Issuu on Google+

Kring Nieuws UITGAVE VAN KRING

VRIENDEN VAN ’S‑HERTOGENBOSCH

JAARGANG 39 NUMMER 5 SEPTEMBER 2013

Vooraf 2 Kluizenaressen: ingemetselde vrouwen 2

3

Luc van Gent, een markante Bosschenaar 6 Korte impressie opgravingen Vonk & Vlam terrein 10 Hier staoi ik dan 11

12

Molen Rosmalen gepimpt

13

Bootgesprekken: Enthousiasme over vestingwerken 7

14

Op bezoek bij… Van Lanschot 16 Bossche klokken8 opnieuw, vernieuwend, nieuw

19

Te water! Een leuke hobby? 20 Romeinen in Empel

21

De rol van Leeghwater bij het Beleg van ’s-Hertogenbosch 22 Editie 4 van BYTS

25

Rolstoelvaren 26 Ladderwedstrijd 5

27

Het ‘woonhuis’ van Grasso

29

Lodewijk N.

31

Wijze en dwaze maagden

32

Bosch

Museumkwartier


V K Vooraf

Kluizenaressen: in

Nik de Vries

Wat hebben we een mooie zomer gehad! Hopelijk hebt u tijd en zin gehad ons vorige nummer te lezen. Nu de dagen duidelijk korter worden, kunnen we dat lezen weer oppakken. Daarom een lekker dik nummer dit keer.

In dit nummer hebben we voor u enkele langere artikelen. Ed Hupkens voltooit zijn tweeluik over de Bossche kluizenaressen. We hebben gehoord dat u het eerste deel gewaardeerd hebt. Al enige tijd lag het artikel over het woonhuis van Grasso klaar. Nu hebben we er de ruimte voor. We hebben een artikel over de onlangs overleden Luc van Gent, Bosschenaar en Kringlid en groot voorstander van een nieuw theater in het Paleiskwartier. Wij van de redactie gaan graag mee met zijn argumenten voor die locatie. Twee stukken gaan over de Bossche vestingwerken: een van Harry Satter over het Vonk en Vlam terrein en een via een bootgesprek met verschillende deskundigen. We doen verslag van de Romeinse dag in Empel, de molen in Rosmalen en rolstoelvaren op de Binnendieze. Van Hans van Kasteren kregen we een leuke column. Dan een aantal inmiddels bekende rubrieken: Beeld van…, Hier staoi ik dan, Op bezoek bij…, Bossche klokken en de ladderwedstrijd. Tot slot twee aankondigingen: een lezing en een tentoonstelling. Ga erheen, zou ik zeggen. We wachten uiteraard met u met spanning op het beleidsplan van het bestuur: welke kant zal het opgaan met de Kring? Misschien mogen we in het volgende nummer een tipje van de sluier oplichten. Het bestuur heeft ons al vast verzocht via deze weg alle mensen te bedanken die hebben meegewerkt aan het concept beleidsplan. Wilt u zelf iets kwijt in ons en uw blad? Stuur het in via ons mailadres of naar het Kringhuis. Illustraties graag apart aanleveren in een zo hoog mogelijke resolutie. En u weet het: hebt u iets, maar geen zin om zelf te schrijven: wij komen graag bij u langs. Uw bijdrage kunt u inzenden tot 25 oktober 2013. Ik wens u veel lees- en kijkplezier!

Foto voorpagina: Ellie de Vries Op 24 mei 2013 is het Bossche Museumkwartier geopend door prinses Beatrix. We zien hier de fraaie voorkant van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch, ontworpen door Janneke Bierman van Bierman Henket architecten.

2

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

In het julinummer van KringNieuws verscheen deel 1 van dit artikel over kluizenaressen. In dit septembernummer kan de lezer kennisnemen van deel 2. Er wordt specifiek ingegaan op de Bossche situatie. Wie waren deze vrouwen?

Volgens Michel van Maarseveen gaan de meeste onderzoekers naar kluizenaressen ervan uit, dat deze vrouwen uit de betere kringen afkomstig waren. De schaarse gegevens die over hun sociale afkomst bekend zijn, wijzen in die richting. Ook voor Nederland lijkt dit op te gaan: van een aantal reclusen is bekend dat ze van adel of uit patriciërkringen afkomstig waren. De bronnen zijn echter dermate dun gezaaid, dat het maar de vraag is in hoeverre deze data representatief geacht mogen worden. Wanneer een kluizenares uit een laag sociaal milieu afkomstig was, zal zij daarvan geen sporen hebben nagelaten. Dat kluizenaressen uit de állerarmste lagen afkomstig waren, is echter ook niet waarschijnlijk. Zij konden doorgaans lezen, hadden dus enig onderwijs genoten. Voor hun godsdienstoefeningen bijvoorbeeld moesten ze volgens de reglementen van de Vughtse Sint-Petruskluis de beschikking hebben over ‘devote boecken ende sermoenen’. In zijn studie naar kluizenaressen in ’s-Hertogenbosch en omgeving gaat Lucas van Dijck er op basis van de familienamen van deze vrouwen ervan uit, dat deze reclusen uit de meer eenvoudige families afkomstig waren. Van enkele kluizenaressen is bewezen dat zij eerst als begijn hebben geleefd en pas op latere leeftijd tot de insluiting overgingen.

De oudst bekende de Bossche In haar studie naar reclusen definieert Anneke Mulder-Bakker een kluizenares als volgt: een wijze, wat oudere (huis)vrouw van minstens veertig jaar, meestal getrouwd geweest, soms met kinderen, vaak afkomstig uit de nieuwe handelselites, de kluis lieten ze vaak bouwen van hun eigen geld, bijvoorbeeld uit een erfenis; ambitieuze vrouwen, die in de 17de eeuw directrices geweest zouden zijn van weeshuizen of gasthuizen; in de Middeleeuwen waren die functies niet beschikbaar en was dit de aangewezen rol voor onafhankelijke vrouwen. De Bossche kluis Ook ’s-Hertogenbosch kende zijn kluizenaressen. Op het plein dat nu Parade heet, lag in de Middeleeuwen het Groot Begijnhof (opgericht vóór 1272). Het was


ngemetselde vrouwen 2 Ed Hupkens

Rechts naast de Sint-Jan de SintNicolaaskerk met kluis. Uitsnede van de kaart van Braun en Hogenberg uit 1588.

een van de grootste begijnhoven van de Zuidelijke Nederlanden. Het omvatte het gebied van de huidige Parade, het theater en de Cavaleriestraat tot aan de Binnendieze. Alles was met een hoge muur omsloten. De hoofdpoort was tussen de Sint-Janskerk en de huidige plebanie aan de Choorstraat, er was nog een kleine poort aan de Peperstraat. Begijnen hadden een status tussen die van kloosterling en leek in. Zij legden wel een gelofte van gehoorzaamheid en kuisheid af, maar niet voor eeuwig. Begijnen konden altijd het hof verlaten, een gelofte van armoede ontbrak geheel. De begijnen mochten een eigen kerk, kerkhof en priester hebben. In 1304 kwam in ’s-Hertogenbosch hun driebeukige Sint-Nicolaaskerk gereed. Binnen dit begijnhof bevond zich ook een kluis. Deze

gegevens over e kluis dateren van 1372 was gebouwd tegen het koor van de Sint-Nicolaaskerk. De oudst bekende gegevens over de Bossche kluis dateren van 1372. In dat jaar kreeg een niet met name genoemde bewoonster van de kluis ‘reclusa in orto beghinarum’ (een kluizenares op het begijnhof) een testamentair legaat. Op de kluis stond de Latijnse en Middelnederlandse tekst: ‘Conserva mummum litis, pestis et honoris. Eenen stuver ter noot, ter doet ende ter eeren’. De strekking van deze spreuk schijnt te zijn: ‘Bewaar steeds een stuiver in het uiterste geval om niet in verlegenheid te komen in geval van een proces (litis), ten tijde van pest (pestis) en als geschenk (honoris).

Leefregels Al diegenen die als kluizenares wilden leven, moesten dat doen overeenkomstig de regels van de H. Gregorius. Zij genoten tevens een volle aflaat, verleend door dezelfde paus Gregorius I. Deze regels zijn gepubliceerd in de Analecta van Gijsbertus Coeverincx, ze golden voor de kluizen in ’s-Hertogenbosch, Oss en Driel. Lucas van Dijck heeft ze als volgt in eigentijdse bewoordingen weergegeven. 1. In een kluis voor mannen mogen geen vrouwen, in een kluis voor vrouwen mogen geen mannen komen. Een uitzondering kan zijn de priester, die de sacramenten van biecht en eucharistie bedient. 2. Afgezien van onderkleding moet de kleding en het beddengoed bestaan uit witte, zwarte of grijze stof, terwijl linnengoed verboden is. 3. De Metten worden gebeden om middernacht, de Prime en de Terts worden samen gelezen, zo ook de Sext en de None. De Vespers en de Completen op de goede tijd. 4. Na de Completen wordt niet meer gesproken noch gedronken. Wel mag men dan nog bidden. Vanaf zonsondergang tot zonsopgang mag met niemand gesproken worden. 5. Voor en na de maaltijd bidde men drie Onze Vaders en drie Wees Gegroeten. Het voedsel dat overblijft geve men aan de armen. 6. Voor het slapengaan en voor het opstaan bidde men drie ‘venien’ en drie Onze Vaders. 7. Koper, blik- en tinwerk is overbodig en mag men niet gebruiken. Als het al aanwezig is, moet men het als Godsgeschenk gebruiken in een mentaliteit van onthechting. 8. Eten en drinken dat aangeboden wordt moet als Godsgave worden genuttigd overeenkomstig de kerkelijke voorschriften. 9. Indien de kluis vervallen is, zal de bewoonster of bewoner niet zonder verlof van de bisschop een andere huisvesting zoeken. In zo’n geval zal hij of zij direct naar een andere kluis gaan op straffe van de pauselijke ban. 10. Voor ieder venster zal een zwart gordijn moeten hangen om onzichtbaar te zijn. Men moet te allen tijde onzichtbaar blijven. 11. De kluizenaar of kluizenares belooft gehoorzaamheid aan God en de kerkelijke instanties, mag alleen ingesloten worden indien er geen andere natuurlijke bindingen bestaan, wederom op straffe van pauselijke ban. 12. De kluizenares of kluizenaar belooft geestelijke en materiële armoede. De plaatselijke pastoor heeft de zorg voor deze regels en bezit de sleutel van de kluis.

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

3


K Beeld van kluizenares Alyt Ponciaens bij de Utrechtse Jacobikerk.

13. De geest van afzondering is wezenlijk, ook als de kluis door twee personen bewoond is. Binnen de kluis moeten zij min of meer gescheiden leven. 14. De geest van armoede hoeft niet te verhinderen, dat er hulp van buiten wordt gegeven in de vorm van ‘onderstant’. 15. Wie de kluis of de bewoners ervan kwaad doet gaat in de ban, de paus alleen kan de boosdoener hieruit ontslaan. Bossche kluizenaressen Door de studie van Van Dijck kennen we een aantal van de kluizenaressen bij naam. Heilwig Hendriksdr. Hoets bewoonde dertig jaar de begijnhofkluis, haar overlijden werd gememoreerd in de rekening van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap van 1460-1461. Na haar dood werd de kluis bewoond

4

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

door Aleid, dochter van Gerrit van Buren. Twee keer gaf zij een volmacht aan een priester, ter behartiging van haar wereldse zaken. Op zondag 15 november 1490 werd Weindelmoed van Grave letterlijk ingemetseld. In 1494 gaf ook zij een volmacht aan een priester. Voor dergelijke volmachtakten werden de kluizenaressen tijdelijk ontheven van hun clausuurplicht teneinde voor de schepenen van de stad te kunnen verschijnen. In 1493 was sprake van een ‘oudste kluizenares’. Van Dijck veronderstelt dat vanaf dat tijdstip er minstens twee kluizenaressen op het begijnhof waren. Het is niet bekend of de vrouwen hebben samengewoond, of dat het begijnhof over twee aparte kluizen beschikte. Een bekende kluizenares, Claarke Sandersdr. van Oss, deed haar intrede in de Bossche kluis op 8 juli 1527. In 1546 liet zij zich inmetselen in de Osse kerkkluis, bijna vijftig jaar heeft zij in haar onderkomen gewoond. Over de kluizenares Margaretha Jansdr. van Erp is wat meer bekend. Zij werd op 14 juli 1534 officieel ingesloten door de vicepastoor van ‘s-Hertogenbosch, Laurentius Cuijpers. Op 18 september van dat jaar verscheen zij voor de schepenen om aan de trompetter Laurens Gerrits volmacht te verlenen haar zaken te behartigen. Dat gold zowel haar persoonlijke rechten en goederen, als die van de kluis. Waarschijnlijk waren er in die periode geen ‘magistri’ (meesters of bestuurders) van de kluis, die zich verantwoordelijk wilden stellen voor de inkomsten en uitgaven en voor de levenswijze van de kluizenares. Zij overleed rond 12 april 1557. Haar opvolgster, Johanna Gerritsdr. van Ochten, ook wel Van Thiel genaamd, werd door de heer Walterus van Heeze namens de bisschop van Luik in dat jaar ingesloten. Uit de oorkonde blijkt dat er sprake was van ‘rectrices’, bestuursters van het begijnhof die de keuze van een nieuwe recluse meebepaalden. In 1583 werd Maria Rutgersdr. Rutgers ingesloten. Zij was eigenlijk voorbestemd voor de kluis te Driel, maar die moest gerestaureerd worden. De laatst bekende recluse in ’s-Hertogenbosch was Margriet van Bakel. In een testament van 22 december 1605 wordt zij met een legaat bedacht. In 1630 is er nog wel sprake van de meesters van de kluis, maar dat hoeft niet te betekenen dat de kluis nog bewoond was. Volgens Kappelhof was een van de laatste kluizenaressen in de Vughtse kluis Heijltje Versteen, die deze in 1673/74 nog bewoonde. Samenvatting Met de opkomst van de steden ontstond rond 1100 het fenomeen van de stadskluizenares. Deze vrouwen zonderden zich niet langer in kloosters af, zoals nonnen, maar kozen voor een religieus


In deze kluis aan het koor van de Nieuwe Kerk te Delft leefde kluizenares Truijdesuster van 1411 tot 1459. leven, midden in het bruisende centrum van de stad. In de middeleeuwse steden was het reclusendom vooral een zaak van vrouwen. Mannen die dit ideaal nastreefden, konden geestelijke worden of toetreden tot een bedelorde of de kartuizers. Het ontstaan van de stadskluizenares past in het beeld van de opkomst van lekenvroomheid vanaf de 12de eeuw. Steeds meer gewone mensen gingen zich bezighouden met religie, ook buiten de officiële instituties van de kerk. Zo waren er de begijnen, die wel een religieus leven leidden, maar zich niet bij een klooster aansloten. Evenals de volgelingen van de spirituele beweging van de Moderne Devotie van Geert Grote (1340 – 1384), die enorm populair werd. Kluizenaressen waren geen randverschijnsel: in de opkomende middeleeuwse steden van NoordwestEuropa hebben honderden vrouwen zich vrijwillig laten inmetselen en ze hadden invloed. Met de insluiting in de kluis nam de vrouw afstand van het aardse leven, om zich te wijden aan God. De stedelijke bevolking, inclusief de stadselite en de plaatselijke geestelijkheid, zagen de kluizenares als bemiddelaar tussen hemel en aarde. Deze bijzondere positie gaf de reclusen veel aanzien en maakte hen tot een religieuze autoriteit. Ze ontwikkelden zich meer dan eens tot invloedrijke personen met een prominente plaats in de stadssamenleving.

Na het Concilie van Trente (1545 – 1563) verdwenen de kluizenaressen langzaam van het stadstoneel. Aan het einde van de 16de eeuw vond het Vaticaan dat vrouwelijke geestelijken thuis achter de muren van een klooster hoorden en niet in het openbare leven van een stad. In de steden ten noorden van de grote rivieren was na het tweede kwart van de 16de eeuw geen kluizenares meer bekend. In de gebieden onder de rivieren kwamen reclusen tot in het derde kwart van de 17de eeuw nog voor. De militaire successen van Frederik Hendrik en het toevoegen van de veroverde zuidelijke gebieden aan de protestantse Republiek der Verenigde Provinciën deden tenslotte ook hier de kluizenaressen verdwijnen. Literatuur: M.F. Bams-van der Staaij, In en om Aleids kluis, in Sint Maarten Bulletin nr. 23, 1992. Gijsbert Coeverincx, Analecta. Bewerkt door G. van den Elsen en W. Hoeveaars, ’s-Hertogenbosch 1905-1907. G.C.M. van Dijck, Kluizenaressen in en rond ’s-Hertogenbosch, ca. 1370-1630, in Varia Historica Brabantica IX, 1980. A.C.M. Kappelhof, Kluizenaressen in en rond ’s-Hertogenbosch: een aanvulling, in Noordbrabants Historisch Jaarboek 5, 1988. Michel van Maarseveen, Middeleeuwse reclusen. Kluizenaressen en hun besloten bestaan, in Spiegel Historiael jrg. 30, 1995. A.B. Mulder-Bakker, Lives of the Anchoresses. The Rise of the Urban Recluse in Medieval Europe, Philadelphia 2005. Anneke B. Mulder-Bakker, Verborgen Vrouwen. Kluizenaressen in de middeleeuwse stad, Hilversum 2007. Foto’s: Ed Hupkens

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

5


L

Luc van Gent, een markante Bosschenaar

Hij had ons gevraagd nog eens langs te komen, want hij wilde graag nog een keer vertellen wat hem gedreven had in het leven. Op donderdag 27 juni 2013, precies een week voor zijn overlijden, zaten we aan zijn bed. Daar lag een broze man met een helder hoofd: niets was hij kwijt van zijn geestelijke vitaliteit. Het gesprek verliep grotendeels, zoals we verwacht hadden: Luc was langdurig aan het woord, wij konden zo nu en dan er tussen komen met een kleine vraag of opmerking.

4 juli 2013 werd Luc 88 jaar. Die middag is hij heengegaan. We gedenken een markante Bosschenaar en vriend met onderstaand artikel. “Mijn beste tijd” “Tussen mijn 30ste en mijn 42ste was mijn beste tijd,��� laat Luc zich in het gesprek ontvallen. Het was de tijd dat Luc bij de televisie werkte, de tijd dat iedereen elkaar daar hielp, dat iedereen met elkaar meeleefde. Luc was erg gelukkig, dat hij de overstap van het toneel naar dat nieuwe medium kon maken en dat hij die stap ook gezet heeft. Hij had er een wonderlijk talent voor. Van speler transformeerde hij tot regisseur, tot programmamaker. Dat gebeurde in een tijd dat televisie zo nieuw was, dat veel ‘uitgevonden’ moest worden en dat deden de mensen samen. Het was Lucs tweede familie. En dan roept hij uit: “Ik kijk terug op een rijk leven!” Jeugd Luc van Gent stamt uit een van oorsprong Schiedamse familie. Zijn overgrootvader had daar een jeneverstokerij. Een van diens zoons, de opa van Luc, ging rentenieren en stelde zijn zoon Jacques in staat het vak van boekhandelaar te leren. In 1902 nam Jacques met een compagnon de bekende boekhandel van Mosmans aan de Bossche Markt over. Twee jaar

6

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

later had hij genoeg gespaard om te trouwen, met Josephine Schellings. Na hun huwelijk gingen ze boven de boekhandel wonen. Via een huis aan de Veemarkt – het huidige Kardinaal van Rossumplein – ging het gezin naar de Peperstraat. Daar wordt Luc op 4 juli 1925 geboren in een groot gezin. Hij wordt er goed katholiek opgevoed. Hij wordt dus misdienaar, vaandeldrager en de “warmte van de kerk voelde als een deken,” aldus Luc. Toch gaat hij naar een openbare middelbare school, het Stedelijk Gymnasium. Daar “veranderde het onderling respect mijn wereld: ik ging nadenken,” zo vertelt hij. En als hij in 1945 naar Amsterdam – het “mekka van Nederland” – verhuist, verandert zijn leven ingrijpend. Hij gaat er naar de toneelschool, maar al na een jaar haakt hij af. De oorlog Intussen is Nederland tussen 1940 en 1945 betrokken geraakt bij de oorlog. Na de capitulatie wordt het huis van de familie Van Gent in de nacht van 23 op 24 mei 1940 door Engelse brandbommen bestookt; het brandt geheel uit. Het gezin verhuist naar de Bethaniëstraat, waar Luc als 16-jarige merkt dat meisjes leuk zijn om naar te kijken. Vooral één meisje trekt zijn aandacht: Agnes van Geffen. Helaas is ze dan pas 13, maar Luc ziet in haar “een vriendin vol beloften voor de toekomst”. Luc en Agnes worden een stelletje. Het wordt oktober 1944: ’s-Hertogenbosch wordt na hevige gevechten bevrijd. Agnes raakt zwaar gewond, maar overleeft. Kort na de bevrijding wordt Luc goedgekeurd voor de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de latere Stoottroepen. Na een winter aan het relatief rustige Maasfront trekken de troepen in maart 1945 Duitsland binnen. Op 5 mei loopt Luc met een gebroken teen door ’s-Hertogenbosch, twee maanden later zwaait hij af. Enkele dagen daarna krijgt hij een brief van het Ministerie van Onderwijs: hij krijgt zijn gymnasiumdiploma zonder examen te doen… Toneel Terug naar 1946. Luc meldt zich bij Guus Oster, zakelijk leider van de Nederlandse Comedie. Hij krijgt geen contract, maar mag wel als volontair meespelen. “In enen was ik lid van een beroepsgezelschap,” vertelt Luc. “Daarmee heb ik zo’n 160 voorstellingen gespeeld. Tot ik in 1949 te horen kreeg dat er geen werk meer voor me was.” Gelukkig krijgt hij een brief van de Haagse Comedie: we hebben een baan voor u, kunt u langskomen? “Tuurlijk!” is zijn reactie. Hij krijgt er twee hoofdrollen en een flinke salarisverhoging. Daarom waagt hij het


ar Nik de Vries en Jack van Elten salaris moesten we de eerste jaren van ons huwelijk krabbelen.” Tot 1955 blijft Luc bij de Haagse Comedie, het “toen beste gezelschap van Nederland”. Dan zijn er geen rollen meer voor hem. Somber gaat hij naar huis. Televisie Thuis gaat de telefoon. De Nederlandse Televisie Stichting aan de lijn. Of meneer Van Gent even naar Bussum wil komen: “We gaan een TV-speelgroep oprichten van acteurs en actrices die permanent ter beschikking staan voor TV-uitzendingen,” aldus Arie van den Dool, hoofd NTS. Luc wordt lid van die groep: “Voor tv moet je jezelf zijn en dat kan Luc,” zo zegt hij zelf. Later gaat hij bij de KRO – hij is immers katholiek…- werken als regisseur. En dat wordt tot 1967, zoals gezegd, zijn mooiste tijd. Opvallend is dat Luc tot nu toe nog nooit heeft gesolliciteerd, maar wel steeds van de ene baan in de andere valt. Helaas is het werk van Luc van Gent niet te vinden via youtube. Wel heeft nostalgienet een enkele keer Luc in mooie rollen laten zien. Misschien hebben de omroepen nog opnamen van Luc van Gent in hun archief. Wellicht is daar in de toekomst nog eens iets mee te doen.

Luc als Bibi in ‘Gelukkige jaren’ (1950) Rechts: Jan Retèl. in 1951 Agnes ten huwelijk te vragen en uiteraard zegt ze ja. “Ze had een baan als lerares en een mooi salaris. Maar katholieke leraressen die trouwden, werden ontslagen. Dus in plaats van een dubbel

Filmografie (Bron: IMDb).

Luc trouwt met Agnes van Geffen.

Terug naar ’s-Hertogenbosch In 1967 gaat opnieuw de telefoon. Burgemeester Lambooij van ’s-Hertogenbosch nodigt Luc uit voor een ontmoeting in Utrecht. Waarover het gesprek zal gaan? Hij gaat er heen. Tijdens het gesprek wordt duidelijk dat Luc als eerste kandidaat voorgedragen gaat worden door B & W van de stad als directeur van de stadsschouwburg Casino. Tot dat jaar is het de Vereniging Sociëteit Casino die sinds 1828 het schouwburgbeleid bepaald heeft. Nu gaat de

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

7


L

schouwburg functioneren als gemeentelijke dienst. Opnieuw zonder te solliciteren hapt Luc toe en hij wordt zo de opvolger van de befaamde Pierre Martens. Naast de voorstellingen voor de leden van de sociëteit gaat Luc programmeren voor een groter publiek. Nu komt ook experimenteel toneel en jong cabaret naar ’s-Hertogenbosch. Daardoor en door het CJP, het Cultureel Jongeren Paspoort, voor 90 % van de voorstellingen geldig te verklaren weet hij ook een jonger publiek naar binnen te krijgen.

worden bevraagd en herinneringen over hun strijd worden op geluidsband gezet. Uiteindelijk leidt dat alles tot een boeiende documentaire over de bevrijding van de hertogstad. De film en de grote reünie van de bevrijders in 1985 zorgen ervoor dat in 1989 alsnog Lucs boek uitkomt: Den Bosch bevochten en bevrijd. Nog vele jaren heeft Luc lezingen en een module voor de cursus Boschlogie van Kring Vrienden verzorgd. Mede door zijn activiteiten en gigantische kennis van zaken is hij een bekende Bosschenaar geworden. Als iemand iets wilde weten over de Tweede Wereldoorlog en ’s-Hertogenbosch, konden ze altijd bij Luc terecht.

Oud Casino (1974). De schouwburg intussen is zo slecht, opknappen is geen optie, dat er een nieuw theater gebouwd wordt. In 1976 wordt dat nieuwe Casino feestelijk geopend.

Boek signeren in boekhandel Adr. Heinen (1989).

8

Terug naar de oorlog In 1982 gaat Luc van Gent met pensioen. Tom Odems – de man met de encyclopedische kennis van film en theater en theaterman in hart en nieren – neemt het stokje succesvol over. Luc is er de man niet naar om thuis achter de geraniums weg te kruipen. Hein Bergé wijst hem erop dat ’s-Hertogenbosch in 1944 bevrijd is door de Welsh Division. Hij vindt dat de stad elk jaar haar bevrijding moet herdenken, met name door het leggen van een krans bij het monument aan de Aartshertogenlaan. Luc stelt voor een boek te schrijven, zoals drs. Karel Margry dat gedaan heeft voor Eindhoven. Luc neemt contact op met Margry, maar heeft inmiddels een ander plan: een film maken over de bevrijding van onze stad. Ze beloven elkaar te helpen: Karel Margry heeft als historicus de ingangen en documenten, Luc van Gent kent de film- en televisiewereld. Inmiddels is op 6 januari 1983 de Stichting October 1944 opgericht. Dankzij deze stichting en diverse subsidies en een “fors bedrag” van de KRO – in ruil voor het alleenvertoningsrecht van de te maken film – kunnen Karel en Luc aan de slag. Vooral in het Imperial War Museum in Londen vinden ze veel foto’s en filmfragmenten van de bevrijding van ’s-Hertogenbosch. Veteranen van de Welsh Division

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

Het theater Tot zijn dood heeft Luc van Gent zich druk gemaakt over een nieuw te bouwen theater in ’s-Hertogenbosch. In de eerste jaren van dit nieuwe millennium wordt namelijk steeds duidelijker dat het huidige Theater aan de Parade niet langer voldoet aan de eisen die gezelschappen aan een theater stellen. Technisch is het niet mogelijk grote producties naar ’s-Hertogenbosch te halen. De Verkadefabriek heeft zich inmiddels geprofileerd als theater voor kleinere voorstellingen. Moet het Theater aan de Parade zich dan beperken tot het presenteren van middelgrote? Ook de politiek is inmiddels overstag. Alleen: waar moet dat nieuwe theater komen? Welke locatie levert de beste mogelijkheden?


Open brieven over een nieuw theater.

Van: Luc van

Gent, MBE , RON

, Aris totelesl

aan 17, 5216

Luc van Gent is hier heel duidelijk in: het nieuwe theater moet in het Paleiskwartier komen. En ondanks een voorbereidingsbesluit van de Bossche gemeenteraad om nieuwbouw aan de Parade te plegen, is Luc blijven vechten voor zijn plan. Hij vindt namelijk dat er een compromis is uitgerold dat aan alle kanten rammelt. In 2009 valt in eerste instantie de Parade af. Luc zegt: “Ik sta aan de zijlijn, maar ik heb de kennis, dus laat maar weten hoe ik kan helpen.” In vier jaar heeft hij alle mogelijkheden en onmogelijkheden van alle locaties onderzocht. Hij stelt vragen als: wie zijn de gebruikers? En: als je ruimte nodig hebt, waar heb je die dan? Steeds denkt hij vanuit het podium, dat groter moet worden dan het huidige. Er moet een tweede zaal – een middenzaal – komen voor kleinere producties. Hij vertelt: “Het publiek komt wel, dat gaat niet naar een gebouw, maar naar een voorstelling. Die voorstelling moet wel optimaal kunnen functioneren!” Na zijn studie is voor Luc duidelijk: alleen het Paleiskwartier voldoet aan alle eisen. Er is ruimte, een theater detoneert niet in de omgeving. De toevoerwegen zijn veel beter en de parkeergarage is maar een minuut lopen. Bovendien is het daar veel goedkoper. Je kunt er meteen beginnen, er hoeft geen archeologisch onderzoek plaats te vinden, het terrein is al bouwrijp. Ook kunnen tijdens de bouw de voorstellingen in het huidige theater gewoon doorgaan.

CN ’s-Herto gen

bos ch

(deel I) OPEN BRIEF ors, belichting en geluid. Buit‘senavolopendsn

Pas dec oon voorbij. de gaat ntueel niet in de mensen gew tot leven. Het pub liek om ter we theater eve geb aseerd op tere chte komt het thea huis naar de voorstelling g dat het nieu d is s van De verontrustin tad zal wor den geb ouw hen is de binnens tad slec hts ster eek tstr rech aflo op gaan ische trek plei r ens Bossche binn eide Bosschenaren. Voo geto gen in de tijd te zijn. Na eigen kroe g. De econom op ral voo en geh emoties van als Bosschenaar geb oren verk noc ht. In 1935 was ik een klein aantal naar hun 5 om. heilig. In 192 ook ik aan de binnens tad Parade gesloopt wor den een wensdro hts slec is Pep erst raat ben de paardenstallen aan de urg. Van 1945 tot 1956 het carnaval uwb t te staan zal tien jaar en zag en voor een grote scho en tot 1967 regisseur CARNAVAL ater buiten de wallen kom rt. Tenten op de Parade mak g hoo Bos ch en om plaats te Ams terdam en Den Haa Als het megathe blijven waar het thuis de ervaring hee ft gele erd. terug in Den in was ik acteur visie. Na 22 jaren kwam ik als dire cteur van het de binnens tad daarvoor dienen zoals elkonzert en in Oet het ls uur bij de KRO tele nen aan de Bossche cult 4 toen besloten wer d om en de Mar kt zullen paar uitzonderingen zoa ig hebben. er een eelp odium nod moe st weer wen ging voorspo edig tot 197 wen. Dat viel niet in Nat uur lijk zijn rnaval die beiden het ton bou dat Casino. Maar ts een nieu w theater te schenaren. Zij zagen Bejaardenca het Bos plaa r tige aval op dezelfde te lokatie voo IER juis van behoud zuchzij in hun jeugd met carn r al ART de tal er KW bij e arti t. Maa HET PALEIS rtuiging is het Paleiskw in overvloed voor de t waar goe de aard hadden ont moevan Amor te olders gesloop Naar mijn ove atheater. Daar is ruimte r de toneeltoren van hun denderz e al dansend en hossend voo aan de wensen het nieu we meg het geb ouw, met name het geb ouw kunnen hun eers te liefd nieu we theater volledig van het dom k eren afmetingen Dankzij de ruimte ron gau w blee ten aan - en afvo g. ors en rekw isie gen met o.a. de nieu we 35 meter hoo voldoen. agens die dec moe t nu grote vrac htw ts vinden. De toegangswe parkeergarage De binnens tad een HERHALING aalt zich die behoudzucht. culturele huiskamer vanzelf hun plaa stad zijn royaal en er is geen panden wor den tot herh 2 de ater lle ven 201 om athe Zwo hoe wer k in Nu in meg rondwe g aanwezig. Er ens tad die het geb eurde. Ook tsing van een door de plaa terd. Net zoals in Zwolle trum komen. Het duurde dichtbij het geb ouw he vondsten in de binn iskwartier niet eolo gisc het Pale wor den gekoes nieu w theater in het cen en de binnens tad te gesloopt. Arch en stil leggen komen in en wor den. Het spo or- en een buit r zou zull d maa en onn iast st ijfel ous w beg d toch moe rs binnen ook ongetw groot en enth besloten wer een met de bou kunnen de foyeen gewens t jaren voordat De Spie gel trek t nu een voor. Er kan metdichtbij. Voor de Horeca ater ele bars of indi bou wen. The en regio. busstation zijn den voortge zet met enk lopen. stad n uit wor gaa en liek is pub naar buit lle goe d het gebied nt dat in Zwo een rest aura hoo gler aar op DE REGIO Cees Langeveld, bijzondervan het Chassé theater de binnens tad m zie ik niet in moloch van Onlangs kwa en theater’ als dire cteur . Hij sprak over zijn CONCLUSIE n taande feiten ie steden De ops omming van bovens Stadsge zicht verdraag t geeg Vrienden van onze stad in rote van ‘econom iek delg fabr Verk ade dat in mid bes chermd t en 40 lid van de Krin maar kies Het kom ig. (87) o Breda naar de rbij hij hee ft vastges teld ior wez regi sen aan ater. Als liek uit de verleden, ervaringen waa Bos ch 60 % van het pub bezoekers te laat komen een mega stadsthe iet ik dagelijk s van het iskwartier met Den de bos ch gen leken dat ater in het Pale stadsde el zijn oen gen The geb vold als Breda en ern erto hem aan is ’s-H mod en gebrek zelf. Ook t van een jaren zal dit % uit de stad slec hte toegangswe gen ips Muziekcentr um in voor de toekoms gbouw. In de komende historis che binnens tad Phil ten gevolge vandichtbij het geb ouw. Het moderne hoo tegenhanger van de t wor den zijn te erne en behoud zuch parkeerr uim om. waarde als mod . Voortsc hrijdend inzicht verwacht dat onze stad daar berucht Ik gen Eindhoven is inante de par tner s. gaan bevesti voor altijd goe rijd maar nu van al te dom dag voor EISTER? per elijk al KPL eind ema t. TRE dan bev twe zal wor den het ft jarenlang in de weg loop ECONOMISCHE weer opnieuw de toekoms t nodeloos nctione erd. Nu en Gas thuis hee t die Het Gro ot Ziek oekers als trek pleister gefu van een theater aldaar zuch oud beh w T honderden bez is hoopt men dat de bou rdag is een theater LUC VAN GEN en r ove 4. GZG verd wen trek ken. Maa de opb ouw van rijding in 194 tallen zal aan gewerkt aan us over de bev dezelfde aan niet s uit. Binnen wor dt teur en historic alt dicht en stra r, theaterdirec sseu regi ur, planet.nl Voormalig acte ljmvangent@ naar e-mail: rlijk 1 april a.s. tie gaarne uite l a.s. Uw reac Deel II op 8 apri

Een ander idee “Stel dat de Parade niet doorgaat,” vervolgt Luc, “dan komt er op de plaats van het huidige theater ruimte. Bouw daar een schoenendoos, de ideale vorm voor symfonische muziek. Dat levert 30 uitvoeringen per jaar op; de rest van de tijd functioneert het als bioscoop. De rechterkant van het huidige theater wordt gesloopt (onder andere de toneeltoren) en in de te bouwen schoenendoos bevinden publiek en orkest zich in één ruimte - zoals in het Concertgebouw in Amsterdam -, waar het aantal stoelen afhankelijk wordt van de ruimte: van 600 tot 800. De linkerhelft van het huidige theater wordt een huiskamer voor onder andere voorstellingen voor kinderen overdag, carnaval en kleed- en repetitieruimten. Wat er ook gebeurt: betrek de Toonzaal bij de programmering.” Met veel nadruk geeft hij dan ook een ‘bevel’: “Houd bij de programmering rekening met elkaar. Samenwerken is noodzaak!” En het GZG-terrein? “Bouw daar geen theater. Het staat overdag leeg. Maak er een leuk parkje van, waar vooral kinderen iets met historie kunnen doen. Dan heb je meteen publiek!” Tot slot heeft hij nog een wens: “Geef in het nieuwe theater drie stoelen een naam: Martens (in het midden), Van Gent (rechts) en Odems (links).” Afscheid De uitvaartplechtigheid in de Bossche Sint-Jan is een indrukwekkende aangelegenheid. De kerk is vol: van hoog tot laag komen de mensen de laatste eer bewijzen aan Luc van Gent. Na de woorden van een van zijn dochters aan het eind van de dienst klinkt een minuten durend applaus. Het laatste doek is gevallen, applaus past de speler die het verdient. Wij danken Luc en Agnes van Gent hartelijk voor de vriendelijke ontvangst en voor hun inspanningen voor de stad ’s-Hertogenbosch. Hopelijk komt hun grote wens – een nieuw theater op de juiste plaats – alsnog uit. Bronnen: Gesprekken met Luc van Gent Luc van Gent, De familie Van Gent. ’s-Hertogenbosch 2005

Foto’s: Familiearchief Van Gent

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

9


K

Korte impressie opgravingen Vonk & Vlam

Ooit behoorde ook de aanleg van Vonk & Vlam garage tot de controversiële projecten in ‘s-Hertogenbosch met veel voor- en tegenstanders en heftige discussies. Zelfs nu nog zijn geregeld kritische geluiden te horen over dit omvangrijke project. Die discussie is echter voorbij en de realisatie van dit complexe project is thans in volle gang. Het moet gezegd: Heijmans heeft deze klus voortvarend aangepakt.

Vestingmuur, Judastoren en kruittoren.

Voor ons als Kring Vrienden, en dan vooral als werkgroep Archeologie, is natuurlijk vooral vermeldenswaard, dat dit enorme karwei voor een belangrijk deel plaats vindt op historisch terrein. Deze enorme ondergrondse garage van drie verdiepingen strekt zich geheel uit aan de zuidzijde van de oude vestingmuur. Een deel van de singelgracht is hiervoor (tijdelijk) gedempt of verlegd. Als zo diep gegraven moet worden op historisch terrein, roept dit natuurlijk de interesse op van eenieder die in archeologie is geïnteresseerd. Wat het terrein betreft was vanuit deze optiek het deel ten zuiden van de stadsmuur, dus buiten de ommuring, nauwelijks van belang. Dit hele gebied, tot aan de drie appartementsgebouwen aldaar aan de Gregoriussingel was een laaggelegen gebied waar vanaf 1945 huisvuil en fabrieksafval is gestort (‘het stortje’). Dikte van de stortlaag was 0,5 tot 1,5 m. Nader onderzoek heeft geen schadelijke stoffen aangetoond. Ook de voormalige stadsgracht zelf wordt

Ingang (latere) kruittoren.

10

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

Archeologisch interes vooral het


am terrein Harry Satter, werkgroep Archeologie niet nader onderzocht. Vastgesteld is dat deze in het verleden is leeg gebaggerd en gedempt is met grof wit zand. Archeologisch onderzoek Er zijn drie gebieden aangewezen voor uitgebreid archeologisch onderzoek: Bastion Baselaar, de Judastoren met vestingmuren en de Casinotuin. Archeologisch interessant en prachtig om te zien is vooral het gebied aan de ‘binnenzijde’ van de stadsmuur vanaf de plek waar het oorlogsmonument heeft gestaan op de hoek Hekellaan-Pettelaarseweg met inbegrip van de Judastoren (monument Henri Bakker), tot aan Bastion Baselaar. Vooral omdat de muren aan de stadszijde nooit zichtbaar waren ten gevolge van de aarden wal die in de 17de eeuw ter versterking tegen de vestingmuur werd aangelegd (hiermee werd overigens rond 1542 begonnen maar in fases pas later voltooid).

waardoor alleen mensen met de vereiste medische keuring, beschermende kleding en dergelijke werden toegelaten. In opdracht van de gemeente/BAM zijn door bureau BAAC het archeologisch onderzoek en metingen gedaan, waarvan later nog wel verslag zal worden gedaan. Bij het graven zijn overigens geen opzienbarende archeologische vondsten gedaan (wat er gevonden is, is te bezichtigen bij het infocentrum (bij P1) dat iedere woensdag van 17.00-18.00 is geopend). Gelukkig heeft Heijmans, nadat het merendeel van de vervuilde grond was verwijderd, een enkele maal aan belangstellenden toestemming verleend voor een kort bezoek waarbij door Eddy Nijhof van de BAM toelichting is gegeven op het geheel en de plannen voor de restauratie. Deze plannen zijn overigens nog niet definitief en nog steeds aan veranderingen onderhevig. Hierbij aan de hand van wat foto’s en schetsen een korte impressie van dit bezoek.

De Judastoren was een 14de-eeuwse toren in de tweede vestingmuur. Met de uitvinding van het

De precieze uitvoering van de restauratie is ten dele nog in onderzoek. De muur zal naar boven worden

ssant en prachtig om te zien is t gebied aan de ‘binnenzijde’ van de stadsmuur

Vestingmuur richting Judastoren (oost).

buskruit, eind 15de eeuw, werden de hoog boven het maaiveld uitstekende weergangen erg kwetsbaar. Daarom werden zij voor een deel gesloopt en werden achter de muur aarden wallen opgeworpen. Verder werden de torens verlaagd en omgebouwd tot rondelen. Door de zwaarte van de aarden wal konden de muren gaan kantelen en daarom werden ook steunberen aangebracht. Van de oude Judastoren is de onderbouw bewaard gebleven; in 1840 is dit rondeel omgebouwd tot kruittoren. De restauratie van de vestingmuur vormt een integraal onderdeel van het bestemmingsplan Zuiderpark-Stadswalzone. Singelgracht Op het dak van de nieuwe parkeergarage wordt de singelgracht teruggebracht. Verder komt er een loopbrug over de gracht waardoor men straks vanaf de Limietlaan door de vestingmuur, onder de Hekellaan door de Casinotuin in kan lopen. Voor deze onderdoorgang wordt het grondniveau ongeveer teruggebracht tot vroegere hoogte. Hiervoor is de aarden wal weggegraven en de vroegere muur aan de stadszijde zichtbaar geworden. Graag zouden leden van de werkgroep Archeologie aan dit graven hebben deelgenomen! Helaas is echter het gehele gebied als “vervuilde grond” gekwalificeerd,

opgetrokken, de weergang komt terug maar niet geheel op dezelfde hoogte, de kleur steen zal aangeven wat oud en wat nieuw is. Restanten van de bogen zoals te zien op de foto’s zullen zichtbaar blijven (zie impressies). Achter de opgemetselde muur wordt een goot aangebracht van cortenstaal, waardoor een looppad ontstaat over de vestingmuur naar de bovenzijde van de voormalige Judastoren. Foto’s: Harry Satter

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

11


H

Hier staoi ik dan 11

Van Achter het Verguld Harnas naar Achter het Stadhuis is maar een klein stukje, toch op de hoek maar even stilstaan om rechts het in het oog springende appartementen- en winkelgebouw te aanschouwen. Dit opvallende pand uit 1999 is ontworpen door architect ir. Wilco Meeuwis en heeft duidelijke Spaanse en Moorse motieven. Ook het Guardianenhof in de Dode Nieuwstraat in dezelfde herkenbare stijl is van zijn hand.

Je kunt het mooi of lelijk vinden, de architect heeft wel getracht met deze bouwstijl het oude historische van de binnenstad te benaderen. Er zijn voorbeelden in het centrum waarbij deze plank behoorlijk is misgeslagen; neem maar eens een kritisch kijkje op de Brede en Smalle Haven. Maar ook als we weer links Achter het Stadhuis ingaan, zien we dat de achterkant van het Stadhuis na de nieuwbouw behoorlijk uit de toom valt. Reden om snel maar het smalle steegje daar tegenover in te gaan. Eerst kijken we nog even naar boven naar het typische en onlangs gerestaureerde reclamebordje van L.J. van Stokkum Automobielen dat daar tussen de muren hangt. Dit steegje heet het Klein Lombardje, en net zoals Lombardje, Lombardpassage en Lombardpad heeft het zijn naam te danken aan de Lombarden die net zoals de joden in de Middeleeuwen de voorlopers waren van het bankwezen. Met hun geldhandel vanaf een tafeltje (‘banca’), net even buiten de stadspoorten, waren zij de eerste ‘Bank van Lening’. De rentepercentages van 50 tot wel 80 procent laten zien dat dit niet altijd koosjer was. Op het einde van dit straatje, rechts naast de smalle doorgang, staat het huisje van een bekende en markante Bosschenaar.

12

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

Sjef Brummer Ruim 30 jaar na zijn overlijden is Janus nog altijd vermaard bij vele Bosschenaren en mensen van buiten de stad. Janus Hier staoi ik dan, ’n bietje aongedaon ben veur ’t hùske van Janus gaon staon Op ’t Klein Lombardje, daor wôônde hij waar vaok ’t slachtoffer van plaogerij ’t Waar z’n gezicht, daor waar wè mee aon de hand deur ’n ongeluk gedeeltelijk verbrandt Waar ‘t ’nne kachel of ‘n brandend huis Janus droeg z’n lot as ’n kruis Bang ware hil veul vrouwe de keinder stonne ’m uit te jouwe “Sliep, sliep, Janus Kiep” riepe ze dan rende daornao weg, want ze ware ok bang Mar Janus deej gin vlieg kwaod, ‘nne mens van goeie wil as ie nie op straot te veinde waar, zat ie in z’n hùske; eenzaom en stil Onze Lieve Zûte Moeder trouw, liep de processie mee de Carnavalsoptocht veurop, dè is wè Janus gère deej Mee z’n kar vol bluumkes gong Janus op pad z’n hundje mee, ’t waar ’t enigste wèt ie had Zô stierf Janus ‘nnen eenzaomen dôôd, onverwacht gin mens om ’m hene, zonder aondacht Pas mee z’n uitvaort, ielkendeen wouw daor bij zijn toen krig Janus “die” aondacht, de Sint-Jan waar te klein Hadde we dè mar eerder gedaon, hadde we dè mar gewete ’t heet zô moete zijn, mar Janus zulle we nooit mir vegete. We moeten bukken om de lage smalle doorgang langs het huisje van Janus door te gaan. Links op het einde van deze doorgang zien we op een plaquette nog een mooi gedicht van de hand van Jan van Sleeuwen over Janus, precies zoals het was. We gaan naar links en lopen recht op een mooi stukje Binnendieze af; met wat geluk zie je een bootje van de vaartocht voorbijkomen. Overigens: tussen de struiken rechts zie je ook nog een standbeeldje van Janus Borghs staan, samen met zijn hondje houdt hij het hier nog lang vol. Richting de Waterstraat zien we rechts de parkeergarage, een verfoeilijk gebouw met een verhaal. Maar daarover de volgende keer meer, voor nu bedankt maar weer en HOUDOE! Foto’s: Ellie de Vries


M

Molen Rosmalen gepimpt Rob Hoogeboom

De standerdmolen in Rosmalen heeft een grote onderhoudsbeurt ondergaan. De molen zelf en de directe standplaats zijn gepimpt. De voorbereidingen zijn al begonnen in het voorjaar van 2012. Diverse bezoeken van Erwin van Hunen, hoofd gebouwendienst, en Leon van Dijk , technisch adviseur gebouwen van de gemeente ’s-Hertogenbosch, gingen daar aan vooraf. Ook werd er geluisterd naar de wensen van de molenaars RenÊ Vogels, Frans Hollander en Piet Lemmens.

De molen in volle glorie.

Het opknappen Uit onderzoek bleek dat er meer nodig was dan alleen een fikse schilderbeurt. Men is begonnen met het schoonmaken van de stenen onderkant. Oude verflagen werden weggehaald, oud stucwerk verwijderd en losse stenen werden weer vast gemetseld. Tijdens deze werkzaamheden bleken er nogal wat scheuren en openingen in het metselwerk te zitten. Dit is allemaal weer opnieuw gevoegd en waar nodig zijn extra reparaties uitgevoerd. Vervolgens kon het Rosmalense schildersbedrijf Van Dijk aan de grote schilderklus beginnen. Hiervoor is ook gebruikt gemaakt van steigers en zelfs twee hoogwerkers kwamen eraan te pas. Omdat de molen toch voor een groot deel uit hout is opgebouwd, kwam men ook diverse rotte stukken hout tegen. Deze werden voor zover mogelijk

De molen glanst je tegemoet vernieuwd of gerepareerd of geprepareerd. Er is vele vierkante meters schuurpapier gebruikt en liters verf in diverse kleuren, vooral wit en groen, is op de molen weg gestreken. Het resultaat mag er nu zijn: de molen glanst je tegemoet en kan er weer een aantal jaren tegen. Dat wil niet zeggen dat men stil gaat zitten, want algemeen onderhoud aan dit bijzondere dorpsmonument blijft nodig. Ook het talud is onder handen genomen. Nadat de molenstenen die er jarenlang voorstonden, in 2011 hun nut gingen bewijzen in het Kollermonument, bleek dat de houten balken die er nog stonden hun beste tijd hebben gehad. Ze zijn allemaal verwijderd en men heeft gekozen voor een betonnen wandversteviging. Tijdens de komende Open Monumentendag, 14 september 2013, zal men gaan zien dat deze wand nog een andere functie zal krijgen. Ook zal men dan kunnen gaan genieten van diverse activiteiten. Foto’s: Rob Hoogeboom

Een trotse molenaar.

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

13


B

Bootgesprekken: Enthousiasme over ves

Het was opnieuw druk in de boot, waarmee we vrijdag 16 augustus over de Binnendieze voeren. Naast uw verslaggevers en fotografe Ellie zaten in de boot wethouder Huib van Olden, hoofdambtenaar Huibert Crijns en restauratiearchitecten Marlène van Gessel en Marc van Roosmalen. De gesprekspartners zijn geen van allen in ’s-Hertogenbosch geboren, maar hebben wel hun hart aan de stad verpand. Schipper van dienst was dit keer Ger Wiegers. Het belangrijkste onderwerp: de Bossche vestingwerken. Voor de verandering was het goed weer deze tocht. En het was druk: tot laat werd er regulier gevaren op de Binnendieze. We moesten dus een beetje oppassen. Omdat de gasten graag door het Hellegat wilden varen, hadden we dit keer een kleine boot uitgekozen. Het begin Wethouder Van Olden vertelt dat een Kerngroep Vestingwerken de hele restauratie verzorgt. Doordat het een project is dat vele jaren vergt – meer dan een zitting van een college – vindt hij dat we “het niet

Revitaliseren De restauratie moeten we niet zien als puur een technisch herstel, maar deze draagt bij aan het revitaliseren van de hele stad. Niet alleen toeristen moeten zich vergapen aan de schoonheid van de vesting, maar vooral ook de inwoners van ’s-Hertogenbosch. Het Rondje ’s-Hertogenbosch, inclusief het pontje bij de Dommel, was een idee van de architecten om ook Bosschenaren te laten ervaren hoe mooi hun stad is. Nu kunnen zij niet alleen binnen de wallen rondlopen, maar ook daarbuiten, zonder obstakels. Het prikkeldraad bij de Vughterbrug bijvoorbeeld is opgeruimd en vervangen door een mooi wandelpad. Marlène: “Je hebt als wandelaar nu twee belevingen: een met uitzicht van binnenuit en een met zicht op de weerbaarheid van buitenaf.” Gelukkig zat het tij mee, toen in 1999 – 2000 begonnen werd met het herstel. Er kwam geld van diverse overheden, ook uit Europa. En van vele kanten

Juist die beleving maakt dat punt zo spann omdat je aanvankelijk niet me te politiek mochten en mogen maken”. Daarom die kerngroep, waarin allerlei disciplines samenwerken. Huibert Crijns vult aan: “We hebben te maken met een project, waarbij veel thema’s en onderwerpen bij elkaar komen, zoals stedelijk ontwerpen, cultuur en cultuurhistorie. Daarom is het goed dat diverse disciplines in de kerngroep vertegenwoordigd zijn.” Hijzelf is voorzitter van die kerngroep, waarin bijvoorbeeld ook Hans Meester, hoofd van de BAM (afdeling Bouwhistorie Archeologie en Monumenten van de gemeente) zit. De aanleiding voor het instellen van de groep vormde het hoog water dat de stad in zijn greep hield in 1994 - 1995. Architecten zijn van het begin betrokken bij het integraal aanpakken van de restauratie. Uitgangspunt is nog steeds het Ontwikkelingsplan Vestingwerken met de mooie, dubbele titel Versterkt Den Bosch. Het is een soort bijbel geworden voor de restauratieaanpak van vestingwerken. Marc van Roosmalen legt uit: “Je moet het zien als een soort plannengenerator. Er is 6 km aan vestingwerken. De stad zelf had geen deskundigen. Daarom bouwden we voort op het succes van de restauratie van de Binnendieze (1973 – 1999) en de aanpak daarbij.”

14

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

was er belangstelling voor de manier van werken in ’s-Hertogenbosch. En die zogenoemde Bossche aanpak leverde weer diverse prijzen en onderscheidingen op. Ook nu weer: de vestingwerken zijn, samen met twee andere projecten, genomineerd voor de Erfgoedprijs van de Bank Nederlandse Gemeenten. Kruisbroedershekel Op de hoek Spinhuiswal – Parklaan bevindt zich de Kruisbroedershekel. Omdat het een vurige wens van de Kring Vrienden was om rond te varen, ontstond aanvankelijk het plan die hekel open te leggen of op te ruimen. Dat zou echter niet zo spannend zijn. Daarom werd een plan ontwikkeld en uitgevoerd om een doorbraak te maken door de muur heen. Die muur bleken er twee te zijn, uit twee verschillende tijden. Gelukkig kreeg de gemeente toestemming om een gat door de muren te maken – het is immers een rijksmonument. De oplossing is nog steeds verrassend: je maakt met de boot een scherpe bocht, vaart als het ware een tunnel in en dan ineens schiet je naar buiten, richting Het Bossche Broek. Juist die beleving maakt dat punt zo spannend, omdat je aanvankelijk niet meteen ziet waarheen je vaart. Hoe versterk je die beleving? “Hoe smaller, hoe betaalbaarder, dus maak je de doorgang smal en hoog. Daardoor is het idee van de ribben ontstaan,


stingwerken 7 Nik de Vries en Ed Hupkens versteviging van de bypass. Deze is elastisch en sterk. En de trap die vanaf het water naar het bastion leidt, had er eigenlijk niet mogen liggen: je zet geen opgang tegen de vesting… Daarom is het een soort ladder geworden (die sommige mensen eng vinden, omdat de leuning in het midden zit). In de muren van het bastion is de thermische spanning goed zichtbaar. Onder invloed van de schommelende temperaturen zijn scheuren ontstaan, die je goed moet beheersen. Wat verderop, bij de Grote Hekel, blijkt een rondeel gelegen te hebben, met kanonnen en al. Een plannetje om dit rondeel zichtbaar te maken met behulp van drijvende waterplanten is gesneuveld. Ook het idee om een waterverbinding te maken naar de overkant van de Pettelaarseweg is een idee gebleven.

In de boot v.l.n.r.: Huibert Crijns, Huib van Olden, Marlen van Gessel en Marc van Roosmalen.kruittoren.

nnend, eteen ziet waarheen je vaart want zo was het makkelijker bouwen in een bocht,” leggen de architecten uit. Bij het uitgraven stuitte men op een poort. De bodem van die poort was op maaiveldhoogte. Zo ontstond het plan om een kamer te maken, waar eventueel presentaties of zelfs kamerconcerten plaats konden vinden. De ribben zijn gemetseld, ertussen zit hout – de zogenaamde verloren bekisting -, waarachter beton. Als het hout wegrot, zie je de afdruk ervan in het beton. Alleen: het hout rot niet… De bouwvorm heet een kettinglijn. Stel je voor dat je een ketting ophangt aan twee punten. Dan draai je die ketting om en door het eigen gewicht ontstaat een volmaakte kromme; het resultaat is dan het huidige model van de ribben. Het is dezelfde werkwijze als Gaudi ook toepaste bij zijn Sagrada Familia in Barcelona. Bijzonderheden onderweg Als we bij de Parklaan varen, vertelt Marc dat er een bijzonder plantje is aangetroffen op de zwevende muur, de tongvaren. Het is een van de vele bijzondere soorten flora die op de vestingmuren goed gedijen. Marc vertelt ook nog, dat op sommige plaatsen lijm is gebruikt in plaats van cement: “Lijm is zeker vijf keer sterker dan cement.” Op de hoek bij bastion Oranje is een experiment geslaagd: hier is een voor Nederland unieke 12 meter lange stalen buis gebruikt voor de

Slot Op de terugweg laat Huibert Crijns zich ontvallen: “Het is bijzonder fijn met deze architecten te werken. Hun stijl is namelijk niet gedateerd. Ze laten zich inspireren door hun omgeving.” Over de werkwijze van de architecten bij dit project wordt nog opgemerkt dat die afwijkt van de normale gang van zaken. Traditioneel vraag je een architect en die maakt een ontwerp en dan vind je dat goed of niet goed. Hier zitten de architecten mee in de kerngroep en wordt er van plaats tot plaats bekeken wat er te doen is. Daar wordt samen over gediscussieerd en zo ontstaan vaak de mooiste ontwerpen. En over het heden meldt wethouder Van Olden nog: “Wat zou het mooi zijn als we op het GZG-terrein de Grote Stroom weer kunnen openleggen. Dan kunnen we helemaal rondvaren en kan de Geertruisluis weer als sluis dienst doen. Als we rond 2000 geweten hadden, dat het economisch tij in deze tijd zo zou tegenzitten, hadden we dat GZG-terrein toen moeten aanpakken. In die tijd was er nog geld genoeg. Het is jammer dat we nu in een economisch moeilijke tijd belangrijke beslissingen moeten nemen. Daar komt misschien niet het beste en mooiste plan uit voort.” Toch: als we naar de voortgang van de restauratie kijken, kunnen we alleen maar positief zijn. Er is veel moois tot stand gebracht en er komt ongetwijfeld nog veel moois in de toekomst. Denk bijvoorbeeld aan wat er met het Sint-Jansbolwerk gebeurt. Graag bedanken we de deelnemers aan deze vaartocht voor hun openhartigheid en heldere uitleg. Foto: Ellie de Vries

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

15


O

Op bezoek bij… Van Lanschot Het leuke van deze reeks is dat je elke keer weer nieuwe of hernieuwde contacten opdoet. Dit bezoek aan Van Lanschot is het gevolg van het vorige Op bezoek bij… Heemkundekring Rosmalen. Hier is een van de vrijwilligers Arnold de Veer die landelijk bekend is vanwege zijn Rosmalense bidprentjesverzameling. Maar we kennen hem ook nog van de cursus Boschlogie als inleider over de geschiedenis van de bankiersfamilie Van Lanschot. Kortom, het ene Op bezoek bij… resulteerde in een uitnodiging voor het andere Op bezoek bij…, dit keer bij Van Lanschot. Arnold werkt inmiddels al sinds 1977 als bedrijfsarchivaris bij de firma Van Lanschot bankiers. Vanwege zijn kennis van het bedrijf kent hij de gebouwen aan de Hooge Steenweg en de Orthenstraat van binnen en buiten.

Arnold de Veer (links met handschoenen) geeft uitleg over het kasboek uit 1737 aan Huber van Werkhoven en Toine Jansen.

Het bezoek Op een mooie julidag in 2013 gingen we op bezoek. Orthenstraat 1 heeft de mooie namen De Brouwkuip en De Gulden Struijs, Orthenstraat 3 is De Gulden Hopsack. Deze gebouwen hebben een monumentale status en dus mag hier niet veel aan verbouwd worden. Eind 2012 zijn de gebouwen aan de Orthenstraat en Hooge Steenweg verkocht aan diverse projectontwikkelaars. De gebouwen zijn daarna terugverhuurd aan Van Lanschot. Ons startpunt was bij de voordeur op Hooge Steenweg 29. Het zal menige voorbijganger niet direct opvallen, maar daar zitten toch enkele bijzondere gevelstenen van Piet Verdonk. Zo kom je ook weer bij een andere Boschlogie module uit trouwens. We zijn door Arnold ontvangen in de Jeroen Boschkamer. Wel met de mededeling dat er niet overal foto’s gemaakt mogen worden. Jammer voor mij, maar begrijpelijk in een apart en monumentaal bankgebouw. Met Arnold als gids ben je meestal niet vlug uitgeluisterd, het ene verhaal volgt al snel het andere op. Zoals het een goede inleider betaamt, krijgen we een zeer mooie geschiedenislijn te horen van de familie Van Lanschot. Het begin De voorouder was de familie Maesson uit Zundert. De eigenlijke stamvader Van Lanschot was bekend als bierbrouwer. De getoonde stamboom met de foto’s van alle voorvaderen van Van Lanschot maakte zeer veel indruk. Het jaar 1711 is het geboortejaar van Cornelis van Lanschot. Hij verhuist met zijn familie in 1737 naar ’s-Hertogenbosch en begint aldaar zijn eerste activiteiten. Op 22 juli 1737 zijn de eerste activiteiten in een kasboek opgetekend. Dit kasboek bestaat nog

Op 22 juli 1737 zijn de eerste activiteiten in een kasboek opgetekend

Arnold de Veer vertelt over fotonegatieven uit 1850.

16

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

steeds, Arnold had dit tot onze verrassing voor enige tijd mogen lenen uit het archief. Om het te laten zien, waren speciale handschoenen nodig. Dat het boek speciaal is, blijkt wel uit het feit dat het 10 minuten voor ons bezoek werd binnengebracht en stipt 30 minuten later werd opgehaald door de mede bedrijfsarchivaris. Dit was wel meteen een kans om mee te gaan naar het archief die zich één verdieping lager in een van de vele kelders bevindt.


Rob Hoogeboom verwezenlijken. Lopende door alle gangen, kamers, trapje op trapje af, kom je op plaatsen die zelfs voor een medewerker niet eens belangrijk lijken. We mochten afdalen in de 15de-eeuwse gotische kelders. Daar ergens bevindt zich ook weer zo’n beroemde kluis voor klanten die je waarschijnlijk kent uit veel speelfilms. Maar ze bestaan toch echt. In een van de kelders bezochten we een uit bedrijf genomen damestoilet uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Voor die tijd had deze een bijzondere verbrandingsoven voor de dameshygiÍne. Gezien het speciale architectonisch ontwerp en historische waarde is deze toiletgroep behouden gebleven. We bezochten de Blauwe Kamer, de Geldkamer, Vitrinekast met onder andere postzegels uit 2010.

Ontvangst in de Jeroen Boschkamer.

Het archief Dit archief is een van de vaste werkplekken van Arnold. Wij mochten hier rondkijken met de handen in de zakken. Voor ons als verzamelaars liggen hier veel zaken die de moeite waard zijn. Zo zagen we onder andere veel oude gebruiksvoorwerpen, zoals telmachines, faxen, een telrol, bakelieten telefoons, perforators, ponsmachines. En voor Huber van Werkhoven zeer interessant: een bijzondere frankeermachine nog compleet met Van Lanschot frankeerstempels. Er staat ook een kast vol met relatiegeschenken uit voorgaande jaren zoals horloges, pennen, stropdassen, golfballen, petten en wat al niet meer. Natuurlijk zien we ook andere kasboeken vanaf 1737. Het archief is op zich al een soort van klein museum. Maar ja, je bent in een bank en ook de kluisdeur van dit archief moest op slot.

Arnold de Veer bij de vitrinekast in zijn kantoor. Links achter hem een portret van Cornelis van Lanschot. Rondleiding Onze eigenlijke rondleiding startte in de Jeroen Boschkamer, genoemd naar een schilderij van een nazaat van Jeroen Bosch. Eerst naar de hal waar nog steeds de wit/zwarte tegels je ook als klant tegemoet stralen. In de hal zie je ook goed wat architect Valk voor ogen had en hij is er goed in geslaagd dat te

veel namen en ook zoveel kamers. Een daarvan is ook bijzonder. Hier hangt een schilderij van Jan Christiaansz Micker die het Beleg uit 1629 heeft geschilderd, gezien van de kant van Vught. Het is een bijzonder schilderij vol met kleine details. Terwijl we zo door de gangen, kantoren en kelders dwaalden, vielen een paar zaken ons als verzamelaars wel op. Zowel in de kelders als op diverse plekken in het gebouw kun je zien dat de moderne tijd ook zijn stempel nalaat. Overal liggen kabelgoten, kabels hier en daar, meterkasten en dan weer een verzameling van voorlopig niet te gebruiken apparatuur. Maar ja, zonder deze moderne hulpmiddelen kan een bank ook niet draaien. En daar komt nog bij dat Van Lanschot de oudste onafhankelijke bank is van Nederland. De bank is nog steeds zelfstandig en is een van de weinige banken die geen staatssteun nodig heeft gehad. Op diverse plaatsen in de panden kom je allerlei kunstvoorwerpen tegen zoals schilderijen, etsen, beelden en keramiek. De geschiedenis in de gebouwen is voelbaar en zichtbaar aanwezig. Je treft op diverse plaatsen in het gebouw ook vitrines aan waarin het een en ander is uitgestald. Zo zie je in een van de vitrines de postzegels liggen met daarop de panden vanVan Lanschot, uitgeven door Hertogpost in 2010 bij het

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

17


O B

Bossche klokken8 o

80-jarig bestaan van de ’s-Hertogenbossche Filatelisten Vereniging. Arnold heeft ervoor gezorgd dat deze in de afgelopen jaren zijn opgesteld. We kregen ook letterlijk een kijkje in de keuken. Hier is het domein van meester-kok Jeroen Traa. Hij is bekend als de kok aan huis van ik-kook. Vanuit deze keuken, in de kelder gelegen, worden alle gerechten voor gasten bereid. Dat je in een andere kelder een mooie wijnverzameling tegenkomt, is dan ook geen echte verrassing. Het Bosch Keldergenootschap kan alleen al met de kelderrondleiding een tijdje zoet zijn. We sluiten de rondleiding af op het kantoor van Arnold. Hier staat een forse vitrinekast met diverse Van Lanschot verzamelobjecten. Ook de rijkgevulde bibliotheek met boeken over Van Lanschot mag er zijn.

De meeste bedrijven, scholen, instanties, organisaties en hun werknemers zijn al weer volop aan de slag. Na een tijd van ontspanning wordt de draad weer opgepakt, her en der met frisse moed en ideeën. Wat kort geleden nog niet op gang kwam, lukt nu wel.

Boodschappen op een aantal klokken maken op vergelijkbare wijze melding van vernieuwende of nieuwe aanpak. Bij de volgende drie gebouwen speelt een klok-met-tekst een duidelijke rol als boodschapper.

Provinciehuis en Veemarkt Tot 1971 was het provinciehuis ondergebracht op verschillende plaatsen in de stad. In dat jaar komt een nieuw, zeer eigentijds gebouw tot stand. In 1971 wordt het nieuwe provinciehuis geopend door koningin Juliana. Als dank ontvangt de koningin een luidklokje met alle namen van het toenmalig Huis van Oranje anno 1971. Daarover maakten we al in een eerder artikel melding. In 1931is het nieuwe Veemarktgebouw af. Een jaar later opent koningin Wilhelmina het gebouw officieel. Ze wordt ontvangen en begeleid door burgemeester F. van Lanschot. Voor hem is de Veemarkt een kroon op zijn carrière. Ook hierbij wordt een klok geschonken. Nu aan de Veemarkt zelf, mede als eerbetoon aan de jubilerende burgemeester. De Engelse klokkengieters Gillett and Johnston goten en schonken de klok met de daarbij passende tekst. Uiteraard in het Engels:

Firmantenkamer met bijzondere muziekklok.

Slot Voor onze werkgroep Verzamelaars Hertog Jan is dit Op bezoek bij… Van Lanschot meer dan de moeite waard. In het verleden zijn er tijdens Open Monumentendagen diverse rondleidingen op de Hooge Steenweg geweest. Dit kan niet tippen aan de privérondleiding van Arnold de Veer. Wij zijn hem en in het bijzonder Van Lanschot zeer dankbaar voor deze gastvrijheid. Bronnen: Frans Govers, De polsslag van de tijd Van Lanschot Bankiers; Orthenstraat 1-5 & Hooge Steenweg 27-31 Persoonlijke anekdotes van Arnold de Veer, bedrijfsarchivaris www.vanlanschot.nl/kunst

Foto’s: Rob Hoogeboom

18

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5


opnieuw, vernieuwend, nieuw Werkgroep Klokken

PRESENTED BY GILLETT & JOHNSTON. CROYDON. ENGLAND TO THE CATTLE MARKET OF BOIS-LE-DUC TO COMMEMORATE 12½ YEARS AS BURGOMASTER BY Mr. F. VAN LANSCHOT 1931 Vertaald: Aangeboden door Gillett & Johnston. Croydon, Engeland aan de Veemarkt van ’s-Hertogenbosch met bijpassende hulde vanwege het 12 ½ jarig jubileum van Burgemeester van Mr. F. van Lanschot 1931. Dat de klokkengieters de burgemeester betrokken bij hun schenking is niet vreemd. Gillett & Johnston kreeg - zes jaar eerder - de opdracht voor het gieten van de beiaardklokken van de SintJanstoren (eigendom van de gemeente). Dat was ook tijdens de ambtsperiode van deze Bossche burgervader. Een geschenk aan zowel een instituut als een functionaris is al uniek. Een klok door de klokkengieter geschonken komt verder in ‘s-Hertogenbosch niet voor. En dat dan ook nog in solo-Engels maakt het driemaal uniek. Geen enkele van de overige 180 Bossche klokken draagt een vergelijkbare tekst. Sinds enige tijd staat het jaartal 1931 weer trots op de toren van de Brabanthallen.

Essent-gebouw 1954: Bij het Essent-gebouw komt in kloktekst een tweede actie van de provincie Noord-Brabant in zicht. In 1914 werd de PNEM opgericht. De ambitie was vooral om daarmee te bereiken dat ook de minder dichtbevolkte gebieden in de provincie werden aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. In 1954 viert de PNEM met trots een jubileum van een geslaagd project: het succesrijk 40-jaar-bestaan. De tekst onderstreept de betrokkenheid van het personeel bij dat jubileum met een respectbetuiging aan de directie. Parel En Teken Is Telkens Roem IJver Kunde En Streven 1914 PNEM 1954 GESCHONKEN DOOR HET PERSONEEL AAN DE DIRECTIE Driemaal zien we een uiting van voortgang na opstap tot ontwikkeling of als start daarvan. Het klinkt allemaal als een klok. Niet alleen vanuit de bestuurders, maar ook vanuit andere direct betrokkenen zoals leveranciers en personeel. Foto’s: Frans van der Smissen

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

19


T

Te water! Een leuke hobby? Ik ben best wel een beetje verliefd op onze stad. En ik kan vergelijken. Want het is bepaald niet zo dat ik nooit over de schutting heb gekeken. Geenszins. Zo was ik vorige week nog in Eindhoven en in juni bezocht ik met een open mind en een boot vol oud-collega’s Brabants Oranjestad Breda. Ook Helmond is mij niet vreemd, om van Oss en Tilburg maar niet te spreken. Maar al die plekken vallen totaal in het niet bij ’s-Hertogenbosch. Geen wonder dus dat ik deze nauwelijks te remmen liefde voor mijn hertogstad heb omgezet in dappere daden. Zo dapper, dat ik met ingang van dit seizoen de bootjes op de Binnendieze beschipper, samen met nog zo’n 100 gelijkgestemden. Opmerkelijk: van die honderd binnenschippers vindt slechts een minderheid zijn of haar roots in onze stad, de stad die zij vrijwel dagelijks bewieroken. Onze schippers komen uit Amsterdam, Arnhem, Overijssel, Friesland of van de Zeeuwse eilanden. Er zijn er maar weinig die hun wieg terugvinden langs de Dieze of in de Hinthamer- dan wel Vughterstraat. Onze zachte ‘g’ hoor je vaker niet dan wel in het gezellige schippershome aan de Molenstraat. Maar de sfeer is er goed, uitstekend zelfs. En ze weten er van wanten. Ze zijn uitermate goed op de hoogte en buitengewoon plichtsgetrouw. Ze lachen veel, vooral om elkaar. Een schipper die een stuurfoutje maakt of een muurtje raakt hoort dat nog tot in lengte van jaren. Met een glimlach, dat dan weer wel. Met name beginnende schippers moeten op hun tellen passen, willen zij niet het voorwerp worden van jarenlange, vriendelijk klinkende collegaspot. Nou, ik ben dus zo’n beginnende schipper. Ik ga derhalve zeer zorgvuldig om met mijn taken, maar moet erkennen

Hans van Kasteren hadden geboekt. Met een lege boot voer ik daarom vrij vaardig via de smalle Kruisbroedershekel naar de aanlegsteiger. Daar aangekomen zette ik mijn boot trefzeker vast tussen twee houten palen, die daartoe diep de Dommel in zijn gedreven. Daarna maakte ik aanstalten de boot daadwerkelijk vast te leggen met een slimme touwworp rondom een ijzeren kikker. Net toen ik die actie wilde beginnen, werd ik enthousiast met mijn voornaam aangeroepen door een man die met zijn partner zat te sandwichen op een nabije, grote steen. Het bleek een oude schoolkameraad te zijn, die ik in jaren niet had gezien. Ik stapte onmiddellijk op hem af en gaf me over aan het gebruikelijke ‘hoe is het nu met jou’ ritueel. Ik vergat de boot, die dus niet echt vast lag. Een minuutje later keek ik even om en zag tot mijn schrik dat de boot minstens een meter of vier in een ongewenste richting was afgedreven, de Dommel op richting stuw. Ik had in mijn enthousiasme over de onverwachte ontmoeting vergeten de aanlegprocedure te voltooien! Aan de overkant zaten een stuk of tien gezellige mensen heerlijk te witte wijnen en zij hadden feilloos in de gaten dat ik een probleem had. Mede daarom moedigden ze mij harteloos maar geestdriftig aan. Ook mijn oude schoolkameraad achter mij liet

Luid gejuich voor en achter mij toen ik mijn broek liet zakken

dat ik te maken heb met een zekere onhandigheid en de neiging redelijk snel afgeleid te zijn. Onlangs had ik de taak nabij het Vughtereiland (vlak voor het voormalige Chalet Royal) een groep wandelaars op te pikken, die een gedeeld wandel/vaararrangement

20

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

zich niet onbetuigd. Toch kon ik maar één ding doen om mijn blunder te herstellen: ik moest te water! Afgezien van het afdrijfgevaar was er immers ook nog een groep standswandelaars in aantocht, die een Binnendieze boottocht hadden geboekt. En er was maar één boot in de buurt: de mijne… Afijn: heuptasje en horloge af en schoenen en spijkerbroek uit. Dat was verstandig, oordeelde ik snel. Luid gejuich voor en achter mij toen ik mijn broek liet zakken. Nou laat ik mijn broek wel vaker zakken, maar dat levert zelden enthousiaste reacties op. Een lang verhaal kort: ik slaagde er in de boot al zwemmend te bereiken en met de nodige moeite te beklimmen. Een laf applaus viel mij links en rechts ten deel toen ik in mijn pas verworven onderbroek (in vrolijke Hemakleuren) weer achter het roer kon plaatsnemen. Later die middag in het schippershome bleek iedereen feilloos op de hoogte. Ik werd hartelijk toe- dan wel uitgelachen. Het is een leuke hobby, jongens… Bron: Maas- en Noordkroniek Foto: Gerard ter Steege


R

Romeinen in Empel Nik de Vries

Op zondag 25 augustus 2013 exerceerde een deel van het tiende legioen van het Romeinse leger opnieuw door Empel. Tijdens de Romeinse dag, georganiseerd door de Stichting Tempel van Empel, stonden de legionairs centraal. Honderden mensen kwamen erop af. Vooral de kinderen hebben met volle teugen genoten, maar ook voor ouderen was er voldoende te doen.

Het Romeinse legioen.

De dag vond plaats op het Kasteelpark van Empel, een flinke steenworp verwijderd van de plaats waar vanaf 1989 door opgravingen duidelijk werd dat hier een belangrijke Romeinse tempel gestaan heeft. Tal van interessante vondsten werden er toen gedaan. Voor een deel zijn deze nu te bewonderen in het Noordbrabants Museum. De Romeinse dag Van 10 tot 17 uur konden belangstellenden kennismaken met het leven van soldaten in het Romeinse leger van een kleine 2000 jaar geleden. In Empel hadden ze hun tenten opgeslagen. Daar werden ze twee maal gedrild en voerden ze hun schijnaanvallen uit. Trainingen met (houten) zwaard en (rieten) schild zorgden ervoor dat ze in goede conditie bleven. Hier konden (jonge) bezoekers het opnemen tegen een Romeinse soldaat.

Naast de Romeinen waren er verschillende kraampjes opgesteld, waar bezoekers informatie konden krijgen over de Stichting Tempel van Empel, over het Museum Hertogsgemaal, over de Romeinse tijd, over vondsten uit die tijd. Ook konden kinderen en volwassenen een leren buideltje maken, zich laten verkleden als Romein (m/v) of Romeinse bordspellen spelen. Het geheel was prima georganiseerd. Alleen een kleine tip voor volgend jaar: zorg voor routebordjes aan het begin van Empel voor niet-Empelaren.

Het leven van het Romeinse legioen werd zo natuurgetrouw mogelijk uitgebeeld

Kinderen krijgen uitleg over het Romeinse leven.

Het leven van het Romeinse legioen werd zo natuurgetrouw mogelijk uitgebeeld: alles was in stijl, zoals het een goede re-enactment groep betaamt. Er werd dus bijvoorbeeld authentiek eten klaargemaakt in een echte Romeinse reiskeuken.

Tempel van Empel Een van de doelstellingen van de Stichting Tempel van Empel is de reconstructie van de tempel op de plaats waar deze gestaan heeft. Daaromheen moeten dan drie informatiezuilen komen, van waaruit bezoekers de tempel helemaal kunnen zien. Als de tempel er is, moet deze een soort museum worden, waar bijvoorbeeld ook schoolkinderen kennis kunnen maken met de Romeinse tijd in hun eigen omgeving. De tempel stond op een ommuurd terrein van 50 x 50 m, met een voorgebouw en de ingang aan de westzijde. Door een brand in de derde eeuw werd de tempel verwoest en een eeuw daarna werden de laatste restanten afgebroken en elders deels hergebruikt. Er zijn vele vondsten gedaan, zoals fibulae (mantelspelden), gouden en zilveren munten en fragmenten van zwaarden. Voor meer informatie: www.tempelvanempel.nl. Foto’s: Ellie de Vries

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

21


R

De rol van Leeghwater bij het Beleg van

In de bibliotheek van Rijkswaterstaat zijn verschillende boeken en studies aanwezig over Jan Adriaensz Leeghwater. In het boek Nederlandse bedijkingdeskundigen in de 16e - 18e eeuw door dr. ir. C. Baars is deel12 aan Jan Adriaensz Leeghwater gewijd. In dat deel staat onder meer het volgende vermeld: “J.A. Leeghwater gold vroeger als de beroemdste bedijkingdeskundige uit de Gouden Eeuw.” In 1944 bestreed J.G. de Roever deze opvatting op grond van bronnenonderzoek. Inmiddels zijn meer gegevens beschikbaar gekomen, waardoor het mogelijk is om een juister oordeel te vellen over de betekenis van Leeghwater voor de landaanwinning door middel van droogmakerijen.

Portret van Jan Leeghwater.

Leeghwater schreef op latere leeftijd zijn Haarlemmermeerboeck en Kleijne Chronycke,die beide werden gedrukt. In deze geschriften ontvouwde hij een plan voor de drooglegging van de Haarlemmermeer en vertelde hij bijzonderheden over zijn leven en werk. Deze verhalen werden in de 17de en 18de eeuw graag gelezen: het Haarlemmermeerboeck werd zestien keer en de Kleyne Chronycke twaalfmaal herdrukt. De boekjes trokken in de 19de eeuw ook de aandacht van de geschiedschrijvers, daar het de enige geschriften waren van en over een waterbouwkundige uit de 17de eeuw. Van Lennep ruimde in zijn boek Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik een plaats in voor Leeghwater, dit vanwege diens aandeel in de verovering van ’s-Hertogenbosch. Latere historici hebben ijverig meegeholpen om de roem van Leeghwater verder te vergroten, zonder dat ze zijn geschriften hebben getoetst door bronnenonderzoek. Als eerste oefende de Wageningse hoogleraar M.F. Visser in 1941 kritiek uit op het plan voor drooglegging van de Haarlemmermeer.

Leeghwater was niet de beroemde waterbouwkundige, maar één van de vele mole

Twee typen rosmolens.

22

Kritiek van De Roever In 1944 verscheen het boek van J.G. de Roever Jan Adriaensz Leeghwater, Het leven en werk van een zeventiende-eeuws waterbouwkundige. Hierin staan de resultaten vermeld van zijn bronnenonderzoek naar de activiteiten van Leeghwater. Hij stelde vast dat Leeghwater zich in zijn geschriften belangrijker had voorgedaan dan hij in feite was. Hij was niet de beroemde waterbouwkundige, die de grote droogmakerijen tot stand had gebracht, maar één van de vele molenmakers. De latere Nederlandse historici hebben goede notitie genomen van de resultaten van het onderzoek van De Roever. In het later gepubliceerde standaardwerk De algemene geschiedenis der Nederlanden is de deskundigheid

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5


’s-Hertogenbosch Charles Limonard van Leeghwater aangepast. Hij wordt hierin slechts vermeld als een bekend molenbouwer en niet meer als bedijkingdeskundige.

Prent van het Beleg van 1629.

enmakers

In hoofdstuk 16 van het boek van De Roever: ’t Legher voor ’s-Hartogenbosch staat, na een gedetailleerde beschrijving van het beleg, onder meer het volgende. “Strategisch en politiek was de verovering van Den Bosch echter van verstrekkende betekenis. Ook Spanje heeft zich niet meer kunnen herstellen. En Leeghwater’s aandeel? Zelf tekent hij in artikel 41 van het ‘Haarlemmermeerboeck’ aan: ‘Oock ben ick mede ontboden gheweest van de Edele Hoochmogende Heeren Staaten / ende syne Hoogheyt den Prince van Oranjen / in ’t legher te komen voor’sHartoghenbosch / om aldaer te inventeren om ’t water uyt het legher te maelen / ende de water-molens by Engelen weder gangbaer te maken / het welcke ick met Godes hulpe gedaen heb / gelijck by velen wel bekent is’. Er is geen reden om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. Hij is dus inderdaad werkzaam geweest bij het herstellen van de twee bestaande en de bouw van de eenentwintig nieuwe rosmolens. Maar om dat ‘inventeren’ te noemen ? Dit woord is dunkt mij wat te overdreven. De ‘inventie’ was kennelijk begrepen in Frederik Hendrik’s weloverwogen belegeringsplan. Leeghwater diende als timmerman-molenbouwer, wellicht in de kwaliteit van aannemer, meer niet. Daartoe werd hij door de StatenGeneraal en Frederik Hendrik ‘ontboden’, wat dan als belangrijkste argument voor zijn ‘beroemdheid’ gelden moet ? Och kom! Aan de aanbesteding van het werk is natuurlijk een oproep vooraf gegaan en Leeghwater heeft daar – vermoedelijk samen met vele anderen – gehoor aangegeven. In zijn ouderdom schroeft hij – zeer vergeeflijk – zijn eigen daden wat op en bovendien gaf zijn bekende woordarmoede hem slechts ‘ontbieden’ in, waar dat woord wellicht niet paste. Overigens zoeke men de analogie in de mededeling, dat de vijf- à tienduizend Hollandse polderjongens, die de verdedigingslinie bouwden, ook ‘ontboden’ waren.” Ingenieur? Maar diende Leeghwater dan niet als ingenieur? Waren van hem niet de meesterlijke ontwerpen van waterbouwkundig strategische strekking? Is dat niet af te lezen uit de aantekening, die - na Leeghwater’s dood ! - aan zijn chronycke werd toegevoegd: “Den selven Jan Adraensz Leeghwater heeft oock gheweest in ’t Leger voor ‘sHertogenbos, alwaer hy grooten dienst ghedaen heeft voor den Prins / met molens te ordineren / en te stellen / om het water uyt

te malen; ’t welck een groot voordeel heeft gegeven om de selve onwinnelicke Stadt winnelick te maken / gelijck ghebleken is: Alle zijne wedervaringen die hy daer gehadt heeft / en heeft hy niet beschreven.” Zeer stellig niet! Want al wordt er deze lezing meermalen aan gegeven, over de belegering van Den Bosch is in 1629 en de daarop volgende jaren zoveel geschreven, dat wij de namen van de werkelijke ingenieurs nauwkeurig kennen, ja wij weten zelfs wie in elk onderdeel als ingenieur de hand heeft gehad. (welke taak elke ingenieur tijdens de verschillende fasen van het beleg had). Namen als die van kapitein ingenieur Jan van den Bosch en Biel, Block, Slyp, Molmekens, Alleman, de Fransman De Perceval en de Hollanders Theodorus Niels, Abraham van Thye en Matthijs van Voort zijn onafscheidelijk aan die van Frederik Hendrik als veroveraar van ’s Hertogenbosch verbonden. De naam Leeghwater staat daar niet bij. Zijn verrichtingen mogen volgens zijn eigen woord ‘by velen wel bekent’ zijn geweest, de bekende kroniekschrijvers van de belegering blijken zijn naam niet te kennen. Want noch Aitzema, noch Bor, noch Heinsius, noch Prempart, noch Souterius vermelden in hun beroemde beschrijvingen van deze onvergelijkbare belegering Leeghwaters naam. En in de uitvoerige ‘Memoires” van Frederik Hendrik’ – die toch zo leerzaam zijn om de medewerkers van den veldheer te leren kennen - vinden we de naam van Leeghwater evenmin. Jan Adriaensz diende voor Den Bosch – ongetwijfeld met vele anderen – als molenbouwer en verder hebben zijn werkzaamheden zich hier niet uitgestrekt. Het constateren van dit feit verlaagt opnieuw het voetstuk met enkele duimen, waar onze held op troont. Maar was het voetstuk niet inderdaad te hoog? Ik herzeg: wanneer wij zijn daden tot de ware proporties

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

23


R

terugbrengen, doen wij toch geen afbreuk aan zijn grote vakmanschap? En is het niet op zijn zachtst gezegd dwaas te noemen, om aan die ene losse mededeling van de 66-jarige Leeghwater maar direct te verbinden, dat hij ook bij de belegering van Den Bosch een heldenrol speelde? Om van andere nog overdrevener uitingen maar te zwijgen. Laten we het er maar op houden, dat ook ’s-Hertogenbosch Leeghwater’s ‘roem’ niet vestigen kan.” Einde citaten.

Kaart van het kwartier van de Graaf van Solms bij Engelen, met de aan de Dieze gebouwde rosmolens. Gravure naar Jacques Prempart, uitgegeven door Henricus Hondius in 1630.

24

Onderzoek Teitler Drs. P.I. Teitler, historisch-geograaf, deed onderzoek naar het beleg van ’s-Hertogenbosch en naar de rol van Leeghwater daarin. Hij publiceerde zijn bevindingen in Spiegel Historiael (juli/augustus 1979) onder de titel: Het beleg van Den Bosch. Over Leeghwater schrijft hij onder meer: “Het is opmerkelijk dat in de bronnen die het beleg – vaak tot in details – beschrijven de naam Leeghwater niet voorkomt, hoewel de populaire verhalen rond het beleg hem in een heldenrol plaatsen. De genialiteit die de ‘meulemaecker uyt de Ryp’ is toegeschreven, is misplaatst. De legendevorming is, zeker voor wat betreft zijn rol in het beleg, door hem zelf in gang gezet. Zijn naam wordt nergens dan in zijn eigen geschriften vermeld. Hij zal een bekwaam vakman zijn geweest – anders was hij niet voor Den Bosch te werk gesteld – maar meer ook niet. En als vakman was hij gewoon één van de vele molenmakers die voor Den Bosch aan de slag gingen. Zij moesten de molens construeren om de inundatie leeg te malen.” Einde citaat.

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

Tenslotte nog een recent voorbeeld Het boek: Tranen van bloed. Het beleg van ’s-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden, 1629. Door Peter de Cauwer. Amsterdam University Press, 2008. Een doctoraalscriptie aan het Amsterdams centrum voor de studie van de Gouden Eeuw, gevestigd aan de faculteit der Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. 413 pagina’s, 1531 voetnoten en 19 pagina’s literatuur. In deze zeer uitgebreide en gedetailleerde studie wordt de naam van Leeghwater slechts eenmaal terloops genoemd. Pag. 76: …”Om die reden werd op 14 juli de herstelling van een aantal oude watermolens aan de Dieze aanbesteed. Terwijl vanaf die dag ook begonnen werd met de opstelling van 21 rosmolens, die alle het gebied binnen de circumvallatie moesten droogmalen. In die context wordt vaak de naam genoemd van de later beroemde waterbouwkundige Jan Adriaansz Leeghwater, maar zijn rol was in werkelijkheid onopvallend. Nergens wordt in de eigentijdse Staatse bronnen over zijn aanwezigheid, laat staan over enige actieve rol gerept.” Einde citaat. Conclusie De rol van Leeghwater tijdens het beleg is veel minder prominent dan meestal wordt verteld en geschreven. Hij was zeker niet de leidende figuur van het rosmolenpark aan de Dieze tijdens het verlagen van het waterpeil van de inundatie. Wel een zeer groot vakman en molenbouwer. Aanbeveling Aan de hand van de genoemde onderzoeken en de aangehaalde citaten verdient het naar mijn mening aanbeveling om in het geschiedenisonderwijs over het beleg van ‘s-Hertogenbosch de rol van Leeghwater nader te bezien. Het valt niet uit te sluiten dat zijn rol hierbij alsnog moet worden aangepast. Illustraties: Charles Limonard en Nik de Vries


V

Editie 4 van BYTS

BYTS, ofwel Bosch Young Talent Show, is een van de initiatieven van Jheronimus Bosch 500. Dit jaar kunnen we kennismaken met de producten van de deelnemers aan de vierde editie. Van 21 september tot en met 27 oktober 2013 is er een tentoonstelling in het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch (het SM’s), dat sinds mei van dit jaar onderdeel uitmaakt van het Museumkwartier.

Nik de Vries een of meer panelen van Jheronimus Bosch in een openbare collectie bezitten. Ook ’s-Hertogenbosch zelf doet mee, hoewel hier geen werk van Bosch aanwezig is. Bosch heeft er, zoals bekend, wel geleefd en gewerkt van 1450 tot 1516. In elke Bosch-stad is een jong talent uitgekozen door de scout. Dat talent mag zich nu in het SM’s presenteren. Het resultaat mag verrassend genoemd worden. Namens onze stad doet Marthe Zink mee. Zij heeft haar opleiding gehad aan de Bossche Kunstacademie. Ze experimenteert graag met tegenstellingen. Zelf zegt ze daarover: “Zo laat ik beeldelementen en technieken die eigenlijk niet samen passen met elkaar contrasteren in een beeld.” Diversiteit De 15 kunstenaars zijn bezig met het ontwikkelen van hun bijdrage aan de beeldtaal van de moderne kunst. Dat deed Jheronimus Bosch zo’n 500 jaar geleden ook. Ze tonen recnt werk op verschillende gebieden, met verschillende technieken en media, zoals schilderkunst, beeldhouwwerk, fotografie, tekeningen, video en performances. De deelnemers komen uit Berlijn, Brugge, Brussel, Frankfurt, Gent, ’s-Hertogenbosch (Marthe Zink; zij is gescout door Stijn Peeters), Lissabon, Londen, Madrid, New Haven, New York, Parijs, Rotterdam, Venetië en Wenen.

Bossche kunstenares Marthe Zink met een van haar werken.

Naast de tentoonstelling in het SM’s tonen verschillende Bossche galeries werk van eerdere edities van BYTS. Gedurende vijf weken kunt u werk van BYTS 2010 – 2012 zien in MEET.S aan de Handelskade, Majke Hüsstege en Galerie Mieke

De 15 kunstenaars zijn bezig met ontwikkelen van hun bijdrage aan beeldtaal van de moderne kunst Op de tentoonstelling is werk te zien van 15 jonge, talentvolle beeldend kunstenaars uit Europa en de Verenigde Staten. De deelnemers zijn geselecteerd door zogenaamde kunstenaar-scouts. De link met Jheronimus Bosch is de verhoopte ontwikkeling van hun talent: zoals dat van Bosch in zijn tijd. Uniek concept Alle uitgenodigde kunstenaars zijn niet ouder dan 30 jaar. Ze zijn gevraagd door bekende kunstenaars uit zogenoemde Bosch-steden, dat wil zeggen steden die

van Schaijk, beide in de Verwersstraat en Galerie Ietsmooisaandemuur.nl in de Schilderstraat. Er verschijnt ook een publicatie en er zijn diverse activiteiten als lezingen en een kinderprogramma. Voor meer informatie kunt u terecht op de website www.bosch500.nl. Voor meer informatie over Marthe Zink: www.marthezink.com. Foto: Ellie de Vries

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

25


R

Rolstoelvaren Nik de Vries

Op donderdag 29 augustus 2013 is het weer zover: schippers van de Binnendieze varen met mensen die slecht ter been zijn of hun rolstoel niet uit kunnen. Ruim 270 mensen doen dit jaar mee. En evenals vorig jaar is het opnieuw een groot succes. Voor deze bijzondere dag heeft de Kring Vrienden van ’s-Hertogenbosch samengewerkt met de Zonnebloem, de Oeteldonksche Club en niet te vergeten studenten Veiligheid en Vakmanschap van het Koning Willem I College. Ook zijn er broodjes en koffie van Albert Heijn en heerlijk gebak van bakkerij Erkeland uit Empel. Logistiek De algehele coördinatie is in handen van schipper Ruud Bokeloh. Het is best een heel gepuzzel om alles op rolletjes te laten lopen. Er is een strak tijdschema opgesteld: vanaf 10 uur varen steeds zes boten vanaf het Gemintemuzejum. Via het Voldersgat laten de schippers hun gasten de historische route beleven. Dan vaart men weer terug en pikt het volgende groepje op. De deelnemers genieten zichtbaar: wat een gelegenheid voor hen ook eens op de Binnendieze te kunnen varen. Soms is het krap, als bijvoorbeeld een taxibus over het smalle bruggetje van de Louwsche Poort moet manoeuvreren.

Studenten helpen mensen aan boord. Samenwerking Onder het motto Wat samenwerking vermag dragen verschillende clubs hun steentje bij. De Oeteldonksche Club stelt haar mooie clubhuis ter beschikking om de mensen op te vangen met een kopje koffie. De Zonnebloem heeft de mensen uit ’s-Hertogenbosch, Rosmalen, Moergestel en Vught voor dit uitstapje uitgenodigd. Het gaat om mensen die niet meer zelfstandig deze tocht kunnen maken. Bovendien heeft deze vereniging gezorgd voor een strak vervoersschema naar en van de aanlegsteiger. De studenten zijn in

Het is best een heel gepuzzel om alles op rolletjes te laten lopen het derde jaar van hun opleiding voor een functie bij het leger of bij de politie. Ze zorgen ervoor dat de rolstoelers met stoel en al veilig in en uit de boten komen. Bovendien helpen ze de andere mensen die slecht ter been zijn op een deskundige wijze. De Kring Vrienden stelt zes boten beschikbaar. De schippers van de Binnendieze tenslotte laten ook deze mensen op de hun eigen prettige wijze kennismaken met de ‘onderwereld van ’s-Hertogenbosch’. De eerste die afvaart is schipper Bernadette Woerdman. Ze heeft er zin in en ze is niet de enige! De heer en mevrouw Palmer uit Empel genieten al bij voorbaat van dit dagje uit. Op de steiger bespeelt Sjef van Liempt zijn accordeon: hij en zijn vrouw vinden het leuk om de mensen te vergasten op melodietjes van vroeger. En de reacties na de vaartocht? Louter positief. Mevrouw Van der Loo uit ’s-Hertogenbosch zegt: “Het was geweldig. We hebben echt genoten. Het is steeds weer raden waar je bent: van beneden is het toch anders dan je van boven gewend bent.” Enthousiast terug.

26

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

Foto’s: Ellie de Vries


L

Ladderwedstrijd 5

We zijn aanbeland bij de vijfde opgave van onze ladderwedstrijd. U weet het: per keer kan iedereen meedoen voor een leuke prijs. Aan het eind van het jaar verloten we een grotere prijs onder de deelnemers die alle keren een goed antwoord hebben ingestuurd.

Nik de Vries We hebben uiteraard ook weer een winnaar. De gelukkige is Jo Doorenbosch. U kunt uw prijs afhalen in het Kringhuis.

De nieuwe opgave (zie grote foto links): we hebben dit keer iets moderners gevonden en de vraag is: waar is dit onderdeel te vinden? Mocht u er bijzondere informatie over hebben, ga gerust uw gang. Een kleine tip: kijk dit keer wat mee naar beneden en niet zozeer omhoog. Uw oplossing kunt u insturen tot en met 20 oktober 2013. Dat kan via het mailadres van de redactie of via een briefje of kaartje naar het Kringhuis. We wensen u veel plezier met zoeken. Kennelijk was de vorige opgave een pittige: we kregen wat minder antwoorden binnen. Het gevelsteentje bevindt zich in de Snellestraat in de gevel van nummer  7. Zoals te zien is, is een bijl afgebeeld met een jaartal. Het Bylken, zoals het heet, dateert uit 1649. Het steentje is in Franse kalksteen gehouwen en meet 32.5 x 20 cm. Zoals in de Bossche Encyclopedie te lezen is, is de steen afkomstig van het toenmalige achtste pand aan de Schapenmarkt, als je begint te tellen op de hoek van de Snellestraat en de Schapenmarkt. Oorspronkelijk heette het pand (in 1603) Het Bylken, maar in 1659 is die naam vervangen door De Coningh van Engelant. Kennelijk was het pand niet zo belangrijk: in de grote boeken over de namen van panden in ’s-Hertogenbosch komt het niet voor.

Foto’s: Ellie de Vries

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

27


H

Het ‘woonhuis’ van Grasso

Als bij Grasso het woonhuis wordt genoemd, dan weten de medewerkers dat daar de opslag in de bebouwing (vleugel) aan fabriekshal-3 (op afbeelding 1 in rood aangegeven) mee wordt bedoeld. Als we vanaf het binnenterrein naar het uiterlijk van deze vleugel kijken, dan komt de gedachte van een woonhuis niet direct naar voren. Toch waren in het verleden enkele gedeelten van deze vleugel ingericht als wooneenheden bestemd voor het personeel van het bedrijf. Afb. 1 Grasso, gezien vanuit het noorden (april 2008). In rood de vleugel aan fabriekshal-3.

Afb. 4 Modelmakerij in de voormalige houtkokerij, mei 1942, Stadsarchief ’s‑Hertogenbosch).

Hoewel het in de bedoeling lag om alleen de historie van de wooneenheden te belichten, werd gaande het onderzoek al snel duidelijk dat dit afbreuk zou doen aan de historie van de vleugel in het algemeen. Om die reden wordt in dit artikel de historie van de gehele vleugel behandeld.

afb. 2 Westelijk gedeelte van de vleugel, vanaf het binnenterrein. In de volksmond ook wel ‘woonhuis’ genoemd, september 2011.

In 1919 schafte Grasso een transportwagen aan. Uiteindelijk kwam er een eind aan het transport met paard en wagen. De stal werd overbodig en toen in 1928 behoefte was aan meer woonruimte werd de stal en een gedeelte van de wagenloods omgebouwd tot woning. Later waren er de gezinnen van Louis Otten (directiechauffeur) en Jan Basten (machinist) woonachtig.

Afb. 3 Detail plattegrond 9 september 1912, vanuit het zuiden (Koestraat boven). Afb. 5 Detail plattegrond jaren ‘50, vanuit het zuiden. Vleugel ingedeeld in woningen (1), opslagplaats (2), garage (3), timmerfabriek (4) en bedrijfsvakschool (5).

28

kunnen komen voor de machinist (stoker) en/of de stalknecht. Daarnaast zien we op dit deel van de plattegrond een verfwinkel (9), een vertinnerij (10), een houtkokerij (11), een houtdrogerij (12) en een houtzagerij (13).

Van oorsprong De oorspronkelijke indeling toen de vleugel eind 1912 werd gebouwd is te zien in afbeelding 3. De aanwezigheid van een stal (1) en wagenloods (7) verraden dat het transport destijds met paard en wagen werd verzorgd. De garage (8) was bestemd voor de auto van Henri Grasso. Het is niet met zekerheid te zeggen voor wie de woon- en leefruimtes met de nummers 2 en 3 (slaapkamers), 4 (keuken), 5 (huiskamer) en 6 (kamer) bedoeld waren. Die zouden in aanmerking

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5


Bertie Geerts Het gezin van Louis Otten woonde op de hoek Paardskerkhofweg en Koestraat met de voordeur aan eerstgenoemde straat. Daarnaast, aan Koestraat 6, woonde het gezin van Jan Basten. Beide woningen hadden tevens toegang tot het binnenterrein van het bedrijf. Op de bovenverdieping van deze woningen, die niet door voornoemde gezinnen werd gebruikt, woonden na de bevrijding in oktober 1944 korte tijd een aantal geallieerde (Poolse) soldaten. Een aantal van hen verkoos later een baan bij Grasso boven terugkeer naar het vaderland.

In de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw werd het personeel door het bedrijf gestimuleerd uit de woningen te vertrekken. Het interieur werd gesloopt en de vrijgekomen ruimtes verworden tot opslag. Dat gold alleen voor de vrijgekomen ruimtes op de hoek Paardskerkhofweg/Koestraat. De andere ruimtes werden, zoals we al zagen, samengevoegd en ingericht als spuiterij (afbeelding 7).

Afb 6 Chauffeur Louis Otten naast de directieauto, jaren ‘50. Afb 7 Detail plattegrond 1973, vanuit het zuiden. Vleugel is ingedeeld in opslag (1), timmerwerkplaats (2), spuiterij (3), kantoren (4), röntgenbox (5), laboratorium (6) en meetkamer (7).

(autogeen lasser). Kort na 1966 werd het interieur van beide woningen gesloopt. De vrijgekomen ruimte werd ingericht als spuiterij. Het aantal leerlingen van de bedrijfsvakschool groeide gestaag. In 1967 leidde dat tot nieuwbouw die verrees ten zuiden van het hoofdkantoor. De vrijgekomen ruimte werd ingericht als centrale kwaliteitsdienst voorzien van meetkamer, kantoren, röntgenbox en metallurgisch laboratorium (afbeelding 7). Op afbeelding 8 kijken we vanaf de Koestraat op de vleugel (voorjaar 1967). Rechts zien we de woningen van het Grasso personeel met toegangen tot en uitzicht op de Koestraat. In datzelfde jaar werden in de muur links van het midden raampartijen op de begane grond gerealiseerd ten behoeve van de meetkamer en kantoren.

Nieuwe functies In 1939 was de afdeling houtkokerij reeds verworden tot modelmakerij (afbeelding 4). Als Grasso in hetzelfde jaar met een eigen bedrijfsvakschool begint, brengt men deze onder in de ruimtes van de opgeheven afdelingen houtdrogerij en houtzagerij (afbeelding 5). Tijdens de bevrijding van ’s-Hertogenbosch in oktober 1944 raakte een gedeelte van de bedrijfsvakschool beschadigd. Totdat de schade hersteld was, werden de leerlingen tijdelijk in de fabriek ondergebracht. Het deel van de vakschool dat nog intact was werd korte tijd bewoond door geallieerde soldaten. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd de ruimte van de voormalige vertinnerij omgebouwd tot twee woningen; op afbeelding 6 zien we op de achtergrond de drie raampartijen die behoren tot deze woningen. In die tijd was er een nijpend tekort aan woonruimte in ’s-Hertogenbosch. Met het ter beschikking stellen van woonruimte voor het personeel droeg het bedrijf bij aan de oplossing van het probleem. De twee woningen hadden alleen een toegang aan de Koestraat en werden bewoond door de gezinnen van de werknemers Willem Verhoeven (magazijnchef) en Lambertus van den Brink

In verband met een te krappe ruimte en uit milieutechnische overwegingen besloot men in 1977 voor de spuiterij een nieuw onderkomen te bouwen tegen de afscheidingsmuur aan de Paardskerkhofweg (thans tijdelijk in gebruik als expeditie van GEA Grasso). In 1982 werd de timmerwerkplaats ondergebracht in een gedeelte van de aangekochte opslaghallen van de firma Sars. Deze hallen lagen ten zuiden van het hoofdkantoor. Beide leeggekomen ruimtes werden vervolgens gebruikt voor opslag. In hetzelfde jaar werd ook de meetkamer naar de aangekochte opslaghallen verplaatst en integreerde in het nieuwe Monoscrew Centrum, een productiegerichte unit ten behoeve van de ontwikkelde schroefcompressor van Grasso. Daarvoor was een speciale meetkamer met klimaatbeheersing gebouwd. Ook het metallurgisch laboratorium moest er aan geloven en werd opgeheven. De ruimte was later in gebruik als kantoorruimte ten behoeve van Prevesco.

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

29


H Afb 8 Vleugel vanaf de Koestraat, voorjaar van 1967.

Bewoningssporen Op verschillende plaatsen zijn nog bewoningssporen zichtbaar. Zo zien we op afbeelding 11 de sporen van de twee woonhuizen. Ze zijn nog herkenbaar aan de dichtgemetselde ramen links en rechts op de begane grond. Een derde raam moest wijken voor de ingang. Creatief als ze waren gaven de werknemers de spuiterij een naam: schilderspaleis DREJAJO, te lezen op de stalen balk boven de ingang. De naam komt voort uit samengevoegde afkortingen van de voornamen van de drie spuiters André Smits, Jan Mahulette en Jo Maane. Op afbeelding 12 zien we sporen van het

Creatief als ze waren gaven de werknemers de spuiterij een naam Afb. 11 Voormalige afdeling spuiterij. september 2011.

Jaren later werd in fabriekshal-3 een nieuwe röntgenbox gebouwd zodat de vaten die geröntgend moesten worden niet meer naar buiten getransporteerd behoefden te worden. De hobbyclub van Grasso nam de ruimte van de oude röntgenbox in.

voormalig woonhuis van de familie Otten. Links de dichtgemetselde raamvensters die uitkeken op de Paardskerkhofweg. Afbeelding 13 geeft een zicht op het voormalige woonhuis van de familie Basten. De dichtgemaakte raamvensters keken uit op de Koestraat. Afb. 9 Nieuwe meetkamer, 1967. Afb. 10 EMetallurgisch laboratorium, 1967. Door de ramen op de achtergrond is de Koestraat zichtbaar.

30

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

Toekomst Thans is het grootste gedeelte van de vleugel ingericht als opslag. Daarnaast is er de ruimte van de hobbyclub en het kantoor dat thans tijdelijk in gebruik is door het personeel van GEA Grasso. Zoals het er nu naar uitziet zal Grasso dit jaar afscheid nemen van de vleugel. Wat er vervolgens gaat gebeuren is niet duidelijk. In tegenstelling tot de fabriek en het hoofdkantoor met achterliggende bebouwing, heeft de vleugel niet de status van rijksmonument.


L

Lodewijk N. Ietje Schriks

De werkgroep LEF van de Kring Vrienden organiseert op vrijdag 29 november 2013 een bijzondere lezing. Deze gaat over de reis van Lodewijk Napoleon door Brabant in 1809.

Tijdens de lezing zal onderzoeksjournalist Hans van den Eeden ingaan op de inspectiereis die koning Lodewijk Napoleon in 1809 in Brabant gemaakt heeft. De koning heeft tijdens die reis ook ’s-Hertogenbosch en omgeving bezocht. Hans van Eeden is auteur van het boek Leve de Koning! Lodewijk Napoleon op reis door Brabant en Zeeland. De uit Heusden afkomstige schrijver maakte een reconstructie van deze reis.

Afb. 12 Sporen voormalig woonhuis familie Otten, september 2011.

m: schilderspaleis DREJAJO

Afb. 13 Voormalig woonhuis familie Basten, september 2011.

De reis van 1809 Tijdens de reis bezocht de koning nagenoeg het gehele departement Brabant. Tal van gehuchten, dorpen en steden deed hij aan. De koning werd overal hartelijk welkom geheten en hij deelde royaal geschenken uit. Lodewijk Napoleon, de eerste koning van Nederland, maakte de reis van 13 april tot en met 17 mei 1809. In zijn gezelschap bevonden zich tal van ministers, staatssecretarissen, hoge ambtenaren en de landdrost van Brabant, kwartiermakers, lijfartsen en huzaren. De teruggave van de parochiekerken, de gezondheidszorg, de infrastructuur en de werkgelegenheid waren centrale thema’s tijdens de reis. Een belangrijk aandachtspunt vormden de overstromingen die ook de omgeving van ’s-Hertogenbosch teisterden.

Het lijkt er op dat het een kwestie van tijd zal zijn eer de vleugel gesloopt zal worden. Een vleugel die een bewogen geschiedenis heeft gekend. Auteur Bertie Geerts (1964) is sinds 1981 werkzaam bij Gea Grasso, thans als kwaliteitsinspecteur en meettechnicus. Daarnaast is hij op vrijwillige basis bedrijfshistoricus en archivaris van Royal Gea Grasso Holding NV. Tevens auteur (mede auteur) van het jubileumboek Grensverleggend, 150 jaar Grasso en van verschillende boeken over de dorpen Engelen en Bokhoven, waaronder Engelen, grensdorp aan de Dieze. 1. De aanschafprijs van deze transportwagen bedroeg f. 3680,- In 1932, tijdens de crisisjaren, werden overbodige machines en materialen verkocht om voor het bedrijf inkomsten te genereren. Daar viel ook de transportwagen onder. De transportwagen bracht niet meer op dan f. 71,- (bron historisch archief Grasso). 2. Hoewel de voordeur aan de Paardskerkhofweg lag, stond de woning te boek als Koestraat 8. 3. Een van de geallieerde soldaten die bij Grasso in dienst kwam was Josef Romanek. 4. Notulen Commissie van Overleg, 27 december 1944 (historisch archief Grasso). 5. Voor deze informatie is dank verschuldigd aan Marja Verhoeven die in deze woning (Koestraat 2) geboren is. Thans is zij nog werkzaam bij GEA Grenco. 6. Sociaal jaarverslag over 1982 (historisch archief Grasso).

In zijn lezing gaat Hans van den Eeden eerst in op de situatie van Brabant in 1809. Daarna beschrijft hij het doel, de opzet, het verloop en het resultaat van de reis van de koning. Tijdens de lezing wordt ook ingegaan op het bezoek van keizer Napoleon Bonaparte in 1810. De lezing wordt ondersteund met fraai beeldmateriaal en tal van spraakmakende anekdotes.

Foto’s Marieke van Gemert, fotopersbureau Het Zuiden, Marijke Claassen-Otten, historisch archief Grasso, Farla

De lezing wordt gehouden vrijdag 29 november 2013 in het Kringhuis. Aanvang is 14.00 uur. U kunt zich onder vermelding van uw lidmaatschapsnummer opgeven aan de Kringbalie of via 073 - 613 50 98. Dit kan tot 15 november.

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5

31


W

Wijze en dwaze maagden Geert Donkers, werkgroep Kerken & Kloosters

In het portaal van het noordertransept van de Sint-Janskathedraal, het Mariaportaal, bevindt zich een merkwaardige groep beelden. Het zijn beelden van de wijze en dwaze maagden. De beelden van de maagden bevinden zich aan de zijkanten van de steunberen naast het portaal. Ze vormen met de andere beelden van het portaal één iconografisch geheel. De gelijkenis van de wijze en dwaze maagden werd opgetekend in het evangelie van Mattheus. Het verhaal was een aansporing tot waakzaamheid in afwachting van de wederkomst van Christus. Het motief van de wijze en dwaze maagden was vooral populair in de portalen van gotische kathedralen. In een aantal Franse en Duitse kathedraalportalen met het thema Het Laatste Oordeel (bijvoorbeeld: de Notre Dame van Parijs en van Straatsburg, Sens en Osnabrück) vonden de maagden een plaats. De wijze maagden werden door middeleeuwse schrijvers gezien als symbool voor de uitverkorenen, de dwaze maagden stelden dan de verdoemden voor. De populariteit van de voorstelling werd deels verklaard door de opvoering van een semi-liturgisch spel over de wijze en dwaze maagden in het middeleeuwse zuidoosten van Frankrijk. De wijze maagden werden afgebeeld in eenvoudige kleding, terwijl ze hun lampen of toortsen omhoog hielden. De dwaze maagden waren vaak fraai uitgedost en droegen hun lampen ondersteboven. Ze keken wanhopig of ze waren geblinddoekt. De gevel van het noordelijk transept van de Sint-Jan was in het midden van de 19de eeuw het eerste deel van de kerk dat gerestaureerd werd. Het originele beeldhouwwerk was sterk verweerd en werd volledig vernieuwd. Voor het Mariaportaal werd een nieuw iconografisch programma bedacht. Verondersteld wordt dat de toenmalige plebaan G. Wilmer en de historicus Jan Hezenmans hierbij betrokken waren. De beeldhouwer en bouwkundige Steven Louis Veneman die de restauratiewerken leidde, maakte ontwerptekeningen voor het portaal. In de top van de gevel werd de kroning van Maria uitgebeeld en tussen de toegangsdeuren een staande Maria met kind. Daaromheen werden onder andere voorafbeeldingen van Maria, de 24 oudsten van het volk, de apostelen en als extra verwijzing naar het Laatste Oordeel de wijze en dwaze maagden afgebeeld. Aan de oostzijde werden de wijze maagden geplaatst met hun lampen brandend. Een engel vergezelde de uitverkorenen. Aan de andere kant werden de dwaze maagden begeleid door een duivel. Zij droegen hun lampen ondersteboven. Alle vrouwfiguren werden uitgevoerd in op de Middeleeuwen geïnspireerde kleding. In zijn totaliteit werd het een prachtig ensemble.

KringNieuws is het minimaal zes maal per jaar verschijnend tijdschrift van Kring Vrienden van ’s‑Hertogenbosch. Redactie: Nik de Vries (voorzitter), Michele van den Heuvel, Ed Hupkens, Jan Korsten, Gerard ter Steege, Ellie de Vries (fotografie) en Johan Strang (bestuur). Vormgeving: Jack van Elten Redactie-adres: Secretariaat KringNieuws Postbus 1162, 5200 BE ’s‑Hertogenbosch E-mail: redactie@kringvrienden.nl Oplage 2.400 stuks Niets uit een editie mag worden gekopieerd of elders gepubliceerd zonder uitdrukkelijke toestemming van Kring Vrienden en de redactie; dit geldt ook voor het in enige vorm elektronisch beschikbaar stellen. De redactie heeft getracht alle rechthebbenden van het illustratiemateriaal te achterhalen. Personen of instanties die desondanks van mening zijn aan deze uitgave aanspraken te kunnen ontlenen wordt verzocht om contact op te nemen met de redactie.

Secretariaat Postbus 1162 5200 BE ’s‑Hertogenbosch E-mail: algemeen@kringvrienden.nl Internet: www.kringvrienden.nl

Tussen 1861 en 1863 werkte een aantal beeldhouwers aan het ontwerp van Veneman: Jan Goossens, B. van Nuenen, Frans Kuijpers en een aantal leerlingen van de Bossche Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten. Onder die leerlingen bevond zich Hendrik van der Geld. Hoewel het beeldhouwwerk aan het transept een geheel vormt, is het de moeite waard de beelden van de wijze en dwaze maagden eens apart te bekijken. Ze zijn uniek.

Betalingen: ING Bank 3119716 Jaarlijkse bijdrage minimaal € 17,50 Kringhuis en Kringbalie Parade 12 Telefoon 073 - 613 50 98 Telefax

Bronnen:

Ma. van 13.30 - 17.00 uur

J. Hall, Iconografisch Handboek

Di. tot en met za. van 10.00 - 17.00 uur

C. Peeters, De Sint Janskathedraal ’s-Hertogenbosch

Zon- en feestdagen van 11.00 - 17.00 uur.

Foto’s: Ellie de Vries

32

073 - 614 60 21

KringNieuws september 2013, jaargang 39 nummer 5


Kringnieuws september 13