Page 1

Museum van IJslandse

Tovenarij en Hekserij

Een boeiend en ongewoon museum in Strandir, NW IJsland

Strandagaldur ses - 2012 Galdrasýning á Ströndum - galdrasyning@holmavik.is - www.galdrasyning.is


1.

Aan het begin van de 17e eeuw was de periode van de Reformatie in IJsland voorbij. Wat begon was een eeuw waaraan tot voor kort weinig aandacht is besteed door de historici. Gedurende tientallen jaren ging het grootste deel van de rechtszaken over vervolging wegens hekserij en tovenarij en de mensen geloofden dat de duivel zich in eigen persoon actief met hun aardse leven bemoeide. Veel van de geestelijken en rechters die zich bezighielden met de vervolgingen hadden gestudeerd in Denemarken en Noord-Duitsland en zij dachten heel anders over de oude uit bijgeloof gegroeide gewoonten dan de gewone man die probeerde hiermee zijn moeilijke strijd om te overleven in een harde en primitieve omgeving iets te vergemakkelijken. Sinds de vervolging en de verbranding wegens hekserij wordt de regio Strandir in de folklore beschouwd als de geboortegrond van de meest gewiekste bewoners en we hopen dat u deze tentoonstelling over de unieke lokale erfenis over bijgeloof, folklore en de geschiedenis van de zeventiende eeuw zult waarderen.


2.

Het wapenschild voor het district Strandir is het magische teken Ægishjálmur (het roer van Awe of het roer van Ægir, de god van de zee). Dit teken wordt genoemd in de Edda en is in verschillende vormen gevonden in oude grimoires*. “Kerf het Ægishjálmur in een stuk lood en duw dit tegen je voorhoofd tussen je wenkbrauwen. Zo ben je verzekerd van de overwinning op elke vijand. Dit teken zorgt eveneens voor bescherming tegen de toorn van gezaghebbenden en autoriteiten.” * middeleeuws boek met bezweringen tegen demonen, recepten om kwalen te genezen, manieren om vervloekingen op te leggen en te verwijderen en talismannen en amuletten te maken


3.

De wens om onzichtbaar te zijn is van alle tijden. Er zijn verhalen over mensen die dit daadwerkelijk konden, sommigen gebruikten hiervoor een betoverde steen gemaakt van het ei van een raaf. Anderen brachten het magische teken Hulinhjálmur aan in een stuk surtarbrandur (bruinkool, het IJslandse woord betekent “het teken van Surtur” de god van het vuur). Het maken van de inkt was het moeilijkste deel van het werk. “Neem drie druppels bloed uit de wijsvinger van de linkerhand, drie uit de ringvinger van je rechterhand, twee uit je rechtertepel en één uit je linkertepel. Meng het bloed met zes druppels bloed uit het hart van een levende raaf en los er dan de hersenen van een raaf en stukken menselijke maag in op. Kerf het teken met inkt in de bruinkool met behulp van magnetisch staal dat drie keer is gehard in menselijk bloed.”


4.

IJsland heeft altijd aan de zijlijn van de Europese geschiedenis gestaan en de acties tegen hekserij en tovenarij vallen bijna allemaal in de 17e eeuw met het hoogtepunt tussen 1654 en 1680. Als een rechtszaak is vastgelegd in geschriften heeft deze het magische teken Ægishjålmur. Als het vonnis verbranding is uitgesproken is een afbeelding van de vlammen toegevoegd. Links ziet u enkele gebeurtenissen in de Europese geschiedenis, rechts die in IJsland.


5.

Wanneer u kijkt naar de kaart van IJsland is duidelijk dat de meeste rechtszaken hebben plaatsgevonden in de Noordwestelijke Fjorden. Dit is vooral interessant in combinatie met de lijn van afstamming zoals boven getoond wordt.


6.

In vroeger tijden was alle IJslandse rijkdom en welstand gekoppeld aan het bezit van land. In de Noordwestelijke Fjorden had één familie van halfedelen bijna al het land in bezit. De gewone man had vrijwel geen kans op rijkdom behalve door het gebruik van bovennatuurlijke krachten. In de grimoires worden tal van manieren voor het verkrijgen van rijkdom genoemd, onder andere het vangen van een vleesetende zeemuis (Aphrodita aculeata). Kerf met menstruatiebloed van een maagd het teken Hringhjálmur (Ring Roer) in de huid van een zwarte kater. Vang een zeemuis in een net gemaakt van het haar van een maagd en bewaar deze in een houten kistje. De Hringhjálmur moet zo bovenop de muis worden gelegd dat hij niet kan ontsnappen. Wanneer een gestolen muntje in het kistje wordt gedaan, zal de zeemuis geld uit de oceaan trekken. Mocht de zeemuis toch ontsnappen, dan zal hij terug duiken in de oceaan en daarmee een zeer zware en verwoestende storm veroorzaken die vele mensen het leven zal kosten.


7.

Een aantal personen is voor de rechtbank gebracht voor pogingen om te genezen. Er bestaat een perkament uit de 17e eeuw dat hiervoor is gebruikt. Het vel werd om het zieke lichaamsdeel gewikkeld en er werden verschillende bezweringen in IJslands of Latijn op geschreven, al dan niet met christelijke invloeden.

8.

Een van de moeilijkste bijzondere zaken in de IJslandse grimoires en volksverhalen is ongetwijfeld de n谩br贸k (letterlijk: dodenbroek). Dit is een ander gereedschap om de rijkdom te verwerven door bovennatuurlijke middelen. Om te beginnen moet de tovenaar een verbond sluiten met een levende man en diens toestemming krijgen om na zijn dood zijn lichaam op te graven en vanaf het middel te villen. De huid moet volledig heel zijn zonder gaten en krassen. De tovenaar stapt in de huid als een broek en deze wordt onmiddellijk een deel van zijn lichaam. Tenslotte moet een munt, gestolen van een arme weduwe met Kerst, Pasen of Pinksteren, in het scrotum worden bewaard. Zo zal er geld van de mensen worden aangetrokken en zal het scrotum nooit leeg zijn wanneer de tovenaar erin kijkt.


Voor zijn eigen geestelijk welzijn, zal de tovenaar voor zijn dood van de dodenbroek af moeten komen. Als hij met de dodenbroek aan sterft, zal zijn lichaam namelijk bij zijn overlijden worden besmet met luizen. De tovenaar moet daarom iemand vinden die bereid is de broek over te nemen en zijn been in de rechter’broekspijp’ te steken voordat de tovenaar uit de linker’broekspijp’ stapt. De broek zal generaties lang geld blijven aantrekken.

De dodenbroek


9.

Manieren om stormen te veroorzaken komen veel voor in de IJslandse grimoires en de verhalen over degenen die dit hebben gedaan zijn legio. Plotselinge zware stormen waren zeer gevaarlijk voor de vissers op zee in hun kleine boten en een aantal mensen is in het begin van de 18e eeuw vervolgd omdat zij probeerden beginnende stormen te laten aanzwellen. In de grimoires wordt daarbij meestal gebruik gemaakt van de kop van een leng (soort kabeljauw), een smakelijke maar kwaadaardig uitziende vis. De werkwijze is als volgt: Neem de kop van een leng en kerf daarin de staf Vindgapi en breng dan met de veer van een raaf bloed uit je rechtervoet aan in de staf. Doe de kop op een spies en steek deze op de grens van land en zee in de grond, laat de mond wijzen in de richting waar in de wind moet waaien, waarbij geldt hoe hoger de mond, hoe harder de wind zal waaien. Rond 1800 is een man verbannen vanuit Strandir nadat twee boten waren vergaan in een zware storm. Tussen de op de kust gevonden wrakstukken lag een leng met het teken van de staf en een stuk hout met runen in zijn bek. Er werd algemeen aangenomen dat dit het werk was van een man genaamd Hermann en hij werd zonder proces verdreven uit de omgeving.


10.

De uit de folklore bekende visie dat de mensen in Strandir gewiekster waren dan andere IJslanders is terug te zien in dit wijsje uit de omringende districten: De held viel op zijn hoofd, Zijn benen deden pijn. Het is niet verstandig om de strijd aan te gaan met de tovenaars van Strandir.


11.

De eerste man die op de brandstapel eindigde voor hekserij was Jón Rögnvaldsson uit Svarfaðardalur in Noord-IJsland. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een dode uit het graf had laten herrijzen en deze op pad had gestuurd om zijn vijand kwaad te doen. Deze man bezwoer dat Jón de oorzaak was van al zijn tegenslagen en Jón’s schuld werd bewezen geacht door de vondst van enkele vellen papier met runen en magische tekens in zijn bed. De rechter in Eyjafjörður was een jonge man die kort daarvoor was teruggekeerd na zijn studie in Kopenhagen en Hamburg en hij verdeed geen tijd in een verder onderzoek naar de gebeurtenissen en veroordeelde Jón direct tot de brandstapel. Dit vond plaats in 1625. De zaak werd nooit doorverwezen voor behandeling op de jaarlijkse wetgevende volksvergadering in Þingvellir. In de IJslandse volksverhalen wordt het herrijzen van de doden vaak genoemd en de bewoners van Strandir lijken buitengewoon goed te zijn geweest in het omgaan met op hen afgestuurde geesten. Ze bezaten ook de kennis om de doden te laten herrijzen en een van de beroemdste tovenaars van Strandir heeft dit in de achttiende eeuw zelfs aan zijn rechter laten zien. Misschien gebruikte hij de volgende formule, hoewel er ook andere tekens en manieren bekend zijn voor hetzelfde doel.


“Kerf dit teken in een eik en kleur het in met bloed. Het bloed moet komen uit de grote teen van je rechtervoer en de duim van je linkerhand. Leg het teken op het graf en loop drie keer met de klok mee en drie keer tegen de klok in rond de kerk. Er zullen dan drie straaltjes aarde uit het graf worden gespuugd en bij de laatste moet de tovenaar klaar staan om de dood te verwelkomen. Grijp de geest bij zijn nek en knijp totdat hij smeekt om genade. Alleen dan zal de geest bereid zijn de aan hem opgedragen taak op zich te nemen. Betreft het een grote taak dan is een uitgebreidere voorbereiding en meer dan een tovenaar noodzakelijk.


12.

De heksenbezem was onbekend in IJsland, net als verhalen over heksenkringen. Het volgende deel van de tentoonstelling zal gaan over de invloed van de heksenjacht in Europa op de IJslandse geschiedenis.


13.

Een van de opvallendste dingen in de IJslandse magie en de vervolgingen in de zeventiende eeuw is hoe weinig vrouwen erbij betrokken zijn. Er wordt aangenomen dat magie en toverkunst tot de bezigheden van de man behoorden. Het maken en gebruiken van een tilberi of snakkur is een van de weinige magische taken die uitsluitend door vrouwen konden worden uitgevoerd. Een bron noemt de manier hoe een tilberi kan worden gehouden laat in de 16e eeuw, maar in 1635 gaat het gerucht dat een vrouw in het zuidwesten een tilberi geërfd zou hebben van haar moeder. Hierom meent de plaatselijke geestelijke zelfs beide vrouwen het deelnemen aan de sacramenten te moeten ontzeggen. Uiteindelijk wordt de zaak onderzocht door de rechter en de bisschoppen en zij komen tot de slotsom dat er geen enkel bewijs is voor het verspreide gerucht. Om een tilberi te krijgen moet een vrouw een rib stelen van een begraafplaats in de vroege ochtend van Pinksterzondag, deze in grauwe wol wikkelen en tussen haar borsten bewaren. De volgende drie keer dat ze ter communie gaat, moet ze de miswijn op deze bundel spugen. Bij de derde keer spugen komt de tilberi tot leven. Als hij te groot wordt en de “moeder” hem niet langer in haar boezem kan verbergen, dan moet ze aan de binnenkant van haar dij een stukje huid lossnijden en tot een tepel vormen waaraan de tilberi kan hangen en zich kan voeden via haar lichaamsvloeistoffen.


Het wezen kan zich zeer snel voortbewegen over de velden en daar melk stelen van de schapen en koeien voor in de karnton van zijn “moeder”. Als het teken smjörhnútur (boterknoop) in de boter gemaakt van deze melk wordt gekrast, zal de boter in kleine stukjes uiteen vallen. Een man, kort voor 1900 geboren in Strandir, beweert zulke resten gezien te hebben in de bergen. Wanneer de “moeder’ ouder wordt, komt het moment waarop de tilberi een te grote last voor haar is geworden en ze het gesabbel aan haar dijtepel niet langer kan verdragen. Ze moet hem dan opdragen de uitwerpselen van alle lammeren uit drie districten te verzamelen. Dit zal de tilberi van uitputting doen sterven, hij zal zich namelijk geen rust gunnen en voortdurend blijven haasten om terug te kunnen naar de tepel. De andere manier om van hem af te komen is hem dood te schieten met een zilveren knoop gemerkt met een boterknoop.

14.

In grimoires en volksverhalen wordt vaak verteld over de manier om met dieven om te gaan en erachter te komen wie iets van je heeft gestolen. Een enkeling heeft tijdens het hoogtepunt van de vervolgingen in de 17e eeuw toegegeven om deze reden toverspreuken te hebben gebruikt.


Een manier om erachter te komen wie iets had gestolen, is om met een scherp stuk basaltrots een teken te krassen op de bodem van een waskom. Bedek de krassen met as van verbrande klei en vul de kom vervolgens met water. Het gezicht van de dief zal dan verschijnen in het water. In een document uit de late 20e eeuw wordt gesteld dat de bewoners van Strandir nog steeds weten hoe dit uitgevoerd moet worden. De Thorshammer was een nog krachtiger middel om in te zetten als iemand iets van je had gestolen. Bij juist gebruik zorgde die er namelijk voor dat je de gestolen spullen terugkreeg. Een Thorshammer moet worden gemaakt van het koper van een kerkklok, die drie keer gestolen moet zijn. De hamer moet worden gehard in menselijk bloed tijdens de mis op Pinsterzondag. Maak vervolgens een scherpe pikhamer van hetzelfde materiaal en sla dit in de hamer terwijl je blijft opzeggen: “Doorboor het oog van Vígfaðir, doorboor het oog van Valfaðir (beide namen voor Óðinn), doorboor het oog van de machtige Thor.” Dit zal verschrikkelijke pijn veroorzaken in het oog van de dief. Als hij de gestolen goederen niet terugbrengt herhaal je het proces en de dief zal een oog verliezen. Mocht een derde poging nodig zijn, dan zal hij het andere oog verliezen.


15.

Het aantal IJslanders dat wegens hekserij is verbrand in de 17e eeuw is nog steeds onderwerp van discussie. Deze 21 zijn zonder twijfel verbrand, opvallend is dat slechts een ervan een vrouw is (nr. 19). De lijst toont het jaar, de plaats en de reden van hun executie. Merk op dat behalve de eerste man in 1625 de gekte start met drie mannen die werden verbrand in Trékyllisvík, de meest noordelijke gemeenschap in Strandir. De meeste mensen op de lijst hebben een of ander vorm van boosaardig gedrag bekend, bezit en/of gebruik van magische runen en tekens kwamen het meeste voor. Sommigen hebben nooit iets bekend, maar werden desalniettemin verbrand. De drie onderste namen horen tot de gevallen waarover discussie bestaat, de eerste werd opgehangen voor poging tot verkrachting maar in een eerder vonnis wegens onder andere zich inlaten met occulte zaken was opgenomen dat hij bij een volgend vergrijp ter dood zou worden gebracht. De tweede was met veel moeite onthoofd wegens incest, maar toen magische tekens en voorwerpen in zijn schoenen werden gevonden werd hij alsnog verbrand. De derde bekende openlijk de duivel te aanbidden en bleef zijn gebeden tot Lucifer opzeggen tijdens zijn rechtszaak, maar hij werd verbrand wegens godslastering, niet wegens hekserij. 1. Jón Rögnvaldsson - verbrand 1652 Verbrand in Eyjafjörður, in het noorden van IJsland, voor het oproepen van een geest en het bezit van documenten met runetekens. Ontkende alle beschuldigingen. 2. Þórður Guðbrandsson - verbrand 1654 Verbrand in Trékyllisvík, Strandir, voor het veroorzaken van vreemde gebeurtenissen binnen de gemeenschap. Nadat hij gevangen was gezet bekende hij dat hij de duivel had ontmoet in de gedaante van een vos en deze naar Trékyllisvík had gestuurd.


3. Egill Bjarnason - verbrand 1654 Verbrand in Trékyllisvík, Strandir, nadat hij bekend had dat hij een schaap had gedood met gebruik van magie en een overeenkomst met de duivel had gesloten. 4. Grímur Jónsson - verbrand 1654 Verbrand in Trékyllisvík, Strandir, nadat hij bekend had dat hij magische runen kende en een schaap had gedood met gebruik van een magisch teken. 5. Jón Jónsson Sr. - verbrand 1656 Verbrand in Skutulsfjörður, Noodwestelijke Fjorden, gaf nadat hij gevangen was genomen toe dat hij in het bezit was van grimoires en dat hij die had gebruikt tegen de geestelijke Jón Magnússon. 6. Jón Jónsson Jr. - verbrand 1656 Verbrand in Skutulsfjörður, gaf toe dat hij magische tekens had gebruikt en dat hij onder meer runen die winderigheid tot gevolg hebben (Fretrúnir) tegen een meisje had gebruikt en dat hij de ziekte van de geestelijk Jón Magnússon had veroorzaakt. 7. Þórarinn Halldórsson - verbrand 1667 Uit Ísafjarðarsýsla, Noordwestelijke Fjorden. Verbrand tijdens de volksvergadering in Þingvellir. Gaf toe dat hij tekens van het roer (Ægishjálmur) in eiken had gekerfd en dat hij met behulp van magische tekens de geneeskunst had beoefend. 8. Jón Leifsson - verbrand 1669 Verbrand in Barðastrandarsýsla in de Noordwestelijke Fjorden voor het hebben veroorzaakt van de ziekte van Helga, de vrouw van dominee Páll Björnsson in Selárdalur. Gaf toe dat hij had geprobeerd enige kennis van het occulte te verwerven.


9. Erlendur Eyjólfsson - verbrand 1669 Verbrand in Húnavatnssýsla, een district in het noorden van IJsland, voor het leren van magie aan Jón Leifsson. Gaf toe dat hij een staf met de naam Ausukross aan Jón had gegeven. 10. Sigurður Jónsson - verbrand 1671 Verbrand in Þingvellir na een proces in het district Ísafjarðarsýsla. Gaf onder meer toe dat hij had gevochten met een geest en dat hij die met behulp van kruiden en zijn eigen sperma had afgeschrikt. 11. Páll Oddsson - verbrand 1674 Uit het district Húnavatnssýsla, verbrand in Þingvellir. Ontkende enige kennis van magie maar werd veroordeeld vanwege de geruchten over hem waarin het tegendeel werd beweerd. 12. Böðvar Þorsteinsson - verbrand 1674 Verbrand in Þingvellir nadat hij bekend had dat hij had voorkomen dat een schip in Snæfellsnes vis kon vangen. 13. Magnús Bjarnason - verbrand 1675 Gaf toe dat hij de ziekte had veroorzaakt van Helga, Páll Björnsson’s vrouw, in Selárdalur, Noorwestelijke Fjorden. 14. Lassi Diðriksson - verbrand 1675 Veroordeeld in verband met de ziekte van Helga in Selárdalur, ontkende alle beschuldigingen en werd in het algemeen beschouwd als onschuldig. Verbrand in Þingvellir. 15. Bjarni Bjarnason - verbrand 1677 Zou de ziekte van een vrouw hebben veroorzaakt in de Noordwestelijke Fjorden. Ontkende alle beschuldigingen, maar werd verbrand in Þingvellir.


16. Þorbjörn Sveinsson - verbrand 1677 Stond bekend als dief en werd aangetroffen in bezit van magische tekens. Gaf toe dat hij tovenarij had gebruikt om erachter te komen wie hem had bestolen en om het omgaan met zijn schapen gemakkelijker te maken. Uit het district Mýrasýsla in het westen, verbrand in Þingvellir. 17. Stefán Grímsson - verbrand 1678 Gaf nadat hij tot de doodstraf was veroordeeld, openlijk toe. Zijn bekentenis bevatte echter geen van de zaken waarvan hij was beschuldigd. Verbrand in het district Húnavatnssýsla. 18. Þuríður Ólafsdóttir - verbrand 1678 Moeder van Jón Helgason, verbrand voor hetzelfde feit op aanwijzing van dominee Páll Björnsson. Voor het hebben veroorzaakt van de ziekte van Helga in Selárdalur. Zij was de enige vrouw in IJsland die werd verbrand voor hekserij. 19. Jón Helgason - verbrand 1678 Verbrand in het district Barðastrandarsýsla in de Noordwestelijke Fjorden voor het hebben veroorzaakt van de ziekte van Helga in Selárdalur. 20. Ari Pálsson - verbrand 1681 Uit Barðastrandarsýsla waar de geruchten gingen dat hij magie had beoefend, verbrand in Þingvellir nadat het hem niet was gelukt zijn gelijken te laten zweren dat hij onschuldig was. Na zijn veroordeling gaf hij toe dat hij wist hoe je erachter kon komen of een vrouw een maagd was. 21. Sveinn Árnason - verbrand 1683 Verbrand in Arngerðareyri in de Noordwestelijke Fjorden voor het hebben veroorzaakt van een ziekte waaraan de dochter van Páll en Helga in Selárdalur had geleden.


16.

Þorbjörn Sveinsson kreeg zweepslagen en werd gebrandmerkt voor diefstal in 1672. Vijf jaar later werd een nieuwe rechter benoemd in Mýrasýsla in het westen van IJsland, een rechter die toen hij studeerde op de school van de kathedraal in Skálholt een geestelijke had beschuldigd van tovenarij. De werkelijke reden hierachter was rivaliteit om een vrouw. In de lente van 1677 onderzocht diezelfde rechter Þorbjörn en kwam erachter dat hij een buideltas had met daarin drie kleine grimoires en een aantal repen perkament waarop vreemde letters en tekeningen stonden. In een van de grimoires zat een stukje lood met magische tekens erop. Toen er ook soortgelijke voorwerpen in Þorbjörn’s bed werden gevonden, was zijn lot bezegeld. Al het bewijs werd voorgelegd aan de nationale volksvergadering in Þingvellir. Tijdens de zitting herhaalde Þorbjörn zijn bekentenis waarin hij toegaf dat hij had geprobeerd erachter te komen wie hem had bestolen en dat hij een bezwering had uitgesproken om het omgaan met zijn schapen gemakkelijker te maken. Hiervoor werd Þorbjörn op 4 juli 1677 op de brandstapel ter dood gebracht.


17.

Rechtszaken over hekserij en tovenarij werden aangemerkt als strafzaken en bij de plaatselijke rechtbanken riep de rechter 12 mensen op om met hem plaats te nemen in de rechtbank. Het was gebruikelijk dat de beschuldigde de kans kreeg zijn naam te zuiveren door een meerderheid van 12 gelijken te laten zweren dat hij onschuldig was. Wanneer dit niet lukte, werd dat beschouwd als een bewijs van zijn schuld. In een dergelijk rechtssysteem hadden weinig geliefde mensen met een slechte reputatie heel weinig kans hun naam te zuiveren. De meest opgelegde straf voor zich inlaten met tovenarij of magie was het krijgen van zweepslagen en in sommige gevallen kreeg men deze “voor het geval dat”, ook al had geen van de beschuldigingen bewezen kunnen worden. Naar alle waarschijnlijkheid werden in IJsland zwepen gebruikt die waren gemaakt van wilgen- of berkentakken. Sommige boosdoeners werden geslagen “zo erg als hun lichamen konden verdragen”, soms zowel op het AlÞing als later nogmaals wanneer ze terugkeerden in hun eigen gemeenschap. Jón Pálsson uit Kaldrananes ten noorden van Hólmavík kreeg zweepslagen voor het bezit van een grimoire van negen bladzijden. Terwijl de zweep zijn rug geselde, werden zijn boosaardige geschriften onder zijn neus verbrand om te voorkomen dat hij in de toekomst nog een poging tot tovenarij zou ondernemen. Aan het eind van de 17e eeuw konden de veroordeelden een boete betalen in plaats van zweepslagen te krijgen.


18.

De zwaarste straf mogelijk in een strafzaak, verbranding op de brandstapel, werd 21 keer opgelegd. Naar alle waarschijnlijkheid werden deze personen, 20 mannen en 1 vrouw, levend verbrand. De bronnen vermelden dat het drie keer gebeurde dat de boosdoeners probeerden te ontsnappen aan de vlammen, in die gevallen waren de touwen doorgebrand voordat ze bewusteloos raakten. Een van hen schreeuwde voortdurend uit de vlammen: “Zie mijn onschuld!” Een bron uit de 18e eeuw meldt dat zo veel kreupelhout als 20 paarden konden dragen nodig was om een persoon te verbranden in Þingvellir. Een geestelijke in de Noordwestelijke Fjorden die een vader en zoon liet verbranden in 1656 vermeldt dat al het brandhout uit het huis van de veroordeelden werd gehaald. Naar alle waarschijnlijkheid is drijfhout gebruikt om de drie veroordeelden uit Trékyllisvík in Strandir in 1654 te verbranden.


19.

Vonnissen werden uitgevoerd door een beul wiens taak het was de veroordeelden zweepslagen te geven, op te hangen, te onthoofden en te verbranden. Bij de plaatselijke rechtbanken was het de taak van de rechter een geschikt persoon hiervoor te vinden. Het werd echter al gauw gebruikelijk om kleine criminelen deze taak te laten uitvoeren in ruil voor hun eigen straf. Alleen mannen lijken dit werk te hebben gedaan en uit de bronnen blijkt duidelijk dat sommige van hen niet in staat waren de hen opgedragen taak uit te voeren. De annalen beschrijven de onthoofding van Jón Jónsson Ríðumaður als volgt: Meer dan dertig slagen waren nodig voor het hoofd eraf was, omdat de kant van de bijl omkrulde alsof er een rots onderlag. De beulen moesten een plechtige eed afleggen voor ze aan het werk konden.


20.

Het onderzoek naar stambomen is altijd populair geweest in IJsland. De namen van de mensen die betrokken waren bij rechtszaken rond magie en tovenarij in de 17e eeuw zijn te verdelen in twee categorieën. Enerzijds de elite van rechters en geestelijken, mensen over wie we iets weten, anderzijds de mensen uit het volk, die alleen als naam verschijnen in de bronnen. De stamboom van de eerste groep wordt al sinds vroege tijden bijgehouden en de meeste IJslanders van vandaag kunnen hierin terugvinden dat ze verre verwanten zijn van deze personen. Sommige rechters, wiens rechtbankverslagen de belangrijkste informatiebron zijn over deze periode, hielden ook annalen bij waarin dezelfde gebeurtenissen worden vermeld. De stamboom in de vitrine is bedoeld om te laten zien dan de meeste betrokkenen in rechtszaken gedurende de gehele 17e eeuw leden waren van dezelfde familie van halfedelen. Dit geldt met name voor de Noordwestelijke Fjorden waar Magnús Jónsson de Hoffelijke, rechter werd aan het eind van de 16e eeuw. Hij had zes zonen en zes dochters en het merendeel van zijn mannelijke nakomelingen was rechter gedurende de 17e eeuw. Zijn dochters trouwden met rechters in de Noordwestelijke Fjorden of in andere delen van IJsland. Opgenomen in de stamboom is het merendeel van degenen die oordeelden in zaken wegens hekserij, een behoorlijk aantal aanklagers en het merendeel van degenen die verhandelingen schreven tegen tovenarij en magie. De symbolen naast de namen geven aan op welke manier de personen betrokken waren bij de heksenjacht in IJsland:


De oranje vuist betekent dat de persoon rechter was in een zaak rond hekserij of tovenarij. De blauwe wijzende vinger betekent dat de persoon iemand heeft aangeklaagd wegens hekserij of tovenarij. De rode Ægishjálmur betekent dat de persoon was beschuldigd van hekserij of tovenarij. De groene Ægishjálmur betekent dat volgens bronnen uit die tijd of latere verhalen de persoon iets zou hebben geweten over het occulte. De grijze driehoek betekent dat de persoon is getrouwd binnen de familie en de naam op twee plaatsen in de stamboom te vinden is. Het is interessant om te zien dat van bijna alle mannen van de familie voor de17e eeuw werd gedacht dat ze magie beoefenden en dat de lijn afstamt van Egill Skalla-Grímsson, de held uit een van de IJslandse saga’s die onder andere magie gebruikte tegen zijn vijand, de koning van Noorwegen. Een ander interessant punt is het feit dat veel van degenen die actief waren in de strijd tegen tovenarij hadden gestudeerd in Denemarken of Noord-Duitsland voor ze zich gingen bezighouden met de heksenjacht in IJsland.


21.

Jón Guðmundsson werd geboren als zoon van een gewone boer in het noordelijke deel van Strandir in 1574. Hij was autodidact en bekend om zijn kritische blik op de gebeurtenissen in zijn tijd, een man die van alle markten thuis was en die oude geschriften en boeken had bestudeerd, een kunstenaar en schilder die beroemd was voor zijn talent in het besnijden van walvistanden, en naar tegenwoordige maatstaven bijzonder bijgelovig. Slechts enkele van zijn tijdgenoten schreven zoveel en over zulke verschillende onderwerpen als hij. Zijn specialisme was natuur en kennis van medicinale planten en hij heeft klaarblijkelijk in enige mate de geneeskunde beoefend. Jón groeide op in Ófeigsfjörður en woonde tijdens zijn jeugd daar en in Hólmavík, waar hij in 1600 trouwde. Onder de verhalen uit die tijd is er een over een zekere Árni, die naar een rif zwom, dat nu deel is van de haven van Hólmavík, om eieren te verzamelen, maar onderweg door een zeehond werd aangevallen. Árni kon nog een strand opkruipen, maar daar stierf hij. Het gebouw waarin je nu staat, staat op precies die plek. Jón Guðmundsson werd beroemd toen hij erin slaagde om de geesten te verdrijven die de boerderij Snjáfjöll vrijwel onbewoonbaar hadden gemaakt. Om dit te bereiken schreef hij lange gedichten aan de geest, beide zijn bewaard gebleven en horen tot de krachtigste in hun soort in de IJslandse literatuur. Hij werd hierdoor geliefd bij de gewone mensen, maar Jón moest de Noordwestelijke Fjorden verlaten na kritiek op de zeer machtige rechter Ari í Ögri voor het doden van Baskische walvisvaarders die hun schip hadden verloren in een storm in 1615. Jón verhuisde naar Snæfellsnes, waar na enige tijd een plaatselijke geestelijke een verhandeling schreef over Jón en


zijn leer van de geneeskunde en Jón vervolgens werd beschuldigd van hekserij. Zijn rechtszaak werd voorgelegd aan de volksvergadering in Þingvellir waar hij schuldig werd bevonden. Hij werd veroordeeld tot ballingschap, maar Jón zeilde naar Kopenhagen en met de hulp van bevriende geleerden verkreeg hij van de koning de toezegging dat zijn zaak opnieuw bekeken diende te worden. Terug in IJsland werd zijn rechtszaak opnieuw gevoerd, echter met hetzelfde resultaat. Gelukkig zag een aantal invloedrijke personen, onder wie de bisschop en de geleerde Brynjólfur Sveinsson, erop toe dat het hem werd toegestaan de rest van zijn leven in vrede door te brengen in het oosten. De lijst van Jón’s bekende geschriften toont aan hoe verschillend zijn interesses waren. Naast de al eerder genoemde beeldende gedichten en zijn medische boeken schreef hij een boek over de geschiedenis van Groenland, zijn versie van de gebeurtenissen die hadden geleid tot het doden van de Baskische walvisvaarders, uitleg bij Snorri’s Edda en een geïllustreerde verhandeling over de natuurlijke historie van IJsland met tekeningen van de verschillende soorten walvissen. De afbeelding op het kerkhof is een miniatuur van een boek dat hij als twintiger overschreef.


22.

Dominee Páll Björnsson (1621-1706) uit Selárdalur in Arnarfjörður werd beschouwd als een van de meest geleerde mensen in IJsland in zijn tijd. Hij schreef beroemde preken, een verhandeling over navigatie en hij schreef ook vloeiend Grieks en Latijn en correspondeerde met geleerden in Europa. In 1674 schreef hij een verhandeling over magie die hij Character bestiae noemde en die hij grotendeels baseerde op de Malleus Maleficarum*. De IJslanders kunnen nu de demonenleer van de Europese kerk bestuderen en kennismaken met ideeën over hekserij die erg weinig overeenkomsten vertoonden met de IJslandse tovenarij. Páll’s halfbroer was in die tijd rechter in het district Barðastrandarsýsla en stond erom bekend hekserij met meer inzet en ijver dan zijn tijdgenoten te vervolgen. In 1669 werd Páll’s vrouw Helga ziek, een onbekende ziekte hield haar meer dan zes maanden aan haar bed gekluisterd en tegelijkertijd ging een geest als een dolle te keer in hun huis. Helga besloot dat de oorzaak van dit alles lag bij een jongeman genaamd Jón Leifsson aan wie ze geen toestemming had gegeven te trouwen met een van haar dienstmeisjes. Hij werd direct opgepakt, door de rechter veroordeeld en ter dood gebracht op de brandstapel, nadat hij had toegegeven dat * Duits manuscript uit 1486 waarin het bestaan van hekserij en de vervolging ervan wordt beschreven


hij enige kennis van het occulte had gezocht en een man genaamd Erlendur als zijn leraar had genoemd. Páll schreef naar de autoriteiten en beweerde dat Erlendur de mantel van de duivel was en de bron van alle kwaad in de parochie. Páll’s woorden werden uiteraard serieus genomen en Erlendur kwam later dat jaar op de brandstapel. Vijf jaar later werd Helga weer ziek, net als twee van haar zonen. Dit kostte opnieuw twee mensen het leven op de brandstapel. Een van hen werd algemeen als onschuldig beschouwd, maar Helga’s zwager, de rechter, duwde de straf er tijdens de wetgevende volksvergadering in Þingvellir toch door. In 1678 leed Helga weer onder een ziekte en opnieuw werden er twee brandstapels aangestoken, een onder de enige vrouw die dit lot heeft getroffen in IJsland. In 1683 werd nog een man, Sveinn Árnason, verbrand als gevolg van beschuldigingen door een lid van de familie. Deze keer was de zieke de dochter van Helga en Pall, in bronnen uit de tijd omschreven als nerveus en erg dol op drank. Dit bleek achteraf de laatste executie wegens tovenarij en magie in IJsland.


23.

Een rechtszaak die eindigde met de dood van een vader en zijn zoon op de brandstapel in 1656 is waarschijnlijk de meest bekende in de IJslandse geschiedenis. De geestelijke in Eyri (het tegenwoordige Ísafjörður) beschuldigde hen ervan een vreemde ziekte te hebben veroorzaakt waaraan hij leed. Na een gevangenschap van enkele maanden gaven zowel de vader als de zoon toe dat ze enige kennis van tovenarij hadden. Nadat ze ter dood waren gebracht ontving de geestelijke Jón Magnússon al hun bezittingen als genoegdoening. Hij was hier echter nog niet tevreden mee en wilde ook de dochter van de familie vervolgen. Het lijkt erop dat de autoriteiten, zowel plaatselijk als landelijk, genoeg hadden van de hysterie van de geestelijke en het werd de dochter toegestaan haar onschuld te zweren. Dominee Jón besloot toen een boek te schrijven waarin hij zijn kant van het hele proces verteld en dit is de reden waarom deze zaak zo bekend is. Zijn beschrijving van zijn ziekte maakt het een uniek document, maar als historische bron moet het met uiterste voorzichtigheid worden bezien. Aan de andere kant heeft het zeker literaire waarde. Er zijn door moderne geleerden verschillende verklaringen gegeven voor de ziekte zoals beschreven door dominee Jón. Een ervan is ondervoeding, een andere een zware griepaanval en tenslotte het eten van mais dat door een hallucinaties verwekkende schimmel was aangetast.


24.

In 1652 begonnen er verhalen de ronde te doen over een vreemde ziekte die de bewoners van Trékyllisvík, de meest noordelijke gemeenschap van Strandir, getroffen zouden hebben. Een verslag uit die tijd beschrijft een kwade geest of demon die zorgt voor verstoring en beroering, vooral in de kerk tijdens de mis. Tijdens het voorlezen van de preek zou hij door de kelen van de vrouwen naar binnen schieten en boeren en zwellingen in hun maag veroorzaken. Maagden waren vatbaarder dan andere voor dit gedrag, en soms moesten tot wel 12 vrouwen de kerk worden uitgedragen, met het schuim op hun mond. Datzelfde jaar werd een nieuwe rechter Þorleifur Kortsson benoemd in Strandir. Hij had in Hamburg gestudeerd voor kleermaker, maar was onlangs teruggekeerd naar IJsland en getrouwd binnen de machtigste familie van de Noordwestelijke Fjorden. Hij verschijnt ten tonele in de lente van 1654 om een onderzoek in te stellen en ontdekte al snel dat één man, Þórður Guðbrandsson, ervan werd verdacht dit alles te hebben veroorzaakt. In Þingvellir vroeg hij die zomer aan het parlement hoe hij moest reageren als de vreemde gebeurtenissen zouden voortduren in Trékyllisvík en Þórður niet genoeg getuigen van zijn onschuld zou kunnen vinden. In september reed hij terug naar Trékyllisvík en uiteindelijk gaf Þórður toe dat hij de duivel had gezien in de gedaante van een vos en dat hij hem naar Trékyllisvík had gestuurd. Een andere man, Egill Bjarnason, gaf toe dat hij met tovenarij een schaap had gedood en dat hij de duivel kon laten doen wat hij maar wenste. Deze twee mannen werden verbrand op dezelfde brandstapel op 25 september. De plaats van de executie is een vreemde inham genaamd Kistan (De Kist) in de kust van Trékyllisvík tussen de boerderijen Litla-Ávík en Finnbogastaðir.


Ondanks de verbrandingen bracht het de bewoners van Trékyllisvík weinig verlichting. De volgende persoon die werd beschuldigd was Margrét, dochter van de hiervoor genoemde Þórður. Zij ontvluchtte de parochie, maar werd veroordeeld tot het zuiveren van haar naam met een eed. Na lange tijd lukte haar dat uiteindelijk in 1662, maar ondertussen had ze een kind gekregen van een geestelijke die haar in een andere parochie in de Noordwestelijke Fjorden verborgen had gehouden. Margrét werd als onschuldig beschouwd door veel mensen, maar in latere volksverhalen werd ze het voorbeeld van een boosaardige vrouw. De bewoners van Trékyllisvík hadden nog de hele eeuw last van dezelfde vreemde verschijnselen en de verhalen van verstoringen van de mis kunnen worden teruggevonden in de annalen totdat de strenge winters aan het eind van de 17e eeuw al het andere nieuws naar de achtergrond verdrongen.

Kistan (De Kist)


25.

Grimoires en magische tekens worden genoemd in ongeveer een derde van de hekserij strafzaken die in de rechtbanken werden behandeld. Hoewel alleen al het bezit hiervan een halsmisdaad was in de 17e eeuw, is een aantal ervan bewaard gebleven tot in de huidige tijd. Andere werden gekopieerd en zijn te vinden in manuscripten uit de negentiende en soms begin twintigste eeuw. De inhoud van deze grimoires kan per boek verschillen. Enkele van de vroege exemplaren zijn nauwelijks te onderscheiden van medische boeken uit de Late Middeleeuwen. Het merendeel bestaat uit een verzameling van tekens en symbolen, sommige overgenomen uit andere culturen, sommige gebaseerd op het oude Runenalfabet en vele hebben als onderwerp het aanroepen van de oude goden van Noord-Europa zoals Óðinn en Þór. Er is nooit gericht onderzoek naar deze grimoires verricht en ze zijn nauwelijks gepubliceerd. In de vitrine liggen foto’s van enkele exemplaren, de oudste zijn beschreven perkamenten vellen van rond 1600, de jongste is een kopie uit begin 20e eeuw.


26.

Klemus Bjarnason leefde in het gebied rond Hólmavík en werd aangeklaagd wegens tovenarij en oproepen van het kwaad in 1690 en veroordeeld tot de dood door verbranding. Afgaand op de beschikbare gegevens was Klemus geen erg geliefde man, maar de oorspronkelijke beschuldiging ging om een stuk drijfhout dat hij volgens de geruchten gestolen zou hebben. Klemus was niet blij met de beschuldigingen en zwoer volgens getuigen dat hij zichzelf zou wreken als hij schuldig werd bevonden. Zijn buren zagen bewijs van zijn krachten in het feit dat tenminste twee vrouwen ziek werden nadat hij het dreigement had geuit en Klemus werd direct beschuldigd van hekserij. Pas toen hij al schuldig was bevonden en op weg was naar Þingvellir liet Klemus de rechter een bezwering horen waarmee voorkomen kon worden dat vossen de schapen kwaad zouden doen en hiervoor werd hij ter dood veroordeeld. Zijn geluk was dat terwijl hij zijn straf afwachtte, de koning een wet uitvaardigde waarin werd voorgeschreven dat alle halsmisdaden moesten worden voorgedragen aan de onlangs ingestelde Hoge Raad in Kopenhagen. Zodoende werd de straf omgezet in verbanning en Klemus stierf een jaar later in de gevangenis in Kopenhagen.


Bezweringen en betoveringen tegen de poolvossen zijn talrijk in de grimoires en de volksverhalen. Deze reeks van tekens moest in een stuk eikenhout worden gekerfd dat dan aan de wol rond de nek van het schaap moest worden geknoopt of onder de drempel van het schapenhok moest worden gestopt. Klaarblijkelijk waren vossen een reële bedreiging voor de bewoners van Strandir, want ze zijn het onderwerp van een aantal rechtszaken in het gebied. Een kaart van het gebied in het museum laat zien hoe de bewoners van de boerderijen rondom Steingrímsfjörður betrokken waren bij de rechtszaak, sommigen gezeten in de rechtbank, sommigen optredend als getuigen. De huidige inwoners zullen weinig moeite hebben hun lijn van afstamming te zien tot enkele van deze personen.

27.

In een speciale ruimte vlakbij de receptie presenteert het museum met trots een zeer bijzondere steen, het is de enige vondst in zijn soort die in verband kan worden gebracht met offers aan de oude Vikinggoden. Het is een stenen schaal die is gevonden in een ver van de bewoonde wereld gelegen vallei waar volgens de legende nog een oud geloof werd aangehangen lang nadat het christendom naar IJsland kwam. Een poster in het Engels aan de muur naast de toegang beschrijft de ontdekking en de forensische tests die zijn gedaan om met zekerheid vast te stellen dat er nog steeds sporen van bloed in de schaal aanwezig zijn.


28.

In 2005 is een tweede deel van het museum geopend in Klúka in Bjarnarfjörður, 25 km ten noorden van Hólmavík. Het heet Kotbýli Kuklarans of Het tovenaarshuisje en besteedt aandacht aan de arme pachters uit de 17e eeuw, hoe ze leefden in dit soort tradionele plaggenhutten en de magie die ze gebruikten om een leven in hun moeilijke omgeving draaglijker te maken. De meeste van hekserij beschuldigde mensen, behoorden tot deze bewoners. Het tovenaarshuisje geeft u een idee waarom mensen hun toevlucht zochten in magie en is een bezoek meer dan waard. Dank u wel.

Dutch - Museum guide  

A guide in Dutch through the Museum of Icelandic sorcery & Witchcraft

Dutch - Museum guide  

A guide in Dutch through the Museum of Icelandic sorcery & Witchcraft

Advertisement