De wereld op zuid

Page 1


de wereld op zuid bouwen aan een brede school jap sam books, heijningen 2009


De Wereld op Zuid. Bouwen aan een brede school is tot stand gekomen op initiatief van Vestia Rotterdam Zuid en N2 Architekten. Redactie Eleonoor Jap Sam Theo Kupers Jannes Linders Fotografie Jannes Linders Tekstbijdragen Dolf Broekhuizen Eleonoor Jap Sam Anne van der Kooi Jaap Koole Theo Kupers Philip Kuypers Flemming de Moll Maarten Van Den Driessche Bart Verschaffel Tekstredactie Eleonoor Jap Sam, Elly Persons Tekeningen N2 Architekten, Rotterdam Ontwerp Ben Laloua/Didier Pascal, i.s.m. Marius Hofstede Druk & prepress Thieme MediaCenter, Rotterdam Met dank aan Karin van Assendelft, Chadia Bensadik, Peter van Bergen, Ellen Bergwerff, Hans Hagens, Casandra Heesbeen, Lydia Hendriks, Marius Hofstede, Anja Jongerius, Arjanne Lagendijk, Rijn Mijdema, Tamara van Olderen, Sjaak van Oudenaarden, Frans Spierings, Aziza Touzani, Nanda Vrede, Harm Weggemans, alle geportretteerden en alle collega’s en medewerkers van N2 Architekten. Uitgever Jap Sam Books, Heijningen www.japsambooks.nl © 2009 auteurs, fotograaf en Jap Sam Books ISBN 978-94-90322-04-5

inhoud

Over de auteurs Dolf Broekhuizen is architectuur­ historicus en heeft een zelfstandig onderzoeks­bureau in Rotterdam. Hij promoveerde in 2000 aan de Rijksuniversiteit Groningen op een proefschrift over de weder­opbouw­ architectuur van architect J.J.P. Oud. Broekhuizen is gespecialiseerd in onderzoek, advies en publicaties op het gebied van Nederlandse architectuur, stedenbouw, monumentenzorg en scholenbouw. Eleonoor Jap Sam is architectuur- en kunstcriticus, en uitgever (Jap Sam Books en episode publishers). Anne van der Kooi was procesmanager van de Wereld op Zuid en jarenlang werkzaam in de corporatiesector. Sinds vijftien jaar heeft hij zijn eigen ontwikkel- en adviesbureau Septool. Hij adviseert overheid, corporaties en andere maatschappelijke organisaties en is betrokken bij de ontwikkeling van verschillende brede scholen. Jaap Koole is sinds 2005 directeur van Vestia Rotterdam Zuid, één van de dertien woonbedrijven van Vestia. Vestia Rotterdam Zuid is ontwikkelaar en verhuurder van de Wereld op Zuid. Theo Kupers is architect en medeoprichter van N2 Architekten in Rotterdam. Hij is als gastdocent verbonden aan de TU Delft en Academies van Bouwkunst in Amsterdam, Arnhem, Groningen en Rotterdam. Hij is de project­ architect van de Wereld op Zuid en inmiddels verantwoordelijk voor het ontwerp van verscheidene andere schoolgebouwen.

Philip Kuypers is zelfstandig tekstschrijver, beeldredacteur en persfotograaf. Jannes Linders is fotograaf. Fleming de Moll is journalist en senior redacteur bij Dijkman Publishers. Maarten Van Den Driessche is ingenieur-architect en als onderzoeks­ assistent verbonden aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit. Hij is medesamensteller en co-auteur van het boek De School als Ontwerpopgave: Schoolarchitectuur in Vlaanderen 1995-2005 (Gent: A&S/ books & De Vlaamse Gemeenschap/ Team Vlaams Bouwmeester, 2006). Bart Verschaffel is filosoof en hoog­ leraar aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit Gent. Hij is medesamensteller en co-auteur van het boek De School als Ontwerpopgave: Schoolarchitectuur in Vlaanderen 1995-2005 (Gent: A&S/ books & De Vlaamse Gemeenschap/ Team Vlaams Bouwmeester, 2006).

7 woord vooraf jaap koole 9 - 56 / 141 - 187 Jannes Linders > fotoserie 57 - 67 / 132 - 140 n2 architekten > schetsen, maquettes, tekeningen 68 - 76 Dolf Broekhuizen > Een vitale jeugd. Rotterdamse scholen in internationaal en historisch perspectief 78 - 93 Anne van der Kooi > It’s a kids world 94 - 97 philip kuypers > en nu verder! gesprek met jaap koole, vestia rotterdam zuid 198 - 113 eleonoor jap sam > Dialoog met de participanten: de Toermalijn, Christophoor, Kinder Service Hotels, Pameijer en Charlois Welzijn 114 - 117 flemming de moll > eerste ervaringen met ouders 118 - 127 THEO KUPERS > EEn brede school ontwerpen 126 - 131 Bart Verschaffel & Maarten van den Driessche > De wereld op en rond het schereplein 188 verder lezen


woord vooraf

Het boek De Wereld op Zuid. Bouwen aan een brede school is opgebouwd van buiten naar binnen – van beeld naar inhoud. Gesprekken met ouders en participanten bevinden zich in het hart van het boek. Daaromheen de persoonlijke bijdragen van de procesmanager, opdrachtgever en architect. Ingekaderd met beschouwingen in een grotere context door onder meer archi­tectuur­historici Bart Verschaffel, Maarten Van Den Driessche en scholendeskundige Dolf Broekhuizen. Fotograaf Jannes Linders volgde de totstandkoming en portretteerde de gebouwde realiteit met daarin haar diversiteit aan bewoners. Wij zijn ontzettend trots op deze school en willen u graag deelgenoot maken van onze ervaringen. Jaap Koole, Vestia Rotterdam Zuid

6 /7

Rotterdam-Zuid is bezig aan een grootschalige inhaalslag op het gebied van wonen, scholing, werkgelegenheid en de sociaal-culturele kracht van het gebied. De brede school, de Wereld op Zuid is een product van die inhaalslag. Met de bundeling van vijf krachtige partners onder één dak, is deze brede school veel meer dan een klassiek school­ gebouw. Deze multifunctionele accommodatie kan zowel dienen als katalysator bij de ontwikkeling van kinderen als bij de vernieuwing van de wijk. Alle corporaties die werkzaam zijn in RotterdamZuid, hebben in het Pact op Zuid, een investerings­ programma van corporaties en gemeente, afgesproken minimaal één brede school in hun werkgebied te realiseren. Ook binnen Vestia wordt in ver­schillende gemeenten de bouw van brede scholen voorbereid. De Wereld op Zuid heeft vanaf het allereerste begin een bijzonder proces doorlopen met een heel bevlogen inbreng van alle betrokken partijen: politiek, gemeenteambtenaren, woningcorporatie Vestia, maar vooral ook met de toekomstige gebruikers van het gebouw. Bij de ontwikkeling van de Wereld op Zuid zijn ervaringen opgedaan en lessen geleerd, waar anderen met plannen voor een brede school of een multi­functionele accommo­ datie hun voordeel mee kunnen doen.


























N2 ArchiteKten schetsen, maquettes, tekeningen


0

25

58 / 59

de participanten zijn georganiseerd rondom een gezamenlijke programma

het Schereplein in Zuidwijk Rotterdam

Schereplein

situatie aan het Schereplein omstreeks 2005

Schere

50 0

75 15

30

100 45

125

basisschool Christophoor

60

80m

150m

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

brede school in Assen (realisatie 2009)

brede school in Hoofddorp (realisatie 2003)

organisatieconcepten van (brede) scholen door N2 Architekten

brede school de Wereld op Zuid

twee ZMLK scholen met gymzalen in Den Haag (realisatie 2010)

DE WERELD OP ZUID : ZUIDWIJK Zuidwijk circa 1960

ontwerpschetsen zomer 2005

Zuidwijk, deelgemeente Charlois, Rotterdam


60 / 61

materiaalonderzoek

ontwerpschets westgevel

ontwerpschets oostgevel

werkmaquette

werkmaquette

materiaalonderzoek

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

travertin geveldetail

Stelkozijn Stelkozijn rondom rondom dichtplakken dichtplakken met UV-bestendig met UV-bestendig EPDM EPDM

Kanaalplaat Kanaalplaat 260mm 260mm met met gevlinderde gevlinderde druklaag druklaag 100mm 100mm voorzien voorzien van vloerverwarming van vloerverwarming

Dragend Dragend prefab prefab betonnen betonnen binnenspouwblad binnenspouwblad dik 170mm dik 170mm

Minerale Minerale wol dik wol100mm dik 100mm met met zwartzwart gecacheerde gecacheerde toplaag toplaag

Travertin Travertin platen platen dik 40mm dik 40mm bevestiging bevestiging met ingeboorde met ingeboorde r.v.s.r.v.s. mortelankers mortelankers

Bronze Bronze geanodiseerd geanodiseerd aluminium aluminium waterslag waterslag 30 mm 30 mm overstekend overstekend met met kopschotjes kopschotjes

Bronze Bronze geanodiseerd geanodiseerd aluminium aluminium kozijn kozijn met met schuiframen schuiframen

metselwerk geveldetail

Stelkozijn Stelkozijn rondom rondom dichtplakken dichtplakken met met UV-bestendig UV-bestendig EPDM EPDM

Metselwerkondersteuning Metselwerkondersteuning in in kleur gemoffeld kleur gemoffeld

Isolatie Isolatie harde harde persing persing dikdik 100mm 100mm

Kanaalplaat Kanaalplaat 260mm 260mm met met gevlinderde gevlinderde druklaag druklaag 100mm 100mm voorzien voorzien vanvan vloerverwarming vloerverwarming

Dragend Dragend prefab prefab betonnen betonnen binnenspouwblad binnenspouwblad dikdik 170mm 170mm

Minerale Minerale wolwol dikdik 100mm 100mm

Metselwerk Normaal formaat Metselwerk Normaal formaat 10mm terugliggend doorstrijkmortel doorstrijkmortel 10mm terugliggend

Bronze Bronze geanodiseerd geanodiseerd aluminium aluminium waterslag waterslag 30 30 mm mm overstekend overstekend met met kopschotjes kopschotjes

Bronze Bronze geanodiseerd geanodiseerd aluminium aluminium kozijn kozijn met met schuiframen schuiframen


62 / 63

1 natuurspeeltuin 2 loungezone, ontmoeten en wachten 3 schoolsportplein met atletiekbaan

inrichtingsplan speelpleinen

inrichtingsplan gymzalen

concept speelpleinen

4 onderbouwpleinen, afgeschermd door haaghek 5 grote schoolplein met zit- en speelaanleidingen 6 patio

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

7 twee gymzalen 8 autoparkeren personeel 9 fietsparkeren 10 speelplein kinderdagverblijf met speelhuisje, glijbaan en grasveld

11 speelplein Pameijer met grasveld, zintuigenhoek en vogelnestschommel 12 haaghek rondom het gehele terrein

1 elektrische unit ‘ultragym’ 2 klimtouwrail met bocht, twaalf touwen 3 basket wegdraaibaar/met gasveer/vast 4 klimraam met contragewicht / elektrisch verstelbaar 5 volleytuipaalvoorziening 6 grondbus voor rekstok 7 grondbus voor units 8 belijning volleybal 9 belijning badminton 10 belijning basketbal


123

2370 + P

260

64 / 65

80

geĂŻsoleerde kanaalplaten 260mm RC 3,0 m2K/W 9 ,dik 120mm met gevlinderde druklaag 90mm voorzien van vloerverwarming sportvloer 9+2mm volgens afwerkstaat gevlinderde vloer verdiept aanleggen

Vloeropbouw

bevestiging wandrek aangepast, Janssen Fritsen

stijlen ten behoeve van bevestiging toestellen Janssen Fritsen. volgens opgave constructeur.

110

420

1365

1450

1000

maatvoering grondhout 1000

3060

1000

1000

1365

1450

420

o.k.verlichting 7000 + P

Fagerhult Excis sporthalarmatuur bevestiging op voorstel E-installateur

110

80

3380

2910

60

336x27= 9072

4-vaks klimraam met contragewicht 480

a

100

125 125

grondhout 480

4xWCD tbv theaterverlichting enkel aan zijde AS 10

Janssen Fritsen K100

33

39

480

a

480

Basket met gasveer

Janssen Fritsen B185

Dakopbouw

mechanisch bevestigde btimineuze dakbedekking isolatie pakket min.120mm afschot 15mm/m1 SAB dakplaat h=135mm Subspanten HE360A

Volleytuipaal voorziening Volleybalpaal met vloerplaat

Janssen Fritsen V100

11

12

een houten lambrisering met akoestische eigenschappen

Koker profiel staal thermisch verzinkt 260x140x14mm

bk wandrek= 3790

de conciĂŤrgeruimte is met zwart gebeitste houten latten bekleed

werkmaquette

3520

o.k. constructie 7000+P

WCD 16A 5P

Huppe Multiroll

t.b.v. scheidingswand aanbrengen door aannemer Zie informatie leverancier

1750

b.k. dak 8850+P

1215

flexibele verticale scheidingswand

1600 100

1093 657 2740

34/34a

3300

435

GRONDBUS KORT te gebruiken in combinatie met hijsunits en 3-vaks elektrisch klimraam

28

90

90

Rodeca polycarbonaat PC 2540-4 longlife Profielsysteem Rodeca 2400

Gevelopbouw

110 3680

gymzalen met flexibele scheidingswand en tribunes

2630

925 925 925 925 139

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

909

1075

77x27= 2080

grondhout 640

909

1075

grondhout 640

Janssen Fritsen U101 plafond unit t.b.v. ringen. units tussen as 12/13 en 9/10 dienen in lijn te staan met 3-vaks elektrisch klimraam en grondbussen

435

a

a

21

145

146

11x27= 297 23

90

90

2515+P

1520

57

Gh08

30

2

200

200

13

29

30

fase

onderwerp

projekt

opdrachtgever

b.k vloer=P

3

breedplaatvloer 250mm rolcoating

Vloeropbouw

'de Wereld op Zuid'

projekt nr

Brede school zuidwijk, Rotterdam

schaal

wandaanzichten sporthal 1 : 20

P-052

berging toestellen

sleutelschakelaar scheidingswand

bedieningskast hijsunits

Bruynzeel Antisone Geluidsabsorberende beplating

Kolom 70x70x8mm in wand tussen berging en trap

Vuren 225x75 mm

uitvoering

5m

berging

4

ESTRADE projecten, Rotterdam

b.k vloer 3500 + P

3880+P

HE 360A

WCD tbv theatergordijn enkel aan zijde AS 9

1

N2 architekten bv dunantstraat 4 / 3024 BC rotterdam T+31 (0)10 477 05 51 F+31 (0)10 425 83 20

662

58

17x27= 459

vandalisme bestendig noodverlichtingsarmatuur

Van Lien AQL 08A/1/ZT

56

Janssen Fritsen K165

elektradoos inbouw levering J&F

WCD 16A 5P plaatsen in wand door aannemer

0,5

3-vaksklimraam elektrisch bedienbaar 1 sport ingekort

UNP 340

DAP 200 StorkAir dakventilator DOS 245G StorkAir dakopstand Sabiana DS3-900 stralingspaneel

0

1500

1500

mail@n2arch.nl

W40.1

_

_

_

_

_ 22 november 2007

11 september 2007

HE 160A


66 / 67

ruimteconcept mediatheek

vaste en flexibele tafels in de centrale hal

werkmaquette

ontwerpschets entreegebied

interieurdetail

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

werkmaquette

ontwerp houten picknick tafels


De wijkgedachte De Wereld op Zuid komt tegemoet aan huidige behoeften van bewoners in de wijk Zuidwijk. Het denken over wijkgebouwen als centrale voorziening voor een onafhankelijk stadsdeel is evenwel al ouder. Omstreeks de jaren vijftig kreeg het idee van een wijk­centrum een sterke impuls door publicaties over de eerste buiten­landse voorbeelden in ons land. Een van de invloedrijkste propagandisten van de naoorlogse wijkopbouw is W.F. Geijl, die in Wij en de wijkgedachte (1946) de wenselijke wederopbouw van Nederland schetste met ‘gemeenschaps­centra’ voor ‘individuele en gemeenschappelijke vrijetijds­besteding en instellingen die ten dienste van de bevolking staan.’ Na de jaren waarin de fysieke vernietiging en geestelijk ontreddering diepe kraters hadden geslagen in de Neder­landse maatschappij, groeide het geloof dat een nieuwe samenleving zou kunnen ontstaan. De inspiratie voor de denk­beelden vond Geijl bij sociologen in de Verenigde Staten en Engeland, waar ‘neighbourhoodplanning’ veel aan­ hangers vond. In Nederland liepen de architecten­vereniging De 8 en Opbouw en de Rotterdamse Dienst Stedenbouw voorop om de ideeën hierover geschikt te maken voor de Nederlandse situatie en om te werken tot ruimtelijke ontwerpen. Voor bij­voor­ beeld Overschie, Pendrecht en Zuidwijk tekenden ze gestandaar­ diseerde wooneenheden met centrale voor­zieningen in satelliet­ wijken. Het idee was dat wijk­bewoners van alle leeftijden voor de meeste voorzieningen in de wijk zelf terecht konden. Voor onderwijs, kinder­opvang maar ook kerk, vrije tijd, winkels en gezondheidszorg, hoefden ze niet de wijk uit, zodat de familie­ relaties en vriend­schaps­banden zo hecht mogelijk konden worden. Achterliggend idee van de ‘Wijk­gedachte’ was ook dat buurt­ bewoners zo niet bloot gesteld werden aan de verlokkingen van de grote stad, zoals bijvoorbeeld ir. Bos schetste in De stad der toekomst. De toekomst der stad (1946). In het onderwijs kregen de ideeën over de wijkcentra vaste voet aan de grond door enkele vooruitstrevende onderwijs­ deskundigen. De gezaghebbende hoogleraar pedagogiek

68 / 69

Een vitale jeugd. Rotterdamse brede scholen in internationaal en historisch perspectief Dolf Broekhuizen

De Wereld op Zuid staat in de voorhoede van de wijk­ver­nieuwing in Rotterdam-Zuid. Gezamenlijk nemen de betrokken organisaties de taak op zich meer dan voorheen focuspunt te zijn bij de socialisatie van jeugd van nul tot twaalf jaar. Zij krijgen daar­­voor de beschikking over de brede basisschool die als nieuwe multi­­ functionele accommodatie is gebouwd. De analyse van de voorgeschiedenis van de brede scholen in Rotterdam en de diverse ontwikkelingen rondom brede scholen in Nederland en in enkele ons omringende landen, maken duidelijk dat de Wereld op Zuid een krachtig exponent is van relevante (inter-)nationale tendensen ten aanzien van sterke wijkopbouw, on­der­wijs­vernieuwing en integrale jeugd­zorg. Tegelijkertijd kunt u lezen wat in die context het specifieke is van de Wereld op Zuid.


Multifunctionele gebouwen De realisatie van onderwijsvoorzieningen gecombineerd met wijk­functies in multifunctionele gebouwen kreeg in de jaren zeventig van de twintigste eeuw op bredere schaal vorm. Overigens bleken de gebouwde resultaten niet onverdeeld succesvol. De rijksoverheid steunde in Zwolle, Texel en Zevenbergen proefprojecten om meer zicht te krijgen op de problematiek die hiermee samenhing, zoals op het gebied van regelgeving, financiering en beheer. Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM) wilde met deze multifunctionele accommodaties een meer samen­hangend aanbod van voorzieningen realiseren door de gebouwen bijvoorbeeld ook ’s avonds en in de weeken­den te gebruiken. Het ging dan om combinaties van basis­onderwijs of voortgezet onderwijs met het club- en buurthuiswerk, overdekte sportaccommodaties, jeugd­centra, dienstencentra voor ouderen, cultureel werk en biblio­theken. Een vooruitstrevende architect als Van Klingeren werkte op geheel eigen wijze aan ideeën over multifunctionele accommodaties. Maar het weg­laten van binnenmuren tussen de twee lagere scholen, kleuterschool,

supermarkt, theater en sportzaal gaf teveel overlast in het gebruik van het even beroemde als beruchte ‘t Karregat (1970-1973) in Eindhoven. Daarom zijn enkele jaren na de bouw de lage kasten en drempels als scheiding ver­vangen door muren. In Rotterdam ontstonden in de jaren tachtig minder extreme multifunctionele accommodaties waarbij basisscholen zijn gecom­ bineerd met wijkvoorzieningen. Deze mfa’s hadden tot doel ‘stimuleringspunten’ te zijn in woonwijken. In de wijk Zevenkamp bijvoorbeeld functioneren een kerk en een basisschool naast elkaar. En voor het stadsvernieuwingsgebied Crooswijk ontwierp architect Pal Stipkovits een wijkgebouw waarin het basisonderwijs en buurt- en clubhuiswerk zijn samengevoegd. Overigens gaat het niet alleen om combinatie van voorzieningen onder een dak, ook om inhoudelijke samenwerking. ‘Onderlinge beïnvloeding van buurtgericht clubhuiswerk en het werk dat door het schoolteam verricht wordt, stond van begin af aan centraal.’ (Van der Hout, 1985/44). Het is niet moeilijk de huidige brede basisscholen te zien als een nieuwe fase in de gecombineerde bouw van onderwijs en wijkcentra, waarbij de schoolse socialisatie voorop staat. Interes­ sant is de actieve rol die Groningen daarbij op zich nam. Halver­wege de jaren negentig bouwde de gemeente Groningen enkele brede scholen als mfa’s. De gebouw­typologie van deze brede scholen, in deze stad Vensterscholen genoemd, varieert en wordt aangepast aan de situatie. Rotterdamse kenmerken Rotterdam legt de prioriteit aanvankelijk niet bij nieuwe mfa’s. Het gemeentebestuur en de organisaties op het gebied van onderwijs, welzijn en sport steken hun energie in de eerste plaats in ver­bete­ring van de onderlinge samenwerking en wijkopbouw. In de jaren negentig loopt Rotterdam voorop bij de realisatie van brede scholen als organisatie. Hierdoor kan in principe de situatie voor alle kinderen en wijkbewoners worden verbeterd; de zogeheten ‘100 procent aanpak’. Er wordt wel gesteld dat brede scholen in Rotterdam rond 1995 zijn ontstaan, waarbij onder de leuze ‘It takes a whole village, to raise a child’ de gemeente het lokale brede schoolbeleid presenteerde als stroomlijning van alle maatregelen. Nieuw aan de brede school is dat sinds 1995 de activi­teiten meer geïntegreerd worden uitgevoerd. In de brede school kunnen organisaties niet alleen samenwerken, maar ook integreren. Per school worden allianties gesmeed met organi­saties uit de buurt. Bij een recente inventarisatie was sprake van in totaal meer dan vijftig organisaties waar Rotterdamse brede scholen mee samen­ werkten. Door die flexibiliteit kunnen brede scholen zich op ver­schillende aspecten richten, bijvoor­beeld op de verbetering van de omstandig­heden voor het kind, de ouders of de wijk. Naast de doelstelling zoveel mogelijk kinderen en buurten in Rotterdam met

70 / 71

Een vitale jeugd >Dolf Broekhuizen

Ph.J. Idenburg omschreef de brede functie van de wijkcentra in zijn Schets van het Nederlandse Schoolwezen (1964). Hij citeerde woorden van de oud-staatssecretaris van Onderwijs, G.A. van Poelje in 1953: ‘Indien wij in nieuwe grotere wijken een plaat­se­lijk burgerschap zullen opbouwen, dan moeten die wijken een eigen kern hebben, een sprekend middelpunt, met vergaderruimte, ruimte voor het geven van cursussen aan volwassenen, gymna­s­ tiek­zalen, lees- en studiezalen e.d., kortom, er moet een com-­ ­munity centre zijn, met alles wat erbij hoort. De scholen, niet alleen de school voor gewoon lager onderwijs en een kleuter­ school, moeten er deel van uitmaken.’ (Idenburg, 1964/584). Op dat moment waren deze woorden vooral toekomst­dromen. In de praktijk bleef de koppeling van scholenbouw aan wijkvoor­ zieningen vooralsnog een uitzondering. In plaats daarvan zou juist een strenge functiescheiding en verdere differentiatie van het onderwijs en de zorg voor de op­groeiende jeugd regel worden. In Rotterdam werkten architecten en aannemers aan de bouw van gestandaar­diseerde scholen, zoals Muwi-scholen en Den Hollanderscholen voor lager- en voortgezet onderwijs om snel in de behoefte te kunnen voorzien. De oude gebouwen van basis­scholen de Toermalijn en Christophoor (aan het Schereplein), zijn exponenten van die normaliseerde scholenbouw. Gezamenlijk gebruik in lager onderwijs, zoals het basisonderwijs toen heette, bleef beperkt tot een gymzaal. Dat was niet zelden een apart gebouw, waar meerdere scholen uit de buurt gebruik van maakten. Bij het voortgezet onderwijs zijn wel scholen gebouwd die gericht waren op buurtgebruik. Het ging dan om beschikbaar­ stelling van bijvoorbeeld schoolonderdelen als aula, gymzaal of bibliotheek aan wijkbewoners.


Nationale context Het nieuwe wijkgebouw voor Zuidwijk ligt als een paviljoen in een groene omgeving. De verschillende organisaties zijn met een herkenbare identiteit rondom het gemeenschappelijke hart in de vleugels ondergebracht. Het kinderdagverblijf is goed geïnte­ greerd, zodat al vroeg met de taalontwikkeling kan worden begonnen. Typerend voor de Wereld op Zuid is de prominente aanwezigheid van sport en speciaal onderwijs. Sportdeelname in de ruime sporthal is direct zichtbaar vanuit de centrale plaza van deze ‘Fit-ook-school’. Daarnaast biedt het buitenterrein tussen de vleugels rond het gebouw tal van gedifferentieerde sport- en

spel­mogelijkheden. Door de grote nadruk op sport is de Wereld op Zuid wel te vergelijken met wat een sportmagneetschool wordt genoemd. Door middel van extra uren sport wil de school niet alleen leerlingen aanzetten tot meer bewegen, en de gezondheid bevorderen, maar bijvoorbeeld ook zinvolle vrijetijdsbesteding bieden aan jongeren die anders zouden rondhangen. Bovendien leren kinderen door teamsport sociale competenties en vergroot het zelfvertrouwen. Beide zijn een grote voorwaarde voor de motivatie om te leren en volledige persoonlijkheidsontplooiing. Zo krijgen ook de buitenschoolse activiteiten een grote waarde voor het onderwijs. De sportmagneetscholen zijn te vergelijken met cultuurmagneetscholen, waar bijvoorbeeld muziek en beeldende uitingen centraal staan, overigens vanuit een vergelijkbare sociaaleducatieve motivatie. Er is een groot verschil of de extra uren schooltijd besteed aan sport of cultuur verplicht worden gesteld of niet. Als het verplicht is ligt er vaak achterstanden­ bestrijding aan ten grondslag. Op de kantoorurenschool in Haarlem geschiedt naschoolse opvang daarentegen op vrijwillige basis. De hele dagopvang van leerlingen is er vooral op gericht dat tweeverdieners van zeven uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds kunnen werken. De integratie van het speciaal onderwijs in de Wereld op Zuid komt tegemoet aan het streven kinderen met een beperking meer te laten deelnemen aan regulier onderwijs. Tegelijkertijd verrijkt het speciaal onderwijs het reguliere onderwijs. Deze inclusiegedachte heeft net als de magneet­scholen nationale en internationale referenties. In veel westerse landen wenst men kinderen met een beperking niet uit te sluiten of af te zonderen, maar juist op te nemen in het reilen en zeilen van de gehele maatschappij. In de Wereld op Zuid kunnen de kinderen van de Pameijer-vleugel bij­voorbeeld deelnemen aan gezamenlijke sportevenementen. Samenspel op het schoolplein bevordert eveneens de integratie. De ruimtelijke nabijheid schept betere mogelijkheden, omdat de organisaties relatief gemakkelijk voorzieningen kunnen delen. De kinderen van Pameijer maken bijvoorbeeld gebruik van de sport­ruimte voor balletles. Omgekeerd kunnen de leerlingen van de twee basisscholen de snoezelruimte van Pameijer gebruiken als een time-out ruimte, een soort loungeruimte die allerlei zintuigen prikkelt door middel van geur, muziek en speciale lichteffecten. Voor kinderen met een verstandelijke beperking is de snoezelruimte een ruimte om tot rust te komen. De organisatorische en ruimtelijke combinatie van speciaal onderwijs met regulier onderwijs is een verdere vorm van sociaalmaatschappelijke integratie van de jeugd. Die integratie is niet vanzelfsprekend zeer hecht. Tot de jaren tachtig was eerder sprake van segregatie. Het is boeiend om te zien hoe inclusief onderwijs de laatste jaren vorm krijgt, ook bij brede scholen. Eind jaren negentig wordt in Groningen Vensterschool Selwerd/Tuinwijk/ Paddepoel (2000) gebouwd naast een school voor speciaal

72 / 73

Een vitale jeugd >Dolf Broekhuizen

brede scholen te bereiken, zijn brede scholen een antwoord op wat wel de ‘projectencarrousel’ wordt genoemd. De de brede school dient de grote hoeveelheid lopende projecten, pilots, individuele wensen en (soms tegenstrijdige) regels meer onder een noemer te brengen. Om het aantal projecten rondom de brede school te stroomlijnen gaat de Rotterdamse dienst voor Jeugd, Onderwijs en Samenleving (JOS) in Rotterdam nu uit van vier modellen van brede scholen die gekoppeld zijn aan subsidie­ mogelijk­heden. De bouw van brede scholen als een nieuw multifunctioneel gebouw is in Rotterdam van recente datum. De mfa’s verschillen sterk qua context. Kindercluster Nesselande is in 2004 in de gelijknamige uitbreidingswijk in gebruik genomen. Het is een zeer grootschalig complex, waarin onder meer drie basisscholen, twee sportzalen, 110 appartementen voor ouderen en woningen voor jongeren met een verstandelijke beperking zijn ondergebracht. Dit kindercluster verschilt qua omvang zeer van bijvoorbeeld de com­pacte bouw voor brede school de Globetrotter, die onderdeel is van de ingrijpende herstructurering in Katendrecht. Het merendeel van de bebouwing in Katendrecht wordt afgebroken en vervangen door nieuwbouw. In het ontwerp voor de Globetrotter, gerealiseerd in 2008, zijn twee bestaande basisscholen in de wijk gecombi­ neerd met onder meer een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang, zodat veel aandacht kan worden besteed aan wat genoemd wordt ‘doorgaande leerlijnen’. In de brede school Wereld op Zuid, gebouwd in de bestaande woonwijk Zuidwijk, zijn naast twee samenwerkende basisscholen, ook speciaal onderwijs van Pameijer, Kinder Service Hotels en Stichting Charlois Welzijn betrokken. Dit is een van de mfa’s die in het kader van het Pact op Zuid versneld worden uitgevoerd. Het is een echt wijkgebouw waarin niet alleen voorzieningen voor jeugd zijn ondergebracht, maar ook voor ouders, wijkwerk en buurt­verbetering. Daardoor zal het als motor gaan functioneren voor de wijkvernieuwing in Zuid­wijk. Want goede voorzieningen bevor­deren niet alleen de leefbaarheid voor de huidige bewoners op een fundamentele wijze, maar zijn tevens een vestigings­voor­ waarde voor nieuwe gezinnen.


Internationale varianten Niet alleen in Rotterdam of in Nederland, maar ook internatio­naal beschouwd, zijn er verschillende varianten van de brede school, die eigen accenten leggen waarmee verschillende doelen worden nagestreefd. Geregeld worden de Scandina­vische landen als voor­beeld genoemd. Diverse Nederlandse schoolorganisaties hebben al een reis gemaakt naar bijvoor­beeld Zweden waar de integratie van onderwijsbeleid en jeugdbeleid vergevorderd is. En in Finland zijn instellingen waar één directeur aan het hoofd staat van basisschool, kinder­opvang, jeugdzorg en bibliotheek. Een bij­zondere variant is het Kulturhus. Het uit Denemarken afkomstige Kulturhus-concept is vaak een combinatie van buurthuis met andere voorzieningen. Een basisschool kan hier deel van uitmaken, het hoeft niet. Bij een brede school staat het onderwijs centraal. Omdat de overheidsmaatregelen echter sterk verschillen kunnen de situaties in Zweden, Denemarken en Finland niet één op één naar Nederland worden gekopieerd. Maar inspirerend werkt het wel. Zo was de Zwedenreis tijdens de voorbereiding van kinder­ cluster Nesselande bijvoorbeeld inspirerend en bevorderde deze het groepsgevoel. De reis leverde voldoende motivatie om de samenwerking niet alleen te beginnen maar om het ook tot het eind gezamenlijk vol te houden. Vergelijking van onze brede school met de wijkvoor­zieningen in achterstandsbuurten in de Verenigde Staten ligt eveneens voor de hand. In slechte buurten van Chicago zijn in de jaren tachtig community schools opgericht, die zich richten op bestrijding van onderwijsachterstanden en wijkverbetering. Voorschoolse educatie wordt omarmd als effectief middel in achterstandenbestrijding. Met bijvoorbeeld oudercursussen worden ouders van kinderen weer­ baarder gemaakt. In Nederland zijn brede scholen aanvankelijk ook in stadsbuurten met complexe problematiek ontstaan, zoals bij de Brede Bossche Scholen in ’s Hertogenbosch. Deze gemeente bouwt brede scholen in wijken waar verpaupering leidt tot het urgent instellen van ‘plusuren’. Maar inmiddels is het een breed gedragen, nationale beweging. Het is heel eenvoudig: leerachter­ standen komen ook in kleine plattelandsgemeenten voor. Daar­ naast is geïntegreerde jeugdzorg en het versterken van het netwerk rond een kind voor alle kinderen goed. Bijzonder is dat de brede school wel eens als een beweging van onderaf wordt voorgesteld. Daarmee bedoelt men dat de overheid weinig dwang uitoefent, en dat instellingen zelf de

mogelijkheden van brede scholen willen onderzoeken om bestaande problemen effectief op te lossen. In dat opzicht verschilt de brede school van de situatie in Duitsland waar de rijksoverheid al sinds de jaren zeventig de Ganztagschule kent. Overigens vindt de financiering weliswaar vanuit het rijk plaats, maar de lokale invulling wordt gemeentelijk bepaald. Zoals de naam al aangeeft concentreert deze school zich op wat in Nederland genoemd wordt ‘hele-dag-opvang’. De Ganztagschule is gericht op verzorging en vrije tijd. Met het programma voor de hele dag wil men de ontwikkeling van kinderen stimuleren, en voor­komen dat kinderen te lang achter de televisie zitten of computerspelletjes spelen. Dat heeft raakvlakken met het streven naar verbreding van talentontwikkeling. Echter, in tegenstelling tot Nederland is de verzorging ‘s middags nog nauwelijks geïntegreerd met het onderwijs eerder op de dag. Wat we in Nederland ‘door­gaande lijnen’ noemen, speelt daar geen rol. Deze Ganztag­ schule maakt de intensieve arbeids­participatie van tweeverdieners mogelijk. In Engeland leveren de extended schools hele dagopvang van acht uur ’s ochtends tot zes uur ‘s avonds. Dit programma geldt voor alle scholen, en wordt gefinancierd als combinatie van Rijksgeld en ouderbijdrage. En net als in Nederland kijkt men ook hier niet onverdeeld gunstig tegen het fenomeen aan. Zowel in ons land als in Engeland is discussie over de ‘opvangplicht’ van kinderen buiten schooluren. Tegenover de verplichting die ouders van scholen kunnen eisen dat buiten­schoolse opvang door de school wordt georganiseerd, dienen wel voldoende extra financiële middelen te staan. En het lijkt erop alsof de schoolweek is verlengd tot vijftig uur, zonder dat er voldoende ruimte is om tegemoet te komen aan de behoefte van differentiatie. In Vlaanderen zal een inhaalslag worden gemaakt om het verouderde scholenbestand te actualiseren. Daarbij is Nederland een belangrijke referentie. Dit blijkt bijvoorbeeld uit excursies die het Vlaams Architectuurinstituut omstreeks 2006 heeft georgani­ seerd naar Nederlandse brede scholen. Alhoewel in Vlaanderen op dit moment nog geen enkele brede school is gerealiseerd, houdt men de brede school vorming in Nederland goed in de gaten. In de zin van nieuwe multifunctionele accommodaties staat alles nog in de kinderschoenen. Terwijl in Nederland al honderden brede scholen zijn gerealiseerd, ook als mfa, en er elk jaar weer nieuwe bij komen, is in Vlaanderen op initiatief van de Vlaamse Rijksbouwmeester een proefproject gestart. Momenteel lopen pilots voor vijftien scholen om de specifieke vormen van brede scholen te onderzoeken. Grote nadruk ligt op opvoeding, onderwijsachter­ standenbeleid, kinderopvang na schooltijd en activiteiten op het gebied van wijkverbetering. De genoemde internationale voorbeelden hebben vele raak­vlakken met de Wereld op Zuid. Tegelijk illustreren ze hoe complex en uniek elke brede school is. In de praktijk is Nederland enerzijds

74 / 75

Een vitale jeugd >Dolf Broekhuizen

basisonderwijs. De integratie in de Wereld op Zuid is vergelijkbaar met verzamelgebouwen en verdergaande vormen van samen­ werking zoals Basisschool De Vijver in Wateringse Veld (2001), Kindercluster Nesselande (2004) en Forumschool KC Noord (Leidsche Rijn, 2007). Woningcorporatie Vestia onderzoekt de mogelijkheid om de Reconvalescentenschool onderdeel te laten uitmaken van Kindercluster Bloemhof in Rotterdam.


gidsland op het gebied van scholenbouw voor andere landen. Anderzijds ondernemen Nederlandse organisaties inter­nationale excursies om zich op de hoogte te stellen van nieuwe ontwik­ke­lingen. Ook de Wereld op Zuid zal in de toekomst nationale en internationale bezoekers in Rotterdam-Zuid kunnen ontvangen en rondleiden. Gebruikte literatuur (selectie) Zie voor de geschiedenis van onderwijsvernieuwing en scholenbouw: Werkgroep Multifunctionele accommodaties, Bouwen voor school en buurt (Den Haag: 1975) W.P. Janssen, ‘Bouw geen scholen, bouw educatieve centra’, in: Plan nr 9 (1980) 29-35 Tj. Boersma en T. Verstegen (red.), Nederland naar school. Twee eeuwen bouwen voor een veranderend onderwijs (Rotterdam: NAi Uitgevers, 1996) D. Broekhuizen, ‘Bouw geen scholen. Bouw educatieve centra’, in: T. Verstegen en D. Broekhuizen (red.), Een traditie van verandering. De architectuur van het hedendaagse schoolgebouw in Nederland (Rotterdam: NAi Uitgevers, 2008) 16-72 Over wijken en scholenbouw in Rotterdam: M. van der Hout, ‘Multifunctionele accommodaties in Rotterdam. Scholen als stimuleringspunten in woonwijken’, in: Architectuur/Bouwen nr 11 (1985) 41-45 K. Zweerink (red.), Van Pendrecht tot Ommoord, geschiedenis en toekomst van de naoorlogse wijken in Rotterdam (Bussum: Thoth, 2005) D. Broekhuizen, ‘Brede scholen in Rotterdam’, in: W. Galema en D. Broekhuizen (red.), School gemaakt. Ontwerp en achtergronden van brede scholen in Rotterdam (Rotterdam: Rotterdam Air/ Nationaal Onderwijsmuseum, 2008) 11-34 Brede scholen internationaal: M. Van Den Driessche, B. Verschaffel (red.), De school als ontwerpopgave. Schoolarchitectuur in Vlaanderen 1995-2005 (Gent: A&S/books & De Vlaamse Gemeenschap/ Team Vlaams Bouwmeester, 2006) M. van der Grinten, Fr. Studulski, Zicht op de brede school 2006-2007 (Amsterdam: SWP, 2007)

76 / 77

Een vitale jeugd >Dolf Broekhuizen

Internet: www.bredeschool.nl


78 / 79

It’s a kids world Anne van der Kooi

De Wereld op Zuid is een brede school met veel mogelijkheden. Zowel binnen als buiten, maar toch besloten en intiem. In de Wereld op Zuid (hierna verder te noemen: WOZ), socialiseren kinderen op een manier die past in deze tijd van multi-etniciteit, multi-religieusiteit, passend onderwijs, verlengde schooldagen en doorgaande leerlijnen. Hier worden kinderen van nul tot twaalf jaar geconfronteerd met verschillen in fysieke en verstandelijke mogelijkheden, sociale verschillen, culturele en religieuze ver­ schillen. Het is de opdracht aan de partijen in de WOZ om de kinderen te helpen om te gaan met al die verschillen en de rijkdom ervan te laten ervaren. Dit project is bijzonder omdat deze maatschappelijke voorziening alle facetten van modern maat­schappelijk ondernemerschap in zich heeft. Een multi­functio­ neel gebouw dat ontwikkeld is door en in eigendom is van een woningcorporatie die al meer dan honderd jaar ervaring heeft met lange termijn investeringen en beheer van vastgoed. Op een bedrijfsmatige manier, tegen maatschappelijk verantwoorde rendementen. Het multifunctionele karakter van het gebouw in combinatie met een meervoudig gebruik van het gebouw, vraagt een non-conformistische manier van exploiteren. Corporaties en scholen zijn organisaties in de wijk die heel dicht bij de thuissituatie van bewoners staan. De woon- en leefsituatie, de eigen plek, groei en ontwikkeling van kinderen raken mensen in de kern van hun dagelijkse bestaan. Corporaties hebben een plek dichtbij bewoners in de wijken opgebouwd en naast hun kerntaak van huisvesting zijn daar voorzieningen bij gekomen die belangrijk zijn voor het dagelijks functioneren van bewoners. Corporaties en scholen kunnen elkaar daar in vinden. Ook een commerciële projectontwikkelaar is goed in staat een brede school te bouwen, maar een corporatie heeft een veel langere en bredere horizon om de noodzakelijke investeringen ‘terug te verdienen’. De ontwikkeling van een brede school is bovendien veel meer dan de ontwikkeling van het gebouw. Vestia heeft als corporatie bij de ontwikkeling van de WOZ een brede taakopvatting gehad. Niet alleen de ontwikkeling van het vast­goed, maar ook het faciliteren van de ontwikkeling heeft men op zich genomen vanuit de visie dat maatschappelijk vastgoed alleen dan duurzaam is als het ontwikkeld is vanuit de inhoudelijke ambitie van gebruikers en samen opgaat met een organisatieen beheermodel dat de tijd kan doorstaan. Als rechtspersoon heeft de WOZ een zelfstandige positie in het totale krachtenveld van onderwijs, welzijn, zorg en commerciële kinderopvang. Het is een schoolvoorbeeld van een goed op­ gezette publiek private samenwerking en een krachtige nieuwe maatschappelijke kernvoorziening die geëxploiteerd wordt door een maatschappelijke onderneming: Stichting de Wereld op Zuid. Door die bestuurlijke verankering binnen een nieuwe rechtspersoon heeft de WOZ ook een sterk duurzaam karakter en een meer­ waarde ten opzichte van losse samenwerkingsverbanden. De


Een veranderend schoolbeeld In het verzuilde Nederland van vijftig jaar geleden ging ieder kind naar een school die paste bij zijn (religieuze) achtergrond. In de grote steden is de verzuiling al tientallen jaren op z’n retour. Op het platteland is ze nog steeds aanwezig. De cognitieve ontwik­ keling en het ontwikkelen van feiten en kennis vormden de kerningrediënten van het onderwijs. Na schooltijd gingen de kinderen naar huis waar ze doorgaans door de moeder werden opge­ vangen en mochten buiten spelen. Tussen de middag gingen de kinderen naar huis om te eten. Bewegen deed je in je vrije tijd en kunst en cultuur waren elitaire zaken. De opvoeding gebeurde achter de voordeur. Als het niet goed ging op school kwam de leerkracht thuis om met de ouders te bespreken wat er aan de hand was. Als je niet mee kon op school ging je naar de Lom-school. Als we hiertegenover de beleidsambities van de overheid van de afgelopen jaren zetten, dan komen we tot een indrukwekkend programma: De overheid wil dat basisscholen ook kinderen met beperkingen opnemen. In 2011 moet iedere school meedoen met het zogenaamd Passend Onderwijs waardoor iedere school maat­werk moet kunnen leveren om aan de onderwijs- en zorg­vraag van ieder kind te kunnen voldoen. In de praktijk zijn veel scholen hier niet op toegerust. Samenwerking met instellingen die gespecialiseerd zijn op dit terrein ligt voor de hand. De overheid verplicht basisscholen om voor- en naschoolse activiteiten aan te bieden. Het programma moet gericht zijn op de periode overdag van half acht ’s ochtends tot half acht ’s avonds. De overheid wil dat basisscholen een afspiegeling vormen van de wijk en heeft grote moeite het beleid ten aanzien van de kinder­opvang qua uitvoering en financieel onder controle te krijgen. De overheid wil stimuleren dat kinderen op school meer aan sport gaan doen. Er is vanaf 2008 extra geld beschikbaar voor meer samenhang tussen brede scholen, sport en cultuur. Professionals worden ingezet die het beleid op deze terreinen op elkaar afstemmen en intensiveren. De overheid wil het nu thuis voor kinderen zorgende arbeidspotentieel activeren om maat­ schappelijk en economisch actief te worden. Men wil op alle mogelijke manieren stimuleren dat ouders sterk betrokken zijn bij de ontwikkeling van hun kinderen. Onvoldoende duurzaam ‘gereedschap’ en ‘materiaal’ wordt aangereikt om de ambities waar te maken. Er moeten nieuwe gebouwen komen, de financieringsmethodiek die (bestaande) geldstromen bundelt moet adequaat, effectiever, efficiënter maar

vooral duurzamer. Nieuwe vormen van maatschappelijk onder­ nemerschap moeten gefaciliteerd en gestimuleerd worden. De praktijk is nu, dat de overheid een omvangrijk en ambitieus pro­gramma voor kinderen tussen nul en twaalf jaar koestert, maar tegelijkertijd eist, dat die ambities kunnen worden waargemaakt binnen dezelfde sociale, fysieke en organisatorische infrastructuur van vijftig jaar geleden. Het is dan ook niet vreemd dat school­ besturen, welzijnsinstellingen, kinderopvangorganisaties en zorgbedrijven, maar ook lokale overheden zich vaak overvraagd voelen als het gaat om het tot stand brengen van brede scholen. Brede scholen Er bestaan vier typen brede scholen: 1. De brede school waarbij een zo integraal mogelijk programma tussen partijen wordt nagestreefd en waarbij voortdurend wordt gewerkt aan een versterking van de onderlinge samenwerking. De inbreng van de scholen in het totale programma is zeer groot. De samenwerking tussen de partijen is geheel vrijwillig. Deze opzet is terug te vinden in de hele structuur van de organisatie. Het is een Maatschappelijke Onderneming voor Kindereducatie (MOK). Het accent ligt op de gezamenlijke inhoud en het maatschappelijk ondernemerschap. Het vormen van een nieuwe rechtspersoon ligt dan dan voor de hand waarin de gezamenlijke doelstellingen worden verankerd. 2. De brede school in de vorm van een kindercampus. Op een afgebakend geografisch gebied wordt door partijen samengewerkt op een aantal gezamenlijke uitgangspunten, die de kern van allerlei brede school activiteiten vormen. De inbreng van de scholen in het totale programma is zeer groot. Er wordt getracht om synergie tot stand te brengen door zowel de programmering als via gezamenlijk gebruik van een voorzieningencluster op het terrein. Verder houden alle partijen een tamelijk grote autonomie, waarvan de grenzen in een gemeenschappelijk proces worden vastgesteld. Er zal hooguit één beheerstichting voor het voor­zien­ ingen­cluster komen, maar geen gezamenlijke (maatschappelijke) onderneming. Er wordt gezocht naar optimale functionaliteit binnen een campusachtige setting. 3. Het type brede school met onder één dak een samen­ werking tussen verschillende partijen. De inbreng van de scholen in het totale programma is over het algemeen groot. De samen­ werking is niet per se vrijwillig. Er wordt vooral gestreefd naar een brede synergie in programmering en ruimtegebruik, maar er kunnen ook partijen meedoen die niet gericht zijn op nul tot twaalf jarigen. Er is geen sprake van een kerndoelstelling dat partijen inhoudelijk complementair aan elkaar zouden moeten zijn of daar naar zouden moeten streven, en er is ook geen ruimtelijke complementariteit. Partijen die een positief effect hebben op de exploitatie, maar niet direct een programmatische versterking betekenen, kunnen worden toegevoegd. Deze constructie lijkt op

80 / 81

It’s a kids world >Anne van der Kooi

vraag is of deze ontwikkeling een autonoom proces is, passend bij de huidige samenleving of dat er sprake is van een kunst­ matige samen­werking, ingegeven door idealisme. Het antwoord op die vraag moet gezocht worden in de politieke ambities van de afgelopen jaren.


Start In maart 2002 kreeg Septool van Vestia Rotterdam Zuid en de deelgemeente Charlois de opdracht voor een verkennend onder­zoek naar de vraag welke maatschappelijke voorzieningen in Zuidwijk (een wijk met veertienduizend inwoners waar Vestia 75% van de woningvoorraad bezit) gewenst zouden zijn als onder­-

deel van een grootschalige herstructurering. Een aanbeveling uit dit onderzoek was om twee brede scholen te ontwikkelen, waar­van één op een braakliggende scholenlocatie aan het Schere­ plein. De deelgemeente en Vestia vroegen eind 2002 de haalbaarheid van een accommodatie op het Schereplein verder te onderzoeken. Het was de bedoeling dat er twee basisscholen in Zuidwijk zouden gaan samenwerken, aangevuld met organi­ saties die kinderdagopvang, buitenschoolse opvang (BSO) en peuterwerk/voorschool konden leveren. In deze verkennende periode kwam ook het verzoek van Pameijer om met enkele groepen kinderen met een verstandelijke beperking mee te mogen doen in het project. Deze groep is uiteindelijk con amore in het proces opgenomen. De expertise die Pameijer in zou kunnen brengen op het gebied van (para)-medische zorg, zou ook voor de scholen van belang kunnen zijn. Anderzijds was het niet on­denkbaar dat kinderen van Pameijer mee zouden kunnen doen met lesonderdelen in het reguliere basisonderwijs. Van belang voor het proces is ook de keuze geweest voor de organisatie die de kinderopvang en de BSO zou gaan verzorgen. De kwaliteit van de BSO zal steeds zwaarder meewegen bij de schoolkeuze van ouders voor hun kinderen. Hetzelfde geldt voor de kinderdag­ opvang die het begin vormt van de doorgaande lijn totdat een kind naar de middelbare school gaat. Naast een pedagogische betekenis is er ook een simpele bedrijfsmatige afweging om de doorgaande lijn te stimuleren. De kinderdagopvang is de kweek­ vijver voor de basisschool. De keuze voor deze (private) organi­ satie is van belang voor de uitstraling van de brede school als geheel. Bovendien kan de ondernemer in de kinderopvang gebruikt worden om het maatschappelijk ondernemerschap in een brede school mee te ontwikkelen. Het verdient aanbeveling om deze organisatie door middel van een aanbesteding te werven. Vaak wordt gebruik gemaakt van de kinderopvangorganisatie die al actief bij de school (scholen) betrokken is. De start van een brede school is een goed moment om alle aanwezige en gewenste kwaliteiten in een dergelijke voorziening aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Gebleken is dat bij het werken aan een gezamenlijke visie op het toekomstige programma voor de brede school en het noodzake­ lijke ondernemerschap er een discrepantie kan ontstaan tussen het bestaande aanbod en de nieuwe ambities. De kinderopvang­ organisatie speelt daarbij vaak een cruciale rol en zal mee moeten in die nieuwe ambities. De ervaring leert dat niet iedere kinderopvangorganisatie daar zo maar in mee gaat. Aanbesteding van de kinderopvang en de buitenschoolse opvang (te leveren door één organisatie) betekent, dat er door met name de scholen een gezamenlijke kwaliteitseis geformuleerd moet worden voor deze diensten. Deze zullen toetsbaar gemaakt moeten worden voor de aanbesteding zodat er een objectieve prijskwaliteitsafweging gemaakt kan worden. Uiteindelijk is bij de

82 / 83

It’s a kids world >Anne van der Kooi

het campusmodel met het verschil, dat het totale programma zoveel mogelijk onder één dak wordt geconcentreerd. Dit type accommodatie is een Verzamelgebouw voor Onderwijs en Maat­schappelijke Ondernemingen (VOMO). Het accent ligt op het gebruik van het gebouw en veel minder op gezamenlijke inhoud en gezamenlijk ondernemerschap. Wel worden er beheer­afspraken gemaakt. 4. De brede school met een relatief kleine positie van de school ten opzichte van de andere partijen. De school vervult een belangrijk bindmiddel tussen partijen, maar andere partijen zijn absoluut noodzakelijk om tot een kwalitatief hoogwaardige voor­zieningencluster te komen. In de programmering wordt zoveel mogelijk synergie nagestreefd, maar er zullen allerlei andere activiteiten nodig zijn om de cluster te kunnen exploiteren. De onderwijsdoelstellingen zijn minder prominent aanwezig en vormen een onderdeel van andere meer gelijkwaardige doelstellingen als welzijnsprogramma’s, speeltuinprogramma, zorgprogrammering, kinderopvang, BSO en peuterspeelzaal/voorschool. Deze ontwik­ keling zien we vaak in wijken met maar één school, kleinere steden of grote dorpen met kleine scholen die samen gaan werken met andere instellingen. Het gaat om kleinschalige samenwerking van maatschappelijke organisaties in een Welzijnsen Onderwijs Cluster (WOC). De WOZ valt onder type 1. De stichting huurt de accommo­ datie van de corporatie, verhuurt onder aan de vijf aangesloten partijen, en exploiteert het gebouw verder zelfstandig. De stichting kent een eigen begroting en jaarrekening. De locatieleiders van de aangesloten partijen vormen gezamenlijk het management­ team en geven uitvoering aan het gezamenlijke programma en de bijbehorende bedrijfsbegroting met de beheerbegroting, de verhuurbegroting, de programmabegroting en de organisatie­ begroting. Doordat er sprake is van een scherp gedefinieerde kerndoelstelling is het aantal partijen dat gezamenlijk de WOZ vormt, beperkt tot die partijen, die zelf een directe link met die kerndoelstelling hebben. Samenvattend kan gezegd worden dat de WOZ een moderne maatschappelijke onderneming is waar twaalf uur per dag een doorlopend programma voor zoveel mogelijk kinderen tussen nul en twaalf jaar wordt aangeboden. Waar voldoende keuzemogelijkheden voor ouders en kinderen zijn om de meest passende school te kiezen met het best passende programma en optimale ontwikkelingsmogelijkheden voor ieder individu.


Visievorming De basis voor een gemeenschappelijke visie bij een brede school ligt besloten in vertrouwen tussen de partners en de vrijwilligheid onder de samenwerking. Bovendien helpt het als er één kerndoel­ stelling is. Daarmee legitimeer je het aantal en de soort partijen, en mag je verwachten dat ze in staat zijn om een gezamenlijke missie te formuleren. In principe zijn er twee soorten partijen bij het opzetten van een brede school: partijen die ‘ruimteafnemers’ worden en partijen die geen ruimte afnemen maar wel program­ ma leveren. Voor de visievorming zijn de eerste partijen van belang omdat die in principe een contract voor onbepaalde tijd met elkaar afsluiten en een duurzaam inhoudelijk pact met elkaar sluiten. Programmaleveranciers sluiten tijdelijke overeenkomsten af, met als doel om per contractperiode een product te verkopen dat door de huurders als een toegevoegde waarde aan het eigen programma wordt gezien. In de aanloop naar de architectenselectie is door de vijf partijen gewerkt aan een gezamenlijke visie op onderdelen van de programmering. De al benoemde verschillen tussen beide scholen werden verder uitgewerkt, evenals de gezamenlijke missie van alle partijen. Over het gewenste pedagogische klimaat werden afspraken gemaakt. Ook werden er werkgroepen benoemd om deelproducten uit te werken, zoals de inrichting van het schoolplein. Al twee jaar voor de opening werden er gezamenlijke thema­middagen gehouden voor alle toekomstige professionals in de WOZ. Over ouderbetrokkenheid, tussenschoolse opvang, openings­ tijden, inschrijfbeleid, gedragsregels, ruimtegebruik, eigen versus gezamenlijke domeinen werden nadere afspraken gemaakt. Door de goede sfeer in het overleg en de positieve chemie tussen de mensen ging er steeds meer gezamenlijkheid ontstaan. Bij de architectenpresentatie waren de eerder gewenste eigen ingangen al verdwenen ten faveure van een gezamenlijke ingang. Eigen vergaderkamers werden gezamenlijke vergaderkamers. De eigen bibliotheek werd een grote gezamenlijke mediatheek. De eigen ouderkamers werden één grote ouderkamer.

Dit proces nam veel tijd in beslag. Het is meer dan een kruis­jes­lijst waarop wordt afgetekend of je wel of niet een bepaalde dienst of ruimte zelf wilt leveren of gebruiken. Het is een kennis­ making en confrontatie van mensen, professionals, culturen, visies, bestuursstructuren, zeggenschapsstructuren, identiteiten en eigen-­­ wijsheden. Bij dit project ging het daarbij ook nog om een hogere ambitie op het gebied van de toekomstige wijze van samen­ werking tussen de partijen die zoveel mogelijk de bestaande ‘schotten’ zouden moeten laten verdwijnen. Schotten zijn er voldoende bij het tot stand brengen van een brede school, zoals identiteits­schotten; iedere organisatie wil herkenbaar in een brede school zitten; of ruimteschotten: iedere organisatie wil een herken­baar eigen territorium. Bij verhuur loopt een verhuurder hier tegen­aan met de extra complicatie dat er altijd wel sprake is van een gezamenlijk domein waarvoor partijen gezamenlijk huur en beheer­kosten moeten betalen. Vervolgens is er de vraag hoe dat wordt gemeten en afgerekend. Voorts zijn er programmatische schotten: iedere organisatie wil haar eigen programma overeind houden. Het aanstellen van een gezamen­ lijke programmamanager is een must, maar de financiering ervan loopt door alles heen. Maar ook eigendomsschotten: iedere organisatie staat op een eigen manier in de discussie over opdrachtgeverschap, ontwikkelopdracht en toekomstig eigendom van de accommodatie; financiële schotten: iedere organisatie kent een eigen financiering- en exploitatie­methodiek. En beheer­ schotten: ieder organisatie kent een eigen (genormeerde) beheerkwaliteit. De schoonmaakeisen en –budgetten voor een kinderdagverblijf zijn bijvoorbeeld totaal anders dan voor een basisschool. Schotten tussen PvE’s: de veiligheidseisen en de eisen aan materialen zijn bij de parti­ciperende organisaties doorgaans nogal verschillend. Dit levert discussies op over het type verwarming en luchtbehandeling. Managementschotten: naast cultuurverschillen gaat het ook om (genormeerde) verschillen in formatiebezetting. De ene organisatie heeft absoluut geen formatiegeld voor een conciërge terwijl deze bij een andere participant wel een ‘spilfunctie’ vervult. Hetzelfde geldt voor receptiefuncties en allerlei soorten van assistent-functies. Schotten in maaltijdverstrekking: bij een organisatie zit het in de reguliere kosten, bij een andere organisatie moeten kinderen er voor betalen. Schotten tussen gedragsregels en tenslotte schotten tussen bestuursculturen die hun weerslag vinden op de werkvloer. Bij de totstandkoming van de WOZ werd het uitgangspunt steeds meer, ‘zoveel mogelijk gezamenlijk tenzij...’ Een verankering van dit principe op bestuurlijk niveau en op managementniveau (op de werkvloer) is noodzakelijk. Het slechten van de schotten aan het begin van het proces is vooral een kwestie geweest van doorzetten en de overtuiging bij iedereen dat ontschotting synergie oplevert van inhoud, mensen en middelen. Daar zijn partijen voor nodig die zich willen laten overtuigen en open staan voor vernieuwingen.

84 / 85

It’s a kids world >Anne van der Kooi

WOZ besloten om over te gaan tot een aanbesteding. De partij die hieruit als beste naar voren kwam, bleek tevens in het verdere proces de ideale partner bij alle subprocessen ten aanzien van programmering, ruimtegebruik, exploitatie, beheer en collegialiteit. Deze periode van verkenning leidde tot een groep van vijf participanten, met wie de verdere ontwikkeling van visie en ruimtelijk programma van eisen is opgepakt. Het ging om twee scholen met verschillende denominatie, verschillende onderwijsvisies en verschillende accenten wat betreft sport en cultuur. Daarnaast een ondernemer in kinderdagopvang en BSO, een welzijns­organi­ satie voor peuterwerk, schoolmaatschappelijk werk en kinder­werk en een zorgondernemer voor een groep kinderen met een verstandelijke beperking.


Openbaar onderwijs (BOOR) Kath. onderwijs (RVKO)

Bestuur WOZ / huurder

Pameijer

Onderhuurders

Vestia / eigenaar

Charlois Welzijn (CW)

MT WOZ /

KinderServiceHotels (KSH)

Programma-manager

It’s a kids world >Anne van der Kooi

Bedrijfsvoering / beheer

Programmering

Concept versterking

Verhuur aan derden

Bij de WOZ is gekozen voor een combinatie van bestaande structuren die dienstbaar moeten worden aan een nieuwe maat­schappelijke organisatie. Maatschappelijk ondernemerschap moest de prikkel worden om anders met bestaande geldstromen, pro­gramma’s, ruimten en partijen om te gaan. Zo’n benadering begint bij het besef dat je samen meer bent dan de afzonderlijke delen. Om dit duurzaam te verankeren zul je een nieuwe juridische entiteit moeten stichten, vernieuwend moeten denken en over grenzen heen durven te kijken. De aangesloten organisaties deelden die ambitie en konden ieder bij de verschillende proces­stappen aangeven waar hun grenzen lagen bij de invulling van de deelelementen in het project. Daar ligt ook in het proces de kern van de scheiding tussen het bestuursniveau en het uit­ voerende niveau. Deze structuur heeft een aantal bijzondere kenmerken. In de eerste plaats is de woningcorporatie eigenaar van het vastgoed en verhuurt dit aan de stichting WOZ en dus niet aan de afzonderlijke participanten. Daarmee wordt het verschil met een bedrijfsverzamelgebouw al direct zichtbaar. In het bestuur van de stichting is de bestuurlijke top van de aan­ gesloten organisaties vertegenwoordigd die gezamenlijk een collegiaal bestuur vormt. De stemverhouding in het bestuur is ook gelijk­waardig en niet gewogen naar de omvang van het ruimte­ beslag. Er is één vastgelegde missie voor de stichting als geheel. In een governance code is de bestuurlijke integriteit verankerd waarin heel bijzondere bepalingen opgenomen zijn zoals hoe om te gaan met de invulling van vacatures binnen het Management Team. Niet de eigen organisatie waar de vacature ontstaat is allesbepalend voor de opvolging, maar de achterblijvende MT leden hebben een zwaarwegende adviesfunctie gekregen bij het invullen van de vacante plek. Het gezamenlijke deel maakt deel uit van de genormeerde oppervlakten die de afzonderlijke participanten ingebracht hebben. Bij de brede school projecten die Septool begeleidt, wordt dikwijls ingezet op het ontwikkelen van een gezamenlijk domein door het ‘inleveren van eigen vierkante meters’ door de

7

partijen. Doorgaans is dit voor de scholen tussen de 15 en 25% van de eigen genormeerde ruimteclaims. Door deze werkwijze zijn partijen in staat om onafhankelijk van derden (gemeenten, deel­gemeenten, welzijnsinstellingen, etc.) bepaalde ruimten te kunnen realiseren, zoals een aula, theater, keuken, mediatheek, vaklokaal, vergaderruimten, ouderkamer. Uiteraard zal er met de gemeente overleg gevoerd moeten worden naar de maat­ schappelijke meer­­waarde van deze ruimten en kan een bijdrage hiervoor gevraagd worden. De verdeelsleutel voor uitgaven en inkomsten is gebaseerd op de verhouding van de werkelijk afgenomen vier­kante meters. Om te vermijden dat er een probleem ontstaat wanneer één van de partijen niet aan haar betalings­verplichtingen voldoet, is onderling en met Vestia afgesproken dat in dergelijke situaties de partijen die wel aan hun verplichtingen voldoen, gevrijwaard worden van aansprakelijk­ heid. In dat geval draait Vestia dus op voor de huurderving. Om een toekomstige groei van de school op te vangen heeft de corporatie per school twee extra flexibele lokalen gerealiseerd, die voor eigen rekening en risico geëxploiteerd worden totdat ze voor het onderwijs nodig zijn. Daarmee is de vraag ook beant­ woord, hoe gemeente en schoolbesturen elkaars verantwoordelijk­ heden geregeld hebben in relatie tot het huurcontract met Vestia. Er is een huurcontract voor twintig jaar afgesloten waarin de schoolbesturen binnen de WOZ de huurders zijn, maar deze huurcontracten zijn één op één gegarandeerd door de gemeente. De onderhandelingen over de hoogte en de indexering van de huur zijn tussen de corporatie en de gemeentelijke dienst Jeugd, Onderwijs en Samenleving gevoerd. Tussen de stichting en de andere participanten zijn individuele huurcontracten voor bepaalde tijd afgesloten met verschillende (aanvangs)huurprijzen per vierkante meter. Het MT van de WOZ is belast met de dagelijkse uitvoering van alle activiteiten binnen het gebouw. Deze activiteiten hebben in de eerste plaats betrekking op het eigen domein van de locatie­leiders en zij zullen die dus zelf moeten managen. Er is een fors deel van het gebouw bestemd voor gezamenlijk gebruik. Het reguleren van dit gebruik, afstemmen van de programmering, inkoop van programma’s, bedrijfsvoering van het gezamenlijke deel, organiseren van beheer en verhuur aan derden, vereisen een goede samenwerking. Daarnaast is er vanaf de start voor gekozen om te werken aan één gezamenlijke visie voor de WOZ en is er een permanente doorontwikkeling van deze visie met bijbehorende ambities noodzakelijk. Om dit alles waar te maken is er een programmamanager aangesteld die het MT ondersteunt bij de uitvoering van zijn gezamenlijke taken. Het MT vormt in wezen de kern van de maatschappelijke onderneming. Zij moeten voor het gezamenlijke deel van de accommodatie zorgen voor een adequate bedrijfsvoering, kostenbewust opereren en optimalisatie van de opbrengsten tot

86 / 87

Hoofdstructuur


Ruimte volgt inhoud-visie-ambitie. Bij veel brede school ontwikkelingen is de architectenkeuze één van de eerste processtappen. Stop hier mee is het dringende advies. Er zijn twee belangrijke redenen waarom de architect gedurende de allereerste fase van het proces niet in beeld zou moeten komen. Allereerst is de architectenselectie onderhevig aan Europese aanbestedingsregels. Met andere woorden, de adviesrol van architecten tijdens het prille ontwikkelproces betekent in de praktijk vaak, dat zodra het inhoudelijke en ruimtelijke concept gereed is, de architectenselectie pas echt begint en de advi­ serende architect alleen maar kan hopen dat hij als winnaar uit de selectie stapt. Ten tweede duurt het ontwerpproces nodeloos lang als de architect meeloopt met de inhoudelijke visievorming van de gebruikers van het gebouw. Een architect wil een duidelijk geformuleerde opdracht, gebaseerd op wensen en visie van de toekomstige gebruikers, gedocumenteerd door een visiedocument en een hierop gebaseerd ruimtelijk programma van eisen van het gebouw. Helder geformuleerde stedenbouwkundige uitgangspunten en inzicht in het beschikbare budget. Goed opdrachtgeverschap voor een architect begint bij deze goed uitgewerkte documenten. De ervaring bij de WOZ was voor velen een eye opener. Bij de architectenselectie waren de gebruikers ruim vertegenwoordigd en er was geen stemmenverhouding afgesproken bij de selectie van de architect. Gekozen werd voor een gelijkwaardige positie van alle betrokkenen en de afspraak, dat het resultaat een stevig commitment voor alle partijen op moest gaan leveren. Toekomstige gebruikers, Vestia/Estrade en gemeente konden archi­tecten voor-­ stellen. Aan vijf architecten is vervolgens gevraagd om op basis van het visiedocument en eerste ruimtelijke PvE een visie op de opgave te presenteren. Door een van de schooldirecteuren is N2 Architekten aangedragen. In eerste instantie was er bij ont­wikkelaar en procesmanager aarzeling om dit bureau voor deze opgave te vragen vanwege de relatief kleine omvang van het bureau. Uiteindelijk bleek dat N2 Architekten de opgave het best had begrepen en aangevoeld. Het bureau presenteerde een plan dat door de gebruikers herkend werd als ‘dit wordt onze nieuwe brede school’. De gebruikers waren unaniem en Vestia en de proces­­manager konden zich hier volledig in vinden. Doordat gebruikers naar elkaar toegegroeid waren en duidelijk over hun visie waren, ging het traject van voorlopig naar definitief ontwerp ook snel. Drie maanden na de opdrachtverstrekking werd het

eerste ontwerp gepresenteerd. Eigenheid en gezamenlijkheid waren hierin heel herkenbaar en dit ontwerp werd direct omarmd door de ge­bruikers. Op een muur na is dit schetsontwerp ook het definitief ontwerp voor het gebouw geworden, waarmee veel tijd werd bespaard in de totale ontwerpfase, maar vooral werd veel frustratie bij architect, opdrachtgever en gebruikers bespaard. Iedereen was vanaf het begin trots op het ontwerp voor de brede school. Kritische momenten Het ontwikkelen van een brede school is een interactief proces. Iedere fase wordt gekenmerkt door een verdere versterking van het gezamenlijke commitment terwijl tegelijkertijd in iedere fase moet worden afgerekend met het hardnekkiger worden van de weerstand van diegenen die ‘tegen’ zijn. Die weerstand zit vooral in de overgang van voorlopige naar definitieve keuzes. De partners kunnen in eerste instantie nog redelijk vrijblijvend ‘filoso­feren’ over de samenwerking, maar op een gegeven ogenblik moeten intenties worden omgezet in juridische samenwerkings­ verbanden en contracten. Van belang is om naast de stress die dat geeft, de mijlpalen te markeren en te vieren. Het creëert een toenemend saamhorigheidsgevoel bij alle belanghebbenden dat de point of no return bereikt is op momenten dat er ingewikkelde knopen doorgehakt zijn. Bij de WOZ waren die momenten: het tekenen van de intentie­verklaring na vaststelling van het visiedocument en ruimtelijke kader; de architectenselectie; het naamgevingtraject; het plaatsen van een groot bord op de ontwikkellocatie waarop de aankondiging van de bouw van de WOZ; de definitieve overeen­ komst tussen gemeente en corporatie over grondkosten, subsidie en investeringsbudget/huurprijzen; het tekenen van de stichtings­ akte en het tekenen van de huurcontracten; de opdracht aan de aannemer; de eerste paal of eerste steen; de oplevering en tenslotte de officiële opening. Verder is het van belang om op een gepaste wijze de publi­citeit te zoeken. Dat is vooral een strategisch proces. Het zorgt voor vergroting van het draagvlak en mag nooit gaan om ‘privé‘ publiciteit van een van de organisaties. Van belang is om in het totale budget een stevige post voor pr en communicatie op te nemen omdat dit zich uiteindelijk terugbetaalt. Het genereert geld uit financieringsbronnen die vooral gericht zijn op kansrijke projecten. Daarvoor is het nodig dat een project goed op de kaart gezet wordt. Het naamgevingtraject onder begeleiding van communicatiebureau Boom en van Mourik is voor de WOZ van groot belang geweest. Het verbindt de partners door overeen­ stemming op een nieuwe identiteit te ontwikkelen. Dit wordt versterkt wanneer het traject vergezeld gaat van een kernwaarden discussie; wat zijn de gezamenlijke kernwaarden voor de partners in de maatschappelijke onderneming. Door deze thema’s zo

88 / 89

It’s a kids world >Anne van der Kooi

stand brengen. Bij dit laatste is te denken aan de verhuur van gebouwdelen buiten schooltijden. Het maatschappelijk onder­ nemen geeft de prikkel, dat extra opbrengsten uit optimalisatie van de gebouwexploitatie direct ten goede komt aan de participanten waardoor er een grotere beheerkwaliteit of een hogere kwaliteit van programmering mogelijk wordt.


opvangen van pieken en dalen in de leerlingenaanwas. Leeg­ stand ver voor het verstrijken van de beoogde exploitatietermijn is dan vaak het gevolg. Dit kost de overheid veel geld. De discussie over het bouwen voor de VNG norm is ook een legitimatie voor gemeentelijke overheden om bestaande rolverdeling rond de ontwikkeling van maatschappelijk vastgoed te handhaven. Gemeentelijke diensten zijn van oudsher gewend om de regie te voeren bij de ontwikkeling van onderwijsgebouwen. Door de sterke positie van corporaties en de belangen die corporaties hebben bij sterke maatschappelijke voorzieningen in wijken waar ze tientallen miljoenen investeren, is er een spanningsveld ontstaan tussen diverse belangen. Hier spelen zeker ook factoren als ‘macht’ en ‘zeggenschap’ een rol. Het lijkt op de situatie die zich in de volks­huisvesting heeft afgespeeld waar jarenlang sprake was van een spanningsveld tussen beleidsmakers en uitvoerders rond de woning­bouwproductie met een ‘norm’ als inzet. Inmiddels zijn de diensten Volkshuisvesting tot een minimum gereduceerd en zijn alle gemeentelijke woningbedrijven opgeheven. Nu er steeds meer scholen door corporaties en beleggers worden gebouwd, is het ver­standig een vergelijkend onderzoek uit te voeren naar ‘het investerings- en exploitatievraagstuk’ in onderwijsland. Binnen de Europese regelgeving is het denkbaar, dat gemeen­ten op termijn in een veel eerder stadium van het proces moeten aanbesteden. Nu is er doorgaans sprake van een gegund opdrachtgeverschap tussen gemeente en een specifieke corporatie voor een specifieke maatschappelijk vastgoedopgave. De vraag is of dit zo kan of dat een gemeente zelf de randvoorwaarden voor een maatschappelijk vastgoedopgave moet formuleren, inclusief inhoudelijke, ruimtelijke en budgettaire kaders, wellicht aangevuld met alle facilitaire en beheerfuncties na oplevering. Er zou een Europese aanbesteding moeten volgen waar cor­po­­raties, beleggers en eventueel andere partijen op in zouden kunnen schrijven. Het gaat om zogenaamde Design Build Finance and Maintain contracten (DFBM-formule). Een dergelijke beweging is nu al zichtbaar bij bepaalde gemeenten. Er zit een zeker voor­deel aan dat partijen aan de voorkant van het proces een duidelijke rolverdeling met bijbehorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden afspreken. En dat niet alleen in het proces van visievorming en financiering, maar ook op het gebied van beheer en exploitatie. Op die manier kunnen efficiency voordelen bereikt worden door bijvoorbeeld meer te investeren in het gebouw met als doel dit via rendement op beheer en exploitatie op de langere termijn terug te kunnen verdienen. Voorbeelden hiervan zijn energie- en schoonmaak­beheer. Maar dit zou ook het geval kunnen zijn op het gebied van de programmering. Overigens zitten er in de praktijk nog steeds heel veel haken en ogen aan dergelijke aanbestedings­vormen; geringe flexibiliteit om tot een goede opdracht te komen, bureaucratische rompslomp in een toch al taai proces, kortom heel veel extra tijd. Een dergelijke

90 / 91

It’s a kids world >Anne van der Kooi

centraal te stellen is het mogelijk om met alle partijen een thema­week af te spreken rond een van die kernwaarden. Dit schept verbondenheid tussen de kinderen van de verschillende organi­ saties waardoor verschillen worden overbrugd tussen kinderen met en zonder beperkingen, tussen verschillende etniciteiten en religies. Bij de vorming van brede scholen speelt de vraag naar identiteit en eigenheid een belangrijke rol. Bij de WOZ heeft dit ook gespeeld. Terugkijkend is te zien dat er vanaf het moment dat de toekomstige gebruikers bekend waren, vooral een focus is geweest op de gezamenlijke uitstraling van de WOZ. Wellicht speelt mee dat de twee basisscholen al een duidelijk eigen profiel hadden: Een openbare school met klassikaal onderwijs en een katholieke school met Daltononderwijs. De eigen identiteit kon daardoor herkenbaar gehandhaafd blijven naast het toegroeien naar een nieuwe gezamenlijke identiteit. De WOZ heeft een visuele identiteit gekregen in de vorm van een overkoepelend logo en daarbij behorende visuele symbolen. Dit traject heeft sterk bij­gedragen aan het toegroeien naar gezamenlijkheid. Het proces is gestart met de visie, het gebouw is daar een heel goede vertaling van en vervolgens worden visie en gebouw communi­ cerende vaten: Inhoudelijke visie en het ontwerp werden de basis waarop vervolgens ingezet is. Van de eerder genoemde markeringsmomenten is vooral de overeenkomst tussen gemeente en corporatie over de grond­exploitatie, de huurprijzen voor het onderwijsgedeelte en de subsidie op het project als geheel het meest spannende onderdeel geweest bij de WOZ. En zoals uit ervaring van Septool blijkt, is dit het geval bij de meeste maatschappelijk vastgoed­ projecten die door een corporatie worden gerealiseerd. Het is de vraag in welke fase van het proces dergelijke afspraken het beste gemaakt kunnen worden. Als de start van een dergelijk project direct al belast wordt met de oplossing van dit vraagstuk, zal menig brede school project niet doorgaan en was de WOZ er ook niet gekomen. Maar het te laat oplossen van dit procesonderdeel kan er ook toe leiden, dat een proces voortijdig strandt. De kern van het knelpunt is het geconserveerde misverstand, dat de meeste gemeenten er vanuit gaan dat er tegen de VNG norm voor primair onderwijs gebouwd zou moeten worden. Het betreft hier een ondergrens en geen bovengrens. Gelukkig heeft de gemeente Rotterdam daar inmiddels een genuanceerder beeld van. De VNG norm is gebaseerd op de begrippen ‘sober en doelmatig’ bij een traditioneel schoolgebouw. De ambitie van de meeste brede scholen reikt veel verder. Het moet een bruisend middelpunt in de wijk zijn, een landmark waar ouders en kinderen trots op zijn qua uitstraling en programmering. Dat verhoogt de duurzaamheid en betekent in de praktijk dat er aan de ‘voorkant’ geïnvesteerd wordt ter verhoging van flexibiliteit en multifunctionele bruikbaarheid. Veel unifunctionele schoolgebouwen hebben last van demografische bewegingen en hebben geen antwoord op het


Conclusie Het proces bij de WOZ is uiterst gecompliceerd gebleken. In het begin van dit artikel werd de vraag gesteld, of dit een autonoom proces zou kunnen zijn of dat er allerlei kunstgrepen zijn toegepast waardoor het uiteindelijk is gelukt om deze bijzondere voorziening te realiseren. De conclusie dat het gewoon een kwestie van door­zetten is en dat het er dan vanzelf wel een keer komt, is wat dat betreft niet voldoende. Dit soort processen kunnen namelijk ook stranden, hoewel de maatschappelijke importantie onomstotelijk vast staat. Het succes van de WOZ, als een integrale voorziening voor alle kinderen tot de middelbare schoolleeftijd met door­ gaande verticale en horizontale leerlijnen, in een fantastisch geïntegreerd gebouw, mag geen incidenteel succes worden. De vraag is dan ook, hoe we dit concept kunnen verduurzamen in die zin, dat het gaat wortelen in de bestaande scholenbouwen onderwijspraktijk en dus ook politiek verankerd gaat worden. Het opzetten van een goede monitor kan hierbij ondersteunend werken. Modern maatschappelijk vastgoed kan niet volgens oude proces- en financieringssjablonen worden gerealiseerd. Er zullen nieuwe organisaties en nieuwe gebouwen moeten komen om maatschappelijke en politieke ambities op het gebied van onder­wijs waar te maken. In dit artikel is de casus ‘de brede school Wereld op Zuid’ als een Maatschappelijke Onderneming voor Kindereducatie (MOK) beschreven. Dit is een krachttoer van zeven jaar gebleken. Dat moet sneller kunnen en daarvoor zijn er positieve prikkels van de overheid nodig om partijen te faciliteren. Vanuit onze brede praktijkervaring hebben wij een aanpak beschreven die van een MOK een KIT moet maken; een Kinder­ educatie Instelling met Toelating. Een geïnte­greerd kindcentrum, dat onder een eigen regiem gerealiseerd kan worden en de beleidskaders van de overheid weet te realiseren. Vanuit die doelstelling zou de WOZ een ‘toelating’ moeten kunnen krijgen, met een integrale financiering. Het idee van de KIT past moeite­ loos naast de bestaande regelgeving voor scholen­bouw. Voor zowel de gemeente Rotterdam als de stichting zal er de komende jaren een doorontwikkeling noodzakelijk zijn om de waarde van de WOZ te verzilveren. Voor het realiseren van brede scholen in Rotterdam zal de gemeente tijdelijke subsidieregelingen voor samenhangende dagprogramma’s van kinderen om moeten zetten in structurele financieringen. De stichting de Wereld op Zuid zal werk moeten maken van maatschappelijk ondernemen: Hoe kan

dit gebouw zo geëxploiteerd worden dat er maatschappelijk rendement te behalen valt dat terug kan vloeien naar de kern­doelstelling van de voorziening zelf: de brede ontwikkeling van zoveel mogelijk kinderen in Zuidwijk.

92 / 93

It’s a kids world >Anne van der Kooi

aanbestedings­vorm betekent dus niet bij voorbaat een zegening. Ook is er vaak weinig ruimte voor kleine nieuw startende bedrijven om aan de bak te komen. Binnen een strikt Europees aan­be­ steding­straject volgens de DFBM-formule was de WOZ vermoedelijk niet onder zo’n goed gesternte met zo’n goed architectenbureau tot stand gekomen.


94 / 95

En nu verder! Gesprek met Jaap Koole Philip Kuypers

De Wereld op Zuid is geopend en in bedrijf. De mannen en vrouwen die meer dan zeven jaar lang hard hebben gewerkt om deze bijzondere brede school in Rotterdam-Zuid tot stand te brengen, stralen trots en tevredenheid uit. Na de zomervakantie van 2009 zal het laatste bouwstof opgeveegd zijn. Het was niet makkelijk om zo ver te komen, en er zal de komende jaren nog veel moeten gebeuren om alle ambities waar te maken. Maar iedereen is het er over eens: hier is iets bijzonders neergezet. ‘De mooiste brede school van Nederland’, noemde minister Eberhard van der Laan de Wereld op Zuid. De minister van Wonen, Wijken en Integratie bezocht Zuidwijk in juni van dit jaar. Dit Rotterdamse wijkje met jaren zestig-flats ligt ingeklemd tussen de ringweg en het Zuiderpark. Het behoort tot een van de veertig kwetsbare wijken waar het kabinet extra aandacht aan geeft. Ondanks de ruime, brede straten en het vele groen zuchtte de wijk de afgelopen jaren onder een te eenzijdig aanbod van goedkope huurwoningen met armoede, werkloosheid, veel schooluitval en gevoelens van onveiligheid. Maar daar wordt aan gewerkt. Gemeente, overheid en woning­ corporatie Vestia (die in deze wijk alle huurwoningen bezit) investeren miljoenen om de wijk weer toekomstwaarde te geven. Jaap Koole, directeur van Vestia Rotterdam Zuid, geeft hier mede leiding aan. ‘Zo’n compliment van de minister is mooi,’ zegt hij, ‘maar ik was eerlijk gezegd nog meer onder de indruk toen een van de moeders me vertelde dat ze door de Wereld op Zuid eindelijk weer trots op haar wijk kan zijn. Dat is precies het effect dat we willen bereiken.’ Vestia heeft twee doelstellingen in Zuidwijk: in de eerste plaats het behouden en aantrekken van mensen met middeninkomens door de woningen en het voorzieningenniveau te verbeteren. Daarnaast om kinderen in deze wijk maximale ontplooiingskansen te bieden. ‘De Wereld op Zuid past perfect bij die twee doelstellingen,’ zegt Jaap Koole. ‘Mijn ideaal is dat over een paar jaar veel meer kinderen uit de buurt goed terecht komen, dat er minder school­uitval is, meer wordt gesport, en dat de ouders meer betrokken zijn. Ik zou willen dat de school elke avond bezet is met allerlei sport- en buurtactiviteiten, taallessen en cursussen. De Wereld op Zuid moet een springplank zijn voor de jeugd in Zuidwijk.’ Om dat ideaal te bereiken nam Karin Schrederhof, de voor­ganger van Jaap Koole bij Vestia, samen met de huidige wet­houder Werk, Sociale zaken en Grote Steden Beleid Dominic Schrijer rond 2001 het initiatief om vijf lokale kinderorganisaties bijeen te brengen: de basis­scholen de Toermalijn en Christophoor, Charlois Welzijn, kinderdag­verblijf KSH en Pameijer voor kinderen met een verstandelijke beperking. Van meet af aan was het de bedoeling de Wereld op Zuid méér te laten zijn dan een bedrijfs­ verzamelgebouw. Daarom heeft Vestia actief meegewerkt aan de totstandkoming van een pedagogisch concept dat de vijf


om dat we de kinderen en de buurt iets extra’s bieden, meer dan op een gewone basisschool. Dat ze langer op de school kunnen vertoeven voor bijvoorbeeld extra sport, meer muziek, langer lezen, noem maar op. De Wereld op Zuid is niet bedoeld als bedrijfsverzamelgebouw, waar ieder zijn eigen ding doet. Wij hebben er enorm veel belang bij, dat juist die meer­waarde zich goed ontwikkelt.’ In het kader van het Pact op Zuid, het grootschalige inves­teringsprogramma om Rotterdam bezuiden de Maas uit het slop te trekken, hebben alle woningcorporaties die in het gebied actief zijn op zich genomen om een brede school te realiseren. Vestia is wat dat betreft de eerste. Koole: ‘Voor Rotterdam-Zuid hebben we op dit moment geen nieuwe plannen, maar de ervaring die we hier hebben opgedaan, komt elders goed van pas. Bijvoor­ beeld bij de enorme ‘Medimall’ die we nu realiseren naast het in aan­bouw zijnde Maasstadziekenhuis bij station Lombardijen. Daar zullen vanaf 2011 allerlei zorgondernemingen samen een plek vinden: niet alleen een huisartsenpost of een kraamzorghotel, maar ook prothesemakers, tandartsen, masseurs: noem maar op. Ook daar willen we dat het geheel meer wordt dan de som der delen, en ook daar is lang geworsteld om tot een gezamenlijke visie komen. Wij pretenderen eigenlijk met dit soort initiatieven, dat we de versnippering in het onderwijs en de zorg kunnen terug­dringen, zodat de mens waar het uiteindelijk allemaal om gaat, weer als één geheel gezien wordt.’ En wat is nu het belangrijkste advies dat Vestia wil meegeven aan iedereen die plannen heeft voor een brede school? Koole: ‘Toon lef! Neem zelf het voortouw. Wees voortrekker tegen de verdrukking in en wees bereid om geld op tafel te leggen, zelfs als nog niet alle onzekerheden van tafel zijn. Alleen dan lukt het.’

96 / 97

en nu verder! >Philip Kuypers

organisaties samenbindt. De kinderen worden met één samenhangende pedagogische visie tegemoet getreden, of ze nu op school zitten, de naschool bezoeken, aan het sporten zijn of bijles krijgen. Koole: ‘Ondanks alle goede intenties was het een hele klus om die samenwerking tot stand te brengen. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan. Als woningcorporatie is het voor ons relatief eenvoudig een gebouw te laten ontwerpen en bouwen. Maar het gaat juist om de rest: hoe kom je tot een gezamenlijk peda-­­ gogisch concept? Welke afspraken maak je voor het gebruik en beheer van de ruimte? Hoe houd je de geldstromen beheersbaar? Hoe omzeil je de bureaucratische klippen? Want al vind je de politici aan je zijde, het is bepaald niet eenvoudig de ambtelijke diensten te overtuigen dat ze het anders moeten doen dan ze altijd gewend waren. Kortom, het is voor alle partijen een enorm leerproces geweest. Daarom ben ik ook zo blij met dit boek. Ik hoop echt dat het een leerboek wordt voor iedereen die in Nederland met brede scholen te maken krijgt. Laten we niet telkens opnieuw het wiel uitvinden!’ Nu de Wereld op Zuid geopend is, beperkt de rol van Vestia zich in principe tot de exploitatie en het beheer van het gebouw. De woningcorporatie investeerde zo’n zestien miljoen euro in de Wereld op Zuid en verwacht een fors exploitatietekort. Tegenover dit exploitatietekort staat een maatschappelijk ren­de­ment. Koole: ‘alleen al door de extra kansen die je de kinderen biedt met de sportfaciliteiten, de mediatheek, en de coherente pedagogische aanpak, is het wat ons betreft de moeite waard. Maar je kunt het ook anders bekijken: als wij door een fantas­ tische brede school mensen met middeninkomens verleiden om in de buurt te blijven of hier naar toe te trekken, kan de wijk beter functioneren omdat er voldoende inkomen is om de winkels en voorzieningen op peil te houden. En daardoor wordt ook ons woning­bezit in de wijk uiteindelijk meer waard. De Wereld op Zuid is dus voor ons in alle opzichten een gezonde investering.’ Daar zijn niet eens aanpassingen in de eigen organisatie voor nodig, want Vestia verwacht dat haar medewerkers zonder veel problemen het beheer en onderhoud van het nieuwe school­ gebouw op zich kunnen nemen. Wel zorgt Vestia ervoor, dat er nog een extra jaar een soort liason officer kan blijven werken op de Wereld op Zuid. Een medewerker die de contacten tussen de vijf partners stimuleert en helpt om de meerwaarde die een brede school kan bieden, handen en voeten te geven. Zo is de school bijvoorbeeld open van zeven tot zeven. Maar de basisscholen kunnen de daarvoor benodigde mankracht niet zonder meer uit hun eigen formatie halen. Daar moeten dus hele goede afspraken over gemaakt worden. Ook het dagelijks gebruik en de verdeling van de gezamenlijke ruimtes is in de praktijk best lastig te regelen. De liason officer moet er voor zorgen dat dit soepel verloopt. Koole: ‘Dat moet echt nog krachtiger aangepakt worden. Het gaat ons er


Harm Weggemans is directeur van de openbare basisschool de Toermalijn. De Toermalijn is een openbare basisschool en één van de twee basisscholen in de Wereld op Zuid. Naast deze locatie in de Wereld op Zuid is er nog een vestiging aan het Hijkerveld in Zuidwijk. Elke vestiging wordt geleid door een adjunct-directeur. Beide locaties werken nauw samen met de peuterspeelzalen van Charlois Welzijn. Op de Toermalijn in de Wereld op Zuid zitten momenteel circa 125 leerlingen.

Harm Weggemans: ‘De Toermalijn is een openbare brede school en onderdeel van het Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam. “Openbaar” houdt in dat ouders ongeacht hun godsdienst of levens­beschouwing hun kind op onze school kunnen inschrijven. Het woordje “brede” geeft aan dat de Toermalijn naast het dagelijkse lesprogramma extra activiteiten aanbiedt om kinderen met hun ouders de kans te geven zich verder te ontwikkelen.’ Kunt u de eigen identiteit van de Toermalijn benoemen? HW: ‘De schoolregels van de Toermalijn zijn gebaseerd op de waarden en normen die wij belangrijk vinden: respect, openheid, betrouwbaarheid, veiligheid, orde en regelmaat. Het ontwikkelen van een positieve sociale houding tegenover elkaar en het leren van goede omgangsvormen vinden wij belangrijk. Elke dag wordt er gewerkt aan een sfeer waarin de kinderen zich prettig en veilig kunnen voelen. Leerkrachten en directie zijn makkelijk aanspreek­ baar, zij onderhouden een open relatie met de ouders en de omgeving. Uiteindelijk is ons doel om in een positieve peda­ gogische sfeer met gedegen onderwijs voor elk kind een brede basis te leggen voor het voortgezet onderwijs dat bij het kind past. Door hoge verwachtingen te stellen, willen wij de kinderen stimuleren goede prestaties te leveren en zich zoveel mogelijk te ontplooien. De meeste ouders kiezen bewust voor de Toermalijn, omdat de school veel veiligheid biedt aan de kinderen. We werken vanuit een degelijke structuur met veel rust en regelmaat. We hebben geen wachtlijst of stop, maar proberen door extra facil­iteiten en nieuwe formaties, de klassen klein te houden. We vragen hier ook geen extra ouderbijdrage voor. Centraal in ons onderwijs staan de kernvakken taal en rekenen, er wordt veel tijd aan deze vakken besteed. Voor ons staat de taalontwikkeling voorop: spreken, luisteren, lezen, schrijven en spellen krijgen veel aan­dacht. Taal is uiteindelijk de basis van al het leren en alle commu­ni­catie die in een mensenleven van belang is. Verder wordt veel aan­dacht besteed aan sport, dans en beweging. Hierdoor wordt de motoriek van de kinderen op een juiste manier gevormd. Daar­ naast levert het een grote bijdrage aan de sociale vorming van de kinderen en worden zij zich op een andere wijze bewust van hun eigen vaardigheden en die van anderen. Wij hebben specifiek

98 / 99

Dialoog met de participanten: de Toermalijn, Christophoor, Kinder Service Hotels, Pameijer en Charlois Welzijn Eleonoor Jap Sam


Wat is de reden dat de Toermalijn in dit project, de Wereld op Zuid is, gestapt? Wat is de meerwaarde die de school verwacht? HW: ‘De Wereld op Zuid, daar sta ik positief tegenover. Ik vind samenwerken een goed idee. Mensen kunnen veel van elkaar leren en gebruik maken van elkaars faciliteiten. Dat is natuurlijk een ideaalbeeld, in de praktijk heeft het heel wat voeten in de aarde om het ideaalbeeld daadwerkelijk te realiseren. De brede school activiteiten kunnen al vrij snel zo geregeld worden dat beide basisscholen kunnen meedoen in gezamenlijkheid. Verder is het belangrijk om veel met elkaar te praten, naar elkaar te luisteren, proberen het goede te behouden en van onze fouten te leren; we komen er wel. Maar ja, er zit toch wel een zekere vorm van angst bij, als je in de praktijk daadwerkelijk naast elkaar gaat werken in hetzelfde gebouw. Je moet opletten dat dingen elkaar niet gaan tegen werken. Ik besef dat als je eenmaal bij elkaar zit, en je allemaal bezig bent met je eigen onderwijs­ programma en activiteiten, je de collectieve aspecten snel uit het oog verliest. We zijn gewoonweg nog teveel met de eigen organisatie bezig. Aan de ene kant wil ik me aan ‘mijn’ vertrouw­ de schoolbeeld vast­houden: aan de rust en de regel­maat. Maar door de samen­werking, en omdat je de ander ook in je huis brengt, is het niet meer specifiek jouw ‘orde’. Het is lastig om je eigen waarden en normen te bewaken en vast te houden. De rust is soms alleen al lastig te realiseren, door de hoeveelheid mensen die nu samen zijn gebracht in één gebouw. Dat is zeker wennen. De schoolpopulatie van de Toermalijn is gebaat met werken vanuit een structureel opgebouwde veiligheid. Kinderen moeten zich binnen de school lekker voelen, maar door de groei en het samen­gaan, komt die veiligheid soms in gedrang. Kinderen moeten bijvoorbeeld wennen aan wisselende leerkrachten voor een activiteit. Of ze worden in de war gebracht door alle externe prikkels, het extra aanbod. WeerSamenNaarSchool, betekent dat we veel kinderen opnemen, ook al hebben ze niet alle leer­

vermogens. Voor ons en de kinderen is het bij de gezamenlijke activiteiten zoeken naar de eigen balans, naar het evenwicht tussen wat je voor jezelf zeker wilt bewaren en wat je los kunt laten. En dat is soms lastig.’ U was eerder betrokken bij de bouw van een nieuwe school. Zijn er opvallende verschillen in het proces? HW: ‘Toen ik destijds betrokken was, hadden we geen keus van architect. Mijn ervaring was dat er ook niet persoonlijk met de architect gesproken werd. Er werden wensen geïnventariseerd, maar we hadden geen zicht op welke wensen ook daadwerkelijk gehonoreerd zouden worden. Bij de Wereld op Zuid is er nu wel inspraak geweest, ook bij de keuze van de architect. We mochten alle presentaties zien en meepraten over de keuze. Daarna is er heel veel persoonlijk contact geweest met de architect, die geluisterd heeft naar de wensen voor het eigen domein. De architect heeft deze wensen vertaald. Als leek weet je soms niet hoe het in de praktijk gerealiseerd wordt, en hoe het gebouw het specifiek in zich gaat dragen. Tot op heden hebben we nog steeds contact met de architect. Je voelt je hierdoor heel betrokken bij het gebouw. Voor ons deel in het gebouw hebben we vooral geprobeerd binnen de lokalen zoveel mogelijk ruimte te bieden om ook alles te kunnen uitvoeren in het lokaal. Het doel is dat de leerkracht en de kinderen zoveel mogelijk bij elkaar in de groep en in het lokaal kunnen blijven. En dat de leerkracht dus ook de spil kan blijven, dat de kinderen niet door het gebouw van de ene naar de andere persoon hoeven te gaan.’ Hoe staan de leerkrachten nu, na enkele maanden in het nieuwe gebouw, tegenover het project? HW: ‘Over het algemeen, positief. Wel is het voor de meeste leer­krachten wennen, het is anders, het voelt anders. Je levert hoe dan ook een stukje eigenheid in en dat ervaart een deel van het team als een nadeel. Aan de andere kant, het houdt ons ook scherp, er wordt meer gelet op hoe de ander iets doet, en dat wordt weer als een voordeel ervaren. Hoe dan ook, we leren van elkaar: samenwerken, samen leren, samenleven.’

100 / 101

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

gekozen voor het profiel sport, dans en beweging. “Niet apart, maar samen” is een bewuste keuze binnen het openbaar onderwijs. Dit alles onder de naam van de Toermalijn, een veel­kleurige edelsteen waarnaar onze school is vernoemd. Aan de edelsteen worden veel positieve krachten toegeschreven en dit proberen wij ook in ons onderwijs te laten zien. De Toermalijn heeft een ouderraad en een medezeggen­ schapraad. Beiden zijn zeer actief in de school, maar het blijft lastig om ook de andere ouders te betrekken bij het dagelijkse onderwijs. De laatste jaren is geprobeerd om dit interactiever aan te pakken. En dat oogstte zeker succes, maar jammer is dat nu we onderdeel zijn van de Wereld op Zuid, een aantal ouders zich laat afschrikken door de grootte van het gebouw. Dat merk je ook aan de betrokkenheid van de ouders. Veiligheid versus gezamen­ lijk­heid. Dat is een constatering, waar we iets mee moeten doen.’


Wat bepaalt de identiteit van basisschool de Christophoor? Peter van Bergen: ‘Wij werken vanuit de christelijke traditie en vieren de christelijke feesten. Daarbij gebruiken wij projecten uit de methode “Hemel & Aarde”. Iedereen is van harte welkom en we verwachten van ouders die voor onze school kiezen, dat hun kinderen aan onze levensbeschouwelijke activiteiten meedoen. Sinds maart 2007 is onze school daarnaast een officieel gecer­tificeerde Daltonschool. Dat wil zeggen dat wij volgens de Dalton­principes werken. Daltononderwijs sluit goed aan bij de eisen en verwachtingen die de huidige maatschappij stelt. Het helpt kinderen bij hun ontwikkeling tot verantwoordelijke burgers in een democratische samenleving. Daarin zijn drie uitgangspunten belangrijk: eigen verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samen­werking. Het Daltononderwijs kent een lange traditie, maar vooral de laatste jaren is dit concept sterk in opmars. Kenmerkend voor dit onderwijs is dat het zich steeds aanpast aan de veranderende eisen en verwachtingen van de samenleving. De principes blijven overeind, maar hebben door de jaren heen andere accenten gekregen. Onze leerlingen werken iedere dag zelfstandig een bepaalde tijd aan hun Daltonweektaak. Zo’n weektaak bestaat uit onderdelen van allerlei vakgebieden zoals: taal, lezen, rekenen/ wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis en biologie. Ook creatieve vakken en techniek zitten soms in de weektaak. De weektaak bestaat uit basisstof en verrijkingsstof voor de snellere leerlingen. Daarnaast staan op de weektaak ook altijd opdrachten met de computer en keuzewerk. Een onderdeel van de weektaak is het reflecteren op het eigen werk door het kind en de leerkracht. Het kind krijgt hierdoor inzicht in de eigen vaardig­heden en ontwikkeling. Ook zijn we een lekker fitschool en geven extra aandacht aan kunst en cultuur binnen onze dagarrange­menten. Onze school is een culturele basisschool. Wij bieden de kinderen naast de reguliere creatieve vakken extra kunstzinnige activiteiten. Dit doen wij onder andere binnen het dagarrange­ment door samen te werken met de Stichting Kunstzinnige Vormgeving Rotterdam (SKVR) en het Regiepunt – uitvoerders van onderwijs­ innovatie. De kinderen zijn zes uur in de week langer op school en krijgen onder schooltijd lessen van een vakdocent. Dit kunnen lessen in bijvoorbeeld dans, theater, schilderen, audio­visuele vorming en muziek zijn. Er is op school een interne cultuur coördinator (ICC-er) die per schooljaar twee grote projecten organiseert en daarbij de stedelijke culturele instellingen betrekt. Wij beschikken over een ouderconsulent. Deze wordt vanuit de

gemeente Rotterdam gesubsidieerd en betrekt de ouders bij het leerproces van de kinderen. Bijvoorbeeld door ouders van kleuters te wijzen op extra taalstimulering, of door ouders van groep 3 te stimuleren om extra voor te lezen, een extra ondersteuning bij het opvoeden en de ontwikkeling van het kind. De ouderraad fungeert als klankbord en verleent hand- en spandiensten, zoals het uit­zoeken van de schoolfotograaf, helpen bij activiteiten en nog vele andere zaken. De ouderraad is een heel gemêleerd gezelschap van ouders uit verschillende culturen.’ Wat is de meerwaarde die u van de Wereld op Zuid verwacht? PvB: ‘De Christophoor is sterk betrokken bij de buurt en bij de wijk. Vanaf de eerste plannen voor een nieuwe brede school in Zuid­wijk, hebben wij het idee toegejuicht. Niet alleen vanwege de kans om een nieuw gebouw in te richten dat veel meer past bij de onderwijskundige visie van het Daltononderwijs, maar vooral ook omdat het belang wordt ingezien van een nauwere samen­ werking met andere organisaties in de wijk. Die samenwerking zal de sociale samenhang binnen de wijk versterken. Er wordt gewerkt vanuit dezelfde pedagogische visie met de methode Leefstijl. Leefstijl voor Jongeren is een programma en lesmethode voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en biedt ook programma’s voor de vrije tijd. Het leren van sociaal emotionele vaardigheden is belangrijk voor opvoeding en vorming. Dat heeft zijn uitstraling naar de wijk binnen de samenwerkingsverbanden die daar bestaan. Hiermee draagt de Wereld op Zuid bij in het formuleren van de pedagogische wijkvisie en de initiatieven die daaruit voortvloeien. Zo kun je zorgkinderen door een gezamenlijk sociaal team beter in beeld proberen te krijgen, waardoor je ze beter kan begeleiden. Maar formeel is dit nog lastig te organiseren. Nee, we hebben nooit angst gehad voor een verlies van onze identiteit. Het is heel positief dat ouders iets te kiezen hebben. Ouders kunnen zo bewuster een keuze maken voor een vorm van onderwijs die bij hun kinderen past. De laatste twee jaar is de school bovendien vrij sterk gegroeid. Omdat wij al gevestigd waren aan het Schereplein, hebben veel ouders ook door nieuw­bouw naast de deur voor onze school gekozen.’ Welke eisen stelde de Christophoor aan het eigen domein en wat vinden jullie van de wisselwerking tussen de verschillende domeinen, hoe bevalt het in de praktijk? PvB: ‘We hebben een aantal zaken laten realiseren die het ge­bouw meer geschikt maken als Daltonschool. We hebben gekozen voor bredere gangen, omdat die in onze school ook fungeren als stilte werkplekken, of als een soort leerplein voor samen­­werking. Door dat wij hier bewust voor hebben gekozen, zijn onze klas­ lokalen juist weer iets kleiner. We zijn heel tevreden met het eigen domein. De school is licht, ruimtelijk en heel open van karakter. Alle groepen hebben een open pui naar de gang, en dat is heel

102 / 103

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

Peter van Bergen is directeur van de Christophoor. De Christophoor is een Rooms Katholieke Daltonbasisschool en maakt deel uit van de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs. De RVKO heeft in totaal 58 scholen in Rotterdam en in een aantal randgemeenten. De school heeft momenteel 225 kinderen.


Karin van Assendelft is Regiomanager van KSH kinderdag­ verblijven Rotterdam. Kinder Service Hotels is als participant in het gebouw verant­ woordelijk voor het kinderdagverblijf, de buitenschoolse- en tussenschoolse opvang (BSO en TSO). Wat biedt het KSH in de Wereld op Zuid aan? Karin van Assendelft: ‘Onze directeur Rijn Mijdema komt uit het hotelwezen. Hij heeft lange tijd in het buitenland gewerkt waar hij zijn kinderen naar de opvang bracht. Daar is hij tot de con­clusie gekomen dat hij een ander pakket aan ouders wilde aanbieden met een bredere service. Via de gemeente Rotterdam kregen we het verzoek of we ook met kinderopvang wilden starten. Er is veel vraag naar onze werkzaamheden. We zijn begonnen in Pendrecht. En inmiddels hebben onze activiteiten zich uitgebreid. Kinder Service Hotels (KSH) zorgt in de Wereld op Zuid voor opvang voor kinderen van nul tot dertien jaar. Wij verzorgen de maaltijden voor de scholen. Ons kinderopvangconcept bestaat niet zonder een activiteitenprogramma. Er wordt veel thematisch gewerkt en kinderen worden gestimuleerd hieraan actief deel te nemen. De activiteiten vinden zowel op de vestiging als daar­ buiten plaats en worden aangeboden door pedagogisch mede­werkers en vakleer­krachten. Het beleid is er altijd op gericht dat kinderen met plezier bij ons komen. In de Wereld op Zuid biedt het kinderdag­verblijf ruimte aan 48 kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar. Er zijn verschillende groepen voor baby’s, peuters en een zogenaamde verticale groep (0-4 jarigen gemengd). De KSH Kidsclub heeft voor tachtig schoolgaande kinderen buitenschoolse opvang. Er staan computers met gefilterde internet­aansluitingen, spelletjes, bouw­systemen, puzzels, boekjes enzovoort. Er is een aparte ruimte voor kleuters. In de Kidsclub is het activiteiten­aanbod zeer groot. Zo is er een kinderkookcafé, handenarbeid­lokaal, dans-, sport- en theaterruimte, meiden- en jongensclub, huiswerkruimte, ruim opgezette recreatieruimte en een buiten­­ruimte. Op schoolsluitings­dagen en gedurende de school­ vakanties is de BSO ook geopend van ’s ochtends zeven uur tot zeven uur ’s avonds. Deze opvang is inbegrepen in de opgenomen prijs­stelling evenals de voorschoolse opvang inclusief ontbijt. Wanneer de kinderen de gehele dag worden opgevangen, wordt er ook een broodmaaltijd genuttigd. We openen het gebouw ’s ochtends om zeven uur en rond zeven uur ’s avonds sluiten wij het ook weer af.’ KSH verzorgt ook de TSO in de Wereld op Zuid. Kunt u daar iets over vertellen? KvA: ‘KSH verzorgt voor de kinderen van de basisscholen in de middag­pauze tussenschoolse opvang met een uitgebreide, lekkere en gezonde lunch. Alle kinderen krijgen een gevarieerde maaltijd waarbij ze een groot deel van hun dagelijkse behoefte aan

104 / 105

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

prettig. De grote hal in de Wereld op Zuid vind ik prachtig. Het is echter nog niet de ontmoetingsplek die het zou moeten zijn. De hal fungeert nu nog te veel als wachtruimte. We moeten er in de toekomst aan werken dat het ook echt een ontmoetingsplek wordt. Daarbij vind ik dat er tussen de gebruikers meer overeen­ stemming moet komen. De één vindt het lastig als er ouders lopen in de hal, de ander wil de ouders juist naar binnen krijgen. Iedereen is in de eerste maanden bezig geweest zijn eigen domein op orde te krijgen. En iedereen moet erg wennen dat ze met een ander een gebouw delen. De meeste leerkrachten zijn wel erg positief en zien er de voordelen van. Het programma-aanbod biedt vele mogelijkheden voor ouders en kinderen om tot een andere dagindeling te komen. De inhoud van het activiteitenaanbod moet zo breed mogelijk zijn met een duidelijk accent op kunst en cultuur als het om de Christophoor gaat. Onze kinderen krijgen op die manier de mogelijkheid talenten te ontwikkelen, die binnen het reguliere aanbod onder­belicht blijven. Hun blik op de wereld wordt breder en ze kunnen keuzes maken die gebaseerd zijn op een veel grotere ervaring. Op deze manier vergroten wij de kansen van onze kinderen.’


Wat is de meerwaarde van de Wereld op Zuid? KvA: ‘Het is een ontzettend leuk project. Iedereen is erg enthou­ siast. De samenwerking verloopt erg soepel. Ik ben voorzitter van het Sociaal team. Dat team heb ik ook opgezet. Het Sociaal team is in het leven geroepen om de samenwerking tussen de vijf verschillende organisaties beter te structureren. Er zijn toch ver­schillende belangen, en hoe ga je om met de ver­schillende centrale ruimtes. Je moet proberen alle vijf op één lijn te komen. Hoe gaan we met elkaar om? Spreken we elkaars kinderen aan als iets niet verantwoord is? Wat willen we met elkaar. In plaats van te kijken naar waar we in verschillen, willen we juist kijken hoe we de samenwerking beter kunnen laten verlopen. Gelden in het hele gebouw dezelfde regels? En druist dit niet in tegen de eigen gestelde waarden en normen? Wat kinderopvang betreft is het toch anders om in een brede school te zitten. Je kunt aan meerdere instellingen, kinderen en ouders je diensten aanbieden. KvA: ‘Wat betreft de inhoudelijke en educatieve uitgangs­ punten kijken we goed om ons heen. We zijn een zelfstandige BSO met eigen regels. Er zijn zeker zaken die je aan kunt passen. Het is een groepsproces en je houdt ook rekening met de wensen van de ouders. Mensen kiezen bewust voor KSH en voor ons beleid. Het zou in de toekomst wel kunnen voorkomen dat wij inspelen of aansluiten bij projecten die de verschillende scholen initiëren.’

Welke taak is er voor het KSH, de (enige) ondernemer in het gezelschap participanten? KvA: ‘Omdat wij in feite een commerciële organisatie zijn, en ook geen subsidie ontvangen, kunnen wij volledig zelfstandig opereren. Dit maakt dat wij nogal wat druk kunnen zetten om projecten op sociaal gebied doorgang te laten vinden. Gemeentes zijn niet snel qua beslissingniveaus, onze belangen zijn anders. Wij kunnen er tempo in houden en verzanding tegengaan.’

106 / 107

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

voedingsstoffen binnenkrijgen. Dit is goed voor de gezondheid en verbetert leerprestaties. De praktijk wijst uit dat het gezamenlijk nuttigen van dezelfde maaltijd er voor zorgt dat kinderen beter gaan eten en zich sneller tafelmanieren en onderlinge omgangs­ vormen eigen maken. Sinds de regering heeft besloten dat de TSO niet meer door moeders mag worden gedaan, zijn we daar­op ingesprongen. Wij zijn hierdoor ver voor in de ontwikkeling van dit concept. Vanaf dit jaar is de vraag naar TSO ontzettend toegenomen. Veel scholen regelen dit door een systeem met overblijfouders. Onze overblijfouders hebben een opleiding gekregen binnen het KSH. Hierdoor ontstaat een hele prettige samenwerking. De centrale hal in de Wereld op Zuid is een geschikte locatie voor de TSO, maar logistiek is het nog lastig. Er zijn veel kinderen die overblijven. We zijn nog aan het onder­ zoeken hoe we de TSO het beste kunnen stroomlijnen. Zo hebben we in het begin de lunchtafels zelf gedekt, in een later stadium werd dit uitgevoerd door de begeleiders van de scholen. Momen­teel zijn we bezig om lopende buffetten op te zetten. De Wereld op Zuid heeft een goede technische keuken en dat biedt mogelijk-­ heden om te zoeken naar de meest effectieve wijze om de TSO in goede banen te leiden. Medewerkers van ons zijn naar Zweden op werkbezoek geweest, om te kijken hoe ze daar gebruik maken van lopende buffetten. De TSO is daar al in een ver stadium uit­gewerkt.’


Kunt u iets vertellen over Pameijer en in het bijzonder over kinderdagcentrum Ellemare? Anja Jongerius: ‘Pameijer vindt dat mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek thuis horen in de samen­­leving, net als ieder ander. Door aanwezig te zijn in de samen­ leving kunnen zij op een gewone, natuurlijke manier con­tacten en relaties met andere mensen ontwikkelen. Dagelijks zetten ruim tweeduizend medewerkers en vijfhonderd vrijwilligers zich in om meer dan vierduizend cliënten te ondersteunen op alle levens­ terreinen: wonen, werken, vrije tijd en sociale contacten. Kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking of gedragsproblematiek willen hetzelfde zijn en doen als hun leef­tijdgenoten: spelen, leren, sporten en later ook werken en uit-­ gaan. Ook ouders wensen dat hun kind zich zo normaal mogelijk ontwikkelt, dat het kind zich geaccepteerd en veilig voelt. Kortom: dat het uitgroeit tot een evenwichtige en zelfredzame volwassene. Bij Pameijer is ieder kind met een verstandelijke beperking of gedragsproblematiek uniek. Ze verdienen een mooie plek in de samenleving. Ouders verdienen ondersteuning bij de opvoeding en begeleiding van hun kind. In het kinderdagcentrum Ellemare draait alles om de wil, de mogelijkheden en de behoeften van de kinderen. We stimuleren hen om zich te ontwikkelen en de wereld om zich heen te ontdekken. De kinderen leren zich te uiten en keuzes te maken. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met het niveau van het kind. We hebben hier een groep voor jonge kinderen, die vergelijkbaar is met een peuterspeelzaal. Voor kinderen die extra structuur nodig hebben, zijn er groepen met een gedetailleerd programma. Er is ook een groep voor kinderen die zich voorbereiden op het speciaal onderwijs. De kinderen komen ’s ochtends om half negen binnen. De kinderen worden vanuit huis opgehaald, eerst uit de bussen begeleid en naar de verschillende groepen gebracht. Afhankelijk van de groep wordt er per kind een reeks van activiteiten bepaald: kringactiviteiten of werkjes ondersteund door de leidsters, het aanbieden van activiteiten die passen bij de ont­wikkeling van het kind en die zelfstandig uitgevoerd kunnen worden. Hierna is er een eet- en drinkmoment. Vervolgens worden de kinderen verschoond en gaan ze in groepen buiten spelen. Ook is er ruimte voor individuele behandelingen, zoals logopedie en fysiotherapie of een bezoek aan de snoezelruimte. Het eten is een gezamenlijk onderdeel maar met een bepaald doel. De kinderen leren tijdens het eten spelenderwijs bijvoorbeeld zelf te kiezen wat ze op hun

brood willen of met mes en vork te eten. Het ondersteunen van de ontwikkeling van de kinderen komt altijd voort uit een pedagogisch doel.’ Het Pameijer domein binnen de Wereld op Zuid heeft vier groepsruimtes op de begane grond en een op de verdieping. Hebben jullie ook een eigen buitenruimte? AJ: ‘Bij het bepalen van de oppervlaktes hebben we gekeken naar de normen die wij als Pameijer hanteren. De indeling van de verschillende ruimtes is divers. Onze core business is het onder­steunen van kinderen met een beperking en ze zo normaal mogelijk laten opgroeien. Daarnaast vinden wij het belangrijk dat kinderen met en zonder beperking elkaar ontmoeten, en we bieden de kinderen een programma van wisselende activiteiten. De verschillende groepsruimtes moeten multifunctioneel inzetbaar zijn. Momenteel zitten er 29 kinderen op het kinderdagcentrum. We hebben plek voor 30 kinderen. In iedere groep zitten zes kinderen, ondersteund door twee leidsters en een gedrags­des­ kundige, logopediste, fysiotherapeut en een arts. Buitenruimte is heel erg belangrijk. Daar moet nog het nodige aan gedaan worden. Buiten spelen heeft altijd een doel. Het biedt de kinderen een moment van ontspanning. Er is ruimte voor aangepast spel, speciale speelmaterialen om zo extra aandacht te geven aan eventuele motorische achterstanden.’’ Hoe ervaren jullie het project de Wereld op Zuid? AJ: ‘De Wereld op Zuid is gevestigd in een prachtig gebouw, licht, groot en ruim. We kwamen uit een oud en benauwd pand, het is een wereld van verschil. Inmiddels is iedereen geland en nu kunnen er samenwerkingsverbanden ontstaan. Een leuk voorbeeld is een project dat vanuit Pameijer begeleid wordt. Vier studenten hebben een integratieplan geschreven voor acht kinderen van Pameijer. De studenten hebben samen met de leidsters van de verschillende groepen geïnventariseerd wat de wensen en mogelijk­heden van de kinderen zijn, wat zou kunnen aansluiten bij de lessen op de scholen de Toermalijn en Christophoor. Daar­naast hebben zij geïnventariseerd wat de leerkrachten kunnen bieden. Dit project is inmiddels van start gegaan: acht kinderen van Pameijer doen inmiddels mee met verschillende lessen in verschillende klassen van de twee scholen, en het loopt erg leuk. De wisselwerking tussen de domeinen is erg belangrijk. Je moet zelf actie ondernemen, het gebeurt niet vanzelfsprekend. Het is geweldig als het werkt, maar het vraagt om een pro-actieve houding. De programmamanager van de Wereld op Zuid zal dit soort activiteiten moeten blijven uitbouwen. Dat er op vijf decem­ ber bijvoorbeeld, maar één Sinterklaas in het gebouw rondloopt, of dat er gezamenlijk aandacht besteed wordt aan de Kinder­ boekenweek. Er zijn veel werkgroepen, zoals het Sociaal team en bijvoorbeeld de werkgroepen Gezamenlijke Activiteiten en

108 / 109

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

Anja Jongerius
is Manager regio Zuid/ ZHE bij Pameijer. Pameijer is een grote regionale instelling in de regio Rijnmond en op de Zuid-Hollandse eilanden voor mensen met een verstandelijke of psychiatrische beperking van uiteenlopende leeftijden. Het kinderdagcentrum Ellemare is gevestigd in de Wereld op Zuid.


Arjanne Lagendijk is sectormanager bij Charlois Welzijn. Stichting Charlois Welzijn is een brede welzijnsorganisatie in de Rotterdamse deelgemeente Charlois. Welke activiteiten biedt Charlois Welzijn aan in Rotterdam-Zuid? Arjanne Lagendijk: ‘Charlois Welzijn biedt diensten aan op het terrein van de vroeg- en voorschoolse ontwikkeling, zoals voor­ scholen. Op het terrein van maatschappelijke dienstverlening bieden wij (school)maatschappelijk werk, de vraagwijzer en mantelzorgondersteuning en op het terrein van de activering en participatie, kinderwerk, jongerenwerk, opbouwwerk en de jeugd­kansenzone. Charlois Welzijn heeft drie belangrijke doelen het vergroten van de sociale cohesie en leefbaarheid in de verschillende wijken en buurten van Charlois; het vergroten van de zelfredzaamheid van individuele personen in dit deel van Rotterdam; en het vergroten van de kansen en mogelijkheden van kinderen en jongeren in Charlois. Wij willen deze doelen realiseren met het aanbieden van ontwikkelings­kansen aan kinderen en jongeren via voorschoolse ontwikkeling en met ‘brede school activiteiten’ en activiteiten in de vrije tijd, gericht op competentievergroting van kinderen en hun ouders. We willen ons doel ook bereiken door een buurt- en straataanpak die gericht is op sociale samenhang en sociale integratie en onze dienstverlening zo laagdrempelig mogelijk aan te bieden. Heel belangrijk is het bieden van een sociaal vangnet om mensen te activeren tot zelfredzaamheid. Samenwerken met partners is een must om deze doelen te verwezenlijken. Welzijn is het cement tussen de verschillende organisaties.’ Op welke groepen binnen de Wereld op Zuid richt Charlois Welzijn zich? AL: ‘Onze voornaamste activiteit binnen de Wereld op Zuid is de voorschool en het kinderwerk. Een voorschool is voor kinderen van twee tot vier jaar. Het is een samenwerking tussen de peuter­speelzaal en een basisschool. Het bijzondere is dat in de peuter­speelzaal en in de groepen 1 en 2 van de basisschool met dezelfde methode wordt gewerkt. Op de voorschool worden kinderen spelenderwijs voorbereid op het basisonderwijs. De over­gang van peuterspeelzaal naar school wordt hierdoor gemakke­ lijker. Daarnaast richten wij ons ook op de ouder­betrokken­heid (ouderconsulenten, wijkfelicitatiedienst) en het (Voor)schools Maatschappelijk Werk (VMW). Een aantal van onze diensten zat al in hetzelfde gebouw bij de scholen. Zo heeft onze schoolmaatschappelijk werker een werk­plek in de school en zij kan zo gemakkelijk in contact komen met ouders en kinderen die vragen of problemen hebben. Hier­door kan overleg plaats vinden met de interne begeleiders/de leerkrachten die speciaal met de zorg binnen de school belast zijn. De voorschool zit nu ook bij een van de scholen, en dat is

110 / 111

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

Communicatie en PR. Vanuit iedere partner/instelling is er iemand aanwezig om vanuit de eigen wensen iets samen te organiseren. Je hebt een motor nodig die de boel aan de gang zet. De programmamanager is cruciaal. Zo ontstaat er nieuwsgierigheid. Over en weer. Ook speciale thema’s moeten besproken worden. Zoals bijvoorbeeld of je kinderen uit een ander domein wel of niet kunt aanspreken op hun gedrag. Welke afspraken maak je hier­over. Deze thema’s komen ook in een studiedag aan bod. Op dit moment eten we tussen de middag met de kinderen op de groepen in ons eigen domein, maar in de toekomst willen we kijken op welke manier deze hal gebruikt kan worden voor gezamenlijke activiteiten. Zo hebben we samen met de KSH al een paaslunch georganiseerd. De hal is erg groot, maar dat is wel iets om in de toekomst uit te werken. In de praktijk zijn er nu nog teveel prikkels in de hal. Wij hebben contacten met de voorschool binnen de Wereld op Zuid. Daar gaan twee kinderen van Ellemare naar toe om een ochtend te spelen. Ook het contact met de twee reguliere scholen is van groot belang. Daar kunnen kinderen naartoe om mee te doen met onderdelen van het lesprogramma in de klas, samen met een begeleider van Pameijer. De kinderen van het kinderdag­ centrum spelen er met de kinderen van de school. Contact met andere kinderen heeft een positieve stimulans op de ontwikkeling van het kind. Altijd is er aandacht voor de mogelijkheden die de kinderen in zich hebben. De groepleiding wordt daarom ondersteund door een multidisciplinair team (kinderarts, gedragsdeskundige, fysio­therapeut en logopedist). Ook de ouders van de kinderen worden door ons ondersteund. Dit is in de vorm van thuisonder­steuning, logeren en parttime wonen voor kinderen en onder­steuning in het reguliere onderwijs. Ook kan Pameijer, op verzoek, meekijken en meedenken met opvoedingsvragen. Door de aanwezig­heid van het multidisciplinair team hebben wij veel kennis en ervaring binnen de Wereld op Zuid. Alle kinderen, met of zonder een beperking, leren met elkaar om te gaan en groeien gezamenlijk op in een gewone omgeving. Ieder kind doet ertoe. Ieder kind doet mee. Dat is hier allemaal mogelijk. Doel van Pameijer is dat samenwerking een eerste vereiste is om ieder kind de juiste ontwikkelingskansen te bieden. En hier kunnen alle verschillende partners gebruik van maken. Die verwachting is nog niet direct gerealiseerd, maar de visie is duide­lijk verwoord. Als ik kijk naar onze visie en werkwijze, dan zit samenwerking in onze genen. Het optimaal genereren van kansen, dat draagt iedereen uit, qua basishouding is het honderd procent aanwezig. Het project is dusdanig opgezet dat we de ver­schil­ lende wisselwerkingen in de toekomst zeker kunnen realiseren. De voorwaarden liggen er en het is aan ons om het handen en voeten te geven.’


Wat is de meerwaarde van de Wereld op Zuid? AL: ‘De Wereld op Zuid is uniek door de brede intensieve samen­ werking met de partners. Op verschillende terreinen wordt samengewerkt: activiteiten organiseren voor de kinderen van de buurt, ouderparticipatie, cursusaanbod voor ouders, EHBO, voeding en opvoedingsvragen. De meerwaarde zit in de samen­werking. Je kunt in gezamenlijkheid feesten organiseren en afstemming hebben over de kinderen. Je kunt de verschillende activiteiten en diensten goed op elkaar aan laten sluiten. Kortom: vijf verschillende organisaties onder één dak betekent dat je veel expertise in huis hebt. We moeten gebruik maken van elkaars krachten om zo steeds verder te “groeien”. Eigenlijk is het vanzelf­ sprekend dat we in de Wereld op Zuid zitten; spelen en zorg horen gewoon bij kinderen en dat is nou net onze bijdrage aan dit unieke project. Het inrichten van een netwerk rondom ieder kind heeft als doel om ieder kind tot een zelfbewust, zelfstandig, zelf­sturend en zelfreflecterend lid van de samenleving te maken. We hebben de visie dat een kind zich het best kan ontwikkelen in een veilige omgeving, waar een kind gewoon kind kan zijn en kan spelen. Daarom is het belangrijk om goed speelgoed aan te bieden en veilige speellocaties, een interessant en educatief aan­bod van activiteiten waarbij plezier en leren van competenties voor­op staan, ook rolmodellen moeten worden aangeboden. Uit Brits onderzoek van de University of Greenwich naar de resultaten van een school in een multifunctionele accommodatie (MFA) blijkt dat kinderen beter presteren dan gemiddeld, meer motivatie en zelfvertrouwen hebben, meer talentontwikkeling, een groter aanbod aan sport en creatieve activiteiten krijgen. Ook is gebleken dat problemen sneller worden gesignaleerd en dat de kinderen meer ondersteuning krijgen bij problemen. Voor ouders is het goed om meer keuzemogelijkheden te hebben. De Wereld op Zuid biedt naast de scholen nog zo veel

meer faciliteiten. Dat maakt de wijk meer aantrekkelijk om in te wonen. Bijna iedere wijkbewoner weet het te waarderen als er een mooie voorziening in de wijk staat. Het draagt bij tot meer woonplezier.’ Is er ook angst voor het samengaan in een gebouw? AL: ‘We verwachten dat we de korte lijnen weten te benutten. Maar tegelijkertijd zullen we ook erg aan elkaar moeten wennen: het is net als mensen in een huis gaan samenwonen. Je hebt allemaal zo je gewoontes en die merk je pas goed van elkaar als je daadwerkelijk gaat samenwonen. Er zijn verschillende belangen, en ieder hanteert een eigen set regels binnen het eigen domein. De grootste uit­­dagingen liggen in het effectief delen van informatie, tijd vrij­maken, verantwoordelijkheden nemen, delen; prioriteiten die met elkaar strijdig kunnen zijn, We weten dat, hebben dat besproken en gaan ervan uit dat we voor alles wel een oplossing zullen vinden. We zijn allemaal organisaties waar we door het soort werk gewend zijn om te improviseren en steeds weer wat weten te maken van de onverwachte situatie waar we voor geplaatst worden. We zijn dus wel wat gewend en hebben er alle vertrouwen in.’

112 / 113

dialoog met de participanten >eleonoor jap sam

heel gemakkelijk voor ouders die zowel kinderen hebben op de basisschool als op de peuterspeelzaal. Binnen de Wereld op Zuid staat Charlois Welzijn voor de zorg, vroege ontwikkelingskansen en zinvolle en plezierige invulling van de vrije tijd en het werken aan specifieke competenties van leerlingen. Omdat wij ook met bewoners, oud en jong, in straten en buurten werken, kunnen wij de schakel vormen tussen de wijk en de Wereld op Zuid. Op deze manier kunnen wij onze bijdrage leveren om de Wereld op Zuid een levend onderdeel van de wijk te laten zijn. Wij zien alleen maar voordelen, welzijn hoort op de vindplaats van kinderen, dus ook op school. In Scandinavië is het heel normaal dat er zoge­naamde vrijetijdspedagogen in de scholen werken en activiteiten met de kinderen doen, die niet zozeer op het leren van feiten en rekenen en taal zijn gericht, maar veel meer op het leren van sociale competenties als samenwerken, ruzie beslechten en voor jezelf op leren komen.’


De komende jaren zullen uitwijzen of de idealen, ideeën, wensen en verwachtingen van de Wereld op Zuid zijn uitgekomen. Bij de start van de brede school maken enkele ouders van de kinderen de eerste balans op.

‘Ik ben er trots op dat mijn dochter hier naar school gaat’, zegt Lydia Hendriks, moeder van Deanne. Beter had ze de achter­ liggende doelstelling van de Wereld op Zuid niet kunnen ver­ woorden. De bewoners weer trots laten zijn op hun wijk, en daarmee het zelfvertrouwen van diezelfde bewoners vergroten. Tastbaarder dan trots, is het gemak dat ouders dagelijks onder­vinden. Kinderen van nul tot twaalf jaar kunnen van ’s ochtends tot ’s avonds in de brede school terecht voor een compleet dag­arrangement. Ouders brengen er hun kinderen heen om daarna zelf naar het werk te gaan. Zoals Aziza Touzani, moeder van Inssaf en Amir, die dankzij de opvangmogelijkheid zelf een opleiding kan volgen. Chadia Bensadik, eveneens moeder van een zoon en dochter, solliciteert nu naar werk. En ook Lydia Hendriks, fulltime werkzaam als verpleegster, is blij met de flexibiliteit die de brede school biedt. ‘Ik kan ’s morgens al om kwart over zeven naar mijn werk, mijn dochter blijft tussen de middag over en ’s middags na school haal ik haar weer op.’ Alles onder een dak is handig voor de ouders, maar ook beter voor de kinderen vindt Casandra Heesbeen. ‘Mijn stiefzoontje heeft al zoveel wisselingen: dan is hij bij zijn moeder, dan weer bij zijn vader. Bij de Christophoor heeft hij echt zijn plekje gevonden.’ Het samenkomen van de vijf organisaties op één locatie, moet naast praktische voordelen, ook een extra meerwaarde geven. De organisaties onderschrijven daarom één gezamenlijk programma met vijf kernwaarden: zelfstandigheid, veiligheid, groei, verbonden­ heid en kwaliteit. Nadrukkelijk wordt ruimte gelaten voor een eigen cultuur en beleid. Daardoor merken de ouders op hun school weinig verschillen met de oude locatie. ‘Zodra ik vanuit de centrale hal de deur van de school open trek’, zegt Chadia Bensadik, ‘voelt het weer vertrouwt met de bekende gezichten van leerkrachten, kinderen en ouders. Het is net als bij de oude Toermalijn heel beschermd.’ Ellemare, het kinderdagverblijf van Pameijer, ervaren de ouders als een ver­-

114 / 115

Eerste ervaringen van ouders Flemming de Moll

’s Morgens vroeg trekt in de centrale hal van de Wereld op Zuid een bonte stoet ouders en kinderen voorbij. Peuters in kinderwagens geduwd door hun oudere broers of zussen, een moeder die haar baby in de draagdoek teder tegen zich aan drukt, twee meisjes hand in hand met identieke roze jurkjes en strikken in het haar, en stoere jongetjes met Cars-rugzakjes. Voor hen, de kinderen, hun ouders en de bewoners van Zuidwijk is de Wereld op Zuid er gekomen. Gevraagd naar hun mening over de nieuwe voorziening, vertellen ze enthousiaste verhalen, en plaatsen ook kanttekeningen.


sinds de verhuizing van haar gezin zes jaar geleden van Pendrecht naar Zuidwijk. ‘We dachten al aan verhuizen’, vertelt ze, ‘maar sinds dit nieuwe gebouw er staat, lijkt het wel of de overlast vermindert. Dat is voor ons echt een reden om in Zuidwijk te blijven wonen.’

Naast de drukte bemerken ouders ook een zekere rivaliteit tussen de beide scholen. ‘De kinderen dagen elkaar uit’, vertelt Lydia Hendriks. Activiteiten als het gezamenlijke uitstapje naar voet­ balclub Feyenoord, moeten de samenhang vergroten. Ouders willen een veilige omgeving waar hun kind zich welkom voelt en iedereen met respect voor elkaar samenwerkt. Zelf tonen ze hun betrokkenheid door als vrijwilliger mee te draaien in de ouderraad, als overblijfhulp of als hulpouder bij schoolreisjes. De school biedt hen bovendien kansen buurtgenoten te ontmoeten en zichzelf sociaal en maatschappelijk te ontplooien. Het kan een eerste stap zijn naar betaald werk, soms zelfs bij de brede school. Sinds de verhuizing naar de Wereld op Zuid is de verlengde schooldag verplicht voor alle leerlingen vanaf groep 3. Zes uur per week, verdeeld over twee middagen, krijgen de kinderen extra mogelijkheden voor kunstzinnige vorming, sport en spel, variërend van dans en toneel tot streetdance, judo en voetbal. Nieuw zijn de extra activiteiten niet. Wel brengt de Wereld op Zuid alle mogelijke voorzieningen bij elkaar. Vooral de gymzaal maakt veel mogelijk. ‘De gymzaal, het schoolplein met de atletiekbaan en de speeltuin voor de kleintjes zijn heel mooi’, vindt Nanda Vrede. ‘Alleen jammer dat het openbaar is, want er wordt snel iets vernield. Ik hou mijn hart vast.’ Het idee dat de kinderen die komen spelen zuinig op de spullen zullen zijn, omdat ze naar de Wereld op Zuid gaan, stelt de ouders niet gerust. ‘Het zijn juist de grotere kinderen die de overlast veroorzaken.’ Vandalisme is voor de bewoners van Zuidwijk een van de grootste ergernissen. Lydia Hendriks zag de buurt achteruit gaan

116 / 117

eerste ervaringen van ouders >flemming de moll

rijking, omdat het hun kinderen de kans geeft kennis te maken met kinderen die net even anders zijn dan zij. In de Wereld op Zuid behouden ouders de keuzemogelijkheid tussen de Rooms katholieke Daltonbasisschool Christophoor en de openbare basisschool de Toermalijn. Chadia Bensadik wordt wel eens aangesproken door ouders die voor de keuze staan. ‘De meesten willen gewoon weten welke school beter is.’ Ook voor Nanda Vrede, die als katholiek wel bewust voor Christophoor koos, staat de kwaliteit van het onderwijs voorop. De toenemende grootte van de klassen baart haar zorgen. ‘Ik vraag me af of de begeleiding nog voldoende is.’ De groeiende klassen, maar vooral de drukte op de Wereld op Zuid, valt meer ouders tegen. Volgens Tamara van Olderen die vanaf de start van de brede school op de buitenschoolse opvang van Kinder Service Hotels werkt, is het vooral tussen de middag druk als leerlingen van beide scholen in de hal lunchen. Een aparte lunchruimte is er niet en overblijven in de lokalen zou te veel druk op de leerkrachten geven. ‘Ook voor de kinderen zelf is het hectisch’, meent Van Olderen. ‘Nu er meer structuur komt, neemt de drukte gelukkig al af.’


Verbinding Het bestaande terrein was een belangrijk uitgangspunt voor het ontwerp van de Wereld op Zuid. Achter een brede verwilderde haag lag een charmant tweelaags schoolgebouw verscholen, dat

118 / 119

Een brede school ontwerpen Theo Kupers

In mei 2005 werd ons bureau opgebeld door Reinder de Vries van Estrade projecten, de ontwikkelaar van woningcorporatie Vestia. Men wilde een brede school bouwen in de Rotterdamse wijk Zuidwijk en zocht daarvoor een architect. En zo werd gesteld: ‘op de lijst van architecten hoort ook de scholenbouw prijswinnaar uit Rotterdam.’ Het was duidelijk dat onze concurrentie zou bestaan uit ervaren scholenbouwspecialisten met portfolio’s vol gerealiseerde ontwerpen. Terwijl wij met slechts één gerealiseerd schoolontwerp – direct bekroond met de prestigieuze scholen­ bouwprijs – juist meer in de breedte bezig zijn. Wij hebben ons bewust niet willen specialiseren, omdat wij door een meer gene­ralis­tische aanpak steeds opnieuw uitgedaagd worden door het programma van eisen, de opdrachtgever en de gebruikers. Maar ook door de locatie die vaak een belangrijke leidraad is voor de oplossing van een opgave. We hadden geluk, het aantal eerder gerealiseerde schoolgebouwen en onze jaaromzet maakten geen deel uit van de selectiecriteria. Het boekwerk met uitgangspunten dat we vervolgens opgestuurd kregen, was dik genoeg om een weekend mee door te brengen. Een evenwichtig programma van eisen met een duidelijke visie op de collectieve aspecten in het gebouw. Tijdens het doornemen van deze visie van de gebruikers werd duidelijk dat het bij dit project mogelijk moest zijn om een werkelijke ‘brede school’ te ontwerpen; een gebouw waarbij de verschillende gebruikers uit overtuiging en enthousiasme elkaar opzoeken en waar de gebruikers overtuigd zijn van hun gezamenlijke meer­ waarde. Datzelfde weekend bezochten we de locatie, vanuit Rotterdam-Noord een mooie fietstocht langs het Zuiderpark. Met het bezoek aan de plek op die lome zonnige zondagmiddag viel de puzzel van programma en locatie voor ons op zijn plaats. De locatie viel het beste te omschrijven als een weelderige, groene open ruimte in een Rotterdamse wederopbouw (strokenbouw) wijk. Een geschikte locatie voor een schoolgebouw, waarbij de ver­schillende functies zich niet van elkaar afkeren maar juist een centraal en gezamenlijk hart omarmen. Een gebouw met vol­ doende ruimte voor eigen domeinen en werelden; een gebouw waarmee de identiteit van de afzonderlijke gebruikers van het gebouw behouden kan blijven en ook in de toekomst verzekerd blijft. Een inspirerende locatie met potenties voor een ruime buitenruimte, goed op de zon gelegen, met mogelijkheden om serieus functionerende groengedeeltes aan te brengen, die op hun beurt het schoolgebouw in zijn omgeving kunnen verankeren. Een week later werden we opgebeld. De gebruikers hadden unaniem voor onze visie op de opgave gekozen!


Collectief Het ruimtelijk programma van eisen was zeer gedetailleerd uitgewerkt, inclusief een kruisjeslijst van gezamenlijke ruimtes en een eerste visie op het beheer van het complex. Samen met het geschreven programma kwam duidelijk naar voren dat de ver­schillende participanten goed wisten waar ze mee bezig waren en graag samen één gebouw wilden betrekken; uiteraard met behoud van een eigen identiteit. Die wens van gezamenlijke mogelijkheden en tegelijkertijd een geheel eigen onderwijs­ programma te kunnen aanbieden in een privaat en separaat gebouwdeel, was het tweede belangrijke uitgangspunt voor het ontwerp. Het collectieve programma bestond uit een vaklokaal, ouder­ruimten, een gezamenlijk speellokaal, centrale keuken en vergader-­ kamers. Vestia heeft bovendien als visionair eigenaar van het gebouw, vier extra multifunctionele lokalen aan het programma

toegevoegd. In een brede school waarin de verschillende parti­cipanten graag samen willen delen, is het belangrijk dat er ruimten zijn die op meerdere manieren gebruikt kunnen worden. In het verleden had de aula deze functie in schoolgebouwen, maar deze ruimte maakt nu zelden nog onderdeel uit van het programma. Bij de Wereld op Zuid hebben we het sportdomein van twee gymzalen als belangrijkste collectieve ruimte gede­ finieerd, een domein dat door iedereen multifunctioneel te gebruiken is. Om het gebouw dienstbaar te laten zijn aan haar gebruikers en ook ruimte in het gebouw te creëren, waardoor een goede gezamenlijkheid ontwikkeld kan worden, is het collectieve sport­ programma in het hart van de brede school gelegd met daar­ omheen de domeinen van de verschillende participanten. In het programma was nauwelijks ruimte opgenomen voor een gezamen­ lijke entree, hal of aula. Maar door het sportdeel zo efficiënt in het midden van het gebouw te plaatsen, is er als vanzelf een centrale verblijfsruimte in het hart van het complex ontstaan. Een binnenhal zonder vaste functie, puur bedoeld om het gebouw ‘ruimte’ en lucht te geven. Een oriëntatiepunt waarlangs en waaromheen de verschillende routes zich bewegen. Hier kunnen de ouders wachten op hun kinderen en is er aan de grote vaste tafels ruimte voor een informeel gesprek. Gymzalen zijn dikwijls onaantrekkelijke, in zichzelf gekeerde ruimten zonder relatie met hun omgeving. In het beste geval wordt hier daglicht toegestaan vanuit het noorden, zonder kans op hinderlijke schittering. Een dubbele gymzaal op de begane grond is bovendien meestal een stedenbouwkundig onding, omdat de gevels op de begane grond nagenoeg ‘blind’ uitgevoerd moeten worden. Voor de omgeving betekent dat grote, gesloten wand­ vlakken op het maaiveld. In het ontwerp zijn de gymzalen groten­deels ‘ingekapseld’ in de rest van het gebouw, waardoor gesloten gevelvlakken tot een minimum beperkt zijn. Een gelijkvloerse aan-­ sluiting tussen gymzalen en entreehal gaf de mogelijkheid één of meerdere immense ruimtes te maken in het complex. Omdat de schuifwand grotendeels in glas is uitgevoerd, is het domein van bewegen, sporten en gymmen een dagelijks zichtbaar onderdeel van het gebouw geworden. Beweging Kinderen hebben plekken nodig om te spelen en daarmee ervaringen op te doen. Door buiten spelen worden motorische en sociale vaardigheden ontwikkeld. Speelpleinen zouden dan ook moeten stimuleren tot bewegen en ontmoeten en een essentieel deel in het ruimteprogramma van een basisschool moeten innemen. Dikwijls staat in programma’s van eisen niet meer dan een opgave van het minimale oppervlak, waarvoor meestal de landelijke maximale norm van zeshonderd vierkante meter voor een schoolplein wordt aangehouden. Beschikbare school­kavels zijn

120 / 121

een brede school ontwerpen >theo kupers

door het optimistische en open karakter een echt voorbeeld is van de Rotterdamse wederopbouwarchitectuur. Een gebouw met mooie grote glaspuien in betonkaders, afgewisseld met gevelvlakken uit metselwerk. Om het complex bevinden zich verschillende speel­ pleintjes en een groen trapveld voor de wijk. Een terrein met verschillende monumentale platanen, een wilde kastanje en aan de meer informele noordzijde van het gebied verschillende bloesembomen, het geheel omzoomd door een brede liguster­ haag. Het nieuw te realiseren gebouw zou een forse schaalvergroting betekenen vergeleken met het bestaande schoolgebouw. Ondanks die schaalvergroting wilden we in de manier waarop dit nieuwe programma zich op haar plek zou voegen iets inbouwen van die ingetogen sfeer die we daar in eerste instantie aantroffen. We hebben om deze reden bewust gekozen voor een gebouw met maar twee verdiepingen met eromheen diverse schoolpleinen voor alle categorieën kinderen. Extra bomen en hagen worden aange­plant. We hebben een schoolgebouw ontwikkeld dat zich in haar vorm en massa niet als een bastion in de wijk gedraagt, maar door een meanderende gevellijn juist bij de schaal van de omgeving aansluit en het aanrakingsvlak tussen het gebouw en haar omgeving vergroot. Met dit uitgangspunt is bovendien een basis gelegd om een goede symbiose tussen binnen en buiten in het ontwerp uit te werken, wat voor een onderwijs­ gebouw een essentieel uitgangspunt behoort te zijn. De westkant van het terrein bestaat merendeels uit een zone met speeltuinvereniging en korfbalvelden. Het grootste schoolplein en de centrale publieke ingang van het gebouw is aan deze zijde gesitueerd om daarmee het gebouw te verbinden met het lommer­­rijke van de wijk. De oostzijde van het terrein is klein­ schaliger en is hierdoor geschikt voor een relatief kleiner speelplein voor de allerkleinste en meest kwetsbare kinderen.


Huid en letterbeeld De toegankelijkheid van het westelijke speelplein met haar sport­gedeelte en natuurspeeltuin is een van de middelen waar­mee het complex zich kan nestelen in de wijk en waardoor het zich met deze wijk verbindt. Met de bijeengebrachte functies en de groepering van participanten in één gebouw is deze brede school veel meer dan de traditionele schoolgebouwen uit het verleden, een centraal en openbaar complex in de wijk. Hiermee wordt de opgave van de brede school ontegenzeggelijk een opgave van publiek en architectonisch belang. In de architectuur van het gebouw hebben we dit utilitaire zichtbaar willen maken zonder te grote formaliteit, waarmee immers de gewenste laagdrempeligheid tegengewerkt zou worden. Voor de materialisatie hebben we geput uit het pallet van de zakelijke Rotterdamse wederopbouw­ architectuur: buitengevels van streng en precies gemaatvoerde stevige rode baksteen, afgewisseld met entreegevels van bleke travertin. De beide hoofdingangen liggen hierdoor in een gevel met een materialisatie van een typisch utilitair, openbaar gebouw. Door het contrast in de materialen donker baksteen en lichte natuursteen lijkt het gebouw zich bij deze entrees aansluitend aan de speelpleinen meer te openen. Beide materialen hebben boven­dien, niet onbelangrijk, de praktische eigenschap op een mooie manier te verouderen. De wens van de gebruikers tot gezamenlijkheid in één gebouw wordt in onze ogen mooi zichtbaar in de gekozen naam, de Wereld op Zuid. Door deze naam in manshoge aluminium letters op de dakrand van het gebouw te plaatsen is de openbare kant van het gebouw versterkt en wordt de hoofdentree zijde ver­ duidelijkt. De letters weerspiegelen gelijkertijd de wens om in de wijk een belangrijke plek in te nemen. Het letterbeeld van de door typografisch ontwerper René Knip speciaal hiervoor ontworpen letters, is een onlosmakelijk onderdeel van de architectuur van het gebouw geworden. De hoofdentrees bevinden zich voorbij de speelpleinen, in de ‘oksels’ van het gebouw. De entrees en het gezamenlijke program­ ma zijn in de gevel geheel in zonwerend glas uitgevoerd en deels spiegelend waardoor de omringende bomen in het gebouw gereflecteerd worden. De zones in het complex waar de leslokalen zich bevinden zijn afleesbaar gemaakt in de gevel door ieder lokaal te voorzien van een grote en identieke glaspui: transparant en open in de traditie van de architectuur uit de Rotterdamse wederopbouw periode. Als etalageramen waardoor het onderwijs­ programma aan de omgeving wordt getoond. Andersom krijgt het klaslokaal hierdoor ‘lucht’ en zijn het als ogen waarmee vanuit het gebouw de eigen wijk zichtbaar wordt. Ruimte Het schoolgebouw is naast de thuisomgeving het eerste gebouw waarin kinderen een serieus en steeds groter deel van hun jonge

122 / 123

een brede school ontwerpen >theo kupers

over het algemeen beperkt van maat. De discussie over het grondoppervlak van de gebouwde voorziening gaat dan meestal ten koste van de afmetingen en ligging of oriëntatie van de speelpleinen. Als architecten hebben wij kunnen profiteren van het feit dat er een groot terrein beschikbaar was als schoollocatie. Zelfs na inbedding van het gebouw in slechts twee bouwlagen – wat relatief veel grondoppervlak kost – bleef er voldoende ruimte beschikbaar voor de verschillende soorten van speel- en buiten­ ruimten. Het speelterrein voor de kwetsbaarste en kleinste kinderen van Pameijer en het kinderdagverblijf is aan de oostzijde van het terrein gepland, aansluitend aan de eigen groepsruimten en -speelhal. Dit speelterrein is veilig omheind met een afgesloten halfhoog hek. De daaromheen aangeplante liguster- en beuken­ haag zal binnen enkele jaren het zicht op het metalen hek verzachten. Aan de westelijke zijde van het terrein zijn de speel­pleinen voor de kinderen van de peuterspeelzaal op dezelfde manier veilig omheind en ook ingeplant met groen. Het grote speelplein aan deze westzijde is voor de scholen en ook buiten schooltijden toegankelijk voor de kinderen uit de wijk. Die toe­ganke­­lijkheid bevordert de verankering en innesteling van de Wereld op Zuid in de wijk. Het schoolterrein als publieke ruimte kan zo ook in vakantietijd en weekenden onderdeel zijn van het kinderleven. Het schoolspeelplein is door ons in een werkgroep samen met leidsters en leerkrachten van alle deelnemende instellingen ont­worpen. Hierdoor zijn gedachten over gebruik, inrichting en beheer samen opgegaan met didactische doelen. In het algemeen kan gezegd worden dat de grootte van de gebruikstijd van speel­ pleinen omgekeerd evenredig is met de leeftijd van de kinderen. De kinderen van de peuterspeelzaal en het kinderdagverblijf zijn – op een zonnige dag – nagenoeg de hele dag buiten. De kinderen uit de bovenbouw besteden meer tijd aan leren en werken, dat gebeurt vooral binnen in het gebouw. Natuurlijk is ook voor deze grotere kinderen buiten spelen heel belangrijk. Het is waardevol in de pleinen logische scheidingen en overgangen te ontwerpen voor verschillende leeftijden en activiteiten. Op het openbare plein voor de grote kinderen is in grote lijnen een zonering voor ontmoeten, sporten, rust en spelen uitgezet. Het sportgedeelte was aanvanke­ lijk lowbudget ontworpen als een trapveld van gras, maar door gemeentelijke subsidie werd het uiteindelijk mogelijk hier een school­sportplein te realiseren in de vorm van een atletiekbaan met een rubberen ondergrond waarop het hele jaar door allerlei sporten beoefend kunnen worden. Kinderen en hun ouders passeren dit schoolsportplein dagelijks op weg naar school. Aan deze zijde van het terrein is ook ruimte gehouden voor een open­bare natuurspeeltuin. Deze nu nog kale tuin zal in de komende jaren, met behulp van buurtbewoners, ouders en kinderen, in fasen worden aangelegd, ingericht en naar wens worden aan­gepast.


In de Wereld op Zuid bevinden zich veel verschillende soorten en maten van ruimtes, allemaal ingekaderd door glasvlakken, neutrale sobere wanden en naadloze plafonds. Het daglicht beweegt langs de wand- en plafondvlakken afhankelijk van de weersgesteldheid. Lichtvlekken vormen zich op de vloervelden in het gebouw. Na het vormgeven van de routes en de ruimtes binnen het gebouw, de doorzichten en de lichtval stelt zich de vraag van de oppervlakken: om welke kleuren en materialen vraagt het interieur? Kleur en transparantie Het is een wijdverbreid misverstand dat een gebouw voor kinderen vraagt om veel of vrolijke kleuren. Wij geloven meer in een sobere balans in het palet van kleuren en materialen voor een school­ interieur. Een harmonieuze balans van kleuren dat rust en samen-­ hang in het gebouw brengt. Gladde witte wanden en plafonds omkaderen de verschillende ruimtelijke werelden in het gebouw, de currykleurige doorgaande vloervelden op hun beurt verbinden ze weer. Met de gekleurde vloervelden hebben we de diversiteit van verschillende ruimtes en gebieden in het gebouw aan elkaar willen koppelen. De kleur versterkt de relatie tussen de ver­ schillende ruimtes en loopt daarom door in klassen, gymzaal, centrale hal en speellokaal. Gelijkertijd wordt de kleur hiermee een belangrijke identiteitsdrager van de wereld in het gebouw. In het sobere kleurenpalet van wit en geel verzelfstandigen de ver­schil­ lende ijkpunten in de centrale hal zich door hun gemate­riali­seerd oppervlak in zwart hout: de conciërgeruimte, centrale keuken en de door ons ontworpen grote picknicktafels. De glazen puien naar het sportdomein worden in het centrale deel van het gebouw ‘uitgelicht’ door groen gekleurd glas. Samen met de vloer een van de weinige echte kleuren in dit gebouw!

124 / 125

een brede school ontwerpen >theo kupers

leven doorbrengen. Zij hebben naar onze stellige overtuiging recht op onderwijsgebouwen waarbij is ingezet op architectonische kwaliteit. Zelfbewuste en uitgesproken gebouwen met een eigen­tijds beeld en een grote ruimtelijke rijkdom. Dit in tegen­stelling tot de reguliere scholenbouw die over het algemeen kinderlijke, risico­mijdende en gezichtsloze gebouwen voortbrengt, nauwelijks te onderscheiden van een gemiddeld verzorgingstehuis. Kinderen hebben recht op accommodaties met voldoende aandacht voor de ruimtelijke beleving. Bij de krappe marges die gelden in de Nederlandse scholenbouw, wordt het behalen van ruimtelijkheid in een ontwerp vooral geaccepteerd als er een duidelijke samen­ hang is met de functionaliteit. De routing in het gebouw is een belangrijk ontwerpaspect om bijvoorbeeld de dagelijkse patronen te doorbreken door verschillende routes naar hetzelfde einddoel te bieden. In het plan is daarom bewust aandacht besteed aan de beweging in het gebouw. Het ontwerp van de beweging door de ruimte is een leidraad geweest bij het positioneren van ruimtes, wanden en trappen. De circulatieruimtes hebben we zoveel mogelijk laten verbreden en verhogen in speellokaal, leerpleinen en andere gebruiksruimten, om de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit in het gebouw te versterken. De centrale hal is een ruimte die behoort tot het collectief, het knooppunt waardoor en waarlangs vele routes zich bewegen. Hier cumuleert het gezamenlijke in het gebouw, een voor het gebouw belangrijke collectieve ruimte die door niemand exclusief wordt geclaimd. Het is het centrale hart van de Wereld op Zuid, dat tijdens de tussenschoolse opvang op slag verandert in een Frans dorpsplein waar de kinderen op bankjes naast elkaar aan gedekte smalle tafels zitten. Na de hectiek van de lunchtijd transformeert het plein weer in een stille open ruimte. Ook de manier waarop het daglicht door de ruimtes in het gebouw speelt, maakt onderdeel uit van het ontwerp. Daglicht bepaalt immers hoe we de ruimtes ervaren. Ook de zichtlijnen en zichtrelaties door het gebouw zijn onderdeel van de beleving van de ruimtelijkheid. Doorzichten naar de speelpleinen en doorzichten – vaak via andere ruimtes naar de patio: de stille oase die op haar beurt een ander domein van het gebouw ordent en van daglicht voorziet –, versterken het gevoel van de ruimte, maar helpen de gebruiker ook te oriënteren in dit complex. Het plezier van een regelmatige afwisseling van ruimtes en licht is voor ieder deel van het gebouw en voor ieder specifiek domein per gebruiker verschillend uitgewerkt. In de specifieke ruimtelijke en organisato­ rische uitwerking van de verschillende domeinen, waarbinnen iedere organisatie optimaal tot zijn recht moet kunnen komen, is het antwoord besloten op de vraag naar behoud van eigen identiteit. De kleuren en afwerkingen van wanden, deuren en vloeren zijn vervolgens binnen deze pluriformiteit van ruimtes in heel het gebouw samenhangend uitgewerkt.


126 / 127

De wereld op en rond het Schereplein Bart Verschaffel en Maarten Van Den Driessche

De wijk Zuidwijk is het product van heldere, consequente planning. De sfeer is niet hectisch, er heerst geen grootstedelijke drukte, men voelt er geen grote densiteit. Het wonen is er uiteengelegd, in een mix van woningen en woningblokken volgens een leesbaar patroon en gescheiden door strepen groen. De wijk wordt bediend door een strip winkels en een reeks van kerken voor de ver­schil­ lende gezindheden, allemaal op wandelafstand. Een woontoren kijkt op de wijk neer, maar voor de rest gaat het om laagbouw. Het Schereplein is een van de groene ruimtes uitgespaard tussen de blokken, bestemd voor publieke voorzieningen en met een park­functie. Het nieuwe scholencomplex van N2 Architekten ver­vangt de bestaande katholieke basisschool Christophoor, gelegen in de zuidwestelijke hoek van het terrein, en brengt deze samen in één gebouw met de openbare basisschool de Toermalijn, een kindercentrum voor dagverblijf en naschoolse opvang, en een dagcentrum voor verstandelijk gehandicapte kinderen, die alle naar het Schereplein verplaatst worden. De beslissing om deze instellingen en voorzieningen in één gebouw onder te brengen, maar ze daarbinnen toch apart te laten functioneren, heeft bijzondere voordelen. De verzelfstandiging van het onderhoud en het beheer van het gebouw en het patrim­onium, los van de pedagogische en zorgende taken van de instellingen, verdeelt rationeel de competenties en de verant­ woordelijkheden over management en pedagogisch corps. Men haalt zo de financiële en organisatorische voordelen van een zekere grootschaligheid, en de maatschappelijke en sociale voor­delen van concentratie en centralisatie van dienstverlening. Dit legt de mechanismen stil waarmee elders scholen via pronkerige architectuur met elkaar gaan concurreren en leerlingen willen werven. Het gaat hier samen met – het voortbestaan van – kleinschalige pedagogische entiteiten, met behoud van hun peda­gogische traditie en eigenheid, en van de microculturen inzake personeelsbeleid, aanpak en gewoontes, inspiratie en aanpak. Dit is zeer positief voor het affectief comfort van kinderen en personeel. Een zekere ‘rationalisatie’ van beheer en gebruik hoeft dus helemaal niet te leiden tot schaalvergroting en identiteitsverlies door fusies op het niveau van de instellingen. Men kan samen­ leven als goede buren en een gebouw delen en samen gebruiken, en qua dienstverlening elkaar aanvullen, zonder tot één organi­ satie te versmelten. Het is belangrijk na te gaan hoe een (relatief) grootschalig architectuurproject de kleinschaligheid respecteert en ruimtelijk concretiseert. N2 Architekten heeft niet gekozen voor paviljoenbouw, waarbij de verschillende gebruikers op één terrein elk een eigen gebouw krijgen, enkel verbonden door het groen en de buitenruimte, en heeft evenmin gekozen voor een gebouw als een blok, dat alle gebruikers onder één dak verenigt, en de eigenheid van elke entiteit naar buiten toe onzichtbaar maakt. Het gebouw is op­gevat als een samengesteld geheel, gemaakt van duidelijk te


deuren of toegangen. De noordelijke gevel is duidelijk de achter­kant van het gebouw, met in het midden de hoge achter­ wand van de sportzaal, en voor het grootste deel nagenoeg blind. (Aan deze zijde zijn de parkeerplaatsen voor­zien). De toegangen tot het gebouw zijn onopvallend in de twee korte zijden van het gebouw gesitueerd: de hoofdingang in een hoek van de westgevel en de Christophoorvleugel, een tweede ingang aan de oostkant, beschermd, in een halfopen binnenkoer. Van op de straat zijn de beide ingangen nauwelijks te zien: men kan dus niet plechtig naderen, of geïmponeerd worden door een deur… Maar de beide zijgevels – de westgevel, en oostelijk de gevels van de binnenkoer – zijn dan wel bekleed met travertijn, wat – temidden van de architectuur van de wijk – het publiek karakter en het belang van het gebouw wel duidelijk aangeeft. Algemeen is zo dat wat betreft de materiaal- en kleurkeuze, en wat betreft de sfeer en toon, het uitzicht of de buitenkant van het gebouw, en het interieur van het complex opvallend contrasteren. Nuchter-zakelijk maar waardig buiten, huiselijk binnen. Het hart van het complex is de gemeenschappelijke inkomsthal met een vide met bovenlicht en rondgang, die van west naar oost dwars door het complex loopt, en de ruimtes van de hoofd­ gebruikers op twee niveaus tegelijk verbindt en uit elkaar haalt. Elke instelling heeft haar eigen domein, dat telkens vanaf de centrale hal begint, met een drempel en een deur. De hal ligt, vanuit elk van de instellingen gezien, ‘buiten’ het eigen terrein. De ruimtes van de verschillende directies en personeel, en de ont­vangruimtes in elk van de vleugels liggen telkens dicht bij de ingang, en dit op het gelijkvloers zowel als op de rondgang op de eerste verdieping. Ze ‘bewaken’ dus de eigen toegang. De gemeenschappelijke centrale hal dient als ‘sluis’ tussen het buitengebied en de scholen, als circulatieruimte, maar ook voor gemeenschappelijke functies. Naast het houten torenpaviljoen voor de conciërge, van waaruit de ontvangst en bewaking voor het gehele gebouw gebeurt, is er immers een tweede houten volume met een keuken in de hal geplaatst, met enkele sets zware tafels en banken. De hal dient tevens als eetzaal: de keuken bedient alle gebruikers. Op de hal sluit gelijkvloers ook een ontmoetings­ruimte en wachtruimte aan, die door de ouders van de twee basisscholen gebruikt kan worden. Boven deze ontmoetingsruimte verbreedt de rondgang zich tot een ruim terras met de media­theek, met leesplekken en een kinderbibliotheek voor iedereen. De centrale hal fungeert zo als een ontmoetingsplaats en is een gedeelde ruimte. Maar ze is wel niet groot genoeg en ook niet aangepast voor collectieve activiteiten: ze is niet geschikt als verzamelplaats of als feestzaal. De Wereld op Zuid slaagt er zo in om een aantal verwante, maar toch verschillende, kleine werelden-voor-kinderen daadwerkelijk samen te brengen en op elkaar te betrekken, zonder ze naar elkaar toe te duwen en te

128 / 129

de wereld op en rond het schereplein >Bart Verschaffel en Maarten Van Den Driessche

onderscheiden vleugels, elk bestemd voor één functie of voor één van de hoofdgebruikers. Enkel in het zuidelijke deel van het gebouw, samen gebruikt door de basisschool de Toermalijn en het kindercentrum met de voorschool en de kinderopvang, is de verdeling van de ruimtes minder leesbaar. Deze verschillende vleugels van het gebouw hebben niet elk een aparte ingang aan de straat en een aparte toegangsweg. Zo zouden de ver­ schillende gebruikers immers het gebouw van verschillende kanten benaderen, betreden en verlaten, het verkeer vooraf gekanali­ seerd worden, en zouden de gebruikers van het gebouw zich niet mengen. Het is inderdaad perfect mogelijk technische en logistieke infrastructuur samen te gebruiken zonder een gemeenschappelijk project, en dus zonder samen te leven. In de Wereld op Zuid sluit elk onderdeel echter binnen in het gebouw rechtstreeks aan op een centrale hal die gemeenschappelijk wordt gebruikt. Die gemeenschappelijkheid representeert echter niet een zware overkoepelende identiteit: het gaat in de eerste plaats om een circulatie- en ontmoetingsruimte. De toegang tot het complex en tot de centrale hal is niet een imposante poort die het geheel van het gebouw naar de straat toe monumentaliseert en offi­ciali­seert, en met één stem voor de gebruikers begint te spreken. De toegangen zijn wel gemeenschappelijk, maar worden niet benadrukt. Het merendeel van de woningblokken in de wijk zijn, geheel volgens de goede planningsprincipes, noord-zuid georiënteerd. De nieuwe school op het Schereplein is gepland op het terrein naast de bestaande school, zo dat die in gebruik kon blijven tot het nieuwe gebouw voltooid is. Het nieuwe gebouw is, net zoals de bestaande school, west-oost georiënteerd: de school keert zich zo naar de wijk. Ze staat dwars op de zichtlijnen tussen de woning­ blokken en wordt daardoor een referentiepunt. Tegelijk past het zich in de ruime omgeving in: het gebouw is uit bruine baksteen, net zoals de meeste woningen rond het plein, en is slechts twee bouwlagen hoog: het is zowat het laagste gebouw van de omgeving. Het gebouw domineert dus niet. Doordat men relatief gemakkelijk over het gebouw heenkijkt, en de achter­liggende gebouwen ziet, voelt het complex en het hele terrein wel aan als een omschreven, compact blok, met een eigen identiteit en een bijzondere functie, en als een soort van centrum. De groenaanleg rondom het gebouw zal dit nog versterken. Een voorbijganger zal door de grote ramen wel zien en allicht snel begrijpen dat het om een school gaat. Maar dat betekent niet dat het gebouw zijn publieke functie exposeert. Het straalt wel een zekere strengheid en getemperde monumentaliteit uit, die de publieke functie van het gebouw doet voelen of vermoeden. Dit bijvoorbeeld doordat de lange zuid- en noordgevel, zij het op een zeer verschillende manier, geheel gesloten zijn. Zuidelijk, dus naar het midden van de wijk toe, toont het gebouw een voorkant van een lange bruine baksteengevel, onderbroken door grote ramen, maar zonder


maar in feite een breed leer- en zorgcentrum voor kinderen is – botst in de sportzaal op een functie die niet past bij de rest van het gebouw. Hoewel architecturaal en planmatig bijzonder knap vormgegeven, zonder overbodige luxe of complexiteit, ontstaat hierdoor toch een spanning of een onbeslistheid. Wat is het hart van het gebouw: een grote huiskamer of een stedelijke, publiek binnenplein? De onduidelijkheid is echter geen probleem, integen­ deel: het feit dat de grootste ruimte en het hart van het scholen­ complex tegelijk ook gewoon de bar van de sportzaal is, redt het gebouw van benepenheid. De sporthal werkt ten opzichte van de school als een soort van ‘realiteitsprincipe’ dat er – zijdelings – aan herinnert dat kinderen wel recht hebben op een school en een Wereld waar ze beschermd zijn, en die er is voor hen, maar dat het ook waar is dat kinderen niet thuishoren in een goed georganiseerde, gelukte ‘kinderwereld’. Ze moeten die ont-­ groeien, en volwassen worden: de échte Wereld op Zuid ligt rond de school.

130 / 131

de wereld op en rond het schereplein >Bart Verschaffel en Maarten Van Den Driessche

forceren. Het gebouw organiseert de ontmoeting, en de gebruikers botsen dus steeds op elkaar: zowel de ouders, de personeelsleden van de verschillende scholen, als de kinderen. Maar de onder­ delen van het gebouw zijn naast elkaar gelegd, ze kijken van elkaar weg en dringen niet in elkaar door. De verschillende gebruikers ontmoeten elkaar in een ‘middengebied’, dat werkt zoals de buitenruimte rond het gebouw, en van een andere schaal is dan de eigen ruimtes, een andere sfeer uitstraalt, en andere functies opneemt. De twee basisscholen gebruiken het beproefd model van klassieke klaslokalen, in de Christophoor langs weerszijden van een middengang geschakeld die regelmatig verbreedt tot een kamer, in de Toermalijn geschikt rond een patio. De ruimtes voor het personeel en de leerkrachten zijn telkens relatief klein: de school is voor de kinderen bedoeld. Naast de klassen zijn ruime binnen­ speelhoeken voorzien, dicht bij de toegangen, waar de kinderen kunnen verblijven tot ze door hun ouders opgehaald worden. Maar deze ruimtes concurreren zeker niet met de centrale hal. De ruimtes van iedere instelling houden een huiselijke maat. De vleugels van de beide basisscholen zijn opgevat als leef- en werkruimtes voor kleine groepen, waarvan de leden elkaar individueel ontmoeten in de gangen en de gemeenschappelijke hal. Er zijn geen binnenruimtes, of eigen buitenruimtes, om de schoolgemeenschap als geheel te verzamelen en te theatraliseren. Bijzonder bepalend voor het complex is de sporthal, die noordelijk naast de centrale hal is gesitueerd, tussen de basis­ school de Christophoor en het dagcentrum Pameijer in. De sobere maar mooie sporthal versterkt de betekenis en de werking van de centrale hal. De hal werkt, ten opzichte van de bijna huiselijke ‘binnen’-ruimtes van de scholen als een soort van ‘buiten’ en als een publieke ruimte. Dit is het gevolg van de dubbele hoogte en de lengte van de zaal, van de veelheid van mogelijke gezichts­ punten, van de sterke presentie van de portiersloge en het keukenblok die opgevat zijn als zelfstandige houten paviljoenen. Maar het is vooral de naastgelegen sportzaal die het karakter van de inkomhal bepaalt. De scheiding tussen beide is een glaswand van slechts één laag hoog, over de ganse lengte, die geheel kan openschuiven. Zo is er dus overal een – weliswaar lage – doorkijk vanuit de inkomhal in de hoge sportzaal, met de twee velden, tribunes, en alle sport- en turntuigen. De doorkijk creëert een schaalbreuk, die het gebouw opentrekt. De inkomhal functioneert immers niet enkel als circulatieruimte en als ‘centrum’ voor de instellingen die werken voor kinderen, maar tezelfdertijd als een – relatief bescheiden – atrium voor een sportzaal, die naast die kinderwereld zeer groot en zelfs bijna overgedimen­ sioneerd aanvoelt. De sportzaal is immers ontworpen en gemaakt voor volwassenen. De sporttoestellen, de basketvelden uitgetekend op de vloer, de tribunes, zijn niet gemaakt voor kinderen. De Wereld op Zuid – die wel een ‘brede school’ genoemd wordt,


patio

132 / 133

1 Gras: Deschampsia cespitosa ëgoldschleierí 120 cm halfschaduw, zon. 3-5 pm2 (10,3 m2) Draagt wolkachtige zilveren bloeiaren boven regelmatige pollen. De halmen zijn licht goudgeel. De hele zomer mooi. Wintergroene pollen 2 Kogeldistel: Echinops ritro ‘veitch blue 120 cm - blauw - jul-aug zon. 7 pm2 (7,1 m2) Grijsgroen blad, paarsblauwe kogelbloemen. Mooi wintersilhouet. 3 Wijfjesvaren: Athyrium niponicum

A Betula utilis ‘Doorenbos’ B Betula nigra, meerstammig

beplantingsplan patio

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

ëMetallicum 35 cm schaduw en halfschaduw. 7 pm2 (11,8 m2) Zilver grijsgroen varenblad en purperen stengels. Vooral geschikt als rand en onderbeplanting. Bladverliezend 4 Gras: Molinia litoralis ‘transparent’ 220 cm half­schaduw, zon. 3 pm2 (4,7 m2) Fraai overhangend is heel luchtig. Prachtig wanneer ze door en over andere planten heen hangt. Geel en oranje herfstkleuren 5 Lunaria rediviva 35 cm schaduw

en halfschaduw. 7 pm2 (9,9 m2) Lichtlila bloempjes gevolgd door plat ovaallangwerpige, zilverkleurige vruchtdozen 6 Grootbladerig: Gunnera tinctoria 250 cm – mei-sept halfschaduw 0,5 pm2 (12 m2) 7 Gras: Sneeuwwitte veldbies: Luzula nivea ‘Schneehaschen’ – wit – 70 cm schaduw en halfschaduw. 7 pm2 (5,7 m2) Prachtig zilverbehaard blad en witte bloeiwijze.


134 / 135

nieuwe situatie

- KSH% 4

fasering op de locatie

ruimtebeslag procentueel per participant

rt spo 13%

lijk 8%

men

geza

- KSH 6%

KD V

ijer 17%

BSO

Pam e

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten Vestia 1% PSZ-Christophoor 2% CW Z PS - % 3 0

15

30

r oo

45

60

7.

9.

ali

3.

jn

13%

8%

To erm

80m

ba 23 sissc % ho ol de

h

lC oo h sc sis ba % 23

ph to ris

6%

2.

4

4%


4

3

3 3

3

A

5

10

15

136 / 137

A

C

20

centrale hal patio lerarenkamer slaapkamer leerplein vestialokaal tribune copy mediatheek vaklokaal ouderruimte kinderkook café jongens meiden

VERDIEPING

begane grond

0

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

4 groepsruimte B Pameijer 5 leerplein C Charlois Welzijn 6 speelplein gymzaal D de Toermalijn78 kleedruimte 9 Hotels concierge E Kinder Service 10 centrale keuken

25m

entree

1

C A Christophoor 2 groepslokaal 3 kantoor

verdieping

Christophoor Pameijer Charlois Welzijn Toermalijn Kinderservice hotels

A B C D E

A

C

3

3

15

2

2

15

2

2

13 14 15 16

2

2

2

15

A

lerarenkamer slaapkamer leerplein vestialokaal

2

1 entree 2 groepslokaal 3 kantoor 4 therapieruimte

2

2

A

2

2

2

15

2

2

16

13

16

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

6

9

C

C

2

leerplein speelplein gymzaal kleedruimte

23

3

18

7

3

3

1

2

2

8

8

9

2

7

13

17 tribune 18 kopieerruimte 19 mediatheek 20 vaklokaal

5 6 7 8

24

22

16

16

17

D

2

21

11

D

2

12

19

B B 12

B B

21

2

7

2

7

2

6

6

12

15

3

3

20

8

8

17

2

2

3

3

2

2

3

2

2

B

2

1

1

3

2

2

13 14

4

14 14

2

3

4

2

14

4

2

4

2

B

21 ouderruimte 22 kinderkookcafé 23 jongens 24 meiden

9 conciërge 10 centrale keuken 11 centrale hal 12 patio

3

D D D D

E

2

13

2

3

3 3

3

A

C

A

C

0

0

5

5


5

10

15

20

25m

138 / 139

doorsnede D

doorsnede B

doorsnede C

0

noordgevel

oostgevel

westgevel

zuidgevel + doorsnede A

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

0

0

5

5

10

10

15

15

20

20

25m

25m


€ 608.000 € 83 € 19 € 1.015.000 v 138 € 31

elektra per m2 per m3 werktuigbouw per m2 per m3

BOUWTIJD juni 2007 - februari 2009

ARCHITECTENSELECTIE juniN22005 architekten bv, Rotterdam

AANNEMER BOUWKUNDIG Van Waning, Rotterdam

ADVIES BOUWFYSICA Adviesbureau Nieman, Rijswijk

ADVIES INSTALLATIES ABT Velp

BIJLAGE 2

€ 6.440.000 € 879 € 199

bouwkundig per m2 per m3

ADVIES CONSTRUCTIES ABT Delft

TUINONTWERP Annemieke Diekman Landschapsarchitecten, Amsterdam

€ 8.063.000 € 1.100 € 249

GEBOUWKOSTEN excl btw totaal per m2 per m3

2008

ARCHITECTUUR N2 Architekten, Rotterdam

2007

7330 m2 32357 m3 4,41 m 0,48

2006

KENGETALLEN bruto vloeroppervlak bruto inhoud bruto inhoud / bvo buitenwandoppervlak / bvo

0 12 17 24 13 11 83 11 9

WK

PROGRAMMA Twee basisscholen/dagverblijf kinderen met verstandelijke beperking /kinderdagverblijf peuterspeelzalen/buitenschoolse opvang/twee gymzalen met tribunes/algemene ruimtes

OPDRACHT ARCHITEKT VOORLOPIG ONTWERP DEFINITIEF ONTWERP BOUWVOORBEREIDING EUROPESE AANBESTEDING PRIJS- EN CONTRACTVORMING UITVOERING & VOORBEREIDING SLOOP OUDE SCHOOL SCHOOLSPEELPLEIN

PLANNING

DE WERELD OP ZUID

SCHETSEN, MAQUETTES, TEKENINGEN >N2 Architekten

planning 090626TK (versie 1).xls

2009

























Verder lezen... Aldo van Eyck, de speelplaatsen en de stad, Liane Lefaivre en Ingeborg de Roode (red.) (Amsterdam/Rotterdam: Stedelijk Museum Amsterdam/NAi Uitgevers, 2002) Er is waarschijnlijk geen architect in Nederland die zoveel heeft bijgedragen aan goede speelvoorzieningen in de stedelijke omgeving als Aldo van Eyck. Tussen 1947 en 1978 ontwierp hij meer dan zevenhonderd speelplaatsen voor de Amsterdamse Dienst Publieke Werken, voor iedere plek een ander ontwerp met een eigen karakter. Het boek bevat prachtige historische foto’s waarin duidelijk wordt hoe de speelplaatsen met de door de architect ontworpen speeltoestellen een plek in de stad veroverden. Met verbluffend eenvoudige middelen wordt de visuele kracht van zijn originele concepten en van zijn sterke ruimtelijke compositie in de stedelijke omgeving duidelijk gemaakt. Het boek legt een verband tussen Van Eyck’s ontwerpen en het naïeve en kinderlijke in de kunststromingen van zijn tijd. Het boek is zeer inspirerend voor iedereen die geïnteresseerd is in speelpleinen en getuigt op alle pagina’s van het liefdevolle ontwerpen van voorzieningen voor kinderen. TK Schoolbuildings: The state of affairs. The Swiss contribution in an international context (Basel: Birkhäuser, 2004) In de jaren tussen 2000 en 2004 werd in Zwitserland een opmerkelijke hoeveelheid nieuwe scholen van een bijzonder hoog niveau gebouwd. Zich bewust van die scholenbouw boom besloot de stad Zürich hier als evaluatie een tentoonstelling aan te wijden waarvan dit boek de catalogus is. Het boek documenteert en analyseert 26 ver­schi­l­lende scholen, waarvan een handvol buiten Zwitserland. Ieder project heeft een korte toelichting, enkele foto’s en duidelijke plattegronden op schaal, waardoor projecten goed vergelijkbaar zijn. De catalogus toont vele prachtige voorbeelden van sobere onderwijs­ gebouwen in eenvoudige bouwmassa’s waarbinnen vaak bijzonder knappe plattegronden, direct bruikbaar voor hedendaagse Nederlandse onder­ wijsconcepten. TK

De school als ontwerp opgave. Schoolarchitectuur in Vlaanderen 1995-2005, Maarten Van Den Driessche en Bart Verschaffel (red.) (Gent: A&S/ books & De Vlaamse Gemeenschap/Team Vlaams Bouwmeester, 2006) De Vlaamse overheid heeft omstreeks 2006 een grote inhaalslag ingezet bij het bouwen van scholen en herstellen van een ‘verouderd schoolpatrimonium’. Vanwege die grote operatie heeft de Vlaams Bouwmeester en de minister van Cultuur aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit van Gent een onderzoeksopdracht gegeven waarvan dit boek de neerslag is. Het perspectief van dit boek is specifiek Vlaams maar overstijgt de grenzen door de inspirerende manier waarop de afzonderlijke wereld in het schoolgebouw met verschillende architectonische elementen wordt geanalyseerd: Muur, poort, koer, gang, directie, klas, lessenaar, refter en zaal. Nederlandse thema’s als ‘moderne onderwijsconcepten’ en ‘brede scholen’ komen hier niet aan de orde. Desondanks levert dit lijvige boek onmisbare denkstof en inspiratie juist voor Nederlandse architecten bij het ontwerpen van gebouwen voor kinderen. TK Marlies Rohmer. Bouwen voor de Next Generator, Marlies Rohmer, met essays van IJsbrand van Veelen en Gijs van Oenen, Anneloes van der Leun en Hans Ibelings (red.) (Rotterdam: NAi Uitgevers, 2007) Al de ideeën en gedachten die Marlies Rohmer heeft met betrekking tot de leefomgeving voor jongeren zijn verwerkt in dit indrukwekkend boekwerk. Het tijdsbeeld waarin jongeren in een stedelijke omgeving opgroeien wordt op vele manieren in beeld gebracht, gelardeerd met prikkelende statements. Het boek is geschreven vanuit een idealistische kijk op de invloed die architectuur kan hebben op gedragingen van mensen. Op een aangenaam optimistische manier worden praktische voorbeelden gegeven van architectonische oplossingen. Een boek dat door de grote hoeveelheid informatie eenvoudigweg niet in één keer uitgelezen kan worden. De onorthodoxe vormgeving van Anton Beeke waarin krantenknipsels, statements, tekeningen en toelichtingen als een

collage door elkaar heen worden geordend, zet aan tot een zappende manier van lezen en is steeds weer opnieuw opgepakt een rijke inspiratiebron voor stedenbouwkundige- en architectonische ontwerpers. TK COMPACT nr 34. Brede scholen voor de wijk (Hilversum: Aedes vereniging van woningcorporaties, 2008) Steeds meer woningcorporaties worden geconfronteerd met de vraag te participeren in het ontwikkelen van brede scholen. Dit themanummer van een tijdschrift voor Nederlandse woning­corporaties, gaat dieper in op het fenomeen brede school. In duidelijke taal wordt uitgelegd wat een brede school nu precies is, welke verschillende soorten er bestaan en wat de rol van corporaties bij de ontwikkeling kan zijn. In twee concrete praktijkvoorbeelden worden valkuilen benoemd en lessen getrokken. Verhelderend voor de Nederlandse situatie en als eerste kennismaking zeer de moeite waard voor met name woningbouw­ verenigingen. TK School gemaakt. Ontwerp en achtergronden van brede scholen in Rotterdam (Rotterdam: Air Foundation, 2008) Dit boek is verschenen ter gelegenheid van een ideeënprijsvraag voor een brede school in Rotterdam en was onderdeel van een overzichtstentoonstelling over Nederlandse brede scholen in het Onderwijsmuseum. Het boek is interessant vanwege de essays van Dolf Broekhuizen en Dorine van Hoogstraten die elk vanuit een ander perspectief de Rotterdamse voortrekkersrol in de scholenbouw schetsen. Broekhuizen licht toe tegen welke sociale problemen de bestuurders in deze stad van oudsher aanlopen en op welke manieren men door de jaren heen heeft geprobeerd basisscholen een rol te laten spelen bij het oplossen hiervan. Van Hoogstraten beschrijft hoe Rotterdam de fysieke bouwopgave van scholen door de tijd heen heeft opgepakt. De stad Rotterdam heeft na de oorlog daad­krachtig zelf standaardscholen ontwikkeld, waarvan er oorspronkelijk twee op het terrein van de Wereld op Zuid stonden. TK