Page 1

Verginagraf van koning Philippos II van Macedonië.

Jachttafereel, Verginagraf

Griekse schilderkunst De Griekse beschaving begint in diverse stadstaten en komt tot een hoogtepunt in het wereldrijk van Alexander de Grote. De mens staat centraal en wordt in de beeldhouwkunst geïdealiseerd uitgebeeld. Beeldhouwers werken volgens strenge regels (geformuleerd in een Canon). Het lot van de mens is in handen van goden met wel zeer menselijke (on)deugden, beschreven in mythologische verhalen.De Grieken houden van schoonheid: zij streven naar perfecte harmonie en volmaaktheid in hun beelden en in hun architectuur . Er zijn drie perioden: De archaïsche tot 480 v.Chr.: Nog wat stijve mensfiguren met een geheimzinnige glimlach op het gezicht, bevroren in een stapbeweging. De man (kouros) wordt naakt afgebeeld, de vrouw (koré) geleed in een plissé gewaad. Vazen en ander vaatwerk wordt beschilderd met geometrische figuren. Er worden tempels gebouwd met architraven en tympanen. De klassieke 480 - 400 v.Chr. Tempels in drie zuilenorden : Dorisch, Ionisch, Corintisch. Vrijstaande beelden worden steeds perfecter qua anatomie : ze staan in contraposto .De zwart-en roodfigurige schilderingen op de vazen worden steeds levensechter. De Hellenistische periode begint rond 400 v.Chr. tot de Romeinse tijd Zij kenmerkt zich door vermenging van de Griekse kunst met invloeden uit ander culturen. Dit lijdt tot meer emotie en overdreven spanning. De oudste stenen tempelgebouwen die bewaard zijn, lijken geïnspireerd te zijn op vroegere houten gebouwen. Je ziet dat aan de diverse onderdelen en decoraties die doen denken aan houtbouw. Aanvankelijk anoniem, later( 4e eeuw v.Chr.) worden sommige beeldhouwers bij naam bekend. De Grieken, zoals de meeste Europese culturen, beschouwden het schilderen als hoogste vorm van kunst. De bewondering voor de schilder Polygnotus van Thasos, die in het midden van de 5e eeuw v.Chr. werkte, was zeer wel te vergelijken die van latere beroemdheden als Leonardo da Vinci en Rembrandt; zijn werken werden 600 jaar na zijn dood nog bewonderd. De Griekse schilders werkten op houten panelen, op marmer en op wanden, die snel na de 4e eeuw n.Chr. verloren gingen toen zij niet meer actief beschermd werden. Er zijn slechts enkele Griekse monumentale schilderingen bewaard gebleven, de meest spectaculaire in het Vergina-graf van koning Philippos II van Macedonië. Sommige Romeinse mozaïeken zijn gebaseerd op Griekse schilderingen. Van de goed bewaarde vaasschilderkunst benaderen de veelkleurige schilderingen op witte lekythen (Attische vazen) nog het meest de verloren Griekse schilderkunst op paneel en wand. Je hoeft echt niet naar Griekenland, in Leiden is ook veel te zien over de Grieken!


http://www.rmo.nl

Exekias, zwartfigurige vaas

De Achilles schilder. Roodfigurige amfora

Exekias Exekias (Grieks: Ἐξηκίας) was een pottenbakker en schilder van Attische vazen in de 6e eeuw v.Chr. (± 550-530). Hij is de beroemdste vertegenwoordiger van de zwartfigurige keramiek. Zijn voornaamste stijlkenmerken als tekenaar zijn: zuiverheid van compositie, sierlijkheid en natuurlijkheid in de houdingen, uiterst nauwkeurige tekening dankzij talrijke inkervingen die de zwarte silhouet omlijnen. De Achillesschilder De Achilles-schilder is een anonieme vazenschilder uit de Griekse Oudheid, die actief was tussen 460 v.Chr. en 430 v.Chr. in Attika. De Achilles-schilder dankt zijn naam aan een amfora die de voorstelling draagt van de Homerische held Achilles met Briseïs (thans in het bezit van de Vaticaanse musea). Men schrijft aan deze meester, op grond van overeenkomsten in stijl, meer dan 180 werken toe. De stijl van de Achilles-schilder wordt gekenmerkt door tere, bijna schetsmatige contouren van de figuren en een eerste aanzet tot het gebruik van schaduw. Dankzij zijn 'schilderachtige' vormgeving, die anders was dan de strikt lineaire vazenschilderingen uit zijn tijd, kunnen we ons min of meer een beeld vormen van hoe de verloren gegane Griekse wandschilderingen er moeten hebben uitgezien, waarvoor men voor de rest enkel over schriftelijke bronnen beschikt. De onderwerpen van de Achilles-schilder spelen zich vaak af in vrouwenvertrekken en beelden situaties af waarin een krijgsman afscheid neemt van zijn moeder of zijn vrouw, de ontmoeting van moeder en dochter, of meesteres en dienares. De meeste taferelen tonen twee personages (meer dan twee is een uitzondering), omdat de kunstenaar niet een dramatische handeling wil uitbeelden, maar een innerlijke toestand wil uitdrukken. De Achilles-schilder schilderde met alle in zijn tijd gebruikte technieken op vazen van diverse grootte of vorm, die zwarte of rode figuren vertonen, of op lekythoi (grafvazen) op een witte achtergrond.


De Andokines schilder, roodfigurige amfora

De Andokides-schilder De Andokides-schilder (soms ook geschreven als Andocides-schilder) was een Attische (Atheense) schilder, die actief was tussen ca. 530 en 515 v.Chr. [1], tijdens de late archa誰sche periode. Zijn ware identiteit is tot op heden niet bekend. De naam Andokides-schilder is afgeleid vanAndokides; een pottenbakker wiens vazen door deze schilder werden beschilderd. Er is een theorie dat Andokides zelf de schilder was, maar dit is niet met zekerheid na te gaan. De Andokides-schilder is vooral bekend als de schilder die de roodfigurige stijl voor het beschilderen van vazen heeft ge誰ntroduceerd. De Andokides-schilder begon met zijn werk toen de zwartfigurige stijl nog overheersend aanwezig was in de Griekse schilderkunst. Hij was zeer waarschijnlijk een leerling van Exekias. Hij kwam met de destijds revolutionaire techniek om bij het schilderen van een vaas niet de silhouetten zelf, maar de achtergrond te glazuren. Op die manier werd de rode klei van de vaas de absorberende ondergornd waarop met zwart geschilderd kon worden. Deze techniek stelde schilders in staat gedetaileerdere tekeningen te maken. Vanaf 530 V. Chr. werd deze techniek steeds meer gebruikt. De Andokides-schilder was niet de enige schilder die deze nieuwe techniek toepasste. Ook Oltos en Epiktetos stapten als een van de eersten over op de nieuwe techniek. De favoriete onderwerpen van de Andokides-schilder waren mythologische figuren, zoals de Griekse goden en de held Herakles.


Romeinse schilderkunst Nadat de Romeinen het Griekse Rijk veroverd hadden, kreeg de Griekse cultuur veel invloed op de Romeinse samenleving. De Romeinen beschouwden de Grieken als hun leermeesters op het gebied van de Kunsten. Het Romeinse Rijk besloeg grote delen van West Europa en daardoor kon de Klassieke cultuur zich over dit gebied uitbreiden. De Romeinen voegden aan de architraafbouw van de Grieken gewelfbouw (ton-, kruis-, en koepelgewelf ) toe, waardoor grote oppervlakken overdekt konden worden zonder gebruik te maken van zuilen die hinderlijk voor het zicht konden zijn. De Romeinse steden waren zeer modern ingericht: een duidelijk stratenplan, riolering, verwarming, scheiding tussen voetgangers en rijdend verkeer, het was er allemaal! Ter versiering van hun gebouwen gebruikten de Romeinen muurschilderingen (fresco's) en vloermozaieken. Mooie voorbeelden hiervan zijn te vinden in het opgegraven Pompeji en Herculaneum. Efficiënt georganiseerd wereldrijk, functionele gebouwen, voorzien van ton-,kruis- en koepelgewelven , veel copieën naar Grieks voorbeeld, later gemaakte beelden niet meer geïdealiseerd, maar persoonlijk en goed gelijkend, fresco 's op wanden van huizen die vaak verbluffend ruimtelijk zijn (trompe l'oeil). Veel namen zijn er niet overgeleverd, maar de Romeinen hebben op het gebied van kunst alles te danken aan hun Griekse leermeesters. De Romeinen stonden open voor artistieke invloeden op hun cultuur door de aan hen onderworpen volkeren. Onze kennis van de Romeinse schilderkunst berust grotendeels op de vondsten van fresco’s uit de plaatsen die na de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.C. bedolven raakten. Van de Griekse schilderijen die de Romeinen naar Rome importeerden is niets bewaard gebleven. Evenmin is er iets bewaard van de schilderijen die sinds het einde van de 3e eeuw v.Chr. gemaakt werden voor triomftochten. Volgens de overlevering was Gaius Fabius de eerste Romeinse schilder. Het leverde hem – en zijn latere familieleden – de bijnaam Pictor (schilder) op. Hij bracht in 304 v.Chr. fresco’s aan in de tempel van Salus op het Quirinaal in Rome. Het oudste fragment van een Romeins fresco dat bewaard is gebleven (nu in museum Centrale Montemartini te Rome) is gevonden in een graftombe in een necropolis bij de Esquilijn te Rome. Het laat gevechts- en oorlogsscènes zien in vier registers onder elkaar. De namen Q. Fabius en M. Fannius, die bij de centrale figuren zijn geschreven, maken het vrijwel zeker dat het gaat om een scène uit de Samnitische Oorlogen (1e helft 3e eeuw v.Chr.) en dat het graf van een van beiden was.


Wandschildering uit Herculaneum

Frescol uit de Villa van Fannius Synistor te Boscoreale

Eerste stijl: incrustatiestijl Periode: 200-90 v.Chr.

Tweede stijl: architectuurstij l Periode: 90-20/15 v.Chr.

Vier Pompeiaanse stijlen Op grond van de wandschilderingen die in de Campaanse plaatsen als Pompeii, Herculaneum, Stabiae en Boscoreale zijn gevonden, heeft de Duitse archeoloog August Mau (1840-1909) een indeling gemaakt in vier zogenaamde Pompeiaanse stijlen. Daarbij heeft hij gebruikgemaakt van de beschrijving van Vitruvius (De Architectura VII, 5, 1-4)Deze indeling wordt ook toegepast op fresco’s die niet uit Pompeii of omgeving afkomstig zijn. De belangrijkste museumcollectie van Romeinse fresco’s buiten Campanië is die in het Palazzo Massimo te Rome, waar onder andere fresco’s te zien zijn uit de Villa van de Farnesina (tweede en derde stijl) en fresco’s met tuinscènes uit de Villa van Livia in Primaporta (ca. 20-10 v.Chr.). Let wel: de indeling in stijlen heeft betrekking op de héle wand, niet op de losse figuurstukken die vanaf de late tweede stijl meestal onderdeel van de wand zijn. Wandschildering uit Herculaneum Eerste stijl: incrustatiestijl Periode: 200-90 v.Chr. Kenmerken: Deze stijl kenmerkt zich door de imitatie van gekleurde marmeren platen (crustae). Het moest lijken of de wand bedekt was met kostbaar marmer. Deze stijl is niet exclusief Romeins, maar komt in de hele hellenistische wereld voor. Fresco in de tweede stijl uit de Villa van Fannius Synistor te Boscoreale Tweede stijl: architectuurstij lPeriode: 90-20/15 v.Chr. Kenmerken: De schildering van marmeren platen wordt in deze stijl gecombineerd met zuilen. Zo ontstaat de illusie dat men kijkend naar de wand een verder liggende ruimte in kijkt. De wand wordt ook inspringend weergegeven en met ramen en openingen die uitzicht bieden op bijvoorbeeld een tholos. Ook zijn er wel deuren die open lijken te kunnen. In een latere fase gaat de afsluitende dwarswand ook wel naar beneden en wordt erboven een uitzicht op een achterliggende zuilenhal geschilderd. De architectonische elementen worden opgesierd met ornamenten als theatermaskers en metalen vaatwerk. Aan het eind van de tweede stijl verdwijnen de doorkijkjes weer en komt er een centrale aedicula tussen de zuilen met een grote schildering.


Voorbeelden van deze stijl zijn het cubiculum van de Villa van Fannius Synistor uit Boscoreale (zie afbeelding), de beroemde fresco’s uit de Villa dei misteri in Pompeii, fresco’s uit het Huis van Livia in Rome, een aantal van de fresco’s uit de Villa van Poppaea te Oplontis en de Odysseeschilderingen uit een Romeins huis op de Esquilijn (nu in de Vaticaanse musea).

Caldarium in de Villa van Poppaea te Oplontis, Derde stijl: ornamentele stijl Periode: 20/15 v.Chr.-45 n.C. Kenmerken: In de derde stijl is de wand ingedeeld in vlakken. De zuilen zijn zeer slank en dienen niet meer om architectuur na te bootsen, maar om de wand in te delen. Ook andere elementen zoals kandelabers worden voor de indeling gebruikt. De wand is vaak horizontaal in drieën gedeeld: sokkel, middenzone en bovenzone. Ook verticaal is er vaak een driedeling, zodat er een duidelijk middenpaneel ontstaat waarop een groot figuurstuk werd geschilderd. Dat lijkt zo haast een los opgehangen schilderij. De onderwerpen van deze figuurstukken zijn meestal aan de Griekse mythologie ontleend. Op de vlakken naast het middenpaneel zijn er meestal kleinere schilderijtjes en komen vaak tuinen voor. Aan het eind van deze stijlperiode komen architectuurelementen in de bovenzone terug. Fresco uit de Domus Aurea, Rome Vierde stijl: fantastische of barokke stijl Periode: 45-100 n.C. Kenmerken: In deze periode worden er weer architectuurelementen toegevoegd: niet alleen in de bovenzone is er een doorkijk, maar ook naast het figuurstuk worden verticale stroken geopend, die uitzicht bieden op een zuilengalerij of imitaties van theaterdecors. Het figuurstuk is nu vrijwel vierkant. De andere vlakken worden weergegeven als een soort wandkleden. Het geheel is druk versierd met architectonische elementen, kleine figuren, maskers en stillevens. Sommige wanden lijken wel een weergave van een theaterwand versierd met zuilen en beelden. Tot de bekendste voorbeelden van de vierde stijl behoren veel fresco’s uit het Huis van de Vettii in Pompeii, de schilderingen uit de Tempel van Isis in Pompeii (nu in het Archeologisch Museum te Napels) en de fresco’s uit de Domus Aurea in Rome.


Romaanse schilderkunst Romaanse schilderkunst vanaf 1100 tot eind 1400 na Chr. is de eerste kunststijl die in heel Europa voorkomt. Deze schilderkunst laat de Byzantijnse kunst, die de kunst van het westen tot dan toe heeft ge誰nspireerd, achter zich. De schilderkunst blijft weliswaar streng gestileerd, maar in bewegingen, gezichtuitdrukking en gebaren bereikt zij een tot dan toe ongekende expressiviteit. Er wordt nog weinig aandacht besteed aan een ruimtelijke achtergrond. De expressieve gebarenstijl van de Romaanse schilderkunst vinden wij in de muurschilderingen van kerken in heel Europa. Wij vinden deze stijl ook vooral in de miniaturen (boekillustraties) van de evangelieboeken die in kunstcentra als Keulen, Salzburg en Fulda werden gemaakt. In de Gotische stijl sluipt langzamerhand steeds meer illusionisme binnen en worden de panelen die met olieverf beschilderd worden steeds realistischer: met name de Vlaamse Primitieven bereiken daarmee al snel een technisch zeer hoog niveau van realistisch schilderen.Ook de mens krijgt gaandeweg steeds meer aandacht: staan de portretten van gewone mensen zoals de financiers van de werken, eerst nog aan de zijkanten afgebeeld,geleidelijk komen ze letterlijk en figuurlijk meer in het centrum te staan. Romaans: De kerk is het allerbelangrijkst: een burcht van God. Dikke muren, rondbogen, hier is men veilig voor het kwaad. Verder beelden , muurschilderingen en glas in lood om aldus de meestal analfabete gelovigen in te wijden in de Heilsgeschiedenis. Ingekleurde boekillustraties bij de handgeschreven teksten (miniaturen). Gotiek: Kerk als het hemels Jeruzalem: hoog opgetrokken skeletbouw met steunberen, luchtbogen en spits toelopende ramen. Meer realisme in de schilderijen en beeldhouwwerken . Menselijke figuren worden slank en bevallig uitgebeeld. Kunstenaars en architecten blijven anoniem. Ter ere Gods maken zij hun kunstwerken en om daar hun naam aan te verbinden zou betekenen dat ze de zonde van ijdelheid zouden begaan. De bekendste en mooiste Gotische kerk in Nederland is de St. Jan in Den Bosch. Bezoek hem vast virtueel: http://www.sint-jan.nl/

Romaanse schilderkunst Miniatuurschilderkunst Vanuit de Vroege-Middeleeuwen ontwikkelde de miniatuurschilderkunst zich verder. Het werd steeds belangrijker en uitgebreider. Kenmerken van de Romaanse miniaturen: - Ze zijn niet realistisch. - Het bestaat uit verhalende, stripachtige voorstellingen. - Tekenachtige vormen zonder goede onderlinge verhoudingen. - De vormen werden ingevuld door tempera verf of bladgoud.


- Achtergrond is neutraal. Muurschilderingen Deze werden aangebracht op muur- en gewelfvlakken in de Romaanse kerk. Hiervoor werd de frescotechniek gebruikt en de voorstellingen kwamen overeen met die van de miniaturen en de beeldhouwwerken.


Jesus on Way to Calvary, Martini, Simone Les Tres Riches heures du Duc de Berry

Gotische schilderkunst De stilistische en thematische veelvoud van de gotische schilderkunst, nog afgezien van de regionale verschillen, verbied ons eigenlijk om van een voor het gehele kunstspectrum geldende 'gotische stijl' te spreken In tegenstelling tot de gotische architectuur en beeldhouwkunst ontwikkelde zich de gotische schilderkunst in het begin vrij langzaam. De primitieven (15de eeuw) Van een tweedimensionale achtergrond maken figuren zich los door soepele, kunstzinnige modellering. De plastische vorm wordt scherp beĂŤindigd met zware, donkere contouren, waarin overeenkomst merkbaar is met de loodranden van gebrandschilderde ramen. In sommige schilderijen is zelfs sprake van schaduw en reflectie. Een van de eerste schilderijen waar dit te zien is het schilderij "De maand oktober" uit Les Tres Riches heures du Duc de Berry (1413-1416). http://nl.wikipedia.org/wiki/Tr%C3%A8s_Riches_Heures_du_Duc_de_Berry Vooral in de prachtlievende Bourgondische Nederlanden streken groeit een volledig ander gestemde schilderkunst. Voor het eerst wordt hier in het noorden de ruimte in het vlak gevat. Aandachtige natuurwaarnemingen ligt aan de grondslag van elk schilderij dat, detail na detail, zorgvuldig wordt opgebouwd [2].


The Arnolfini Portrait Van Eyck, Jan

het Lam Gods van de gebroeders van Eyck

Het gebruik van het licht als middel om lichamelijkheid te suggereren, omschreven we als een innovatie in de zienswijze. Maar de traditie van dit beschouwingmodel lag in de compositie van geschilderde motieven. In het Lam Gods van de gebroeders van Eyck zijn losse figuren en groepen in bepaalde secties van het schilderij ondergebracht; daarbij staan ze vaak niet in een naturalistische, maar ornamentele verhouding tot elkaar [5] http://nl.wikipedia.org/wiki/Het_Lam_Gods_(Gebroeders_Van_Eyck)


Renaissance schilderkunst

De Mona Lisa van Leonardo da Vinci.

Madonna del Granduca, 1505, van RafaĂŤl Santi.

De renaissance is - onder andere - een stijlperiode. Het gaat daarbij met name om de schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur uit de veertiende tot en met de zestiende eeuw. De levensopvattingen, levensstijl en kunst van de renaissance verspreidden zich vanuit ItaliĂŤ over een groot deel van Europa. Men kan het ontstaan van de renaissance niet los zien van de opkomst van het humanisme. Het woord - wat in feite wedergeboorte betekent - hield een gedachtegoed in, die de mens weer beschouwde als het middelpunt van het heelal en als maatstaf voor alle dingen, maar dan wel in het teken van het Christendom zoals dat verspreid was sinds de klassieke Griekse en Romeinse oudheid. Het begin van deze stijlperiode sloot het tijdperk van de Middeleeuwen definitief af. Er ontstond een toenemende vraag en belangstelling naar individuele observatie en interesse voor wetenschappelijk onderzoek. In het humanisme onderkende men een overtuigingskracht die de rede en de starre schema's van de dogmatiek doorbrak. De kunst werd preciezer en verfijnder, de lijn soms abstracter, afgestemd op het klassieke voorbeeld maar met wel een meer zuivere inachtneming van het perspectief. Men beeldde het herontdekte menselijk lichaam af in een meer harmonischer ruimteverdeling en proportie. Als bakermat wordt Florence genomen, alhoewel er ook elders dergelijke stromingen ontstonden. Men onderscheidt de renaissance in de filosofische en geestelijke opvattingen, de schilder- en beeldhouwkunst en de architectuur, welke ieder hun eigen kenmerken in deze periode verkregen. Niet alleen plaatsgebonden maar ook tijdsgebonden verschillen traden op en de stijl verspreidde zich vanuit ItaliĂŤ verder in vrijwel geheel west-Europa Stijlfasen In de kunstgeschiedenis wordt de renaissance in enkele stijlfasen onderverdeeld die aanvankelijk betrekking hadden op de veranderingen binnen de schilderkunst:


Vroegrenaissance De vroegrenaissance is een kunsthistorische term die vooral wordt gebruikt met betrekking tot de (schilder)kunst uit het begin van de Italiaanse renaissance. In 1401 organiseerde het stadsbestuur van Florence een wedstrijd om bronzen deuren voor de doopkapel van de kathedraal te sculpteren. Zeven jonge beeldhouwers schreven zich in. Onder hen bevonden zich Brunelleschi, Donatello en de latere winnaar, Lorenzo Ghiberti. Brunelleschi werd het bekendst als de architect van de koepel van de dom en de kerk van San Lorenzo. Hij creëerde ook een aantal beeldhouwwerken waaronder een levensgroot en heel realistisch kruisbeeld in de Santa Maria Novella. Zijn studie van het perspectief, zo wordt aangenomen, zou later de schilder Masaccio beïnvloeden. Donatello werd bekend als de grootste beeldhouwer uit de vroegrenaissance. Een van zijn meesterwerken is het erotische standbeeld van David (een van de iconen van de Florentijnse republiek) en zijn grote monument voor Gattamelata, het eerste grote bronzen ruiterstandbeeld sinds het Romeinse Keizerrijk. Lorenzo Ghiberti's bijdrage voor de competitie met de bronzen deuren Fresco's in de Cappella brancacci van Masaccio Standbeeld van Gattemelata door Donatello Gedeelte van de David van Donatello. Donatello's tijdgenoot Massacio was de schilderkunstige afstammeling van Giotto, wiens naturalisme in gelaatsuitdrukkingen en lichaamshoudingen hij verder ontwikkelde. Massacio maakte verschillende schilderijen op paneel, maar is vooral bekend van de fresco's die hij samen met de oudere kunstenaar Masolin in de Brancacci-kapel schilderde. Deze kunstwerken zouden grote invloed hebben op latere schilders zoals Michelangelo en Fra Angelico, met name in diens fresco's in het klooster van San Marco in Florence. De behandeling van perspectief en licht in de schilderkunst was van bijzonder belang in de 15e eeuwse Florentijnse schilderkunst. Uccello was zo geobsedeerd door de problemen die het perspectief stelde dat hij er volgens Vasari bijna niet van kon slapen. Zijn oplossingen zijn te zien in zijn meesterwerk, de Slag bij San Romano. Piero della Francesca maakte systematische en wetenschappelijke studies van zowel licht als lineair perspectief, waarvan de resultaten gezien kunnen worden in zijn frescoreeks over de geschiedenis van het Ware Kruis in San Francesco te Arezzo. In Napels maakte Antonello da Messina omstreeks 1450, eerder dan andere Italiaanse schilders gebruik van olieverf voor portretten en religieuze schilderijen. Hij bracht deze techniek naar het noorden en beïnvloedde zo de Venetiaanse schilders. Een van de belangrijkste schilders van NoordItalië was Andrea Mantegna. Het einde van de vroegrenaissance in de Italiaanse kunst wordt eveneens gemarkeerd door een bijzondere opdracht aan enkele kunstenaars, echter niet als concurrenten deze keer. Paus Sixtus IV, die de Sixtijnse Kapel had laten verbouwen, gaf nu opdracht aan een groep kunstenaars (Botticelli, Perugino, Ghirlandaio en Cosimo Rosselli) om de muur te versieren met fresco's over het leven van Christus en van Mozes. In de zestien grote schilderijen maakten de kunstenaars gebruik van de nieuwe technieken van belichting, lineair en atmosferisch perspectief, anatomie, verkortingen en karakterisering die waren vervolmaakt in de grote Florentijnse ateliers van Ghiberti, Verrocchio, Ghirlandaio en Perugino Hoogrenaissance


De naam hoogrenaissance wordt gegeven aan de korte periode van ongeveer 1495 tot 1520 toen de renaissance op haar hoogtepunt was. In die tijd was het pauselijke Rome het centrum van artistieke bedrijvigheid. Opvallende projecten en kunstwerken uit deze tijd waren Bramante's ontwerp voor de nieuwe Sint-Pietersbasiliek in Rome, Leonardo da Vinci's Laatste Avondmaal, Mona Lisa en Dame met de hermelijn, Rafaëls altaarstuk, de Sixtijnse Madonna, Michelangelo's sculpturen David, Mozes en zijn fresco's op het plafond van de Sixtijnse Kapel. De hoogrenaissance wordt algemeen geacht te zijn ontstaan in de late jaren 1490, toen Leonardo da Vinci zijn Laatste Avondmaal in Milaan schilderde. De schilderijen in het Vaticaan van Michelangelo en Rafaël vormen het eindpunt van de stijl in de schilderkunst. De stijl werd geïntroduceerd in de architectuur door Donato Bramante, die in 1502 het Tempietto bouwde dat met zijn majestueuze verhoudingen een herleving van oude Romeinse architectuur inluidde. Hoogrenaissance beeldhouwkunst, zoals wordt geïllustreerd door Pietà van Michelangelo en zijn David, wordt gekenmerkt door een ideale balans tussen statische compositie en beweging. De serene sfeer en heldere kleuren van Giorgione en Titiaan vertegenwoordigen de hoogrenaissance in Venetië. De Duitse schilder Albrecht Dürer wordt beschouwd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de renaissance ten noorden van de Alpen. Vooral zijn gravures zijn heel bekend en geliefd geworden. Mona Lisa van Leonardo de Vinci Sint-Pietersbasiliek in Rome, met Bramante en Michelangelo als architecten David van Michelangelo Enkele belangrijke meesters uit deze periode zijn Donato Bramante (architect en kunstschilder) Francesco Brambilla (beeldhouwer) Michelangelo Buonarroti (architect, beeldhouwer en kunstschilder) Leonardo da Vinci (architect, beeldhouwer en kunstschilder) Andrea di Alessandro (beeldhouwer) Giorgione (kunstschilder) Mateo Gucci (architect en beeldhouwer) Titiaan (kunstschilder) Giovanni Bellini (kunstschilder) Rafaël Santi (architect en kunstschilder) Dosso Dossi (kunstschilder) Piero di Cosimo (kunstschilder) Pietro Lombardo (architect en beeldhouwer) Baldassare Peruzzi (architect en kunstschilder) Bartolommeo Berrecci (architect) Francesco da Sangallo (beeldhouwer) Dosso Dossi (kunstschilder) Maniërisme Maniërisme is een term die lange tijd de voornaamste aanduiding is geweest voor de stijl van Italiaanse of Italiaans geïnspireerde kunst in de 16e eeuw vanaf circa 1525 tot ongeveer 1580. De stijl die volgde op de hoogrenaissance wordt late renaissance of maniërisme genoemd. In de schilderkunst wordt de navolging van Michelangelo en Rafaël Santi als essentieel gezien, in de dichtkunst gelden Petrarca en Dante als grote voorbeelden. Verder heeft maniërisme in het taalgebruik de bredere betekenis gekregen van artificieel of gekunsteld, toepasbaar op legio onderwerpen.


De aanduiding, hoewel zelf niet uit deze tijd, vindt zijn oorsprong in het begrip maniera uit de 16eeeuwse literatuur. De schilder en biograaf Vasari gebruikt maniera in zijn 'De Levens' als 'stijl'; Iemands maniera is zijn persoonlijke artistieke stijl, zijn kenmerk, maar tegelijkertijd betekent het ook stijl in de zin van gratie en elegantie. In die laatste betekenis komt maniera enigszins in de buurt van sprezzatura (moeiteloze spontaneïteit, nonchalance, gemak) van Castiglione, zoals geïntroduceerd in zijn bekende handleiding voor het hofleven De Hoveling (Il libro del Cortegiano). In de 17e eeuw kreeg de maniera een uitermate negatieve betekenis. De nieuwe barokke kunst, geïnspireerd door de contrareformatie en het opkomende absolutisme, verdoemde de haar voorgaande stijl als 'gekunsteld' en 'vervreemd van de natuur en eerlijke emoties' Deze negatieve connotatie wordt overgenomen op het moment dat in de 19e eeuw de term maniërisme standaard wordt. Vanaf het begin van de 20e eeuw komt er voor veel van de als maniëristisch aangeduide kunst echter enige rehabilitatie door eigentijdse ontwikkeling. Umberto Eco beschrijft in zijn boek dat "terwijl de manieristen de modellen van de klassieke Schoonheid ogenschijnlijk imiteren, ontkrachten ze de regels ervan. De klassieke Schoonheid wordt als leeg en zielloos ervaren. Het accent ligt op het fantastische : hun figuren bewegen zich binnen een irrationele droomwereld, of, in hedendaagse termen, een "surreele" dimensie [1]. De manieristen verzetten zich tegen de strenge regels uit de Renaissance, maar wijzen de spele dynamiek van de barok af. De manieristen geven de voorkeur aan 'bewegende' figuren, en dan met name aan de figuur "s", de slangvormige figuur die niet binnen geometrische cirkels of vierhoeken kan worden gevangen. Berekenbaarheid en meetbaarheid worden niet langer beschouwd als objectieve criteria en zijn uitsluitend instrumenten voor de verwezenlijking van steeds ingewikkeldere technieken (perspectivische verschuivingen, vertekeningen) en voor het verbeelden van ruimtes waarin niet langer sprake is van een vlakverdeling op grond van de "juiste proporties". Het manierisme wordt pas in de moderne tijd ten volle begrepen en gewaardeerd : als voor Schoonheid niet langer criteria gelden als maat, orde en proportie, wordt ze onvermijdelijk beoordeeld op basis van vage, subjectieve criteria. Men heeft lang gemeend dat het manierisme niet meer was dan een overgangsfase tussen de Renaissance en de Barok maar tegenwoordig erkent men dat een groot deel van de Renaissance - vanaf de door van Rafaël in 1520- manieristisch is geweest. Beeldende kunsten en architectuur Perseus-standbeeld van Benvenuto Cellini (in Florence) Portret van Eleonora di Toledo en haar zoon Giovanni door Agnolo Bronzino, 1545, Galleria degli Uffizi, Florence De doop van Christus, 1608-1614, door El Greco Kunstenaars die traditioneel onder het maniërisme worden gerangschikt zijn onder meer de late Michelangelo, El Greco, Parmigianino, Giulio Romano, de Florentijnen Jacopo da Pontormo, Agnolo Bronzino, Rosso en Girolamo Macchietti en de Venetianen Tintoretto en Veronese. Van de kunstenaars die vooral als beeldhouwer bekend zijn, zijn Benvenuto Cellini, Giovanni da Bologna en Baccio Bandinelli. de belangrijksten. Giorgio Vasari behoorde ook tot het maniërisme. Gemeenschappelijke factoren in hun werk zijn het lenen van bepaalde poses en technieken van de grote voorbeelden Michelangelo en Rafael, alsook een neiging tot een irrealistische weergave van lichamen, ruimten en perspectief. De zogenaamde 'figura serpentinata' is een goed voorbeeld van


beide aspecten, gebaseerd op een beeld van Michelangelo (de steenwerpende David in het Palazzo Vecchio in Florence), maakten kunstenaars veelvuldig gebruik van lichamen in een zeer onnatuurlijk aandoende, gedraaide pose. In de architectuur is het zeer moeilijk een maniërisme aan te wijzen, omdat hier eigenlijk tot diep in de 17e eeuw de navolging van klassieke voorbeelden overheersend is geweest. Vanwege gelijktijdigheid worden de gebouwen van architect Andrea Palladio vaak in dit verband genoemd. Een echt 'maniëristisch' te noemen ontwikkeling binnen de architectuur zou het ontstaan van de 'grotto' zijn. Deze nep-grotten, vaak om beelden in tentoon te stellen, werden in tuinen gebouwd. Toch zijn er soms kenmerken die duiden op een maniëristische bouwkunst: 1. Doorlopende zuilen; een zuil met de hoogte van meerdere verdiepingen. Dit maakt de voorgevel meer een geheel. 2. Trappen voor een huis, wat al sterk richting de gotiek gaat. http://issuu.com/a.raaphorst/docs/kunstgeschiedenis_in_een_tijdlijn

kon  

nog niet relevant is een test

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you