Page 1

P O L D E R 9 E E S T NIEUWSBULLETIN VAN AWN AFD. 9 (NOORD-HOLLAND NOORD) EN WERKGROEPEN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT”

AFD. 9 Nr. 24

MEI 2017

Column: Toeval ............................................................................................................................................3 Gevonden voorwerpen.................................................................................................................................4 Tegels aan de wand ......................................................................................................................................6 RAG-excursie naar Kaap Skil ....................................................................................................................6

Ontstaan en ontwikkeling van het meer de Waard, deel 2 (slot).............................................................7 Praktische basiscursus archeologie, een verslag .....................................................................................11 Een kijkje in de kerk van Haringhuizen in de 18de eeuw......................................................................13 De korenmolen van Warmenhuizen.........................................................................................................17

Nieuwe boeken ...........................................................................................................................................21 Historisch onderzoek van twee stolpboerderijen aan de Hogebieren bij Haringhuizen.....................22 Onder de Middenweg in Heerhugowaard ...............................................................................................24 Nieuwe toekomst voor het Regthuis .........................................................................................................25 Een 17de-eeuwse Galjoot op het Balgzand ..............................................................................................27

-1-


Van de redactie e voorliggende Poldergeest staat, zoals u van ons gewend bent, weer bol van interessante artikelen. Veel dank aan de auteurs voor hun waardevolle bijdragen. De column van de voorzitter van RAG, Silke Lange, gaat over toevalsvondsten door vrijwilligers in de archeologie (vroeger amateurs genoemd) en de spelregels die aan dit soort vondsten zijn verbonden (blz. 3). In dit verband wijzen wij graag ook naar een brochure over dit onderwerp van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), die besproken wordt in de rubriek Nieuwe boeken (blz. 21). Ook ditmaal ontbreekt de rubriek Gevonden voorwerpen niet. Enkele opmerkelijke vondsten komen langs, zoals een Andenne potje uit de 12de eeuw, een koperen mesheft uit Warmenhuizen, twee 18de-eeuwse kanonnen in een berm in Burgerbrug, een slibversierd kruikje uit de 17de eeuw, een zilveren gesp, een zilveren sierknoop en een pijpenkop (blz. 4). Aansluitend toont John van Lunsen een niet vaak voorkomende tegel met een lofvaasje in het artikel Tegels aan de wand (blz. 6). In de vorige Poldergeest stond het eerste deel van de tweedelige reeks Ontstaan en ontwikkeling van het meer de Waard van de hand van Henk Komen. Nu volgt het tweede en laatste deel (blz. 7). In samenwerking met verschillende AWN-afdelingen en -werkgroepen is afgelopen seizoen een praktische basiscursus archeologie georganiseerd. Rino Zonneveld en Menno de Boer doen verslag over dit gevarieerde, inmiddels afgesloten cursusprogramma (blz. 11). De middenpagina’s van deze Poldergeest zijn ditmaal ingeruimd voor een unieke plattegrond van het interieur van de kerk van Haringhuizen (blz. 13). John van Lunsen heeft een bezoek gebracht aan de boerderij van Roel Zutt, bestuurslid van AWN Afd. Noord-Holland Noord. Dit leverde een prachtig artikel op over de korenmolen van Warmenhuizen, die ooit bij deze boerderij heeft gestaan (blz. 16). Af en toe ontvangt de redactie van Poldergeest nieuwe boeken en brochures, die wij graag onder uw aandacht brengen. Ditmaal zijn dit twee rijk geïllustreerde archeologische publicaties: Schaven aan Alkmaar en de Archeologische Kroniek 2015 van Noord-Holland (blz. 21). In Hogebieren onder Haringhuizen stonden ooit twee inmiddels verdwenen stolpen: Kieftenburg en De Stins. John van Lunsen deed historisch onderzoek naar deze twee boerderijen (blz. 22). Onder het zuidelijk deel van de Middenweg in Heerhugowaard heeft afgelopen maand maart een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Een verslag hierover staat op blz. 24. Op dit moment is de restauratie van het historische Regthuis in Oudkarspel in volle gang. Dick Zuiderbaan doet verslag over de eigendomsoverdracht en de verbouwing (blz. 25). Tot slot in deze Poldergeest aandacht voor de ontdekking op een oude zeekaart van een wrak van een koopvaardijschip op het wad tussen Texel en Wieringen. Gaat het wellicht om de 17de-eeuwse VOC Galjoot 'de Lelie'? (blz. 27).

D

Stichting RAG heeft sedert het verschijnen van de vorige Poldergeest zes nieuwe donateurs mogen inschrijven: Sjeng Dautzenberg (Hollandia Archeologen), Frank Kuijper, Jacqueline v/d Berg, G. H. S. Dorpmans, A. Liefting en Piet

-2-

Kleverlaan. Het totaal aantal nieuwe leden in 2016 komt hiermee op twaalf. Van zeven donateurs hebben we helaas afscheid moeten nemen. Drie vanwege overlijden resp. ziekte en vier vanwege een betalingsachterstand van meer dan een jaar. RAG rekent tot haar donateurs al degenen die tot en met het voorgaande kalenderjaar de minimum donatie hebben voldaan. Het totaal aantal donateurs van RAG bedroeg op 1 januari 2017 129. Ultimo 2015 was dit aantal 124. Stichting RAG heeft eind 2016 twee goed bezochte lezingen georganiseerd. Op 3 november gaf Daniël Postma een lezing over zodenbouw in het Fries-Groningse kustgebied en op 17 november vertelde Gerard Alders over terpen in WestFriesland en Bas van der Meij over de opgraving van de terp Torp bij Den Helder. De data voor de lezingen in komend najaar zijn inmiddels bekend, zie blz. 28. Over de succesvolle georganiseerde excursie naar Wieringen op 12 juni hebben we in de vorige Poldergeest verslag gedaan. De volgende excursie -dit maal naar Texel- staat al weer op het programma, zie elders in deze Poldergeest (blz. 6). AWN Afd. Noord-Holland Noord (Afd. 9) heeft in 2016 twee nieuwe leden ingeschreven: Alexander Witbraad en Gerlof Kloosterman. Het aantal leden van de afdeling bedraagt nu 48 (volgens het landelijk jaarverslag 2016 van AWN). De landelijke algemene ledenvergadering (ALV) van AWN vond plaats op zaterdag 8 april in Huis van Hilde in Castricum. Naast het verrichten van de op een ALV gebruikelijke plichtplegingen is o.a. het nieuwe AWN Beleidsplan 20172021 aangenomen. Het bestuur van AWN Afd. NoordHolland Noord gaat kijken welke onderdelen uit dit beleidsplan zij zal en kan overnemen. Het beleidsplan is in te zien en te downloaden via de website van AWN. Het middagprogramma na de ALV, deels georganiseerd door AWN Afd. Noord-Holland Noord, omvatte een rondleiding door het Huis van Hilde, ingeleid door Anouk Veldman, een rondwandeling met John Heideman en Rino Zonneveld door het duingebied rond Castricum met als thema conflictarcheologie (Afb. 1) en een rondleiding door Martin Veen door het archeologisch depot van Huis van Hilde. Met een opkomst van ± 70 AWN-leden uit geheel Nederland was dit een zeer geslaagde middag.

Afb. 1 Opgegraven restant van een V1 lanceerplaats bij Castricum, getoond tijdens de duinexcursie conflictarcheologie


Column: Toeval Silke Lange o af en toe komt er iemand langs met een vondst. Soms is dit een scherfje of een botje uit de tuin of iets dat men op vakantie heeft gevonden. En ja, vaak zijn het ook mensen die weleens met de metaaldetector lopen en niet precies weten wat ze eigenlijk hebben opgepiept. Ik ben blij met de vinders die langs komen, want zo kunnen we de vondstmeldingen documenteren. En dat helpt om de archeologie in onze regio nog beter in kaart te brengen. Behalve als het gaat om de vraag “..wat is het waard?”, vertel ik ze graag over hun vondst: gaat het om de materiële waarde, dan kunnen ze beter bij Kunst & Kitsch aanschuiven. Gelukkig zijn de meesten vooral nieuwsgierig naar de ouderdom en de functie van de vondst. Het is opmerkelijk hoeveel er over zo’n scherfje, steentje of ander gevonden dingetje te vertellen valt. Bij een scherfje kijk je dan waarmee de klei ooit is verstevigd om deze beter te kunnen verwerken (dat heet de magering), of dat het om een scherfje van een potje gaat dat op de draaischijf is vervaardigd of handmatig uit rolletjes is opgebouwd, en hoe hard de klei is gebakken. Gaat het om een stenen voorwerp, dan zijn er weer andere dingen waar je naar kijkt, bijvoorbeeld kleur, steensoort en gewicht, maar ook bewerkings- of slijtagesporen. Met al deze gegevens kun je een heel eind komen wat ouderdom, functie en herkomst betreft. Maar er zijn ook andere toevalsvondsten. Dat gaat verder dan een scherfje of een botje. Sinds de economie is aangetrokken en er weer wordt gebouwd, komen ook weer meer toevalsvondsten aan het licht. Vaak op plaatsen waar men dacht dat er geen archeologie zou liggen. Het zijn de oplettende amateurarcheologen in onze regio die ervoor zorgen dat op deze plekken de archeologie niet ongezien verdwijnt. In plaats van een enkele vondst gaat het dan vaak om een grotere hoeveelheid archeologische sporen. Maar ook bij dit soort toevalsvondsten geldt een aantal spelregels. Dit in het belang van de archeologie: want zonder het documenteren van de context gaat er heel veel informatie verloren. Waar mogelijk, zal men dan ook nooit een vondst zo maar uit de grond trekken, zeker niet als het om meer dan een scherfje gaat. Het beste is om er een professionele archeoloog bij te halen, en de betreffende gemeente te waarschuwen. Concentreer je op de archeologische waarneming: maak in elk geval foto’s van de vindplaats, van de vondst in de grond (dat heet in archeologische termen: in situ), documenteer door te tekenen en te beschrijven, en leg met GPS (als je over een dergelijke functie op je smartphone beschikt) de coördinaten vast. Archeologie is meer dan het verhaal van de vondsten. Misschien nog belangrijker dan de vondsten zelf zijn de sporen waaruit de voorwerpen komen. De vraag daarbij is, wat is de context van de vondst? De uitleg voor context op Wikipedia luidt: “.. een context is de totale omgeving waarin iets zijn betekenis krijgt.1” Dat kan zijn een waterput of waterkuil, een greppel, een paalkuil, afvalkuil of offerkuil, een geul, sloot of uit het veen. Om maar een paar te noemen. Bij een toevallige vondst is de context meestal niet meer te achterhalen. Je weet dan ook niet wat voor een betekenis een voorwerp heeft gehad: was het alledaags in gebruik, is het verloren of stuk

Z

1

gegaan en weggegooid? Of gaat het om iets wat bewust in de grond is geplaatst, misschien als een offer aan de goden? Een mooi voorbeeld van een toevalsvondst zonder context is het verhaal van de sikkels uit Heiloo. Ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn vijf sikkels (vier van steen en één uit brons) gevonden.2 Op grond van de bewerking en het materiaal zijn de sikkels in de bronstijd gedateerd. Ze zijn ooit aan het licht gekomen toen voor de zandwinning een binnenduintje aan de Krommelaan in Heiloo werd afgegraven. Inderdaad, een duintje. Nauwelijks nog voor te stellen hoe reliëfrijk het oorspronkelijke landschap op de strandwal ooit was. Nu liggen er veelal bollenvelden zo glad als tafellakens. Terug naar de sikkels. Het was de vinder meteen duidelijk dat hij hier iets bijzonders had aangetroffen. Reden voor hem om iemand te benaderen die er verstand van had. Dat was de toen ook al bekende archeoloog Holwerda. In een brief van 31 augustus 1932 vertelt de arbeider uit Bakkum, ene meneer Harms, van zijn ontdekking. Zo blijkt dat de sikkels op een rijtje stonden, met in het midden het bronzen exemplaar, op 3,50 meter onder het toenmalige oppervlak.3 Verder weten we niets. We weten niet of de sikkels mogelijk in een venig opgevuld duinvalleitje hebben gestaan, of dat ze in het zand stonden, ook weten we niet of ze in een kuil zijn geplaatst of gewoon, in het voormalige loopoppervlak waren gestoken en misschien zelfs een tijdje zichtbaar zijn geweest (tot het stuifzand ze afdekte). We weten niet of er samen met de sikkels ook andere dingen zijn gedeponeerd, zoals voedsel of voorwerpen van meer vergankelijk materiaal. Nu worden bij archeologisch onderzoek dit soort contexten uitvoerig bestudeerd. Men neemt onder meer grondmonsters om te kijken of er (verkoolde) zaden van voedselplanten aanwezig zijn. Er wordt gekeken hoe de omgeving er toen uitzag door stuifmeel te onderzoeken. Ook kijkt men of er bijvoorbeeld vaker op deze plaats is geofferd, door te onderzoeken of de kuil (of een ander type spoor) meermaals is uitgegraven en vervolgens is dichtgegooid.

Afb. 2 De vijf Sikkels uit Heiloo

Lid of geen lid van een archeologische werkgroep, een toevalsvondst kun je het beste direct melden bij de gemeente (ambtenaar voor archeologie & monumentenzorg, deze geeft het dan door aan de betreffende instantie) en/of aan de provincie via de depotbeheerder in Castricum, de heer Martin 2

De sikkels zijn in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden te bewonderen. 3 De Ridder 1995, pag. 20-21.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Context

-3-


Veen. En dan maar hopen dat er tijd en geld vrij komt voor een ‘gewoon’ archeologisch onderzoek. Er is nog heel wat te winnen, want niet elke gemeente is voorbereid op een toevalsvondst. Vanuit de archeologische werkgroepen en de AWN als koepelorganisatie kunnen we mogelijk aandacht en draagvlak creëren voor toevalsvondsten en daaruit voortkomend noodonderzoek. Bijvoorbeeld door gemeenten te adviseren elk jaar een soort noodpotje beschikbaar te stellen. Anders is er altijd de mogelijkheid dat de amateurarcheologen een onderzoek starten. Hier geldt dat er eerst een melding

bij de Rijksdienst in Amersfoort moet worden gedaan die vervolgens kijkt of het noodonderzoek gegund kan worden.

Literatuur Ridder, T.de, 1995: De oudste bewoning, in: Streefkerk (red.), Heiloo voor en na Willibrord. Opstellen over de geschiedenis van Heiloo, Heiloo, 17-28.

Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet). § 5.4. Meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming Artikel 5.10. Archeologische toevalsvondst 1. Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2. De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Artikel 5.11. Waarneming Degene die bij het opsporen van archeologische monumenten, zonder het verrichten van een opgraving, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Bron: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 511

Gevonden voorwerpen

I

n de rubriek Gevonden voorwerpen kan iedereen een zelf gevonden archeologisch object plaatsen, dat hij of zij met andere belangstellenden wil delen. Ditmaal hebben we zeven opmerkelijke objecten verzameld.

2256, Veluweweg 43, Waarland. Het potje ligt inmiddels in het provinciaal archeologisch depot Castricum.

Voorwerp 1

Voorwerp 2

Vinder J. Bakker. Met dank aan P. Kleverlaan.

Afb. 4 Koperen mesheft

Afb. 3 Andenne aardewerk potje

Andenne aardewerk potje, 12de eeuw. Tijdens de ruilverkaveling van 1951 gevonden bij het uitgraven van een 1,25 meter diepe greppel. De exacte vindplaats is destijds niet vermeld, maar heden achterhaald als het perceel met huidig kadastraal nummer

-4-

Fraai versierd koperen mesheft waarop de naam ‘Guiert Harcks 1662’. Op de top van het heft een springend hondje. Guert Harcks is in het archief teruggevonden als getuige bij een doop van een kind uit Tuitjenhorn op 3 september 1634 (DTB Warmenhuizen). Zij zal daarom minstens 50 jaar of ouder zijn geweest toen ze in 1662 het mes ontving. In museum Vreeburg te Schagen bevindt zich een mesheft in zilver waarop hetzelfde hondje op de top van het heft is bevestigd. Vindplaats: De Fuik, Warmenhuizen. Vinder: L. Keijzer


Voorwerp 3

Zilveren gesp gemaakt door zilversmeden Jan of Klaas de Graaff, Alkmaar 18de eeuw. Merkteken 'schep' Gevonden door J. de Geus in de Zijpe.

Voorwerp 6

Afb. 5 Twee kanonnen in de Zijpe

Twee 18de-eeuwse (?) kanonnen, in de berm ingegraven aan weerszijden van de oprit tot het adres Grote Sloot 91, Burgerbrug, in het verleden beter bekend onder de naam 'Kronenburg'. ÉÊn van de kanonnen is inmiddels vrijwel onder het gras verdwenen en nog juist zichtbaar als een klompje roest tussen het groen. Overtollige kanonnen, waaronder verouderde modellen (voorladers), kregen in het verleden een tweede leven als 'bolder' langs het gereedgekomen Noord-Hollands Kanaal (1820-1825). Veel van deze bolders zijn daar inmiddels verwijderd en terechtgekomen in musea en forten van de Stelling van Amsterdam. De kanonnen aan de Grote Sloot zijn echter van een kleiner type en gaven hier ooit de toegang tot boerderij Kronenburg aan. Ze verdienen natuurlijk een mooiere plek, boven de grond. Vinder: J. v. Lunsen

Afb. 8 Zilveren sierknoop

Zilveren sierknoop met afbeelding schip, 18de eeuw. Betreft een knoop uit een grote serie productie. Identieke knopen worden met regelmaat gevonden in of nabij de voormalige Zuiderzeesteden. Op de achterzijde van deze knoop de initialen van de zilversmid ' I V ' en jaarletter L (met stip), mogelijk Zwolle 1798. Vindplaats: Opperdoes. Vinder: J. Lubbers

Voorwerp 4 Voorwerp 7

Afb. 6 17de-eeuws slibversierd kruikje

Slibversierd kruikje uit de 17de eeuw. In de zomer van 2016 gevonden door een kraanmachinist tijdens werkzaamheden t.b.v. de N241 op het erf Provincialeweg 5 Zijdewind. De hals van het kruikje ontbreekt, mogelijk geraakt door de bak van de kraan. Met dank aan fam. Wit, Zijdewind.

Voorwerp 5

Afb. 9 Reutelaar en pijpenkop

Pijpenkop met koperen winddop en benen reutelaar om de pijp schoon te krabben, 18de eeuw. Vindplaats: voormalig molenerf korenmolen Warmenhuizen, zie het artikel over de korenmolen op blz. 17 e.v. van deze Poldergeest. Vinder: R. Zutt

Afb. 7 Zilveren gesp

-5-


Tegels aan de wand John van Lunsen et lofvaasje was als exclusief bedrukte tegel in de 19de eeuw geen bestseller. De van oorsprong 17de-eeuwse stolp aan de Hout 22 te Hem heeft in één van de kamers een schouw waarbij het bovenstuk is voorzien van 'lofvaasjes' (Afb. 10).

H

zijn gebleven uit een eerder gesloopte schouw en nu hergebruikt in de stolp te Hem. Beter kan het niet. Het Waterschapshuis aan de Westerhaven in Medemblik heeft een smuiger (type schouw, karakteristiek voor stolpboerderijen in Noord-Holland) geheel voorzien van dezelfde tegels. De smuiger in het Waterschapshuis is van oorsprong afkomstig uit de burgemeestersboerderij in Twisk. Het uit Engeland gekomen, via transfer aangebrachte decor 'lofvaasje', werd voor het eerst toegepast in 1852 bij tegelfabriek 'Piet Hein' in Rotterdam, die de tegel perste tot 1864. Tegelfabriek Tichelaar in Makkum volgde daarna met de productie van de tegel tot omstreeks 1910 (Afb. 11).

Afb. 10 Schouw en lofvaasje in de stolp aan de Hout te Hem

De schouw is gemaakt in 1854 nadat zijn voorganger (smuiger) op dezelfde plek was verwijderd. Later, in 1927, werd het balken plafond van de kamer verhoogd tijdens een grote verbouwing. De ontstane ruimte tussen tegeltableau en plafond werd met een gestempeld patroon van het lofvaasje (op egaal flinterdun beige papier) voor het aanzicht aangevuld, omdat de tegel al een aantal jaar niet meer leverbaar was. De schouw die in slechte staat verkeerde en omstreeks 1959 gedeeltelijk achter betimmering verdween, is in 2016 geheel opnieuw opgetrokken in bijna originele staat. Ontbrekende en te vervangen lofvaasjes waren daarbij moeilijk te vinden en kwamen van diverse handelaren uit het hele land in gering aantal. Ook uit een voormalige stolp aan de Streekweg 1 Hoogkarspel zijn enkele van deze tegels gekomen die daar bewaard

Afb. 11 Bewaarde sjabloon van Tichelaar Makkum

Met dank aan: − J. Oud − L. Keijzer (foto transfer/sjabloon) − Walstra antieke bouwmaterialen Bolsward voor de tip dat het van oorsprong een Zuid-Hollandse tegel is.

RAG-excursie naar Kaap Skil De excursie van Stichting RAG gaat dit jaar naar Texel. Op zaterdag 10 juni bent u rond kwart over tien welkom bij het Museum Kaap Skil, Heemskerckstraat 9, Oudeschild. Na het museumbezoek is er gelegenheid een lunch te gebruiken, waarna we Fort De Schans gaan bekijken. - De excursie begint om 10.15 uur en duurt tot ±15.30 uur (indien gewenst is eerder vertrek mogelijk). - Aan de excursie zijn geen kosten verbonden, behalve uw reis, museumbezoek (museumkaart geldig) en lunch. - U reist op eigen gelegenheid naar Oudeschild. - Wilt u mee? Geef u op bij info@rag-archeologie.nl, o.v.v. uw naam en het aantal personen. - Meer bijzonderheden en actuele informatie vindt u op onze website www.rag-archeologie.nl.

-6-

Afb. 12 Museum Kaap Skil in Oudeschild


Ontstaan en ontwikkeling van het meer de Waard, deel 2 (slot) Henk Komen n de Poldergeest nr. 23 van oktober 2016 is het eerste deel gepubliceerd over het ontstaan van het meer de Grote of Zuider Waard. Daarin zijn besproken het ontbreken van aanwijzingen voor de stelling dat de stormrampen van 1170 en 1248 de beginfase zouden zijn geweest van het ontstaan van de Waard, het veengebied Geddenmore, de Huigendijk en het wad Occenvorth. Hier volgt nu het tweede en laatste deel.

I

Oterleek In het verlengde van de Huigendijk, in oostelijke richting, lag de Oterlekerdijk die vervolgens overging in de Waligsdijk ten zuiden van Ursem. Het gebied van Oterleek moet veel groter geweest zijn dan de kaart van 1575 laat zien. Dit blijkt uit een verslag uit 1544. Volgens een verklaring in dat jaar van Andries van Bronkhorst, door keizer Karel gecommitteerd om de toestand van het Noorderkwartier in ogenschouw te nemen, sleet het land bij de Huigendijk voortdurend af. De dijkgraaf van het Geestmerambacht verklaarde, dat hij twintig jaar geleden nog voor de Huigendijk, tussen Oterleek en Oudorp, land had gezien, waarover men met een wagen kon rijden. Dat voorland was nu geheel afgesleten. De schout van Oudkarspel liet weten dat hij zich nog kon herinneren dat aan weerszijden van de Huigendijk zoveel voorland lag, dat, als men op de dijk stond, men geen water kon zien. Ook anderen verzekerden dat in vroeger tijd, zowel aan de zijde van de Schermer als de Waard, zeer groot voorland lag voor de Huigendijk en de Oterlekerdijk, tenminste wel zoveel als men met twee boogschoten kon overschieten.4 Melme Ten westen van het land van Oterleek lag indertijd het voormalige Oterlekerbos, welke na drooglegging van de Waard in 1631 als druipland binnen de Heerhugowaard kwam te liggen. Dit wijst erop dat Oterleek zich ver in westelijke richting uitstrekte. Tussen het oosteinde van Oterleek en de dijk die Ursem en Hensbroek tegen de Waard beschermde, lag in de veertiende eeuw de Melme, Mellem of Molme. In de erfpachtbrieven van 1354 wordt Melme omschreven als ‘gelegen tot Ursem tussen Schermer en de Waard en de ban van Hensbroek en de weg’ een land dat in 1319 met Obdam en Hensbroek een deel van de Waligsdijk en de Oterlekerdijk moest onderhouden.5 Oterleek zou in 1514 al door een kade zijn omringd als bescherming tegen het water van de Waard.6 Beekman betwijfelt dit. In de ‘ Informacie’ van 1514 verklaarden de Oterlekers dat zij een inlaag zouden moeten leggen, die wel 200 Rh. Guldens kosten zou; maar hier kan ook gedoeld zijn op een terugtrekken van de Huigendijk, hier Oterlekerdijk geheten, daar deze voor een groot gedeelte ‘paaldijk’ was, dus weinig of geen voorland had.7 Geen omringdijk van Oterleek, maar een terug leggen van de Huigendijk in noordelijke richting door het opdringende water van de Schermer. Wat Rustenburg betreft, deze naam komt pas voor in 1439. In dat jaar dient heer Roelant van Uitkerke een klacht in bij de Raad van de heer Van Bourgondië, dat inwo4 5 6 7

ners van Langedijk, Warmenhuizen en Haringkarspel de sluizen te Rustenburg hadden vernield.8 In dat jaar lag er dus een sluis te Rustenburg wat erop duidt dat het gebied de Melme door het water van de Waard was verzwolgen.

Afb. 13 Schematische situatie van de meren de Waard en de Schermer rond 1300. De Huigendijk ligt er al. Oterleek zit nog vast via het gebied de Melme aan het land van Hensbroek.

Berkmeer In 1375 woedde er een vreselijke storm. De Westfriese zeedijk brak op verschillende plaatsen door. Volgens Gottschalk heeft de Waard zich hierdoor sterk uitgebreid, zodat de parochies in de omgeving ervan ernstig in hun grondgebied werden aangetast. Mogelijk was de Berkmeer een van deze uitbreidingen.9 De Berkmeer is echter ouder, namelijk in de winter van 1256 viel graaf Willem II de Westfriezen aan die ten oosten van de Waard woonden. Hij trok vanuit Alkmaar met een leger richting Hoogwoud. De kroniekschrijver Willem Procurator deelt mee: ‘dat het leger in twee groepen verdeeld op verschillende plaatsen zou oversteken’. Dit betrof het bevroren water van de Waard en dat van het Berkmeer, de kortste afstand naar Hoogwoud, het doel van de operatie.10 Veenhuizen was toen al in het zuiden door het water van de Berkmeer afgesneden van Hensbroek en Obdam. Hensbroek Ook het land van Hensbroek en Obdam heeft geleden onder de voortdurende afslag door het water van de Waard. Er zijn concrete aanwijzingen dat dit meer zich in de loop der tijd in noordoostelijke richting heeft uitgebreid, waardoor veel cultuurland en zelfs nederzettingen verloren zijn gegaan.11 Ten westen van de Waarddijk van Hensbroek en Obdam (toen Berkmeerdijk genoemd) lag naast een strook buitendijks land een serie eilandjes op een rij. De ligging in rijen en de oriëntatie ten opzichte van de verkaveling van het land rondom de Heerhugowaard doet vermoeden dat dit overblijfselen waren 8 Schuurman, (1934), p. 127. 9 Gottschalk, (1971), dl. I, p 437. 10 De Graaf, (1996), p. 233. 11

De Vries Az., (1864), p. 59. De Vries Az, (1864), p. 59; Van Mieris dl. II, p. 215. Fruin, (1866). Beekman, (1916), p.41.

Beenakker, (1988), p. 61 e.v.

-7-


van vroegere huiserven. Deze waren overgebleven nadat het meer de Waard een veel groter veengebied had opgeruimd. Zij bleven echter bestaan, omdat door bewoning het veen ter plaatse sterk was gecomprimeerd en met een ophogingslaag afgedekt, zodat deze huiserven beter bestand waren tegen de eroderende werking van het water. De hoeveelheid land die Hensbroek en Obdam hebben verloren aan de Waard zal groot zijn geweest. Hoeveel keer de Berkmeerdijk, de naam van de complete dijk van Ursem tot en met de Spanbroekerkaag, in oostelijke richting is verlegd is niet bekend. In 1635, kort na de drooglegging van de Heerhugowaard, legden enkele Hensbroekers verklaringen af over de plaats waar zich een oude Berkmeerdijk bevond, meer dan 100 meter ten westen van de huidige. Toen de Heerhugowaard droogviel, kwam het dijklichaam weer boven water.12

Wanneer het land tussen Veenhuizen en de werflanden onder water kwam te staan, is niet bekend, maar op een bepaald moment kwam deze landstrook los te liggen van Veenhuizen en ontstond ‘het verdronken land van Veenhuizen’ of ‘de Veenhuizerwaard’. Na de inpoldering in 1631 kwam hier de Veenhuizerweg te liggen.

Afb. 15a en b Een noord-zuid doorsnede ter hoogte van de Huigendijk met links (het noorden) het ontstaan van het meer de waard en rechts (het zuiden) het meer de Schermer. De Huigendijk ligt op het wad Occenvorth. Door uitbreiding van het meer de Schermer verschoof de Huigendijk steeds meer in noordelijke richting.

Afb. 14 De Westfriese kreekrug (of inversierug) in het gebied van Niedorp en Hoogwoud. Op deze hoger gelegen gronden liggen de meeste dorpen. In het noorden van de Waard lag een uitloper van deze hoge kreekrug met daarop de plaats Deek.

Veenhuizerwaard Was in 1575 het meeste land in het zuiden van de Waard verdwenen, in het noorden lagen nog grote stukken land droog. De Bergeswerck hebben we al genoemd en komt voor in een oorkonde uit 1250. Tussen Bergeswerck en Veenhuizen lag op rij een reeks grote eilanden met van noord naar zuid de namen: Nessewerf, Paardebos, Sappewerf, Lutkebos, Langebos, Driecantebos en Pottenbos. Verondersteld wordt, ook gezien de naam ‘werf’ dat deze werflanden voormalige huiserven waren zoals we die gezien hebben bij Hensbroek. Werf duidt oorspronkelijk op ‘verhoogde grond; een natuurlijk dan wel kunstmatig gevormde hoogte’. Naderhand werd ook een hoogte waarop een hoeve of huis stond een werf genoemd. Maar van huiserven kan hier geen sprake zijn. Daarvoor waren die eilanden veel te groot. Op de kaart van 1626 zien we sommige ervan die vele hectaren beslaan. Die eilanden zullen eens een noord-zuid gerichte verhoging in de Waard hebben gevormd die het oostelijk ervan gelegen land van Veenhuizen lang beschermde tegen het water. De werfen bosnamen zullen ze in een latere tijd hebben gekregen, toen de landengte in eilanden uiteen was gevallen. 12

Bergeswerck Ten oosten van Noord-Scharwoude stak een groot stuk land in oostelijke richting de Waard in. Dit land wordt al in 1250 Bergeswerck genoemd. Volgens De Cock ontleent dit gebied zijn naam uit de tijd van de veenontginningen tussen 900 en 1100 toen dit gebied vanuit Schoorl en Bergen werd ontgonnen.13 Op het meest oostelijke deel van Bergeswerck lag het Kleine Geldebos en er tegenover, gescheiden door water lag bij Oude Niedorp het Grote Geldebos. Beide namen doen vermoeden dat deze vroeger een eenheid vormden en als landbrug tussen Langedijk en Niedorp het noordelijk deel van de Waard afsloten. De geomorfologische kaart (blad 14 en 19) toont hier namelijk een oost-west gelegen uitloper van de Westfriese inversierug in de Waard. Deze landstrook moet eens door het water zijn doorbroken waardoor Amerswiel ontstond. In een oorkonde uit 1421 komt voor het eerst Ammerswael voor.14 De doorbraak moet echter veel eerder plaats gevonden hebben. Als deze landbrug tussen Langedijk en Niedorp er in 1300 nog lag, dan zouden de graven van Holland deze toegang naar Niedorp, het hart van de Westfriese opstanden, toch wel gebruikt hebben. De kroniekschrijvers noemen deze niet, alleen de toegangen naar West-Friesland via de Rekerdam en Schagen of via de Huigendijk. Opmerkelijk is echter het besluit van Willem II om in 1256 het bezit van Willem van Egmond, namelijk Oudkarspel, Spanbroek, Wadwaij, Oudorp en Oterleek, terug te nemen. In ruil daar-

13 14

De Bruin, (2004), p. 18.

-8-

De Cock, (1965), p. 220. Van Mieris, dl. II, p. 581.


voor kreeg Van Egmond de rechten van Warmenhuizen. 15 Graaf Willem bezat met Oudkarspel en Spanbroek een eventuele doorgang aan de noordzijde van de Waard via Bergeswerck, het Geldebos, Oude Niedorp, en de Maydijk in Veenhuizen, welke aansloot op de Lage Hoek naar Spanbroek. Met Oudorp en Oterleek beheerste de graaf de zuidelijke toegang naar West-Friesland. Dit kan een verklaring zijn voor Willems merkwaardige uitwisseling van bezit in 1256. Maar als dit al de reden zou zijn, over het gebruik van de noordelijke route vernemen we niets.

Tussen de Vlaerdingh en Butterhuizen lag nog het eiland Beverland. Al deze buitendijkse landen en eilanden wijzen erop dat de westelijke oever van de Waard eertijds oostelijker heeft gelegen.

Afb. 17 Met het bezit van Oudkarspel, Spanbroek en Wadwaij beheerste Willem II in 1256 de noordelijke doorgang door de Waard en met Oudorp en Oterleek de zuidelijke toegang.

Afb. 16 In het noordelijk deel van de Waard lag de meeste grond. Reconstructie naar kaarten uit 1575 en 1626. De blauwe kleuren in de Waard geven schematisch de opeenvolgende fasen weer van de uitbreiding van het water in noordoostelijke richting. De groene kleur bij het Grote en Kleine Geldebos en bij Oude Niedorp en Terdiek geeft de uitlopers van de Westfriese kreekrug (of inversierug) weer. Deze inversierug beschermde als hoge landrug lange tijd het noordelijk deel van de Waard tot de doorbraak (pijl), waardoor Amerswiel ontstond.

Kogen De Langedijker dorpen en Sint Pancras waren door de Oosterdijk beschermd tegen het water van de Waard. Deze dijk komt voor het eerst voor in een brief van Albrecht van Beieren uit 1388, maar is veel ouder.16 Buiten de Oosterdijk lagen verscheidene kogen die in de grafelijke rekeningen worden genoemd. De naam koog, of kaag duidt oorspronkelijk op opgeslibd land buiten de dijk. Bij Oudkarspel lagen de Zuidkoog, de Middelkoog en de Noordkoog. Een van de eerste twee is waarschijnlijk de ‘Volpedinghecoch binnen den ban van Outkerspel’, genoemd in een rekening van de graaf.17 Bij Noord- en Zuid-Scharwoude lagen grote stukken land in de Waard met namen als Plaetmansbos, Soutberck ackers, Hasselaersbos en Zuijderbos. Voorts komen we in de rekeningen tegen ‘de oesteren coich van den lande in Broic’, waarschijnlijk het stuk buitenland dat later ‘de Vlaerdingh’ werd genoemd. Vermeld worden nog ‘de watercoich over de Zecghe butendyk’ en ‘de Lubbencoich’, waarvan we de plaats niet weten.18 In het zuidwesten van de Waard lagen Butterhuizen, Sint Anna land en de Zwijnakkers (of het Zweem). Deze laatste behoorde tot Oudorp dat vroeger Sweinstorp heette. Tussen Butterhuizen en de Huigendijk lagen de eilanden het Kerkebos van Oudorp, Koebos, Koijtbos en Oosterderch. 15 16 17 18

Kruisheer, (1992), dl. III, p. 180, nr. 1180. Van Mieris, dl. III, p. 496. Hamaker, (1876), dl.II, p.254. Hamaker, (1876), dl. II, p. 255, 256.

Beverkoog en Butterhuizen Om aan de voortdurende wateroverlast van de Waard een einde te maken, werd omstreeks 1530 de Oosterdijk over de volle lengte, van Kalverdijk tot aan Oudorp, hersteld en waar nodig opnieuw aangelegd19. De nieuwe Oosterdijk bij Sint Pancras werd meer oostelijk aangelegd. Het merendeel van de weilanden van de daar liggende Beverkoog kwam daardoor westelijk van de Oosterdijk te liggen. Ze werden dus binnengedijkt, terwijl ze daarvoor in de Waard lagen. Alleen veel rietland bleef buitendijks. Dit was mogelijk omdat hoog water van de Waard langs de gehele Oosterdijk slib neerlegde waardoor de daar liggende kogen steeds hoger kwamen te liggen. Werd in het oosten steeds meer land door het water van de Waard verzwolgen, in het westen groeide het aan. Het oudste document waarin de Beverkoog voorkomt, dateert uit 1343.20 In 1441 gaf de Hollandse graaf Filips van Bourgondiè aan Bertout van Assendelft ´die Bynencoech ende den Oesterendijck´ gelegen aan het meer de Waard in eigendom. Deze Bertout is dezelfde als degene die in 1436 de heerlijkheid Veenhuizen verkreeg. Voor de drooglegging van het meer de Waard in 1631 werd een ringvaart gegraven en een dijk aangelegd door de Beverkoog, waardoor een deel ervan binnen de nieuwe polder kwam te liggen. Dit deel binnen Heerhugowaard werd ´de Butterhuizen´ genoemd. Tot zover de bronnen die ons iets vertellen over het meer de Waard voor de inpoldering van 1631. De overige berichten gaan over de voortdurende wateroverlast die vooral begon toen graaf Willem IV in 1326 beval de sluizen in de Huigendijk af te breken, zonder dat er een andere afwatering was geregeld. De omliggende dorpen bleven hun water op de Waard lozen, waardoor het stijgende waterpeil van dit meer voor veel overlast zorgde. In 1330 mochten er weer sluizen in de Huigendijk worden gelegd. Het weer afbreken en opbouwen van de sluizen ging nog jaren door. Regelmatig brak de 19 20

-9-

Geus, (1989), p. 59. Belonje (1975), p.39


Huigendijk door als gevolg van stormrampen. Pas toen de afwatering van de Waard in 1458 via de Langereis in noordelijke richting was geregeld, kon men het waterpeil in de Waard beter beheersen.

Afb. 18 De reconstructiekaart van het ontstaan van het meer de Waard van 900 tot 1575. De donkerste kleur is de beginfase.

Samenvatting Aan de hand van de hier besproken bronnen is het niet mogelijk om in detail uitspraken te doen over het ontstaan van het meer de Waard en zijn groei. We zijn aangewezen op het analyseren van de gegevens die voorhanden zijn. Daaruit kunnen we wel concluderen dat het onwaarschijnlijk is dat de Waard ontstaan is door een stormvloed vanuit het noorden. Dit dwingt ons te denken in de richting van een klein binnenmeer gelegen in het zuiden van Heerhugowaard ontstaan uit een meerstal. Dit meer kan er al gelegen hebben voor de veenontginningen die plaatsvonden van 900 tot 1100. Halverwege de 12e eeuw lag er in ieder geval een binnenmeer tussen Oudorp en Oterleek welke in open verbinding stond met de Schermer. De Waard en de Schermer werden gescheiden door een ondiepte waardoor scheepsverkeer tussen beide meren niet mogelijk was. Deze ondiepte vormde een wad, al of niet met eilanden, die gebruikt werd als toegangsweg van West-Friesland naar Kennemerland. Waarschijnlijk lag hier het in de bronnen genoemde ‘wad Occenvorth’. Daarop werd in de eerste helft van de 13e eeuw de Huigendijk gelegd. Op de reconstructiekaart van 1300 hoort de Huigendijk dus thuis, maar zuidelijker dan thans. Hij verbond de Oudorperdijk, via de Oterlekerdijk met de Waligsdijk. Ter weerszijden van die Huigendijk slibde het land sterk op, want in latere eeuwen spreekt men over veel voorland rond de Huigendijk. Oterleek lag in 1300 vast aan het land van Hensbroek, want het land Melme bestond nog. De Waard breidde zich vervolgens door zuidwester stormen in noordoostelijke richting uit. In het zuiden was het meer het diepst en in het noorden lag tot 1631 het meeste nog niet overspoelde land. We zien dat vooral aan de noord- en oostzijde steeds land werd afgeslagen. Aan de westoever van de Waard vinden we vooral kogen, gronden van Langedijk en Sint Pancras die bij hoog water onder liepen en waar slib werd afgezet. De Berkmeer was er al in 1300, maar over de grootte kunnen we alleen maar gissen.

- 10 -

We gaan ervan uit dat Veenhuizen eens een eenheid vormde met de westelijk gelegen hoge landrug van de werflanden, maar een jaartal voor het ontstaan van de Veenhuizerwaard hebben we niet. Een aanwijzing dat dit na 1300 heeft plaatsgevonden is het gegeven dat Veenhuizen voorkomt in de oorkonden van 1288 en 1289 en daarin als gelijkwaardig dorp wordt genoemd, naast die van de andere Westfriese dorpen. Daarna komt de naam Veenhuizen niet meer voor, wat verklaard kan worden door veel landverlies. Na 1300 verloor Veenhuizen bijna de helft van haar grondgebied aan het water. De stormramp van 1375 zou hier een oorzaak kunnen zijn. Vooral de plaatsen rondom de Waard werden toen zwaar getroffen.21 Het Grote en Kleine Geldebos, samen met Bergeswerck, vormden een landstrook tussen Noord-Scharwoude en Niedorp. Deze hoger gelegen landrug is samen met de landrug van de werflanden verantwoordelijk geweest voor het behoud van veel gronden in het noorden van de Waard. Een datering voor het ontstaan van Amerswiel is niet te geven. Uit de oorkonde van 1250 leiden we af dat dit na 1250 moet zijn gebeurd. Met de projectie op een kaart van de belangrijkste gegevens die hier zijn besproken, hebben we een grove reconstructie van hoe de Waard er in 1300 ongeveer uit kan hebben gezien. Het is een hypothese, want stellige waarheid kunnen wij bij de middeleeuwse geschiedschrijving slechts zelden bereiken. We menen wel dat deze reconstructie van het meer de Waard voor de kaart van 1300 verre te verkiezen is boven een projectie van de situatie uit 1600. Literatuur Beekman, A. A. (1916). Tekst bij Kaart V van de Geschiedkundige atlas van Nederland, Holland, Zeeland en Westfriesland in 1300, dl.I Holland’s Noorderkwartier. Den Haag. Beenakker, J. (1988). Van Rentersluze tot strijkmolen. De waterstaatsgeschiedenis en landschapsontwikkeling van de Schager- en Niedorperkoggen tot 1653. Belonje, J. (1929). De Heer-Hugowaard, 1629-1929. Belonje, J. (1975). Bevelandt ende West Beverkoog. Oud Alkmaar, 1e jrg. Bergh, L.Ph.C. van den (1852). Handboek der Middel-Nederlandsche Geographie. Bergh, L.Ph.C. van den (1873).Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Bruin, J. de (2004). Het snoodste land waar God ooit kwam. De waterrijke geschiedenis van Obdam en Hensbroek tot het begin van de twintigste eeuw. Cock, J.K. de (1965). Bijdrage tot de historische geografie van kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Groningen. Eikelenberg, S. (1714). Gedaante en gesteldheid van Westvriesland voor den jaare MCCC en teffens den ondergang van het dorp Vroone. Fruin, R. (1866). Informacie up den staet faculteyt ende gelegenheyt van de steden ende dorpen van Holland ende Vrieslant gedaen in den jaere 1514. Leiden. Geus, J.P. (1989). De Oosterdijk van het Geestmerambacht. In Westfrieslands Oud en Nieuwe, nr. 56 Geus, J.P. (1994). Tiendheffing. In Westfrieslands Oud en Nieuwe, nr. 61. Graaf, R. de. (1996). Oorlog om Holland 1000-1375. Hilversum. Gottschalk, M. K. (1971). Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland. dl. I. De periode vóór 1400. Karsten, G. (1951). Noordhollandse plaatsnamen, Amsterdam. Hamaker, H.G. (1875-1878). De rekeningen der grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Kruisheer, J.G. (1986-2001). Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, dl. II t/m V, Den Haag. Lambooij, H.Th.M. (1987). Getekend land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier. Alkmaar. Mieris, F. van (1753-1756). Groot charterboek der Graaven van holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland. Leiden. Numan, K.C. (2015). De Schagerdam en de abdij van Egmond: een oorkonde uit 1250 opnieuw gelezen, Vrienden van de Hondsbossche, kring voor Noord-Hollandsche waterstaatgeschiedenis. Schagen. Oppermann, O. (1933). Fontes Egmundenses. Utrecht. Schuurman, P. (1934). Rustenburg in Westfrieslands Oud en Nieuw, nr. 8. Vries Az., G. de (1864). De kaart van Hollands Noorderkwartier in 1288. Verh. der Kon, Akademie v. Wetenschappen, afd. Letterkunde, deel 3, no. 2. Amsterdam. 21

Gottschalk, (1971), dl. I, p. 437.


Praktische basiscursus archeologie, een verslag Menno de Boer en Rino Zonneveld n 2012-2013 is een basiscursus archeologie gegeven in de kapel van Willibrord in Heiloo. De cursus is toen door ca. 45 mensen gevolgd. De cursus was inhoudelijk goed, maar had een hoog kijk- en luistergehalte. Vanwege de overweldigende deelname is besloten na verloop van tijd opnieuw een cursus te organiseren. In najaar 2016 is de opzet voor een nieuwe cursus met meer praktische inhoud gemaakt door Menno de Boer van AWN 3 (Zaanstreek) en Rino Zonneveld van AWN 9 (deel Kennemerland en Kop van Noord-Holland). De pop-up-archeotuin is in november aangelegd. Ook nu was er veel animo en schreven 22 mensen zich in van Schagen tot Monnikendam tot Heemskerk. Ook negen Oer-IJ gidsen volgden een op hen afgestemde cursus die vooral de archeologische vindplaatsen in het Oer-IJ belichtte. In januari 2017 is de basiscursus gestart. Het programma zag er als volgt uit:

I

Inleiding en casus Oosterbuurt Castricum Op 21 januari was de start op locatie De Duynkant van Werkgroep Oud-Castricum. Thema: inleiding archeologie en termen door Menno de Boer en presentatie opgraving Oosterbuurt 1995-1996 door Rino Zonneveld. Het doel was: woordenschat- en kennisuitbreiding en tijdens andere onderdelen van de cursus het terug kunnen vallen op die ene grote casus: Oosterbuurt. Wetgeving, rol vrijwilligers en prehistorie Kennemerland/Oer-IJ De tweede cursusdag op 4 februari vond plaats op locatie Museum Kennemerland in Beverwijk. De eerste gastspreker was Eliza van Rooijen van het NMF (Nationaal Museum Fonds) die prachtig vertelde over de wetgeving, het Verdrag van Malta, beleid van gemeenten en wat de rol van de vrijwilliger hierin kan zijn. De tweede spreker was Roel van Gulik, voorzitter van AWN 4, die duidelijk uitleg gaf over de geologie en archeologie van Kennemerland tot ongeveer 800 na Chr. De cursisten genoten vervolgens van een rondleiding door het museum. Op 11 februari ging op de locatie De Duynkant van Werkgroep Oud-Castricum de eerste cursusdag voor de Oer-IJ gidsen van start met een licht aangepaste versie van de cursusinhoud op 21 januari. Ik heb bot en een scherf gevonden Op 18 februari gingen de cursisten op bezoek bij de locatie van AWN 3 in Zaandijk. Hier vertelde Gerard Graas enthousiast over botmateriaal en hoe hiermee om te gaan. Hierop volgde een bottenpracticum. Daarna gaf Mark Phlippeau, medewerker van depot Huis van Hilde, een praktisch deel determineren van aardewerk dat eveneens gevolgd werd door determineeroefeningen. Op 25 februari is op dezelfde locatie voor de Oer-IJ gidsen een cursus bureau-onderzoek gegeven, met name toegespitst op kaartmateriaal van het Oer-IJ. Na de pauze was er een schervenpracticum door Menno en Rino.

Kaartstudie en scherven tekenen Op 4 maart gingen de cursisten naar de locatie Baduhenna in het gebouw Willibrordus te Heiloo. In de basement staat een boeiende uitstalling van wat er in Heiloo op de strandwal is gevonden. De ruimte is recent vernieuwd en heropend. Het thema was bureau-onderzoek en dan toegespitst op het vinden en gebruiken van historische bronnen en kaarten. Het tweede thema was een vondst determineren en leren tekenen van randen en bodems van potscherven. Wandelen langs ruïnes, polders en rietveen Op 11 maart stonden de Oer-IJ gidsen bij Twaalfmaat om hen in een twee uur durende wandeling te wijzen op de rijke archeologisch omgeving in de Heemskerker- en Wijkerbroekpolder met eerst de resten van Oud-Haerlem en daarna het archeologisch monument daar ter plaatse (Afb. 19). Vervolgens gingen we aan de oostzijde van het Oer-IJ het rietveen in bij de Groenedijk om te zoeken naar enkele kreekruggen en met het veenontginningsverhaal in gedachte te wijzen op archeologische sites uit de ijzertijd. En ja, waar werd de huttentut verbouwd en hoe zou dat smaken?

Afb. 19 Monument in wijkpark De Vlaskamp (foto: Menno de Boer)

Ik heb een pijpenkop gevonden, plan van aanpak en spontane opgraving Op 18 maart verzamelden de cursisten zich in Stokkenfabriek Afra aan de Meldijk in Uitgeest. De heer Arie Zonjee gaf een resumé van de historie van de fabriek waar al sinds 1804 stokken worden gemaakt. Elke cursist kreeg een beschilderde stokroosstok als souvenir. Het onderwerp was pijpelogie met gastspreker Tom de Kleijn. Doel was het determineren van een pijpenkop. Menno de Boer vertelde over boren en Rino Zonneveld over Plan van Eisen en Plan van Aanpak. De cursisten kregen als huiswerk: maak een PvA voor locatie archeotuin op de Zanderij in Castricum. Er volgde ’s middags een overdekte mini-opgraving in een loods waar de vloer is verwijderd en waar we direct 200 jaar terug in de tijd gingen. De ‘s middags geplande boring werd vanwege minder weer uitgesteld naar zondag 25 maart. Boren in klei en veen Op 25 maart gaf boorprofessional Rinke Timmerman van Sialtech aan cursisten en Oer-IJ cursisten een adequate uitleg

- 11 -


over boren. Daarna ging de groep het veld in bij Busch en Dam bij de boerderij van Glijnis. Er werd gewerkt met een Edelmanboor en een 3 cm guts. De diepte is bijna 3 meter. Nadat de guts is gemesd werd de grondsoort bestudeerd en gelet op aanwezigheid van aardewerk of schelpdeeltjes. Na een week kregen de cursisten de boorresultaten opgestuurd. Ik heb goud gevonden en voorbereiden opgraving De cursusdag op 1 april was ‘s morgens op de locatie De Duynkant van Oud-Castricum. Er werd verteld door Ron van Wezop over het vinden en behandelen van metalen voorwerpen. Natuurlijk werd de metaaldetectie en de bijhorende regelgeving niet overgeslagen. Gave metalen voorwerpen als sleutels, fibulae en muntjes gingen rond. Tot slot was er een theoretisch verhaal over materiaal dat nodig is bij een opgraving en over de stappen die theoretisch gezet moeten worden.

Als verrassing serveerde Gerti de Koeijer van bedrijf Beleef de Geschiedenis een middeleeuwse lunch. Heerlijke uien- of tomatensoep en smakelijk belegde broodjes. Opgraven in de pop-up-archeo-tuin Daarna kwamen de Oer-IJ cursisten binnen en volgde een gezamenlijke opgraving in de pop-up Archeotuin achter het Strandvondstenmuseum in Castricum (Afb. 20). De groep werd in vieren verdeeld en ging hun Plan van Aanpak uitvoeren. Sommigen kwamen greppels tegen, anderen paalsporen en één groep iets dat op een waterput lijkt met hout op de bodem. Het vergde van de vier veldcoördinatoren een flinke inspanning. Het doel was leren een put uitzetten, een vlak maken, detecteren, schaven, sporen krassen, intekenen 1:50, een coupe zetten, tekenen 1:20, vondsten verzamelen en vondstkaarten maken. Bezoek depot, museum Huis van Hilde en College Tour 15 april was de laatste cursusdag. Mark Phlippeau, medewerker depot Huis van Hilde, verzorgde een rondleiding door het archeologisch depot. Tegelijk ging een groep het museum in om van Suzanne Hoeve, collectiebeheer Huis van Hilde, te horen welke afwegingen en keuzen zijn gemaakt om het museum in te richten zoals het nu is. Na de lunch sloot de groep af met een College Tour waarvoor Anja van Zalinge, stadsarcheoloog van Haarlem, onze gast was en prangende vragen van deelnemers beantwoordde. Certificaat De cursus werd afgesloten met het uitreiken van een Certificaat Praktische Basiscursus Archeologie. We kijken terug op een cursus met zeer enthousiaste deelnemers die nu graag willen helpen bij een professionele opgraving. Een cursus op verschillende locaties waarvan eigenaren de educatie van de archeologie (gratis) steunden. Bezielde gastsprekers! Iedereen dank die het in welke vorm dan ook mede mogelijk heeft gemaakt ongeveer 25 mensen blij te maken met een uitgebreidere kennis over archeologie.

Afb. 20 Ebirdsview Zanderij Castricum (foto: Menno de Boer)

Grafzerken revisited r is aanvullende informatie op het artikel Zwervende grafzerken en het hergebruik ervan in Poldergeest nr. 19, blz 10, afb. 22, 'grafzerken als dijkversterking bij de plaats Warder'. Deze grafzerken zijn afkomstig uit de in 1921 gesloopte vloer van de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam (archiefonderzoek J. van Lunsen). Op één van de grafplaten werd gedacht aan een afgebeeld stuurwiel met anker. Dit blijkt echter het 'Rad van Heilige Catharina' te zijn (Afb. 21).

E

(info Christiaan Schrickx, Archeologie West-Friesland)

- 12 -

Afb. 21 Grafplaat bij Warder met het 'Rad van Heilige Catharina'


Een kijkje in de kerk van Haringhuizen in de 18de eeuw John van Lunsen rederik van Zanten, een meester loodgieter en leidekker van de Roode Steen in Hoorn, kreeg in 1776 een flinke klus aan het dak van de Ned. Herv. Kerk in Haringhuizen1. Vergevorderde staat van verval had het dak van de kerk tot gatenkaas gemaakt en zou op termijn als een soufflé in elkaar zakken wanneer herstel uitbleef. Predikant Leendert Calff beklaagt zich in een van zijn brieven, aan gecommitteerde raden van Westfriesland en Noorderquartier in Hoorn, dat hij in de natte wintermaanden niet meer droog op de preekstoel kan staan2.

F

Afb. 22 Trotseerloodje Frederik van Zanten 1775 (tekening Johan Belonje)

De inkomsten van het kerkbestuur (voornamelijk inkomsten uit verhuur van 'kerkeland') waren sedert eind 17de eeuw niet meer toereikend geweest om noodzakelijke reparaties uit te voeren. Gecommitteerde raden besluiten een onderzoek in te stellen naar de bouwkundige staat van de kerk alvorens over te gaan tot een bijdrage aan de kerk. Op 14 oktober 1775 doen zij een verzoek aan Klaas Dirksz Kos, burgemeester van Aartswoud, een man met technisch inzicht, om de kerk van Haringhuizen te inspecteren en daarvan verslag op te maken. Klaas Kos neemt de financiële haalbaarheid van herstelwerkzaamheden onder de loep en vergelijkt deze met de kosten van eventuele afbraak en nieuwbouw van de kerk in zijn geheel. Hij beschrijft in een uitgebreid rapport alle bouwkundige gebreken en voegt daarbij een door hem zelf gemaakte plattegrond in kleur waarop ook de positie van stoelen, kerkbanken en preekstoel zijn getekend (Afb. 24 en Afb. 25). Kos laat in zijn berekening de conditie van de 'Noorderkerk' ofwel de latere uitbreiding van de kerk c.q. beuk aan de noordzijde (bouw 1633) meewegen en citeert de herstelwerkzaamheden aan deze 17de-eeuwse uitbreiding als volgt: “De geheele noorder kerk van dakplanke, ende de opgeveling

- 13 -

boven de noorder deur daar aft te nemen, behoorde verandert ende verniewt te werden, ende in plaats van leijen met niewe blauwe panne te worden gedekt”. Hij geeft daarnaast nog een tweede optie: “noorder kerk af te breken, de muur der oude ofte zuider kerk met de afgebroken stene digt te maken zou veel groter kosten als het verdekken van de noorder kerk terwijl de glasen (ramen) in de noorder kerk nogh niewagtig en suffisant zijn”. Het laatste voorstel ging niet door omdat de aangebouwde, toen bijna 150 jaar oude Noorderkerk volgens Kos een goede basis was om de kerk in zijn geheel te behouden. De werkzaamheden aan de toren, schip en koor (Zuiderkerk) in 1776: “ Een gedeelte der kap verandert dienen te werden, en van buijten met de besten oude leijen aan de noordzijde der geheele kap, mitsgaders drie vakken aan de zuijdkant boven en aan wederzijde van de predikstoel te vernieuwen en met niewe blauwe panne te dekken”. De aanbesteding van het werk gaat naar de goedkoopste inschrijver, genoemde Frederik van Zanten en zijn stadsgenoot aannemer Sijmen Visser, de laatste voor het timmer- en metselwerk De Engelse invasie in 1799 en gedeeltelijke afbraak Wat de heren niet konden voorzien was de schade die de kerk 23 jaar later trof tijdens de kort durende oorlog tussen de Engelsen en Bataven in de herfst van 1799. De herstelwerkzaamheden van 1776 bleken namelijk voor niets te zijn geweest nadat de Engelsen de kerktoren vanaf september 1799 als uitzichtpunt gebruikten voor hun kanonstelling, een stelling die was gesitueerd aan de zuidoostzijde van Haringhuizen. Voor de Bataven betekende de kerktoren annex uitzichtpunt een doelwit. Het gevolg laat zich raden. De kerk van Haringhuizen heeft samen met de kerk van de plaats Sint Maarten de meeste schade ondervonden van deze oorlog. Nadat de Engelsen waren vertrokken was het koor van de kerk, dat tevens diende als vergaderplaats voor de Vroedschap van Haringhuizen, niet meer geschikt als plek om bij elkaar te komen3. Ook het kerkbestuur bepaalde op 6 april 1808 geen gebruik meer te maken van het koor vanwege het zeer slechte dak. In juni 1808 werd daarom besloten het koor en de beuk aan de noordzijde te slopen. De overige buitenmuren, dak en kerkinterieur werden hersteld.

Afb. 23 'Oerprent' van de kerk door Andries Schoemaker 1729


Afb. 24 Plattegrond van de kerk van Haringhuizen door Klaas Kos (origineel)

- 14 -


Afb. 25 Plattegrond gelijk aan Afb. 24, nu met annotaties

- 15 -


De open ruimte, die na de afbraak ontstond tussen de zuilenrij aan de noordzijde van het schip, werd dichtgemetseld met stenen afkomstig van de sloop van koor en beuk. Ook het ontstane gat tussen schip en koor werd met dezelfde stenen dichtgemetseld en werd gelijk de nieuwe plek voor de preekstoel. Op 7 september 1808 vond de inwijding plaats van de gerestaureerde kerk door predikant Drs. D. IJpey.4

Afb. 26 Kerk Haringhuizen, Hendrik Tavenier

Archeologie Amateurarcheoloog Johan Lutjeharms deed in 1948 een kleine opgraving aan de noordoostzijde van de kerk, op de plaats waar koor en beuk in het verleden waren afgebroken. Een kladaantekening van zijn bevindingen levert niet meer op dan steenformaten van hergebruikte kloostermoppen resp. 29x13,5x6,5cm en een kleiner formaat 24x11x5,5cm. Zijn vermoeden was dat er een eerdere kerk had gestaan op de plek van de huidige kerk. Door het hiervoor ontbreken van sporen in de bodem heeft hij zijn opgraving ter plaatse niet uitgewerkt tot een verslag en slechts een kort artikel aan het onderzoek gewijd in het blad 'Speelwagen' jaar 1948. In 1991 heeft de archeologische werkgroep Schagen een onderzoek gedaan op de plek van het voormalige koor en gedeeltelijk ook de locatie van de verdwenen beuk opgegraven. De opgraving is uitgebreid getekend en gefotografeerd. Naast het vinden van hergebruikte kloostermoppen werd geen

ander middeleeuws materiaal aangetroffen zodat ook hier het bestaan van een eerdere kerk (vóór 1400) op deze plek niet is vastgesteld. Wel werd aangetoond dat het koor een latere bouwfase was van de kerk, door het aantreffen van skeletten onder de funderingsresten van het koor. In een akte van 3 juli 1669 verklaren 5 bewoners van Haringhuizen, leeftijd tussen de 60 en 75 jaar, dat zij in hun herinnering niet anders weten dan dat het schoolhuis en de woning van koster annex schoolmeester sinds de bouw van de kerk op het kerkhof staan, afgezonderd van de andere woningen en buren.5 (heden het perceel Dorpsstraat 11, Haringhuizen, direct ten oosten van de kerk, kadastraal BSG00G254). Is hier sprake van een eerdere kerk of ouder kerkhof, ten oosten van de huidige kerk? Bronnen: 1 Frederik van Zanten, lidmaat Hoorn 8 okt. 1756, was gehuwd met Helena van Keppel. Er zijn twee dochters van het echtpaar bekend: Truitje en Ida van Zanten. Frederik heeft als leidekker op het dak van meerdere kerken in Noord Holland zijn sporen achtergelaten, waaronder de grote kerk van Edam en de kerk in Schellinkhout, maar ook het dak van het Westfries Museum en het Foreesthuis in Hoorn. Zijn boedel: Notarieel archief Hoorn inv. 2591 akte 7 en 51. Frederik was op 14 en 15 maart 1787 betrokken bij een oproer beweging tijdens een opstand tegen het lokale bestuur van Hoorn. 2 Leendert Calff werd op 8 oktober 1769 predikant in Haringhuizen en bleef dat tot 1797. Na een ziekbed van 22 dagen overleed hij aan “eener borstziekte” op 3 oktober 1797. Naast zijn huwelijk met Margaretha Abels, waarbij hij twee kinderen kreeg, had hij nog een buitenechtelijke relatie met zijn dienstmeid Maartje Jans Prins (geboren te Barsingerhorn) die hem op 30 maart 1779 een kind schonk in een achteraf woning in de baanbrugsteeg te Amsterdam, ver uit het zicht van Haringhuizen. Het gevolg van het overspel was een hoogoplopend conflict met het kerkbestuur wat zelfs ter sprake kwam bij het Hof van Holland. Na het overlijden van zijn vrouw Margaretha Abels huwde de predikant alsnog met dienstmeid Maartje Prins op 3 april 1792. De uit de buitenechtelijke relatie geboren dochter Johanna Leenders Kalff, huwde later met Jan Aerjensz Bakker en vestigde zich in de Wieringerwaard. Ook heden ten dage wonen er nog personen met achternaam Bakker in de Wieringerwaard die een nazaat zijn van 'het slippertje' van de predikant. 3 Notarieel Schagen 4586-54 (1704) 4 Latere herstelwerkzaamheden in 1822, 1825, 1838 en 1842, heeft vooral door de hiervoor beschikbare grote bedragen in 1838 en 1842, bij aan aantal auteurs in de afgelopen decennia het denkbeeld gebracht dat in die jaren het koor zou zijn afgebroken, wat echter een misvatting is. 5 Notarieel Schagen 3 juli 1669 akte 72, notaris Pieter Kos.

Nog van ons tegoed In de rubriek Gevonden Voorwerpen in de vorige Poldergeest (nr. 23, blz. 8) staat aangegeven dat in Poldergeest 24 een uitgebreider verslag gedaan zou worden van het op de Razende Bol gevonden scheepswrak. Omdat de datering van de houtmonsters nog niet bekend is, zal dit verslag in een volgende Poldergeest verschijnen. Voorts werd in Poldergeest 23 (blz. 24) aangekondigd dat er in Poldergeest 24 een uitgebreid verslag zou worden gepubliceerd over de vondsten in de Oude Niedorper Boome. Ook dit artikel zal in een volgende Poldergeest verschijnen. Nog niet alle dateringen van de vondsten zijn namelijk bekend.

- 16 -


De korenmolen van Warmenhuizen John van Lunsen en Roel Zutt oen een brand in 1927 de korenmolen van Warmenhuizen in de as legde, was daarmee een periode van ruim 350 jaar malen afgesloten. De omstreeks 1560 gebouwde korenmolen werd door Lamoraal van Egmond (als Heer van Warmenhuizen) in 1563 in eeuwige erfpacht gegeven aan de kerkmeesters. De opeenvolgende molenaars zijn bekend vanaf 1598. Een aantal molenaars op de molen was tevens eigenaar, mede-eigenaar of had aandelen in de korenmolen, vaak samen met aandelen in andere korenmolens of broodbakkerijen in de regio. Ook werd er onder molenaarsgezinnen met elkaar gehuwd zodat het kon voorkomen dat leden uit één gezin meerdere korenmolens bezaten, bemaalden of verhuurden aan een andere molenaar.

T

in Warmenhuizen, en bracht juist een bezoek aan de nabij gelegen korenmolen om een nog tegoed zijnde fooi te ontvangen van de molenaar, wat overhandigd werd samen met een aangeboden borrel(s) tot dronken toe. De impostmeester verscheen op het verkeerde moment bij de in beschonken toestand verkerende heren.1

Afb. 28 Ingekleurde ansichtkaart uit omstreeks 1920

Afb. 27 Korenmolen aan de Oostwal Warmenhuizen

Tientallen akten zijn in het archief teruggevonden waarin een molenaar op de korenmolen van Warmenhuizen wordt vermeld. Beperken we ons enkel tot akten met vroegste datum, waarin de naam staat vermeld van een nieuwe molenaar op de korenmolen, dan zijn de molenaars aansluitend: 1598 > Pieter Meijnderts; 1631 > Cornelis Pieters (zoon van voorgaande); 1635 > Aerjan Jans Buijen; 1657 > Cornelis Cornelisz; 1662 > Jan Jacobsz of Etje Pietersdr. (een vrouw); 1675 > Aris Arisz; 1679 > Evert Cornelisz Beeck; 1687 > Reijer Pietersz Molenaar; 1710 > Willem Gerritsz Houtkoper; 1715 > Reijer Pietersz Molenaar (tweede keer eigenaar); 1726 > Cornelis Pieters Tol; 1751 > Pieter Cornelis Tol; 1807 > Cornelis Pieters Tol; 1824 > Pieter Vlam (gehuwd met Antje Cornelis Tol); 1841 > Jan Vlam; 1882 > Klaas Vlam; 1920 > Cornelis, Jan en Sijtje Vlam; 1922 > David van Diepen; 1925 > Adrianus Cornelis Pietersz de Wit.

Korenmolenaars verdienden geld, er was luxe, maar er moest ook belasting -per zak meel- worden afgedragen aan de impostmeester (belastingambtenaar). Impostmeesters waren niet geliefd onder korenmolenaars. Zo kreeg de Alkmaarse impostmeester Adriaen Claes Langereijs in april 1673 op de molenwerf in Warmenhuizen een flink pak slaag van Pieter Jans, bakkersknecht uit de Wieringerwaard. Pieter Jans was de laatste twee jaren knecht geweest bij Claes Jacobs, bakker

- 17 -

Naast de molen stond het huis van de molenaar, vanaf de eerste kadastrale kaart (A. van Diggelen 1819) tot heden een stolp. Of de woning van de molenaar ook in de 17de en 18de eeuw een stolp was, zou een houtmonster van één der plafondbalken of vierkantbalken in de stolp kunnen uitwijzen. Een oude in onbruik geraakte molenwiek-roede is als plafondbalk in de stolp gebruikt. Bodemvondsten Roel Zutt, ruim 30 jaar AWN-lid, eigenaar van de stolp en naastgelegen voormalige molenplaats, heeft de afgelopen jaren vier eeuwen huisafval gevonden in de bodem van zijn erf. Tijdens grondwerkzaamheden had hij gelegenheid om de grond uit te pluizen op zoek naar het laatste scherfje, zodat een aardewerk vondst zo compleet mogelijk in elkaar gezet kon worden.

Afb. 29 Roel Zutt aan het meten/tekenen van de fundering


Het resultaat is een grote verzameling bodemvondsten die een goed beeld geeft van de inventaris van de molenaars op de korenmolen. De hoeveelheid gevonden stukken, merendeels aardewerk, is te veel om hier af te beelden. Er is daaruit een selectie genomen.

jaar 1657; inv. 258 folio 17, jaar 1657; inv. 487 akte 92, jaar 1719; inv. 507 folio 166/167 jaar 1724; inv. 515 folio 1144/1145, jaar 1733; inv. 534 folio 18, jaar 1732. Oud recht Westzaan inv. 1586 akte 211, jaar 1678. Oud recht Schagen inv. 4569B akte 304, jaar 1673; inv. 5892 blad 122v/123, jaar 1635; inv. 5893 blad 5/5v/6/6v, jaar 1639. Oud recht Warmenhuizen inv. 5898 folio 261, jaar 1715.

Met dank aan Roel Zutt voor het beschikbaar stellen van zijn archief en foto's/bodemvondsten.

1

Aanvullend archiefonderzoek F. Verduin en J. van Lunsen: Notarieel Alkmaar inv. 59 folio 56, jaar 1631; inv. 108 folio 40, jaar 1627; inv.166 folio 161, jaar 1662; inv. 257 folio 13,

Adriaen Clasen Langereijs, impostmeester te Alkmaar, in 1663 woonachtig in de Beemster, gehuwd met Aeltje Reiersdr. (klapper DTB Purmerend).

Selectie uit de bodemvondsten van het molenerf:

Afb. 30 Tinnen lepels 17de – 18de eeuw, waaronder een lepel gemaakt door de Alkmaarse zilversmid Pieter Roose

- 18 -

Afb. 31 Tinnen lepel met gravering 'K P Tol', Cornelis Pietersz Tol, één van de molenaars


Afb. 32 Majolica borden 17de en 18de eeuw

Afb. 33 Tegels 'drietulp' 2de kwart 17de eeuw

Afb. 34 Zeldzaam Saintonge aardewerk ±1600

Afb. 35 Pijpaarden beeldjes 17de-18de eeuw (linksboven Michiel de Ruyter)

- 19 -


Afb. 36 Borden Noord-Hollands slibaardewerk, twee met datum 1596 en 1620 (links Adam en Eva)

Afb. 37 Werra aardewerk 1583

Afb. 38 Bord Nederrijn 1710-1730

Afb. 39 Bord Nederrijn 1723

Afb. 40 Baardmankruik met drie identieke medaillons waarop een wapenschild, Âą1600

Zie ook voorwerp 7 in de rubriek Gevonden voorwerpen (blz. 5).

- 20 -


Nieuwe boeken Jaap van Rossum e brengen in Poldergeest graag publicaties onder de aandacht die bij Stichting RAG binnenkomen. Wij ontvingen onlangs twee boeken en één brochure.

W

Eind 2016 verscheen Schaven aan Alkmaar. 25 jaar archeologisch onderzoek in beeld samengesteld door de Alkmaarse stadsarcheoloog Peter Bitter (228 blz.). In 2016 was het 25 jaar geleden dat het Bureau Monumentenzorg en Archeologie, thans Vakgroep Erfgoed, van de gemeente Alkmaar van start ging. Voor deze gelegenheid is een speciale publicatie gemaakt met een zeer rijk geïllustreerd overzicht van de onderzoeken die sinds 1991 zijn uitgevoerd. Hoewel het grootste gedeelte van deze fraaie publicatie over een groot aantal historische en archeologische aspecten van de stad Alkmaar gaat, komen er ook onderzoeken uit Koedijk en Oudorp in beeld. Beide dorpskernen liggen in het Geestmerambacht. In Koedijk zijn zes opgravingen uitgevoerd die het antwoord op de vraag hoe het dorp eruit zag vóór de verwoestingen in 1573 en 1799 een stap dichterbij brengen. Ook van de oudste geschiedenis van Oudorp is nog niet zo gek veel bekend. De twee in het boek beschreven archeologische onderzoeken in Oudorp kunnen deze kennislacune helaas nog onvoldoende opvullen. Prijs: € 12,50. Ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum ontving Peter Bitter op 12 april 2017 de Oud Alkmaarprijs 2017 van de Historische Vereniging Alkmaar. Wij feliciteren Peter, donateur van Stichting RAG en lid van AWN Afd. NoordHolland Noord, van harte met dit welverdiende eerbetoon. In oktober 2016 kwam De Archeologische Kroniek 2015 van de Provincie Noord-Holland uit. De Archeologische Kroniek (153 blz.) geeft per gemeente een overzicht van de vondsten die in 2015 in de provincie NoordHolland zijn gedaan. De kroniek is (evenals alle vanaf 1975 verschenen kronieken) te lezen en te downloaden via de links-pagina van de website van RAG (www.rag-archeologie.nl). Gedrukte exemplaren van De Archeologische Kroniek 2015 zijn verkrijgbaar in het Huis van Hilde (zolang de voorraad strekt).

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) publiceerde de 5 bladzijden tellende brochure Vrijwilligers in de archeologie en de Erfgoedwet. Hoe we in Nederland met archeologische resten omgaan, is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze brochure belicht vanuit die invalshoek de archeologische activiteiten van vrijwilligers en detector-amateurs. Zo vermeldt de brochure onder meer: In de Erfgoedwet staan de voorwaarden waaronder het is toegestaan om op te graven zonder certificaat. Verenigingen van vrijwillige archeologen mogen zelfstandig opgraven op locaties waar de gemeente heeft vastgesteld dat de archeologie niet behoudenswaardig is. Ook is toestemming van de eigenaar van het terrein noodzakelijk en is een aantal andere voorwaarden aan de vrijstelling verbonden. Verenigingen van vrijwillige archeologen moeten de start van een opgraving melden bij de RCE, de vondsten overdragen aan het archeologisch depot van de provincie of gemeente en rapporteren over hun bevindingen aan de Rijksdienst. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt is dat een opgraving. Ook voor dit type opgraving is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Dit is gedaan omdat de detectoramateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van archeologische kennis. Bodemverstoring van de bovenste dertig centimeter van de bodem, de zogenaamde bouwvoor, is toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld dat metaaldetectie niet is toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument. Deze uitzondering geldt ook voor vereniging van vrijwillige archeologen. De lezenswaardige brochure kan worden gedownload van de website van RCE of van de RAG-website www.ragarcheologie.nl. Bij de verschillende werkgroepen van AWN Afd. Noord-Holland Noord is een gedrukt exemplaar van de brochure aanwezig.

Afb. 41 Afbeelding uit de RCE-brochure Vrijwilligers in de archeologie en de Erfgoedwet

“Wij gaan niet voor de buit, zoals schatgravers nog steeds illegaal doen, maar voor het verhaal” Martijn Manders, maritiem archeoloog in het Noord-Hollands Dagblad van 19 april 2017

- 21 -


Historisch onderzoek van twee stolpboerderijen aan de Hogebieren bij Haringhuizen John van Lunsen Kieftenburg Heden rest er niets meer van boerderij 'Oud Kieftenburg' (Afb. 42). Kort voor 1600 werd de stolp gebouwd, in 1723 afgebroken, waarna met dubbel vierkant op dezelfde plek herbouwd. De boerderij verdween definitief in 1879 na een brand veroorzaakt door een blikseminslag. De bijbehorende vrijstaande schuur, bouw tweede kwart 19de eeuw, bleef behouden en heeft nog decennia lang zonder ziel in het landschap gestaan.

Door de afgelegen ligging van de stolp en de benaming 'Kieftenburg' ontstond in de 19de eeuw op deze plek de legende van een verdwenen burcht waarbij zelfs namen van bewoners werden genoemd. Een sprookje. Zo zou er ene jonkvrouwe Suwa van Haringhuizen gewoond hebben. Zij was, volgens het verhaal, verloofd met Folpert van West Friesland. In de natte wintermaanden moet het een stille plek zijn geweest, slechts bereikbaar via de Hogebieren (een afgevlakt dijkje ten oosten van Haringhuizen) en vervolgens over een 400 meter lang onverhard landpad. De boerderij lag midden in de Slikvenpolder tussen buurtschap Moerbeek en plaats Haringhuizen.

Afb. 42 1. Locatie Oud Kieftenburg; 2. Nieuw Kieftenburg; 3. de Stins

Tijdens de verkaveling van bijna 20 jaar geleden kwamen de laatste restanten van de stolp weer tevoorschijn, een 17deeeuwse waterput (Afb. 43), zichtbare contouren in de bodem, waar ooit de muren stonden en enkele verspreide overblijfselen van de fundering bestaande uit een mengsel van gruis en puin van rode en gele stenen.

Afb. 43 Waterput 17de/18de eeuw van 'Oud Kieftenburg'

Het terrein is niet archeologisch onderzocht, maar gelukkig wel gefotografeerd tijdens het graafwerk voor de verkaveling. Naast de gebruikelijke pijpenkoppen en aardewerk scherven vanaf de 17de eeuw, werd er een zeer fraai Haarlemmeroliebuisje (met lange hals) gevonden uit Âą1700. Haarlemmer olie was een middel tegen allerlei kwalen, inname een paar druppels per dag.

- 22 -

Afb. 44 Houten zeepaard, versiering van een rijtuig? Opgebaggerd bij 'Nieuw Kieftenburg' (tekening Henk Tol 1970)

Uit archiefonderzoek kennen we een aantal van de werkelijke bewoners van de boerderij. Daar zit geen jonkvrouw tussen, maar vinden we wel de achternaam Kieft, waarnaar de boerderij is vernoemd: Eerste kwart 17de eeuw, Pieter Jans Kieft (is hier overleden); 1637 Pieter Jans Sijp; 1639 Dirck Dircx; 1645 Jan Cornelis Cramer; 1650 Pieter Cornelis Kieftenburg (alias Kieft); 1679 Cornelis Dircks;1673 Claes Cornelis Kieft; 1686 Pieter Cornelis; 1730 Cornelis Cornelis Hemme; 1764 Neeltje Pieters, weduwe van Cornelis Hemme; 1769 Sijmon Ariensz Wit en Sijtje Hemme; Pieter Dekker en Niesje Wit; 1808 Elmert de Boer en Grietje Gootjes; Pieter Elmert de Boer; Maartje Otto, weduwe Pieter de Boer. Na de brand van 1879 wordt in hetzelfde jaar een nieuwe stolp gebouwd; Nieuw Kieftenburg, niet meer midden in het land maar doelmatig direct aan de weg. De stolp staat er nog: Hogebieren nr. 2, Haringhuizen. Met dank aan de familie Stammes Hogebieren (foto's en info). Bronnen: Oud recht Haringhuizen 5818-169,171-173; 5818-190,191; 5818245; 5818-305, 306, 307; 5819-4; 5819-32, 60, 115, 186, 202, 262, 265, 268, 269; 5821-1-10. Oud recht Barsingerhorn 5826-10. Notarieel Schagen 456615; 4574-15; 4579-18; 4596-8; 4710-3048; 4711-3133.


Afb. 47 Luchtfoto van de Stins in 1989 Afb. 45 Voordeur uit 1879 van Nieuw Kieftenburg (is verwijderd)

De Stins Nog een sprookje uit de 19de eeuw met prachtige namen en een burcht. Een burcht waar de 'grijze Bokko, Heer van Harinxhuizen' met zijn kleindochter Anna gewoond zou hebben ten tijde van de belegering van Schagen in het jaar 1168. Zij was de verloofde van 'Sicco, Heer van Scagen'. Het verschil met het fantasieverhaal van boerderij Kieftenburg is hier de ouderdom van de Stins, dan wel voorgaande bebouwing op deze plek of in de directe omgeving daarvan (noordzijde Hogebieren). Ook de naam 'Stins' doet meer vermoeden dan enkel een boerenstolp. In Friesland kennen we 'Stinsen' als een overblijfsel van verdedigbare stenen huizen, middeleeuwse woningen van de adel. De Alkmaarse advocaat Adriaan Westfalen schrijft in 1684 op een onduidelijk kladje dat de Stins aan de Hogebieren oorspronkelijk van de heer Heermans (Hermans) te Amsterdam was.

Westfalen schrijft dat de plaatsnaam is voortgekomen uit de naam 'Harinxma, een adelijke familie in West Friesland'. Tot aan de reformatie bleef de Stins grafelijk bezit en zijn de achtereenvolgende leenmannen: 1369 Jan Wissenz.; 1397 Simon Jan Wissenzz. bij dode van zijn vader; 1421 Jan Simonsz. bij dode van Simon Jansz., zijn vader; 1447 Jan Simonsz; 1480 Dirk van Zwieten voor Volkwijf, dochter van Jan Simonsz., bij dode van haar vader; 1515 Augustijn van Teilingen voor heer Simon Simonsz., priester, pater van de jonge hof te Alkmaar, bij dode van Volkwijf, dochter van Jan Simonsz., diens nicht; 1520 Willem Simonsz. voor Adriaan, zijn zoon, bij overdracht door Augustijn van Teilingen voor heer Simon Simonsz., priester, pater van het jonge begijnhof te Alkmaar; 1535 Adriaan Willem Simonsz; 1577 Willem Albout Adriaansz. bij dode van Adriaan Willem Simonsz., zijn vader, waarna overdracht aan Nikolaas Gerbrandsz.

Afb. 48 De Stins omstreeks 1925

Afb. 46 Teugelgeleider met leeuwenkop van een rijtuig 17de eeuw (gevonden bij de Hogebieren)

Een betrouwbare bron blijkt echter een vermelding in de grafelijke lenen waarin 'een huis en hofstede aan de Hogeberen in Haringhuizen, v贸贸r het jaar 1369 in leen gegeven wordt aan Haring Hermansz', dezelfde naam die Westfalen noemde. De naam Haring is daarbij te koppelen aan de plaatsnaam Haringhuizen, een plaats die in 1338 nog Nieuwekerc werd genoemd1.

- 23 -

Latere bewoners en eigenaars: v贸贸r 1616 Aeriaen Cornelis Stins, Cornelis Jans Stins (alias Ruis); 1624 Cornelis Gerrits Beeck;1644 Gerrit Cornelis van de Stins;1663 Cornelis Gerrits Stinsman;1720 Cornelis Cornelis Fala alias Stinsman; weduwe Cornelis Stinsman; 1744 Gerrit Cornelis van de Stins; 1755 Maartje Pieters, weduwe Gerrit Luijtjes; 1758 Cornelis Cornelis (hier overleden); Grietje Langereis, weduwe Jan Cornelis Zwan; 1812 Jan Maat; 1855 Jacob van der Oord. Het hoge land, zoals het gebied ten noorden van de Hogebieren wordt genoemd, heeft in tegenstelling tot de Slikvenpolder (ten zuiden van de Hogebieren) weinig last ondervonden


van de opeenvolgende overstromingen in de late middeleeuwen. De Hogebieren fungeerde in het verleden duidelijk als een dijkje, de Stins bleef met droge voeten. Clusters 13de-eeuwse scherven aardewerk worden met regelmaat aangetroffen in de bouwvoor van het hoge land, voornamelijk op kavels ten westen van de Stins. Bewoning aan de Hogebieren was in die tijd duidelijk intensiever dan in de belendende plaats Haringhuizen dat als plaats pas is ontstaan aan het eind van de 13de eeuw.

Rondom de Stins heeft tot op heden geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. De stolp op het perceel werd in 1866 herbouwd en kreeg in 1907 de functie van schuur toen er een nieuwe woning voor werd geplaatst. Bronnen: 1 Mieris Groot Charterboek jaar 1338 deel II blz. 607 'Nieuwekerk', jaar 1414 deel IV blz. 296 'Haringhuizen'; Rekeningen Grafelijkheid Holland jaar 1343 ( H.G. Hamaker deel 2, 1876) 'Nuwekerke-Heringhehusen'. Notarieel Schagen 4565-69; 4589-88. Oud recht Barsingerhorn 5797-110; 5798-7, 128. Notarieel Winkel 5599-44, 187. Oud recht Haringhuizen 5819-98, 134. Notarieel Nieuwe Niedorp 3946-2922; 3950-3253.

Onder de Middenweg in Heerhugowaard Jaap van Rossum e Middenweg in Heerhugowaard behoort tot een van de oudste wegen van deze droogmakerij. Het zuidelijk deel van deze weg ligt nu te midden van de Stad van de Zon, een zeer eigentijds stedelijk ontwerp van de bekende stedenbouwer Ashok Bhalotra. Niettemin straalt juist het deel van de Middenweg dat dwars door dit moderne stedelijke gebied loopt nog het meest het oorspronkelijke karakter uit van dit uit 1630 daterende landschapselement: een smalle kaarsrechte weg met aan weerszijden bomen en sloten, waarlangs op meerdere plekken nog historische bebouwing aanwezig is in de vorm van stolpboerderijen.

D

twee sleuven (de derde sleuf volgt wellicht op het moment dat de wegwerkzaamheden worden uitgevoerd). Op 3 maart 2017 is er een open dag gehouden, waarbij belangstellenden en basisschoolleerlingen uit de buurt de opgravingen konden bekijken (Afb. 49).

Afb. 50 Opgegraven takken van een oude wegverharding

Afb. 49 Zuidelijk deel Middenweg Heerhugowaard. Op de voorgrond kinderen van basisscholen uit de buurt die op de open dag uitleg kregen

De weg is inmiddels aan een grondige opknapbeurt toe. De bomen zijn aan het einde van hun levensduur, het wegdek verdient een opknapbeurt en ook talloze leidingen onder de weg zijn aan vervanging toe. Kortom, dit deel van de Middenweg tussen Reuzenpandasingel en Intratuin gaat in 2018 grootscheeps op de schop. Omdat de weg een grote cultuurhistorische betekenis heeft, is voorafgaand aan de reconstructie-werkzaamheden archeologisch onderzoek uitgevoerd. Oorspronkelijk zouden daarbij drie proefsleuven van 2 meter breed dwars over de weg worden aangelegd. De locaties van de sleuven zijn bewust gekozen op plaatsen waar van oudsher boerderijen stonden; hier werd de kans op interessante vondsten namelijk het grootst geacht. Het onderzoek is uitgevoerd door Bureau RAAP. Uiteindelijk is vanwege tijdgebrek het onderzoek beperkt tot

- 24 -

De dwarsprofielen, die de sleuven te zien geven, moesten inzicht geven in de opbouw en het historisch gebruik van de weg. Onder het asfalt zouden immers wegverhardingen en karrensporen aangetroffen kunnen worden, die teruggaan tot de allereerste fase van de Middenweg in de 17de eeuw. In de eerste sleuf is de verwachte 19de-eeuwse bestrating is niet aangetroffen, wel karresporen in de klei. In de tweede sleuf is wel een mogelijk historisch wegverharding aangetroffen in de vorm van twijgen (Afb. 50). De ouderdom hiervan wordt nog onderzocht. Begeleidend archeologisch onderzoek tijdens de werkzaamheden zal moet uitwijzen over welke afstand deze wegverharding zich uitstrekt. Verder zijn in deze sleuf enkele scherven, een knikker en een kogel (flesafsluiting?) gevonden (Afb. 51). Wordt vervolgd.

Afb. 51 Scherven, knikker en kogel uit sleuf nr. 2


Nieuwe toekomst voor het Regthuis Dick Zuiderbaan et Regthuis (rijksmonument) in Oudkarspel, sinds 1989, het onderkomen van Stichting Langedijker Verleden heeft een nieuwe eigenaar.

H

Op 12 oktober 2015 heeft Langedijker Verleden dit met de voorzitter van Stichting Hart van Oudkarspel, besproken. Hart van Oudkarspel wil de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het behoud en voortbestaan van het Regthuis, haar musea en de werkzaamheden van Langedijker Verleden. Hart van Oudkarspel koopt via Langedijker Verleden het Regthuis van de gemeente Langedijk. Zij gaat het verbouwen, beheren en exploiteren. Hart van Oudkarspel heeft met Het Behouden Huis in Oudkarspel (voormalige lagere school) bewezen dat zij met al haar vrijwilligers tot grote daden in staat is en dat zij het Regthuis exploitabel kunnen maken. Voor Langedijker Verleden zou dit een ideale oplossing zijn. In het nieuwe project en ondernemersplan valt Stichting Langedijker Verleden net zoals Het Behouden Huis onder Stichting Hart van Oudkarspel. Twee bestuursleden van Langedijker Verleden hebben plaats genomen in het bestuur van Hart van Oudkarspel.

Afb. 52 Het Regthuis heeft een nieuwe eigenaar

In januari 2015 kreeg Stichting Langedijker Verleden te horen dat de huurovereenkomst met de gemeente Langedijk per 31 december 2015 werd opgezegd. De gemeente gaat het Regthuis afstoten in het kader van het nieuwe accommodatiebeleid. Langedijker Verleden kreeg te horen dat zij het kon kopen op basis van een marktconforme situatie. Bovenstaande mededeling was wel even slikken voor het bestuur van Langedijker Verleden. Het Regthuis is een prima locatie is waar Langedijker Verleden sinds 1989 tot volle tevredenheid gehuisvest is. Cultuur en historie komen in dit gebouw naadloos bij elkaar. Waar zou Langedijker Verleden in Langedijk huisvesting kunnen vinden?

Stichting Hart van Oudkarspel kon, na lang onderhandelen met de gemeente Langedijk, uiteindelijk het Regthuis kopen voor € 85.000,- (kosten koper). De restauratiekosten zijn begroot op € 210.000,-. Dit naar aanleiding van het eerder genoemde inspectierapport van Monumentenwacht NoordHolland (de fundering aan de zuidwestzijde is verzakt, de vloerbalken in de trouwzaal zijn vermolmd, de vloer en de buitenmuren zijn niet geïsoleerd en het dak moet vervangen worden etc.). De totale kosten zijn begroot op € 300.000,Inmiddels is via giften vanuit de gemeenschap en fondsen ruim € 250.000,- bijeengebracht, een prachtig resultaat. De koopovereenkomst is op 21 december 2016 getekend en de akte van levering is op 19 januari 2017 bij de notaris getekend en afgehandeld.

In maart 2015 heeft Monumentenwacht Noord-Holland het Regthuis geïnspecteerd waaruit bleek dat er nogal wat (verborgen) gebreken aanwezig waren. Een voorlopige begroting kwam uit op ruim € 103.000,In juni 2015 vond het eerste gesprek met de gemeente plaats over de aankoopprijs en de noodzakelijke reparatiekosten. Langedijker Verleden kon het kopen voor € 127.200,- (kosten koper) waarbij Langedijker Verleden de noodzakelijke reparatiekosten (op € 30.000,- begroot door de gemeente) zelf moesten betalen. In september 2015 is een tegenaanbod gedaan van € 105.000,-. Dit werd niet geaccepteerd. De gemeente bleef bij het aanbod van € 127.000,-. Tijdens de extra donateursavond op 1 oktober 2015 werd de ontstane situatie ten aanzien van het Regthuis aan de donateurs voorgelegd. Tijdens deze avond heeft Stichting Hart van Oudkarspel aangeboden om de mogelijkheden te onderzoeken om het Regthuis, inclusief de exploitatie, onder te brengen in Stichting Hart van Oudkarspel.

- 25 -

Afb. 53 De voorgevel van Het Behouden Huis

Afb. 54 De achtergevel en ingang van Het Behouden Huis


Op maandag 23 januari 2017 is met een ploeg vrijwilligers gestart met de renovatie. In de week van 13 februari 2017 is door een gespecialiseerd bedrijf de fundering hersteld zodat het Regthuis weer recht staat.

Afb. 57 Nieuwe vloerbalken en een geĂŻsoleerde vloer in de trouwzaal

Afb. 55 De vermolmde vloerbalken en de vloer zijn verwijderd.

Afb. 58 De keuken en toiletten in de hal zijn verwijderd i.v.m. de nieuwe indeling

Afb. 56 De vloerbalken steunden op de funderingskolommen

Stichting Langedijker Verleden gaat het museum en de tentoonstellingszolder opnieuw inrichten en is al druk bezig met de voorbereiding van een nieuwe tentoonstelling over Bruggen en Paden die Langedijk rijk was voordat de verkaveling, begin 1970, zijn intrede deed.

- 26 -

Het Regthuis wordt weer een trouwlocatie met een sfeervolle uitstraling. Via verhuur van de trouwzaal voor vergaderingen, lezingen, filmmiddagen/-avonden enz. zal er geld in het laatje moeten komen. Ook een B&B en slapen in de bedstee is een mogelijkheid om geld te genereren. Als alles mee zit, hopen we in het najaar van 2017 het gerenoveerde Regthuis feestelijk te kunnen openen voor al onze donateurs en belangstellenden.


Een 17de-eeuwse Galjoot op het Balgzand John van Lunsen* en op de bodem van de Finse Golf gevonden schip (2002), vermoedelijk het in 1708 gebouwde Fregat 'Huis te Warmelo', werd afgelopen jaar mede geïdentificeerd met hulp van een 18de-eeuwse kaart waarop de tekst 'hier is het Noord Hollands oorlog schip op gebleven 1715'. Dergelijke oude kaarten, waarop wrakken staan aangegeven, zijn zeldzaam. Toch kunnen we voor wrakkaarten ook dichter bij huis terecht, zoals de bij dit artikel afgebeelde kaart van een gedeelte van het wad tussen Texel en Wieringen. Pieter Willems Muller, schout en secretaris van Callantsoog, tevens landmeter, tekende de kaart in het jaar 1708 en gebruikte daarbij de schaal van Rijnlandse roede als lengtemaat. Op de kaart zien we de verbinding tussen vaargeul 'de Balgh' en de Koopvaarders Rede, beter bekend als Rede van Texel.

E

Afb. 59 Gallioots wrack (detail van Afb. 61)

Voor het scheepvaartverkeer tussen Noordzee en Zuiderzee, was de Balg, naast het Marsdiep, een belangrijke en drukke verbindingsroute. Obstakels in de vaargeul, zoals zandplaten, werden aangegeven met ton bakens. De punt van een zandplaat met de toepasselijke naam ' de plaat ', welke de monding van de vaargeul hinderde, was hier echter voorzien van een ander baken, namelijk een wrak van een Galjoot (koopvaardijschip). Zie rode pijl op de kaart (Afb. 61).

raadplegen, hetgeen een aardige puzzel werd. Dit resulteerde uiteindelijk in de locatie met RD coördinaten 121254, 556331. Een marge of cirkel van 200 meter om het meetpunt heen, dient daarbij te worden meegenomen. Oude kaarten zijn onzuiver. De coördinaten zijn voorgelegd aan Hans Eelman, amateur onderwaterarcheoloog op Texel. In zijn bestand kwam de plek voor als een 'obstakel' in de bodem, in het verleden waargenomen door garnalenkotter TX 50. Het obstakel is (in scheepvaarttermen) op 3,7 mijl van Den Helder en 2,8 mijl van Texel aangegeven. VOC Galjoot 'de Lelie'? Is de Galjoot tegen de zandplaat aangevaren en daar achtergelaten? De zandplaat komt reeds voor (in dezelfde driehoeksvorm) op een kaart uit 1670. Bekend is dat de in 1653 gebouwde VOC Galjoot 'Lelie' binnen een jaar na de bouw bij Texel zou zijn vergaan. In 1997 werd ten oosten van Texel, in een gebied genaamd 'Burgzand' , een scheepswrak gevonden dat werd aangezien voor mogelijk de Lelie. Na onderzoek in 2002 bleek het hier om een ander, nog onbekend wrak te gaan (Archis nr. 35999, BZN 8). Conclusie is dat het wrak van Galjoot 'Lelie' nog niet is teruggevonden en we hier nu een kaart vinden waarop het wrak van een Galjoot staat aangegeven, een wrak van een schip dat uit dezelfde tijd afkomstig kan zijn als de Lelie. Daarnaast blijkt er op die positie daadwerkelijk iets tastbaars in/op de bodem aanwezig. Bij elkaar voldoende informatie voor een onderzoek. * met dank aan Hans Eelman

Afb. 60 Galjoot 'Zuilen' (1657) als voorbeeld

Locatie heden Om de huidige positie van het wrak te achterhalen was het nodig een flink aantal kaarten (uit de afgelopen eeuwen) te

- 27 -

Afb. 61 Kaart uit 1708 van Pieter Willems Muller


Van de penningmeester van RAG RAG-donateurs, die hun financiële bijdrage 2017 aan de Stichting RAG nog niet hebben voldaan, vragen wij vriendelijk dit alsnog te doen door minimaal € 10,-- over te maken op rekening: NL85 INGB 0000 7791 46 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar. Stichting RAG heeft per 1 januari 2014 de status van Culturele ANBI. Dit betekent dat particuliere donateurs in de aangifte inkomstenbelasting 1,25 keer het bedrag van de gift mogen aftrekken. Ondernemingen mogen 1,5 keer het bedrag van de gift aftrekken in de aangifte vennootschapsbelasting. Meer over ANBI en RAG staat op www.rag-archeologie.nl.

Uw e-mailadres graag! Graag vragen we nogmaals uw aandacht voor het volgende. De uitnodigingen voor vergaderingen, lezingen en andere evenementen worden uitsluitend per e-mail en dus niet per papieren post verzonden (kosten- en tijdbesparing!). Poldergeest, het halfjaarlijks verschijnende informatiebulletin, wordt wel aan alle leden van AWN Afd. Noord-Holland Noord en de donateurs van Stichting RAG verzonden. Als u op de hoogte gehouden wilt worden, zorg er dan voor dat uw e-mailadres bij ons bekend is (d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl of j.van.rossum@rag-archeologie.nl). Of bezoek regelmatig de agenda van de website www.rag-archeologie.nl.

Agenda • • • • • •

De jaarlijkse RAG-excursie is op zaterdag 10 juni 2017. De bestemming is ditmaal Oudeschild op Texel. We bezoeken daar het museum Kaap Skil en Fort De Schans. Lees meer op blz. 6 en op onze website (rubriek Agenda). De RAG-lezingencyclus in het najaar is voorlopig gepland op de donderdagen 16 november, 30 november en 14 december 2017. Het thema is dit keer Boerderijen in Noord-Holland. Huis van Hilde Castricum, 22 april t/m 15 oktober 2017, Cold cases; speurwerk in de archeologie. Stedelijk Museum Alkmaar, 15 juli - 29 oktober 2017, Dichter Bij Maria Tesselschade, een intieme tentoonstelling over Maria Tesselschade en de archeologische vondsten aan de Langestraat in Alkmaar (stedelijkmuseumalkmaar.nl). Kijk op www.rag-archeologie.nl (Agenda) voor meer en actuele informatie over onze lezingen en over andere evenementen, Voor landelijke archeologie-evenementen en lid worden van AWN, zie de website van AWN, www.awn-archeologie.nl.

Colofon POLDERGEEST is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord en verschijnt twee maal per jaar. Bestuur AWN Afd. Noord-Holland Noord: Ruud Marcus, voorzitter, Jaap van Rossum, secretaris, Frans Diederik, bestuurslid, Roel Zutt, penningmeester,

ruudmarcus@gmail.com javaros@hetnet.nl fransdiederik@quicknet.nl roelzutt@quicknet.nl

tel. 0226-318639 tel. 072-5157122 tel. 0224-296548 tel. 0226-393960

Werkgroepen in Noord-Holland Noord die lid zijn van AWN, zijn: Archeologische Regiowerkgroep Oer-IJ, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland, Archeologische Werkgroep Strandwallen, Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht, Stichting Regionale Archeologie Baduhenna en Stichting Werkgroep Oud Castricum. Bestuur Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” (RAG): Silke Lange, voorzitter, s.lange@rag-archeologie.nl Dick Zuiderbaan, secretaris, d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl Jaap van Rossum, penningmeester, j.van.rossum@rag-archeologie.nl webredacteur, redactie Poldergeest Ger Kalverdijk, bestuurslid, g.kalverdijk@rag-archeologie.nl John van Lunsen, bestuurslid, codex-1@hotmail.com Henk Komen, bestuurslid, h.e.komen@hetnet.nl Stichting RAG

info@rag-archeologie.nl

Inschrijvingsnummer RAG bij Kamer van Koophandel: 37116370 Inschrijvingsnummer AWN Afd. 9 NHN bij Kamer van Koophandel: 58659277

- 28 -

tel. 072-5337525 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122

tel. 06 26868078 tel. 06 42763709

Poldergeest nummer 24  
Poldergeest nummer 24  
Advertisement