Page 1

Vooruitblik

Stipo 20jaar

De leidende thema’s voor de komende vijf jaar vrijdag 15 november 2013, 13.00 – 20.00, Zomerhofstraat 84, 3032 CM Rotterdam www.stipo.nl kantoor@stipo.nl


2

drie partners van Stipo De

spreken over verleden, heden en toekomst

//SAMEN WERKEN// Hans, Arie en Jeroen hebben met elkaar gemeen dat ze liever vooruit kijken dan stil staan bij het verleden. Spreken over de geschiedenis van Stipo doen zij in hoog tempo. Het gaat over hun inzet en passie voor stedelijke samenlevingen en over concrete projecten, waar in samenwerking met anderen, betekenisvolle resultaten zijn bereikt. Dat blijkt al met al een grote reeks en dus:

//LATEN ZIEN EN VERDER KIJKEN// Voor het debat en de ontmoeting op de 15e zijn markante projecten in een tijdlijn gezet. De poster krijgt u 15 november mee. Voor de drie partners is 20 jaar Stipo de reden om wat persoonlijke accenten te zetten.


3

H A NS K A RSSENBERG

Hans Karssenberg geeft als founder van Stipo aan dat de liefde voor de stad al dateert van kinds af aan. Zijn ouders ‘suburbaniseerden’ en voor Hans ontstond daardoor het verlangen naar de stad. Daarop volgde de liefde voor het vak vanaf het moment dat hij in Amsterdam colleges planologie kreeg van Geer Koopmans, medeoprichter van Stipo en veel te vroeg overleden. Samen wilden ze werken vanuit de gedachte ‘het kan en moet zoveel beter, de ideeënrijkdom moet groter, de ambitie steviger, het openbare domein een hogere kwaliteit. De verwondering van het begin zit er nog steeds in. Waarom is het in de praktijk niet vanzelfsprekender te werken aan een goede stad, aan goede dorpen en landschappen, aan kwaliteiten die decennia mee gaan, aan de ziel van de plek en aan co-creatie in netwerken. Actuele begrippen als creativiteit, kennismobilisatie en co-makership vormden vanaf het begin de basis en zijn nog steeds de kernwaarden van de passie waarmee wordt gewerkt. Integriteit en hart hebben voor de zaak -een gemeenschap, een gebied, de beweging naar kansen en identiteit en duurzame ontwikkelingen zijn hiermee verbonden. Gaandeweg heeft hij ontdekt dat idealisme en een zakelijke strategie samen kunnen gaan. Het plezier om werkelijk beweging en verandering op gang te kunnen brengen motiveert hem elke keer weer om een extra stap zetten, een extra inspanning te leveren, ook nu door de crisis de context complexer is geworden.

A R I E VA N D E R H A M

In 2003 sloot Arie zich aan bij Stipo vanuit zijn drive aandacht te hebben en houden voor het samenleven van mensen in onze maatschappij en hoe overheden en organisaties als corporaties daarmee omgaan. Het is vooral vanuit die maatschappelijke betrokkenheid dat hij uitkijkt naar de komende vijf jaar waar een duidelijk nieuw en krachtig appèl op een sociale samenleving moet worden gedaan! Prachtig dat inwoners weer het heft in handen kunnen en willen nemen. Maar ook een hele opgave voor de maatschappelijke organisaties om daar écht ruimte voor te geven. Denken en doen zijn daarbij verbonden. Door alle bezuinigingen op maatschappelijk- en welzijnswerk ontstaan in vele wijken steeds meer problemen. Overheid en inwoners moeten daar samen oplossingen voor vinden. Dat is een belangrijk aandachtspunt in de komende transities op het gebied van jeugdzorg, participatie en WMO, waarbij het aantal beroepskrachten fors gereduceerd zal worden. De eerstelijnsvoorzieningen spelen daarbij een belangrijke rol. Op hen zal extra een beroep worden gedaan. Wat Arie opvalt is dat oplossingen overal maatwerk vereisen en er dus overal anders uitzien. Er zijn wel grenzen aan wat een samenleving aan kan, vindt hij. Het is een gezamenlijke drive van Hans, Arie en Jeroen om elk, op een eigen wijze, steeds mogelijkheden te zien de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Voor Arie geldt dat het hem werkplezier geeft om mensen in een proces te betrekken en daaruit met elkaar nieuwe kracht te vinden en dit om te zetten in waardevolle vernieuwingen.

J E R O E N L AV E N

Rotterdam, zijn grote liefde als stad, loopt als een rode draad door zijn enthousiasme over het vak en zijn inbreng bij Stipo. Als laatste in de rij werd hij, na jarenlang voor de Gemeente en het Rijk te hebben gewerkt, 6 jaar geleden partner. Vanuit de Stipo-aanpak, waarin inhoud, organisatie en (strategische) realisatie in wisselwerking met elkaar zijn verbonden, spreekt Jeroen vooral over de kracht die samen met (nieuwe) partners kan worden ontwikkeld. Er ontstaan geheel nieuwe kennis en inzichten, die voor stedelijke vernieuwing nieuwe disciplines opleveren. Maatschappelijk ondernemen, als inspiratiebron voor nieuwe investeringen, komt hij in het Rotterdamse Zomerhofkwartier bijna dagelijks tegen. De aanpak van Stipo om, samen met Havensteder en andere partners ook in dit gebied duurzame verbeteringen te realiseren, vereist dat alle spelers (woningbouwcorporatie, gemeente, ondernemers en bewoners) hun krachten bundelen. Traditionele rollen bestaan niet meer en dat geldt volgens hem ook voor de adviseurs. Die zullen steeds meer co-financier, inhoudelijk deskundige en partner in projecten worden. Een plek als ZoHo, waar ruimte voor experiment wordt gekoppeld aan focus op kwaliteit, schept daarvoor kansen. Nieuwe investeringen met bestaande euro’s, met een rol voor andere investeerders krijgen en leveren een andere investeringsagenda op voor de stedelijke ontwikkeling. In Zoho wordt die zichtbaar en dit verdient navolging in andere sociaal- economische gebiedsontwikkelingen.


Stipo Team

4

Het denkt vooruit

Een organisatie die actief is in ruimtelijke, sociale, economische en culturele strategieën voor steden, wijken en regio’s voelt meteen de veranderingen in de samenleving. Het Stipo team denkt vooruit over de nieuwe krachten in de samenleving en werkt met veel partijen samen om deze inzichten te delen en uit te werken. Voor Stipo is de omslag van ‘stad maken’ naar ‘stad zijn’ een wezenlijke verandering. De komende jaren staan in het teken van het steeds heruitvinden en doorontwikkelen van de bestaande steden. Dit vraagt om een andere aanpak dan bij het uitbreiden van steden, zoals vroeger. Vanuit een oplossingsgerichte aanpak zoeken we nu naar co-creatie, het aanboren van ideeën rijkdom, het aangaan van nieuwe allianties en de directe verbinding tussen veel partijen. Juist bij ‘stad zijn’ is het publieke domein belangrijk. Dit bindt de mensen. Het gaat dan om de fysieke verschijningsvorm van de openbare ruimte en om de sociale en maatschappelijke ontmoetingsruimte. De stad, wijk, de

Aan het woord zijn, respectievelijk:

GEMEENTEN

MAATSCHAPPELIJKE ONDERNEMERS

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN

gebouwen, de functies, de openbare ruimte, vormen een belevingsruimte waar naast functionaliteit ook emoties een rol spelen. Steeds meer gaan we van de macht van enkele dominante spelers naar de kracht van een netwerksamenleving waar veel partijen met elkaar de stedelijke samenleving vormgeven. De

WELZIJNSORGANISATIE

sterke rol van de overheid en verschuift naar een samenspel met

WONINGCORPORATIES

meerdere partijen en meer burgerinitiatieven. Er blijven wel

ZORGINSTELLING

belangrijke overheidstaken bestaan zoals het blijven opkomen voor groepen in de samenleving die steun nodig hebben en voor het uitzetten van lijnen voor relevante maatschappelijke zaken. Maar de balans wordt anders. De stap van de geplande naar de geleefde stad vraagt om andere werkwijzen en andere vormen van samenwerking. Het woord is aan enkele spelers die midden in deze veranderingen staan om hun inzichten te delen en ook de thema’s te benoemen die voor de agenda van de komende vijf jaar relevant zijn.


5


6

Stef Fleischeuer,

Directeur Vestigingsklimaat Tilburg, blikt 5 jaar vooruit en ziet dat mede door de crisis - de ‘focus op de stad’ weer veel scherper is geworden. Naast de noodzaak van gentrification van de stad en het versterken van het vestigingsklimaat, is ‘binding met de stad’ belangrijk geworden.


7

Stef is van mening dat er nog teveel wordt gedacht aan ‘hoe de stad zou moeten zijn’, waarbij een toekomstbeeld centraal staat. Hij voegt daaraan toe, dat de mogelijkheid van (grootschalige) interventies in de stad steeds kleiner word: “De bestaande stad is veel belangrijker geworden en voor de komende 20 jaar is de bestaande stad een gegeven. De opgave is nu om de stad van binnenuit sterker te maken. Dit zou men moeten doen door meer rekening te houden met wat er is op dit moment al in de stad aanwezig is en te onderzoeken, waar de kansen voor de stad liggen’. Het is om deze reden een razend moeilijke, maar tegelijk ook een erg spannende tijd voor bijvoorbeeld stedenbouwkundigen. Vroeger verkondigden zij de ‘waarheid’: “Zo zit de stad in elkaar en zo gaat hij zich verder ontwikkelen”. In een dergelijke ‘blauwdrukplanning’ schuilt het gevaar van ‘starheid van de stedenbouw’. Een stedenbouwer dient zijn expertise nu nadrukkelijk in te leiden en zijn meerwaarde te bewijzen, want volgens Stef is het wel degelijk belangrijk om met een goede stedenbouwkundige visie een gebied of een opgave te lijf te gaan. Aan de ene kant dient men nu een soort adaptievermogen te hebben, waarbij luisteren en interpreteren centraal staan. En aan de andere kant moet men mensen kunnen meenemen in het ‘waarom’ van een stedenbouwkundige oplossing: het vertalen en terugkoppelen. Naast de stedenbouwkunde expertise zijn er dus andere competenties bijgekomen, waarmee op een volstrekt andere manier moet worden omgegaan. “Uitsluitend je eigen waarheid verkondigen, is gedoemd te mislukken, los van het feit of mensen dit pikken: de situatie is er gewoon niet meer naar!”. Op de vraag welke partners in dit proces een rol zullen spelen, geeft Stef aan dat bedrijven, zoals Stipo, hierin belangrijk zijn. Dit heeft volgens hem te maken met de manier van kijken naar de stad. Stef kan in dit verband worden beschouwd als een belangrijke schakel tussen ‘oud’ en ‘nieuw denken’ over steden. Hij was betrokken bij de opbouw van Rotterdam vanuit zijn functie bij het

OBR (Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam), maar heeft in recente jaren meer de rol van ‘stakeholder’ op zich genomen, mede omdat zijn affiniteit is veranderd. De fase van ‘stad zijn’, die volgt op de fase van ‘de stad maken’, vindt hij erg spannend. Stef geeft aan, dat hij - ondanks het feit dat hij nog steeds een ‘publiek’ mens is - in de afgelopen jaren een beetje is losgekomen van het ‘gemeentelijke frame’. Hij vindt de rol van de (stedelijke) overheid erg belangrijk, maar ziet ook het belang van partners en stakeholders in de stad. Hun belangen worden door gemeenten vaak wel erkend, maar in de praktijk blijkt dit meestal weerbarstige materie te zijn: “Om het proces echt goed vorm te geven, heb je stakeholders nodig en nu ik er zelf ééntje van ben, vind ik dit des te spannender. Je zult vanuit die rol en de creativiteit die je kunt ontwikkelen, de gemeente moeten blijven bestoken om hen los te maken van de denkramen en eigen patronen”. Kortom, Stef voorziet dat er in de toekomst een complexe, maar toch positieve samenwerking zal (blijven) bestaan


8

Egbert de Vries,

is vice voorzitter van het dagelijkse bestuur van Stadsdeel-Zuid. De portefeuilles die tot zijn verantwoordelijkheid behoren, hebben zowel een fysieke (ruimtelijke ordening bv) als een sociale dimensie (coรถrdinator WMO).


9

Stadsdeel Zuid bestaat uit een groot gebied met veel verschillen. Van het rustige en groene Buitenveldert, of de levendige Pijp, tot de indrukwekkende Zuidas. Vanuit Stipo is de samenwerking met hem ervaren als een bestuurder die veel ruimte geeft en gelijktijdig inspirerende kaders meegeeft voor de realisatie. Dit is een onderwerp waar Egbert de Vries met enthousiasme over spreekt. Bij de start van deze bestuursperiode kondigde de crisis zich al aan en waren de eerste consequenties duidelijk voelbaar. In die zin heeft hij de afgelopen jaren vorm en inhoud kunnen geven aan het sturen op de samenhang van de sociale en fysieke thema’s. Dat vraagt naar zijn mening om een aantal eigenschappen, zowel ambtelijk als bestuurlijk, die de komende jaren relevant zullen blijven. Alleen procesmatig de lijn zetten en sturen op control, zonder inhoudelijke kaders, daar bouw je geen stad mee. Gelijktijdig is er in Amsterdam een klimaat, waarin perspectiefvolle initiatieven door andere spelers worden ontwikkeld en aan het bestuur aangeboden. Egbert pleit ervoor, hoewel dat niet altijd eenvoudig is, als bestuurder de tijd en de ruimte te nemen om hier aandacht aan te schenken. Actieve bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties nemen een initiërende rol en vragen vanuit die insteek betrokkenheid van de gemeente. Een terugtredende overheid is daarin niet altijd het goede antwoord; samen optrekken en werken aan realisatie biedt meer rendement. Ook bij die gezamenlijke transformatie blijven spelregels relevant. Goede afspraken over delen van het ‘eigenaarschap’ van een proces blijven van belang. Geparkeerde financiële middelen inzetten op nieuwe prioriteiten, soms letterlijk op een andere locatie, stimuleert de overige partners. Waar vroeger de nadruk lag op braakliggende gebieden gaat het tegenwoordig meer om herontwikkeling. Maatwerk, consistent zijn en vertrouwen

zijn succesfactoren. Met enthousiasme vertelt hij over voorbeelden (Vondelpark, P.C. Hooftstraat e.a.) waarin dit concreet aan de orde was. Het slim benutten van (tijdelijk) leegstaand vastgoed is een ander voorbeeld. Tenslotte stelt hij vast dat het vinden van nieuwe antwoorden op nieuwe vragen ook andere competenties wenselijk maakt bij toekomstige bestuurders en ambtelijke organisaties. Ook vanuit die invalshoek onderstreept hij de rol van Stipo om als ‘eigenaar’ van vernieuwing aan de weg te blijven timmeren.


10

Egbert Fransen

‘Vertel de verhalen en leer van elkaar’ zo valt te lezen in het voorwoord van Egbert Fransen, directeur Pakhuis de Zwijger, bij het september nummer van de ‘Stad in Transitie’.


11

Het bleek meer dan de moeite waard om van het Rotterdamse naar het Amsterdamse te treinen en daarover meer te horen. Kennis delen en samenbrengen door het organiseren van spannende ontmoetingen, zo licht Egbert toe, werkt echt. De nieuwe communicatietechnieken laten grenzen vervagen en brengen de beleving van een stad in transitie dichterbij. Zij maken een belangrijk deel uit van de mogelijkheden in het huidige tijdsgewricht. Dat neemt niet weg dat hij, terugkijkend naar de ontwikkeling van Pakhuis de Zwijger, ook toen steeds mogelijkheden heeft gevonden om een onafhankelijk platform te zijn voor creatie en innovatie. De uitkomsten hiervan zijn, wat hem betreft niet alleen voor Amsterdam relevant. De ‘lessons learned’ zijn evenzeer van betekenis voor andere steden, regio’s en landelijke ontwikkelingen. Financiering blijft lastig omdat neutraliteit in combinatie met het brede onderwerp van ‘transitie’, het niet makkelijk maakt structurele subsidies te verwerven. Biza is overigens een financier die de genoemde uitganspunten waardeert en is dus voor hem als partners relevant. Juist in de toekomende jaren zal het belang van clubs als Pakhuis de Zwijger toenemen; Egbert hoopt dat dit ook in financiële zin een vertaling krijgt. Mensen op een andere manier naar de werkelijkheid laten kijken, waardoor nieuwe kansen en energie ontstaat, heeft aantoonbare meerwaarde, zo licht Egbert toe. Deze ervaringen vertalen, bijvoorbeeld ook naar het onderwijs, zijn belangrijke volgende stappen in de doorontwikkeling van organisaties als Stipo (en Pakhuis de Zwijger). Er lijkt een tijd te ontstaan waarin niet alleen de ‘klassieke professional’ aan zet is maar zeker ook de ‘amateur professional’. Dat geldt ook voor anderen, die oplossingen bedenken voor de complexe vraagstukken van onze stedelijke samenleving, met veel aandacht voor open design, co-creatie en design thinking.

De oproep van Egbert is voor de komende tijd: verlaat met z’n allen de ivoren torens en comfort zones. Koplopers verdienen daarin support, de geijkte manieren van bijvoorbeeld overheidssteun, sluiten daarop vaak nog onvoldoende aan. Gezamenlijke eigenaarschap staat nog in de kinderschoenen maar zal relevanter worden. Dat geldt voor de gemeenten, het ‘grote’ bedrijfsleven, het MKB, maatschappelijke organisatie en bewonersinitiatieven. Dit krachtenveld vraagt aandacht, ook bij de transitie van het openbaar bestuur; hij kijkt er naar uit om dit onderwerp op de 15e plenair aan de orde te stellen. Arnhem is bijvoorbeeld een stad waar de uitleggebieden met aanmerkelijk minder overheidsmiddelen toekunnen dan de wijken in de binnenstad. Een zelfvoorzienende aanpak vindt hij een belangrijke les. Hij ziet dit als een mogelijk model voor een toekomstige aanpak. En Stipo, ook al door zijn vestigingen in de AMRO-steden (Amsterdam / Rotterdam) kan juist door die verschillende wortels een belangrijke adviesrol vervullen.


12

Maurice Specht,

is een echte duizendpoot. De officiële titel, die hij zichzelf geeft, is: ‘onderzoeker’, maar daarnaast doet hij veel meer: hij is een echte pionier, gefascineerd door de vraag: ‘Hoe ‘maken’ mensen de stad?’


13

Een van de initiatieven waar hij met velen anderen initiatiefnemer van was is de ‘Leeszaal’ een publieke plek, gestart naar aanleiding van het sluiten van de bibliotheek in Rotterdam, maar niet met de intentie om een nieuwe bibliotheek te creëren. Het is een plek, waarbij het draait om taal, cultuur en verbeelding en waar iedereen welkom is. Onder voorwaarden is het mogelijk om de ‘Leeszaal’ af te huren, maar regel hierbij is, dat de voordeur altijd open blijft staan, omdat het bovenal een publieke plek is en moet blijven. Maurice Specht wil graag in een ‘lightweight’ organisatieverband werken: een structuur, waarin hij zich gemakkelijk kan bewegen. ‘Ik wil geen vaste verbanden en een lage huur, die niet als een ‘last’ voelt. Ik wil ook geen vast personeel, omdat dit me beperkt in mijn bewegingsvrijheid. De reden, waarom ik voor mezelf ben gaan werken en niet binnen de universiteit, is dat de laatste een ‘setting’ is, die voor mij te traag werkt, teveel hecht aan vaste patronen, vooral gericht is op publiceren en te weinig op ‘naar buiten treden’. In het verleden heb ik in die structuur gezeten en ik heb daar bewust afstand van genomen. Ik zou daar ook niet zomaar weer in terug willen, alleen maar omdat het financieel wellicht aantrekkelijker of zekerder is’. Wanneer je iets wilt opzetten, krijg je te maken met bestaande structuren, regelgeving, het systeem. Sommigen zien dit als een belemmering en stellen: ‘We gaan het systeem niet aanpassen, maar we beginnen met een nieuw systeem ernaast’. Maurice is van mening, dat wanneer je je in het publieke domein begeeft, ook dan altijd bestaande systemen zult blijven ‘raken’. De vraag is dan aan de orde, of de voorziening tijdelijk of structureel is. Bij de ‘Leeszaal’ was bij voorbaat duidelijk, dat vanwege het tijdelijke karakter, zij met een ander soort regelgeving te maken kregen. Tijdens de onderhandelingen heeft Maurice grote delen van het contract herschreven, waardoor het bestaande systeem meer naar zijn eigen hand is gezet. Op de vraag of Maurice in de toekomst andere spelers en/of partners ziet, geeft hij aan: ‘Door bijvoorbeeld de ‘Leeszaal’ voort te blijven zetten, dwing je allerlei

partijen in de omgeving het project serieus te nemen. Vroeger was burgerparticipatie ‘iets leuks erbij’, maar door de huidige betekenis neemt de relevantie toe. Wat betekent dat voor spelers in de buurt, en hoe dwing je ze, dat zijzelf ook gaan nadenken over hun rol?’ De ‘Leeszaal” ontvangt bijvoorbeeld geen subsidie van de (deel)gemeente, terwijl zij ons waarschijnlijk wel graag zouden willen supporten. Wij figureren namelijk geregeld in verhalen van de gemeente over hoe een participatiesamenleving er uit zou (moeten) zien. Wij hebben de gemeente echter niet nodig, en dat is fijn omdat wij zelf graag willen uitmaken, wie of wat we willen worden. Dat wisten we namelijk nog niet toen we open gingen. Dat is iets waar een overheid moeilijk mee weet om te gaan en door dichte relaties met hen aan te gaan, loop je het risico, dat je door derden wordt gedefinieerd. Dat je relaties aan moet gaan, is een gegeven: de Leeszaal kan alleen maar functioneren bij de gratie van 85 vrijwilligers en allerlei mensen daarbuiten’. De vraag, die volgens Maurice meer van belang is, is: ‘Onder welke voorwaarden ga je relaties aan’? In de (nabije) toekomst ziet Maurice niet zozeer andere partners, maar wellicht wel meer duurzame partners. Maurice heeft de stille ambitie om ooit een nieuwe universiteit te beginnen: ‘Ik vind het wel spannend na te denken over hoe je zo’n belangrijk instituut als ‘school’ opnieuw zou kunnen organiseren en uitvinden’. Zijn ambitie is tweeledig: het toepassen in de praktijk, maar er ook over schrijven en het gesprek aangaan (filosofische kant). Wat betreft de toekomst van Stipo zou Maurice het volgende willen meegeven: ‘Blijf gevoelig voor de ontwikkelingen in de stad, zoals jullie dat de afgelopen jaren gedaan hebben’. Dit alles heeft te maken met de stap, die Stipo het afgelopen jaar heeft genomen om van het Groothandsgebouw - een icoon van hoe er lang over de stad gedacht werd te verhuizen naar het Zomerhofkwartier. Deze keuze getuigt volgens Maurice van een gevoeligheid, die van belang is om de rol te kunnen blijven spelen, die Stipo zichzelf toedicht: vooruitstrevend zijn en voor de muziek uitlopen.


14

Ali Rabarison Maurice Cramers

en De Directie Woon- en Leefomgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, stimuleert en ondersteunt lokale partijen, daar waar de leefbaarheid in het gedrang komt, de leefomgeving op innovatieve en economische wijze te versterken.


15

De Plaatsvervangend Directeur Woonen Leefomgeving, Ali Rabarison- van der Laan en Coördinerend Beleidsmedewerker Maurice Cramers blikken vooruit op de ontwikkelingen op dit beleidsterrein en zetten de accenten voor (kennis) spelers a la Stipo. De nadruk zal blijven liggen op het eigen initiatief van de burger en op de samenwerking met andere partijen, zo stellen zij vast. Er wordt op deze wijze gewerkt aan het versterken van de leefbaarheid in achterstandswijken en buurten, het verbeteren van de leefomgeving in steden waaronder Rotterdam Zuid en het actieprogramma Bevolkingsdaling, maar ook over de maatregelen die zijn genomen op het terrein van de woningmarkt ten aanzien van huur- en koopmarkt. Dat geldt evenzeer ten aanzien van de spelregels voor de woningcorporaties die op dit moment door de Minister worden voorbereid. Ook maakt de Minister zich sterk voor het aanscherpen van wet- en regelgeving op het terrein van woonoverlast. De aanpak is, aldus Ali Rabarison, verder voor een deel gebaseerd op de werkwijzen die binnen de wijkaanpak de afgelopen jaren zijn gestart en verder tot wasdom zijn gekomen (werken met sociale wijkteams). Zij verwacht dat de focus zal blijven liggen op het (succesvol) implementeren van de grote decentralisatietrajecten (WMO, Participatiewet, AWBZ). Deze transities hebben een enorme impact op het denken en doen van alle betrokkenen. Het Rijk is daarin veel meer een van de spelers, om dit proces te faciliteren, dan de financier van het geheel. Zo zullen de subsidies in het Ruimtelijk Domein na 2014 zijn afgebouwd. Maurice Cramers vult aan dat de nieuwe meer faciliterende rol, qua effecten wordt gemonitord en in samenspraak met betrokkenen op hun merites worden beoordeeld. De insteek van het Rijk is dus het meten van de voortgang, met behulp van de leefbaarometer, het Woon Onderzoek Nederland, een demowijzer voor gebieden die te maken hebben met bevolkingsdaling, en een

outcomemonitor wijkenaanpak. De landelijke ontwikkelingen op het terrein van leefbaarheid en de resultaten hiervan vormen ook input voor de gesprekken die vanuit het Rijk met gemeenten over de voortgang worden gehouden. De regionale accounts van de directie spelen daarin, naast nieuwe meetinstrumenten, een rol. Hij ziet overigens nu al in de praktijk dat steden als Leeuwarden en Enschede de nieuwe beleidsruimte ambitieus invullen. Zij maken gebruik van de kansen die de aangepaste rol van het Rijk aan de gemeenten geeft. Het gaat dus niet om een ordinaire bezuinigingsoperatie van het Rijk, wat dat betreft kijkt hij uit naar bijvoorbeeld de bijeenkomst van Stipo om meer zicht te krijgen op de ambities en ideeën, die daarover bij een veelheid van partijen bestaan. Ali Rabarison- van der Laan ziet en verwacht daarbij ook van private clubs als Stipo een initiërende rol. Een rol overigens, die wat haar betreft, verder gaat dan inspirerende vergezichten maar gelijktijdig ook ingaat op innovatieve manieren van realisatie. Thema’s als co-creatie, zelforganisatie en meer maatschappelijke kracht horen hierbij. Het richten, inrichten en verrichten van nieuwe interventies in het sociale domein verdienen meer aandacht. De betrokkenheid van het Rijk bij het fysieke domein wordt minder en de aandacht voor het sociale domein neemt toe. Daarbij zal wat haar betreft ook aandacht zijn voor bijvoorbeeld de grenzen aan zelforganisatie, inzichten en nieuwe ervaringen op dat punt, in binnen- en buitenland. De gesprekspartners, die elkaar onder meer op de 15e ontmoeten, spelen hierin een belangrijke rol. Veel is nog in de ontwerpfase en bijvoorbeeld de wet en regelgeving zal zich daar te zijner tijd op gaan aanpassen. Maurice Cramers verwacht dat op niet al te lange termijn ook vanuit het kabinet en de verantwoordelijk bewindsman, richting zal worden gegeven aan het thema leefbaarheid. De agenda voor de komende vijf jaar op het terrein van stedelijke en maatschappelijke ontwikkeling zal vooral integraal en langs nieuwe wegen vorm krijgen. Ali en Maurice kijken er naar uit om daarover in gesprek te gaan.


16

Leon Langenberg,

is bestuurder bij de Traversegroep.nl. Traverse is een organisatie voor maatschappelijk welzijn in Westelijk Noord Brabant. In de loop der jaren is vraaggestuurd een breed pakket aan producten ontwikkeld van schoolmaatschappelijk werk tot Bureau Sociaal Raadslieden en van vrijwilligersloket tot informatie- en adviespunten.


17

Leon Langenberg is vanuit het vak als professional (de zorg) leiding gaan geven aan processen en organisaties op het brede terrein van het welzijnswerk. Enthousiast en met passie vertelt hij over de ontwikkeling van de inhoud van het maatschappelijk werk en over het imago van zowel het welzijns- als maatschappelijk werk. Hij schuwt daarbij niet om ook kritisch te zijn over hoe het welzijnswerk ook zelf heeft bijgedragen aan een minder goed imago. Jaarplannen van welzijnsorganisaties verkleurden in sommige gevallen meer en meer naar containerbegrippen waarbij middel, doel en resultaat door elkaar liepen. De waardering voor de aanpak en producten liep terug; in dat opzicht deed het maatschappelijk werk het beter. Hij gelooft erin dat de toegevoegde waarde van het welzijnswerk zich opnieuw kan bewijzen. De belangen zijn groot omdat juist in de eerste lijshulp de klappen dreigen te vallen met alle consequenties van dien. Het gevaar dat weer de probleemwijken, zoals we die kenden, ontstaan is niet denkbeeldig. Wat Leon Langenberg betreft komt het er nu op aan om niet met een oude bril naar nieuwe vraagstukken te kijken. Gelijktijdig is de impact van de komende bezuinigingsronde groot en zijn de percentages (tot aan 60%) van een omvang dat het verbeteren van het bestaande onvoldoende is. Er zal daadwerkelijk moeten worden ge誰nnoveerd. Welzijnswerk blijft zijns inziens katalysator van het in de kracht zetten van mensen en wijken; daarbij zal veel meer dan voorheen de verbinding gemaakt moeten worden met nieuwe partijen en onconventioneel handelen. De tijd van pamperen (Leon wordt niet blij van dat woord) is voorbij. Mensen hun eigen oplossingen helpen bedenken, acceptatie van het probleem dat moet worden opgelost en motiveren daarvoor, zelf de handen uit de mouwen te steken is de nieuwe vraag aan de professional. Multidisciplinair werken wordt belangrijker.

De tijd waarin welzijnsorganisaties bedenken wat goed voor ons is en hoe dat kan worden bereikt is dus voorbij. Meer leiderschap dan management is hierbij nodig, de professional in het toekomstig werkveld heeft behoeft aan stimulerende kaders / visie en gelijktijdig veel vrijheid bij de uitvoering. Wat dat betreft complimenteert hij Stipo tenslotte met de onconventionele aanpak die zij samen met de Traverse groep in de praktijk hebben gebracht om te werken aan een sterke samenleving. Passie, vakmanschap en gedrevenheid stonden voorop. Wat dat betreft kijkt hij ook uit naar de 15de waar hij ook zou willen investeren in een (gezamenlijke) visie. Onderwerpen als zelforganisatie, cocreatie,etc. zijn relevant maar vooral instrumenteel van aard. De ambitie van de overheid en bestuur zijn daarin betekenisvol. Wat dat betreft is de bestuurlijke insteek in het plenaire gedeelte van het programma een goede keus. Hij sluit af met de stelling dat de toekomst en de continu誰teit van clubs als de Traverse groep geen doel op zich is; een sterke samenleving is dat wel; hij heeft er vertrouwen in dat deze missie succesvol inhoud kan worden gegeven.


18

Bart Kesselaar,

manager gebiedsontwikkeling bij woningbouwcorporatie Havensteder zal zich als toekomstig manager Strategie blijven bezighouden met stedelijke gebiedsontwikkeling. De veranderende relatie tussen de corporaties en de gemeenten heeft hierbij zijn bijzondere aandacht.


19

Volgens Bart Kesselaar maken de woningcorporaties momenteel een ontwikkeling door van risicodragend opdrachtgever naar facilitator: ‘De fysieke ontwikkelrol wordt lastiger voor corporaties, zeker in deze moeilijke economische tijden. Ik verwacht, dat corporaties veel sterker vanuit een meer faciliterende houding naar ‘gebiedsontwikkeling’ zullen gaan kijken. Dat betekent, dat we ons af moeten vragen, welke rol en positie we willen innemen en hoe we onze eigendommen en financiële middelen zo doelmatig mogelijk inzetten in de verdere ontwikkeling van de stad. Ik vind, dat juist binnenstedelijke corporaties daaraan een waardevolle bijdrage kunnen leveren. Zij zijn een belangrijke speler bij binnenstedelijke herontwikkeling, omdat zij de ‘rollen’ van belegger, beheerder en ontwikkelaar logisch in zich verenigen’. Als je het nieuwe speelveld van corporaties bekijkt, zie je vooral onze veranderende relatie met de gemeente. Woningcorporaties zullen naar het oordeel van Bart Kesselaar nooit de eindverantwoordelijkheid voor de gebiedsontwikkeling van een stad of een wijk krijgen. ‘Wij hoeven een nieuwbouwlocatie niet zelf te ontwikkelen, maar we kunnen wel faciliteren met onze inbreng van woningen etc. en ervoor zorgen dat het gerealiseerd wordt. Tot op zekere hoogte zijn we dus wel ‘leading’ in het proces door te bepalen, waar we ons geld op inzetten en natuurlijk zijn we verantwoordelijk voor wat wij zelf doen. Maar als je daarnaast ook afspraken met de gemeente kunt maken op andere beleidsterreinen - waardoor er een meerwaarde ontstaat, omdat je samen optrekt - en af en toe zelf de regie wat meer naar je toetrekt, is daar niets op tegen. Als corporaties hebben wij uiteindelijk ook de verantwoordelijkheid om de leefbaarheid voor onze huurders op orde te houden. En dat we daarbij ook denken aan onze eigen continuïteit, dus de verhuurbaarheid van ons bezit, is logisch. Die zaken kun je niet los van elkaar zien’.

Hij vervolgt: ‘Ik probeer dingen niet eendimensionaal te benaderen, ik zoek het daarom veel meer in ‘verbinding’. Gemeenten, corporaties en ook private partijen hebben allemaal hun eigen doelstellingen, maar je kunt ook focussen op hun gemeenschappelijke belangen. Als je dat beseft en die uitdaging met elkaar wilt aangaan - zoals bijvoorbeeld ook gedaan is bij het Zomerhofkwartier -, dan maak je pas ‘stappen’. Je moet dan wel nadenken over je eigen rol en bereid zijn om over je eigen schaduw heen te stappen!’ Naar het oordeel van Bart Kesselaar zal ook ‘legitimiteit’ een belangrijk issue worden. ‘Gemeenten, corporaties en andere instituties zullen in de komende tijd vooral ook op zoek moeten gaan naar ‘nieuwe’ bestaansredenen en deze waar maken. Als ze namelijk niet meer leveren of doen, wat mensen van hen verwachten, komt hun legitimiteit in het geding. Je kunt als gemeente niet ongestraft hogere lasten aan je burgers opleggen en tegelijkertijd zeggen, dat ze hun eigen veiligheid maar moeten gaan organiseren en zelf verantwoordelijk worden voor maatschappelijke zorg. Voor woningcorporaties geldt hetzelfde: de betaalbaarheid voor huurders van sociale woningbouw-woningen maar ook de beschikbaarheid en kwaliteit ervan zijn in dit verband belangrijke issues. Als je dit soort zaken niet goed op orde hebt, verlies je je legitimiteit als instituut’. In hoeverre derden bij deze zoektocht een actieve rol kunnen spelen, is moeilijk aan te geven. Kesselaar: ‘Het is vooral een zaak voor de instituties zelf, een autonoom proces dat ze zelf moeten doorlopen. Waarbij corporaties er goed aan doen hun huurders maar ook gemeenten hier bij te betrekken. Maar partijen, zoals Stipo, kunnen zulke processen in de stedelijke ontwikkeling wel duiden en faciliteren. Sterker nog: als ik Stipo zou zijn en ik zou mijn strategische koers voor de komende 10 jaar moeten bepalen, dan zou dit zeker één van de onderwerpen zijn, waaraan ik handen en voeten zou willen geven!’


20

Ben Pluimer Nico de Pijper, en

respectievelijk

directeur van woningcorporatie HW Wonen en directeur van zorginstelling Zorgwaard, geven hun visie over ‘stedelijke vernieuwing’, een begrip dat beide heren overigens zelf niet graag gebruiken. Zij spreken liever van ‘maatschappelijke vernieuwing’; dat begrip brengt beter tot uitdrukking dat het fysieke en sociale domein elkaar meer en meer beïnvloeden.


21

HW Wonen en Zorgwaard zijn samen met andere partijen verenigd in de Kerngroep Wonen, Welzijn en Zorg in de Hoeksche Waard. Vanuit dit maatschappelijke middenveld proberen zij met elkaar de opgaves die met welzijn, wonen en zorg te maken hebben, aan elkaar te knopen, zodat er afstemming ontstaat. ‘We proberen koppelingen te maken tussen de maatschappelijke opgaven, waar we ons voor geplaatst zien, en de doelstellingen van de gemeenten. Als we dit niet zo zouden doen, dan zou het de gemeenten heel veel moeite kosten om de doestellingen te realiseren’. Daarnaast zijn er op dit moment drie transities gaande (Jeugdzorg, AWBZ & WMO en Participatiewet), waar veel energie en tijd van de gemeenten naar toe gaat. Dit is direct van invloed op de keuzes die we maken. Nico de Pijper: ‘Het is voor de gemeenten lastig om die opgave te definiëren, en wij proberen hen te helpen om die stap te maken’.

gezamenlijk (gemeenten, zorginstellingen, corporaties, kinderdagopvang, etc.) opdrachtgever van dat project zouden zijn en dus ook gezamenlijk de verantwoordelijkheid zouden dragen. Dit heeft ertoe geleid, dat er een soort ‘commitment’ is ontstaan, wat iedereen de ‘drive’ gaf om er iets geweldigs van te maken. Het resultaat is dat we in een paar jaar tijd 9 hectare ontwikkeling op de rit hebben gekregen. En daarbij geen enkel bezwaar vanuit de buurt, sterker nog: door de manier waarop we het met elkaar naar buiten brachten en er met elkaar voor gingen, was het voor de buurtbewoners zelfs het signaal van: ‘Het moet lukken; dit moet gerealiseerd gaan worden!’ Dit project kan dus als een voorbeeld worden gezien van hoe men in de toekomst met elkaar slagen zal moeten maken’, aldus Nico de Pijper. Succesfactoren van dit proces zijn geweest: volledig vertrouwen in elkaar hebben, volledige transparantie en het lef hebben om het te doen.

Het grote voordeel van de Hoeksche Waard is de overzichtelijkheid (5 gemeenten met in totaal 85.000 inwoners) en haar ruimtelijke definieerbaarheid: volledig omringt door water. Door deze overzichtelijkheid is het voor partijen moeilijk om weg te duiken, vertelt Ben Pluimer. ‘We zoeken de mensen, die we nodig hebben, hier gewoon op en trekken ze erbij. Er zijn veel professionele partijen in het gebied aanwezig en een heleboel potentiele vrijwilligers’. Nico de Pijper vervolgt: ‘Alle ingrediënten zijn dus aanwezig om er een leefbare samenleving van te maken. De vraag is dan: hoe ga je dit aan elkaar knopen? Het is namelijk van belang dat de partijen elkaar weten te vinden op het speelveld. In het kader van ‘wonen, welzijn en zorg’ zijn wij hier mee bezig om dit vanuit het maatschappelijke middenveld voor elkaar te krijgen. ‘Transparantie en durven delen’ is daarbij erg belangrijk: ‘Dat is de enige manier om volledig inzicht in de opgave te krijgen’.

Thema’s als ‘maatschappelijke kracht’, ‘cocreatie’ en ‘zelforganisatie’ vormen een soort rode draad bij alles wat Ben Pluimer en Nico de Pijper doen. Geïnteresseerd zijn zij daarnaast in thema’s als ‘nieuwe gebiedsontwikkeling’ en ‘het nieuwe vak’. Een vraag die bij hen opkomt, is: ‘Hoe gaan we het aanvliegen met elkaar?’ Zij geven aan, dat netwerken en oplossingsgericht met elkaar bezig zijn essentieel is.

‘De herontwikkeling van de ‘Wijk van je Leven’ heeft eigenlijk het fundament opgeleverd van hoe je structureel met elkaar aan de slag moet gaan’, stelt Ben Pluimer. ‘In 2006 is met dit project een start gemaakt en al vanaf het allereerste moment hebben we gezegd, dat we

Ben Pluimer geeft tenslotte mee, dat het een mijlpaal is om 20 jaar te bestaan: ‘Ik hoop dat Stipo zijn voortrekkersrol blijft vervullen, omdat dit niet als een soort automatisme uit ons soort organisaties voort komt’. Nico de Pijper vult hem aan: ‘Compliment aan Stipo, dat zij in de jaren dat wij nu met ze werken, altijd vooruitdenken voor de partijen, waar ze voor werken en dat hun visie tot nu toe eigenlijk altijd voor een belangrijk deel werkelijkheid is geworden. Dat geeft veel vertrouwen, omdat ze een breed beeld hebben van de standpunten van de partijen waar wij mee geconfronteerd worden: de ‘hedendaagse werkelijkheid’ zou je bijna zeggen’.


Zomerhofstraat 84, 3032 CM Rotterdam Tel.: +010 204 1590

Winthontstraat 7 1013 BR Amsterdam Tel.: +010 204 1590 Email kantoor@stipo.nl Web www.stipo.nl

Get in Touch...

Stipo 20 jaar booklet_website  

De leidende thema`s voor de komende vijf jaar

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you