijn triomfantelijke lijf, zijn langs de ijzeren staven naar beneden krassende nagels. De tijger was prachtig. Zo mooi was hij nog nooit geweest. Met gebogen kop en een driftig heen en weer zwiepende staart wachtte hij tot de oppasser het luik had geopend en het lichaam naar binnen schoof. Daarna steeg een ijzingwekkend gebrul op dat alle scherpschutters in de heuvels naar hun geweren deed grijpen. De man in de dierentuin stond op zijn gemak voor de kooi waaruit het gebrul opsteeg. Hij bewoog niet. Hij leek gefascineerd door wat hij voor zich zag. In werkelijkheid dacht hij aan de twee kogels in het vlees van de dode. Hoe zij nu binnenin het levende lichaam van de tijger verder hun weg zouden zoeken. De tijger had de linkerarm van het lijk in de kooi afgerukt. Hij hield de arm bij de schouder in zijn bek. Losgeraakte zenuwen en pezen hingen als een kluwen spaghettislierten tussen het bloederige vlees. De tijger schreed in al zijn pracht met de afgerukte arm, gehuld in een bruine mouw, op hem toe. In een impuls greep hij de hand die hem door de tralies werd toegestoken, alsof hij de dode alsnog wilde redden. Het horloge rond de pols wees kwart voor vier aan. Een van de jongens in de heuvels zag door zijn telescoopvizier hoe de man in de dierentuin beneden een losse mensenarm aan de tijger voerde. Hij aarzelde geen moment. Uit: Bernlef, Verbroken zwijgen.

Bepaal aan de hand van de kenmerken van non-fictie en fictie welke tekst non-fictie is en welke fictie.

10

Laagland VWO A.indb 10

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

Opdracht 3

theorie 1.1

Lees de tekst “Dinner for one” uit het boek En dan komen de foto’s (2014) van A.H.J. Dautzenberg (1967) en beantwoord samen met een medeleerling de vraag.

Dinner for one Ingrediënten:

5

10

15

300 gram kruimige aardappelen 300 gram wijnzuurkool 200 gram gerookte spekjes 1 hele rookworst (HEMA) 2 gesnipperde uien

– Snijd de geschilde aardappels in kleine partjes. – Stop de aardappels, de zuurkool en een halve eetlepel zout in een ruime pan met water. – In 25 minuten gaarkoken. – De spekjes in een koekenpan goed doorbakken – zoals zij ze graag at. – Een deel van de uitjes even mee laten sudderen. – De aardappel en zuurkool afgieten. – Stampen. – De spekjes en uitjes (ook de ongebakken) toevoegen. – Goed door elkaar roeren. – Peper en zout naar smaak toevoegen en vijf minuten met gesloten deksel laten staan. – Rookworst in magnetron in 1,5 min. op 800 W opwarmen (let op: prik gaatjes in de folie). – Tafel dekken! Tip: serveer het gerecht met een klodder mosterd. Uit: A.H.J. Dautzenberg, En dan komen de foto’s.

Leg beargumenteerd uit of deze tekst non-fictie of fictie is. Op basis van welke tekstuele gegevens reken je de tekst wel/niet tot de fictie of non-fictie?

Keuzeopdracht 4

theorie 1.1

Herlees “Artis redt boomslak Tahiti van ondergang” (opdracht 2) en gebruik de inhoud van de tekst voor het maken van een gedicht. Ga als volgt te werk: noteer uit de theorie van 1.1 de kenmerken van een gedicht. Selecteer vervolgens het inhoudelijke gedeelte uit de tekst dat jou het meest aanspreekt, bijvoorbeeld de werkzaamheden van Maartje de Vries, de bedreiging van de Polynesische boomslak of het reddingsplan. Bewerk dat tekstgedeelte tot een gedicht van minimaal 5 en maximaal 15 regels. Je mag informatie toevoegen, weglaten en verplaatsen. Voorwaarde is dat de kenmerken van een gedicht zoals beschreven in 1.1 duidelijk herkenbaar zijn. 11

Laagland VWO A.indb 11

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

Je mag ook zelf een informatieve tekst over dieren uit een krant, tijdschrift of van een website halen en die gebruiken om een gedicht te schrijven. Je werkwijze kan dezelfde zijn zoals beschreven bij het bewerken van “Artis redt boomslak Tahiti van ondergang”. Bewerken is toevoegen, weglaten en verplaatsen van tekst. De opdrachten 5, 6, 7, 8 en 9 gaan over de theorie van 1.2 Lezer en tekst.

Opdracht 5

theorie 1.2

Bestudeer de theorie van 1.2 en maak een samenvatting. In je samenvatting moeten in ieder geval de volgende begrippen voorkomen: leesmotivatie, effect, leeservaring, open plek, verwachtingen, open einde, gesloten einde, spanning (raadsel, geheim, dreiging), genres, psychologisch schema, samenhang, causaliteit (oorzaak-gevolg).

Opdracht 6

theorie 1.2

Lees het fragment uit De liefde niet (2015), van Margriet van der Linden (1970) en beantwoord de vragen.

De hoofdpersoon in dit boek is M. In het boek lees je de ontwikkeling van M van jong meisje tot zelfbewuste jonge volwassen journalist. M groeit op in een streng protestants-christelijk gezin in een dorp in de buurt van Rotterdam. Als meisje raakt ze gefascineerd door een beroemde tennisster, die ook bekend werd vanwege haar liefdesrelatie met een schrijfster.

5

10

Ze was achttien geworden, de oudere broer was tot twee keer toe een halfjaar intern geweest op boerderijen waar hij stage liep. Er was meer ruimte in huis, ze kon meer haar eigen gang gaan, ze tenniste tegen de muur, bracht avonden op haar kamer door, ze keek televisie bij de familie Den Oudsten, met de dochter ging ze vaak om, middagenlang keken ze naar tennis, waardoor M veel van de vrouw had gezien. De stapel tennisbladen, boeken, krantenknipsels, hoe minuscuul het berichtje ook was geweest, was enorm geworden. M had zelfs even gedacht, en ze

15

20

25

dacht het nog weleens, dat ze gek aan het worden was: de vrouw had haar nooit meer losgelaten. Ze had de gedachten nodig, vooral nadat ze achter in de bibliotheek de boeken was gaan lezen van de schrijfster die echt een relatie met de vrouw had gehad. De boeken gingen ook over vrouwen die een relatie met een vrouw hadden, er was één boek dat zelfs helemaal over M leek te gaan en dat ze met een bonzend hart achter de Grote Bosatlas had gelezen. Dat meisje, dat was zijzelf. Uit: Margriet van der Linden, De liefde niet.

12

Laagland VWO A.indb 12

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

1 Citeer het zinsgedeelte waaruit duidelijk de langdurige fascinatie van M voor de tennisster blijkt. 2 Welk van de begrippen uit de theorie van 1.2 is het meest van toepassing op dit romanfragment? Kies uit: leesmotivatie, effect, open einde, spanning, causaliteit. Beargumenteer je keuze. 3 Leg beargumenteerd uit wat volgens jou het precieze onderwerp van het fragment is. 4 Is de situatie van M (zichzelf herkennen in romanpersonages) voor jou herkenbaar, of niet? Nu volgen de opdrachten 7 en 8 en de verdiepingsopdracht, opdracht 9. Maak de opdrachten 7 en 8 óf de verdiepingsopdracht 9.

Opdracht 7

theorie 1.2

Herlees “De dierentuin” van Bernlef (opdracht 2) en beantwoord samen met een medeleerling de vragen. In verhalende teksten komen open plekken voor. 1 In r. 99-100 staat: “Zo was het gekomen. Zo was hij ertoe gekomen.” Deze passage kun je als open plek opvatten. Leg uit wat de open plek is en geef op basis van informatie verderop in de tekst een invulling van deze open plek. 2 In regel 128-130 staat “… voelde hij het lichaam op zijn rug tweemaal kort achter elkaar heftig schokken.” Dit zinsgedeelte kun je als open plek opvatten. Leg uit wat de open plek is en geef op basis van informatie verderop in de tekst een invulling van deze open plek. 3 Lezers verwachten dat een literaire tekst samenhang heeft. Die samenhang wordt onder andere verkregen door logisch-causale verbanden (waarom? waarvoor? waardoor?), die verklaringen voor gedragingen (lijken te) geven. Citeer de zin die het duidelijkst het gedrag van de oppasser verklaart. De permanente aanwezigheid van de scherpschutters in de heuvels zorgt voor spanning. 4 Hoe vaak worden de scherpschutters genoemd? 5 Is de spanning die de scherpschutters veroorzaken een raadsel, geheim of dreiging? Beargumenteer je antwoord door de kenmerken van de verschillende vormen van spanning toe te passen. 6 Leg op basis van gegevens in de tekst uit of “De dierentuin” een open einde of een gesloten einde heeft.

Opdracht 8

theorie 1.2

Lees “Hoela” van Cees Nooteboom (1933) en beantwoord samen met een medeleerling de vragen.

Hoela

5

Eerst was er de tuin, in de tuin de vijver, en daarna weer een gazon. Daarachter een hoge heg, donkergroen. Hij wist wat er na de heg kwam: een wild terrein waar ze huizen gingen bouwen. Een stuk van dat terrein kon hij zien, en de houtzagerij aan het eind ervan. En hij kon lezen, Leverkaats fijnhoutzagerij. De lucht was vochtig, het was herfst. Toch was het niet koud, dat had

Laagland VWO A.indb 13

10

15

zijn vader gezegd. Tussen de tuin en de kamer achter hem was hij volstrekt alleen. Hij rook de ooms en de tantes, hij rook de jarige tante en zij had hem gekust, hij rook zijn vader en moeder. Of hoorde hij ze? Achter hem, lawaai? Hij keek niet om, hij had het al gezien. De ronde lage tafel met het kleed, daaromheen zaten ze.

13

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

20

25

30

35

40

45

50

Sigarerook kwam op hem af, stond achter hem en zei, moet je niet buiten spelen? En parfum kwam op hem af, stond achter hem en zei, Arthur is ook buiten. Dat wist hij, maar hij ging niet naar buiten. De geuren gingen weer naar hun plaatsen en praatten over hem, zijn vader zei, laat hem maar, en ze lieten hem. Hij stond aan het raam en keek naar Arthur. Arthur was heel klein, en keek niet naar het huis. Hij stapte door het natte gras, bezig met een wagentje. Zand halen bij de zandbak, dat vervoeren langs een vastgestelde route, een omweg, en dan het zand in de vijver gaan gooien. Zo te zien was Arthur een auto. Hij had een sukkelgangetje en zijn mond ging open voor het tuuuut roepen. Met zijn rechterhand stuurde hij. Met zijn linker trok hij het karretje voort. De geur van zijn moeder bracht een glas limonade. Kom je niet bij ons zitten? Nee. Hij bleef kijken. Het was mooi, de stilte rond Arthur. Af en aan, zonder enig geluid reed de auto door de tuin, zand halen, vervoeren, in de vijver gooien. Een grote hand kwam hem halen en zette hem in de kring, bij zijn grootvader. Hij was groot geworden. Hij was al heel stevig. Hij werd in zijn wang geknepen, over zijn haar gestreeld, gekust. Zijn grootvader zei dat Arthur veel kleiner was, maar veel flinker, want die speelde buiten, terwijl het mistte en toch wel een beetje koud was. Ze keken allemaal naar buiten, naar het rode autootje in het gras,

55

60

65

70

75

80

85

en lachten. Daarna mocht hij weer bij het raam. Toen hij bij het raam kwam zag hij de auto slippen en in de vijver glijden. Hij keek. Arthur schoof langzaam in het dikke water. Hij liet het autootje niet los, en keek naar het huis, en keek naar hem, zijn neef, die vanachter het raam, vanuit het huis, naar hem keek. De auto toeterde uit alle macht en schoof nog verder in het water. Arthur keek naar hem terwijl hij dieper wegzonk. Zijn mond bewoog. Toen verdween hij ineens onder het zwarte oppervlak. Hij bleef kijken, hij zei niets. De geuren achter hem bewogen zich in en uit elkaar, pas veel later zou hij ze allemaal weten, gerinkel van kopjes, geschraap van gebakvorkjes over schoteltjes, geschuif van stoelen, praten. Hij bleef staan. Pas toen de auto helemaal gezonken was, toen Arthur, helemaal nat, nog een keer boven water uit was gekomen en daarna weer, en nu voorgoed, was weggezakt, ging hij bij zijn moeder zitten, en kreeg een taartje, en nog een glas limonade. Later, veel later, na een van de miljoenen nachtmerries waarin hij verdronk, en verdronk, en verdronk, kon hij zich herinneren wat hij die middag gedacht had. Het was ook niet moeilijk. Het wegglijden begeleidend was zijn gedachte geweest: Leverkaats fijnhoutzagerij. En daardoorheen, in tegengestelde richting, volstrekt duidelijk, had hij gedacht, hoela, hoela, hoela. Uit: Cees Nooteboom, De verliefde gevangene. Tropische verhalen.

1 Geef drie voorbeelden van foregrounding in dit verhaal. 2 Dit verhaal gaat over twee neefjes (Arthur en de hij-figuur) en hoe familieleden de twee neefjes waarderen. Citeer de zin waaruit de waardering van de familie, uitgesproken door een van de familieleden, voor Arthur en de hij-figuur het duidelijkst blijkt. 3 In dit verhaal staan twee open plekken centraal: wat gebeurt er met Arthur en hoe reageert de hijfiguur daarop? Geef van beide open plekken de invulling. 4 Lees r. 61-62: “De auto toeterde uit alle macht en schoof nog verder in het water.” Leg uit wat volgens jou met deze zin wordt bedoeld. 5 Vanaf r. 77 is de hij-figuur ouder (“Later, veel later…”) en denkt hij aan vroeger. Je komt dan ook de precieze gedachten van de hij-figuur bij de gebeurtenissen van toen te weten: “hoela, hoela, hoela”. Dit verwijst naar de titel. Vaak creëert de titel een open plek. Dat is ook bij deze tekst het geval: waarom luidt de titel “Hoela”? Geef een invulling van de open plek. Dat is ook het antwoord op de vraag: waarom dacht de hij-figuur: hoela, hoela, hoela? 14

Laagland VWO A.indb 14

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

6 Lezers verwachten dat een literaire tekst samenhang heeft. Die samenhang wordt onder andere verkregen door inzicht in de drijfveren van de hoofdpersoon (waarom? waarvoor? waardoor?). Wat zijn de drijfveren van de hij-figuur ten opzichte van Arthur geweest? Wat is de verklaring voor zijn gedrag? 7 Lezers hebben verwachtingen over hoe personages zich gedragen. Die verwachtingen komen voort uit hun mensenkennis en ervaring met menselijk gedrag. Leg uit dat het gedrag van de hij-figuur in “Hoela” niet aansluit bij wat mensen op basis van hun ervaringen van personen/personages verwachten. 8 Leg beargumenteerd uit of “Hoela” een open of een gesloten einde heeft. 9 Wat vind jij van het gedrag van de hij-figuur? Leg beargumenteerd uit of je zijn gedrag ten opzichte van zijn neefje kunt begrijpen of niet. 10 “Hoela” is een literaire tekst over twee neefjes en hun familie. Veel literaire teksten gaan over personages en hun gezins- en familierelaties. Waarom gaan veel verhalen die we lezen over gezinsen familierelaties?

Verdiepingsopdracht 9

theorie 1.2

Deze opdracht bestaat uit twee teksten en 14 vragen. Lees “Nice to see you” van Rascha Peper (1949-2013) en beantwoord samen met een medeleerling de vragen 1 t/m 10.

Nice to see you

5

10

15

20

25

Er valt weinig meer te doen. Het zilver ligt in het gelid, de glazen staan in rangorde boven de borden, de tafelversiering is tot op de centimeter precies over het damast verdeeld. In de keuken hoeft ze ook niet meer te zijn. Daar rangschikt het meisje dat voor de bediening is gekomen, de kreeft vast in de coupes. Ze zet nog een kaars rechter in de kandelaar, schuift een paar stoelen aan, loopt dan de aangrenzende zitkamer in en gaat voor de tuindeur staan. Het is kwart voor acht, de gasten komen over een kwartier. Ralph is zich boven nog aan het verkleden. Ze ziet zichzelf in het glas weerspiegeld. Een bungelende oorbel vangt het licht van een schemerlamp, haar ogen zijn donkere vlekken in een wit gezicht, als kraters op de maan. Ralphs collega’s zullen haar zo dadelijk op beide wangen kussen en zeggen dat het geweldig is om haar weer te zien. En hun vrouwen zullen vinden dat dit korte kapsel haar fantastisch staat en dat ze zo slank is! Niemand zal over de kliniek spreken. Ze zullen doen alsof ze een jaar met studieverlof is geweest of een buitenlandse reis heeft gemaakt. Tegen Ralphs Amerikaanse partner –

Laagland VWO A.indb 15

30

35

40

45

50

van wie ze van vroeger nog weet dat hij zo indringend glimlachend ‘How are you?’ vraagt, op een manier of hij speciaal in je is geïnteresseerd – zal ze ‘fine…, fine!’ zeggen. Niet ‘very good, thank you’, nee, ‘fine, fine!’, met van die uithalen en zo’n glimlach die je tanden binnen een breed ovaal van glanzende lipstick laten schitteren. Niet vergeten. Je moet een beetje flink zijn, heeft Ralph gezegd, je bent tenslotte in je eigen huis. Je kunt het best. Aan de andere kant van het glas zit mijnheer Ping. Hij zit er op zijn dooie gemak en niet alsof hij naar binnen wil, maar ze opent toch uitnodigend de deur. Hij komt inderdaad niet – hij heeft aan de uitgetrokken eettafel en het geloop van het vreemde meisje allang gemerkt dat er iets niet pluis is – en loopt kalm maar gedecideerd weg. Maar bij de hortensia’s draait hij zich om en vraagt of ze meekomt. Ze glimlacht, sluit de deur achter zich en loopt de tuin in. Het kan nog wel even. Mijnheer Ping is haar vriend. Hij heeft het nooit over flink zijn of over pillen die ze nog moet innemen. Hij heeft haar gemist toen ze

15

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

weg was en vindt dat ze helemaal niet had moeten gaan, maar praat er nooit meer over. 55

60

65

70

75

80

85

90

95

Zo erg donker is het niet. De lucht is diepblauw met wat zwart-grijze wolkenflarden erin, een mager maansikkeltje staat ertussen. Hoewel al oktober, is het niet koud, een beetje zwoel zelfs. Het is zeer stil in de tuin, bedaard klinkt het getik van haar hakken over de flagstones. Vanuit het huis klinkt het opéénstapelen van borden, het meisje heeft zeker een keukenraam opengezet. Mijnheer Ping is nergens te zien, maar daar waar het pad een bocht maakt en dicht struikgewas de lichtval vanuit het huis tegenhoudt, verwacht ze de sprong. En die komt dan ook. Met een boog duikt de aanvaller op haar voeten en rent vervolgens weg zo hard hij kan. Een oud zomerspel. Er staan plotseling heel veel sterren aan de hemel. Met het hoofd in de nek staat ze een tijdje te kijken hoe het maansikkeltje door dunne wolkenslierten wordt gepasseerd, maar toch steeds zichtbaar blijft. ‘Olga!’ Ze duikt in elkaar van schrik. ‘Olga!’ Ja, ik ben hier, moet ze nu roepen, maar ze doet pas haar mond open op het moment dat de tuindeur alweer dichtslaat. Ze moet nu wel gauw naar binnen. Maar ze blijft doodstil staan. Nu hoort ze haar naam roepen op de bovenverdieping van het huis en even later klinken Ralphs stem en die van het meisje uit de keuken. Een autoportier wordt dichtgeslagen, de bel galmt door het huis. Onverstaanbare begroetingswoorden klinken om het huis heen vanuit de voortuin. Nauwelijks is de voordeur dichtgevallen of weer gaat de bel. Mijnheer Ping wrijft langs haar benen. Ze tilt hem op en loopt langzaam terug. ‘Fine, fine…, how nice to see you,’ roept een filmster onder haar schedeldak. In de bocht

100

105

110

115

120

125

130

135

van het pad, bij de struiken, valt het licht van de kamer de tuin in. Ralph staat met zijn rug naar de deur met vier mensen te praten, ze ziet hem geagiteerd met zijn schouders trekken. De deur naar de hal staat nog open en daar komt met uitgestrekte armen de Amerikaanse partner binnen, gevolgd door een stralend lachende vrouw in een glitterblouse. Ze staart zo roerloos in de richting van het huis alsof de pantomime die daarbinnen wordt opgevoerd haar versteent, als een blanke onderzoeker die op een gruwelijk inboorlingenritueel stuit. Pas als mijnheer Ping zich losworstelt uit haar greep en naar de andere kant van de tuin rent, komt ze weer tot leven. Rillend opeens en hijgend als van inspanning, loopt ze hem achterna en verschuilt zich tussen de bessenstruiken. Koesterend strijken de blaadjes langs haar armen. Maar zo dadelijk zal er naar haar gezocht worden! Ze kijkt om zich heen als wild dat de jachthoorn hoort schallen. In deze tuin staat één grote boom, een oude linde. Jaren geleden heeft Ralph klimijzers in de stam geslagen voor de kinderen. Jongens moeten klimmen. Mijnheer Ping heeft de klimijzers niet nodig en kijkt belangstellend vanaf een tak toe hoe het haar afgaat op haar hoge hakken. Als ze zich op de onderste tak hijst, valt er een schoen naar beneden. Ze klimt hoger, verliest ook de andere schoen, klimt nog verder. Halverwege blijft ze op een dikke zijarm zitten. Het loof ritselt goedig om haar heen, mijnheer Ping balanceert op de dunnere takken, het is hier stil en vredig… maar haar schoenen liggen onder aan de stam. Als even later de tuindeur opengaat en stemmen buiten weerklinken, legt ze een wang tegen de ruwe bast en sluit de ogen. Uit: Rascha Peper, Alle verhalen.

In het verhaal wordt een feestje gegeven: Ralph en Olga ontvangen gasten. Als lezer krijg je subtiele toespelingen over Olga’s langdurige afwezigheid (r. 25). 16

Laagland VWO A.indb 16

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

1 Maak een nauwkeurige reconstructie van wat er met Olga aan de hand was en is. 2 Een belangrijke open plek is: wie of wat is mijnheer Ping? Leg beargumenteerd uit wie of wat mijnheer Ping is. Baseer je op gegevens in de tekst. 3 In r. 50 staat: “Mijnheer Ping is haar vriend”. Leg beargumenteerd uit waarom Ping voor Olga een vriend is. Baseer je op gegevens uit de tekst. 4 In r. 94-96 staat: “’Fine, fine…, how nice to see you,’ roept een filmster onder haar schedeldak.” Leg beargumenteerd uit wat met deze passage wordt bedoeld. 5 Olga ziet dat Ralph “geagiteerd” (r. 100) met de gasten staat te praten. Waarom is Ralph geagiteerd? 6 Citeer de zin uit het tekstgedeelte van r. 106-119 waaruit het duidelijkst de visie van Olga op Ralph en de gasten blijkt. 7 Voor lezers krijgt een tekst samenhang als zij de drijfveren van personages begrijpen. Lezers passen hun eigen mensenkennis en kennis van menselijk gedrag toe op personages. Leg beargumenteerd uit hoe je samenhang in het verhaal kunt ontdekken door het gedrag van Olga te verklaren. Waarom handelt Olga zoals zij doet? 8 Leg beargumenteerd uit wat jij vindt van Olga’s gedrag. 9 Leg beargumenteerd uit wat je vindt van het gedrag van Ralph. 10 Leg beargumenteerd uit wat de thematiek van “Nice toe see you” is.

Lees het titelloze gedicht op pagina 18 van F. Harmsen van Beek (1927-2009) dat begint met de regel “Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping” en beantwoord samen met een medeleerling de vragen 11 t/m 14.

11 In beide teksten komt een personage voor met de naam Ping. Leg beargumenteerd uit of het in beide teksten om hetzelfde personage zou kunnen gaan. 12 Je kunt in beide teksten het personage Ping in verband brengen met ‘troost’ of ‘hulp’. Vergelijk de twee teksten en leg beargumenteerd uit hoe je Ping in de twee teksten in verband kunt brengen met ‘troost’ of ‘hulp’. 13 Noem drie duidelijke voorbeelden van foregrounding in het gedicht. 14 Je kunt het gedicht lezen als een toespraakje van iemand gericht tegen Ping. Stel dat Ping de Nederlandse taal zou beheersen, hoe zou Ping dan reageren? Schrijf als Ping een gedicht gericht aan de ik-figuur. Schrijf het gedicht in een stijl die volgens jou past bij de gemoedstoestand van Ping zoals je die uit het gedicht van F. Harmsen van Beek leert kennen. De opdrachten 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 gaan over de theorie van 1.3 Jij als lezer. Je maakt al deze opdrachten. Maak van opdracht 14 en 15 óf opdracht 14 óf opdracht 15.

Opdracht 10

theorie 1.3

Bestudeer de theorie van 1.3 en beantwoord de vragen 1 t/m 3. 1 De begrippen ‘gender’ en ‘identiteit’ hebben veel met elkaar te maken, maar ze betekenen niet hetzelfde. Leg het verschil tussen ‘gender’ en ‘identiteit’ uit. 2 Herlees het fragment uit De liefde niet van Margriet van der Linden (opdracht 6) en beargumenteer dat het begrip ‘identiteit’ op dit tekstfragment van toepassing is.

Laagland VWO A.indb 17

17

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

3 Zoek in tijdschriften of op websites drie foto’s (illustraties) die volgens jou heel duidelijk met gender te maken hebben. Leg in een korte presentatie je keuze beargumenteerd uit.

Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping is U de zachte nacht bevallen, hebben de on deugende, geheimzinnige planten naar behoren

5

gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige zuigelingen aan de builenpest bezweken? Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet, kom je op mijn tak—o, de sierlijke levendige

10

vogels, allemaal allemaal voor de brave poes, die veel beproefde droevige moeder. Ja verdomd, deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw, is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:

15

er valt niet tegen op te baren, waar zelfs het begrafeniswezen, die intieme huisgenoot, die zeer bekende schenker ook van lauwe melk, op zijn verlengde achterpoten het ter aarde bestellen welhaast niet meer bij kan benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,

20

dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin? Het is nu beter te zitten zonder weemoed in de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog teder is en de gordijnen levendig in de goede

25

vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke, kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste, er loopt een belangwekkend, héél klein maar bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen onder de hemelsblauwe hortensia

30

(Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting Bij het overlijden van zijn gebroed) Uit: F. Harmsen van Beek, Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten.

18

Laagland VWO A.indb 18

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

Opdracht 11

theorie 1.3

Lees “Een echte man” van A.H.J. Dautzenberg (1967), een verhaal uit Dautzenbergs boek En dan komen de foto’s (2013) en beantwoord de vragen.

Een echte man

5

10

15

20

25

30

35

‘Als ik één dag in de kuit van Wesley Sneijder zou mogen wonen, dan wist ik het wel.’ Opa zit weer op zijn praatstoel. De familie zit gezellig om hem heen. Ze luisteren maar half, ze zijn gewend aan zijn geouwehoer. ‘Ik zou er een potje van maken, in die kuit. Wat zeg ik, ik zou er een púínhoop van maken. Zo’n puinhoop dat die aanstellerige dwerg nooit meer een bal fatsoenlijk kan trappen. Dat is toch geen man, dat is een huilerige fat.’ Oma kapt hem af. Ze vindt het welletjes geweest. Bovendien had hij zijn kleinzoon beloofd om samen te gaan sleeën. Het is sinds lange tijd weer eens witte kerst, dus et cetera. Opa staat op en trekt zijn winterjas aan. Oma brengt zijn groene laarzen. ‘Jongen, ik zal jou eens laten zien hoe echte mannen sleeën.’ Opa heeft er duidelijk zin in. Zijn kleinzoon loopt achter hem aan, op weg naar de steenberg, de slee met een touw achter zich aan trekkend. Door de roeststrepen in de sneeuw lijkt het wel of de slee bloedt. De jongen is een beetje gespannen. Sleeën als een echte man, dat kan hij waarschijnlijk helemaal niet; hij is pas tien… Opa vertelt honderduit over zijn grootse sneeuwavonturen, maar zijn kleinzoon begrijpt er niet veel van. Na twintig minuten komen ze aan bij de steenberg. Het is er druk. Tientallen kinderen glijden joelend van de heuvel af. Onderweg proberen ze elkaar af te snijden. Een enkeling zit achterstevoren op zijn slee, waarschijnlijk om indruk te maken op de meisjes die quasinonchalant toekijken. De kleinzoon wil aansluiten bij de rij kinderen die weer naar boven strompelen. Opa houdt hem tegen.

40

45

50

55

60

65

70

75

‘Nee, jongen, wij gaan even verderop sleeën. Ik wil je laten zien hoe échte mannen sleeën. Dit heuveltje is voor slapjanussen.’ Nieuwsgierig loopt de jongen achter de oude man aan. De slee bloedt niet meer. Na een tijdje komen ze aan bij een steile helling. Ze klimmen over het prikkeldraad dat de voet begrenst. Opa is opvallend lenig. De jongen kijkt zijn grootvader trots aan. Misschien lukt het hem dadelijk toch wel om als een echte man te sleeën. Hij hoopt het. Ze bestijgen de forse heuvel. Hij is zeker honderd meter lang. De jongen is benieuwd waar ze precies naartoe gaan. ‘Hier gaat het gebeuren, jongen. Deze plek is perfect.’ Opa wijst naar beneden en maakt een enthousiaste woesj-beweging met zijn hand. Angstig kijkt de jongen om zich heen. Er zijn geen andere kinderen aan het sleeën. En aan de maagdelijke sneeuwlaag te zien is dat ook nog niet gebeurd. Wacht eens even, onder aan de berg staat een hek van prikkeldraad! ‘Opa, hier kan het niet. Kijk maar!’ Hij wijst naar beneden. ‘Helemaal goed,’ reageert opa, en hij zet de slee klaar. ‘Ga jij maar voorop zitten, dan sluit ik aan.’ Opnieuw wijst de jongen naar beneden, doodsbang nu. Opa negeert het gebaar. ‘We gaan sleeën als mánnen. Vooruit, ga zitten!’ De jongen blijft staan. Opa grijpt hem bij zijn bovenarm en drukt hem op de houten zitting. Voor de jongen het in de gaten heeft, gaat de oude man achter hem zitten en zet af. ‘Voeten van de grond!’ Met zijn armen omklemt opa zijn 19

Laagland VWO A.indb 19

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

80

85

kleinzoon. Hij lacht hard nu de slee tempo begint te maken. De jongen kijkt geschrokken voor zich uit; hij ziet het prikkeldraad snel naderen. Eraf springen gaat niet; opa houdt hem stevig vast. De jongen schreeuwt van angst. ‘Straks ben je een echte man,’ fluistert opa in zijn oor.

90

Nog dertig meter, twintig, tien… Opa pakt de armen van zijn kleinzoon beet en vouwt ze open, alsof de jongen een vlinder is. ‘Als een echte man!’ roept de oude man, en hij drukt het tengere jongenslijf naar voren. Uit: A.H.J. Dautzenberg, En dan komen de foto’s.

1 Leg beargumenteerd uit dat je titel en inhoud van deze tekst met het begrip ‘gender’ in verband kunt brengen. 2 Geef twee typeringen uit het verhaal die duidelijk niet van toepassing zijn op echte mannen. 3 Opa neemt kleinzoon mee om hem te laten sleeën als een echte man: “Straks ben je een echte man,” fluistert opa in zijn oor.” (r. 85-86) Wat wil opa zijn kleizoon laten ervaren, met andere woorden: wanneer is de kleinzoon volgens grootvader een echte man? 4 Lezers hebben verwachtingen over hoe personages zich gedragen. Die verwachtingen zijn gebaseerd op mensenkennis en ervaring. Leg beargumenteerd uit dat opa in “Een echte man” niet past binnen het verwachtingspatroon van (de meeste) lezers over opa’s. 5 Leg beargumenteerd uit of “Een echte man” een open of een gesloten einde heeft.

Opdracht 12

theorie 1.3

Herlees “Hoela” van Cees Nooteboom (opdracht 8) en beantwoord de vraag. In dit verhaal spreekt de grootvader een waardering uit over de twee neefjes. Leg beargumenteerd uit dat grootvaders visie op de twee neefjes duidelijk door opvattingen over gender bepaald is.

Opdracht 13

theorie 1.3

Lees het titelloze gedicht van Tjitske Jansen (1971) uit Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003) Beantwoord samen met een medeleerling de vragen. 1 Hoeveel strofen heeft dit gedicht? 2 Je kunt het gedicht in twee delen splitsen. Verdeel het in twee delen. Laat je bij de verdeling leiden door de theorie van 1.3 over gender en identiteit. 3 Het laatste woord van het gedicht is “ik”. Leg uit waarom dat woord bij dit gedicht zeer functioneel en betekenisvol is. 4 Leg beargumenteerd uit of dit gedicht een open of gesloten einde heeft. 5 Vergelijk dit titelloze gedicht van Jansen met het verhaal “Een echte man” van Dautzenberg (opdracht 11). Beide teksten kun je in verband brengen met het begrip ‘gender’. Welke tekst is duidelijker of overtuigender over gender: de tekst van Dautzenberg of het gedicht van Jansen? Beargumenteer je antwoord op basis van de teksten.

20

Laagland VWO A.indb 20

22/12/17 08:55


10

Rennen met een handdoek om onhandig om mijn nek gebonden. Op de foto stond dat stom maar in mijn schaduw was ik onmiskenbaar Zorro.

15

1 | OPDRACHTEN

5

Roeren in een beker ijs: kijk! Nu is het milkshake! Roeien in een rubberboot van overkant naar overkant. Eenden redden van de dood.

Fietswedstrijden, knieën stuk, plaswedstrijden van de brug, kijken wie de grootste had (omdat ik nog geen jongen was, had ik ook nog niet de grootste), ‘Wacht maar tot de mijne groeien gaat!’

20

Maar als de buurvrouw en Yuana madeliefjes gingen plukken en daar kettingen van rijgen en ik mee mocht, werd ik weer een meisje.

25

Met mijn Zorro-doek nog om en hopend dat de jongens mij niet zagen maar onmiskenbaar meisje, niemand was een meisje meer dan ik. Uit: Tjitske Jansen, Het moest maar eens gaan sneeuwen.

Maak óf opdracht 14 óf opdracht 15.

Keuzeopdracht 14

theorie 1.3

Lees “Een onbekende trekvogel” van Kader Abdolah (1954) en beantwoord de vragen op pagina 23.

5

Ik werk in het natuurmuseum. Tijdelijk, om werkervaring op te doen. Je kunt niet gewoon thuis blijven zitten. Ik heb tientallen keren gesolliciteerd. Maar ik ben buitenlander en politiek vluchteling. Buitenlanders zijn bekend in Nederland, maar een politiek vluchteling is een

10

vraagteken. Ik wist dat er geen baantje voor mij was. Je moet blijven zoeken, anders word je gek. Ik werk met Gerrit. Hij is altijd met vogels bezig. Dode vogels. Hij zet ze op. Hij meet schedels, oogkassen, dijbenen, 21

Laagland VWO A.indb 21

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

15

20

25

30

35

40

45

scheenbenen, snavels, kortom, alles van dode vogels. Er komen weleens mensen bij de portier die een dode vogel op straat hebben gevonden. De portier roept Gerrit dan naar de balie en ik ga altijd mee. Gerrit kijkt alleen naar de handen van de mensen waar de vogel, met zijn kop naar beneden, in ligt. Hij bergt alle dode vogels in de kelder op. In een oude diepvries. De kelder is heel erg oud, donker en benauwd. Het plafond is te laag. Je moet gebogen lopen, met je hoofd naar beneden. Er zijn verschillende opgezette vogels die aan hun poten aan het plafond opgehangen zijn. Er is ook een versteende vogel die tegen de muur staat. Hij kijkt altijd met huilende ogen naar mij. ‘Een onbekende vogel’, zegt Gerrit. Gerrit heeft mij nog nooit recht in de ogen gekeken. Hij weet nog niet wie ik ben en waar ik vandaan kom. Maar ik heb hem in deze korte tijd leren kennen. Ik weet dat hij wacht op een vogel, een zeldzame vogel met groene ogen. Maar tot nu toe heeft hij alleen gewone vogels ontvangen. Gewone vogels die ’s morgens, ’s middags en ’s avonds langs de bewolkte hemel van de stad vliegen. Ik heb een hekel aan opgezette vogels, maar ik doe altijd met Gerrit mee. Ik moet eigenlijk met hem samenwerken. Er is geen andere plek voor mij. Ik heb veel dingen van hem geleerd. Nu kan ik de kunstogen in de oogkassen monteren en weet ik welke van die glazen ogen passend zijn voor een kraai en welke voor een zeldzame vogel met groene ogen.

60

65

70

75

80

85

90

95

50

55

Vorige week zondag heb ik aan het eind van de dag een heel grote vogel in de buurt van onze woning gevonden. Nee, niet gevonden, maar ontmoet. Er vloog een rij trekvogels in v-vorm over. Ik bleef kijken. Ik hou van vogels die van ver komen. De vogel die vooropvloog had een probleem. Hij kón niet meer. Hij deed zijn

best, maar het ging niet. Plotseling viel hij. Kop naar beneden en poten naar boven. Hij viel in een bevroren plas. Ik rende naar hem toe. Moeizaam ademhalend keek hij naar mij, met zijn groene ogen vol tranen. Na een paar laatste stuiptrekkingen ging hij dood. Wat voor soort vogel was het? Waar kwam hij vandaan? Ik wist het niet. Alleen Gerrit zou die dingen weten. Hij moest naar het museum. Ik nam hem mee. Gerrit deed de diepvries open. Het stonk. De doden lagen door elkaar. Bevroren ogen en veren van vogels. Hij stopte hem erin. ‘Waar heb je hem gevonden?’ vroeg Gerrit. ‘Ik heb hem niet gevonden, maar ontmoet. Gezien.’ ‘Waar heb je hem gezien?’ ‘In de lucht. In de bevroren hemel boven onze woning.’ ‘In de lucht? Was hij niet dood?’ ‘Nee. Hij vloog met de andere mee.’ ‘Andere? Waar zijn de andere?’ ‘Ze vlogen huilend door.’ Gerrit dacht een poosje na. ‘Misschien een afgedwaalde trekvogel’, zei hij toen. ‘Ze trekken altijd naar het zuiden, maar soms, heel soms, met slecht weer, kunnen ze afdwalen. Ik ben er niet zeker van. Ik moet hem prepareren. Er zijn veel te veel dingen die moeten gebeuren.’

100

Hij prepareerde hem. Ik deed er niet aan mee. Hij mat alles op. Hij las verschillende teksten, maar er was geen enkele bekende aanwijzing in de boeken. Geen foto. Geen naam. Geen adres. Geen familie. Een paar dagen lagen de botten, de veren en de schedel op het bureau van Gerrit. De vierde dag ruimde hij alles op en deed het in een plastic zak. Hij gaf hem aan mij. ‘Onbekend’, zei Gerrit. Ik verliet het museum met de plastic zak. Buiten regende het. Er vloog een rij trekvogels over, in v-vorm. Maar er was geen begeleider bij. Uit: Kader Abdolah, Alle verhalen.

22

Laagland_module01.indd 22

22/12/17 12:38


1

Keuzeopdracht 15

1 | OPDRACHTEN

De hoofdpersoon in dit verhaal is een politiek vluchteling waarvan de identiteit onduidelijk lijkt: “een politiek vluchteling is een vraagteken”. (r. 7-8). Toch is voor jou als lezer wel mogelijk iets over de identiteit te zeggen, misschien niet wie, maar wel wat een vluchteling is en hoe een vluchteling zich voelt. Stel op basis van zoveel mogelijk tekstgegevens die identiteit van een politiek vluchteling vast. 2 De politieke vluchteling moet samenwerken met Gerrit. Hij krijgt nauwelijks contact met Gerrit. Leg beargumenteerd – op basis van de tekst – uit of Gerrit de vluchteling negeert, of niet.

theorie 1.3

In 2015 verscheen onder redactie van Wim Brands (1959-2016) en Jeroen van Kan (1968) Nederland, een objectief zelfportret in 51 voorwerpen. Met beschrijvingen van 51 typisch Nederlandse voorwerpen door 51 verschillende auteurs wordt een poging gedaan de Nederlandse identiteit vast te leggen. Als typisch Nederlandse voorwerpen (het begrip ‘voorwerp’ wordt in het boek ruim opgevat) gelden onder andere de bierfiets, de fluitketel, de tuinkabouter, de stampotstamper, de kruimeldief, de bolknak, de kaasschaaf, het washandje, de haringkar, de chocoladeletter, de fietspaddenstoel, het spaarzegeltje, de stroopwafel en de tompoes. Lees uit dit boek “Kaasschaaf” van Henk van Os (1938) en beantwoord de vragen.

Van Os is een beroemd Nederlands kunsthistoricus. In de tekst beschrijft hij hoe hij voor zijn werk met zijn gezin een jaar naar de Verenigde Staten gaat.

Kaasschaaf

5

10

15

20

Jarenlang heb ik geleefd zonder een voorwerp te nationaliseren door het te brandmerken als ‘typisch Nederlands’. De noodzaak van een keuze voor een object dat als zodanig gekarakteriseerd zou kunnen worden, deed zich pas voor toen ik dertig jaar oud was. Samen met mijn vrouw Heleen en onze zoon Wouter zou ik voor een jaar verhuizen naar de Verenigde Staten, om aan het Institute for Advanced Study in Princeton mijn onderzoek naar vroege Italiaanse kunst voort te zetten. Tijdens mijn reizen naar Italië of enig ander Europees land was ik nooit op het idee gekomen een typisch Nederlands voorwerp als cadeautje mee te nemen. Alleen in Duitsland had ik weleens een Groninger koek aan collega’s gepresenteerd, omdat ze daar veel van Kuchen hielden. Maar aan de andere kant van de oceaan moest je toch wel met iets eigens komen. Nu moesten we

25

30

35

40

een blijvend nationaal attribuut te bieden hebben. Bovendien, een koek zou toch maar door de douane worden ingenomen, net als kaas en tulpenbollen. Tegels uit Makkum of Delft, of een pop van een Volendams meisje, kon elke Amerikaan op Schiphol kopen. We overwogen nog om een tableau met de Nachtwacht, uitgevoerd in tegeltjes, mee te nemen. Daarmee zouden we twee vliegen in één klap slaan: ons nationaal hoofdaltaarstuk voorgesteld door een nationaal product. Maar het was zeker dat kunsthistorische collega’s zoiets wansmakelijks meteen bij de vuilnisbak zouden zetten. Goede raad was duur. Maar toen kwam Heleen met een luisterrijk idee. Laten we een kaasschaaf meenemen. Die hebben ze vast niet in een land waar zo exuberant wordt geconsumeerd. In een wereld van 23

Laagland VWO A.indb 23

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

45

50

55

60

the winner takes it all zijn ze natuurlijk niet gewend om in dunne plakjes te denken. Ik vond dat we een heel pakket schaven moesten meenemen, want men had mij daar een heel programma van etentjes voorgespiegeld. Zo gezegd, zo gedaan. Het eerste etentje vond plaats ten huize van mijn tutor Miljard Meiss en zijn vrouw Margaret. Daar bleek de kaasschaaf een eclatant succes. Niemand van de aanwezigen kende dit voorwerp. Zo gauw wij de functie ervan hadden toegelicht, werd nagedacht waar je kaas kon kopen die zich zou lenen om te schaven. Ook legde de historicus Felix Gilbert meteen een relatie tussen de schaaf en de Nederlandse volksziel, die immers vooral gekenmerkt wordt door spaarzaamheid. Een andere disgenoot bracht ons cadeau in verband met onze oorlogstijd.

90

95

100

105

65

70

75

80

85

Ons kostje was gekocht. Soms leek het wel alsof wij alleen maar voor een etentje werden uitgenodigd zodat de gastvrouw daarmee een kaasschaaf in de wacht kon slepen. Bij een musiceeravondje ten huize van de wiskundige Feeman Dyson, bij een huislezing door de voormalige ambassadeur van de VS in Moskou, George Kennan, overal bleken onze schaven heerlijke conversation pieces te zijn. Ook bleek algauw dat we rekening hadden te houden met het feit dat de oorspronkelijke permanent members van het Institute voornamelijk émigrés waren uit Europa. Het was tenslotte gesticht om topgeleerden, die in de VS waren terechtgekomen vanwege de Tweede Wereldoorlog, een goede plek te bieden voor hun onderzoek. En hoewel de meesten van die founders niet meer leefden, was de voormalige secretaresse van Einstein er nog, evenals de weduwe van Erwin Panofsky, de vader van de moderne kunstgeschiedenis. En zij kenden de kaasschaaf wel degelijk.

110

115

120

125

Gerda Panofsky was zo vriendelijk ons te vertellen dat zij in Amerika overal tevergeefs naar een kaasschaaf had gezocht en heel blij was dat wij er nu een voor haar hadden meegenomen. Behalve een bolwerk van wetenschap, was het Institute ook een centrum voor goede manieren. Tijdens ons verblijf in Princeton is de Nederlandse kaasschaaf in de VS steeds bekender geworden. Het zou de moeite lonen na te gaan of dit te maken had met de intensivering van de import van Hollandse kazen daar of met de toegenomen export van Amerikaanse toeristen naar Nederland. Hoe dat ook zij, het risico dat ons presentje door de gastvrouw meteen met lichte gêne werd herkend, nam sterk toe. Vooral aan de Ivy League Universities aan de East Coast. Elders kon je nog mensen een verrassing bezorgen met onze Dutch cheese cutter. Althans, dat dachten wij. Totdat Heleen in Atlanta, Georgia, tot de ontdekking kwam dat onze kaasschaven gewoon bij Sears in de etalage lagen. Ons nationale voorwerp was geglobaliseerd en had daarmee zijn diepere betekenis als attribuut van Nederlandse spaarzaamheid verloren. Ook onze eigen omgang met de kaasschaaf is veranderd. Tegenwoordig ligt op onze lunch- en ontbijttafel naast de schaaf een aardappelmesje. Daarmee kan je desgewenst een veel dikkere plak afsnijden. Je kunt je er zelfs een homp mee toeeigenen. Heerlijk. Spaarzaamheid is geen nationale deugd meer. We moeten consumeren. De kaasschaaf kan me gestolen worden. Uit: Wim Brands en Jeroen van Kan (red.), Nederland. Een objectief zelfportret in 51 voorwerpen.

24

Laagland VWO A.indb 24

22/12/17 08:55


1 | OPDRACHTEN

1 Waarom gold de kaasschaaf als typisch Nederlands? 2 Volgens Van Os is de kaasschaaf niet meer typisch Nederlands. Leg beargumenteerd uit wat zijn oordeel is over deze ontwikkeling.

Opdracht 16

theorie 1.3

Schrijf een verhalende prozatekst over de Nederlandse identiteit. Hoe duidelijk of onduidelijk is die identiteit? Je uitgangspunt is een ‘typisch Nederlands’ voorwerp of iets anders, een gerecht of een gewoonte bijvoorbeeld, dat als typisch Nederlands wordt beschouwd. Je mag je laten inspireren door de opsomming in de inleiding van opdracht 15, maar natuurlijk ben je vrij zelf een voorwerp of onderwerp te kiezen. Je verhalende prozatekst moet een hoofdpersoon hebben (dat mag een “ik’’ zijn), er moet samenhang zijn door causaliteit en het verhaal moet een open einde hebben. De omvang van je tekst is ca. 350 woorden (één kantje A4).

Keuzeopdracht 17

theorie 1.3

Laagland laat je kennismaken met literaire teksten en leert je hoe je die teksten kunt benaderen. Nu je met literatuur begint, is het goed dat je vastlegt wie je als lezer bent. Schrijf een literair zelfportret óf maak een videopresentatie waarin je beschrijft wat je leesmotivaties zijn, je leesvoorkeuren en waarom dat je leesvoorkeuren zijn, het effect dat boeken gehad hebben, je huidige smaak en het belang dat je hecht aan identificatie en herkenning. Geef bij de verschillende onderwerpen toelichting en voorbeelden die je zelfportret concretiseren. Welke boeken wil je gaan lezen en waarom?

25

Laagland VWO A.indb 25

22/12/17 08:55


1 | THEORIE

Tekst en lezer 1.1 Fictie en literatuur Dagelijks lees je teksten: thuis, op school, in de trein of in de bus. Op je telefoon, je tablet of – zoals nu – in een boek. Veel van die teksten beschrijven een bepaalde bestaande situatie in de (historische) werkelijkheid. Deze teksten zijn voor de lezer in een herkenbare lezerscontext ingebed, die duidelijk maakt hoe je ze op moet vatten, bijvoorbeeld als gebruiksaanwijzing, als informatief krantenartikel, als leertekst of als recept voor appeltaart. Bij veel van deze teksten – bijvoorbeeld een tekst in je aardrijkskundeboek over het ontstaan van vulkanen op IJsland – kun je als lezer de vraag stellen: waar of niet waar? Dergelijke teksten over bestaande situaties in de werkelijkheid waarbij er voor jou als lezer geen onduidelijkheid is over de relatie tekstwerkelijkheid, noemen we non-fictie. Bij fictie is dat anders. Bij fictionele teksten is de vraag waar of niet waar niet aan de orde. Een fictionele tekst heeft geen buitentekstueel doel zoals dat bijvoorbeeld bij een gebruiksaanwijzing, een informatief krantenartikel, of een recept uit de context af te leiden is. Een fictionele tekst is niet een beschrijving van een gegeven bestaande situatie in de werkelijkheid. Als lezer van een fictionele tekst stel jij je op basis van de tekst een bepaalde situatie in je verbeelding voor. Al lezend creëert de tekst een fictionele wereld (een ‘wereld in woorden’) met personages en handelingen. In de eerste tekst over literatuurtheorie, de Poetica van de filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.), wordt het onderscheid tussen non-fictie en fictie al gemaakt. Aristoteles stelt dat geschiedschrijving (non-fictie) zich richt op de historisch waarheid, dat wat echt gebeurd is, terwijl de poëzie (fictie) zich richt op de poëtische waarheid, dat wat mogelijk of waarschijnlijk is of zal zijn. Aristoteles vindt fictie filosofischer en serieuzer dan de geschiedschrijving! Fictionele teksten waaraan een maatschappij op een bepaald moment bijzondere betekenis of waarde hecht, worden literaire teksten (literatuur) genoemd. Lezers van literatuur delen de aanname dat literaire teksten een bijzondere vorm van taalgebruik veronderstellen, taalgebruik dat afwijkt van alledaags taalgebruik. In literaire teksten ligt meer dan in non-fictionele de nadruk op het taalgebruik zelf: foregrounding. In literaire teksten verwacht je eerder en vaker rijmschema’s, dichtvormen, stijlfiguren of beeldspraak dan in een gebruiksaanwijzing van een fotocamera of een recept voor Normandische appeltaart. Verder veronderstelt het lezen van literaire teksten een actieve leeshouding, een leeshouding die te leren is, zoals je als lezer ook de specifieke vormen van literair taalgebruik en vertellen kunt leren herkennen. Literatuur lezen is vooral leren aandachtig waarnemen. Literaire teksten kunnen op verschillende manieren aan jou gepresenteerd worden: als proza, poëzie (gedicht) of toneel. Bij proza speelt de presentatie van de tekst op de bladzijde geen bijzondere rol. De regels vullen de totale breedte van de pagina. Prozateksten kun je onderverdelen in romans (honderd pagina’s of meer), novelle (ongeveer tachtig tot honderd pagina’s) of kort verhaal (short story,minder dan vijfentwintig pagina’s). Proza is op de pagina verdeeld in alinea’s; romans zijn ook verdeeld in hoofdstukken (en soms zelfs in verschillende delen).

26

Laagland VWO A.indb 26

22/12/17 08:55


1 | THEORIE

Een gedicht (poëzie) herken je doordat de tekst op een bijzondere manier op de pagina staat. Een gedicht bestaat uit versregels die niet hoeven door te lopen over de hele breedte van de pagina. Je herkent een gedicht direct aan het wit van de pagina om de regels. Groepjes bij elkaar gepresenteerde regels (strofen) worden door witregels van elkaar gescheiden. Tot slot toneel. Toneelteksten zijn in de eerste plaats bedoeld om door acteurs voor een publiek gespeeld te worden. Proza en poëzie functioneren in onze maatschappij vooral als teksten die zelfstandig en individueel gelezen worden. De tekst van een toneelstuk vormt het uitgangspunt van een toneelvoorstelling. De acteurs spreken de tekst (hun rollen) uit. Verder kan de toneeltekst aanwijzingen bevatten over kostuums, grime, decor, geluid en belichting. De regisseur is artistiek verantwoordelijk voor de toneelvoorstelling.

1.2 Lezer en tekst Lezers hebben verschillende redenen om literaire teksten te lezen, ze hebben vaak meerdere leesmotivaties. Bekende leesmotivaties zijn: je ontspannen, de wereld buiten je eigen gezichtsveld leren kennen, wegdromen in wensbeelden en een eigen fantasiewereld, jezelf terugvinden (herkennen, identificeren) in anderen, of genieten van fraai taalgebruik. Veel (jonge) lezers zijn geïnteresseerd in herkenbare menselijke problemen en situaties zoals rouw en verdriet, identiteit, vriendschap, ouder-kindrelaties of liefdesrelaties. Zij lezen dan realistische, psychologische literatuur omdat die een referentiekader biedt voor de eigen situatie. Literaire teksten kunnen bij de lezer ook wat teweegbrengen, ze kunnen een effect bewerkstelligen. Er zijn allerlei vormen van effect mogelijk: pure ontspanning natuurlijk, maar je kunt ook worden aangezet tot nadenken, je kijk op de wereld kan veranderen, of je kan door identificatie met een personage ontdekken wie je bent. Tijdens het lezen van literaire teksten doe je als lezer leeservaringen op. Die ervaringen worden (mede) bepaald door aanwijzingen in de tekst die jouw gedachten in een bepaalde richting sturen. Bij leeservaringen spelen open plekken en verwachtingen een belangrijke rol. De lezer van een literaire tekst moet een actieve lezer zijn. In een literaire tekst wordt niet alle informatie gegeven, een literaire tekst is wat informatie betreft onvolledig, niet alles wordt verteld. De lezer moet op basis van de gegeven informatie combineren en in gedachten de onuitgewerkte passages aanvullen. Kenmerkend voor literaire teksten zijn open plekken: tekstpassages waarin informatie ontbreekt en die de lezer activeren die informatie zelf aan te vullen. Een open plek is dus een tekstgedeelte dat bij jou vragen oproept die je wilt invullen, je wilt de onduidelijkheden oplossen, de informatie aanvullen. Open plekken kunnen op verschillende manieren ontstaan, bijvoorbeeld door van de ene verhaallijn plotseling overgaan naar een andere, wisselen van vertelinstantie, informatieachterstand bij de lezer, vermoedens en verwachtingen van de lezer, of nieuwsgierig makend gedrag van personages. Ook de titel roept meestal een open plek op: waarom deze titel en hoe sluit de titel aan bij de tekst? Soms is een passage in een literaire tekst onduidelijk omdat je een verwijzing naar de buitenliteraire werkelijkheid niet direct kunt plaatsen. Zo verwijst Gerrit Achterberg (19051962) in zijn bekende gedicht “Thebe” met de titel naar de oud-Egyptische dodenstad met die 27

Laagland VWO A.indb 27

22/12/17 08:55


1 | THEORIE

naam, en als je niet precies meer weet wat de Afsluitdijk is en waar die ligt, dan zoek je dat op als je “Afsluitdijk” van M. Vasalis (1909-1998) leest. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor verwijzingen naar mythologische figuren of bijbelse personen. Bij het lezen van literaire teksten wordt kennis over de werkelijkheid verondersteld en die kennis moet je soms nazoeken. Dat is iets anders dan een echte open plek. Open plekken in literaire teksten zijn het resultaat van literair vertellen. Sommige open plekken kun je al vrij snel na een paar regels of alinea’s invullen. Andere pas na een paar hoofdstukken of halverwege. Er zijn ook open plekken die je pas aan het eind in kunt vullen. Als je aan het eind van de tekst alle open plekken in kunt vullen, heeft de tekst een gesloten einde. Als er na het lezen van de tekst nog belangrijke open plekken blijven bestaan (over het lot van de hoofdpersoon bijvoorbeeld), dus als je bepaalde open plekken na lezing van de volledige tekst nog steeds niet in kunt vullen, dan heeft de tekst een open einde. In literaire teksten worden technieken toegepast om de leeservaring te sturen. Het bekendste en voor veel lezers belangrijkste voorbeeld daarvan is spanning. Lezers verwachten van de verteller alle relevantie informatie. Als er relevantie informatie ontbreekt, ontstaat spanning. Essentieel voor spanning is de informatieachterstand bij de lezer. Besef: spanning is een bepaalde vorm van een open plek! Spanning ontstaat door een raadsel, een geheim of door dreiging. Bij een raadsel suggereert de verteller iets te weten wat de lezer en het personage niet weten; bij een geheim beschikt de lezer niet over de informatie waarover de verteller en het personage wel beschikken en bij dreiging weet het personage niet wat de verteller en de lezer wel weten. Lezers hebben op basis van genres verwachtingen over literaire teksten en in literaire teksten wordt daar soms een spel mee gespeeld. Lezers hebben ideeën over hoe een psychologische roman of een detective zal verlopen. Lezers hopen (en verwachten) dat een liefdesverhaal of een misdaadroman goed afloopt (een happy end, de misdadiger gepakt), maar een tekst kan spelen met die verwachtingen: ze leefden nog lang en zeer ongelukkig en de sluwe misdadiger wordt niet gepakt en moordt vrolijk verder. Als je een literaire tekst leest, beïnvloedt datgene wat je al gelezen hebt, de verwerking van wat je nog gaat lezen. Je hebt verwachtingen opgebouwd en die kennis wordt al lezend geactiveerd. Daarnaast pas jij als lezer de kennis die jij hebt van de werkelijkheid toe bij het opbouwen van de fictieve werkelijkheid die de tekst oproept. Je gebruikt bijvoorbeeld jouw mensenkennis en de kennis van de maatschappij en geschiedenis om je de personages en de verhaalwerkelijkheid voor te stellen. Ook werk je als lezer met een soort psychologisch schema: je hebt een soort idee of gedachte over hoe gebeurtenissen zullen verlopen. Zo’n psychologisch of mentaal schema stuurt je verwachtingen over wat personages zullen gaan doen en dat maakt het (soms) mogelijk informatie die niet expliciet gegeven wordt, toch aan te vullen. Verder verwacht je als lezer dat een literaire tekst een bepaalde samenhang heeft: zinnen sluiten op elkaar aan, er is een bepaalde logische en chronologische volgorde tussen de gebeurtenissen en je verwacht dat er een betekenis aan de tekst toe te kennen is. Vooral in verhalende teksten (roman, novelle, kort verhaal, verhalende gedichten) ontdekken lezers een logisch-causale opeenvolging van gebeurtenissen: tussen de verschillende gebeurtenissen is er sprake van oorzaak en gevolg. Bepaalde redenen (motieven van personages) leiden tot acties of tot het uitblijven ervan. Als lezer laat jij je leiden door vragen als waarom (reden), waarvoor 28

Laagland VWO A.indb 28

22/12/17 08:55


1 | THEORIE

(doel), waardoor (oorzaak)? Door jezelf deze vragen te stellen en er antwoorden op te zoeken en vinden, leg jij als lezer samenhang in het verhaal.

1.3 Jij als lezer Lezers verschillen in tal van opzichten van elkaar, bijvoorbeeld in smaak en literaire voorkeur. De een houdt van verhalen met psychologische problemen, terwijl een ander de voorkeur geeft aan thrillers en detectives. Iedere lezer is een individu met eigen interesses, voorkeuren en belangstelling. De smaak van lezers ligt niet voor eens en altijd vast. Als lezer kun je je smaak ontwikkelen, doordat je ouder wordt of andere interesses krijgt. Als lezer maak je zo een smaakontwikkeling door. Dat lezers verschillen in literaire voorkeuren, smaak en interesses komt doordat ze van elkaar verschillen in leeftijd, opleiding, maatschappelijke achtergrond, sekse en geaardheid. Hierdoor kunnen verschillen in lezersreacties en waardering van literaire teksten ontstaan. Als het verschil in lezersreactie (mede) bepaald wordt door sekseverschillen, dan speelt gender een rol. Dan gaat het niet om het biologische verschil tussen mannen (jongens) en vrouwen (meisjes), maar om verschillen die door opvoeding, beeldvorming, socialisatie worden bepaald. Gender verwijst naar sociaal geconstrueerde invullingen van wat mannelijk gedrag (mannenrollen) en vrouwelijk gedrag (vrouwenrollen) is of zou zijn. Bij gender gaat het dus om de gedrags- en identiteitsaspecten van de sekse. In veel literaire teksten is identiteit een belangrijk onderwerp. In veel teksten komen de belangrijkste personages erachter wie ze echt zijn, wat hun diepste drijfveren zijn of ontdekken ze hun ware geaardheid. Door herkenning en identificatie kan dit een rol spelen bij de vorming van de eigen identiteit van de lezer. Identiteit is altijd gebaseerd op differentie, op verschil. Je bent ook iets niet. Je bent blank, dus niet gekleurd; je bent homo, dus geen hetero; je bent vegetariĂŤr en geen vleeseter. Het is belangrijk voor jezelf vast te stellen wat voor lezer je bent en wat het belang van (literaire) fictie voor jou is. Vraag je af wat je leesmotivaties zijn, wat je literaire voorkeuren zijn en hoe die aansluiten bij je leesmotivaties, welk effect teksten op je hebben, welke smaakontwikkeling je hebt doorgemaakt en welke rol herkenning en identificatie in je leesontwikkeling spelen.

29

Laagland VWO A.indb 29

22/12/17 08:55


• De lezer staat centraal • Een breed en gevarieerd aanbod van zorgvuldig geselecteerde literaire teksten • Aandacht voor differentiatie • Een solide basis van literaire theorie en begrippen • Diepgaande en boeiende behandeling van de literatuurgeschiedenis • Praktisch en overzichtelijk

Literaire ontwikkeling en begrippen

Laagland, literatuur & lezer is dé methode literatuuronderwijs Nederlands voor de tweede fase van havo en vwo. Met al 20 jaar ervaring groeit Laagland mee; Laagland brengt literatuur tot leven met een rijk aanbod aan fragmenten en aansprekende opdrachten.

Laagland, literatuur lezer

Gerrit van der Meulen Willem van der Pol

Literatuur Nederlands voor de tweede fase

Laagland, literatuur lezer 4e editie Literaire ontwikkeling en begrippen leerwerkboek A

4/5/6 vwo

leerwerkboek A

Aanbod voor vwo:

4/5/6 vwo

9 789006 371376

WT Cover Laagland 4-5-6 vwo Boek A.indd 1

20/12/17 15:20

Profile for ThiemeMeulenhoff

9789006371376 bladerboek  

9789006371376 bladerboek