Page 1

Zuidas Gazet

Waar Rook Is Over mensen aan de Zuidas


Inhoud

Zuidas Gazet

7 4 6

8

11

12 13

14 19

16 22 23

25

29

26

2

28


Introductie

Zuidas Gazet

Storyshop, het projectbureau van Lies Aris, werkte sinds september 2013 vanuit culturele hotspot old school aan de kop van de Zuidas. Van daaruit keek ze uit op de gladde abstractie van het zakengebied, dat zich afwisselt met braakliggend terrein, de bewoners van het naoorlogse wijkje naast het Stadsdeelkantoor dat na jaren op de slooplijst nu door de crisis blijft bestaan, de hondenuitlaters op de Zuidelijke Wandelweg en de bezoekers van de nieuwe Joodse synagoge. Op initiatief van Storyshop gingen fotograaf Eddy Bosland en kunstenaar Lies Aris op zoek naar de ziel van de Zuidas. Maandenlang struinden ze door het gebied op zoek naar verhalen en ‘personages’. Ze kwamen in kantoortuinen, moestuinen, liften, op pleinen, in plantsoenen, aan bureaus van drukke mensen, in portiekjes, op het WTC, in de RAI en verder. Vaak leek iedereen druk, sprak snel en rende voorbij. Maar waar rook omhoog kringelde, kwamen de verhalen meestal wel los. Verborgen verhalen van levens langs een as. De Zuidas. Beide kunstenaars zijn gebiologeerd door wat ze tegenkomen op straat en altijd op zoek naar absurdisme, humor en vervreemding in de dagelijkse realiteit van een gebied. Met Waar Rook Is portretteren zij mensen die nooit hadden gedacht in een publicatie te verschijnen. Dit is geen gewone krant. Dit is de Zuidas Gazet.

Waar Rook Is – expositie, krant en ruimtelijk werk, werd mede mogelijk gemaakt door het Amsterdams Fonds voor de Kunst, een kunstsubsidie van het Stadsdeel Zuid en bemiddeling via Projectbureau Zuidas. Storyshop is van plan om meer verborgen verhalen uit de hoofdstad te publiceren om zo de ziel van buurten via zijn bewoners te etaleren. In 2012 publiceerde Storyshop de Nieuwendammer en in 2015 portretteert Storyshop waarschijnlijk Slotervaart. De komende jaren zullen alle gebieden van Amsterdam een Storyshop behandeling krijgen. Het laatste gebied is de Amsterdamse binnenstad. Daar hoopt Storyshop een glossy uit te brengen.

3


Enno, conciĂŤrge op het Geert Groote College


Enno

Zuidas Gazet

Abgeëckt ‘Kom, loop mee naar binnen!’ Enthousiast hopt Enno de trappen op, bezem in de hand. Links en rechts groet hij leerlingen. ‘Kijk zie je daar die rondingen: abgeëckte ramen zijn dat. Een kenmerkende bouwstijl voor de vrijeschool. En hier kun je mooi naar beneden kijken: dat is de lagere en dat daar de kleuterschool. Allemaal in bepaalde kleuren, hè. Ze hebben wat warmere kleurschemaatjes. Dus nooit RAL RAL RAL, hartstikke wit. Dat is niet goed voor kinderen.’ Het nieuwe gebouw van het Geert Groote College is net opgeleverd. Het ziet er spectaculair uit, met die enorme witte trappen en bijzondere driehoeksvormen. Verwoed veegt conciërge Enno de treden. ‘Ze hebben wel een constructiefout gemaakt met die trappen, want het vocht loopt niet weg.’ Het oude gebouw kon maximaal 460 kinderen herbergen. Elk jaar moest de school honderdvijftig leerlingen afwijzen. Want weinig vrijescholen zijn als het Geert Groote College, met naast kleuter- en basisonderwijs ook een middelbare school. Dat trekt ook veel kinderen uit de regio.

Eind negentiende- en begin twintigste eeuw waren er een aantal wereldverbeteraars actief in het onderwijs. Maria Montessori in Italië, Rudolf Steiner in Duitsland en in Nederland had je Frederik van Eeden. Terwijl we door de gangen toeren, prevelt Enno wat kreten: ‘Het socialisme, het vegetarisme, het naturisme, het verheffen van het volk, dus niet de arbeider de arbeider laten. Daar is dít – de vrijeschool – een uitvloeisel van. Maar “vrij” betekent alleen maar “vrij van overheidsbemoeienis”, hoor. De meeste mensen denken: o ja, de vrijeschool, daar kun je maar wat doen. Dat is niet zo. We hebben een heel strak programma.’ Een essentieel onderdeel van dit onderwijs is dat je naast de ‘normale vakken’ ook kunstvakken doet: handvaardigheid, theater, en kunsten bijna op ambachtsniveau, zoals metaal- en houtbewerking. Enno vindt het leuk dat jongens en meisjes hetzelfde moeten kunnen. Meiden staan dus aan de bandschuurmachines en jongens leren naaien. ‘En dit is de houtafdeling. De filosofie is: begin met zachte materialen en als je volwassener wordt, ga je over op hardere materialen. IJzer bijvoorbeeld. Daar kun je niks mee doen, behalve als je het gaat smeden. Hiernaast hebben we de metaalafdeling.’

5

Over het algemeen worden vrijeschoolkinderen aardige mensen, zegt Enno. Sociaal, meevoelend en invoelend. Ook zijn eigen kinderen hebben op de vrijeschool gezeten. Na de vrijeschool belanden veel leerlingen op de Rietveld Academie, maar sommigen ook bij de Triodos Bank of Price Waterhouse Coopers. Zij zijn waarschijnlijk aardige zakenmensen. Op de website van het Geert Groote College staat het credo ‘worden wie je bent’. Enno: ‘Als jongen wilde ik stuurman worden op de grote vaart. Maar daar ben ik al gauw van genezen in de marine. Ik ben nog van de generatie Dienstplicht. Die hiërarchie, hè. Ja, dat vrije zat er bij mij al vroeg in. In Amsterdam zijn we natuurlijk het minst strak in de leer. Ga je naar Zutphen, dan lopen de leraressen nog in een rok. Noooouuu, dat kun je hier wel vergeten.’ We belanden in het kleutergedeelte. Het houten plafond ruikt naar dennenbos. Alle hoeken en zelfs de muren zijn hier abgeëckt. Een knappe kleuter die zich hier nog ergens aan stoot. Lieve leidsters verontschuldigen zich. Het is er saai, vinden ze, omdat ze net alles hebben leeggeruimd voor de zomervakantie. Vandaag was de grote schoonmaak met de ouders. Ik luister nog wat naar Enno, in mijn hoofd echoot het woord ‘abgeëckt’ nog een paar keer na. Ook zijn stem zingt er nog een tijdje rond.


Peter en Rob zijn betonvlechters op de bouw aan het Gustav Mahlerplein

Peter

& Rob

Zuidas Gazet

Het spreekt voor zich dat je als betonijzervlechter geen watje kunt zijn. Het is zwaar werk. En niemand die je eens bedankt voor al je gesjouw. Maar zonder betonijzervlechters geen Zuidas, dat kun je gevoeglijk stellen. Zonder een goede basis geen gebouw. Al twee maanden zijn Peter en Rob aan de slag voor de Mahler-woningen, om de hoek van het Gustav Mahlerplein. Daar zullen 2700 enorme luxe appartementen verrijzen voor expats en andere vermogende doelgroepen. Hoe mooi dat gaat worden, daar heeft de projectontwikkelaar alvast een aantrekkelijke artist impression van laten printen op een groot doek. Een chic gedekte tafel, brandende kaarsen, heerlijke wijnen, een dure telescoop waarmee je de bootjes op de Nieuwe Meer kunt bespieden (of de naakte buurvrouw), een olijfboompje. Het ziet er appetijtelijk uit allemaal. Maar eerst moeten Peter en Rob dat beton nog even degelijk vlechten, anders kun je lang wachten op je toost met je kristallen glazen. Peter is 38 jaar en ziet eruit als een indrukwekkende Viking met zijn lange blonde staart vanonder zijn helm. Hij komt uit Hardinxveld, een van de oudste dorpen van de Alblasserwaard. Rob is 51 en komt uit IJmuiden. Hij zit al 37 jaar in het vak. En dat is een familievak, want zijn opa had al een eigen vlechtbedrijf en sindsdien zit de hele familie in het betonijzervlechten. In opa’s tijd werd het beton nog met de hand geknipt en gebogen.

‘Hoe ontbijten Japanners eigenlijk?’

Op dit moment genieten de mannen behoorlijk, want ze werken eindelijk eens met uitzicht. Normaal staan ze beneden in de ‘bouwput’ maar nu kijken ze mooi over de schutting heen. Aan de overkant draait de draaideur van een luxueus appartementencomplex. Een Japans koppel van middelbare leeftijd komt naar buiten. De man draagt een grijs zakenpak, zijn vrouw een curieuze roze glamourcombinatie. Ik denk niet dat haar man haar tijdens het ontbijt een dress your age-advies heeft gegeven. Hoe ontbijten Japanners eigenlijk? Het ziet eruit alsof ze ook lang met het toilet van haar poedel bezig is geweest. Die is uitgedost in een matching roze jasje met strikjes en glitterbolletjes. De ijzervreters worden er stil van.

6


Dick

Zuidas Gazet

‘Ja, nou ja, ik denk iedere keer: O GOD, die tuin moet ook nog!

‘Dat zijn doperwten, dit zijn aardappels, dit zijn uien en hiervan heb ik écht geen flauw idee wat het zijn. Nee, dat weet ik écht niet meer. Ja daar staan tuinbonen, tegen die palen op: dat zie je zo. Daar heb ik nog wat sla en spinazie. En ik heb daar knoflook, maar ik geloof dat dat überhaupt niet kan, want dat moet heel lang staan. Ik dacht: ik ga gewoon kijken of dat wat wordt. Iedereen hier heeft natuurlijk zijn eigen ding. Mijn buurvrouw koopt allemaal plantjes en dan ziet het er gelijk mooi uit. Ik ben zo eigenwijs dat ik alles met zaadjes wil doen. Maar ja, we gingen niet vergelijken dus dat doe ik dan ook maar niet. Zaadjes zijn veel echter natuurlijk, maar ja: zij eet al. Ik lijd nog steeds honger. Een kennis van mij heeft hier een tuintje. Hij zei “Dick, er zijn nog tuintjes over.” Ik ben op het ogenblik baanloos dus ik dacht: nou ja, misschien is dat wel aardig voor de zomer. Een beetje aankloten. Gewoon maar uitproberen. Ik heb absoluut geen groene vingers.’

‘Ja, nou ja, ik denk iedere keer: O GOD, die tuin moet ook nog! Goed, we hebben één keer spinazie gegeten en dit is dan een ladinkje radijzen dat eruit is gekomen, dus ik denk dat het allemaal wel mogelijk is. Ja, wat ik van de Zuidas vind? Ik kijk er niet zoveel naar. Ik kijk naar de grond. Ik heb daar (zwaait een arm naar achteren richting de VU) ooit gestudeerd. Het is toch een lelijk gebouw ook eigenlijk?’ ‘Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd en wilde altijd in een museum werken. Dat is me gelukt. Toen, in de zeventiger jaren, groeiden de bomen nog tot in de hemel dus ik dacht: als ik geen baan krijg, dan zie ik wel weer. Ik maakte me nergens zorgen over. En zowaar, vanaf de dag dat ik afstudeerde, heb ik werk gehad. Ik was museumdirecteur. In Huis Doorn, de residentie van de voormalige Duitse keizer na de Eerste Wereldoorlog. Daar heb ik zestien jaar gewerkt. En voor de rest op nog wat meer kastelen: het Muiderslot, Slot Loevestein, Kasteel Loosdrecht. Dus ja, dit tuinieren is een heel andere tak van sport.’

7

Dick in de moestuin

Dick is een chique meneer, dat hoor je zo. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd en schoffelt wat rond een uienknol. Het is een bijna surreëel gezicht, deze oase met stoktomaatjes, bonenstaken, vogelverschrikkers en zonnebloemen, midden in een Star Wars-stad met futuristische torens. Lang leve de crisis! Nu blijft dure bouwgrond braak liggen en gaan illustere figuren als Dick met vervroegd pensioen om knoflook te kweken.


Herman

Zuidas Gazet

Hoogtevrees ‘Ik ben de traumahelikoptermastodont.’ Herman is anesthesist op de OK van VUmc, maar één week per maand draait hij dienst als arts in het Mobiel Medisch Team, als traumaheli-arts. Dit doet hij al bijna twintig jaar, sinds het traumahelikopterteam werd opgericht. Hij staat stevig in zijn schoenen daar op het dak van VUmc. Voor iemand wiens levenstaak het is mensen te redden, geeft dat een geruststellende indruk. Herman komt uit een familie van mensenredders. Zijn vader werkte zijn leven lang als verpleegkundige op de ambulance, maar nam zijn werk niet mee naar huis. Thuis was hij gewoon de papa. Net als Herman. Wanneer hij een nachtdienst op de heli draait, en rond half tien weer thuis in Maarssen komt, is hij blij zijn zoon en dochter te zien, die nu vakantie hebben, een rondje met de hond te lopen en een beetje ongestructureerd te klooien. Zo chaotisch als hij thuis met dingen is, zo gestructureerd is hij op de OK. Daar moet alles perfect opgeruimd zijn.

Zodra de pieper piept, wordt iedere vezel van zijn vriendelijke gezicht alert. ‘Concentratie is voor ons heel belangrijk. En vertrouwen, je móet op elkaar kunnen vertrouwen. Per shift zijn we met een team van vier: een piloot, een verpleegkundige, een arts en een halo, een helicopter landing officer. Die concentratie moet je opbouwen, en dat kan wel tijdens een vlucht, vanaf het alarm. Maar je moet even goed focussen op waar je naartoe gaat. Je ruggenmerg moet gevuld zijn, zodat je de automatismen goed doet. Ik ben vanavond van half zeven tot morgenochtend half acht in dienst. Ik slaap wel hoor, maar met een pager. Zodra die piept, krijg je een tekst met de locatie. Dan maken we de keuze: gaan we met de auto of de heli? De keuze is altijd gebaseerd op tijd. Binnen drie minuten na de oproep zitten we in de heli, ook ’s nachts. Binnen dertig minuten zijn we bij het incident.’ Het oorverdovende gedril van helikoptervleugels klinkt. Vanaf het helidek gaat een fluorescerend gele vogel recht omhoog de lucht in, dwars door een regenbui. Medical Air Assistance, staat in zwarte letters op zijn flank. Het team heeft een oproep uit Biddinghuizen. Er zijn dagen dat ze wel tien keer vliegen en er zijn extreem rustige dagen. De oproepen zijn altijd ernstig. Bij de helidienst is het alles of niets.

8

De meeste artsen op de traumahelikopter zijn anesthesioloog, net als Herman. Zij doen ter plekke wat normaal gesproken op de Spoedeisende Hulp gebeurt. Want patiënten met levensbedreigende problemen moeten eerder behandeld worden. Die moeten alvast worden gestabiliseerd. ‘Er zijn altijd gevallen waar je herinneringen aan hebt’, zegt Herman. ‘We maken vaak heftige dingen mee, die een enorme impact hebben op de patiënt. Maar weet je, als je die gaat herbeleven, moet je je afvragen of dit het goede vak voor je is. De werkelijkheid is vaak vreemder dan je kunt verzinnen. Na afloop doen we altijd een evaluatie. Dan staan we hier met zijn allen weer op dit dak. En van tevoren houden we een teambriefing. Dan worden de standaardprocedures doorgenomen en allerlei andere zaken: of er restricties op het luchtruim zijn, of er wegen zijn afgesloten. Als alles in orde is, wordt de heli hot gezet.’ In de wachtkamer drinkt een piloot een bakkie aan de tafel. Aan de muur hangt een spectaculaire foto van een geparkeerde traumahelikopter op een supersmalle brug over een Amsterdamse gracht. Medical Air Assistence-piloten zijn geen beginners, die moeten heel wat vlieguren op hun naam hebben staan. De mannen halen herinneringen op aan ingewikkelde landingsplekken. Ondertussen trekt Herman zijn fluorescerende werkpak aan, strakjes moeten ze de dienst overnemen. ‘Op een galerij van een flat op de elfde verdieping moet je mij niet zetten, hoor’, zegt hij. ‘Ik heb ontzettende hoogtevrees!’


Herman van de traumahelikopter



Zuidas Gazet

Vytautas

Vytautas is eindexamenstudent Grafisch Ontwerpen op de Gerrit Rietveld Academie

Litouwen was ooit een machtig land. Het reikte zelfs helemaal tot aan de Zwarte Zee. Lang was het land onderworpen aan een Sovjetbewind maar nu zijn ze er bijna van de Russen af, op nog wat energietoevoer na. In de grote Litouwse wouden kun je hopeloos verdwalen. Bij daglicht kan het zo duister zijn onder het dikke loof dat je je in een donkergroene nacht waant. Langs de onbewandelde paden fluisteren trollen mysterieuze spreuken. Bijna alle jongens heten er Vytautas, naar de volksheld Vytautas de Grote. Hij was een belangrijk symbool van de nationale hervorming van Litouwen in de negentiende eeuw. Als je als Litouwse moeder je kleine babyboy een dosis heldhaftigheid mee wil geven, dan noem je hem Vytautas, naar de man wiens versteende beeltenis door het hele land te zien is. Want een goed begin is het halve werk. Vanonder een schuin petje kringelt de rook van Vytautas’ peuk omhoog op de trappen van de Gerrit Rietveld Academie. Het gonst er van de onrust. Mensen redderen heen en weer met materialen en ondefinieerbare dingen. Het grijze blok beton en glas straalt de anarchie van een kraakpand in de jaren tachtig uit. Het is een monument van onverzettelijke kunstenmakers. Kom maar op met die bezuinigingen. De Rietveld staat voor jonge kunststudenten klaar als betonnen bunker om in te schuilen. Over een paar dagen opent de eindexamententoonstelling. Maar deze lange Litouwer ziet er nog heel relaxed uit, met zijn opgerolde broekspijpjes. ‘Gek genoeg ben ik nu nog niet zenuwachtig. Ik ben alles zo’n beetje aan het installeren. Het wordt een installatie van verschillende kleine werken. Over hoe ik de wereld zie. Ook ga ik een guided tour geven: een soort performance. Je opent de deuren naar woorden. Sommige zijn heel erg cryptisch, daar kun je niets van snappen. Maar er zit altijd een verhaal achter.’ Drie jaar geleden kwam hij speciaal voor deze opleiding uit Litouwen naar Amsterdam. Vilnius heeft ook een kunstacademie, maar die is veel traditioneler, zelfs een beetje outdated. Hij zocht een interessantere omgeving. Op de Rietveld vond hij goede leraren, leuke klasgenoten en hij had er alle vrijheid om zijn ideeën te ontwikkelen. Op deze school is het gemakkelijker om algemene regels te breken: grafisch ontwerpen kan alles zijn. Je werkt als ontwerper, wetenschapper, kok of tovenaar. Vytautas ziet geen grens tussen beeldende kunst en grafisch ontwerpen. Volgend jaar gaat hij terug naar Vilnius om op te laden in de woeste wouden, maar voor een masteropleiding komt hij weer naar Nederland: het Sandberg Instituut of de Werkplaats Typografie.

‘Het is te clean’ 11

Eerst nog even eindexamen doen. Die peuk is bijna op, het werk wacht. Na zijn eindexamen wil hij door Nederland fietsen. Kijken of hij dan in ieder geval nog iets van een bos kan vinden. Want wat hij het meest mist aan Litouwen is de natuur. ‘Alles is hier geconstrueerd en ontwikkeld. Het is te clean. Er zijn geen open ruimtes. Er is geen bos, en als er bos is, dan is het benauwend en geplant.’ En een lange Litouwer, vernoemd naar Vytautas de Grote, heeft wel wat ruimte nodig.


Jantien

Zuidas Gazet

‘Ik kwam er op de rechtbank pas achter dat we familie zijn’

Twee zwaarwichtige agenten stevenen op ons af. We mogen hier niet fotograferen. Een paar minuutjes daarvoor kregen we al bijna een pak slaag van een op zijn onderlip bijtende delinquent, die aangaf liever niet op een foto gezet te worden. ‘Zoals wel meer mensen hier’, beet hij ons nog toe. Alleen de aanwezige sterke arm van de wet voorkwam een snap in the brain van deze bonk testosteron, wiens ballonbuik strak stond van agressie, bier en onverwerkte trauma’s. Een advocaat in sjofele toga rookt een snel saffie. Je begeven rond de rechtbank Amsterdam kun je beter zonder enorme camera op je borst doen.

Jantien is rechter aan het Amsterdamse gerechtshof

We treffen rechter Jantien van Hall vlak voor een zitting. In haar zwarte toga voor het witte gerechtsgebouw doet ze me denken aan een eenzame pinguïn op de Noordpool, die zich dapper voortbeweegt over het gladde ijs. Onder haar toga steken een paar elegante zwarte hoge hakken uit. ‘Ik let wel op mijn schoenen, dat ik geen gympen aanheb of schoenen in een rare kleur. Ze moeten gewoon zwart zijn. En mijn toga, ja die is al oud en versleten. Er zijn speciale togawinkels, zoals die op de Amstel, maar er is geen togamode. Hoe je toga eruit ziet is zelfs wettelijk voorgeschreven. Het ding is natuurlijk vooral bedoeld om neutraal te zijn. Het is mijn uniform. Ik voel me ook niet anders als ik die toga aantrek, maar daarin ben ik waarschijnlijk een van de weinigen hier.’ Haar schaterlach vult de hal. Jantien loopt al vanaf 2002 rond in het Amsterdamse gerechtsgebouw. Links en rechts groet ze passanten en maakt vriendelijke praatjes. Als strafrechter had ze zware zaken, zoals die van Mohammed B. Nu geeft ze leiding aan het team Familie en Jeugd. Dus zo vaak hoeft die toga tegenwoordig niet meer uit de kast. Als mensen na afloop van een civiele zaak opgelucht en blij de zaal verlaten, is Jantien tevreden. ‘Dan is er echt recht gedaan.’ We doorkruisen de enorme hal in de richting van de Van Hall-zaal. Jantien: ‘De bodes, die de zalen indelen, grappen vaak: “Nou, jij zit mooi weer in je eigen zaal hè?”’ Maurits Cornelis van Hall was een van de eerste presidenten van de Amsterdamse rechtbank. ‘Maar hij is niet de reden dat ik rechten ging studeren. Ik kwam er op de rechtbank pas achter dat we familie zijn. De man op het portret dat naast de Van Hall-zaal hangt, Walraven van Hall, dat is mijn opa. Die had niets met rechten te maken. Hij was bankier. Met zijn broer, die nog burgemeester van Amsterdam is geweest, heeft hij het Nationaal Steunfonds opgezet. Ze waren de financiers van het verzet. Opa van Hall is daarom in februari ‘45 gefusilleerd, vlak voor het einde van de oorlog. De kunstcommissie van de rechtbank liep zomaar tegen dit portret aan. Wij wisten niet eens dat het bestond!’

12


Rose

Zuidas Gazet

Rose haalt haar zoon op van de International School of Amsterdam

Verschijningsvormen van mensen, gebouwen en dieren kunnen je net zo voor de gek houden als de toverkunsten van Hans Klok. Hoe vaak vul ik een beeld aan met onbewuste stereotype gedachten? Door het rookgordijn van uiterlijkheden mis ik het echte verhaal. Als ik een giraffe zie, denk ik dat ze lief en moederlijk heenkijkt over wat zich onder haar slanke hals afspeelt, haar lange wimpers zacht trillend. Terwijl ze zich in werkelijkheid op staat te vreten over die in-your-face olifanten naast haar in Artis, die al haar aandacht wegkapen. Als ik naar het ABN AMRO-gebouw aan de Zuidas kijk, die glimmende glazen torens, verwacht ik dat alles er goed werkt. De lift gaat er snel. De koffiemachine is nooit leeg. Niemand stinkt er op de wc. De mooiste rookcirkeltjes hangen boven de goed verzorgde afro van Rose. Ze heeft een Engelse voornaam, een Spaanse achternaam, ze komt uit Moskou, heeft een Italiaanse man en een zoontje op de International School aan de Zuidas. 'I love this sweet village', zegt ze, turend over de torens aan de Zuidas, het deel van de stad waarvan wij denken dat het Echt Heel Metropolitisch is.

‘I love this sweet village’ 13




Anita Frank is beleidsadviseur Kunst en Cultuur voor stadsdeel Zuid en kunstadviseur voor de Nieuwe Synagoge


Anita

Zuidas Gazet

A. Frank Soms klopt alles zonder dat daar enige bewuste planning aan vooraf is gegaan. Dan overstijgt een mens haar context, verleden, heden en misschien zelfs wel haar toekomst. Ik kijk naar een waaier van zwart kroeshaar. De zon straalt feller dan ooit in een cirkel boven haar krullenbos. Het zou me niets verbazen als deze verschijning op zou stijgen vanaf het plein voor de Nieuwe Synagoge. Als een soort engeltje. Maar dat is het tegenovergestelde van wat Anita Frank doet op deze plek. Met beide benen stevig op de grond bespiegelt ze zonder spatsies over haar leven. Over de onontkoombare achtervolging van die andere Frank die hier om de hoek woonde, op het Merwedeplein, totdat ze in onderduik op de Prinsengracht ging wonen achter een draaideurkast. En de rest is geschiedenis. Oorspronkelijk komt Anita uit Rotterdam. Hier in Amsterdam merkte ze pas hoe Joods een stad kan zijn. ‘Ik voel me wel erg thuis bij die cultuur. Onbewust heb ik die toch wel mee gekregen. Daar ontkom je natuurlijk niet aan.’ ‘Joods Amsterdam-Zuid, dat ben ik niet hoor. Dat is toch een heel ander soort. Ik houd me toevallig bezig met kunst in dit gebied. Ik heb niks met commerciële kunst of kunst waar met een hoge prijs iets mee verdiend wordt. Maar wat Zone2Source in het Glazen Huis in het Amstelpark doet bijvoorbeeld, of het beeld ‘Cartas al Cielo’ van Alicia Framis, waarin mensen brieven naar het hiernamaals kunnen posten, dat verrijkt. Vaak gaat kunst in de openbare ruimte over herdenken. Maar een monument is er ook om vooruit te kijken. En gelukkig is hier ook veel nieuw. Kijk alleen al naar die prachtig strakke skyline van de Zuidas.’ Toen Anita kunstgeschiedenis studeerde aan de UvA wist ze helemaal niets van het Jodendom. Tijdens haar studie solliciteerde ze bij het Joods Historisch Museum. Daar had ze een ellenlang gesprek. Op weg naar buiten zei de portier: ‘Je bent vast aangenomen, want je was het langst boven van iedereen.’ Vrijwel het gehele sollicitatiegesprek had Anita het over haar homoseksuele broer in Israël gehad met de homoseksuele interviewer. Voor haar is dat de essentie van het Jodendom, dat je iets in elkaar herkent. Anita werkte nog lang in het Joods Historisch Museum. Ze stopte er uiteindelijk: ‘Joden, Joods, alsmaar dat Jodendom, ik had er gewoon een beetje genoeg van!’

Thuis in huize Frank deden ze allemaal aan kunst. Haar pleegbroer was balletdanser, haar zusje balletdanseres en haar ouders spraken veel over kunst. ‘Wat gaan we zondag doen?’ Die vraag stelt Anita nog steeds elke week. Is er een matinee, een opening? Met haar man bezoekt ze elke zondag een voorstelling of tentoonstelling. ‘Ik wil altijd iets nieuws. Ik probeer ook iedere dag een andere weg naar huis te fietsen. Veel mensen worden daar gek van en vooral Will, mijn man. Hij heeft een slecht richtingsgevoel, dus in de auto denkt hij vaak: waar gaan we nou weer naartoe?! In sleur vind ik geen rust, zoals andere mensen.’ ‘“Wat zijn dat, een opa en oma?” vroeg ik als kind aan mijn moeder. Ik wist dat niet. Maar het was duidelijk niet de bedoeling dat ik vragen stelde, dus liet ik het maar. Er gaan wel verhalen rond. Over mijn moeder bijvoorbeeld, toen ze in de onderduik zat. Ze hadden een zak meel bewaard voor als ze echt honger hadden. Toen ze hem uiteindelijk aan wilden breken, zaten er van die beestjes in. Veel later heb ik meegedaan aan het Spielberg-project. Toen heb ik allerlei mensen geïnterviewd. Aan die mensen kon ik alles vragen wat ik niet aan mijn ouders heb kunnen vragen.’ ‘Mijn ouders in Rotterdam waren heel seculier, die hoefden gewoon niet meer. Ik heb afgelopen 4 mei meegewerkt aan de Open Joodse Huizen in Rotterdam, in het huis van mijn grootouders die ik nooit heb gekend. Dat die dingen allemaal zo in elkaar grijpen is bijzonder. Want hoe kom ik bij die Open Joodse Huizen terecht? Via een aanbieding die we bij het stadsdeel kregen voor een tijdelijk kunstproject ontmoette ik iemand van Verhalenhuis Belvédère uit Rotterdam. Ik vroeg haar: wat doe je eigenlijk nog meer? Toen bleek ze gevraagd om in Rotterdam Open Joodse Huizen te organiseren. “Maar dat lukt niet want alle huizen zijn gebombardeerd”, zei ze. Waarop ik riep: “Nou die van mijn grootouders niet.” Nou ja. En toen zat ik eraan vast. Ik kende die geschiedenis zelf helemaal niet. Ik heb een fotootje van mijn grootmoeder uit 1898, eentje van mijn grootvader ergens uit ‘38 en van mijn andere grootouders heb ik ook maar één foto. Het was fantastisch om te doen. Zo bijzonder. Het gekke was: ik zat daar in de buurt op school, maar mijn moeder heeft me nooit meegenomen naar dat huis. Toch wist ik precies hoe het eruitzag. In de wc was alles nog oud: glas in lood, een oude kraan.

17

Hier zaten zij ook, dacht ik. Dichterbij kan ik niet komen. Ik had me die dingen niet zo gerealiseerd, waardoor ik ook mijn vrienden helemaal niet had uitgenodigd. Ja, mijn man was erbij en die was hevig ontroerd. Zelf was ik bijna euforisch.’ ‘Nogal gecompliceerd’ is een understatement als het over Anita’s ontstaansgeschiedenis gaat. Haar ouders waren allebei al getrouwd toen ze elkaar ontmoetten. Met zijn eerste vrouw had haar vader drie kinderen toen hij uit de onderduik kwam. Haar moeder adopteerde een oorlogswees en kreeg een dochter met haar eerste man. De twee stellen raakten bevriend en besloten gezamenlijk in een huis te gaan wonen. Daar kreeg haar vader nog twee kinderen en haar moeder ook. Tot ze besloten van partner te ruilen. Toen is Anita geboren. Ze was de uitverkorene, de enige die met beide ouders opgroeide. Al haar broers en zussen waren jaloers op haar. ‘Ik werd soms door wildvreemden op straat aangehouden met de vraag: “Van wie ben jij nou het kind?” Mijn ouders hadden een zaak, De Ooievaar. Iedereen kende die. En iedereen wist van die ruil. Op mijn zeventiende vluchtte ik naar Amsterdam. In hart en nieren was ik toch al Amsterdammer.’ Na een korte kritische ondervraging aan de deur worden we toegelaten tot het hypermoderne gestippelde gebouw van de Nieuwe Synagoge. Het oudste symbool voor judaïsme, de zevenarmige menora, is in het gebouw in glas ‘gegraveerd’. Anita Frank was adviseur bij de kunstcollectieaankopen voor de Nieuwe Synagoge. Daarom hangen er nu werken van Claudy Jongstra en Martijn Sandberg. Ze loopt rond en wijst op een soort liftschacht, een uitsparing die er zit omdat het gebouw bewaakt moet worden. Martijn Sandberg maakte een kunstwerk om de schacht aan te kleden. ‘Iedereen die hier naar sjoel gaat, vindt het mooi’, zegt de vrouw die voor ons open deed. Anita klikt verder op haar hakjes en zwaait nonchalant naar een portret van Anne Frank. ‘Die blijft me maar achtervolgen, hé! Hahaha!’ Dan staan we weer buiten. ‘Voel je je hier thuis?’ vraag ik haar. En: ‘Ben je gelovig?’ ‘Ik ben daar heel dubbel in en nee, ik ben niet gelovig. Ik eet garnalen en mosselen. Naar de sjoel gaan is voor mij als naar het theater gaan. Als je weer eens bent geweest, denk je: O, dat ga ik vaker doen. Maar dat komt er dan natuurlijk niet van.’


Willie

& Napo

Zuidas Gazet

niet echt een land met grote honden met goede omgangsvormen. Dat zijn daar echt bewakingshonden. Via het asiel hebben we uiteindelijk deze heerlijke hond gevonden. Half mastiff, half Deense dog. Voor Napo hebben we speciaal een Renault Kangoo gekocht. En daar zit ie dan achterin. Als hij zou kunnen, zou hij zwaaien!’

Willie en Napo in het Beatrixpark

‘Dit park is prachtig, maar ze gaan het natuurlijk weer helemaal volbouwen. Dit hele gebied! Dit natte gebied ook. En voor deze hond is het nu al een beetje klein. Omdat we zoveel met hem lopen, moeten we de hele tijd dezelfde rondjes maken. Ze snoepen steeds kleine gedeeltes van het park af. Op dit hele stuk komen gebouwen. En dan zeggen ze vrolijk bij de gemeente: “Ja, daar komen heel mooie waterpartijen tussen.” Maar ja, dan zit je tussen de grote flats en dat is dus helemaal niks.’

‘Als hij zou kunnen zou hij zwaaien’ Op de heuvel staat Willie voorovergebogen over haar joekel van een hond. Ze masseert liefdevol zijn rug. ‘Een verhaal vertellen is niet echt iets voor mij’, zegt ze.

ie jong was, maar nu bekijkt hij de dingen rustig en blijft hij altijd vriendelijk en sociaal. Dat vind ik een goede eigenschap voor een hond.’

Wat een mooie hond heeft u. ‘Ja, die vonden we in Italië. Hij loopt als een kat. Hij sluipt echt, dat is zo mooi bij hem. De tekening in zijn vacht lijkt ook op die van een kat. Tigrato noemen ze dat in Italië. Napo is een heel bedachtzame hond. Het is er niet zo één van woef, woef, woef achter alles aan. Ja toen-

‘We huren permanent een huis bij Lucca in de buurt, in Toscane. Ons huis staat in een bos op een berg. Naar het zuiden kijken we op Pisa en naar het noorden op de Garfagnana, de bergen. Het uitzicht is nooit hetzelfde. Toen we daar een tijdje woonden, wilden we een hond hebben. Italië is nou

18

‘Op de Doppenkade wonen we nu zo’n tien jaar. We hadden het eigenlijk als pied-à-terre omdat we in Italië woonden. Ik schilder portretten in Italië. Hier heb ik er eigenlijk geen tijd voor, het is allemaal wat druk. Ik pas gedeeltelijk op de drie kleinkinderen. In Italië ging het schilderen ontzettend goed, allemaal in opdracht. Ik doe lang over een portret. Altijd was er wel iemand die iets gezien had en er ook één wilde. Zo rolde ik van de ene naar de andere opdracht. Meer schilderen! Dat wil ik. Ik hou van gezichten, van uitdrukkingen, van wat er achter dat gezicht zit, de diepte van de mens. Net als mijn grote voorbeeld Lucian Freud.’ Napo slaat aan: woef, woef, WOEF. ‘Ja kijk: dan staan wij te praten en dan zijn we een groep. Dus moet-ie ons verdedigen. Die twee mensen die daar lopen, in zwarte kleren, die vertrouwt hij gewoon niet.’ ‘In het Italiaans noemen ze dit ras een cane corso. Napoleon was een Corsicaan. Corso komt ook van coère en dat is een oud-Frans woord voor hek. De hond achter het hek. Het is een bewakingshond en echt een flink grote. “Nou, die moeten we goed in toom houden”, riepen we tegen elkaar. Maar hij is zo makkelijk op te voeden. Het is gewoon een heel intelligente hond.’


Kia

Zuidas Gazet

manager Credit en Modelling bij de afdeling Risk Management. ‘Risk Management?’ vraag ik. ‘Risk Management’, zegt hij. ‘Dat controleert alle risico’s die de bank loopt bij het verlenen van een krediet. Er is een soort line of defence binnen dat bedrijf. Kijk, een bank verleent krediet en daar lopen ze een bepaald risico voor. Dat wordt gemonitord. En er worden strategische beslissingen genomen op basis van risico’s die we lopen. In de prijs van leningen moet je rekening houden met alle risico’s. Je hebt kapitaal dat de bank moet aanhouden om die risico’s te dekken. Bijvoorbeeld wat je toen met die kredietcrisis had. Hebben de banken daar voldoende kapitaal voor in huis? Zodat er voldoende buffers zijn? Da’s ook onderdeel van je risk management, zeg maar.’

Met dezelfde energieke tred moeten ook zijn hersencellen werken. Althans, op zijn intellectuele vermogens durf ik wel een gokje te wagen. Toen de straaljagerdroom niet haalbaar bleek, herrekende hij zijn mogelijkheden en startte een van de ingewikkeldste kwantitatieve studies aan de VU: econometrie. Tussendoor deed hij nog twee jaar tandheelkunde en behaalde zijn boorlicentie. Zijn boorlicentie ja.

‘In Iran is vrijheid te koop’ In de lift van het ABN AMRO-gebouw zoef je zo snel de 25 verdiepingen en 105 meter omhoog dat je oren ervan knappen. Net of je staand, zonder veiligheidsriemen om, opstijgt in een vliegtuig. Omdat de lift er degelijk uitziet en het gebouw ook de betrouwbaarheid van een Boeing 747 uitstraalt, durf ik erin te stappen. Boven word ik beloond voor het nemen van dit kleine risico: het uitzicht op de Zuidas is er adembenemend. Op weg naar beneden kijk ik zo angstig, dat een liftgenoot in driedelig grijs

me een quote van Johan Cruyff toewerpt: “Vaak moet er iets gebeuren voordat er iets gebeurt.” Wat de veelbetekenend kijkende heer hiermee bedoelt begrijp ik niet goed, maar ik glimlach zenuwachtig. Met energieke tred steekt hij het Gustav Mahlerplein over op zoek naar een snelle ciabatta mozzarella bij Julia’s. Het is 14 minuten en 52 seconden over één. Onderkoeld trots vertelt Kia dat hij inderdaad bij ABN AMRO werkt, momenteel als business

19

‘Ik zit vanaf eind 2008 in dit gebouw. En ik woon hier vijf minuten vandaan. Eigenlijk ben ik al heel lang, heel veel van mijn tijd op de Zuidas. Mijn ouders wonen ook nog steeds vlakbij. En mijn zoontje van vier zit hier in de buurt op school. Mijn mooiste herinnering aan de Zuidas is dat ik altijd naar de universiteit fietste en dacht: hier zou ik wel willen werken. De ontwikkeling van dit gebied is prachtig. Die ambitie om een soort Financial Center op te zetten. Ja, het is een beetje stilgevallen nu met de crisis, maar het wordt wel weer opgepakt. Er zijn allerlei plannen om dit gebied naar een ander level te brengen.’ ‘In Iran is vrijheid te koop. Maar voor veel mensen is het daar toch benauwend. Ik heb dienstplicht omdat ik daar ben geboren. Daarom kan ik niet terug. Als je beslissingen in je leven neemt, probeer je eigenlijk zo min mogelijk risico te lopen. Een mens is nu eenmaal risico-avers. Het managen daarvan, het mitigeren en voorkomen van die risico’s, is mijn ding.’

Kia is manager bij ABN AMRO

Kia is 34 en werkt nu al bijna zeven jaar bij ABN AMRO. Voor iemand die zich bezighoudt met het beperken van risico’s, heeft hij al heel wat beleefd. In 1989 kwam hij op negenjarige leeftijd naar Nederland. Zijn ouders zijn na de revolutie in 1980 Iran ontvlucht. Vroeger wilde hij straaljagerpiloot worden. In Breda volgde hij een zware selectie, van de tweehonderd deelnemers zat hij bij de laatste veertig. De laatste selectie haalde hij niet vanwege zijn oren.




Zuidas Gazet

Nico

Uitgaande vrouwen ‘Dat is de Carpinus Betulus, de zogenaamde Haagbeuk. Dat blad gaat er pas in april of mei af. Dan douwt die nieuwe knop dat oude blad weg. Twee keer in het jaar worden ze geknipt: aan het begin en aan het einde van de zomermaanden.’ ‘De torens van de Zuidas heb ik vanuit mijn groene paradijs hier zien verrijzen. De ringweg die hier nu loopt ook, helaas! Ik ben altijd vroeg buiten en dan hoor je het geraas. Vroeger was het veel stiller. Tijdens de Floriade stonden die flats er al wel. Daar was het Crest Hotel en daar het Esso Motor Hotel. Dat vind ik het unieke van dit park: het schampt de stad, maar het zit ook nog tegen het buitengebied aan, dus je hebt hier heel andere flora en fauna.’ ‘Kalkarme grond, kalkrijke grond: je moet weten wat een plant allemaal nodig heeft. Net als bij een vrouw hè, hahahahahaha. Mediterrane planten zijn mijn hobby. De Oranjerie hier staat er vol mee. Ik heb een Spaanse vrouw dus ik heb daar ook echt wat mee. Het vereist namelijk wel enige vakkennis! Maar goed, ik ben een boekenwurm en als ik er geen boek over heb, dan google of YouTube ik het gewoon.’ ‘Deze kastanjeboom is geknot. Kandelaberen noemen ze dat. Want de kuipplanten in die kas: sommige zijn wel zonaanbidders, maar sommige willen niet de hele dag in de gloeiende zon staan. Wel een paar uurtjes effe ’s morgens of ’s avonds. En dan profiteer ik van de schaduw van die kastanjebomen.’

‘In september 1971 kwam ik in het Amstelpark, direct vanaf de middelbare tuinschool in Aalsmeer. Een twintigjarig dorpsjongetje was ik, heg noch steg wist ik in Amsterdam. Mijn ouders en grootouders waren allemaal plattelandsmensen. Mijn beste vriend op de tuinbouwschool was wel een Echte Amsterdammer. Die nam me mee achter op zijn brommer. Er waren natuurlijk enorme verschillen: tussen zijn jeugd en mijn jeugd. Hij woonde midden in de stad, in de Pijp, bij zijn ouders. Toen ik daar de allereerste keer kwam, keek ik mijn ogen uit. Ze hadden slecht weer voorspeld en ik liep naar het raam om te kijken of de lucht al betrok. Want dat waren wij gewend thuis in Aalsmeer. Ja, wij hadden een hectare grond achter ons huis. Dus ik keek door het raam en kon helemaal NIETS zien. Ik keek omhoog… zag ik een heel klein stukkie lucht! Die vader zei: “Wat is die Nico nou aan het doen?” “Ja pap, ik geloof dat hij kijkt of het gaat regenen.”’ ‘Mensen zitten maar binnen tegenwoordig, dat is niet goed. Een mens hoort te bewegen, buiten te zijn. Ik kan nog veel meer vertellen over het weer. Een kring om de maan dat zal nog wel gaan, maar een kring om de zon is water in de ton. Sneeuw op slik geeft ijs binnen drie dagen, dun of dik. Krimpende wind en uitgaande vrouwen zijn niet te vertrouwen.’

22

‘Dat is de iristuin. De iris wordt oppervlakkig geplant. Een goede methode is om een plantgat te maken met een verhoging in het midden. De wortels stevig aandrukken. Het is het beste als de bovenkant van de rhizoom niet wordt bedekt met aarde. Dit voorkomt het wegrotten.’ ‘Soy jardinero’ zeg ik altijd tegen mijn Spaanse vrouw. Ja, ik spreek een aardig woordje Spaans, hoor. Na Aalsmeer woonde ik jaren in Uithoorn met mijn eerste vrouw. Een paar jaar na mijn scheiding kwam ik Maria Dolores tegen in Heemskerk. En daar woon ik nu ook alweer twintig jaar. De Gipsy Kings hebben een liedje over haar gezongen: Cuando sei Maria Dolores… mooi hè? Ik heb drie kinderen bij mijn eerste vrouw, maar niet bij de Spaanse vrouw. Dat ging niet meer. Ze had zich laten helpen, zeg maar. Zij heeft ook drie kinderen uit haar eerste huwelijk. Ja joh, dat is een enorm grote familie geworden. Mijn vrouw werd op d’r 38ste al oma. Ik ben al stiefopa dus. Ik zing veel liedjes met de kinderen: “Onder de tafel hou je stil. Daar zit juffrouw Dik van Bil. Dik van Bil zo hiet ze. Zeven poepjes liet ze. Eén zo’n poepie woog honderd pond. O, wat had dat wijf een kont!” Jaaaa, dat vinden ze prachtig.’ ‘Dat zijn boomtomaten. Ik weet niet of ze eetbaar of giftig zijn. Ik zou het eigenlijk even moeten checken op Google.’


Nico is sinds 1971 tuinman in het Amstelpark


Kendra

& Yvonne

Kendra en Yvonne doen de kappersopleiding aan het ROC tegenover de RAI

‘Als het klikt dan klikt het’

24

Zuidas Gazet

‘We zitten op de kappersopleiding van het ROC. Nu is het pauze. Dan roken we even lekker een peuk.’ ‘Ik zit in niveau 1.’ ‘Ik in niveau 2.’ ‘Kendralicious, zo gaat mijn kapsalon later heten, denk ik. Ik ga er ook visagie bij doen. En nagels natuurlijk. Visagie kun je vanaf niveau 3 erbij nemen, dus dat doe ik. Dan ben je allround.’ ‘We zijn al lang vriendinnen. Ik was denk ik 16.’ ‘En ik was 13.’ ‘Ja zoiets. We kennen elkaar gewoon van de buurt uit Hoofddorp. Van het buiten zijn.’ ‘Rondhangen, dan kom je elkaar wel tegen. Klikt het, dan klikt het. Klikt het niet, dan klikt het niet.’ ‘Nou ja, en toen klikte het wel. Zij zat hier al op school. Ik deed pas later een intakegesprek. En nu is het wel extra gezellig.’ ‘Kijk, we staan hier tussen die hoge torens. Ik heb echt niets met die gebouwen, hoor. Er moet gewoon een schoolplein komen. Elke keer komt de politie langs. We mogen nergens staan.’ ‘Pffff.’ ‘We hebben geen plek hier!’ ‘Ja, voor de school, dáár mogen we roken. En achter de school hebben we een garage. Daar staan vaak jongeren rustig een broodje te eten en dan mogen ze daar ook al niet staan. Of zitten. Omdat de mensen last van ze hebben.’ ‘Maar er komt nog een vet grote school hier. En daar komt een hotel. Daar achter zit ook een school, een soort boevenschool. Iedereen daar komt van of gaat naar de jeugdgevangenis.’ ‘Ik heb al bijna twee jaar verkering.’ ‘Ik heb een broer. Maar dat is niet mijn echte broer want ik ben geadopteerd. Ik kom uit Ethiopië.’ ‘Ik kom gewoon uit Nederland.’ ‘Toen ik negen maanden was, kwam ik naar Nederland. Nee, in Ethiopië ben ik nooit terug geweest. Maar ik ga nog wel. Ik wil weten waar ik vandaan kom. Ik wil ook mijn ouders zoeken. Ik heb geen documenten van ze. Er is een zoektocht gestart maar die kan wel drie jaar duren. Mijn moeder heeft me te vondeling gelegd, dus ik heb echt niets, helemaal nul informatie. Toch blijf ik hopen. En zo niet, dan moet dat zo zijn. Ik kijk wel eens naar Spoorloos maar ik vind dat moeilijk om aan te zien, omdat ik daar zelf graag zou zitten. Hoewel ik toch niet op de buis zou willen. Het draait dan om de kijkcijfers en ik wil gewoon mijn moeder zien. En dan een beetje huilen op televisie zeker.’


Zuidas Gazet

Ricardo

Maar tegenover het glanzende WTC staat nu het nieuwe gebouw van het St. Nicolaaslyceum. Het is net een cruiseship, zoals dat uit kan torenen boven de kade. Op de trappen staat Ricardo Cairo, leraar Engels. Een enorme gebeeldhouwde man, die het juiste tegengewicht biedt aan de torens van de Zuidas. Toen Ricardo nog rapper en Nederlandse hiphoplegende was, heette hij Too Tall. Hij was bijna overal de langste, net als Too Tall Jones, de American Football-speler naar wie hij zichzelf als jonge gast vernoemde. Mario Ricardo Cairo is ook een mooie naam, maar niet voor een rapper. Samen met Brainpower trad hij op in de jaren negentig en aan het begin van deze eeuw. Maar misschien is het nog wel een grotere claim to fame dat hij het eerste Nederlandse hiphop-radioprogramma presenteerde, Dutch Masters bij de VPRO, in samenwerking met Kees de Koning en dj Know How. Hiphopdudes van Den Helder tot aan Valkenburg konden eindelijk afstemmen op een zender die de shit die ze liketen draaide. ‘“Meester kunnen we Dansplaat kijken, kunnen we Dansplaat kijken?” vragen sommige leerlingen wel. Dan zeg ik: “Nee, je weet hoe YouTube werkt, zoek het lekker zelf maar op.” Ik zeg ook vaak: “Ik ben docent. Ik ben meneer Cairo. Ik ben niet Too Tall, ik ben niet Brainpower, ik ben niet die jongen van Brainpower, DAT WAS TOEN. Nu geef ik les, nu ben ik docent en daar heb je het mee te doen.”’ ‘Ik hoef niet in de camera te kijken toch?’ Hoe mensen reageren op autoriteit leerde Ricardo in de jaren dat hij als portier bij Paradiso werkte. ‘Want je bent portier, je bent de eerste die ze tegenkomen en je hebt een

Ricardo is leraar Engels op het St. Nicolaaslyceum

De Beethovenstraat vond ik altijd een lafhartige start van de stad. Daar met die veel te dure saaie bejaardenflats die oude heren herbergen die Rogier heten. Of Hessel. Met echtgenotes als Ada of Marianne. Ze propten een veel te grote huisraad in hun nieuwe handzame woning. In de chique flats, hun laatste voorportaal voor de dood, glimt het antiek, kristal en zilverwerk je potsierlijk tegemoet.

‘Ik ben meneer Cairo’ zwarte jas aan met een v-tje erop. Eigenlijk ben je de boeman. Uiteindelijk ben jij de boeman. Ook als docent. Je hebt wel een band, maar je geeft ze ook tweeën en spreekt ze aan op hun gedrag.’ Zijn hele leven speelde zich af aan langs de lijn van de Zuidas: hij woont in de Rijnstraat, gaf les op het Gerrit van der Veen College en nu op het St.Nicolaas, zijn moeder woont bij het Stadionplein. ‘Daar waar nu het gerechtsgebouw staat, waren vroeger

25

allemaal dijken. Daar lieten we buurhond Floppie uit en dan kwamen we onder het zand en de modder terug. Dat daar was allemaal bouwterrein, zand en zo, voor ons was dat ook een groot speelterrein. En dat WTC daar. De bouw daarvan heb ik nog meegemaakt, fysiek, met mijn eigen handen. Dat is pas echt mijn claim to fame. Ik moest als stagiair bij Staal Dekker en Ronday de stopcontacten aansluiten. Als ik daar naar binnen ga, weet ik nog precies in welke hoek ik een stopcontact heb gemaakt.’


Waldy heeft restaurant Old School aan de kop van de Zuidas en is zoon van Jessy, die nu rust op de Rooms-Katholieke Begraafplaats Buitenveldert


Zuidas Gazet

Waldy

Killer instinct Vlak achter het drukke Stadionplein, tussen de eeuwig zoemende zuidelijke ringweg en de Amstelveenseweg, ruisen de bomen. Vogels tsjirpen een geruststellend ritme. Voor een schuine verzakte steen van een oud familiegraf groeien brutale geraniums. Een bij kruipt met kop en kont weg in de rode bloemen. Op deze plek is ondanks de dood veel leven. ‘Dit is de tweede keer dat ik hier kom dit jaar. Ik moet er soms even alleen zijn.’ Waldy ordent wat plantjes en zucht. ‘Die lavendel is dood, en die twee verdorde geraniumpjes moeten ook weg.’ Hij raakt de grijze steen aan. De steensoort is zo zacht dat hij troost. De ingegraveerde Faja Lobi is van het allermooiste rood. Uit welk jaar was nu ook alweer die documentaire die ook Faja Lobi heet? Daar zaten Indianen in met wenkbrauwen met happen eruit, bosnegerstammen, totale natuurvolkeren, en dat gefilmd in de jaren zestig in Suriname. Waldy: ‘Ik wil nog eens terug naar Suriname, kijken waar mijn vader geboren was: in Nickerie. Gek dat ik de enige ben die erheen wil. Waarom hebben mijn zusters die neiging zoveel minder? Ja, Jessy voedde ons niet echt Surinaams op. Misschien had hij gewoon te veel meegemaakt en wist hij niet waar hij moest beginnen te vertellen.’ Op 24 mei 1926 beviel Betsy in Nickerie van een zoon. Het was warm, de lucht zinderde van spanning maar Betsy – vroom katholiek als ze was - had gebeden en werd keurig beloond met een gezonde sterke jongensbaby. Deze Jessy groeide op in Paramaribo als enig kind. Omdat zijn vader van een ander geloof was - hij was Herrnhuter – mocht ze hem niet trouwen. Dat moet haar veel sari, veel verdriet hebben gebracht. Jessy was nogal een lastpak in de buurt. Ze moesten er oppassen voor de krachtpatser. Betsy bad

opnieuw voor haar zoon en alweer werd ze beloond. Jessy Brewster gebruikte zijn kracht voor een kampioenschap boksen en werd de sterkste man van heel Su. Net als veel andere jonge jongens ging Jessy op de grote vaart naar Amerika. Het was oorlog en er moest Surinaams bauxiet naar Amerika voor het aluminium in de oorlogsindustrie. Amerika produceerde zich dol aan vliegtuigen. Op een dag, midden op de oceaan, werd de bemanning van de boot opgeschrikt door een enorme knal die van onderen kwam. Hun konvooi werd aangevallen door een Deutsche U-Boot. Chaos alom. Veel jongens werden gedood. Jessy en een klein clubje overlevenden wisten zich in een reddingssloep te hijsen. ‘Moet je nagaan: op zijn achttiende dobberde hij vijf dagen in de oceaan zonder te weten of er redding kwam. Ik kan me niet voorstellen dat mijn zoon, die nu zestien is, zoiets zou overkomen: jézus! Mijn vader moet net na de oorlog met een schip al voor het eerst in Nederland zijn geweest. Daarna bleef hij nog jaren varen. Hij woonde in Amerika en zag de hele wereld: van Japan tot Rotterdam.’ In de jaren vijftig had Jessy genoeg van het varen en wilde hij zich settelen. Nu maar in Amsterdam. Hij belandde in de uitgaansscene op de Nieuwmarkt, rond de Cotton Club, en werkte in een café op de Zeedijk. Op een mooie dag, toen de bomen ruisten, en Jessy dertig en hongerig was, ging hij voor zijn werk even een broodje halen bij de broodjeszaak. Daar stond ze. Haar wangen rijpe appels. “Een broodje ham alsjeblieft, mooie dame.” Truus’ hand trilde toen ze de boter op het kadetje smeerde. ‘Het is mooi dat mijn moeder zo resoluut was’, zegt Waldy. ‘BAM die gaat ernaast,

27

mensen. Zij besloot gewoon resoluut waar de laatste rustplaats van haar man moest komen. Pal naast haar eigen ouders: meneer en mevrouw Rietveld, die natuurlijk helemaal niet blij waren dat die grote zwarte man hun negentienjarige dochter zwanger had gemaakt toentertijd. Dat was in de fifties. DE FIFTIES. Ik bedoel: hoeveel Surinamers waren er toen helemaal hier? De gordijntjes zullen behoorlijk opzij zijn geschoven.’ Betsy en meneer en mevrouw Rietveld moesten elkaar heel wat brieven sturen, voordat ze het huwelijk van Jessy en Truus goed konden keuren. Gelukkig vonden ze elkaar in het katholicisme. Zo mochten de tortelduiven eindelijk trouwen. Waldy droomde er nooit specifiek van om horecaondernemer te worden. ‘Ik had geen droom. Ja, boksen. Dat was misschien een droom. Maar daar heb je een killer instinct voor nodig. Dan ga je de ring in en denk je alleen maar: wie van ons blijft staan? Wie gaat er zometeen neer? Ik ben helemaal niet zo van de basic agression. Daar ben ik eigenlijk veel te relaxed voor. Jessy had dat instinct wel. Als er vijf man staan, denkt hij echt niet: O jee, er staan vijf man. Dan is het gewoon BOEM. Hahaha. Wij zeiden als kind vaak: “Pap, pap, rustig pap.”’ ‘Ik ga steeds meer op hem lijken. “Ga maar even liggen”, zei hij als ik bij hem langsging. Dan ging ik even in zijn bejaardenflat op de bank liggen, vlak naast de Nieuwmarkt waar hij zo vele nachten had gewerkt. Vaak was ik moe door zorgen of een hangover. Rustiger slapen dan onder zijn beschermende hoede kon ik nergens. Later, als mijn zoon bij mij langskomt, dan zal ik precies hetzelfde doen. “Ga maar even liggen,” zeg ik dan. “Rust maar lekker.”’


Willemijn

& Kaylee

Zuidas Gazet Willemijn en Kaylee staan strak in het pak voor de ingang van advocatenkantoor Boekel De Nerée. Alles klopt aan het plaatje, behalve hun grote promotietassen en hun jonge koppies. Ze speelden advocaatje vandaag. Als rechtenstudenten van de VU waren ze op kantoorbezoek bij het fameuze Boekel De Nerée. ‘We mochten naast een advocaat zitten en praten over wat ze nou precies doen. Het was een leuke, interessante en ongedwongen dag, zeker vergeleken met onze andere kantoorbezoeken.’

Willemijn en Kaylee rechtenstudenten op kantoorbezoek bij Boekel De Nerée

Als klein meisje vroeg Kaylee zich af wat er gebeurde met kinderen die iets stouts hadden gedaan. Of die dan ook naar de gevangenis moesten. Met dat idee begon het allemaal. ‘Ik kom uit een ambitieuze familie, allemaal advocaten, en zolang ik me kan herinneren wilde ik al rechten studeren. Mijn hele familie bladerde in de wetboeken en dat trok me heel erg. Toen ik toch even voor politicologie dreigde te kiezen, werd dat door mijn omgeving meteen de kop ingedrukt. Nee, een rechtenstudie is de beste basis. Ik herinner me mijn eerste dag nog op de VU. Toen ik uit het station kwam, was ik totaal verdwaald. Toen zag ik Boekel De Nerée en wist ik dat ik goed zat.’ Mijn ambities liggen ook absoluut aan de Zuidas. Jullie gaan mij hier zeker terugzien!’ Bij Willemijn ging het allemaal wat anders. Ze switchte van filosofie naar antropologie naar Media en cultuur en weet ik veel wat allemaal nog meer. ‘“Je moet doen wat je hart je ingeeft”, zeiden mijn ouders altijd. Uiteindelijk is het toch rechten geworden. Als kind wilde ik journalist worden, of rechter of piloot. Mijn ouders zitten allebei in de luchtvaart. Ik hou ook enorm van reizen en eten. Mijn vriendje is kok. Nu runt hij een popup-restaurant waar ik veel werk. Maar mijn echte bijbaan is op een advocatenkantoor. Daar ben ik juridisch secretaresse, al doe ik ook incasso’s en faillissementen tegenwoordig.

‘Mijn ambities liggen ook absoluut aan de Zuidas’ 28


Zuidas Gazet

Ruth ‘Mijn nieuwe huis staat om de hoek van mijn werk en het is bijna een hotel. Het is voor expats gebouwd. Ertegenover wordt ook gebouwd: Mahler 900. Hiervoor woonden we in Oud-West, maar ik vind de Zuidas zo veel vibrerender en inspirerender. Als je in de lift staat, zeg je “goedemorgen” tegen iemand uit Singapore en “goedemiddag” tegen iemand uit Indonesië. Heel internationaal! Als je ’s avonds uit het raam kijkt, is het net Manhattan. Starbucks zit er nu ook al en die gaan écht alleen maar op plekken zitten waar veel traffic is. Mensen zien het nu nog niet, maar dit gebied gaat heel groot worden. Dit gebied heeft enorrrme potentie.’

‘Dit gebied heeft enorrrme potentie’ Ruth heeft schoonheidssalon Phisage in het World Trade Center

‘Er komen hier ook veel mannen. Ik ben de enige schoonheidsspecialiste in het WTC. De laatste zestien jaar heb ik voor Singapore Airlines gewerkt in marketing en sales. Daar kwam ik in aanraking met dit concept: een heel kleine schoonheidssalon, maar dan van heel hoge kwaliteit, met mooie producten, goede verzorging en goede massages. Ik zag dat in Singapore en dacht: dat wil ik ook gaan doen. Het omscholen vond ik wel eng, want ik heb drie kinderen. Ik ben in mijn garage begonnen, maar heb het goed aangepakt door opleidingen te volgen in Engeland, Indonesië en Singapore. Een van mijn klanten werkte hier op de Zuidas. Die zei: “Wil je niet iets organiseren voor secretaressedag op de Zuidas?” Van het een kwam het ander en nu heb ik inmiddels al drie jaar deze succesvolle beautysalon hier in het WTC. Het is wel klein. Maar alles wat je nodig hebt, is er. Je kunt hier douchen, badjas erbij, slippertjes, föhn, alles!’ ‘Ik ben heel gelukkig met mijn nieuwe passie en dat is ook wat waard. Kijk, laat ik niet hypocriet doen, ik moet ook geld verdienen, maar ik kan nu wel zelf bepalen hoeveel klanten ik wil etcetera. Als ik er te veel doe, gaat het ten koste van de kwaliteit en dat wil ik niet. Ik bén mijn salon. Ik kan hier niet iemand anders neerzetten.’ ‘Heren laten van alles doen. Sommigen komen elke maand voor een grondige reiniging van hun huid, of voor een pedicure of manicure. Anderen komen elke week voor een neck and back massage. Mensen zijn hier gewoon veel meer met hun uiterlijk bezig, omdat dit natuurlijk internationaal gebied is. India, Pakistan, Amerika. Expats vinden het heel normaal om bijna elke dag gemasseerd te worden. Dit is een oase, het grote geheim van het WTC. Hier kun je even opladen voor een zitting als je advocaat bent, of bijkomen van een enerverende vergadering.’ ‘Ik ben 54. Echt! Het zijn de genen hoor. Voor zeventig procent is je schoonheid genetisch bepaald. Ik ben geboren in Jakarta en vrij Indisch opgevoed: verzorging en hygiëne en zorg en respect voor elkaar, dat is belangrijk voor ons. En Indo’s zijn natuurlijk de beste masseurs. O, je schiet in de lach? Nou lach jij maar! Wacht maar tot ik je masseer!’

29




EXPOSITIE Wees welkom op 12 september van 17.00-20.00 op de opening van de expositie Waar Rook Is in culturele hotspot OLD SCHOOL op Gaasterlandstraat 3-5. De expositie toont raamvertellingen, portretten en een ruimtelijk werk over levens aan de Zuidas. Na de opening is Waar Rook Is nog iedere donderdag, vrijdag en zaterdag van september tussen 12.00-17.00 te bezoeken, gelijk aan de opening van het OLD SCHOOL terras: waar je kunt lunchen met uitzicht op de strakke skyline van de Zuidas.

COLOFON Verhalen & initiatief: Storyshop/ Lies Aris Fotografie: Eddy Bosland Ontwerp: Lots of People Tekstredactie verhalen: Jente Posthuma Met dank aan: Hoera voor het Amsterdams Fonds voor de Kunst Hoera voor alle personages van de Zuidas: Nico, Willie & Napo, Jantien, Anita, Dick, Kendra & Yvonne, Kia, Enno, Kaylee & Willemijn, Ruth, Rose, Waldy, Jessy (R.I.P.), Ricardo, Herman, Jolanda, Rob & Peter, Vytautas, Werner, Barry, Remco, Aimane & Jan Hoera voor creatieve hotspot old school www.oldschoolamsterdam.com Hoera voor Daniela Petovic & Theo Tegelaers Hoera voor Anita Frank: Stadsdeel Zuid Hoera voor Kirsten van den Hul Hoera voor Eline Hoogendijk: Dienst Zuidas Hoera voor Romy Lange: Hello Zuidas


Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.