Page 1

Oeuvre tentoonstelling Jean van Lingen

“It’s about the work, nothing but the work”

Rufus Collins (links, met papegaai) tijdens repetities voor ‘Romeo en Julia’

“Rufus riep tegen ons: ‘You people don’t have any discipline!’ Dat trok ik me heel erg aan. Hij zei dat natuurlijk ook om je te triggeren. En nog steeds vind ik discipline heel belangrijk, zonder discipline bereik je niets.” – Marjorie Boston, artistiek directeur MC Theater


“It’s about the work, nothing but the work” – Rufus Collins Als er iets is, dat ons kan laten zien wat dat adagium en de vele generaties die erdoor werden geïnfecteerd hebben opgeleverd, is het wel het oeuvre van Jean van Lingen (1954). De overzichtstentoonstelling toont het werk, niet anders dan het werk van een bevlogen fotograaf die, bijna toevallig, een belangrijk archivaris werd van een revolutionaire ontwikkeling in de Nederlandse theatergeschiedenis. Bijna toevallig, en daarom ook niet systematisch: Jean van Lingen fotografeerde waar hij werd gevraagd en rolde van de ene verbintenis in de andere. Zijn status als hoffotograaf van het cultureel divers theater van Nederland heeft hij dan ook niet alleen te danken aan zijn specifieke kwaliteiten - om mensen van verschillende huidskleur te foto­graferen, bijvoorbeeld - maar ook aan het vertrouwen dat hij wist te winnen van een circuit dat zich ontpopte in en buiten de voetsporen van een paar illustere wegbereiders. Sinds 1984 werkte Van Lingen voor theaterpioniers als Rufus C ­ ollins en Henk Tjon (De Nieuw Amsterdam), Vasif Öngören (Öngören Theater), Felix de Rooij en Norman de Palm (Cosmic Illusions), David Greaves en Nita Liem (Jongerentheater 020) en vele anderen. Aanleiding voor deze overzichtstentoonstelling is een mijlpaal in de ­theatergeschiedenis: de opening van het MC theater in Amsterdam. De laatste generatie die Rufus afleverde maakt nu deel uit van de Rijks basisinfrastructuur en beschikt over zijn eigen, prachtige theater. Nu, 25 jaar nadat Rufus en Jean elkaar leerden kennen, zijn er meer successen te vieren: Rast is 10 jaar geworden, Podium Mozaiek viert zijn 5 jarig jubileum, makers die (sub)culturen mixen verheugen zich in een groeiende populariteit en, als laatste wapenfeit, zien we hun stapsgewijze toetreding tot het schouwburgtoneel. Al toont dat nog lang niet de veelkleurigheid van de Kalverstraat die Rufus voor ogen had… Theater Instituut Nederland is blij dat MC het plan opvatte om deze tentoonstelling te realiseren. Het is een feest der herkenning, die voorstel­ lingen van toen terug te zien en die acteurs van nu, als hele jonge broekjes. Het is heilzaam te zien welke ontwikkelingen er zijn doorgemaakt en wat een variëteit er aan het Nederlandse theaterveld is toegevoegd.

Jean van Lingen, fotograaf van dromen Als ik het WG terrein op kom lopen, staat in de hoek van het T-vormig gebouw een man buiten. Ik zwaai, hij zwaait terug: dat is dus Jean van Lingen: niet zo groot, grijsblauwe trui, spijkerbroek, grijze krullen en bruine ogen: de man die bij toeval het werk van Rufus Collins van De Nieuw Amsterdam is gaan fotograferen. Vanaf 1984 volgt hij als fotograaf wat we nu het cultureel diverse theater noemen. Van Lingen is de huisfotograaf geworden van De Nieuw Amsterdam (DNA). DNA is het gezelschap dat Henk Tjon en Rufus Collins in 1986 oprichtten en dat nu anno 2010 geleid wordt door Sabri Saad El Hamus. Theaterfotograaf is eigenlijk een contradictio in terminis. Theater heeft de vluchtigheid van verhalen, belevenissen, dromen. De voorstelling is gespeeld, leeft voort bij wie het meegemaakt heeft en versmelt in ieders herinnering. Een fotograaf daarentegen bewaart, legt vast, en vangt – in die tijd – dromen op bromide papier. Opkomst van cultureel divers theater in NL De oprichting van DNA volgde op een periode waarin er geëxperimenteerd werd met de vorm, inhoud en professionaliteit van theater door en voor ‘etnische minderheden’. Mike Ho Sam Sooi had, toen hij af­stu­deerde aan de Theaterschool Maastricht, in 1980 de theatergroep Gado Tjo opgericht. Gado Tjo vroeg bij de Raad voor de Kunst (de voorloper van de Raad voor Cultuur) een productiebudget aan en een the­ater­training. Otto Romijn, toenmalig voorzitter van de Raad voor de Kunst en directeur van het Tropentheater bij het KIT haalde Rufus Collins voor deze klus naar Nederland. Romijn

door Nelly van der Geest

kende Collins uit het fringe circuit in Londen. Collins, een Afro-Amerikaan, had in de zestiger jaren bij het Living Theatre gespeeld en maakte eind jaren zeventig met een groep Jamaicanen ‘Black Theatre’ in Londen. De theatercursus, die onder auspiciën van STIPT (Stichting Interculturele Projecten op Theatergebied) werd uitgevoerd, stond open voor alle mensen van kleur die ambities hadden in het theater. Daarmee vormde het de bakermat voor een hele generatie van acteurs, schrijvers en regisseurs, voor wie diversiteit in het theater een vanzelfsprekend uitgangspunt is geworden. Voorafgaand aan deze beweging van the­atermakers, waren er in het Nederlandse theater en op de televisie natuurlijk ook al zwarte acteurs. Maar dat waren eenlingen. Ouderen onder ons zullen zich Donald Jones uit Pension Hommeles (1957) herinneren. Otto Sterman hield in de jaren vijftig voordrachtavonden. Deze acteurs werden ge­type­ cast als dienstmeid, slaaf, bandiet of komische noot en die rollen lagen niet voor het oprapen. Zowel de stereotypering als het gebrek aan dragende rollen waren voor hen een probleem. Othello, de enige zwarte hoofdrol uit het repertoire toneel, werd strijk en zet door een zwart ­geschminkte blanke acteur gespeeld. Met de theatertrainingen van STIPT (1981-1986) werd de weerbaarheid tegen deze manier van kijken vergroot en ontstond een beweging. The Kingdom “Toeval was dat ik een actrice kende die meespeelde in ­The Kingdom. Zij stelde aan Rufus voor dat ik zou fotograferen.” Voor het theaterduo Tjon en Collins werd The Kingdom

“Het stuk had een enorme impact. mensen werden uit het theater ­geblazen. Er gebeurde iets wat in Ne­derland nog nooit vertoond was. Het was écht theater, geworteld in het klassieke. The Kingdom was de Big Bang waar het ‘multicultureel the­ater’ mee is begonnen.”

Dat willen we graag aan een breed publiek tonen: na de opening in het MC theater is de tentoonstelling, vanaf 2011, ook in andere delen van het land te zien. Daarmee wordt een startsein gegeven voor een viertal tentoonstellingen rond de fotografische verbeelding van een vergankelijk medium. Nan van Houte, Theater Instituut Nederland Scene uit ‘The Kingdom’ (tekst Alejo Carpentier, regie Rufus Collins) De Engelenbak, 1984

www.tin.nl

– Maarten van Hinte, regisseur, schrijver bij MC Theater

3


“Het enige dat ik in die foto aan mezelf herken, zijn mijn ringen. Zo groot, dik, echt een monster transformatie. Jean heeft dat echt geweldig gedaan.” – Sabri Saad El Hamus, artistiek leider DNA

Alida Neslo (rechts) en Eugène Bervoets in ‘Bite’ (tekst van Paul Pourveur, bewerking Eugène Bervoets en Alida Neslo; regie Eugène Bervoets, Dirk Groeneveld, Alida Neslo) De Nieuw Amsterdam en ­­ Tie 3 Theater van de Derde Wereld, 1990

V.l.n.r Roel Swanenberg, Sabri Saad El Hamus, Isaäk Hofland en Yahya Gaier in ‘Hadj’ (Pax Islamica V) (concept Sabri Saad el Hamus, regie Sarah Moeremans) De Nieuw Amsterdam, 2009

(1984) de doorbraak naar de Nederlandse theater­ wereld. Van Lingen werd erbij gehaald omdat Rufus Collins ontevreden was met de fotografie. “Ik was gewend om zwarte gezichten te fotograferen. Ik fotografeerde toen vooral jazz musici in het BIMhuis. Ik wist dat zwarte mensen heel verschillend van kleur zijn en zocht in de donkere kamer net zo lang tot ik die nuances wist te treffen: ik was vaak nachten bezig met tegenhouden en doordrukken. Ik was ook gewend aan weinig licht op de vloer en wist hoe het werkte om zwarte musici tegen een zwarte achtergrond te laten uitkomen. Het klikte tussen Rufus en mij. We mochten elkaar, hij gaf me alle ruimte en gebruikte me ook een beetje als wapen. ­Als mensen niet geconcentreerd ­genoeg werkten, liet hij hen dat zien op de foto: ‘Look at this picture!’. Hij liet me ontzettend vrij. Het ging in eerste instantie om persfoto’s voor de première. Al gauw maakte ik ook foto’s tijdens de repetitie, volgde de regisseurs en keek achter de coulissen. Rufus wilde alles documenteren.”

The Kingdom was een Engelenbakproductie met ongeveer dertig ‘amateurs’. Het lukte om een ander publiek naar de voorstelling te trekken: mensen die reageerden op wat er te zien was en zich herkenden in het verhaal. The Kingdom vertelde het verhaal over de slavernij op plantages en het verzet ertegen vanuit het perspectief van de onderdrukten. Het was gebaseerd op de novelle El Reino de este Mundo van Alejo Carpentier. Er werd gewerkt met grote groepsscènes, dansen en rituelen die aan de Afro-Caribische achtergrond waren ontleend. Het bood een andere kijk op kolonisatie. Er stonden dertig acteurs van kleur op het toneel, waarvan velen later een rol in het theater zijn blijven spelen. Maarten van Hinte en Marjorie Boston die later Made in da Shade oprichtten, waaruit MC ontstaan 4

is, ontmoetten elkaar hier. In de voorstelling werd de traditionele scheidslijn overbrugd tussen hoge en lage kunst, tussen cerebraal teksttoneel en veel te zien op de vloer, tussen amateur en professional, tussen klassieke vertelling en volkstoneel. ­ “Collins ging met zijn theater buiten het normale stramien. Hij deed grote projecten, met veel spelers, met muziek, dans en met volkse elementen. Hij haalde theatermakers van over de hele wereld naar Amsterdam om met zijn mensen te werken. Hij deed kleine projecten, zoals Tori’s en Readings. (Tori’s zijn gespeelde verhalen uit de orale tradities van AfroCaribische culturen en dramatic reading is het lezen van nieuwe toneelteksten op het podium. nvdg). Collins introduceerde zwarte Amerikaanse schrijvers: Schutting (Fences) bijvoorbeeld van August Wilson. Dat werd door de pers kapot geschreven op Loek Zonneveld in Vrij Nederland na. Er zou geen humor inzitten, maar tussen die vader en zoon zat een heel bijtende humor, die van de underdog. Dat werd hier niet begrepen. Het was een happening. Daar paste deze fotografie bij. Er gebeurde wat, ook door het publiek, dat niet meer een blank intellectueel publiek was, maar een ander publiek, dat er anders uitzag, dat hard lachte, dat reageerde.” Dromen In de theatertrainingen van STIPT kwamen heel veel dromen over een ander theater en een andere rol voor nieuwe Nederlandse acteurs bij elkaar. Waar Collins nog alle ambities door elkaar droomde, hebben andere makers zich ingezet om een bepaalde droom na te jagen. Vanaf 1986 gingen de deelnemers zich gaandeweg profileren en zag je groepen en ­makers ontstaan met verschillende accenten.

Theater Instituut Nederland

Een strategische droom Waar Collins en Tjon zich richten op het opzetten van een gezelschap en het opbouwen van een eigen idioom en theaterpubliek, besluiten Norman de Palm en Felix de Rooy dat het cultureel diverse theater gebaat is bij een eigen productiehuis annex podium: Cosmic Illusions. Zij wensen het zo gezapige Nederlandse theater op te frissen door een plek te creëren waar meerdere regisseurs kunnen werken en waar ­geëxperimenteerd kan worden. De toenmalige Raad voor de Kunst en Amsterdamse Kunstraad zijn nog niet toe aan twee ‘allochtone gezelschappen’ in het bestel. Dus botst deze droom heftig op de ambities van Collins met DNA. In 1992 dreigt DNA zijn subsidie te verliezen ten gunste van Cosmic Illusions, waar De Palm en De Rooy inmiddels John Leerdam en Micheal Matthews in het artistiek team hebben verwelkomd. Otto Romijn verzet zich tegen deze monopolisering in het cultureel divers theater en weet een bemiddeling bij elkaar te lobbyen. DNA mag blijven bestaan naast het productiehuis Cosmic Illusions, mits er een extra artistiek leider wordt aangetrokken: Alida Neslo doet haar intrede bij DNA.

­

Jean van Lingen blijft als fotograaf betrokken bij beide organisaties. Hij fotografeert de theatrale readings, die als ‘Hollandse Nieuwe’ een plek in Cosmic Illu­ sions vinden en hij fotografeert het werk van Neslo. “Alida Neslo ging meer terug naar de theaterroots, legde meer nadruk op scholing, op techniek. DNA werd meer naar binnen gericht. Dat zie je ook in de foto’s: In die eerste tijd staan er altijd veel mensen op de foto. Onder Neslo worden het meer portretten, ik zoem in op mensen. Maar dat heeft ook met het toneelbeeld te maken. Meestal was het decor sober. En omdat het decor zo eenvoudig was (ook www.tin.nl

“Dit was een project met Eugène ­Bervoets. We hebben samen gestudeerd bij Herman Teirlinck. We hadden al heel lang de wens iets samen te doen. Eugene was net de leider geworden van Tie 3. Dit was een soort multicultureel theater, maar zij zijn al vroeg in de jaren ’70 begonnen. Veel wat er nu gebeurt, heb ik toen al gezien bij Tie 3.” ­ – Alida Neslo, oprichter DNA Lab bij gebrek aan geld), zoemde ik in op mensen. De achtergrond wordt bij het van zo dichtbij fotograferen minder belangrijk, vaak hou ik die onscherp. Ik zoek in mijn beelden naar expressie. Door schade en schande heb ik geleerd waar de grenzen zitten. Ik hou ervan tussen de mensen te fotograferen. Je zit namelijk als fotograaf heel dicht op die emoties van de mensen, die moet je fotograferen, zonder de mensen te verraden, zeker omdat niet iedereen professioneel is. Ik hou er dus rekening mee dat mensen ook esthetisch tot hun recht komen, zeker omdat ik veel met amateurs werk. Een ander element dat voor mij een foto tot een goeie maakt, is dat je om een foto kan grinniken. Ik hou van humor in een foto.” Nieuw talent De grootste kwaliteit van Collins was jong zwart talent te coachen en toegang te verschaffen tot het podium. Alida Neslo versterkt in 1996 deze kwaliteit van DNA. IT’s DNA (internationale theaterschool DNA) komt er als opleidingspoot bij. Het Nederlandse jeugdtheater signaleert in de jaren tachtig de impact van zwart talent voor een gekleurd publiek. Nederland heeft op dat moment een inter­ nationaal erkende levendige jeugdtheatersector. In dit jeugdtheater ontstaat een onderscheid in de benadering van de groepen die de gezelschappen willen bereiken: jeugd tot een jaar of twaalf en jongeren. De theatermakers zoeken de wijken en de scholen op. In wijken zoals de Bijlmer, spreken verhalen door witte opgeleide acteurs niet zomaar tot de verbeelding van de gekleurde jeugd en sluit zeker niet aan bij jongeren. Jongerentheater Artisjok 020 pikt deze trend als eerste op. Met jongeren voor jongeren theater maken wordt hun uitgangspunt. David Greaves, Nita Liem en Marion Schiffers vormen samen Jongerentheater Artisjok 020 en krijgen in 1991 structurele subsidie. 5


Later maakt Theatergroep 020 dankbaar gebruik van regisseurs die het theater hebben leren kennen via de STIPT trainingen en die zich vervolgens hebben geprofessiona­liseerd, zoals bijvoorbeeld John Serkei. In dezelfde tijd ontstaan interculturele jeugdtheatergroepen als Kalebas producties van Wijnand Stomp, die uitmunt in het vertellen van ‘nieuwe’ sprookjes, of groepen als Teatro Munganga en Samba Salad. Daarnaast ontwikkelt zich een interculturele jongerentheater-sector waarin talentontwikkeling centraal staat. In Utrecht ontstaat in 2000 DOX, een bontgekleurd fysiek theatergezelschap. Rotterdams Lef ontstaat als werkgelegenheidsproject en gaat in 2008 samen met Waterhuis en Rotjong op in Siberia, het Rotterdamse stadsgezelschap voor jong Rotterdam. Het Turkse ­gezelschap RAST runt een Jong RAST afdeling in Amsterdam West. Ook in Amsterdam gaat in 2002 ­Likeminds onder leiding van Jarrod Francisco van start. Ze leggen aanvankelijk het accent op hun kweekvijver, maar ontpoppen zich steeds meer als een gezelschap dat op zoek is naar een andere theatertaal. Tenslotte krijgt talentontwikkeling vorm in de MBO opleidingen op gebied van muziek, dans en acteur.

Cross-overs In het interculturele jongerentheater komt ook een derde droom tot rijping. De betrokken jongeren zijn niet alleen geïnteresseerd in het theatraal maken van hun verhalen, maar willen ook muziek, dansen. Vanaf het begin werkt 020 interdisciplinair. Ze spiegelen zich aan een jongerencultuur, die in toenemende mate internationaal wordt met de opkomst van internet. Waar de jongeren zich oriënteren op de Amerikaanse jongerencultuur, brengen de begeleiders elementen in van dansen en rituelen uit culturen van herkomst (bijvoorbeeld Winti elementen) of uit de gevestigde theaterwereld. Het werken met cross-overs vindt een hoogtepunt in de voorstelling Bijlmermeer- Zwanenmeer (2006) van Don’t Hit Mama, de groep die Nita Liem in 2000 opricht. ­ Nita Liem gaat de samenwerking met Het Nationale Ballet aan en dansers uit beide gezelschappen maken met elkaar een voorstelling waarin ze elkaars manier van dansen imiteren en integreren. Parallel lopen filmbeelden waarin de jongeren van Don’t Hit Mama op bezoek gaan bij Het Nationale Ballet. De dansers van Don’t Hit Mama zijn break- and streetdancers, eigen­wijze autodidacten, terwijl de dansers van Het Nationale Ballet zorg-

“Viva Detroit gaat over een player, Sonny. Hij verdient bij door rijke Amerikaanse toeristen aan de haak te slaan. Is het echte liefde of niet? Hij is zich bewust van zijn koloniale positie. Zijn inkomsten komen van die rijke Westerse dames. Maar je kan je afvragen wie het slachtoffer is.” – Paulette Smit, actrice, schrijfster

Paulette Smit en Mike Libanon in ‘Viva Detroit’ (tekst Derek Walcott, regie Rufus Collins) De Nieuw Amsterdam, 1992

6

Theater Instituut Nederland

V.l.n.r. Marcel Faber, Murat Toker, Manoushka Zeegelaar-Breeveld en Ergun Simsek in ‘De terugkeer van Olbyses’ (tekst en regie Saban Öl, muziek Selim Dogru) Theater RAST, 2009

vuldig geselecteerde klassiek opgeleide professionals zijn. De fysieke verwarring die deze ontmoeting brengt, vormt de inhoud van de dansvoorstelling. Jean van Lingen volgt als fotograaf veel jonge makers. “Ik vind het ook heel leuk om jongere makers te fotograferen. Ik heb Glen Faria, Mike Libanon of Yahya Gaier bijvoorbeeld als jongetjes van zo (Jean wijst met zijn hand op heuphoogte) gezien. Ik vind het mooi om mensen te volgen. Ben verrast als ik opeens iemand op tv zie langskomen. Dan ben ik blij dat het gelukt is, dat het werkt, dat je dingen ziet groeien. Dat gebeurt ook juist bij groepen als Don’t Hit Mama en MC. Vooral die clubavonden vind ik inspirerend, daar worden vondsten gedaan, daar is energie. Ik hou, geloof ik, het meest van onaf.” Colourblind casting: het grote toneel op Hoofdrollen spelen op het grote toneel, colour blind opgaan in de spraakmakende gezelschappen is een vierde droom van de theatermakers uit het cultureel diverse circuit. Meral Taygun belichaamde deze droom. Ze kende Collins uit de STIPT periode en richtte met haar man, Vasif Öngören, het Öngören Theater op. “Onze droom was muren doorbreken. We dachten: als we het goed doen, dan nemen we hiermee een plek in tussen de reguliere theatergezelschappen. [...] Dat was ons idee: de acteurs uit ons theater gaan uiteindelijk naar de grote gezelschappen. [...] De positie van de multiculturele gezelschappen is na twintig jaar nog steeds dezelfde. In de marge.” (Meral Taygun in Nieuw, Twintig jaar multicultureel theater, 2006). Nadat Vasif Öngören overlijdt in 1985, wordt Meral Taygun Brecht-docent aan de Amsterdamse toneelschool en zit daarna 15 jaar lang in de directie van de theaterschool. Ze streeft ernaar om de deuren van de theateropleiding open te zetten voor theatermakers van kleur. www.tin.nl

“Bij RAST speelden we vaak stukken over eerste en tweede generatie migranten. Olbyses gaat over een migrant, de held Odysseus, die er tien jaar over doet om weer thuis te komen. Maar thuis voelt hij zich weer niet goed. Olbyses gaat over het verlangen, en de eeuwige vraag naar zichzelf, naar identiteit.” – Murat Toker, acteur

In Nieuw blikt ze teleurgesteld terug. Colour blind cas­ ting heeft nog geen ingang gevonden op het Nederlandse toneel. Inderdaad zien we weinig hoofdrollen bij Toneelgroep Amsterdam, Oostpool of het Nationele Toneel voor Felix Burleson, Raymi Sambo of Paulette Smit. Maar er blijft hoop: tijdens Theaterfestival 2010 (een selectie van de beste voorstellingen van seizoen 2009/2010) staat Nasrdin Char met een grote rol in de voorstelling Branden van het Ro Theater en speelt Jose Klaase naast Dennis Rudge en Fahr Larhzoaoui in de genomineerde jeugdvoorstelling Krijg nou Titus! Op het grootste toneel van Nederland, de televisie, ­ is meer beweging, hoewel de personages af en toe nog stereotype zijn: Burleson kunnen we als begrijpende conciërge bewonderen in de jeugdserie Spangas. ­ Wie kent niet Gerda Havertong van Sesamstraat of Kenneth Herdigein uit Zeg een Aaa. In de tv serie Penoza (2010) speelt Murat Toker (uit RAST) de bijrol van een kleerkast die helpt de boel in elkaar te slaan. Alleen Mimoun Oaïssa (via 020, DNA en de theaterschool) is misschien iemand die zich aan het hokje kan onttrekken: hij speelde in De Vloer Op en had via Shouf Shouf zijn eigen serie en filmsucces. Andere verhalen Ruim 15 jaar na Theater Öngören zijn Turkse theatermakers in staat zich blijvend met een eigen theater­ groep te profileren: in 2001 ontstaat RAST. Het gezelschap wordt geleid door Saban Öl, Celil Toksöz en Gert de Boer. In de jaren tachtig liep Öl ‘als broekje van 19 mee bij Henk Tjon en Rufus Collins en ging in 1989 naar de regieopleiding. Öl richt zich op het ontwikkelen van nieuw repertoire, nieuwe verhalen en nieuwe theatervormen. De voorstelling waarmee RAST diepe indruk heeft w ­ eten te maken is In de schaduw van mijn Vader (2003-2005). De tekst ervoor is geschreven door Bel­gische theaterschrijver Paul Pourveur op basis van materiaal over het 7


“Deze foto is door Jean gemaakt omdat onze eerste voorstelling Shade een coproductie was met DNA. De foto was mijn concept. Ik wilde Rufus in een jurk hebben en ik dacht: “Dat gaat ie noooooit doen.” Allemaal in de kast, om Rufus heen. Hij is de Mother en wij de Children.”

“Bij het Nationale Toneel heb ik hele mooie rollen gespeeld in De Meiden en in Slotkoor. Daarna vroegen zij me om de rol van een dienstmeid te spelen in een stuk van Feydeau. Dat heb ik geweigerd. Zelf vond ik het jammer, want zo vaak stonden er geen zwarte mensen bij de grote gezelschappen op het toneel. Maar die rol was weer zo vooroordeelbevestigend! Ik zei toen: Pas als we net zo vaak gevraagd worden om de rol van koningin als van dienstmeid te spelen, zal ik het doen.”

– Marjorie Boston, artistiek directeur MC Theater

– Helen Kamperveen, actrice

Helen Kamperveen in ‘De Koningin van Paramaribo’ (tekst Clark Accord, regie John Leerdam) Cosmic 1999

leven van Turkse gastarbeiders uit een Atatürk kamp, het logement in Amsterdam Noord waar ze woonden. Het verhaal wordt echter niet als een herkenningsverhaal gebracht: het volgt geen lineaire verhaallijn, het speelt niet rechtstreeks in op sympathie met de underdog. De voorstelling is door de schrijver en de ­regisseur strak gecomponeerd. Pourveur maakt gebruik van twee archetypische vrouwenrollen: Miss Byzantium en Miss World. Miss Byzantium staat voor het grote verleden van Turkije en de oermoederlijke macht van vrouwen over mannen en Miss World vertegenwoordigt de tweede generatie Turkse vrouwen, die de hoop vertegenwoordigen. De mannen spelen met zijn drieën één rol: na­melijk ‘de’ gastarbeider, een zogenaamde ensemble rol. Elke man vertegenwoordigt een andere motief van de gastarbeider om er op uit te trekken. De tekst is cryptisch en poëtisch. Er wordt gespeeld met tijd en taal. Een klein voorbeeld:

2: De taal niet beheersen 1: ‘Bijvoorbeeld’ 2: heb ik bijvoorbeeld 1: nooit begrepen 2: nooit doorgrond. 3: ik sluit mij op in mijn eigen taal. 8

V.l.n.r. Marjorie Boston, Yusuf Daniels, Monique van Hinte, en onder Rufus Collins in 'Shade' (tekst en regie Maarten van Hinte, mimografie Marjorie Boston) De Nieuw Amsterdam en Made in da Shade, 1994

Naast nieuwe toneelteksten op basis van verhalen over migratie herinterpreteert RAST ook klassieke teksten en thema’s. Deze manier van werken heeft Collins indertijd al toegepast in bijvoorbeeld de voorstelling De Koopman van Amsterdam (1988, herbewerking van ­De Koopman van Venetië, Shakespeare). Herinterpretatie van klassieke teksten wordt ook nu door veel cultureel diverse theatermakers toegepast. Jörgen Tjon A Fong zoekt met Urban Myth dat speelveld graag op. RAST maakt bij dergelijke herinterpretaties graag ­gebruik van een groteske speelstijl, soms ontleend aan de Turkse volkscultuur. De terugkeer van Olbyses is daar een voorbeeld van. Dit is een van de weinig keren dat RAST door Jean van Lingen is gedocumenteerd. Van Lingen wijst erop dat deze ‘oeuvre’ tentoonstelling geen echt overzicht geeft van al het cultureel divers theater. “Ik heb hoofdzakelijk in Amsterdam gefotografeerd en dan vooral acteurs wiens roots in het Afrikaanse of ­Caribische gebied liggen. In de tijd dat ik begon, was het een politieke beweging. Er werd met amateurs, alles door elkaar gewerkt. Van het ene contact kwam het andere, via Felix de Rooy en Norman de Palm ben ik Cosmic gaan fotograferen en via John Leerdam ben Theater Instituut Nederland

ik bij 020 terechtgekomen. Daar volgde ik het werk van David Greaves en Nita Liem. Zo ben ik weer bij Don’t Hit Mama gaan fotograferen en word je bekend als iemand die goed met donkere acteurs kan werken. Behalve voor de Varkensfabriek heb ik eigenlijk weinig gefotografeerd buiten de Afro-Latin circuit.” Andere theatertaal Deze laatste droom is misschien wel de meest wijd­ verspreide. In elk van de bovengenoemde dromen, loopt deze droom mee: Voor een ander publiek is ook een andere theatertaal nodig. Sommige theater­ makers hebben het tot kern van hun aanpak gemaakt. In 1996 richten Maarten van Hinte en Marjorie ­Boston de theatergroep Made in da Shade op. Ze willen geen doelgroepentheater meer maken, maar een manier van theater neerzetten die aansluit bij een jong divers publiek, waar clubcultuur, uitgaan en ­theater naadloos in elkaar worden verweven. Onder de vlag van DNA maakt Van Hinte Shade, waarin Rufus Collins – dan al heel ziek – meespeelt. Made in da Shade werkt multidisciplinair, ze mixen straattaal en officiële taal door elkaar, zijn geïnspireerd door de hiphop, ontwikkelen nieuwe thema’s en weten een jong publiek aan zich te binden. www.tin.nl

Als het bestuur van Cosmic na het vertrek van John Leerdam de leiding van Made in da Shade vraagt het leiderschap over te nemen, volgt in 2007 een fusie tussen de twee gezelschappen tot MC. Hiermee worden ze in 2008 het Amsterdamse stadsgezelschap, opgenomen in de basisinfrastructuur, dat zich richt op een grootstedelijke manier van theater maken. Ze vinden hun plek op het Westergasterrein. Een van hun eerste voorstel­ling onder MC is Friezen, geschreven door Aliza Tekofsky. Zij behandelt het thema familie met een hilarische twist: de geadopteerde Takele heeft zijn chat vriendin Esmee voorgelogen. Zij denkt dat hij een getraumatiseerde vluchteling is en hij zoekt een manier haar te vertellen dat hij geen geboren maar wel een getogen Fries is. Het Friese accent van Ignaro Petronilia klinkt volmondig en draagt bij aan het op het verkeerde been zetten van het publiek. MC biedt jonge makers de kans om zich te ontwikkelen en zet vol overtuiging de Hollandse Nieuwetraditie van Cosmic voort, waarin nieuwe teksten voor theater worden ontwikkeld. Naast de hiphop georiënteerde urban stijl zoekt ook een theaterstijl die gebaseerd is op fysiek enter­ tainment zich een weg in het cultureel diverse 9


theater. Eerder noemde ik al een spektakel aanpak in sommige RAST voorstellingen, maar Theatergroep ISH met zijn dans, skates, muziek en tricks is daar zeker ook een voorbeeld van. Jean van Lingen is in 1996 niet meegegaan als fotograaf met Made in da Shade. Hij hoorde toen bij de oude garde. Nu MC een stadsgezelschap is, is hij teruggevraagd om te komen fotograferen. Ook deze droom legt hij – inmiddels digitaal – vast. Trouw? Rest de vraag waarom Jean van Lingen in al die jaren zo trouw is gebleven aan het cultureel diverse theater. Is dat toeval of lot? “Ja en nee. Het was toeval dat ik bij The Kingdom kwam, maar het is niet voor niks dat ik Jean heet, was je dat opgevallen? Mijn moeder is geboren in Conakry (Frans Guinee) en heeft daar 8 jaar gewoond. Je moet je daar de sfeer van een klassiek kolonistenleven bij voorstellen.

Later is ze bij de familie op Guadaloupe, die daar plantages hadden, gaan wonen en toen ze volwassen was, is zij een hotel in Alpe d’Huez gaan runnen. Mijn vader was eigenlijk een hippie avant la lettre, hij ging in de jaren ’50 liften en kwam bij een bandje waar hij bassist werd. Een van de schnabbels van dat bandje was spelen in het hotel van mijn moeder. Maar omdat hij toch niet echt een musicus was, is hij blijven hangen en heeft hij wat met mijn moeder gekregen, die toen nog getrouwd was. Toen mijn moeder failliet ging, is ze ondergedoken bij de familie van mijn vader in Amsterdam, gevlucht voor de Franse schuldei­sers. Ik was vier. Ik had dus de Franse nationaliteit en naam van de eerste man van mijn moeder. Pas op mijn 18e ben ik Nederlander geworden. Ik ben dus als illegale allochtoon in Nederland begonnen.” “Ik ben een autodidact, net als veel van de makers uit deze beweging. Ik was antropologie gaan studeren na mijn eindexamen, maar kwam er in het laatste jaar van de studie achter dat ontwikkelingswerk niks

voor mij was. Op reis door Latijns Amerika ben ik toen mijn eerste foto’s gaan maken. Bij fotografie is het een kwestie van kijken en wachten op het juiste moment. Ik ben wel, toen ik in het BIM huis al die jazz foto’s maakte, heel veel in het Stedelijk Museum in de bibliotheek fotoboeken gaan kijken. Eindeloos kijken – bij Brassai en Bresson van Magnum, Robert Frank of Doisneau daar zit mijn inspiratie: sociale fotografie met kunst composities. Voor de journalistieke fotografie was ik te traag: ik wil niet voordringen, twee rolletjes volschieten en weer wegwezen. Want zo gaat dat. Ik blijf hangen tot ik een paar mooie foto’s heb. Laatst bij een dansperformance was ik ook op de vloer aan het fotograferen, kom ik weer krakend uit zo’n houding omhoog, kijkt zo’n jonge gast me aan met een blik van: ja opa... ja. Maar ik heb het allemaal wel voorbij zien gaan. Ik ben er altijd bij geweest: ik heb het helemaal meebeleefd: ik kijk.”

“Het was het theater van de eenvoud. Gespeeld bij DNA, wat een beetje mijn huisgezelschap is. Ik ben blij dat ik dit soort stukken heb mogen spelen.”

Nelly van der Geest Nelly van der Geest volgt en stimuleert al jaren de diversiteit in het theater. Ze is opgeleid als socioloog (UU), theaterdocent (HKU) en adviseur (SIOO). Haar werk richt zich op mensen, projecten en ontwikkelingen op het snijvlak van kunst en samenleving. Naast haar adviespraktijk werkt ze als docent aan de HKU en als directeur van het Centrum voor Interculturele Studies.

“Op de foto speel ik Latifah. Zij wordt moslim en draagt een hoofddoek. De meisjes met een hoofddoek mogen niks, ze moeten de hele tijd binnen blijven. Ze hebben een soort koorfunctie, aan de zijlijn geven ze commentaar op de situatie.”

– Felix Burleson, acteur

– Mohammed Azaay, theatermaker

V.l.n.r. Mohammed Azaay en Karim el Guennouni in ‘Het spreekuur’ (concept Karim el Guennouni en Mohammed Azaay, regie Leopold Witte) De Varkensfabriek, 2007

Felix Burleson en Ed Gumbs in ‘Egoli, stad van goud, haat en ellende’ (tekst Matsemela Manaka, regie Rufus Collins) Komitee Zuidelijk Afrika, 1984

10

Theater Instituut Nederland

www.tin.nl

11


Colofon Deze uitgave hoort bij de oeuvre tentoonstelling Jean van Lingen, ontwikkeld door MC Theater en Theater Instituut Nederland.

Samenstelling en redactie: Theater Instituut Nederland Met medewerking van Nelly van der Geest Eveleen Hamers Alida Neslo Sabri Saad El Hamus Marjorie Boston Maarten van Hinte Felix Burleson Paulette Smit Mohammed Azaay Murat Toker Helen Kamperveen Met dank aan Honey Eavis Yahya Gaier Ontwerp en opmaak Atelier van GOG Fotografie Jean van Lingen

Jean van Lingen, foto: Anna van Lingen

Drukwerk Spinhex Industries www.TIN.nl

“Jean van Lingen is de lens van het multicultureel theater. Het geweten kan ie niet zijn; dat zijn wij zelf. Hij registreert. Ik ben het gaan waarderen, dat hij dat fotografisch geheugen is. Als Jean komt te over­ lijden, zeg ik: ‘Gelukkig hebben we ­de foto’s nog!’” – Sabri Saad El Hamus, artistiek leider DNA

Sarphatistraat 53 1018 EW Amsterdam Nederland Postadres Theater Instituut Nederland Postbus 10783 1001 ET Amsterdam Nederland T 020 551 33 00 F 020 551 33 03 E info@tin.nl

Jean van Lingen, cahier  

Cahier behorende bij de oeuvre-tentoonstelling van Jean van Lingen in het MC Theater in Amsterdam, ontwikkeld door MC Theater en Theater Ins...