Page 1

P O L D E R 9 E E S T NIEUWSBULLETIN VAN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT” ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND AWN AFD. NOORD-HOLLAND NOORD

AFD. 9 Nr. 20

MEI 2015

Over de waarde van ..... ................................................................................................... 2 Beste lezer!........................................................................................................................ 2 Tien jaar Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” ............................... 4 Op verkenning in het Geestmerambacht ........................................................................ 6 Samenhang tussen landschap en archeologie in de Kop van Noord-Holland............. 13 Archeologie van het Geestmerambacht ........................................................................ 19 Het Geestmerambacht in de middeleeuwen ................................................................. 29 Vergeten archeologie in het Geestmerambacht............................................................ 35 Kleimeer, het groene hart van het Geestmerambacht. ................................................ 41 Malen of ten onder gaan ................................................................................................ 48 Stichting Langedijker Verleden en de geschiedenis van ’t Regthuis........................... 54 E.H.P. Cordfunke blijft nog veel over archeologie vertellen ....................................... 59 RAGenda......................................................................................................................... 60

10 jaar RAG en 20 maal Poldergeest

-1-


Over de waarde van ..... Drs. J.F.N. Cornelisse, Burgemeester Langedijk

H

et Geestmerambacht is een historisch duidelijk omlijnd gebied met een bijzondere ontstaansgeschiedenis. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw is het bovendien een gebied waarin veel veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij de ruilverkaveling wel de meest ingrijpende is geweest. Juist vanwege de geschiedenis van het gebied is het van belang om vast te houden aan de karakteristieke kenmerken. Het is een uitdaging om de cultuurhistorische waarden te behouden en toch ruimte te geven aan ontwikkeling. Afwegingen worden gemaakt op basis van onze huidige kennis en het daarop gebaseerde inzicht. Dit vergt deskundigheid en uithoudingsvermogen, eigenschappen die de Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” (RAG) in de afgelopen decennia duidelijk heeft getoond. De verbondenheid met ons leefgebied, de natuur en cultuur om ons heen, draagt bij aan het geluk en welzijn van de mensen. Het besef inzake de cultuurlandschappelijke waarden groeit in onze moderne tijd. Actuele waarden, zoals toerisme, recreatie en luxe zijn belangrijk, maar daar staat tegenover dat de beleving van ons leefgebied ook gaat over waarden uit het verleden; of het nou gaat om het archeologische of histo-

rische verleden, om relicten, zoals munten, scherven en andere vondsten uit prehistorie en middeleeuwen, of om de waterkundige geschiedenis. De gemeente Langedijk heeft de waarden geïnventariseerd en beschreven in de beleidsnota Cultuurhistorie 2012. Ook hieraan heeft de Stichting RAG naast andere erfgoedinstellingen, een bijdrage geleverd. Bovendien is mede dank zij de inzet van de Stichting RAG het gemaal van het Kerk- en Dergmeer, een prachtig monument met een bijzondere geschiedenis, onlangs op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Waarden vergelijken tussen allerlei hardere en zachter genoemde zaken is altijd al een lastig onderwerp geweest, zeker in de huidige tijd. Laat staan de vergelijking tussen economische waarden en waarden, afkomstig uit een ver en minder ver verleden. Ik wil maar zeggen dat uw archeologisch en cultureel-historisch werk waardevol is en gaat over waardevolle zaken! Bij het tienjarig jubileum van de Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” (RAG) past dan ook een felicitatie! Van harte wens ik de Stichting RAG veel succes bij de realisatie van de toekomstige voornemens.

Beste lezer! Steven Kalverdijk

D

e Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht (RAG) bestaat tien jaar. Ter gelegenheid van dit jubileum wil de Stichting Ger Kalverdijk in het zonnetje zetten. ‘Of ik, Steven, jongste zoon van Ger, een persoonlijke herinnering kan schrijven?’ Het geeft aan dat de Stichting RAG waardering heeft voor de bezieling die hij sinds de start heeft getoond. Het aanbod om eens over Ger te schrijven pak ik dan ook met beide handen aan, want ik ben trots op hem. De oprichting van Stichting RAG was een logisch vervolg op de Stichting COOG, waar Ger ook bij betrokken was. Daar waar de Stichting COOG zich richt op het vastleggen van een voltooid verleden tijd, zou de Stichting RAG zich toeleggen op kennis en behoud van het (bedreigde) archeologische en cultuurhistorische erfgoed dat nog aanwezig is in het Geestmerambacht. Na een jaar ‘proefdraaien’ werd RAG een volwaardige Stichting met duidelijke doelstellingen.

-2-

Niet alleen het tienjarig jubileum is nu een felicitatie waard, ook feliciteer ik de Stichting met haar mooie resultaten. Met name de positieve ontwikkelingen rond de bescherming van het Kerk- en Dergmeerensemble zit nu vers in het geheugen. Samenwerking, voorlichting en netwerken zijn succesingrediënten voor de Stichting RAG gebleken. Ik geloof zeker dat Ger’s vasthoudendheid daar een bijdrage aan heeft geleverd. Zoals ik Ger nu prijs om zijn vasthoudendheid, zo heb ik mij als puber daartegen afgezet: een totaal onbegrip voor de activistische invulling van zijn hobby’s. Het heeft destijds zo zijn weerslag gehad op onze vader-zoonrelatie, maar inmiddels ben ik ‘in zijn genen gegroeid’: ik blijk over globaal dezelfde interesses en drijfveren te beschikken. Actief bezig zijn met erfgoed is zingevend voor jezelf, maar ook voor de maatschappij. Velen van u weten zelf uit ondervinding hoeveel bloed, zweet en tranen het kost om deel uit te maken van een stichting met ambitie. Onderzoek en schrijven vormen vaak de basis voor


het behalen van doelstellingen, maar de beste onderzoeken en artikelen kosten heel veel tijd. Ik zie de lange weekenden en avonden weer voor me dat Ger aan zijn artikelen werkte. Ik stel mij zo voor dat de onderwerpen op voorhand wel zo ongeveer vastlagen, maar aan ieder artikel ging veel aanvullend onderzoek vooraf. Voor mij als tiener was het vele papierwerk in de studeerkamer het meest zichtbare resultaat: uitgeknipte krantenartikelen, boeken en tijdschriften voorzien van opmerkingen, samenvattingen en omgevouwen ‘oortjes’. Het leek voor mij alsof Ger alle opgedane kennis tot in details kon onthouden. Als Ger begon met schrijven was de deadline vaak al in zicht, maar de rode draad van het verhaal zat dan nog verstopt tussen de details. Te midden van stapels papier en boeken verscheen menig artikel pas bij het ochtendgloren. Het schrijven van artikelen en columns is vermoedelijk net zo iets als werken aan je lichamelijke conditie: de voldoening van hardlopen of een bezoek aan de sportschool is er vaak pas als je weer thuis bent.

Afb. 1 Ger 5 jaar geleden bij het Kerk- en Dergmeergemaal. Hier praat hij met Björn de Vries, die met handschoenen aan een demonstratie van het gemaal aan het voorbereiden is.

Hoe is deze, bijna beroepsmatige, uitoefening van zijn hobby ontstaan? Hij had buiten zijn werk als leraar altijd al hobby’s waar de overdracht van kennis of het stimuleren van culturele ontwikkeling een rol in speelde. Dat varieerde van een scholierenfestival in de Vest om jongeren in aanraking te brengen met het uitoefenen en waarderen van toneel en muziek, tot het geven van natuurexcursies voor het IVN in het Heilooër Bos. Bij die excursies lag overigens al snel de nadruk op de cultuurhistorische waarden van het landgoed en het huis Nijenburg. Ook de beoefening van genealogie is een hobby geweest, maar de stamboom is nooit helemaal voltooid. Zijn onderwijzersbloed bracht hem er wel toe om cursussen genealogie en oud schrift te geven. Na een loopbaan in het onderwijs, kon Ger in 1987 met extra vervroegd pensioen. Beschouw pensionering maar als een shocktherapie voor lijf en geest. Na de regelmaat van een werkzaam leven kwam onafwendbaar het moment van de geraniums; maar niet voor Ger. Genealogie en interesse in de lokale geschiedenis van zijn geboortestreek brachten hem in een gezelschap van gelijkgestemden. Het leidde tot de oprichting van COOG, Coördinatie Onderzoek Oud Geestmerambacht, waar hij dankzij zijn pensionering volop tijd aan kon

-3-

besteden. De Stichting COOG brengt een serie kloeke boeken in druk, die de vroegere veldnamen en de landeigenaren in het Geestmerambacht aan de vergetelheid ontrukt. Van harte hoop ik dat de serie op termijn gecompleteerd zal worden, want het is een enorm project. In ieder geval is het resultaat van de verschenen boeken bevredigend. Naast de verklaring van veldnamen, zijn de boeken verlevendigd met artikelen die verder gaan dan de strikte doelstelling. Er is in de boeken namelijk ook plaats voor de geologie, de ontwikkelingsgeschiedenis, archeologie, de fauna, de bewoners en soms zelfs het Westfriese dialect. Het maakt de boeken voor een iets groter publiek interessant en leesbaar. Tijdens de werkzaamheden voor COOG ontstond ook het besef dat in het grondig herverkavelde Geestmerambacht nog een paar stukjes niet -of in mindere mate- door graafmachines beroerd zijn. De bijzondere waarden van deze stukjes was onbekend bij velen en op termijn een bedreiging voor het voortbestaan: onbekend maakt immers onbemind. De oprichting van een stichting die zich bezighoudt met het bevorderen van kennis en behoud van de archeologie en de cultuurhistorie is het logische uitvloeisel daarvan: ‘ontwaakt’, zoals Ger opriep in de eerste Poldergeest. De Stichting RAG heeft een blijvend bestaansrecht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de recente berichtgeving omtrent de komst van een adventurepark in het Geestmerambacht. In ons verstedelijkte Nederland wordt onze omgeving natuurlijk altijd veranderd en opnieuw ontwikkeld. Dat zijn bedreigingen, maar het biedt ook kansen voor ons erfgoed. Hoewel veel mensen een natuurlijke belangstelling hebben voor erfgoed, wordt het toch vaak bewust of onbewust geofferd voor beperkte en kortstondige belangen. De waarde van erfgoed zit in de duurzame kwaliteit die het biedt voor onze leefomgeving. Erfgoed biedt een aantrekkelijke leefomgeving en trekt wonen, werken en toerisme aan. Behoud ervan is dan ook essentieel om die aantrekkelijkheid vast te houden. Het enthousiasmeren van mensen voor erfgoed, met gefundeerde kennis, aanstekelijke informatieverstrekking en soms een beetje activisme zijn rollen die goed bij de RAG passen. Ik wens de Stichting RAG heel veel succes en wijsheid voor de toekomst. Voor Ger zullen de voorgaande woorden een verrassing zijn. Hij zal ervan genieten, maar ook aansluitend iedereen nog bij naam willen noemen die evenveel of misschien wel meer lof verdient dan hij en bijgedragen heeft aan het succes van de Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht. Daarom namens hem: hartelijk dank! De stichting bloeit dankzij jullie fijne samenwerking.

Steven Kalverdijk is bouwhistoricus en bouwkundig adviseur te Heiloo


Tien jaar Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” Ger Kalverdijk

S

tichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht bestaat tien jaar. Hiervan heb ik bijna negen jaar als voorzitter het voortouw in handen gehad om samen met een enthousiast bestuur de bijzondere geschiedenis van het Geestmerambacht onder de aandacht te brengen. Als man van het eerste uur werd mij gevraagd een inleiding te schrijven over de gang van zaken in het Geestmerambacht in de afgelopen tien jaar. Ook vroeg men om een toekomstvisie op grond van opgedane ervaringen te schrijven die kan helpen de RAG succesvol voort te zetten. Onder de nieuwe leiding van een goed bestuursteam heb ik er alle vertrouwen in dat dit zal lukken. Het idee om deze extra dikke Poldergeest uit te geven voor een groter publiek dan onze circa 150 gebruikelijke lezers deed ons besluiten naast onze eigen schrijvers ook een aantal gastauteurs uit andere disciplines uit te nodigen, die dus ook andere thema’s aanroeren. Het bestuur van Stichting RAG is heel blij met hen en wij willen hierbij onze hartelijke dank uitspreken voor hun bijdragen. Overigens is de variëteit van thema’s in deze Poldergeest 20 niet zo vreemd, want er zijn vele niet-archeologische zaken die wel degelijk raakvlakken hebben met en onontbeerlijk zijn voor goed archeologisch onderzoek. Naast onderzoek van het “bodemarchief” kan het historisch archief de geschreven achtergronden onthullen over de gronden waar we mee bezig zijn. Het onderzoek naar de aanwezigheid van een Zijtwinde tussen Koedijk en Langedijk toont ons bijvoorbeeld, dat ook de kennis van veld- en waternamen (toponymie) en agrarische geschiedenis verhelderend kan werken. Biologische, natuurkundige en chemische kennis is in toenemende mate onontbeerlijk geworden voor degelijk archeologisch onderzoek. De toenemende kennis van nieuwe technieken bij de opsporing, zoals onder meer grondradar maken dat wij vaak beter de bodemschatten in situ (in de bodem) kunnen laten voor een generatie toekomstige onderzoekers. De archeologische monumentenzorg en het Verdrag van Malta verplicht sinds 2007 bij verstoringen archeologisch onderzoek te laten doen: van bureauonderzoek via inventariserend veldonderzoek tot opgraving of behoud in situ. De Stichting RAG is vertegenwoordigd in de Erfgoedcommissie van de gemeente Langedijk. Wij hopen voor de toekomst dat de goede contacten, die zijn opgebouwd met de gemeente Langedijk en Schagen nog versterkt worden. Met dank aan alle medewerkers van deze Poldergeest wens ik U tenslotte veel leesplezier! Eerste decennium van Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht”, een terugblik Maandagavond 17 januari 2005 werden op het kantoor van Actus te Zuid Scharwoude zes handtekeningen gezet onder de statuten van de Stichting RAG, die notaris mr. F. de Vries met ons had voorbereid en waaraan hij die avond (gratis) rechtskracht verleende. In de statuten zijn passages opgenomen, waarin naast het onderzoek en de verspreiding van kennis van het archeologische bodemarchief ook het behoud of terugbrengen van cultuurhistorische elementen in het Geest-

merambacht als doelstellingen zijn genoemd. Voorts wordt speciaal vermeld: het streven naar een goede samenwerking met de historische en archeologische verenigingen en stichtingen in de regio. Wat onze archeologische regio betreft wilden we meer archeologische aandacht geven aan het grootscheeps grondverzet bij onder andere het Twuyvermeer in Sint-Pancras en aan de uitbreidingen van het recreatie- en natuurgebied in het Geestmerambacht.

Afb. 2 Op de voorgrond het eerste bestuur van Stichting RAG met de spaden in de aanslag: Frans Diederik, Wijb Ouweltjes, Johan van der Molen, Ger Kalverdijk, Wim Dekker en Jan Barsingerhorn. Op de achtergrond bevriende archeologen o.a. uit Schagen (foto Rodi Media).

De naam ‘Gheestmanambocht’ die wij kozen voor de naam van onze stichting is de oudst bekende vermelding van het gebied. De naam duikt in 1320 op als naam van het ambacht en is één van de vier ambachten waarin West-Friesland sinds circa 1250 was verdeeld om met name de Westfriese Zeedijk te onderhouden. Nadat de Westfriezen in de slag bij Vrone (1297) waren overwonnen, werd het verwaarloosde toezicht op de dijken verbeterd door de nieuwe regeling van 1320, uitgevaardigd door bisschop Jacob van Zuden, waterschapadviseur en rechter van de Hollandse graaf Willem de Goede1. Feestelijk omzien na ruim tien jaar inspanning voor de archeologie en cultuurhistorie in het Geestmerambacht leek ons nuttig, nu er steeds nog nieuwe leden bijkomen, die wellicht nieuwsgierig zijn naar de voorgeschiedenis en de laatste archeologische ontwikkelingen in het Geestmerambacht. Voorafgaande aan de komst van Stichting RAG hadden we als AWG (Archeologische Werkgroep Geestmerambacht) bijna twee jaar ervaring opgedaan bij de Werkgroepen Schagen en Heiloo. Poldergeest nummer 1 werd al in 2005 door Charles Barten uitgebracht. Omdat in ons lijfblad Poldergeest 6 van april 2008 al een terugblik op het eerste lustrum van archeologische activiteiten in het Geestmerambacht verscheen, beperk ik me in dit artikel tot de hoogtepunten vanaf begin 2008 1

-4-

Chr. Streefkerk, Poldergeest 7, blz.2-3


tot einde 2014. U kunt dan zelf zien of wij aan onze edele doelstellingen hebben voldaan. 2008 is het jaar van RAG’s eerste expositie in de Broeker Veiling. Samen met andere historische verenigingen werd “Natte Grond onder de Voeten” een aardig succes, dat om herhaling vraagt. Excursies waren er naar de abdij van Egmond en naar het Kerk- en Dergmeergemaal van gastheer Björn de Vries in Oudkarspel. In het najaar werden er gedurende ruim een maand proefsleuven gegraven bij de Zijtwinde en in het recreatiegebied De Druppels, onderzoeken die in winterse kou door onder anderen Wijb Ouweltjes, Monique Zwetsloot, Frans Diederik, Wim Dekker en Ger Kalverdijk werden gevolgd. Belangrijke vondsten uit de ijzertijd en vroeg-romeinse periode werden gemeld, waaruit bleek dat de vroeger zo kale polder bij de Diepsmeer al vroeg bewoond is geweest. Arie de Boer hield voor RAG een boeiende lezing over de mammoetvondsten in het Geestmerambacht uit de laatste ijstijd (circa 10.000 jaar geleden) geëxposeerd in “zijn” prachtige museum Westflinge. Op 64-jarige leeftijd overleed helaas RAG-penningmeester Jan Barsingerhorn. Hij werd opgevolgd door Jaap van Rossum, die ook de redactie van het blad Poldergeest op zich nam en later de website startte. Het ledental bedroeg op dat moment veertig. 2009 is het jaar dat de banden met de werkgroep Kop van Noord-Holland onder leiding van Frans Diederik nauwer werden aangehaald onder meer door een prima ruil: hun nieuwe onderkomen “Nieuwe Nes” in Schagen werd namelijk voor onze leden opengesteld, terwijl wij de Poldergeest openstelden voor het nieuws uit de Schager- en Niedorperkoggen. In de Poldergeest 9 verscheen dus al snel het verslag van Frans en anderen over de onderzoeken in de polder Burghorn bij Sint-Maarten. Opgravingen waren er in Sint-Pancras in het centrum (Domeynen, door het bedrijf Hollandia) en in Schoorl (landgoed De Haaf) waar Frans scherven uit circa 450 na Chr. ontdekte. Een excursie langs vijf kerken in Broek op Langedijk van Stichting COOG en Stichting RAG onder leiding van Carla Rogge (kerkbouwhistoricus) was een succes. Monique hield in Schoorl een RAG-lezing in samenwerking met de Historische Vereniging Schoorl. Jaap startte de website van Stichting RAG, Poldergeest online, te vinden op www.rag-archeologie.nl. 2010 De opgraving in Oudkarspel bij de afgebroken kolfbaan en het indertijd afgebrande café “Huis de Brederode” werd door Frans en Wijb gesteund. Bij Schoorldam werden restanten gevonden van waarschijnlijk het oudste tolhuis van de Graaf van Holland en van Vrone. De kerk, kroeg en Kerkmeer-excursie o.l.v. Carla was dit keer gericht op de Kerk in Oudkarspel, het gemaaltje in de Kerkmeer en het historisch café “De Knip”. Het bestuur was aanwezig bij het uitgebreide onderzoek op de Paardenmarkt in Alkmaar en ook bij de opening van de moderne, stalen versie van de Nuwendoorn bij Eenigenburg. Het opzienbarende boek “Een West-Friese affaire. Malers in de Kerk- en Dergmeer” van Björn de Vries verscheen. 2011 Na mijn bezoek aan de graverij onder leiding van Michiel Bartels, stadsarcheoloog van Hoorn, in de ingewanden van de Westfriese Omringdijk bij Venhuizen, verzorgde hij een RAG- en COOG-lezing in samenwerking met Historische

Vereniging Koedijk. Wij werden uitgenodigd door Baduhenna voor de lezing van Jan de Koning over de onderzoeken in Heiloo, een onderzoek in Heerhugowaard en de restauratie van de gevel van Peter Verburg. Wij waren inmiddels voor archeologie vertegenwoordigd in de Erfgoedcommissie van de gemeente Langedijk. Op de publieksdag rond de Nuwendoorn werd een RAG-expositie in de kerk van Eenigenburg ingericht. Silke schreef de eerste originele Poldergeestcolumn. Onderzoeken waren er in Warmenhuizen en SintPancras. De jubileumviering AWN-60 jaar in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden werd door ons bijgewoond. Donateurs op dat moment: zeventig Op 9 november 2011 werd in Schagen door Frans en Jaap de afdeling 9 (Noord-Holland Noord) van de landelijke AWN opgericht in aanwezigheid van twee bestuursleden van het hoofdbestuur. 2012 De eerste Poldergeest, met een rode 9 in plaats van de g, verschijnt en doet verslag van opgravingen in onder meer Castricum en Sint-Pancras. Een nieuwe expositie van RAG werd ingericht in de kerk van Eenigenburg, waar lezingen van Gerard Alders en RAG aan waren gekoppeld. Museum Westflinge had een vitrine voor RAG/AWN afdeling 9 ingericht, die Frans vulde en waar hij een lezing bij hield. RAG had een archeologische expositie van Alkmaar in de molenschuur van Koedijk aangevuld met RAG’s eigen spullen, zoals de bekende powerpoint-presentatie van Jaap. Peter Bitter hield naar aanleiding van de expositie een boeiende lezing over de verschillende opgravingen die de afgelopen jaren in Koedijk zijn gedaan. Chris de Bont, historisch-geograaf uit Amsterdam/Wageningen gaf voor RAG en COOG een lezing over Zijtwindes. Wij organiseerden een fietstocht langs de oude Zijtwinde tussen Koedijk en Langedijk, waarover Jaap en ik een artikel schreven in het juist uitgekomen COOG-boek “Broek op Langedijk, meer dan vier eeuwen water- en veldnamen met de oudste doorvaarveiling” 2013 Met een gerust hart kon Ger om gezondheidsredenen zijn functie als voorzitter na ruim 10 jaar overdragen aan Silke Lange, archeologe en woonachtig in Heiloo. Als dank voor zijn werk en betrokkenheid ontving hij een ingelijste kaart van Hendrik de Leth uit ca. 1730. Onderzoeken in de Witsmeer bij Waarland, de Zijpe, Schoorl, Castricum, Heiloo en de abdij van Egmond-Binnen werden ondersteund en in de Poldergeest weergegeven. Een militaire begraafplaats uit 1799 bij Sint-Maarten werd onderzocht en beschreven door John van Lunsen. Deze nam tevens de plek van de drukbezette Frans in het RAG-bestuur over, waardoor er weer een bestuurslid uit de noordkop van Noord-Holland naast de trouwe Arend Grijzen was toegevoegd. Wij zijn Frans Diederik, medeoprichter van RAG en AWN-afdeling 9 heel veel dank verschuldigd, niet in het minst voor de vele lezingen en instructies in het veld! Ook Dick Zuiderbaan versterkte ons bestuur als secretaris, een functie die hij ook bij de Stichting Langedijker Verleden bekleedt. Dick nam ook de plaats over van Ger in de Erfgoedcommissie van Langedijk. 2014 De opgravingen in Zuiderloo (Heiloo) leverden opnieuw verrassingen op: naast palenkransen veel bijzondere sporen van boerderijen uit de vroege middeleeuwen, waarbij Silke haar hart kon ophalen. Frans bracht verslag uit over zijn onderzoeken in de Ursulakerk van Warmenhuizen en John deed hetzelfde op zoek naar de Aernaudsput bij Winkel. Hij begon

-5-


in de Poldergeest de serie “Begraafplaatsen uit de oorlog van 1799”. Op de oproep van Frans te helpen bij een paar weken graven in de waterberging van Schagerbrug, reageerden liefst 30 vrijwilligers. In dat jaar steunden we ook het burgerinitiatief van duizenden stemmen, dat pleitte voor vestiging van een avonturenpark op een logischer en minder schadelijke plek, namelijk in het dagrecreantengebied ten zuiden of oosten van het Zomerdel (Afb. 3) in het Geestmerambacht. Onze trouwe verslaggevers uit “de Zuid” Mark van Raaij en Rino Zonneveld lieten, naast Marielies van Lente en Silke Lange weer van zich horen, nu over hun onderzoek aan het zuideinde van Limmen. Voor mij persoonlijk was een hoogtepunt de overhandiging van de handtekeninglijst voor de (inmiddels door de Ergoedcommisie uitgesproken) monumentverklaring van het Kerk- en Dergmeercomplex (gemaaltje, huis en het oude kerkhof te Oudkarspel) aan burgemeester Hans Cornelisse. De actie was door RAG en COOG georganiseerd en werd gesteund door onder andere Langedijker Verleden en de andere Historische Verenigingen met bijna vierhonderd sympathisanten overal uit het land. Het feest was compleet door de lezingen van Björn en Jaap, gevolgd door een wandeling naar het gemaaltje van Björn de Vries, die lof kreeg voor zijn onbaatzuchtige zorg voor het hele Kerk- en Dergmeerensemble. Silke en het nieuwe bestuur zetten meteen de sokken erin door in het najaar liefst drie lezingen te organiseren in een zaal van de Cultuurcompagnie in het Regionaal Archief Alkmaar. De prima lezingen van Sarah Zandboer, Peter Vos en Piet Kleij trokken steeds weer een volle zaal, waardoor een druk jaar voor RAG èn AWN afd. 9 een mooie afsluiting kreeg. 2015 Het jaar begon met de opening van het fraaie archeologische depot Huis van Hilde in Castricum, waar wij onder meer de expositie over het oude Vrooner kerkhof met restanten van de strijd in 1297 konden zien (zie blz. 40). Het aantal donateurs is momenteel honderd. Overwegingen voor de toekomst Er werd door het bestuur gevraagd na deze terugblik ook bespiegelingen voor de toekomst te geven op grond van goe-

de en slechte ervaringen, in al die jaren opgedaan. Hierboven bleek wel dat het bestuur hard heeft gewerkt aan onder meer kennisverspreiding via de Poldergeest en de RAG-website, samenwerking met historische verenigingen, door excursies, lezingen en “reizende” of vaste exposities. De betrokkenheid van onze achterban en het grote publiek is groeiende (zie bijvoorbeeld het project rondom Schagerbrug en de recente lezingen), maar kan nog wel een forse tand erbij hebben. Door meer deelname aan landelijke en regionale bijeenkomsten, zoals cursussen, opgravingen, het RCE, archieven en musea kunnen we onze eigen kennislacunes en vaardigheden aanvullen. De kans om ook de scholen met lespakketten, rondleidingen en lezingen te bereiken is nog te weinig gegrepen. We kunnen dan ook de deelname door wat oudere leerlingen aan opgravingen en archeo-jeugdkampen stimuleren. Meewerken aan het mogelijk aanstaande historiepark Justerland in het Geestmerambacht en het Huis van Hilde in Castricum zijn nog nieuwe uitdagingen. Onze deelname in de Langedijker Erfgoedcommissie, die sinds de invoering van het verdrag van Malta in 2007 de oude Monumentencommissie verving, is door de goede contacten met de gemeente een belangrijk middel gebleken voor de uitvoerbaarheid van onze doelstellingen en democratische informatiewensen. De decentralisatie door het Rijk en de provincie naar de gemeenten toe, heeft geleid tot het totstandkomen van gemeentelijke regelgeving, zoals cultuurhistorische en archeologische waardenkaarten, cultuurnota’s, archeologische bestemmingsplannen, inventarisatie en toewijzing van gemeentelijke monumenten, ook in de buitengebieden van de gemeente. De banden met de professionele archeologiebureaus en uitvoerders is goed te noemen en zal door het nieuwe bestuur nog beter worden als er meer veldwerkers komen, waaraan wij een chronisch tekort hadden. We hebben weliswaar de Nieuwe Nes in Schagen als samenkomst- en werkruimte ervaren als een prettige clubruimte, maar het zou ideaal zijn, als Stichting RAG, de goede samenwerking met de Stichting Langedijker Verleden weet uit te breiden met een eigen cultureel home in Langedijk. Bijvoorbeeld in (een uitbreiding van) ’t Regthuis te Oudkarspel.

Afb. 3 Zomerdel in recreatiegebied Geestmerambacht, gezien vanaf de uitkijkheuvel

-6-


Op verkenning in het Geestmerambacht Jaap van Rossum

W

ie op internet gaat googelen naar Geestmerambacht zal ontdekken dat met deze naam het recreatiegebied wordt bedoeld, dat ten noorden van Alkmaar ligt ingeklemd tussen de Langedijk en het Noord-Hollands Kanaal. Wie weet echter nog dat dit fraai aangelegde recreatiepark is vernoemd naar de polder of het ‘ambacht’ Geestmerambacht2? De polder Geestmerambacht is qua oppervlakte een stuk groter dan het recreatiegebied, terwijl het ambacht (sedert ±12503) nog veel groter is. Het bevat de polder Geestmerambacht plus de Waardgeerzen (=Heerhugowaard plus het ten noorden daarvan gelegen gebied met droogmakerijen tussen globaal Waarland, Valkkoog, Sint Maarten en Dirkshorn). Het is dit ambacht dat het studiegebied vormt van de Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht (RAG). Het omvat het gebied tussen globaal Sint Maarten in het noorden en Oudorp in het zuiden en tussen het Noord-Hollands Kanaal (voorheen de oude veenrivier de Rekere, later ook Pettemer vaart) in het westen tot en met de Heerhugowaard in het oosten (Afb. 4). Dit gebied heeft een oppervlakte van 140 km2 4. Wie een rondje rond het Geestmerambacht maakt, legt zo’n 60 kilometer af5. Het landschap van het Geestmerambacht is overwegend een twintigste-eeuws landschap. In de tweede helft van de twintigste eeuw, toen met behulp van diesel- en elektrische gemalen en betrouwbare, hoge dijken de laag gelegen gronden gegarandeerd droog gehouden konden worden, was men in staat (en door de sterk toegenomen ruimtebehoefte ook gedwongen!) overal te bouwen en te wonen, waar men dat nodig vond en was men dus niet meer afhankelijk van de van nature hoger gelegen gebieden. Zo zijn vele kleine dorpen van buiten af gezien onherkenbaar veranderd. Wie op zoek wil naar de historische kernen van deze dorpen, zoeke de oudste kerken (zie later in dit artikel) en de concentraties van oude stolpen, waarvan er ook in het Geestmerambacht nog veel te vinden zijn.

2

Behalve het Geestmerambacht kende het middeleeuwse WestFriesland nog drie andere ambachten: de Schager- en Niedorperkogge, de Vier Noorderkoggen en Drechterland. 3 St. COOG, Warmenhuizen meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen, blz. 4. 4 Gemeten met Google Maps. 5 Begin bijv. bij Sint Maarten en volg met de klok mee de route en daarmee vrij nauwkeurig de grens van het Geestmerambacht: [vanaf Sint Maarten:] Valkkogerdijk, [vanaf Valkkoog:] Tolkerdijk, Provincialeweg N241, [Voorbij Blokhuizen:] Havenstraat, [vanaf De Weel:] De Weel, Provincialeweg N241, [vanaf Verlaat:] A.C. de Graafweg, [vanaf Veenhuizen:] Dijkweg, Berkmeerdijk, [vanaf Heerhugowaard:] Oostdijk, [vanaf Schermer:] Noordschermerdijk, Oterlekerweg, Korte Molenweg, Slingerdijk, Schermerdijk, [vanaf Alkmaar:] Kerkbrug, Saturnusstraat, Edisonweg, Kamerlingh Onnesstraat, Schermerweg, Oudorperdijkje, Randersdijk, Frieseweg, Rekerdijk, Heukelspad, Mandemakersstraat, Breeuwerstraat, Kanaaldijk, [vanaf Schoorldam:] Westfriesedijk en [vanaf Krabbendam:] langs de West-Friese Zeedijk terug naar Sint Maarten.

-7-

Afb. 4 Het “Gheestmanambocht” op een van de oudste kaarten van Noord-Holland (1573), nl. die van Christiaan Sgroten.

Behalve de verstedelijking heeft de grootschalige ruilverkaveling in de tweede helft van de vorige eeuw het open landschap drastisch van gedaante doen veranderen. Tot ongeveer een halve eeuw geleden zag het grootste deel van het Geestmerambacht er in grote lijnen uit zoals onze verre voorouders het gebied hadden ontgonnen: lange rechte sloten, die van west naar oost liepen, met door de eeuwen heen steeds meer en breder wordende sloten en dwarssloten (meer hierover leest u in het artikel van Henk Komen op blz. 29 e.v. in deze Poldergeest). Het was niet voor niets dat dit gebied de bijnaam kreeg van ‘het Rijk der Duizend Eilanden’ (in werkelijkheid waren het er meer dan 15.000!). Het was een prachtig landschap, maar voor de tuinders erg onrendabel. De roep om ruilverkaveling en schaalvergroting werd daarom steeds luider. De plannen voor de herverkaveling in het Geestmerambacht begonnen al in 1940 vorm te krijgen en de uitvoering ging door tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Van het eilandenrijk rest bij Broek op Langedijk alleen nog het Oosterdel6, waar thans ecologisch wordt geboerd. Een voorbeeld van een ander zichtbaar spoor uit het oude landschap is het Daalmeerpad tussen Koedijk en Sint Pancras. Dit pad loopt nu als fietspad dwars door de moderne bebouwing van Alkmaar Noord. Langs het pad bevindt zich op het niveau van het vroegere polderpeil nog altijd Orgelzaal Booy, ooit gebouwd midden in de koolvelden.

6

Koenis, P., West-Friesland toen en nu, deel 14, Van vaarpolder naar rijpolder, 2010, blz. 12-15 / Stenvert, Ronald, e.a., Monumenten in Nederland; Noord-Holland, 2005, blz. 248 / onh.nl/nlNL/verhaal/517/ruilverkaveling-verandert-aanblik-geestmerambacht / Bosatlas van het cultureel erfgoed, 2014, blz. 17.


In het Geestmerambacht vinden we thans ruim 30 woonkernen, zie kader. Deze kernen variëren in o ´t Kruis (HHW) grootte van ware steden in het o Alkmaar Noord zuiden (de groeikernen Alkmaar o Broek op Langedijk o De Noord (HHW) Noord en Heerhugowaard) via o De Weel dorpen, die vooral de laatste 50 o Dirkshorn jaar soms flink uit de kluiten zijn o Draai (HHW) gewassen tot kleine gehuchten. o Eenigenburg Van veel kernen gaat de geschieo Frik denis ver terug. Sommige kernen o Groenveld o Heerhugowaard zijn ontstaan op een of meer door o Kabel (HHW) mensen opgeworpen terpen o Kalverdijk (vooral in het noorden van het o Kerkbuurt Geestmerambacht), andere langs o Koedijk dijken en weer andere op de geeso Krabbendam ten in het zuiden van het Geesto Noord-Scharwoude o Oterleek merambacht. o Oudkarspel Voorbeelden van dorpen die in de o Oudorp vroege middeleeuwen op terpen o Schoorldam zijn ontstaan zijn Warmenhuizen, o Sint Maarten Eenigenburg en Sint Maarten. In o Sint Pancras o Stroet Warmenhuizen is sprake van o 't Rijpje reeksen tot wallen aan elkaar o Tolke gegroeide terpen7. Een voorbeeld o Tuitjenhorn van een terp met slechts enkele o Valkkoog boerderijen is de terp Niekeland o Waarland aan de rand van de Witsmeer / o Warmenhuizen o Zijdewind Schagerwaard8. Deze terpen o Zijpersluis stammen uit de tijd waarin de Westfriese Omringdijk nog niet gesloten was en waarin het opwerpen van terpen de enige oplossing was om bescherming te bieden tegen het geweld van het regelmatig oprukkende zeewater. Wie goed kijkt, kan de hoogteverschillen in deze dorpen vaak nog duidelijk zien. In het zuidoostelijk deel van het Geestmerambacht is bewoning ontstaan op de zo’n vierduizend jaar geleden door de zee opgeworpen natuurlijke hoogten, de zgn. strandwallen. In de middeleeuwen ontstonden op de strandwallen de geestdorpen Oudorp en Sint Pancras (voorheen Vronen). Hoewel veel zand van deze strandwallen later is afgegraven, zijn ook in deze dorpen op enkele plekken de hoogteverschillen met het omliggende land nog goed zichtbaar. Daarnaast ontstonden er in het Geestmerambacht dorpen hoog en droog op de dijken, zoals Dirkshorn, Tuitjenhorn, Koedijk, Oudkarspel, Noord-Scharwoude, Zuid-Scharwoude en Broek op Langedijk9. Woonkernen in het Geestmerambacht

En dijken komen in het Geestmerambacht veel voor. Zij getuigen net als de terpen van de lastige strijd tegen het water, een strijd die -zij het op grotere schaal- tot op de dag van vandaag wordt gevoerd. De bekendste dijk is de West-Friese Omringdijk. Onder een groot aantal verschillende namen10

vormt dit provinciaal monument de zuid- en westgrens van het Geestmerambacht. De volledige Omringdijk, die geheel West-Friesland omsluit, kwam gereed omstreeks 125011. De dijk diende als zeewering om West-Friesland tegen het dreigende zeewater te beschermen. Een andere dijk, de Valkkogerdijk12, werd aangelegd nadat de Omringdijk ten westen van Schagen in 1248 door storm was verwoest. Het onder water gelopen land slibde later toch weer dicht, werd een wad en is in de tweede helft van de vijftiende eeuw weer bedijkt. Zo ontstond de Polder Burghorn, de eerste bedijking van enige omvang in Nederland13. Deze bedijking ligt aan de noordzijde van de Valkkogerdijk en hoort in feite dus niet bij het Geestmerambacht, maar valt onder de Schager en Niedorper Kogge. Droogmakerijen in het Geestmerambacht o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o

Langs de middeleeuwse dijken liggen soms kleine meertjes, zgn. wielen, waar de dijken met een bocht omheen gelegd zijn. Het zijn herinneringen aan vroegere dijkdoorbraken, waarbij het kolkende water diepe waterputten achter liet, die destijds niet gemakkelijk gedicht konden worden. Daarom werden bij het herstel de dijken vaak om de wielen heen aangelegd. Bekende wielen in het Geestmerambacht zijn: langs de Westfriese Omringdijk de Burgerwielen, het Dijkstaalderwiel (Dijkstalwiel) en het Modderwiel bij Eenigenburg, de wielen langs de Groenedijk bij Sint Maarten (Camping Park de Wielen), de wielen langs de Valkkogerdijk en in

11 7

Stenvert, Ronald, e.a., Monumenten in Nederland; Noord-Holland, 2005, blz. 513. 8 Poldergeest 16; blz. 3-5. 9 Stenvert, Ronald, e.a., Monumenten in Nederland; Noord-Holland, 2005, blz. 248, 272, 404, 460, 553, 471, 498. 10 Slingerdijk, Schermerdijk, Oudorperdijkje, Randersdijk, Frieseweg, Rekerdijk, Kanaaldijk, Westfriesedijk en de West-Friese Zeedijk.

-8-

Berkmeer (1636) Bleekmeer (1632) Costverloren (1546) Daalmeer (1560) Dergmeer (1542) Diepsmeer (1594) Drenkelmeer (1561) Heerhugowaard (1631) Kerkmeer (1547) Kleimeer (1567) Kromwater (1546) Mare (1560) Moors- of Tjaarlingermeer (1594) Nieuwe of Rietgreb (1568/69) Oude Dijkje (1642) Oude- of Wijdgreb (1547) Oudie (1560) Schaapskuilmeer (1632) Schagerwaard of Witsmeer (1630) Slootgaard (1590) Tjaddinxrijtje (1632) Vronermeer (1561) Warmenhuizer Kerk- of Debbemeertje (1632) Woudmeer (1635) Zwijnsmeertje (1565)

Aten, Diederik, Stormenderland, Canon waterstaatsgeschiedenis Holland boven het IJ 700-2008, blz. 15. 12 De Valkkogerdijk (onderdeel van de grens tussen Geestmerambacht en Schager en Niedorper Kogge) is een zgn. inlaagdijk. Dit soort dijken werden aangelegd, nadat een oudere dijk was doorgebroken en er geen andere mogelijkheid was dan een nieuwe dijk om de doorbraak heen te leggen. 13 Aten, Diederik, Stormenderland, Canon waterstaatsgeschiedenis Holland boven het IJ 700-2008, blz. 21.


Oudkarspel het Barndewiel, dat is ontstaan na een doorbraak van de Langedijk vanuit De Waerdt (Heerhugowaard) 14. Andere belangrijke dijken in het Geestmerambacht zijn de Langedijk en de Oosterdijk. Meer over deze twee dijken leest u in het artikel van Henk Komen elders in deze Poldergeest. Ook de nog altijd vrijwel geheel intacte ringdijk van de Heerhugowaard gaat onder verschillende namen door het leven: in het westen heet hij Westdijk, in het zuiden Nieuwe Huygendijk, in het oosten Oostdijk, Plempdijk en Groenedijk en in het noorden de Niedorperdijk en de Waarddijk. De Zijtwinde (Zijdewind)15 is in het Geestmerambacht een geval apart. Tussen Koedijk De Noord en de Kleimeer treft men thans een recent aangelegd, laag en kaarsrecht dijklichaam aan (Afb. 5). Deze dijk is een herinnering aan een verdwenen, middeleeuwse dijk, die overigens in werkelijkheid een klein stukje noordelijker lag en van Koedijk naar Noord-Scharwoude liep. Een zijtwinde is een zijkant (=zijwand=zij(t)winde) van een veenontginningsblok, nl. een stuk ontginning van het toenmalige veengebied van west naar oost. Het is aannemelijk dat dit ook hier het geval was. Later is deze dijk vermoedelijk opgewaardeerd tot waterkering in de tijd dat de Westfriese Omringdijk nog niet was gesloten (zie het artikel van Henk Komen elders in deze Poldergeest). De ten zuiden van deze dijk gelegen landerijen van Vronen, die door de ontginning steeds lager kwamen te liggen, werden zo beschermd tegen het steeds vaker oprukkende zeewater vanuit de Zijpe.

In de polder Geestmerambacht lag een groot aantal kleine meren, die in de middeleeuwen tijdens verschillende watersnoodrampen waren ontstaan. De meeste van deze meertjes (zie kader17) zijn al in de 16de eeuw weer drooggemaakt. Ook deze droogmakerijtjes kenden hun ringdijken, ringsloten en poldermolens. Door de ruilverkaveling zijn veel van deze landschappelijke elementen verloren gegaan en niet meer te herkennen. Wel nog herkenbaar zijn o.a. de Diepsmeer, de Kleimeer (zie artikel elders in deze Poldergeest) en opvallend genoeg- de Daalmeer, dat in het volledig verstedelijkte Alkmaar-Noord ligt. De ringsloot, de molentocht en zelfs één van de schutsluisjes die toegang gaven tot deze droogmakerij, zijn nog altijd goed te zien, niet alleen op de kaart, maar ook in het veld (Daalmeereiland)!

Afb. 6 Sluisje Daalmeereiland (Foto Roel van der Vlugt)

Veel molens in het Geestmerambacht herinneren nog aan de vroegere droogmakerijen. Over de molens in de Polder Geestmerambacht vindt u op blz. 48 e.v. in deze Poldergeest een artikel door Bart Slooten. Eén nog bestaand gemaal herinnert aan de oude droogmakerijtjes Kerk- en Dergmeer18 en wordt liefdevol in stand gehouden door de huidige eigenaar. Dit dieselgemaal uit 1916, dat een belangrijk onderdeel is van het verhaal over de ontginningen en de droogmakerijen in het Geestmerambacht, heeft zich terecht een plaats weten te verwerven op de gemeentelijke monumentenlijst. Dat de kavels, waarop dit gemaal en het bijbehorende molenhuis zijn gebouwd, oorspronkelijk “Oude Kerckhof”19 heetten, spreekt op zijn minst tot de verbeelding. Afb. 5 De huidige, nieuwe Zijtwinde, gezien van oost naar west (Koedijk)

Musea en exposities in het Geestmerambacht

Heerhugowaard is weliswaar de grootste droogmakerij in het Geestmerambacht, maar zeker niet de oudste. De Heerhugowaard kwam droog in 1631. Bij het droogmaken van de Waard is een aantal eilandjes en schiereilandjes mee ingepolderd. Van deze zgn. druiplanden16 zijn verscheidene nog zichtbaar in het landschap, zoals Sappewerf, Smuigelpolder en het gebied aan weerszijden van Oterleek (w.o. 't Groote Bos). 14

St. COOG, Oudkarspel meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen met de oudste droogmakerijen, blz. 175. 15 Poldergeest 9; blz. 8-9 / Poldergeest 10; blz. 8-14 / St. COOG, Noord-Scharwoude en de buitendijkse Noord-Scharwouder polder meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen, blz. 48-56 / Buitink, B., De geschiedenis van Sint Pancras tot ca. 1900, 2013, blz. 36-37. 16 Gemeente Heerhugowaard, Een historisch-geografische inventarisate, 2012, blz. 21-22, 78, 80, 91, 92.

-9-

o o o o o o o o o o o

17

Broekerveiling De Gouden Engel HHNK Historisch Museum van Harenkarspel Museale schuitenhelling Museum "Zo was 't" Museum Broeker Veiling Museum Het Regthuys Museum Surmerhuizen Poldermuseum Justerland (jaarlijks evenement)

Reh, W., C.M. Steenbergen en D. Aten, Zee van Land, 2005, blz. 309. 18 Poldergeest 4; blz. 3 / Poldergeest 5; blz. 2-5 / Poldergeest 6; blz. 12-13 / Poldergeest 7; blz. 7 / Poldergeest 11; blz. 5-11 / Poldergeest 14; blz. 7-8 / St. COOG, Oudkarspel meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen met de oudste droogmakerijen, blz. 197-208. 19 St. COOG, Oudkarspel meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen met de oudste droogmakerijen, blz. 205 en 210.


Volgens Numan20 zijn de vroegste kerken in het Geestmerambacht de St. Martinus (Sint Maarten), St. Pontianus (Broek op Langedijk), St. Johannis Baptista (NoordScharwoude), St. Martinus (Oudkarspel), St. Laurentius (Oudorp), St. Pancratius (Vronen), St. Ursula (et 11 Virginae) (Warmenhuizen) en St. Petrus (Zuid-Scharwoude). Op deze plaatsen staan nu nog steeds kerken, al zijn het niet meer dezelfde gebouwen. Een uitzondering is de St. Pancratius in Vronen, die in 1297 tegelijk met het dorp Vronen door de graaf van Holland geheel werd verwoest en nooit meer is herbouwd. Het stuk grond waar deze kerk op stond werd tot in de 18de eeuw nog “Out Kerkhof” genoemd. In 1991 zijn op deze plaats enkele zwaar verminkte skeletten opgegraven, die twintig jaar later uitgebreid zijn onderzocht21. Dit trok de aandacht van de landelijke media. Enkele sprekende vondsten worden tentoongesteld in het Huis van Hilde (zie blz. 40). In het Geestmerambacht is de afgelopen jaren een groot aantal archeologische opgravingen gedaan22. Omdat archeologie onder de grond zit, is na afloop van het veldwerk op de vindplaatsen doorgaans niets meer te zien. Om kennis te nemen van de resultaten van al dit archeologisch onderzoek kan men niet alleen terecht bij talrijke onderzoeksrapporten, boeken en tijdschriften, zoals de jubilerende Poldergeest, maar ook in musea en bij exposities met archeologisch vondstmateriaal, die met enige regelmaat op uiteenlopende plaatsen worden ingericht. In de twee kaders bij dit artikel staan musea en expositieruimten in en rond het Geestmerambacht vermeld die tijdelijk of permanent aandacht besteden aan archeologische vondsten23. Elders in deze Poldergeest treft u van de hand van onze voorzitter Silke Lange een overzicht aan van archeologisch onderzoek en vindplaatsen in het Geestmerambacht waarbij een synthetiserend beeld geschetst wordt van de bewoning vanaf prehistorie tot Middeleeuwen. Nog wél in het veld zichtbare restanten van archeologisch onderzoek zijn de fundamenten van de burchten Nieuwburg en Middelburg onder Oudorp, die evenals de nabij gelegen Munnikenweg, zijn aangelegd door Floris V in zijn strijd tegen de Westfriezen. Elders in het Geestmerambacht, bij Eenigenburg, bouwde Floris met hetzelfde oogmerk de Nuwendoorn, die enkele jaren geleden deels is op eigentijdse wijze is “herbouwd” en op afstand al goed is te zien (Afb. 7). Een oudere reconstructietekening van de Nuwendoorn is al vanaf de oprichting het logo van Stichting RAG!

Afb. 7 De “herbouwde” Nuwendoorn tijdens het Florisweekend in juni 2012 Musea en exposities in de omgeving van het Geestmerambacht o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o o

Abdij van Egmond (Egmond Binnen) Baduhenna museum (Heiloo) Bezoekerscentrum De Hoep (Bakkum) Boerderij- en Rijtuigmuseum Vreeburg (Schagen) Buitencentrum Schoorlse Duinen (Schoorl) Het Sterkenhuis (Bergen) Hollands Kaasmuseum (Alkmaar) Huis van Hilde (Castricum) Museum van Egmond (Egmond aan Zee) Museumboerderij West-Frisia (Hoogwoud) Museum en Beeldentuin Nic Jonk (Grootschermer) Museum In 't Houten Huis (De Rijp) Nationaal Biermuseum De Boom (Alkmaar) Nieuwe Nes (Schagen) Oudheidkamer Historische Vereniging Oud Heiloo Stadskantoor Alkmaar Stedelijk Museum Alkmaar Turfschuur (Kolhorn) Viking Informatiecentrum (Wieringen) Westfries Museum (Hoorn) Zijper Museum (Schagerbrug)

Op de kaart op de volgende bladzijde staat een groot aantal van de besproken historisch-geografisch interessante locaties vermeld. Zij zijn het bekijken meer dan waard. Met andere woorden: er is meer dan genoeg te ontdekken in het “Gheestmanambocht”.

20

Numan, A.M., Noord-Hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen ca. 720-1200, 2005. 21 Poldergeest 14, blz. 4-5. 22 Zie de pagina Projecten op de website “Poldergeest online”, www.rag-archeologie.nl. 23 Meer informatie over deze musea enz. op de pagina Links op de website “Poldergeest online”, www.rag-archeologie.nl.

- 10 -


Afb. 8 Historische geografie in het Geestmerambacht

- 11 -


Afb. 9 Legenda bij Afb. 8

Met dank aan Julien Ranzijn voor het vormgeven van de kaart (Afb. 8) en de legenda (Afb. 9).

Over Poldergeest en AWN Het blad Poldergeest, dat twee maal per jaar verschijnt, wordt gratis verspreid onder de donateurs van Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht (RAG) en de leden van Afd. Noord-Holland Noord van AWN. AWN is de Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie. Als lid van de AWN kan men op zeer uiteenlopende wijzen zelf actief met archeologie aan de slag. Over het gehele land verspreid zijn er 24 regionale afdelingen en een groot aantal lokale werkgroepen met eigen activiteiten. Zo kunnen leden, jong en oud, dicht bij huis met archeologie bezig zijn. Een van die 24 afdelingen is Afd. Noord-Holland Noord (Afd. 9), opgericht op 9 november 2011. Ook deze afdeling kent verscheidene lokale werkgroepen: Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland, Regionale Archeologische Werkgroep OerIJ, Oud Castricum, St. Regionale Archeologie Baduhenna, St. Regionale Archeologie Gheestmanambocht en Archeologische Werkgroep Strandwallen. Zes maal per jaar verschijnt het tijdschrift over de Nederlandse archeologie: Westerheem. Dit verenigingsblad van AWN bevat artikelen geschreven door beroeps- en vrijetijdsarcheologen en studenten archeologie. Onderwerpen variĂŤren van uitgewerkte opgravingen en onderzoeken naar materiaal tot gedetailleerde beschrijvingen van voorwerpen of archeologische overzichten van een stad. Van archeologisch onderzoek op het land tot onderwaterarcheologie, in Nederland of naar Nederlandse voorwerpen in het buitenland. Maar ook het publieksbereik en de erfgoededucatie vormen regelmatig terugkerende onderwerpen. De artikelen worden geschreven door leden en niet-leden van AWN. Meer informatie over AWN en lid worden vindt u op www.awn-archeologie.nl.

- 12 -


Samenhang tussen landschap en archeologie in de Kop van Noord-Holland Frans Diederik

E

en veel gestelde vraag aan archeologen is, hoe ze weten waar ze moeten zoeken. Gelukkig wordt die vraag meestal gesteld tijdens een onderzoek in het veld en dan kan er een bevredigend antwoord worden gegeven. Echter, voor veel archeologen is de kennis van het paleo-landschap in noordelijk Noord-Holland redelijk beperkt. Dit is niet de schuld van de archeoloog of zelfs de geoloog, maar wél van onze landsregering die besloot de stekker uit de Rijks Geologische Dienst te trekken, voordat deze het vele jaren lopende project ‘De Geologische Kaart van Nederland’ kon voltooien met de kaartbladen voor noordelijk Noord-Holland. Kennis van het paleo-landschap is van essentieel belang om een inschatting te maken of een bepaald gebied in een bepaalde periode geschikt geweest zou kunnen zijn voor menselijke bewoning.

Afb. 11 Oevers langs water waren vestigingsplaatsen, doorgaande routes en voedselbronnen.

Arme prehistorische en sub-moderne mens die geheel afhankelijk was van omgevingsfactoren om niet in een strenge winter het loodje te leggen wegens kou of ondervoeding; en er waren nog al wat voorwaarden in te vullen voor een beetje redelijk bestaan! Allereerst moest er een droge en veilige plek gezocht worden om een huis te bouwen. Als die was gevonden, moest er ook in de omgeving ergens bouwmateriaal voorhanden zijn. De woonomgeving moest bovendien geschikt zijn om er gewas te kunnen telen zonder groot risico op misoogst. Drinkbaar water in de grond was fijn voor mensen, maar absoluut noodzakelijk voor vee, omdat dieren van iets te zilt water al vrij snel de geest geven. Beschikbaarheid van brandstof in voldoende mate om 24 uur per dag het vuur te laten branden en dat gedurende meerdere jaren achtereen was ook heel belangrijk. En als je dan binnen een straal van een dag reizen geschikte klei kon vinden voor het maken van de vele benodigde potten om in te kunnen koken, was dat net zo fijn als een plek om te vissen of te jagen. Afb. 10 Overzichtskaart van Nederland – volkomen onbruikbaar als instrument in de praktijk.

Afhankelijkheid In onze tijd zijn wij er aan gewend dat vestiging van huis en haard in ieder landschapstype vanzelfsprekend is. Zelfs midden in een meer zouden we ons thuis voelen op onze woonboot of in ons op palen rustende huis. Technisch is alles mogelijk en we zijn bovendien in het geheel niet afhankelijk van onze omgeving voor de eerste levensbehoeften. Wij kopen ons ‘natje en droogje’ gewoon om de hoek bij de buurtsuper en laten onze paardenkrachten in de garage soigneren. Dat zijn zo de verworvenheden van het moderne wonen. Oh ja, de verwarming en verlichting kan eventueel via zonnepanelen of een windmolen worden verzorgd.

Steentijd Het westen van West-Friesland en grote delen van het Geestmerambacht, hebben lang onder sterke invloed gestaan van het zogenaamde ‘Gat van Bergen’, een linke opening in de kust waardoor zeewater met zand en slib tot ver in het achterland kon stromen. Hierdoor is dit gebied in relatief korte tijd sterk opgeslibd en door inklinking van klei die het verst van de geulen was afgezet, kwamen de geulen relatief hoger te liggen. De stijging van de zeespiegel nam sterk af, waardoor de eb- en vloedwerking in het Gat van Bergen ook afnamen. Hoewel delen van West-Friesland, maar ook de Kop van Noord-Holland al (tijdelijk) bewoond konden worden rond 3000 v. Chr. duurt het nog enige tijd voordat er sprake is van bewoning van enige omvang. Winkel, Zeewijk, Kolhorn, Waardpolder en Slootdorp zijn de bekendste onderzochte plaatsen.

- 13 -


Afb. 13 Voorbeeld van een ‘extraction camp’ waar vis en gevogelte worden gevangen en geconserveerd.

Rond 2200 v. Chr. was er weer sprake van verhevigde activiteit van de zee waardoor de nederzettingen overspoeld werden en de omgevingsfactoren te slecht waren voor vestiging. Pas rond 1850 v. Chr. is er wederom sprake van een ‘regressie fase’ van de zee, waardoor het gebied niet alleen een stuk droger wordt, maar ook kan verzoeten; er gaat op grote schaal riet groeien in de laagste delen en dat riet gaat verlanden totdat er veenmoerassen ontstaan. Op de hoge delen van de oude geulruggen kan wederom worden gewoond. De grote verrassing is dan dat niet alleen in West-Friesland, maar ook bij Schagen én in de Zijpe én in het Geestmerambacht kan worden gewoond. Tot nog toe werd aangenomen dat het Gat van Bergen pas rond 1200 v. Chr. voldoende was dichtgeslibd.

Afb. 12 Situatie rond 2000 v. Chr. waarin water in ons gebied meer aanwezig was dan land.

Dichter bij het Gat van Bergen zijn geen nederzettingen bekend. De genoemde nederzettingen bevinden zich alle aan de rand van het brede oude geulsysteem, dat deels nog brak water bevat. De omgeving is een ‘pionierslandschap’ dat enigszins geaccidenteerd was en naast grassen toch wel de nodige boomgroepen bevatte. Als we de voorwaarden voor vestiging in een gebied, zoals die in het begin van dit verhaal uiteen werden gezet, in aanmerking nemen, kunnen we het landschap verder aan- en invullen met droge plekken voor het huis, iets vochtiger terreinen voor de akkers en vochtig en groen voor de weidegronden. Toch hoeven we al deze elementen niet direct in de omgeving van de nederzetting te verwachten, omdat men als gezin of ‘extended family’ een vrij omvangrijk gebied exploiteerde. De hoofdnederzetting bevatte meestal de akkers, die werden bewaakt door de vrouwen en kinderen, terwijl de mannen en oudere jongens het gebied introkken om spullen te verzamelen of het vee te weiden. Zij woonden dan gedurende die tijd in zogenaamde ‘extraction camps’, waar ze zich bezig hielden met een zeer beperkt aantal activiteiten. Het kamp bij Keinsmerbrug werd in de zomer gebruikt om het vee op de kwelder te laten grazen en in het najaar voor de jacht op eenden, die ter plekke werden geconserveerd (gerookt) om als wintervoorraad te dienen. Zo moeten ook de enorme dikke eiken staanders van het grote ‘huis’ in Winkel Zeewijk van verre zijn gehaald.

Bronstijd bij Schagen en in het Geestmerambacht In 2004 werd in een nieuwbouwlocatie in Schagen een nederzetting ontdekt, die slechts voor een klein deel kon worden opgegraven. De resultaten waren echter verbijsterend, omdat de nederzetting rond 1850 v. Chr. kon worden gedateerd en omdat het aardewerk duidelijke invloeden vertoonde van de zogenaamde ‘Hilversum Cultuur’. Bovendien werd aangetoond dat er graan werd geteeld en dat op een voormalige geploegde akker in een later stadium een huis werd gebouwd. Door een zeer nauwkeurige wijze van onderzoek kon veel over flora en fauna van de omgeving worden gezegd. Die omgeving was licht glooiend, voorzien van grassen en boomgroepen waarin duizenden woelmuizen het leven van de bewoners lastig gemaakt zullen hebben. Deze mensen hielden vee en ploegden hun akkers. Na waarschijnlijk korte tijd is dit landschap onder sterke invloed van de zee komen te staan en is er een dik pakket (kwelder)klei op de nederzetting afgezet. Een tweede locatie in Schagen leverde slechts een tweetal scherven op te midden van een waarschijnlijk omvangrijk areaal aan akkerland. Het gevonden aardewerk suggereert dezelfde datering, rond 1850 v. Chr. Een derde locatie werd in 2014 aangetroffen bij Sint Maartensbrug: een waarschijnlijk groot gebied met ploegsporen zonder materiaal, gelegen onder een pakket dat resten uit de vroege romeinse tijd bevatte.

- 14 -


Afb. 15 Koedijk, De Druppels; de oeverwal met daarop de dikke humeuze laag uit de bronstijd. Daarboven is het bandje restveen te zien waar de bewoning uit de romeinse tijd op gevestigd was.

Afb. 14 Ploegsporen en paalgaten in het onderzoek in Schagen, Hoep-Noord.

Het Geestmerambacht kent intussen twee plaatsen waar materiaal uit dezelfde periode is aangetroffen: de ene bij Oudkarspel, waar dhr. Schermer tijdens de ruilverkaveling een bodemfragment borg dat lijkt op zogenaamde ‘Kümmerkeramik’ eveneens in de overgang van vroege naar midden bronstijd te plaatsen. De laatste plek, in het plan ‘De Druppels’ bij Koedijk is gelukkig aardkundig goed onderzocht door de bekende geoloog Peter Vos, die ook tot de conclusie kwam dat het Gat van Bergen inderdaad rond 1850 v. Chr. weinig zee-invloed in het achterland opleverde. Ook hier bracht een 14 C datering duidelijkheid over de leeftijd van de site. Omdat het hier een ‘slootkantonderzoek’ betrof, kan weinig over de aard van de nederzetting worden gezegd. Wel werd duidelijk dat in het gebied enkele oeverwallen groot en breed genoeg waren om op te wonen. Veengroei in de directe omgeving kon niet worden bewezen, hoewel in het gebied dat doorsneden was door vele kreken en prielen, wel verslagen veen aanwezig was. Na deze, ook waarschijnlijk kortstondige bewoningsfase is er ook in het Geestmerambacht een stevige laag sediment afgezet in de vorm van klei. De geregelde overstromingen zorgen dus voor de aanwas van grond en waarschijnlijk rond 1200 v. Chr. raakt het Gat van Bergen definitief verstopt en stagneert ook de afvoer van water en ontstaan er plassen en meren die volgroeien met riet en veen. Het groeiende veenpakket bereikt ook de oude kwelders die weldra schuil gaan onder een laag begroeiing. De mens is intussen al weer ver te zoeken.

Veranderende afwatering Met het Gat van Bergen gesloten achter een zich nog steeds zeewaarts uitbreidende kust, zoekt het binnenwater een nieuwe uitweg en vindt die in het noorden. Ook bij Schagen is er duidelijk bewijs voor de aanwezigheid van oude kweldergronden in de midden ijzertijd, terwijl we weten dat de grote aanwas van grond vanuit het Gat van Bergen al eeuwenlang niet mogelijk is geweest. Misschien moeten we rekening houden met een oude opening in de kust ter hoogte van Groote Keeten, die de lagune die het Zijpe mogelijk ooit geweest is, in transgressieve perioden voorziet van water en die in rustige perioden het weer zoete binnenwater naar zee laat afvloeien. In ieder geval lijkt het er erg veel op dat al in de midden ijzertijd het Geestmerambacht (en mogelijk ook grote delen van West-Friesland) afwateren via de Rekere en Zijpe naar het noorden toe. Er is dan geen invloed meer van de zee en er is sprake van veengroei op bijna alle plaatsen. IJzertijd Nog maar heel weinig van de nederzettingen uit de ijzertijd in het Geestmerambacht zijn nader bestudeerd. Het schervenmateriaal dat door Schermer, Wagenaar en Westra werd verzameld is jaren geleden door de handen van uw schrijver gegaan en die heeft toen niet veel anders dan late ijzertijd (300 v. Chr. – romeinse tijd) gezien, of verwachtte te zien. Er werd eigenlijk van uit gegaan dat de bewoning van het Geestmerambacht grotendeels in de romeinse tijd had plaatsgevonden en dat er mogelijk hier en daar wat oudere woonplaatsen aan vooraf gegaan waren. Onderzoeken bij Schagen in 2011 en 2012 zetten die gedachte wat op scherp. Laten we daarom eens zien wat er toen werd gevonden.

- 15 -


Afb. 17 Kalenderberg versiering op een pot (±800 v. Chr.) uit Noord Limburg (foto RMO). Afb. 16 Kaart van Peter Vos voor de situatie in de midden ijzertijd, bewerkt door de schrijver, zodat ook in de Zijpe een kweldergebied zichtbaar is.

Bij de ontdekking van de eerste van de twee bij elkaar liggende woonplaatsen, viel het direct op wat er aan aardewerksoorten NIET was. Er was geen snippertje Streepbandaardewerk, kenmerkend voor de periode tussen 200 v. Chr. en plm. 50 n. Chr.; het moest dus ouder zijn… Er waren ook geen scherven met kamstreekmotieven, golvende lijnen of wilde krassen; die gaan vooraf aan streepband en omdat die er ook niet waren, moest het ook weer ouder zijn dan de derde eeuw v. Chr. Op grond van de aanwezigheid van ‘echt’ geometrisch versierd aardewerk, passend in de Ruinen-Wommels traditie, werd uitgegaan van de vierde eeuw v. Chr. en daarmee zou de nederzetting dan waarschijnlijk te dateren zijn tussen 350 en 300 v. Chr. Wat was iedereen blij met die oude datering, op basis van het aardewerk. In het voorjaar van 2011 werd een ‘gemiste’ woonplek gevonden op tweehonderd meter afstand van de eerste – ook hier hetzelfde aardewerk, maar met de toevoeging van een groot aantal apart versierde scherven. In het door de AWN en vele vrijwilligers uitgevoerde onderzoek in de zomer erop volgend, kon een deel van een huisvloer, geheel bestaand uit scherven en as worden blootgelegd. Om het huis heen lagen de akkers, vrijwel leeg van enig materiaal. Het opvallend versierde aardewerk bleek in de traditie van het zogenaamde ‘Kalenderberg aardewerk’ te zijn uitgevoerd.

Afgezien van het feit dat dit soort aardewerk in deze vorm nog nooit in westelijk of noordelijk Nederland is aangetroffen, is het ook de vraag of de datering in de vierde eeuw dan wel klopt. Over het algemeen wordt deze versieringswijze vanaf de late bronstijd waargenomen, maar kan deze regionaal (in het zuiden van Nederland) nog tot aan de romeinse tijd door lopen. Er is in Oss-Ussen (Dissertatie Peter van den Broeke) sprake van een ‘revival’ van het versieringselement in het midden van de vierde eeuw. Dat zou perfect kloppen met het overige (noordelijke) aardewerk. We mogen dus rekening houden met een kloppende datering. Die kwam echter niet; een ogenschijnlijk goed monster uit een goed geconserveerde kuil leverde het ADC, dat de eerste nederzetting heeft opgegraven, een datering op van 2540 ±35 BP, hetgeen zich vertaalt in: 625 – 555 v. Chr. Deze datering werd door de onderzoeker, G. Geerts, niet representatief beschouwd, omdat hij veel te oud zou zijn. In het AWN onderzoek werd een stukje hout geborgen uit de akkerlaag en ook dit werd voor 14C datering aangeboden, dit keer niet in Glasgow, maar in Kiel in Duitsland. De uitslag was: 2530 ±35 BP, hetgeen uitkomt op 615 – 545 v. Chr. Deze tweede datering is zo ongelofelijk gelijk aan de eerste dat ze daardoor heel betrouwbaar lijken. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat er een regionale afwijking kan zijn, die afwijkt van de gekalibreerde 14C-curve. Mogelijk dat mariene invloeden deze dateringen te oud hebben gemaakt. Geologisch is interessant dat de akker bij de nederzetting bestond uit een geheel doorploegde laag kwelderafzettingen, wat er op duidt dat, als er al een veenlaagje aanwezig was, dat heel erg dun geweest is. Voor de constructie van de fun-

- 16 -


dering van het huis heeft men wel gebruik gemaakt van gedroogde turven, zodat duidelijk is dat veen wel in de directe omgeving voorhanden was. Op geringe afstand van de nederzetting werd een overspoeling waargenomen van de akkerlaag, die weer werd gevolgd door een geploegde humeuze band kwelderklei. Hier is duidelijk sprake van een overstroming. Of deze overstroming in verband gebracht kan worden met het feit dat in geheel Noord-Holland vondsten uit de zesde en vroege vijfde eeuw heel zeldzaam zijn, is nog even een niet beantwoorde vraag.

Afb. 18 Geploegde donkere laag (onderste) met een overstromingslaag daar op. Het laagje waar de scherf uit steekt, is ook geploegd. Hier is dus een bewijs dat in de ijzertijd sprake is van mariene invloed op het gebied.

De jongere nederzettingen bij Schagen dateren uit de periode tussen 300 v. Chr en het begin van de jaartelling en liggen alle in de zone van kweldergronden. Pas na 100 n. Chr. zien we dat de bewoning zich afspeelt op hoger terrein, ín het veen. In hoeverre dit ook geldt voor de nederzettingen in het Geestmerambacht, valt mogelijk af te lezen aan de verspreiding van deze woonplaatsen, die zich niet naast elkaar manifesteren, zoals je langs een oude kustzone verwacht, maar gegroepeerd lijken langs voormalige afwateringen vanuit het veen. Een groot deel lijkt dus al – net als in Schagen – hogere grond opgezocht te hebben. Dit kan prima kloppen met de datering in de romeinse tijd voor de meeste van deze terreinen. Uit de waarnemingen en aantekeningen van Schermer lijkt toch een flink aantal van de westelijk gelegen terreinen een ondergrond van kwelderklei te hebben. Dit zou overeen kunnen komen met de situatie in Schagen. Dit houdt dus in dat in de midden ijzertijd waarschijnlijk in het gehele bekken van de Zijpe duidelijke invloed van de zee is geweest en dat na verzoeting van dit gebied op grote schaal veen is gaan groeien. De kweldergronden werden hierdoor ook overgroeid, maar in een dusdanig dunne laag, dat er ideale akkergrond ontstond. Tijdelijk is er weer verhoogde activiteit van de zee geweest, waardoor bewoning zich verplaatste naar hoger gelegen grond. Vroege middeleeuwen Het eind van de bewoning uit de romeinse tijd is maar moeilijk te geven, hoewel de bewijsbare bewoning uit de vierde en vijfde eeuw zich beperkt tot een handjevol terreinen in geheel Noord-Holland. Voorlopig lijkt het er op dat wat slechtere

omgevingsfactoren in combinatie met de mogelijkheid van migratie, gezorgd hebben voor een sterke uitdunning van de bevolking. Gedurende het Imperium Galliarum waren de grenzen in Germania open en konden ook de bewoners van onze streken zich elders vestigen. De gesloten Romeinse grens hield ze daarvóór op hun plaats. Bewijzen voor een natte periode met hernieuwde activiteit door de zee, zijn eveneens schaars, omdat post-romeinse kwelderafzettingen bovenop het veen, meestal in de middeleeuwen verploegd zijn. Slechts bij Keins en in het centrum van Schagen kon bewijs worden verzameld voor de aanwezigheid van een laagje vette kwelderklei bovenop het Romeinse niveau. Bij Keins was bovendien sprake van een hernieuwde veengroei óp dit kleilaagje. De vroegste sporen van middeleeuwse activiteit vinden we bij Warmenhuizen en Schagen, waar zeker al in de zevende eeuw werd gewoond. De sporen van de post-Romeinse overstromingen in de vorm van een kleilaagje, zullen een welkom geschenk voor de pioniers zijn geweest, aangezien dit een ideale grond opleverde om akkers op aan te leggen. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze bewoning dus weer in een zone aan de rand van het bekken heeft ontwikkeld. Het zijn ook Warmenhuizen en Schagen die in het begin van de late middeleeuwen als eerste te maken kregen met wateroverlast. Dat alleen dáár terpen ontstonden, behoeft dus geen verbazing. De veengronden die in de achtste tot en met de tiende eeuw in ontginning waren genomen, hadden in eerste instantie geheel geen last van het verhoogde water.

Afb. 19 Warmenhuizen met de in rood aangegeven contour van de hogere Westfriese afzettingen. De zwarte stippen zijn nederzettingsterreinen uit de ijzertijd en de romeinse tijd, de paarse stippen zijn middeleeuwse woonplaatsen. In het wit is de negentiende-eeuwse situatie van het dorp weergegeven.

Late middeleeuwen Zoals gezegd hadden Warmenhuizen en Schagen, het dichtst bij het oude bekken van de Zijpe gelegen, het eerst te maken met overstromingen, waardoor men gedwongen was terpen en kaden aan te leggen. Door de verdergaande stijging van het niveau van de zee, in combinatie met onstuimig en erg nat weer, kregen later ook de hogere delen problemen met de afwatering. Het gehele Geestmerambacht, met uitzondering van Warmenhuizen, raakte tijdelijk ontvolkt omdat men zijn toevlucht zocht tot de nog droge delen van de oude verkavelingsblokken. Daar was men echter al snel genoodzaakt de

- 17 -


kade waarop werd gewoond op te hogen en te verbreden. De zo ontstane Langedijk werd het belangrijkste bewoningslint in het Geestmerambacht. In de dertiende eeuw werden vele kleine dijken en kaden aangelegd, voorzien van sluisjes, waardoor men een begin kon maken met de herovering van het overspoelde land. Bij Schagen werden als eerste de oude veenstroompjes die gefungeerd hadden als getijdengeulen, afgedamd en ontstond een nieuw landschap waarin kleinschalige blokken werden gevormd, naast de hier en daar nog bestaande strokenverkaveling. Bij Warmenhuizen gebeurden vergelijkbare zaken. Het land onder Sint Maarten en rondom Eenigenburg was dusdanig in verval geraakt, dat het gedurende enkele eeuwen buitendijks bleef liggen. Pas na de inlijving van West-Friesland bij Holland, was het centrale gezag in staat dit gebied weer binnen de dijk te krijgen. Rond 1310 zijn er vele werken uitgevoerd en werd het ‘Niewlant’ weer in gebruik genomen. De ‘Delft’ (gedolven water) had daarbij een belangrijke afwaterende functie.

Hierna zien we in eerste instantie dat bewoning in het gehele gebied zich afspeelt op de terpen en langs de dijkjes en kaden; zelfs de eerste nieuwe kerken zoals die van Haringhuizen en Eenigenburg worden voor de zekerheid nog op terpen gebouwd. Als men zich in de jaren daarna echt veilig voelt, zien we een her-populatie van het gebied plaatsvinden. In het Nieuwland worden bijvoorbeeld de bewoners van Gawijzend ondergebracht in de plaats Valkkoog. Ook hier zien we de kerk op een terpje staan. Overigens was die plaats al bewoond vanaf de karolingische tijd en waren er ten minste twee grote middeleeuwse terpen. Na 1300 ontwikkelt zich een maatschappij waarin volledige zelfredzaamheid plaatsmaakt voor specialismen, waardoor in feite een ‘moderne’ situatie ontstaat waarmee de afhankelijkheid van de plek waar men woont om te kunnen bestaan, een stuk kleiner wordt.

Afb. 20 Kaart voorzijde van deze Poldergeest: Landerijen nabij St. Pancras en Oudorp, Langedijk, Koedijk en Huiswaard door Marten Cornelisz en Pieter Jacobsz begonnen en voltooid door Sijmon Meeusz in 1532, vervolgens gekopieerd door Cornelis Buijs in 1532. Gekleurd 2 kaartbladen 145x58 en 120x210 cm. De kaart behoort tot het archief van de Grafelijkheidsrekenkamer van Holland, rekeningen nr. 1160 fol. CLV-CLX, vervaardigd in opdracht van Adriaan Stalpaert, rentmeester-generaal van West-Friesland, Texel en Wieringen in verband met de vroonlandenboekhouding. De tekst in de percelen verwijst naar een register. Met geelbruin is het weiland en met olijfgroen de zaadlanden (bouwland) aangeduid volgens Belonje. (tekst John van Lunsen).

- 18 -


Archeologie van het Geestmerambacht Silke Lange

A

rcheologie is een bijzondere wetenschap, vooral als het om de prehistorie gaat. Schriftelijke bronnen ontbreken en de archeoloog moet het hebben van grondsporen, vondsten en bodemlagen. Het gaat om sporen van bewoning, van het dagelijkse leven, van rituele gebruiken en dodencultus, en van vondsten uit deze sporen. Vondsten in de vorm van voorwerpen van allerlei materiaal, gemaakt van aardewerk, metaal, bot, steen, hout of plantenvezels. Tegelijkertijd is elke archeoloog zich bewust van de beperkende factor die op de reconstructie van het verleden van toepassing is. Wat we vinden in de ondergrond blijft maar een schamele afspiegeling van wat er ooit daadwerkelijk is geweest. En toch proberen we hiervan een verhaal te maken. Het verhaal is dan ook nooit af. Telkens komen er nieuwe gegevens bij. Bovendien kijkt elke generatie weer anders naar het verleden. Een mooi voorbeeld is hoe men vijftig jaar geleden nog over de taakverdeling dacht in de prehistorie (Afb. 21). Het idee van de vrouw in huis, bij haard en kinderen, de man op de jacht of op het veld, was een directe afgeleide van het beeld over de ‘moderne’ samenleving. Niet alleen dat we ondertussen meer gegevens hebben over de sociale verhoudingen tussen mensen in vroegere tijden, ook staat de huidige generatie onderzoekers anders in de benadering tot de archeologische gegevens: elke generatie maakt een (net iets) ander verhaal.

plangebied was nog niet af. De ontdekking door Frans Diederik van een vindplaats uit de bronstijd bij De Druppels maakt duidelijk hoe belangrijk de lokale expertise en betrokkenheid is van amateurarcheologen. Naar aanleiding hiervan is een archeolandschappelijk onderzoek uitgevoerd langs de nieuw gegraven sloot onder leiding van Menno van der Heiden van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (het RCE), samen met geoloog Peter Vos. Dit veldonderzoek heeft belangrijke kennis toegevoegd over de wording van het landschap en de mogelijkheden voor de mens wat betreft bewoning en exploitatie.

Afb. 22 Aardewerk uit de profielwand van de nieuwe sloot, 2e eeuw na Chr.

Afb. 21 Oude schoolplaat.

Laat één ding duidelijk zijn, het beeld moet continu worden bijgesteld. Of het nu over de samenlevingen in het verleden gaat, over de ontwikkeling van het landschap of hoe we met de opgegraven informatie om moeten gaan. Er valt nog een hoop te ontdekken. Dat is recent ook weer eens gebleken uit het onderzoek aan de Wagenweg, in het recreatiegebied Geestmerambacht, waar het plangebied De Druppels is onderzocht. Niet eerder heeft op zo grote schaal in de gemeente Langedijk archeologisch onderzoek plaatsgehad. Er zijn veel nieuwe gegevens aan het licht gekomen over de periode tussen de late ijzertijd en de middeleeuwen. Toen de professionals weg waren en de aannemer nieuwe sloten begon te graven, werden nog eens sporen gevonden door waakzame amateurarcheologen (Afb. 22). Er zijn onder meer vondsten verzameld uit de stort naast de slootkanten en zo gered voor vernieling door de verdere werkzaamheden. Het karwei in het

Vergeleken met de regio Schagen ten noordwesten van het Geestmerambacht, de oostelijk gelegen regio van WestFriesland en het zuidelijk gelegen strandwallengebied, zijn er relatief weinig archeologische vindplaatsen onderzocht in het gebied. De archeologische resten die er ooit lagen, zijn voor een groot deel zonder onderzoek of documentatie in het jongste verleden verloren gegaan tijdens de grootschalige ruilverkaveling in het Geestmerambacht. Toen was er nog geen Europees verdrag tot bescherming van het culturele erfgoed. Met de invoering van het Verdrag van Valletta in 1992 (ook bekend als Verdrag van Malta) kwam archeologie pas op de agenda van bestuurders en beleidmakers te staan. Sindsdien is er veel gebeurd en heeft elke gemeente een archeologisch beleid. In het kader van de archeologische monumentenzorg is het eerste streven om de archeologie veilig in de bodem te beschermen. Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn, dan is vaak een archeologisch onderzoek nodig. De noodzaak tot onderzoek wordt getoetst aan de gemeentelijke beleidsregels, zoals de kans op archeologische waarden in de ondergrond, de mate van gaafheid, zeldzaamheid en informatiewaarde van de

- 19 -


archeologische resten ten opzichte van de diepte en omvang van de geplande verstoring. Voor grote planontwikkelingen is het beleid relatief helder, want dan gaat het meestal om grootschalige bouwplannen, waarbij archeologie naast milieuonderzoek maar één stap binnen het proces tot gunning van het bouwplan is. Voor kleinschalige bouwprojecten door particuliere ontwikkelaars ligt het wat gevoeliger en weten gemeenten vaak niet goed hoe om te gaan met dit type kleine verstoringen. Neem bijvoorbeeld de gemeente Langedijk: het dorp Sint Pancras ligt op een strandwal met vooral particuliere bewoning. De trefkans op archeologische resten op de strandwal is hoog. Maar archeologisch onderzoek is meestal gerelateerd aan de omvang van verstoringen, en kleinere (particuliere) percelen vallen meestal buiten de verplichting om onderzoek te laten uitvoeren. Net zoals in de stad zou men hier individueel, dat wil zeggen per locatie moeten kijken of archeologisch onderzoek nodig is. Juist om meer kennis te verkrijgen over de bewoning op de strandwal is het onderzoek van kleine terreinen niet te onderschatten, want met elk puzzelstukje wordt de kennis over het verleden vergroot. De meeste waarnemingen en vondstmeldingen in het Geestmerambacht zijn afkomstig van amateurarcheologen die in de regio actief zijn (of waren). Van deze meldingen zijn enkele gemeld in het landelijke datasysteem van archeologische vindplaatsen, het Archis. Zonder de waarnemingen van de amateurarcheologen in de periode vlak voor en tijdens de ruilverkaveling was er nauwelijks kennis over het verleden in het Geestmerambacht. Het zijn vooral de verdienstelijke activiteiten van de heren Arie Schermer, Cees Wagenaar, W.F.G. Wiese, Jacob. Westra en J.L. Lutjeharms die vindplaatsen hebben vastgelegd (zie ook het artikel van John van Lunsen over de o.a. amateurarcheoloog Wagenaar op blz. 35 e.v. in deze Poldergeest). Op grond van de vele vondstmeldingen mogen we gerust stellen dat het Geestmerambacht een rijk archeologisch verleden heeft gehad. Van getijdengebied naar veenlandschap Vijfduizend jaar geleden bepaalde het zeegat bij Bergen het landschap in het gebied dat we nu als Geestmerambacht kennen. Hier lag ooit een uitgestrekt wad met een brede geul die zich landinwaarts in kleinere geultjes vertakte. Omstreeks 1200 voor Chr. slibde het zeegat uiteindelijk dicht en veranderde in het achterland het milieu. De waterafvoer stagneerde en er begon rietveen in de lage delen van het landschap te groeien. Het rietveen werd opgevolgd door hoogveen met veenmos. Door verschillen in groei van de diverse veenmossen ontstonden veenbulten, maar ook waterhoudende kuilen, zogenaamde veenmeertjes. Het prehistorische landschap was aantrekkelijk, want veelzijdig. Landschappelijke delen met zoet, zout en brak water waren aanwezig. Vogels, vissen, grote en kleine zoogdieren bevolkten de verschillende delen van het landschap. Belangrijk aspect, door de vele waterlopen was het landschap gemakkelijk toegankelijk voor de mens.

Afb. 23 Boomstamkano Wieringermeer

Het Geestmerambacht lag dan ook midden in een estuarium. In de jongere steentijd ontdekte men het gebied via de waterwegen met de kano. In de gemeente Wieringermeer is bij werkzaamheden ten behoeve van ‘natuurontwikkeling’ in de Dijkgatsweide een meer dan 7,50 meter lange kano per toeval ontdekt. Voor de kano bleek een eikenhouten stam te zijn uitgehold, waarschijnlijk met een dissel. De kano is gedateerd in circa 3500 voor Chr., dat wil zeggen in het middenneolithicum (Afb. 23). Opvallend detail was een donkere plek in de kano die verschroeid bleek te zijn, waarschijnlijk veroorzaakt door vuur. De plek is dan ook als stookplaats geïnterpreteerd.24 In de buurt van Blokhuizen en bij de plaats Zijdewind zijn in de zeventiger jaren van de vorige eeuw ooit twee stenen bijlen gevonden.25 Onbekend is uit welke context de vondsten afkomstig zijn. De datering van de bijlen is weliswaar neolithisch, maar ze kunnen tot in de bronstijd zijn gebruikt. Plattegronden van huizen uit de steentijd zijn in het Geestmerambacht tot nu toe niet gevonden, wel zijn tijdens een opgraving op de locatie de Domeynen in Sint Pancras sporen van laat-neolithische akkerbouw opgegraven. In feite was bewoning in het gebied vierduizend jaar geleden bijna uitsluitend mogelijk op de strandwal van Sint Pancras. Elders, met name in het gebied rondom Zandwerven, Hoog24

De kano is te bezichtigen in Het huis van Hilde in Castricum (zie blz. 40). 25 Met dank aan John van Lunsen voor de informatie over de twee bijlen.

- 20 -


woud, Kolhorn, Keinsmerbrug (Winkel), Zeewijk (Groetpolder) en Mienakker (Aartswoud) zijn grote opgravingen geweest die neolithische bewoning hebben aangetoond. De woonplaatsen lagen bijna allemaal op de oeverwallen langs geulen, soms aan een open water (Zeewijk) of op een strandwal (Zandwerven). Men hield runderen, varkens, geiten en schapen. De hond was toen ook al metgezel van de mens. Er werd gevist, zowel in zoetwater (paling), als ook in brak of zout water (harder, kabeljauw, platvis, schelvis, etc.). Ook werd gejaagd op onder meer wilde eenden en ganzen en op grote en kleinere zoogdieren. Gevonden zijn onder meer botten van bruine beer, edelhert en ree. Meer indicaties voor bewoning zijn er vanaf de bronstijd. Het onderzoek bij De Domeynen in Sint Pancras heeft eveneens sporen uit de bronstijd aan het licht gebracht, mogelijk delen van wegen waarop mensen het vee langs de strandwal hebben gedreven. Daar zakten mens en dier tijdens het lopen geregeld weg in de venige ondergrond. Het is een momentopname die archeologen in de vorm van pootindrukken van runderen, en mogelijk ook van schapen of geiten in het veen hebben teruggevonden. Het veen is op deze plek ontstaan tussen het laat-neolithicum en de midden bronstijd. Rond 900 voor Chr. is het gaan stuiven, getuige het enorme stuifzandpakket bovenop het veen. Ook uit de midden-ijzertijd zijn bewoningssporen opgegraven. Het zijn waterkuilen, enkele greppels en een kringgreppel uit deze periode. Paalkuilen van huizen of bijgebouwen ontbreken, wel zijn erfgreppels, stukjes huttenleem van de vlechtwerkwanden aangetroffen en materiaal, waarmee de sporen konden worden gedateerd. Opmerkelijk was de vondst van een handgevormde aardewerken pot van het type Ruinen Wommels 1 uit de vroege midden-ijzertijd, tussen 600 en 400 voor Chr. (Afb. 24).

6,5 meter en veel verbrand leem geïnterpreteerd als een afgebrande huisplaats uit de inheems-Romeinse periode.26 Palen van hout of paalkuilen zijn niet bewaard gebleven. Het is de enige huisplaats uit deze periode die kon worden vastgesteld. De overige sporen bestonden uit greppels en kuilen. Deze kuilen bleken echter niet zo maar gegraven, maar doelbewust aangelegd en vaak voorzien van bijzondere vondsten.

Veel van de prehistorische vindplaatsen liggen op zandige kwelderwallen die ooit de hoger gelegen delen van het landschap vormden. Op één zo’n kwelderwal lag de bronstijdvindplaats die door Frans Diederik is ontdekt. Deze vindplaats ligt ten noorden van het deel van De Druppels dat eerder door archeologen in 2009 en 2010 is onderzocht. Tijdens het onderzoek van Menno Van der Heiden en Peter Vos zijn grondlagen in de slootkant bemonsterd om ‘absolute dateringen’ van de ouderdom te verkrijgen. Hiervoor is gebruik gemaakt van enkele 14C-koolstofdateringen en OSLdateringsonderzoek (OSL staat voor optically stimulated luminescence). De archeologische bewoningslaag op de kwelderwal kon zo worden gedateerd in de midden-bronstijd, tussen 1775 en 1650 voor Chr. De kwelderwal zelf is rond 1800 voor Chr. ontstaan. Waarschijnlijk begon de veenvorming in het gebied enkele eeuwen later, namelijk tussen 1300 en 1000 voor Chr. De aard en omvang van de vindplaats uit de bronstijd kon tijdens het veldonderzoek niet worden achterhaald. Daarvoor is meer uitgebreid archeologisch onderzoek nodig. Vindplaats De Druppels Voorafgaande aan het onderzoek van Van der Heiden en Vos hebben archeologen van het Archeologisch Dienstencentrum (het ADC) in het plangebied De Druppels archeologisch onderzoek verricht. Daarbij zijn sporen en vondsten opgegraven uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, de zogenaamde inheems-Romeinse periode. Plattegronden van huizen zijn niet ontdekt, wel is een plek met een omvang van circa 5 bij

Afb. 24 Boven: pootafdrukken van runderen in het veen, midden: aardewerk van het type Ruinen Wommels I, onder: opgraving De Domeynen, 26

De vindplaats is gemeentelijk beschermd monumentnummer LANG42A.

- 21 -


Uit één van de kuilen kwam een fluitje, gemaakt van bot van een kraanvogel27. Meestal waren het min of meer complete potten, die men netjes op de bodem van de kuil heeft geplaatst. Het is niet voor het eerst dat bij de interpretatie van dit soort kuilen wordt gekeken naar een rituele functie en naar het kosmologische wereldbeeld dat de mens in de prehistorie volgens onderzoekers heeft gehad. Een van de meest bekende aanhangers van deze theorie is Dr. Linda Therkorn, verbonden als archeologe en docente aan de Universiteit van Amsterdam. Therkorn heeft veel en vooral grootschalig onderzoek verricht in Noord-Holland. Voorbeelden zijn het onderzoek in Assendelft, Schagen (onder meer SchagenMuggenburg I en II en Witte Paal), in de Velserbroekpolder (gemeente Velsen) en in de Broekpolder (gemeente Heemskerk en gemeente Beverwijk). Haar onderzoek heeft aangetoond dat de ligging van bepaalde kuilen correspondeert met sterrenbeelden, waaronder pegasus (paard) en taurus (stier/koe). De inhoud van de kuilen bleek ook een directe link met jaargetijde en sterrenbeeld te hebben (Afb. 25). Dit leidde Therkorn onder meer af uit de spreiding van specifieke botten in de kuilen die afkomstig waren van rund of paard. Therkorn heeft hier jarenlang onderzoek naar gedaan en een grote hoeveelheid data verzameld.28 Aanvankelijk werd sceptisch naar haar theorie gekeken, maar ondertussen is duidelijk geworden dat de mens in de prehistorie goede kennis had van de jaarlijkse cyclus van de hemellichamen en de positie van de maan, de zon en de sterren. Deze kennis was belangrijk voor de indeling van het landbouwseizoen, het bepalen van de momenten waarop werd gezaaid en geoogst. Het is weinig verwonderlijk dat de kennis zijn weerklank vond in rituele of ceremoniële handelingen. Handelingen, waarbij met aandacht een plek is gekozen om het seizoen te vieren of een godheid te eren. Helaas kunnen we over de invulling van de rituelen vaak alleen maar gissen. We zullen nooit te weten komen of mensen tijdens de handelingen hebben gezongen of gedanst, of iedereen mee mocht doen of slechts een select aantal en we zullen ook nooit weten welke rol de rituelen nou precies hebben gehad binnen de heidense samenleving. Het helpt wel om andere wetenschappen bij het onderzoek te betrekken. Zo maken archeologen bij de interpretatie van de materiële cultuur gebruik van de kennis van antropologen. Deze kruisbestuiving heeft geleid tot ideeën over groepsvorming en versterking van sociale banden tijdens rituele handelingen. De onderzoekers van De Druppels zijn wel tot de conclusie gekomen dat de kuilen niet willekeurig zijn gegraven en gevuld, en in het opgravingsverslag zijn de kuilen individueel beschreven, maar is er geen overkoepelende synthese opgesteld. Met op de achtergrond de kennis over de vindplaatsen die door Therkorn zijn onderzocht, zou het prachtig zijn om opnieuw naar de data van De Druppels te kijken om patronen in de depositie te achterhalen.

Afb. 25 Boven: kuilen van vindplaats Velserbroek-Hofgeest in het patroon van sterrenbeeld Pegasus (Kok 2009)

Overige vindplaatsen uit de inheems-Romeinse periode Zoals uit de geïnventariseerde gegevens blijkt, zijn sommige delen van het Geestmerambacht beter in kaart gebracht dan andere, en dit heeft vooral ook te maken met de werkgebieden van amateurarcheologen. Zo is het gebied tussen Krabbendam en Warmenhuizen door de amateurarcheoloog Wagenaar gedetailleerd verkend. Talrijke vindplaatsen uit de 1ste tot en met 4de eeuw na Chr. zijn door hem gedocumenteerd (Afb. 26). Het zijn met as gevulde kuilen die Wagenaar als kook- of vuurkuilen heeft geïnterpreteerd, plekken met aardewerkconcentraties, maar vermoedelijk ook grafvelden, met voornamelijk crematiegraven. De vuurkuilen lijken een lineair patroon te volgen en stonden mogelijk in relatie tot het grafveld. Elders zijn vergelijkbare vuurkuilen bekend die met dodencultus te maken hebben gehad. In de inheems-Romeinse periode was duidelijk sprake van een aanzienlijke bevolkingstoename. Men leefde vooral langs de waterlopen, maar ook op het veen. Naast een permanente drinkwatervoorziening was de keuze voor bewoning in de buurt van water ook vooral gunstig vanwege het gebruik van de waterwegen voor de uitwisseling van goederen, vervoer van dieren en mensen.

27

Deze vondst is in Het huis van Hilde in Castricum te bewonderen (zie blz. 40). 28 Therkorn 2004.

- 22 -


vankelijk waren het vlaknederzettingen, maar toen het gebied natter werd, begon men enkele van de nederzettingen op te hogen. Een van de terpjes, bekend onder de naam Hartendorp, is in de jaren ‘60 van de vorige eeuw door de Rijksdienst opgegraven. Er zijn op de plek twee huisplattegronden ontdekt uit de 12de en 13de eeuw. Bijna zestig jaar later werd ook de randzone van de terp opgegraven. Zoals verwacht waren de middeleeuwse sporen in de randzone duidelijk minder qua omvang. Wel is een goed geconserveerde waterput opgegraven met een mantel van kleiplaggen. Op grond van het onderzoek kon de omvang van de terp nauwkeuriger worden bepaald en werd duidelijk dat deze een uitbreidingsfase kende. Dit vond plaats in de 13de eeuw, toen een oude kavelsloot aan de terpvoet met plaggen werd opgevuld. De conservering van het ecologische materiaal was trouwens uitstekend. Archeobotanisch onderzoek aan stuifmeel en zaden heeft een goed beeld opgeleverd van de verbouwde granen en de natuurlijke omgeving van de vindplaats. De bewoners leefden in een zoet laagveenmilieu. In de ringsloot rondom de terp groeide onder meer waterdrieblad. In de nabijheid van de terp bevonden zich graslanden. Waarschijnlijk zijn deze gebruikt om schapen en/of koeien te laten grazen. In de tuinen naast de huizen werd erwt en duivenboon geteeld. Ook hebben de bewoners rogge verbouwd, een graansoort die weinig eisen aan de bodem stelt. De vondst van rogge is bijzonder, omdat rogge vooral op de zandgronden is verbouwd. Volgens de archeobotanicus Van Haaster zullen de mensen zomerrogge hebben gezaaid. Winterrogge werd namelijk in het najaar gezaaid en de jonge plantjes zouden de overstromingen in de winterperiode niet hebben overleefd.

Afb. 26 Schets met vindplaatsen van Wagenaar (niet gepubliceerd).

Middeleeuwse terpen in de voormalige gemeente Harenkarspel Volgens Den Boon en Husken zorgde de doorbraak van de Schagerdam in 1248 voor het ontstaan van de meren ten oosten van Langedijk. In het artikel van Frans Diederik op blz. 13 e.v. in deze Poldergeest wordt uitgebreid ingegaan op de relatie tussen bewoning en landschap. De historische dorpskernen van Sint Maarten en Warmenhuizen zijn ooit ontstaan op terpen, kunstmatige heuvels, opgeworpen door de mens als bescherming tegen het almaar stijgende water. Dit oude cultuurlandschap met verhoogde woonplaatsen is door de ruilverkaveling vanaf 1958 tot 1973 grondig opgeruimd. Zo was aan de noordoostkant van het Diepsmeer een laag terpje gelegen.29 Arie Schermer heeft in 1967 uit de ‘donkere grond van de woonlaag’ een voet van een pot uit de vroege middeleeuwen geborgen. Het aardewerk is van het type Pingsdorf (900 tot 1250 na Chr.) en ooit in de vroege middeleeuwen via de handel uit het Duitse Rijnland hier terechtgekomen. Na de ontdekking van de terp heeft enkele jaren later, namelijk in 1969, Erik Cordfunke de vindplaats samen met Jacob Westra bezocht. Het terpje was toen al volledig vergraven in verband met de aanleg van een duiker onder een wegkruising. Op de kreekrug van Sint Maarten was een heel lint van terpjes aanwezig, waarvan de oudste teruggaat tot in de vroege middeleeuwen, omstreeks de 8ste eeuw na Chr. Aan29

Schermer en Westra volgden de verkavelingen per blok, en publiceerden bijna jaarlijks hun bevindingen in het tijdschrift van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland. In 1970 en 1971 werden acht vindplaatsen ten oosten van Warmenhuizen beschreven (Afb. 27). Het zijn vooral vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen, zoals die aan de slootweg, ten westen van Oudkarspel.

Archis-waarnemingsnummer 37.965

- 23 -


jaren nog wordt aangetroffen bij de toekomstige bouwprojecten in het Geestmerambacht. Er zijn tal van ontwikkelingsgebieden in de structuurvisie Langedijk 2012-2030 vastgelegd, zoals de aanleg van een verbinding die zal komen tussen Nauertogt, Zuiderdel en Broek op Langedijk of aan de Westrand van Sint Pancras. Vanuit Stichting RAG blijven wij de ontwikkelingen volgen en zullen te zijner tijd over de nieuwe ontdekkingen berichten.

Afb. 27 Kaart van vindplaatsen van Westra en Schermer ten oosten van Warmenhuizen en tekening van vroegmiddeleeuws aardewerk van vindplaats 1971-1 (op tekening onder (1) tot (5) scherven met radstempel van het type Badorf, en (6) rand van kogelpotaardewerk; vindplaats 1971-1 zie blauwe pijl) (uit A. Schermer 1973).

Vronen Vronen, volgens historici de voormalige hoofdstad van WestFriesland, lag op de strandwal van Sint-Pancras. De geest Vronen en het voormalige Vronermeer staan op oude kaarten aangegeven. Vronen is nauw verbonden aan de West-Friese oorlogen, de moord op Floris V en de opstand van de WestFriezen. De beslissende veldslag tegen de Zeeuwen en Hollanders vond plaats op 27 maart 1297 bij Vronen. Vronen werd volledig verwoest. Dit moet een gruwelijk gebeuren zijn geweest, getuige de vele skeletresten van jong en oud die zijn aangetroffen tijdens de opgraving van een relatief klein deel van de begraafplaats in 1991. Gerard Alders heeft hier uitvoerig onderzoek naar verricht en er is een boeiend artikel verschenen van hem en de fysisch-antropologe, Constance van der Linden, die het skeletmateriaal heeft onderzocht. Aan het begin van de 18e eeuw heeft de geschiedschrijver Simon Eikelenberg (Alkmaar 1663-1738) een reconstructiekaart gemaakt van Vronen, zoals hij dacht dat het er in dat gebied heeft uitgezien in de 14e eeuw (Afb. 28). Karakteristiek zijn de wegen op de strandwal in ongeveer Noord-Zuid richting. Dit wegenpatroon is ook elders terug te vinden, zoals op de strandwal Limmen-Heiloo-Alkmaar. Toekomst voor archeologie Het is een onomkeerbaar gegeven dat de bodem van het Geestmerambacht op grote schaal is verstoord. Toch zijn er nog plaatsen met archeologische waarden in het gebied. Zo zal men bij het slopen en de nieuwbouw van huizen op de strandwal van Sint Pancras altijd rekening moeten houden met archeologische sporen en vondsten: het zijn min of meer de laatste plekken waar de bodem niet verstoord is, tenzij er een kelder onder heeft gelegen. De ruilverkaveling is niet overal in het gebied op dezelfde manier uitgevoerd, dat betekent, er zijn locaties die minder diepgaand zijn verstoord dan andere. De gaafheid van de archeologische sporen en vondsten die tijdens het onderzoek in het plangebied De Druppels aan het licht kwamen, waren een verrassing voor zowel onderzoekers als beleidmakers. Wie weet wat er in de komende

Afb. 28 Vindplaatsen op de geest van Vronen, geprojecteerd op de kaart van Eikelenberg: Geest van Vronen (1), begraafplaats (2), locatie slag bij Vronen (3), geest van Oudorp (4), Monnikenweg (5), voormalig Vronermeer (6), Nieuwenburg (7), Middelburg (8), Torenburg (9). Met dank aan Laura Koehler van de RCE voor de foto (Afb. 23) van de kano uit Wieringen, aan Jan de Koning van het opgravingsbedrijf Hollandia bv. voor de foto's van de vindplaats De Domeynen (Afb. 24) en aan Julien Ranzijn en Jeffrey Slopsma voor het vormgeven van de kaarten (Afb. 32, Afb. 33 en Afb. 34).

Literatuur: − − − −

- 24 -

Alders, G. & C. van der Linden, 2010: Dood en verderf in Vronen. Skeletonderzoek op een voormalig kerkhof. (Archeobrief). Boon, L. den & S. Husken, 2009: Beleidsnota Cultuurhistorie Langedijk, gemeente Langedijk. Haaster, H. van, 2004: Voedingsgewoonten en milieuomstandigheden op en rond de terp Hartendorp in Warmenhuizen (12de tot 13de eeuw), Zaandam (BIAXiaal 207). Kleijne, J. P., O. Brinkkemper, R.C.G.M. Lauwerier, B.I. Smit & E.M. Theunissen (eds), 2013: A Matter of Life and Death at Mienakker (the Netherlands), Late Neolithic Behavioural Variability in a Dynamic Landscape, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 45).


− − − − − −

Kok, M.S.M., 2008: The homecoming of religious practice: An analysis of offering sites in the wet low-lying parts of the landscape in the Oer-IJ area (2500 BC- AD 450), Rotterdam (dissertatie). Nijdam, L., 2012: Sint Pancras, Twuyverweg 19, gemeente Langedijk. Een bureauonderzoek en karterend booronderzoek, Lippenhuizen (ArGeoBoor 1204). Schermer, A., 1968: Geestmerambacht. Archeologische vondsten en waarnemingen 1956-1960. West-Friesland Oud en Nieuw 35, pp. 213-228. Schermer, A., 1969: Geestmerambacht II. Archeologische vondsten en waarnemingen in 1968. West-Friesland Oud en Nieuw 36, pp. 172-190. Schermer, A., 1971: Geestmerambacht III. Archeologische vondsten en waarnemingen in 1969. West-Friesland Oud en Nieuw 38, pp. 144-160. Schermer, A., 1973: Geestmerambacht IV. Archeologische vondsten en waarnemingen in 1970-1972. West-Friesland Oud en Nieuw 40, pp. 245-264. Schermer, A., 1975: Geestmerambacht V. Oude dijken en hun resten onder Warmenhuizen, Krabbendam, Eenigenburg, Zijbelhuizen en het Rijpje. West-Friesland Oud en Nieuw 42, pp. 236-247.

− − − − − − −

Schermer, A., 1977: Schagen - Haringhuizerweg. Vondsten uit oud-Friese tijden en de late Middeleeuwen. West-Friesland Oud en Nieuw 44, pp. 244-250. Schermer, A., 1984: Het oude land van Hensbroek. WestFriesland Oud en Nieuw 51, pp. 251-262. Schermer, A. & Westra, Jb., 1978: Oud-Warmenhuizen op terpen. West-Friesland Oud en Nieuw 45, pp. 208-230. Therkorn, L.L., 2004: Landscaping the Powers of Darkness and Light: 600 BC - 350 AD settlement concerns of NoordHolland in wider perspective, Amsterdam (dissertatie). Verduin, J.T., 2012: Opgraving aan de Domeynen te Sint Pancras, gemeente Langedijk, Zaandam (Hollandia, reeks 372). Vos, P & M. van der Heiden, 2013: Archeolandschappelijk onderzoek bij de bronstijdvindplaats in het gebied De Druppels, Geestmerambacht, Wageningen (Deltares 1204816). Waldus, W.B., 2005: Warmenhuizen Hartendorp, Amersfoort (ADC-rapport 402). Zandboer, S. (eds), 2011: Bijzondere kuilen tussen de kolen. Een archeologische opgraving te Langedijk de Druppels, Bunschoten (ADC rapport 2376).

Foto's van enkele vondsten bij De Druppels, na afloop van de opgraving gevonden door amateurarcheologen Ron van Wezop en Willem Visser.

Afb. 29 Gewicht

Afb. 30 Gewicht

Afb. 31 Oesdop van been, gebruikt in een tuig van een paard

- 25 -


Afb. 32 Overzichtskaart archeologische vondsten in Geestmerambacht.

- 26 -


Afb. 33 Detail 1: archeologische vindplaatsen tussen Warmenhuizen en Krabbendam (legenda zie Afb. 32)

- 27 -


Afb. 34 Detail 2: archeologische vindplaatsen in Sint Pancras en Oudorp en bij De Druppels (legenda zie Afb. 32)

- 28 -


Het Geestmerambacht in de middeleeuwen Henk Komen

O

ver de historie en het ontstaan van het Geestmerambacht is vooral na de verkaveling in de jaren zestig van de vorige eeuw veel bekend geworden. Pas toen het oude historische landschap verdween, kwam de behoefte om zijn geschiedenis te leren kennen. Het landschap van het Geestmerambacht met zijn dorpen van Sint Maarten in het uiterste noorden tot Oudorp in het zuiden is de laatste vijftig jaar enorm veranderd. Dorpen kregen het aanzien van steden en snelwegen doorkruisen het gebied dat eens gekenmerkt werd door sloten en meren. Hoe anders zag het landschap er in de vroege middeleeuwen uit. Hoe precies laat zich moeilijk reconstrueren, omdat er uit die tijd weinig geschreven bronnen voorhanden zijn. De schaarse bronnen uit de middeleeuwen (plm. 800 tot 1300) zijn alle bekend. Het gaat om de interpretatie van die bronnen om de geschiedenis te achterhalen. De voortschrijdende archeologische en historisch-geografische kennis is een voortdurende aanvulling op de bronnen en brengen verandering in onze zienswijze over het verleden. Aan de hand daarvan wordt in dit artikel de bestaande literatuur over het Geestmerambacht tegen het licht gehouden en de middeleeuwse ontstaansgeschiedenis gereconstrueerd. Hoewel geen enkele oude bron vertelt hoe het Geestmerambacht er in de middeleeuwen uitzag, zijn de meeste historici het er over eens dat geheel West-Friesland bedekt was met een meters dikke veenlaag, die ver boven de zeespiegel uitstak. Algemeen wordt nu aangenomen dat ten oosten van de Noord-Hollandse duinen rond het jaar 800 een groot veengebied lag dat zich uitstrekte tot voorbij Enkhuizen en Texel30. Dit veengebied was onbewoonbaar. Alleen in de duinen aan de kust, op de hogere zandgronden, zoals de geestgronden van Oudorp, Vronen (nu Sint Pancras), Wieringen en Texel, was bewoning mogelijk. Waarschijnlijk door de toename van de bevolking en de behoefte aan nieuwe landbouwgronden ging men over tot het ontginnen van dat veengebied31. De veenontginningen in het Geestmerambacht zijn tot stand gekomen tussen 900 en 1150 in een klimatologisch wat drogere periode. De akkers in de duinstreek werden door duinvorming onbruikbaar, waardoor de bewoners genoodzaakt werden in oostelijke richting nieuwe akkers te zoeken. Zij vonden die in de toen wat drogere en dus beter begaanbare veengebieden32. De veenontginningen in het noorden rond Texel en Wieringen gaan terug tot de 8ste eeuw33.

Afb. 35 De veenverkaveling. De eerste fase laat enkele boerderijen zien, gelegen in een nog niet ontgonnen veenlandschap. In de tweede fase heeft men evenwijdig aan elkaar sloten in het veen gegraven. Hierdoor werd het veen ontwaterd om als akkerland gebruikt te worden. De derde fase laat zien dat men verder

30 31 32 33

Borger, 1975 De Cock, 1965 Edelman, 1958, Beenakker, 1998, Rappol, 1994 De Cock, 1965, Diederik, 1989

het veen is ingetrokken voor nieuwe akkers. Daar werden boerderijen gebouwd en ontstonden nieuwe dorpen.

Veenontginning De ontginning van het Geestmerambacht wordt gedateerd in de tiende eeuw. Door het graven van sloten in het veen, werd het veenpakket beter ontwaterd en daardoor geschikt gemaakt voor akkerbouw. Het gehele veengebied werd niet in een keer op deze manier omgezet in landbouwgrond. Dat gebeurde in fasen (Afb. 35). Vanuit Schoorl en Bergen koloniseerde men omstreeks het jaar 900 de oostelijk van de rivier de Rekere (waar nu het Noordhollands Kanaal ligt) gelegen veengebieden. Men trok groepsgewijs lopend vanaf de Rekere het veengebied in, van west naar oost, tot men een kavelblok van voldoende grootte had bereikt. Daar groef men van noord naar zuid, evenwijdig aan de Rekere, een sloot (een achterdichting). Dit was nodig omdat het nog niet ontgonnen veen gebruikt werd als gemeenschappelijke weidegrond voor het gehele dorp. Deze gemeenschappelijke weiden werden ‘meent’ of ‘mient’ genoemd. Vervolgens werd het vee over de nieuwe sloot gejaagd naar de daar nog aanwezige niet ontgonnen veengronden, die als nieuwe meent in gebruik werden genomen. Als je een kavelblok wilt ontginnen door het graven van sloten moet je natuurlijk niet in de weg gelopen worden door loslopend vee. Die noord-zuid gerichte sloot had ook de functie om te voorkomen dat water van de oostelijk en hoger gelegen onontgonnen veengronden over de nieuwe akkers zou stromen. Vervolgens groef men vanaf die nieuwe noord-zuid gerichte scheidingssloot haaks hierop en parallel naast elkaar kavelsloten. De zo ontstane lange rechthoekige kavelblokken waren oorspronkelijk ongeveer 20 hectare groot en werden ‘hoeve’ genoemd34. Dus van al die vele eilandjes in het Geestmerambacht, die we uit de vorige eeuw kennen, was oorspronkelijk nog geen sprake. Invloed van de ploeg op het landschap Het zuidelijk deel van het Geestmerambacht (Langedijk, Koedijk) is ontgonnen vanuit de hoger gelegen zandgronden van Huiswaard, Sint Pancras, Bergen en Schoorl. Het noordelijk deel (Warmenhuizen, Eenigenburg en Sint Maarten) is ontgonnen vanuit de duinen van Petten35. Om het veen te kunnen ploegen, gebruikten de boeren paarden. Dat week af van wat elders in Europa gebruikelijk was. Daar werden voor dit zware werk vooral ossen gebruikt. Maar ossen waren te 34 35

- 29 -

Diederik, 1989 De Cock, 1965


zwaar voor het zachte veen. De oorspronkelijke lange rechthoekige kavels die men in het veen aanlegde, kwamen voort uit de wijze van ploegen. Hoe langer een kavel des te minder hoefde de boer met zijn ploeg te keren. De moderne ‘keerploeg’ bestond nog niet. De boer had in die tijd een gemengd bedrijf. Naast akkerbouw (vooral graanteelt), had hij ook vee, die hij om de mest voor zijn land nodig had, want veengrond is weinig vruchtbaar. De omvang van de veestapel was afhankelijk van de kwaliteit en de oppervlakte van de nog niet ontgonnen veengronden, van de meent dus. Deze gronden waren van geringe kwaliteit en begroeid met allerlei opslag. Bovendien waren zij door de slechte afwatering vaak moerassig. De grote oppervlakte van het nog niet ontgonnen ambacht maakte de slechte kwaliteit niet goed. Zij boden het vee slechts een karig voedsel. De omvang van de veestapel werd voorts nog bepaald door het overschot aan akkerbouwproducten, waarmee het vee in de winter gevoederd moest worden36.

Afb. 36 Het Geestmerambacht en de verschillende veenontginningsfasen. Vanuit de duinen trok men in oostelijke richting het veen in. Tot de Rekere is waarschijnlijk de eerste fase. De tweede fase ging tot de Zomersloot. De derde fase tot de Winterweg. De vierde fase betrof de strook tot de oorspronkelijke achterdichting (sloot) waaraan de dorpen Oudkarspel, Noord- en Zuid-Scharwoude werden gesticht. Zowel de Zomersloot, de Winterweg als de oorspronkelijke achterdichting van Oudkarspel/Zuid-Scharwoude lagen haaks op de kavelrichting. De delgronden van Broek zijn ontgonnen vanuit het zuidelijk gelegen Vronen.

Ambacht ontgonnen in fasen Het Geestmerambacht werd in verschillende fasen ontgonnen, waarschijnlijk van noord naar zuid (Afb. 36). Een opgraving bij de kerk in Sint Maarten heeft vondsten opgeleverd uit de 8ste-9de eeuw. De algemene richting van de sloten in de gebieden, die van Schoorl en van Petten uit zijn ontgonnen, is verschillend. Het ‘draaipunt’ ligt juist bij de grens ten noorden van Warmenhuizen. Later is het oorspronkelijke noordelijke deel van het Geestmerambacht door overstromingen (o.a. het ontstaan van de Zijpe) sterk verstoord37 (Afb. 37). In het zuidelijk deel van het Geestmerambacht zijn de verschillende ontginningsfasen aan de hand van het middeleeuwse verkavelingspatroon beter te onderscheiden. Toen 36 37

Slicher van Bath, 1962 De Cock, 1965

men opnieuw behoefte had aan nieuwe akkers trok men weer ongeveer vier tot vijf kilometer het veengebied in, groef van noord naar zuid een nieuwe rechte sloot en joeg het vee wederom naar het veen achter die sloot. De gemeenschappelijke weiden schoven daardoor steeds verder naar het oosten. Vervolgens verkavelde men een nieuw blok tot akkergrond. De eerste fase van de ontginning van het Geestmerambacht zuidelijk van Warmenhuizen tot de grens van Broek liep tot de Zomersloot. De tweede fase ging tot de sloot die indertijd bekend was als de Winterweg. De namen van deze beide sloten zijn jongere namen en dateren niet uit de tijd van de veenontginningen. Mogelijk heeft aan de Winterweg een voorganger van de kerk van Oudkarspel gestaan. Er zijn daar veel scherven uit de middeleeuwen gevonden38. De derde fase betreft het gebied tot de huidige Langedijk. Daarna is men verder gegaan, waar nu Heerhugowaard ligt, tot aan de Langereis bij Veenhuizen. Veenhuizen is vanuit Langedijk ontgonnen en behoorde in de middeleeuwen tot de banne Langedijk. Door het ontstaan van het meer de Waard is Veenhuizen los komen te staan van Langedijk39.

Afb. 37 Veenverkavelingsrichting in het noorden van het Geestmerambacht. Warmenhuizen is vanuit Schoorl ontgonnen. Het gebied tot Sint Maarten vanuit het oorspronkelijke Petten. (Kaart naar De Cock, 1965). Legenda: 1.weg; 2. sloot; 3. dijk; 4. grens; 5. kerk; 6. Rekerdam; 7. Nuwendoorn; 8. Zijbelhuizersloot; 9. Wansloot; 10. Groenedijk; 11. Dirkshorn.

Vronerbroek De oude naam voor Oudkarspel ‘Aldenkercha’ duidt erop dat de kapel van Oudkarspel als eerste van de drie kolonistendorpen zal zijn ontstaan en vervolgens in zuidelijke richting die van Noord- en Zuid-Scharwoude. Broek op Langedijk is vanuit het zuidelijk gelegen Vronen (Sint Pancras) ontgonnen. De oude naam ‘Vronerbroek’ verwijst hiernaar. Door de vernietiging van het dorp Vronen in 1297 verdween het voorvoegsel Vroner en bleef de naam Broek over. De toevoeging 38 39

- 30 -

Schermer, 1973; Diederik, 1989 De Cock, 1965


‘op Langedijk’ is van latere datum. Dat Broek vanuit het zuiden is ontgonnen laat, behalve de oude naam, ook het oude slotenpatroon zien (Afb. 38). Ten zuiden van de Bruggesloot in Broek vertoonde dat slotenpatroon een zelfde kavelrichting als die van Sint Pancras. Bij de Bruggesloot botste de Vroner kavelrichting tegen de oost-west gerichte kavels van Zuid-Scharwoude. Dat de kavelsloten van Broek bij de Bruggesloot werden onderbroken en die van het gebied ten noorden ervan ongehinderd doorliepen, wijst erop dat de eerstgenoemde van jongere datum is dan die van het gebied ten noorden ervan (Zuid-Scharwoude).

Afb. 38 De veenontginning bij Sint Pancras. Beneden de Vronergeest met daarboven een oudere veenverkaveling die vanuit Vronen is ontstaan en begrensd werd door de Melksloot. Deze verkaveling raakte bij de Bruggesloot de verkaveling van Zuid-Scharwoude. In het gebied tussen de Melksloot en de Maijersloot lag de waaierverkaveling van Broek die de kavelrichting van Sint Pancras (Vronen) deed aansluiten op die van ZuidScharwoude.

Delgronden Het gebied ten noorden van de Twuyverweg moeten we als een restverkaveling zien van een overgebleven stuk veenland tussen de oudere verkavelingen van het zuidelijk gelegen Sint Pancras en het noordelijke Zuid-Scharwoude. Deze laag gelegen delgronden (= natte moerassige gronden) van Broek zijn oorspronkelijk voor de veenontginners minder interessante gebieden geweest en daardoor pas later ontgonnen dan het gebied ten noorden en ten zuiden ervan. Ook is uit het oorspronkelijke slotenpatroon af te lezen dat de Broeker verkaveling van west naar oost een waaierpatroon vertoonde. Dit werd gedaan om het slotenpatroon van het zuidelijk gelegen Sint Pancras aan te passen aan die van het noordelijk gelegen Zuid-Scharwoude. Er waren aanvankelijk zoveel nieuwe gemakkelijk te ontginnen hogere gronden voorhanden dat men de natte en laag gelegen minder interessante stukken links liet liggen. Men ging er gewoon omheen. Dat is met de gronden van Broek gebeurd. De naam ‘Broek’ (= drassige grond) duidt hier al op. Pas later, toen alles was ontgonnen en

er gebrek bleef aan nieuwe landbouwgrond, loonde het de moeite de reststukken alsnog te ontginnen. Pikklei In de literatuur lezen we de veronderstelling dat de Langedijk aangelegd zou zijn als bescherming tegen het water van de Heerhugowaard40. Een waterdreiging dus vanuit het oosten. Maar dan is het wel heel vreemd dat de kerkjes in Noord- en Zuid-Scharwoude ten oosten van die beschermende dijk werden gebouwd en waarom dan ook nog zo ver van die dijk af? Voor die kerkjes bood de aan de westzijde van de kerkjes gelegen Langedijk immers geen enkele bescherming tegen het water van de Waard. Hoe zit dit nu? Archeologisch onderzoek op de plaats van de Kooger Kerk toont aan dat direct onder de kerkvloer een laag klei lag met daaronder een laag veen tot het zand waarop de fundering van de kerk is gebouwd41. Kortom, de middeleeuwse bouwers van die kerk in Zuid-Scharwoude stonden indertijd niet op veen, ze stonden op klei. Halbertsma schat dat de eerste kerk daar gebouwd is omstreeks 1050. In het gehele Geestmerambacht heeft in de middeleeuwen op het veen een laag klei gelegen die zich uitstrekte van Koedijk tot de oostgrens van Langedijk. Deze zogenoemde pikklei is daar neergelegd door overstromingen vanuit de rivier de Rekere. Deze rivier stond namelijk via een doorbraak in de kustduinen ter hoogte van Callantsoog in open verbinding met de zee en haar eb- en vloedwerking42. Land onder water Bij vloed stroomde het water over het Geestmerambacht tot de oevers van de Heerhugowaard, dus voorbij de strook waar nu de kerken in de Kerklaan (in Noord-Scharwoude) en de Koog (in Zuid-Scharwoude) staan, trok zich vervolgens weer terug om steeds een laagje slib achter te laten. Zo is er een kleilaag op het veen terechtgekomen. De meeste historici zijn het er over eens dat in het Geestmerambacht eerst de veenontginning heeft plaats gevonden (tussen 900 en 1150) en dat later de pikklei daarop werd neergelegd door de Rekereoverstromingen (1050-1100)43. Deze steeds terugkerende inundatie heeft het oorspronkelijke slotenpatroon in het ambacht nauwelijks aangetast. Het water steeg, de sloten vulden zich, het water stroomde vervolgens over de akkers, om, als het waterpeil weer daalde, via de sloten terug te vloeien. De werking van een dergelijke inundatie hebben we nog recentelijk kunnen zien toen de Wieringermeer in 1945 door de Duitsers onder water werd gezet. Na het opnieuw droogleggen van de Wieringermeer bleek het verkavelingspatroon de overstroming vrijwel ongeschonden te hebben doorstaan. Alleen de materiële schade was wel enorm. Terpen In het noordelijk deel van het Geestmerambacht (van Warmenhuizen tot Sint Maarten) hebben de bewoners geprobeerd zich tegen deze voortdurende overstromingen te beschermen door terpen op te werpen en daarop te gaan wonen. In het Langedijker deel van het ambacht komen geen terpen voor44. De vraag is of de veenontginners in dit deel van het ambacht, 40 41 42 43 44

- 31 -

De Cock, 1965; Geus, 1973 Halberstma, 1996 Schoorl, 1973; Rappol, 1994 Kasse, 1987 Diederik, 1989


toen zij in de derde fase van de veenontginning, behalve een noord-zuid gerichte sloot groeven (vanaf de kerk van Oudkarspel), ook een lange dijk opwierpen? Aangezien de pikklei tot onder de Kooger Kerk ligt, dus voorbij de huidige Langedijk, betekent dit, dat als er een dijk lag, deze door overstromingen moet zijn doorgebroken. Daarvan zijn geen sporen in het landschap achtergelaten. Het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat er aanvankelijk geen lange dijk lag, alleen maar een veensloot waarlangs de ontginners hun boerderijen bouwden. Daardoor kon de opslibbing van klei op het veen in de periode 1100 tot 1200 zich uitstrekken tot voorbij de huidige Langedijk. Het voortdurend onder water komen van het ambacht hoefde men aanvankelijk niet als een ramp te ervaren, immers het had als groot voordeel dat het veenland door de klei vruchtbaar werd. Dat er in dit deel van het Geestmerambacht geen terpen werden gebouwd, zoals in het noordelijk deel, heeft mogelijk te maken met de zeer geringe bewoning. Boven de lijn Petten-Warmenhuizen was het land relatief dichtbevolkt met veel dorpen. Het Geestmerambacht ter hoogte van de Langedijk was grotendeels leeg. Men woonde alleen aan de oostelijke ontginningssloot. Het ambacht liep van west naar oost in hoogte op (Heerhugowaard en Veenhuizen waren hooggelegen veengronden), zodat de opslibbing van de pikklei in het westen bij Koedijk het grootst was en naar het oosten toe steeds minder werd. Oostelijk van Broek en Sint Pancras is geen pikklei op het veen aanwezig45. Eerste lange dijk aangelegd De eerste generatie kolonisten in Noord- en ZuidScharwoude zal nog niet in staat geweest zijn tot de bouw van een eigen kerkje. De tweede generatie wellicht evenmin. Aanvankelijk zullen de bewoners van deze beide dorpen tot de parochie Oudkarspel hebben behoord. Mogelijk werd de wekelijkse tocht naar de kerk in Oudkarspel te bezwaarlijk en had men behoefte aan een eigen kerk46. Toen de kerkjes in Noord- en Zuid-Scharwoude werden gebouwd, zullen de bewoners hun kerkjes ongetwijfeld hebben willen beschermen tegen de voortdurend terugkerende overstromingen vanuit het westen, veroorzaakt door de eb- en vloedwerking van de zee die via de Rekere tot de Langedijk reikte. Waarschijnlijk is omstreeks 1050, in de periode van de bouw van de kerkjes, een beschermende dijk langs de Burggracht aangelegd ten westen van die kerkjes. De oorspronkelijke Langedijk is dus mogelijk aangelegd als bescherming tegen het water, maar niet vanwege een dreiging vanuit het oosten, de Heerhugowaard, zoals in de literatuur verondersteld wordt, maar vanuit het westen. Van een meer De Waard, oostelijk van de Langedijk, was toen immers niet of nauwelijks sprake. En zo kwamen de eerste kapellen aan de Langedijk niet aan de westzijde, maar aan de oostzijde van die dijk terecht. Zijdewind Aan de voortdurende overstromingen van het Geestmerambacht en de pikklei-sedimentatie kwam pas een einde toen er rond 1200 dijken langs de Rekere werden aangelegd47. Vanaf Koedijk is ter hoogte van de Diepsmeer dwars door het ambacht van west naar oost, op de grens van Oudkarspel en Noord-Scharwoude, op oude kaarten een voormalige dijk

aantoonbaar. Mogelijk is dit een dijk, een zijdewind genoemd, die het gebied ten zuiden ervan beschermen moest tegen de overstromingen van de Rekere vanuit het gebied Warmenhuizen-Sint Maarten48. Het Geestmerambacht werd door deze zijdewind in een noordelijk en een zuidelijk deel gescheiden. Terwijl het noordelijk deel nog lange tijd te lijden had van wateroverlast, bleef het zuidelijk deel door deze zijdewind mogelijk hiervan gevrijwaard. Dit voor het buitenwater afgesloten gebied werd het ‘Vronlegeister ambacht’ genoemd, naar de belangrijkste plaats in die tijd: Vronen. Daartoe behoorden de dorpen Koedijk, Noord- en ZuidScharwoude, Broek en Oudorp. Uit de naam ‘Vronlegeister ambacht’ is de huidige naam Geestmerambacht ontstaan49. De Grote Waard Het meer de Grote- of Zuiderwaard (de huidige Heerhugowaard) nam pas na ongeveer 1200-1250 in grootte toe. Het watergevaar kwam toen wel vanuit het oosten en vanaf het moment dat de Huigendijk werd aangelegd kon het water van De Waard niet meer via de zee afgevoerd worden. Er werden wel sluizen in die dijk aangelegd, zodat het teveel aan water geloosd kon worden op de Schermer. Maar als er niet geloosd kon worden, kwamen de landen ten oosten van Langedijk en Sint Pancras onder water te staan. Heerhugowaard is in het zuiden het diepst. Naar het noorden toe loopt het op50. Ter hoogte van Oudkarspel en Noord-Scharwoude lag nog veel land tussen de Langedijk en Veenhuizen. Vooral in het zuiden kwam het water van De Waard steeds dichter bij de Langedijk doordat veel voorland werd weggeslagen. De Langedijk verlegd De oorspronkelijke ontginningsas lag vanaf Oudkarspel in zuidelijke richting haaks op het oude verkavelingspatroon, mogelijk eindigend ter hoogte van de oude dorpsgrens tussen Zuid-Scharwoude en Broek (de Trofveert). De kapellen van Oudkarspel, Noord- en Zuid-Scharwoude zijn aan deze ontginningsas gebouwd. Broek is ontstaan aan een andere ontginningsas welke oostelijk van Sint Pancras lag, evenwijdig aan de Vronergeest. In het verlengde van de Dijk in Broek ligt in zuidelijke richting de Dijkstalweg. Samen vormden ze indertijd een ontginningsas welke vanuit Vronen was aangelegd. Beide ontginnningsassen, die van Broek en die van Oudkarspel/Zuid-Scharwoude, sloten aanvankelijk niet op elkaar aan. Om meer voorland te creëren tussen de bewoning van de dorpen Noord- en Zuid-Scharwoude en het water van de Waard is toen de ontginningsas van Noord- en ZuidScharwoude omstreeks 1250 verlegd51 (Afb. 39, Afb. 40 en Afb. 42). Vanaf het Gorterdiep (dat is tegenover de Jacob Jongbrug in Noord-Scharwoude) werd een nieuwe Voorburggracht (de huidige) gegraven, schuin door de oude veenverkaveling heen, richting Broek. De kerkjes in Noord- en Zuid-Scharwoude heeft men op de oude plaats laten staan. Deze hypothese kan de verklaring zijn waarom die kerken zover van de huidige Langedijk staan. Over het waarom men deze kerkjes op de oude plaats heeft achtergelaten, kunnen we slechts gissen. Een kostenoverweging behoort tot de mogelijkheden. Je verplaatst gemakkelijker een houten boerderij 48

45 46 47

Du Burck, 1957 Halbertsma, 1996 Westenberg, 1974

49 50 51

- 32 -

Komen, 2004 Geus, 1973 Van den Hurk, 1962 Komen, 2006 en 2008


dan een stenen kerk. Ook de aanwezigheid van de oude begraafplaats kan een overweging zijn geweest.

Afb. 40 Een luchtfoto van de Langedijk met de eerste nieuwbouw aan de oostzijde (rechts op de foto). Goed is te zien dat de Langedijk, op de foto midden boven, van richting verandert en dat de kerk van Zuid-Scharwoude (beneden rechts) in het verlengde ligt van het niet afgebogen deel van de dijk (Oudkarspel links boven).

Afb. 39 Het oorspronkelijke tracé van de Langedijk met ter weerszijden een Burggracht. Deze lag haaks op de kavelrichting en sloot de vierde fase af van de veenontginning in het Geestmerambacht vanuit de duinstreek Bergen-Schoorl. Hieraan werden de kapellen van Oudkarspel, Noord-Scharwoude (Kerklaan) en Zuid-Scharwoude (de Koog) gebouwd. Deze dijk is vanaf het Gorterdiep in zuidwestelijke richting verlegd, schuin door de oude verkaveling (situatie getekend naar kadasterkaart van 1817).

Deze nieuwe dijk, die Oudkarspel verbindt met Broek, werd ‘De Langedicke’ genoemd. Deze naam komt voor het eerst voor in 131052. De verlegging van de oorspronkelijke ontginningsas moet dus vóór dat jaar zijn gebeurd en waarschijnlijk na de grote stormramp van 1248 toen veel land vanaf Sint Maarten tot Langedijk door het water werd overspoeld. Later is ook de Oosterdijk (op de grens van de huidige gemeenten Langedijk en Heerhugowaard) aangelegd om te voorkomen dat het land rondom de kerkjes in Noord- en ZuidScharwoude steeds weer onder water kwamen te staan, nu niet door het water uit het westen (van de Rekere), maar door het water uit het oosten (van De Waard). Dit kwam doordat de sluizen in de Huigendijk op last van de graaf van Holland moesten worden afgebroken, waardoor het water van De Waard geen kant op kon en het steeds hogere waterpeil de omliggende landerijen onder water zette53. De Oosterdijk wordt pas voor het eerst vermeld in 1388. En met die Oosterdijk werden molens noodzakelijk. Het water kon eindelijk het Geestmerambacht niet meer in, maar er ook niet meer uit. Permanente bemaling van het ambacht was van toen af aan onvermijdelijk.

52 53

- 33 -

Geus, 1989 Beenakker, 1986


Langedijk, haaks gelegen op de kavelrichting met daaraan de kapellen van de drie dorpen Oudkarspel, Noord- en ZuidScharwoude. In het zuiden bij de Melksloot het dorp Franloreof Vronerbroek, het huidige Broek op Langedijk. Dwars door het Geestmerambacht, van west naar oost liep de Zijdewind, een dijk op de grens tussen Oudkarspel en Noord-Scharwoude die waarschijnlijk is aangelegd tegen wateroverlast vanuit het noorden. Literatuur − − − − − − − − −

Afb. 41 De situatie van het Geestmerambacht na de stormramp van 1248. Het landschap in het noorden met de Zijpe is sterk verstoord en het merengebied ten oosten van het ambacht strekte zich uit van Schagen tot de Huigendijk.

− − − − − − − − − − − − − − − − −

Afb. 42 Reconstructie van de veenverkaveling in het Geestmerambacht. De stippellijn is het oorspronkelijke tracé van de

- 34 -

Beenakker, J.J.M. en W.A. Ligtenburg (1986). De afwatering van de Heerhugowaard in de 14de en 15de eeuw. In Historisch-Geografisch Tijdschrift, 4e jrg., nr. 2, pp. 48-51. Beenakker, J.J.M. (1988). Van Rentersluze tot strijkmolen: de waterstaatsgeschiedenis en landschapsontwikkeling van de Schager- en Niedorperkoggen tot 1653. Alphen aan den Rijn. Burck, P. du (1957). De bodemkartering van Nederland. Deel 17. Een bodemkartering van het tuinbouwdistrict Geestmerambacht. ’Versl. Van Landbouwk. Onderz. No. 63.3, ’s-Gravenhage. Cock, J.K. de. (1965). Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Groningen. Diederik, F. (1989). Archeo-logica. De archeologie van het noorden van Noord-Holland in historisch en landschappelijk perspectief. Schoorl. Edelman, T. (1958). Oude ontginningen van de veengebieden in de Nederlandse kuststrook. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 49 Geus, J.P. (1973). Het Vronlegeister ambacht, één der oudste bedijkingen van Holland. In: Alkmaars Jaarboekje. Geus, J.P. (1989). De Oosterdijk van het Geestmerambacht. WFON 56, blz. 59-70. Halbertsma, H. (1996). Oudheidkundige verassingen in de Kooger Kerk te Zuid-Scharwoude. WFON no. 63. Hurk, J.A. van den. (1962). De bodemgesteldheid en de land- en tuinbouwkundige mogelijkheden in de polder de Heerhugowaard. Stichting voor Bodemkartering, nr. 566, Wageningen. Kasse, C. (1987). Ouderdom en afzettingsmilieu van de pikkleirekereklei ten noorden van Alkmaar (KennemerlandGeestmerambacht). In WFON no. 54. Komen, H.E. (2006). Kapellen aan de dijk. Ontstaan en ontwikkeling van de Langedijker kapellen en hun gemeenschap. Heerhugowaard. Komen, H.E. (2008). De Langedijk in de middeleeuwen verlegd. WFON no. 75. Komen, H.E. (2004). Cultuurhistorische verkenning Harenkarspelwest. Nieuwe Niedorp. Langedijk, D. (1969). De geschiedenis van de Langedijk. Bergen. Noordeloos, P. (1931). Over de kerk van Schoorl en haar vier kapellen. In: Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, deel 47. Haarlem. Numan, A.M. (2005). Noord-Hollandse kerken en kapellen in de middeleeuwen, ca. 720-1200. Een archeologische, bouwhistorische en historische inventarisatie. Zutphen. Pannekeet, J. (1971). Westfriese plaatsnamen. In WFON 38, blz.95102. Pannekeet, J. (1988). Noordhollandse plaatsnamen. Heiloo Rappol, M., e.a. (1994). In de bodem van Noord-Holland. Geologie en archeologie. Amsterdam Renses, J. (1986). Cultuurlandschap en historische-landschappelijke waarden in het ruilverkavelingsgebied Schagerkogge. Stichting voor Bodemkartering, nr. 1918, Wageningen. Schermer, A. (1973). Geestmerambacht IV. In: WFON nr. 40. Schoorl, H. (1973). Zeshonderd jaar water en land. Bijdrage tot de historische Geo- en Hydrografie van de Kop van Noord-Holland in de periode 1150-1750. Groningen. Slicher van Bath, B.H. (1960). De agrarische geschiedenis van WestEuropa. Utrecht. Westenberg, J. (1974). Kennemer dijkgeschiedenis. Amsterdam Kaarten en tekeningen: H.E. Komen


Vergeten archeologie in het Geestmerambacht John van Lunsen

C

ees Wagenaar (1916-1994, Krabbendam), amateurarcheoloog en gewaardeerd kunstschilder. Als kind groef hij al spelenderwijs middeleeuwse kloostermoppen op, in het perceel land genaamd “neuwe deure”. Zodoende kon hij in 1947 aanwijzingen geven aan de heren J.L. Lutjeharms en Jb (Jaap) Westra, eveneens regionale amateurarcheologen, die op zoek waren naar de dwangburcht van Floris V bij Eenigenburg. In het vroege voorjaar van 1947 legde het drietal met een aantal belangstellenden (waaronder de behulpzame eigenaar van het land, A. Biersteker) een flink deel van het fundament van de noordmuur van de voorburcht bloot. De opgravingsgegevens werden in het archief van J.L Lutjeharms bewaard en tien jaar later (1957) uitgeleend aan kastelenonderzoeker J.G.N. Renaud van de R.O.B. te Amersfoort. In 1961 kreeg dit een officieel vervolg en startte de R.O.B. de opgraving van het kasteel. De Rijksdienst lanceerde helaas wel het sprookje dat voornoemde A. Biersteker een jaar eerder (1960) door ploegen stenen omhoog had gebracht wat tot de herontdekking van het kasteel had geleid, een verhaal dat helaas tot op de dag van vandaag als verzinsel nog steeds voortleeft. De heren amateurarcheologen kwamen niet meer in het verhaal voor. Tot 1947 was de juiste ligging van het verborgen kasteel al eeuwen uit het zicht verdwenen, maar blijkbaar wel aan te wijzen binnen een straal van 500 meter. In de Zijper krant van 9 september 1883 lezen we over gevonden grote bakstenen, niet ver van het toen nog verscholen fundament. Twee eeuwen eerder schrijft Adriaan Westphalen in zijn Alkmaarse kroniek; "surmenhuijsen, daer besuijden het kasteel eenigenburch plach te staen". En dat is vrijwel juist.

waarop een watergemaaltje moest komen te staan. Het bestaande slootje tussen de eerste bocht van de westfriesedijk en de krommedijkakker moest daar op grote diepte uitgegraven en verbreed worden, hetgeen met de hand gebeurde. Het viel mij op dat er op grote diepte, zeker meer dan 250cm A.P. eikenhouten planken geplaveid lagen waarop nog middeleeuwse bakstenen en ook wel hele bakstenen voorkwamen die over de eikenhouten planken verspreid lagen. Dit bleken bij nader inzien de funderingen van de kademuur van de voormalige sluiskolk te zijn geweest. Doorgang tussen beide muren was ±7 meter”(sluisbreedte). Latere auteurs geven de sluis een lengte van 21 meter, wat echter niet door Wagenaar is waargenomen, omdat de sluis slechts gedeeltelijk is opgegraven (het ging hier om een toevalsvondst, geen archeologische opgraving). De coördinaten van de sluis zijn: 52.733910 / 4.706983.

Afb. 44 De terp van Eenigenburg

Afb. 43 Maart 1947, op het fundament, tweede persoon van links Cees Wagenaar

De sluis bij Nuwendoorn Cees Wagenaar maakte veel gedetailleerde aantekeningen van zijn bodemvondsten, vaak in samenwerking met Jaap Westra. Soms kregen de heren belangstelling van archeoloog en tijdgenoot A. Schermer, die over enkele van de vondsten een artikel schreef. Het merendeel van de opgravingen van Wagenaar bleef echter onvermeld, maar gelukkig bewaard in zijn privéarchief. Een gedeelte uit zijn verslag over de sluis bij Nuwendoorn: “De sluis waarvan ik de restanten zag in 1961 kwamen aan het licht tijdens de bouw van Een dam,

In de wierde van Eenigenburg De grote of hoofdterp (wierde) van Eenigenburg is vanaf de Westfriesedijk zichtbaar als een flinke heuvel in het landschap. In de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw werd de noordoostzijde van de terp onder regie van de toenmalige gemeente in verschillende fasen vergraven en afgevlakt. De vrijgekomen grond werd o.a. gebruikt voor de demping van de om de terp lopende sloot. Slechts de zuidwestelijke helft van de terp was een archeologisch monument. Een drietal inwoners van Eenigenburg was het met deze aantasting niet eens en wist uiteindelijk (door een uitspraak van de Hoge Raad in 1982) de terp in zijn geheel als monument te beschermen. Bovenop de terp staat een voormalig 19de eeuwse school met meesterswoning, die later diende als woonhuis van de heer G. Schoneveld. Het verhaal begint in 1931 wanneer de heer Schoneveld aan de noordzijde van zijn woning graafwerk verricht. In volgorde worden hier de activiteiten in de terp op een rij gezet met behulp van dikgedrukte letters die verwijzen naar de schetsplattegrond (Afb. 44). De schets kon

- 35 -


één op één samengesteld worden dankzij een tweetal niet eerder gepubliceerde gedetailleerde tekeningen van Cees Wagenaar. a. Afgegraven resp. verlaagd gedeelte van de terp. b. In 1969 afgebroken woning waarna het terrein opgehoogd werd met afbraakpuin. c. Op steen gefundeerde houten loods, gebouwd 1975. Ten behoeve van de bouw is 20 cm grond afgegraven en op een ander deel van de terp aangebracht. d. Tot 2 meter diep reikende fundering van kloostermoppen, lengte fundering 4 meter, aan de noordzijde in een boog gemetseld (baksteenformaat 30x13,5x6,5). Aansluitend aan de oostzijde van het fundament werden begravingen en een brandplek waargenomen. De heer Schoneveld heeft deze stenen in 1935 uitgebroken en verkocht aan de bekende Schoorlse architect C.W. Royaards die ze gebruikte voor de aanleg van het terras van het in aanbouw zijnde huis Duinweg 65 te Aagtdorp, Schoorl. Tijdens het schrijven van dit artikel meldde de voorlaatste eigenaar van Duinweg 65 dat de kloostermoppen ook heden nog in het terras kunnen liggen. e. In 1931 door de heer Schoneveld opgegraven fundamenten van een zware toren (14de eeuwse kloostermoppen). Bij het uitgraven kwamen binnen de torenmuur en oostwaarts buiten de torenmuur kistgraven te voorschijn. Ook werden er hol uitgesleten zandstenen tegels opgegraven, afmeting 27 bij 27 cm en 4,5 cm dik. De kloostermoppen werden eveneens verkocht aan architect Royaards voor de aanleg van het terras van zijn eigen in aanbouw zijnde woonhuis aan de Bobbeleweg 11 te Schoorl (het in 1931 vinden van deze kloostermoppen leidde tot het graafwerk in 1935, dat volgens een briefwisseling in ieder geval in 1935 op verzoek van architect Royaards zelf gebeurde vanwege de vraag naar deze stenen). Eerder genoemde Jb Westra vermeldde dat de stenen welke vrijkwamen uit het toren fundament (1931) kleiner van formaat waren dan deze afkomstig uit de "in boog" gemetselde muur 4 jaar later, namelijk een lengte van 24 á 25cm, breed 12 en dik 7 cm. Afvalbrokken van dit kleiner formaat steen zouden zijn verwerkt in een terras van een huis bij Aagtdorp, niet te verwarren met het hiervoor beschreven huis aan Duinweg 65 van latere datum. f. Voormalige school, schoolmeesterswoning (19de eeuw), nadien woonhuis van G. Schoneveld. g. 1944, een Duits luchtmachtregiment graaft in de hoogte van de terp een loopgraaf tussen een tweetal geschutsopstellingen. Onder de westelijke geschutsopstelling zou een één meter dik fundament van kleinere bakstenen zijn waargenomen. De loopgraaf is na de oorlog toegedekt (er zijn geen gegevens bekend dat er stenen zijn uitgenomen). h. Afgeschoven grond om naastgelegen sloot te dempen (1959). i. In het oostelijk deel van voorgaande loopgraaf werd een zware fundering blootgelegd van laatmiddeleeuwse bakstenen, in het oorlogsjaar '44-'45 als schuttersput gebruikt. Volgens een verslag van Wagenaar (1976) zou dit fundament nog in de grond aanwezig zijn. j. Ook hier werd in 1944 een loopgraaf met mansgaten gegraven. Er werd een één meter dikke muur gevonden (baksteenformaat 30x13,5x6,5). Met het graafwerk werd de loop van de muur gevolgd, waarna de muur ter versteviging en verdediging deel uitmaakte van de loopgraaf. Na de oorlog is

dit fundament toegedekt met puin en heden nog aanwezig in de bodem. k. Café "de Burcht". l. Opgraving gedaan door Wagenaar in 1978. Hier is een uitgebreid verslag van gemaakt, waarin een diversiteit aan bodemvondsten. Meer hierover in een volgende Poldergeest. Tipje van de sluier: een gevonden Romeinse mantelspeld (fibula). m. Afgegraven resp. verlaagd gedeelte van de terp. n. Kavel + huis, oud kadastraal sectie C 487, 480. o. idem C 488, 481. p. idem C 424, 482. De notities van Wagenaar en Westra bevatten weinig details over gevonden aardewerk in 1931, 1935 en 1944. In 1931 kwamen er bij het graafwerk scherven van kogelpotten en vroege exemplaren Pingsdorf te voorschijn. De opgraving van 1935 meldt alleen aanwezigheid van "vroegmiddeleeuwse scherven" en van het jaar 1944 zijn er geheel geen berichten over scherven. Het aangetroffen baksteenformaat 30x13,5x6,5 komt vrijwel overeen met de gemiddelde afmeting van de bakstenen uit kasteel Nuwendoorn. Op de terp werd in maart 2003 een flinke bouwput gegraven t.b.v. een nieuw te bouwen woning met kelder, adres Surmerhuizerweg 9. Het graafwerk werd archeologisch begeleid en bereikte een diepte van 3 meter onder het maaiveld. De archeologen konden niet weten dat de bouwput aan de zuidzijde (in de verste hoek) bijna een 1 meter dikke middeleeuwse muur schampte die op ongeveer 2 meter afstand van de put gelegen was (j op de plattegrond). Tot het moment van schrijven van dit artikel waren de bovengenoemde gegevens namelijk niet bekend. Zij moesten het hier doen met de weinige informatie (zonder tekening) die Renaud in 1958 in één regel opschreef: een gevonden muur met ronding. Deze informatie had Renaud ontvangen van architect Royaards, vanaf 1950 zijn collega en hoofdarchitect van de R.O.B. In zijn enthousiasme over de in de terp aanwezige muur schreef Renaud over de mogelijkheid van een kasteelfundament. Auteur J.W. Groesbeek nam deze uitlating op in zijn boek "Middeleeuwse kastelen van Noord Holland" (1981). Later is die gedachte omgezet in het bestaan van een kapel. Zoals we nu weten ligt gezien de begravingen / kistgraven, het laatste het meest voor de hand (bouw 13de of 14de eeuw). Behalve de vondst in de bouwput van een paar 12de eeuwse scherven leverde het graafwerk in 2003 weinig op. Het huis Surmerhuizerweg 9 staat buiten de noordoostmuur ofwel buiten het middeleeuwse gebouw. Eenigenburg en kloostermoppen Hergebruik van stenen is van alle tijden. Met de afbraak van Nuwendoorn kwam een flinke hoeveelheid kloostermoppen vrij die misschien wel zijn gebruikt voor het gebouw op de terp. Of is het andersom? De terp incl. vondsten daarin zijn immers van oudere datum. 150 meter ten zuidoosten van Nuwendoorn was vóór de verkaveling een plek in het land die een meter lager lag dan het omliggende terrein en een omvang had van ong. 20 á 25 meter in het vierkant, afgedekt met graszoden volgens Jb Westra. Deze plek had de toepasselijke naam "del", een del in het land. Onder de afdeklaag lag een dikke laag puin en brokstukken van kloostermoppen zonder kalk/mortelresten. Zo dichtbij het kasteel dat het daar wel van afkomstig moet zijn, niet bij de afbraak maar van de

- 36 -


bouw overgebleven. In de jaren '50 noteerde Cees Wagenaar de puinplek keurig op een topografische kaart met de tekst "gat met kloostermoppenpuin in del" (Afb. 45). De verkaveling en tegelijkertijd het onderzoek naar het kasteel maakte dat de puinplek nooit is onderzocht en onder een ruime meter grond verdween om het land verder glad te strijken. De coördinaten van het puingat zijn: 52.735253 / 4.713528 en direct daar omheen.

Afb. 46 1. terp de Wierde; 2. afgegraven terp “de Stoyt”; 3. de Kerkterp; 4. Surmerhuizerweg nr. 45; 5. idem huisnummer 47; 6. idem huisnummer 18; 7. idem huisnummer 20; 8. Burchtweg nr. 7 gebouwd op een hogere rug in het landschap met naam “het stadje”. Afb. 45 Gat met kloostermoppenpuin (tekening C. Wagenaar)

Kloostermoppen zijn tevens gevonden in twee andere terpen te Eenigenburg, terp “de Harcke” en “de Kerkterp”. Beide terpen zijn 200 meter ten zuiden van voorgaande terp de Wierde (Afb. 46). Drie huiskavels op terp de Harcke, Surmerhuizerweg 20, 45 en 47, werden in 1978 door Wagenaar onderzocht, nadat er tijdens verbouwingswerkzaamheden onder de vloer van boerderij nr. 45 metselwerk van kloostermoppen werd aangetroffen en een stookplaats waar omheen verspreid liggende kogelpotscherven. Eerder waren er funderingen van middeleeuwse bakstenen in het naast gelegen perceel nr. 47 waargenomen (ten zuiden van nr. 45). Onderzoek in de bodem ten noorden van nr. 45 leverde niets op. Op het tegenover gelegen erf nr. 20 bleek volgens Wagenaar een harde ondoordringbare laag in de bodem te zitten, die uit opgebracht wier bestond. De heren Westra en Schoneveld onderzochten in dezelfde periode de belendende kavel ten zuiden van nr. 20 waar enkele middeleeuwse bakstenen werden gevonden naast een paar losse kogelpotscherven uit dezelfde periode (13de 14de eeuw). Een andere huiskavel op de terp (nr. 18) is in 2013 door middel van boringen onderzocht, vooruitlopend op het nieuw te bouwen huis aan de rand van de terp. Het booronderzoek bracht behalve een gedempte sloot weinig aan het licht. Met de komende werkzaamheden voor de fundering van dit nieuwe huis zal het graafwerk evenzo nog gevolgd gaan worden. Voor zover alle archiefgegevens boven water zijn, heeft in de Kerkterp niet eerder archeologisch onderzoek plaatsgevonden dan in 1987, uitgevoerd door vrijwilligers van de AWN. Er kon aan de buitenzijde van de kerk een deel van de fundering bloot gelegd worden dat in het diepste gedeelte een mix van 15de eeuwse bakstenen liet zien (lengte 20-22cm), waartussen een enkele kloostermop was verwerkt. Het huidige kerkje uit 1792 staat deels op het fundament van zijn 15de eeuwse voorganger.

Afb. 47 Het éérste kerkje op de kerkterp anno 1667, tekening collectie Schoemaker. In de rechter bovenhoek een schets van de haan (op de torenspits) waarin een toepasselijke burcht-toren te zien, als verwijzing naar Nuwendoorn, getekend door de bekende Alkmaarse historicus mr. J. Belonje in 1962. Heden hangt er in het portaal van de kerk een fraaie tekening van architect H. Duyvendak waarin hij twee 18de eeuwse prenten, van Tavenier en Boomkamp, heeft samengevoegd en geprojecteerd op het aanzicht van de huidige kerk.

Even ten zuidwesten van Eenigenburg vinden we aan de Burchtweg nr. 7 een boerderij op het einde van buurtschap Surmerhuizen (Afb. 46, nr. 8). De hoogte waarop de boerderij en naastgelegen huizen zijn gebouwd heet in de volksmond “het stadje”. Tijdens het graafwerk voor een kelder kwam onder deze boerderij kogelpotmateriaal met bezemstreekornament tevoorschijn, waaronder één compleet te reconstrueren kogelpot en verspreid wat losse scherven romeins inheems aardewerk. Dit speelde zich af in maart 1968 waarbij vrijwilligers in de archeologie gelegenheid kregen om het

- 37 -


terrein verder te onderzoeken. Boringen en een proefput van 4 bij 2 meter (op de plaats van de vroegere hooischuur) gaf het beeld van verschillende bewoningslagen vanaf de 13de t/m de 19de eeuw. Naast aardewerkscherven en dierenbotten kwam uit de proefput ook puin van kloostermoppen tevoorschijn.

Afb. 48

Krabbendam Op slechts 500 meter afstand van het Kasteel Nuwendoorn ligt buurtschap Krabbendam aan de Westfriesedijk. De woonplaats van Cees Wagenaar, waar de bodem tientallen jaren intensief door hem is onderzocht. Van zijn archeologische vondsten zou een dik boek geschreven kunnen worden. Onderstaand enkele van zijn bevindingen (situatie 1968, Afb. 48). A. Westfriesedijk, eerder genoemd Noordrekerdijk of Rekerdam. B. Kerkpad. 1. de vaart langs de oude Schoorlse zeedijk. 2. 1969, 17de eeuws looppadje van gele steentjes 30 cm onder A.P. 3. 1969-71, jukpalen met dwarsverbinding in situ, meerdere loopsteigers tot 40 meter van de dijk af richting westen. Bodem van haven aldaar tot 2,25 meter onder A.P., waar massa's scherven lagen uit opeenvolgende eeuwen. Laagveen op de bodem, daaronder werd roodpaarse leisteen gevonden en diverse fragmenten van jacobakannen. 4. houten balken, waarop fundering gerust heeft. 5. tegenover de pastorie (nr.94) in het talud aan de westzijde van de Westfriesedijk (Noordrekerdijk) een 15de eeuwse waterput. 6. in de sleuf, op de plaats waar in 1968 het riool door de westfriesedijk werd gegraven, werd door Wagenaar en predikant ds. van der Horst een bruggenhoofd waargenomen welke op de westzijde was afgesloten met Belgische zandstenen (ten zuiden van perceel nr. 94). 7. stuk fundering van grote kloostermoppen secundair verwerkt met nieuwe kalk. 8. stuk metselwerk bestaande uit kloostermoppen (ook gezien door H. Halbertsma, archeoloog R.O.B.) 9. fundatieresten van een groot gebouw.

10. jaar 1927, op het erf en in de moestuin van kerkpad nr. 4, grote stukken natuursteen, een blok rode zandsteen van 120 x 60cm, blokken gerande witte zandsteen waaronder versierde stukken, gedeelten van vensternissen van blauwe steen met rondingen als van een romaans bouwwerk 11. 1968, veenlaag op ruim 2 meter diepte, in en onder de veenlaag leien van dakbedekking, boven de veenlaag klei met veel kloostermoppenpuin. 12. tijdens aanleggen riool (1968) dikke laag kloostermoppenpuin tot 1 meter diepte aangetroffen. Na het lezen van voorgaande opsomming van fundamenten, kloostermoppenpuin, leisteen en zandstenen, zal het de lezer zijn opgevallen dat in beide dorpen Krabbendam en Eenigenburg buitengewoon veel van het middeleeuwse bouwmateriaal is teruggevonden op plekken onder en rondom de woningen. Het behoeft geen twijfel dat de grote bakstenen afkomstig zijn van de afbraak van kasteel Nuwendoorn en op de huisplaatsen in de directe nabijheid terechtkwamen. Al die kloostermoppen waren immers op korte loopafstand voorhanden gekomen toen Nuwendoorn zijn functie verloor. De zware funderingen in de grote terp van Eenigenburg, en soortgelijke onderbouw in de bodem van Kerkepad 2 te Krabbendam, zijn tot op heden een mysterie. Dat op beide plaatsen een bouwwerk heeft gestaan in omvang veel groter en sterker dan een gebruikelijke boerenwoning is wel een onontkoombaar feit. Cees Wagenaar was er van overtuigd dat in Krabbendam ooit een kerk, kapel en/of klooster stond, afgebroken tijdens de Spaanse overheersing rond 1572, waarvan hij in het archief rekeningen had gevonden met vermelding van schadeposten. Een raadsel blijft een kaartje gedateerd 1538, waarop te zien is dat Krabbendam uit hooguit een achttal huizen bestond zonder aanwezigheid van enige kerk of kapel (Afb. 49, de zwart/wit uitsnede van deze kaart maakt deel uit van een origineel gekleurde versie getekend door Symon Meeusz, landmeter te Edam in opdracht van Francoise van Luxemburg, kaart te vinden in het Archives Nationales Parijs onder inventaris Busken-Huet nr. 5). Aan de hand van het kaartje zou een bestaande kerk of kapel dan vóór 1538 verdwenen moeten zijn of gebouwd na 1538 op fundatie van veel oudere kloostermoppen. In het laatste geval is dat een kort bestaan voor een kerk, gezien de door Wagenaar gevonden gegevens over schade/afbraak rond 1572. Een verdwenen klooster is ook een graag gehoord verhaal over de beschreven grote terp van Eenigenburg. Het lokale café "De Burcht" aldaar draagt in het bovenlicht van de buitendeur een gravering van een groot klooster (Afb. 50). Over de herkomst van de afbeelding in het glas bestaan meerdere verhalen zonder bronvermelding. Één bewaarde verklaring op schrift uit 1946 van de plaatselijke koster C. Kos verhaalt over het kerkarchief van Eenigenburg dat destijds enige tijd lag opgeslagen in een boerderij, waar het door brand verloren is gegaan. Volgens de verklaring was op het moment van de brand een 17de eeuws? boek over de geschiedenis van Eenigenburg in handen van de toenmalige dominee. Dit was weliswaar de redding van het boek, maar nadien is het boek niet meer retour gekomen naar het kerkarchief en om onbekende redenen meegenomen door de bewuste dominee. In het boek zou de geschiedenis zijn beschreven van het kasteel

- 38 -


Nuwendoorn en van een klooster in Eenigenburg, waar de tekening in genoemd bovenlicht van het café aan is ontleend. Koster Kos heeft het toen nog aanwezige boek ingezien en het voorgaande eruit opgemaakt na het lezen van de oude teksten.

de originele aantekeningen van Westra. Het grafveld werd tijdens het diepploegen van het land ontdekt op ong. 100 meter ten noorden van de huidige woning veilingweg 20. De coördinaten van de begraafplaats zijn: 52.735055 / 4.737689. “Een tiental schedels met bijbehorende geraamten bevonden zich in het midden van een rode plek ter grootte van ong. 300m2, de randen van de plek uitgewaaierd tot 20 bij 22 meter, gelijkende de kleur van gebakken klei alsof hier een grote brand was geweest. Om het grafveld in het rode terrein werd gevonden; stukken Merovingisch aardewerk waarvan 1 blauwgrijs bodemstuk, een 18 tal stukken met radstempel, mooie reliëfband stukken van geïmporteerd Frankisch aardewerk + een bodem daarvan, een verzwaringssteen, huttenleem, een benen pen, klein stuk tufsteen en groot stuk tufsteen van 51x59x17cm (afb. 9 a t/m d), paar tegelachtige zandsteen brokken, alle vondsten te dateren tussen 700 en 1000 n Chr.” Onder de aandacht gebracht door Westra, zijn de heren J.G.N. Renaud en J.A. Trimpe Burger van het R.O.B nog dezelfde dag komen kijken (zij waren op dat moment aanwezig op het terrein van het nabijgelegen kasteel Nuwendoorn). Door het diep geploegde land kreeg men echter geen inzicht in de betekenis van de geroerde rode plek.

Afb. 49 Krabbendam 1538

Warmenhuizen Tijdens de verkaveling in de jaren '60 zijn in de driehoek Krabbendam-Eenigenburg-Warmenhuizen door voorgaande amateurarcheologen tientallen bodemvondsten gedaan die niet eerder gepubliceerd zijn. Daarbij zijn opgegraven Romeins inheemse nederzettingen en middeleeuwse vondsten uit terpen die werden afgevlakt om als teelaardelaag te dienen in de topvulling van gedempte sloten. Een bijzondere ontdekking door Jb (Jaap) Westra, op 14 aug.1963, is een kleinschalig middeleeuws grafveld met menselijke geraamten die hij kort daarna aan archeoloog A. Schermer meldde. A. Schermer maakte er een beknopt verslag van voor de bladen “Westerheem” (1969) en “West Friesland oud en nieuw” (1968). Onderstaand de feiten rondom het grafveld overgenomen uit

Afb. 50 Het “verdwenen klooster” van Eenigenburg

- 39 -


Afb. 51 a t/m d (tekeningen C. Wagenaar)

Huis van Hilde

N

oord-Holland heeft sinds begin dit jaar een nieuw archeologisch depot en een eigen archeologisch informatiecentrum: het Huis van Hilde. Het Huis van Hilde, gebouwd in opdracht van de provincie Noord-Holland, bevindt zich aan het Westerplein 6 in Castricum (pal tegenover het NSstation) en beleefde op 15 januari 2015 de feestelijke opening.

Afb. 52 Huis van Hilde

In het depot zijn alle archeologische vondsten en collecties opgeslagen die de provincie in de loop van decennia heeft verzameld. Voordien bevond het depot zich in het historische fabriekspand Mercurius aan de Veerdijk in Wormer. Het Huis van Hilde wordt geëxploiteerd door het Archeologische Dienstencentrum (ADC) en heeft een tentoonstellingsfunctie. Naast een permanente expositie zullen in de toekomst ook tijdelijke thematentoonstellingen worden ingericht. De tentoonstelling in Het Huis van Hilde toont de archeologische en landschappelijke geschiedenis van Noord-Holland vanaf het holoceen, circa 10.000 jaar geleden. De vaste tentoonstelling bestaat uit een aantal levensechte mensfiguren, waaronder de in Castricum-Oosterbuurt opgegraven ‘Hilde’, ‘Cees de Steentijdman’ van Mienakker, de Engelse soldaat, de Alkmaarse vrouw ‘Brecht’ en Willem en Hillegonde van Brederode. In de tentoonstelling staan nooit eerder getoonde archeologische topvondsten. Topstukken zijn twee prehistorische kano’s en middeleeuwse sarcofagen. Het centrum verzorgt ook educatieve activiteiten, tijdelijke tentoonstellingen en evenementen. Meer info op www.huisvanhilde.nl.

- 40 -


Kleimeer, het groene hart van het Geestmerambacht. Van plas tot polder tot natuurgebied. Harry Raat en Ger Kalverdijk

I

n dit jubileumnummer Poldergeest 20 van Stichting RAG willen wij graag aandacht geven aan het ontstaan en de ontwikkeling van de Kleimeer en nagaan wat dit natuurgebied in deze tijd betekent. Om meerdere redenen mag men spreken van een uniek gebied! Niet alleen omdat men bij de ruilverkaveling van het Geestmerambacht in de vorige eeuw de grond en (ring)sloten in de oude droogmakerij grotendeels heeft gespaard. Maar ook omdat de KNNV/IVN er zo’n 120 vogelsoorten heeft geïnventariseerd, waarmee is aangetoond dat de Kleimeer (ca. 70 ha) een onmisbaar vogelparadijs in Noord-Holland is geworden, zowel voor broedvogels als voor doortrekkers. Door uitbreiding met ca. 80 hectares naar het westen zal mogelijk nog ecologische meerwaarde ontstaan in het tot ca.150 hectares verdubbelde Kleimeergebied. Daar staat echter tegenover dat het gebied in en om de Kleimeer met nieuwe fiets-, ruiter- en wandelpaden, waterpartijen en dammen een meer recreatief karakter krijgt, waarbij bijvoorbeeld een trekvlot, vlonder- en touwbruggen enzovoort niet ontbreken. Als er nog meer recreatiedruk in dit zgn. struingebied ontstaat, kan men vrezen, dat die meerwaarde voor de natuur minder groot zal zijn dan waarop was gehoopt. Wij willen met dit artikel de waarde en het behoud van de Kleimeer in de context van het Geestmerambacht benadrukken op grond van natuurhistorische, cultuurhistorische en archeologische motieven, maar daarbij ook positief de recreatieve en financiële belangen meewegen. Niet slechts ten behoeve van de vogels en andere dieren, maar ook voor alle mensen, die waarde hechten aan de cultuur en de natuur, waardoor óók ontspanning wordt gevonden in deze jachtige tijd.

Afb. 53 Molen van de Kleimeer, hier nog in welstand (Foto Harry Raat)

Geografische gegevens van de Kleimeer. Een eerste kennismaking De nog gaaf gebleven droogmakerij Kleimeer, ontstaan in 1567 door droogmaking van het Grote en het Kleine Cleymeer, is gelegen in de polder Geestmerambacht tussen het noorden van Koedijk en het Zomerdel, de grote recreatieplas in het Geestmerambacht. Het Zomerdel (Afb. 3) heeft zijn naam te danken aan de middeleeuwse Zomersloot, een belangrijke, nu nauwelijks meer bestaande vaarsloot tussen Sint-Pancras en de Diepsmeer.

Vóór de ruilverkaveling (1964-1979) van de oude polder Geestmerambacht had de droogmakerij Kleimeer een onderbemaling met een eigen molen en stond deze onder toezicht van de banne Koedijk (Afb. 53). De banne Koedijk werd in 1964 bij het begin van de ruilverkaveling, samen met de andere bannes in het te verkavelen gebied, als polderbestuurlijke organisatie opgeheven. Er werd toen ook besloten het beheer van het te stichten natuurgebied Kleimeer aan Staatsbosbeheer op te dragen.

Afb. 54 Kleimeergebied: 1. Noorder Kleimeer; 2. Zuider Kleimeer; 3. uitbreiding Kleimeer54

Uitbreidingen Op het kaartje van Afb. 54 zien we de forse uitbreiding sedert ca. 2011 naar het westen van het natuurgebied Kleimeer tot het dorp Koedijk als onderdeel van de verdubbeling van het recreatiegebied Geestmerambacht naar het noorden en zuiden. Het Recreatieschap Geestmerambacht, waarin de gemeenten Alkmaar, Langedijk, Heerhugowaard en Provincie Noord-Holland samenwerk(t)en, is bestuurlijk verantwoordelijk voor deze ontwikkeling. Het beheercentrum aan de Klaregroetweg leidt al lange tijd zeer actief de dagelijkse gang van zaken. De Stichting Kleimeer heeft de uitbreiding van natuurgebied tot in totaal nu ca. 150 ha steeds positief doch kritisch begeleid. Ook de stichtingen RAG en COOG en enkele andere cultuur-en natuurhistorische verenigingen hebben de ontwikkelingen in klankbordgroepen en de Erfgoedcommissie van de gemeente Langedijk steeds van harte ondersteund.

54

- 41 -

www.geestmerambacht.nl


Afb. 55 Doorsnede Geestmerambacht Eenigenburg-St. Pancras55

Het ontstaan van het Kleimeer en andere meren en dellen in het Geestmerambacht De doorsnede van het Geestmerambacht (Afb. 55) van Ir. P du Burck geeft enigszins aan hoe de meren en dellen (= ondiepe plassen, vgl. del=dal) zijn ontstaan. Voor de aanleg van één omringdijk om Westfriesland (eigenlijk een aaneenrijging van kleinere dijkjes) in de 13de eeuw was het Rekerwad toegankelijk voor de stormen uit het Zijper zeegat. De Cock en Du Burck menen dat het Diepsmeer, het Kleimeer en de andere meren in de 8ste of 9de eeuw door uitspoeling van de oude zeeklei en zeezanden van de vóór-romeinse kwelder zijn ontstaan. Deze kwelder was gedeponeerd door het water van het Berger zeegat, dat volgens onderzoek van Th. Roep, Beets en de Jong van ca. 2800-ca. 1200 voor Chr. actief was. Het Berger zeegat was oorspronkelijk een gletsjergeul uit de voorlaatste ijstijd (ca. 10.000 jaar geleden), waarvan de bodem bij Bergen tot ca. 25 meter diepte was uitgeschuurd. De geul was vanuit de Overijsselse Vecht en de IJssel via Urk en omgeving ontstaan en geheel vanuit de Noordzee opgevuld na de doorbraak van de Noordzee bij Calais. Bij de dellen beperkte de uitspoeling zich tot de hogere jonge zeekleilagen: pikgrond (een door tuinders gevreesde kleverige kleisoort waar de worteling van gewassen moeilijk is) en ook de zgn. gorsgrond, die zandiger was en gunstiger voor de tuinbouw. De leeftijd van de pikgrond wordt variërend geschat op 6de eeuw (De Roo), 300 na Chr. (Du Burck) en 11de/12de eeuw (Diederik). De datering van de gorsgrond was met de 14Cmethode makkelijker te bepalen door de aanwezigheid van schelpen: de 12de, begin 13de eeuw. In het Geestmerambacht was in de 1e eeuw na Chr. al een metersdikke veenlaag en vegetatieband gegroeid op de pré-romeinse kwelder, doordat de zee minder actief was door schoorwalvorming. Jagers en vissers verschenen langs de veenstroompjes met tijdelijke vlaklandbewoning, ook tussen de meren in ons gebied. In de ruilverkavelingstijd zijn relatief veel vondsten in dit zgn. Friese loopvlak aangetroffen. De onderzoeken ten noordwesten van de Diepsmeer (de Druppels) leverden vondsten uit die tijd, maar zelfs ook uit de ijzertijd op.

Kleimeer: van plas tot polder Phls (= afkorting van Philips II) bij der gratie Gods Coninck van Castiliën, van Leon, van Arragon etc. Allen den ghenen die deze tegenwoirdigen zullen zien, saluyt’. Zo begint het octrooi uit het ‘4e geluwe register der Grafelijckheids Rekenkamer’, mv. 11 R.A. Den Haag. Het was de toestemming ‘om te mogen bedijcken zeeckere meeren genaempt die Cleymeeren’, die Philips II van Spanje kort voor de 80-jarige oorlog op 25 augustus 1567 te Brussel ondertekende. Het eerder aangevraagde octrooi van 1564 was om niet gemelde reden onbenut gebleven en daarom vervallen verklaard. De toestemming gold namelijk in het algemeen voor een beperkte termijn na de octrooiverlening. Op 25 augustus 1567 werd door Philips II aan de Amsterdamse koopman en poorter Jan Michiel Louffs en nog enkele anderen octrooi verleend tot het inpolderen van het Grote en het Kleine Kleimeer. In het octrooi werd de bepaling opgenomen dat ten behoeve van de Koedijker boeren een vaarsloot dwars door de Grote Kleimeerpolder moest worden gegraven om de achterliggende Vroonlanden, merendeels ook bij de Koedijkers in gebruik, niet van het dorp af te sluiten. Het graafwerk, echt monnikenwerk, stond volgens sommigen onder leiding van monniken uit het klooster van Egmond, zoals zij eerder vaak het initiatief namen tot de aanleg van belangrijke dijken in Hollands Noorderkwartier. Maar uiteindelijk waren het de plaatselijke of regionale bestuurders die het werk aanbesteedden bij de eigen bevolking. De vaarsloot, de huidige Veer(t)sloot, vormt nu nog in de Grote Kleimeer de scheiding tussen de Noorder- en Zuider Kleimeer. De “Cleymeeren”, de Grote en de Kleine Kleimeer, lagen in de banne Coedijck en kregen een eigen molen aan de Veert, maar bleven waterstaatkundig afhankelijk van de moederpolder Geestmerambacht (Afb. 56).

55

St. COOG, Oudkarspel meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen met de oudste droogmakerijen, blz. 7

- 42 -


Afb. 56 Kleimeer (Johannes Dou en Cornelis Lenartsz. Koutter 1651-1654)

Enkele aangrenzende droogmakerijen in het Geestmerambacht We zullen enkele van de grootste droogmakerijen min of meer grenzend aan de Kleimeer hier wat uitvoeriger bespreken en voor de andere verwijzen naar de literatuurlijst aan het einde van dit artikel. Philips II had het druk met ons in die tijd, want al eerder dan de Kleimeer verleende hij op 30 augustus 1560 aan Dirck van Teylingen, rentmeester van de Graaf van Egmond, Willem Anthonisz. Sonck, bestuurder van Alkmaar, en anderen octrooi om het Daalmeer (d’Aelmeer) met een molen aan de noordkant droog te leggen. Tevens werden de met het Daalmeer verbonden wateren het Oudie (Touddie), Mare, Wielsloot en Wittendel ter droogmaking in de vergunning vermeld. De visrechten moesten door de bedijkers wel afgekocht worden aan de “domeinen” d.w.z. aan de eigenaar van het meer, de graaf. Daarbij kwamen nog de kosten van aankoop van gronden voor de dijkaanleg en een eeuwigdurende grondbelasting. Pas in 1562 viel de polder droog en kon men beginnen met het verkavelen door het graven van sloten. Daarbij speelde de banne Koedijk de belangrijkste rol, de banne Sint-Pancras in mindere mate. Helaas waren de eerste jaren niet gunstig voor de boreling, want de Allerheiligenvloed van 1570 overstroomde de niet ingeklonken dijkjes. Na hernieuwde droogmaking werden in 1573 bij het beleg van Alkmaar de dijken doorgestoken en de molen afgebrand. Pas in 1575 was de polder weer droog en in 1577 kregen de pachters keurig schadevergoeding voor gederfde inkomsten. Grotendeels werd de polder toen benut als grasland, maar zo’n 15% was rietland. In de winter zette men de polder onder water, ter mogelijke verbetering van de gras- en rietkwaliteit en het maaien van het riet. In 1912 werden er twee overhalen geplaatst aan de west- en oostzijde, aan de einden van de Kruisdwarssloot. Omdat bijna alle graslanden gescheurd waren ten behoeve van de tuinbouw heeft men al snel de overtomen vervangen door sluizen. De westelijke sluis is nog als monument zichtbaar in de Alkmaarse wijk Daalmeer. Een ander overblijfsel, dat nog wèl in functie is, maar geheel van karakter veranderd, is het Daalmeerpad, een fietspad, dat Koedijk met Sint-Pancras verbindt. Dit was sedert ca. 1562 een voetpad, dat de noordelijke ringdijk van de Daalmeer volgde, in de 19de eeuw dwars door de bouwlanden werd ingekort en bestraat, maar pas in 1930 feestelijk als volwaar-

dig fietspad (met zeven bruggen!) in gebruik kon worden genomen56. In 1561 werd eveneens door Philips II octrooi verleend voor het bedijken en droogmaken van het Vronermeer aan de Alkmaarse poorter Claes Heynricxs en andere bedijkers, die ook betrokken waren bij het Daalmeer. In menig opzicht waren er meer overeenkomsten met de Daalmeer, vandaar dat we ons beperken tot enkele hoofdzaken. De zavelige grond werd hier eerst voornamelijk als grasland benut, hoewel de grondkwaliteit later juist door tuinders zoals door o.a. Siem Wognum werd geroemd. Het rietmoeras Costverloren, het kleine zuidelijke gedeelte van de Vronermeer, dat in 1626 afgesneden zou worden door het graven van de Hoornse Vaart, was al met een octrooi van 1546 in 1548 drooggelegd. De naam zegt al dat de kosten en tegenvallers relatief te groot waren, onder meer door het in een storm verloren gaan van de eerste molen (J.P. Geus). Thans is Costverloren bij Oudorp, ten zuiden van de molens van de “zeswielen” opnieuw aan de natuur teruggegeven. De nieuwbouw in de Vronermeer vormt hiermee een grote tegenstelling. Ook in de toekomstige wijk, noordelijk van de Helling, zal een waterscheiding gehandhaafd worden. Dit was grotendeels de Langedijker Vaart, de oostelijke ringvaart van de Vronermeer, die bij de drooglegging breder werd uitgevoerd voor de groenteschuiten naar Alkmaar. Met drie overhalen (zes wielen) kwamen ze dan uiteindelijk in Alkmaar. Over de geschiedenis van de Diepsmeer en de later door een pompstuk of duiker verbonden Tjaarlingermeer (=Moorsmeer) is al veel geschreven door o.a. J.P. Geus en J. Keizer, zodat we ons ook hier beperken. Deze meren ten noorden van de Kleimeer werden pas in najaar 1594 drooggemaakt na octrooiverlening op 13 november 1593 door de Staten van Holland aan Jkvr. Sabina van Egmond, en aan o.a. de Alkmaarse regenten Egmond van den Nijenburg, Anthonis Sonck en Van Teylingen. Al in 1566 had men octrooi aangevraagd bij Sabina’s vader, Lamoraal van Egmond, Heer van Oudkarspel en Warmenhuizen, die eigenaar was van deze meren. Maar Lamoraal werd door de Bloedraad van Alva in 1567 in Brussel onthoofd. Waarschijnlijk was de confiscatie van zijn goederen door de Staten de hoofdreden dat het octrooi niet tot uitvoering werd gebracht en in 1570 was verlopen. Johan van Oldenbarnevelt, raadspensionaris van Holland, die in de Staten een hoofdrol speelde, wist o.a. door overname van Sabina’s aandeel in het verkavelde land, ongeveer een derde van de totale oppervlakte (230 ha) te bemachtigen. Oldenbarnevelt zou men tegenwoordig een grondspeculant noemen, want hij bezat ook veel grond elders o.a. in de Zijpe. Gezegd moet worden dat hij er goed op paste, want hij bezocht trouw zijn landbezit, vaak te paard dravend langs het strand vanuit Den Haag. Oldenbarnevelt liet twee molens bouwen, een grote molen aan de zuidoostkant, waar de huidige camping Molengroet zijn naam aan ontleent. Zeer recent zijn er fundamenten van deze zgn. “Swarte molen” aangetroffen, die men in situ, dus met rust, wil laten. Een kleinere molen stond noordelijker aan de oostelijke ringvaart. Bij beide molens werd ook een huis gebouwd voor drie broers Coeman, die de eerste molenaars en pachtboeren waren op Van Oldenbarnevelts land. Zij waren de zoons van Pieter Coeman, molenaar van de Kerk- en Dergmeer. In 1685 nam 56

- 43 -

Kees Bakker en Jack Muis


een nazaat van hen de poldernaam Pieter Diepsmeer aan, zoals ook gebeurde met een molenaar van de familie Kerkmeer. Tot kort voor ruilverkaveling in ca. 1970 stonden er nog maar een klein aantal boerderijen in de Diepsmeer, waarvan de bewoners nog de slechte bereikbaarheid met de dorpen van het Geestmerambacht kenden. Een pad van ladders en planken naar Oudkarspel over de sloten en kopeinden van de akkers bood tot 1871 nog soelaas voor ongeveer 70 bewoners van Diepsmeer. Toen Gerrit Slotemaker de toegang tot zijn land verbood, was men verplicht met schuitjes naar school, winkel of kerk te gaan. Dit heeft na een paar onuitgevoerde plannen geduurd tot 1931, toen de “nieuwe weg” in de werkverschaffing werd aangelegd en de hechte gemeenschap uit het isolement werd verlost. De bouw van een overhaal bij de zuidoostpunt, waar de Zomersloot eindigde, was in die tijd ook een ”moderne” verworvenheid, die feestelijk werd gevierd. Maar al snel bleek een sluisje toch een meer bevredigende oplossing. Het kaartje op Afb. 57 toont de vele meren en de minder diepe dellen, die ca. 1200 te vinden waren en later bijna allemaal ingepolderd zijn. De namen van de uitbreidingen in Alkmaar-Noord o.a. Daalmeer (=d’Aelmeer) en Mare herinneren ons eraan. Maar ook minder bekende namen als Drenkelmeer (rondom het moeras in de Rekerhout) en Zwijnsmeer (bij Oudorp) duiken op als men bij de straat- en waternamen van “Groot-Alkmaar” verder snuffelt. De alleroudste droogmakerijen van Nederland Om de waterhuishouding van o.a. het Geestmerambacht, en van wat thans grofweg Noord-Holland boven het IJ is, te kunnen regelen en in de hand te houden, was al in 1544 door Philips vader Karel V het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland ingesteld. Verschillende kleinere meren werden nog in de regeringsperiode van Karel V (1515-1555), dus al in de eerste helft van de 16de eeuw met behulp van watermolens drooggemalen en in cultuur gebracht. Opvallend is dat de allereerste vijf van ruim 400 droogmakerijen in Nederland allemaal (uitgezonderd de Achtermeer van 1533 bij Alkmaar) in het Geestmerambacht. lagen en al vóór 1550 ontstonden. Een heel grote prestatie van de nog primitieve schepradmolens destijds! Misschien wel gelijkwaardig aan de achtereenvolgende droogmakingen van de Beemster, de Schermer en de Heerhugowaard in de 17de eeuw, omdat die pas bijna een eeuw later ontstonden. Dergmeer (mogelijk al vóór 1542), Kromwater en Costverloren (1546), Kerkmeer en Oude Greb (1547) waren bij de nieuwe landwinning de alleroudste pioniers! Het beheer en gebruik van Kleimeer Hollands Noorderkwartier, Geestmerambacht en zeker Kleimeer zagen er in die tijd wel héél anders uit dan nu en het moet qua natuur en landschap heel bijzonder zijn geweest: veel open water met riet en moeras. Onze voorouders hadden het natuurlijk niet gemakkelijk met al dat water, waartegen zij voortdurend strijd moesten leveren. Zo liep de net drooggelegde ‘Kleimeer’ bij de Allerheiligenvloed in 1570 alweer onder water. Binnen het gebied van Geestmerambacht dat later het zgn. ‘Rijk der Duizend Eilanden’ zou heten (in werkelijkheid meer dan 15000 akkers of weilanden) werden de meren, dus ook het Kleimeer, vóór 1567 verpacht als viswater. Door vooral de bewoners van Koedijk werd hier ook klei uit gebaggerd (“clay trecken”) als grondstof voor de stenen-

fabricage. De Grote Kerk van Alkmaar zou met bakstenen uit het Kleimeer zijn opgebouwd57.

Afb. 57 Het Geestmerambacht rond 120058

Vooral de rietcultuur is tot heden onlosmakelijk aan plas en polder Kleimeer verbonden. Na de inpoldering bleek dat de grond niet zo geschikt was voor landbouw. Men beoogde vooral om graan te kunnen verbouwen. Het werd dus rietproductie t.b.v. dakbedekking voor boerderijen en later voor de luxe villa’s in o.a. Bergen. Staatsbosbeheer verpacht nog steeds grote delen van Kleimeer aan een rietdekkerbedrijf. Afspraak is dat t.b.v. de vogelstand het riet wisselend met rust wordt gelaten, zodat voor de vogels altijd percelen overjarig riet aanwezig zijn (Afb. 58).

Afb. 58 Rietcultuur in de Kleimeer (Foto Harry Raat)

57

Geus, J.P., drs. Carla Rogge Geus, J.P., Het Vronlegeister ambacht, één der oudste bedijkingen van Holland, in: Alkmaars Jaarboekje 1973, blz. 64 (namen tussen haakjes zijn toevoegingen van RAG) 58

- 44 -


Zoals het een goede polder betaamde, kende de Kleimeer een polderbestuur, een reglement en een keur (handvest met verordeningen, o.a. de schouw, waaraan de ingelanden moesten voldoen). De bestuursvergaderingen werden gehouden op het raadhuis van Koedijk. Voor het schoonmaken werden per jaar 10 stuivers betaald. Na ca. 1850 werden de vergaderingen gehouden in herberg ‘Het Vergulde Paard’. De bestuursvergaderingen waren geen ‘droge’ aangelegenheid. Voor de vergadering op 27 juni 1665 werd het volgende in rekening gebracht59: • Verteering 5 Heere Morgendrank koffy met broodjes • Middageten met Nadessert Per Hoofd een flesch wijn en • Exc. À f 3,- per Persoon f 15,-

heeft bijgedragen aan de vervuiling en het dichtgroeien van de sloten met o.a. het rode kroosvarentje Azolla61. In de vijftiger jaren werd door de georganiseerde land- en tuinbouw en de gemeenten sterke druk uitgeoefend op Rijk en Provincie om gelden beschikbaar te stellen voor reconstructie van het gebied. Het heeft heel wat voeten in aarde gehad, vooral als gevolg van de prioriteit die in 1953 aan de Deltawerken gegeven werd, maar in 1962 besloot de regering om door middel van ruilverkaveling het Geestmerambacht te reconstrueren. Zo werd het Geestmerambacht omgevormd van een romantische vaarpolder tot een efficiënte rijpolder en werd het tevens mogelijk een groot recreatiegebied aan te leggen.

De ruilverkaveling, van vaarpolder naar rijpolder In de middeleeuwen maakten de ‘Geestmannen’ en hun nazaten, door de ontginning vanaf de 10de eeuw na Chr. en de latere dijkaanleg in de 13de/14de eeuw, de drassige gronden van het Geestmerambacht geschikt voor landbouw. Door de aanvankelijk nog slechte waterbeheersing, als gevolg van inklinking van het gebied, was vaak alleen veeteelt mogelijk. Op de randen van de groeten (=grasbegroeide slikken) werd al wel groente verbouwd. Toen in de 18de eeuw de koeienpest uitbrak, maar ook om andere redenen (vnl. bevolkingsgroei) schakelden zij steeds meer over op tuinbouw. Voor hun akkers was vruchtbare bagger uit de sloten een noodzaak. Daardoor, maar ook door de verdeling van weiden in kleinere akkers, werden de sloten steeds talrijker en breder en ontstond het ‘Rijk der Duizend Eilanden’. Op de gronden van het Geestmerambacht is vooral sedert de 2de helft van de 19de eeuw vollegrondtuinbouw uitgeoefend met als hoofdgewassen kool en vroege aardappelen. Het gebied behoorde tot één van de grootste vaarpolders in Nederland. De exploitatie van deze gronden was voor de tuinders zeer arbeidsintensief en zwaar. Alle kavels waren alleen per schuit (koolvlet of praam) bereikbaar. Er was versnipperd grondgebruik, een flink bedrijf had meerdere eilandkavels. Hierdoor was de toepassing van moderne productiemethoden vrijwel niet mogelijk. Ook de kwaliteit van de grondsoorten liet veel te wensen over. Vooral de taaie zgn. pikklei in een groot deel van de polder, waarin de worteling van gewassen niet gemakkelijk was, gaf veel problemen voor de tuinders60. In 1960 kort voor de aanvang van de duurste ruilverkaveling van Nederland zwoegden de 75% tuinders op bedrijven van gemiddeld 3 ha, de 17% veehouders werkten op gemiddeld 10 ha en de bedrijfsvoering van de 8% bollenkwekers was eveneens gemiddeld gebaseerd op slechts 3 ha. De verhouding water en land in het Geestmerambacht was gemiddeld ongeveer 20%-80%. De vaarpolder was bijzonder karakteristiek met haar bruggetjes en vele brede en smalle wateren. Het landschap bood een immer weids panorama. Maar de waterkwaliteit in het Geestmerambacht was in grote delen zeer slecht. Het gebied deed dienst als open riool voor alle dorpen en er loosden 4 zuurkoolfabrieken en een conservenfabriek ongezuiverd water op het polderwater. Vooral in Langedijk was de toestand voorheen voor de bewoners -vanwege de stank- dikwijls onaangenaam. Ook het toenemend gebruik van kunstmest, waardoor het baggeren van de sloten afnam,

Van polder tot natuurgebied Twee gebieden bleven gelukkig buiten de verkaveling: Oosterdel en Kleimeer, die de status van cultuurgebied èn natuurgebied kregen en voorts onder beheer van Staatsbosbeheer werden gesteld. Het zijn de laatste restjes van een prachtig gebied in de oude vaarpolder met zijn door wuivend riet omzoomde akkers en weilanden De duizenden bijbehorende veld- en waternamen zijn door noeste vlijt van de Stichting COOG vanaf 1992 over meer dan 4 eeuwen opgespoord en het aangekondigde zevende COOG-boek zal er weer vol van staan! Drs. Piet Schroevers, een jonge juist afgestudeerde bioloog uit Alkmaar, in dienst van het RIVON (Rijksinstituut voor ontwikkeling van natuurgebieden) inventariseerde vóór de ruilverkaveling het planten- en dierenleven van het Oosterdel en de Kleimeer. Hij adviseerde aan Staatsbosbeheer de beide gebieden bovengenoemde status te verlenen. Zijn inventarisatie verscheen pas enige tijd geleden in het orgaan ”BLAD” van KNNV en IVN. Uit vergelijking met latere inventarisaties van KNVV en IVN bleek de teruggang van zeebies (of heen), zeeaster en zilte rus, die oorspronkelijk nog op ziltige plaatsen voorkwamen. Waar de oorspronkelijke bouwgronden niet prijsgegeven waren aan rietcultuur is de flora rijker met waterpunge, heelblad en vleeskleurige orchideeën. Door extensieve begrazing van koeien op de graslanden kan men de verruiging enigszins tegengaan. De teruglopende waterkwaliteit maakte de recente begroeiing wel minder rijk. Afsluiting van het vervuilde kanaalwater lost dit probleem hopelijk in hoge mate op.

59

61

60

Genealogie familie Kleimeer Du Burck

Kleimeer, een mooie excursie waard Na al deze beschouwingen wordt het tijd voor een pittige wandeling in het Kleimeergebied en omgeving. Wij nemen u daarom graag mee op excursie en lopen eerst maar eens langs de rand van het natuurgebied. Vanaf de hoge dijk, die het recreatiegebied Geestmerambacht van het natuurgebied scheidt heb je een schitterend uitzicht over het fraaie geheel. Aan de zuidwestkant van het Zomerdel, de grote plas die door zand zuigen in de jaren zestig en zeventig ontstond, heeft men een uitzichtheuvel met palissaden (te zien op Afb. 2, blz. 4) opgeworpen, waar men kan genieten van het zicht op het wuivende riet en de bloemrijke velden in de Kleimeer. En later is er aan de noordwestkant een tweede forse heuvel gemaakt, waar het weidse uitzicht over het meer en omgeving aantrekkelijk is voor elke recreant. COOG-boek Broek op Langedijk, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen, blz.8-12.

- 45 -


Het natuurgebied Kleimeer zelf is niet toegankelijk en dat is maar goed ook omdat anders het unieke vogelleven in gevaar komt. Wel worden er af en toe buiten het broedseizoen begeleide excursies georganiseerd (Afb. 59). Het gehele jaar door, maar natuurlijk vooral in het trekseizoen kan men vele gevleugelde passanten waarnemen, die van kust naar kust vliegen en de Kleimeer als “steppingstone” gebruiken om op krachten te komen. Een onontbeerlijk geworden broed- en overlevingsgebied tussen de minder vogelvriendelijke akkers en weiden. De cultuurhistorische waarde van de Kleimeer De Kleimeer heeft een grote cultuurhistorische waarde. De droogmakerij met zijn ringvaart enz. is namelijk vrijwel ongeschonden gebleven en het 70 ha grote kerngebied ligt er praktisch hetzelfde bij als in 1567 bij de inpoldering. De door de gemeente Langedijk in het leven geroepen werkgroep Cultuurhistorie, waarin o.a. wij als stichtingen samenwerkten, heeft in 2004 aan de gemeente Langedijk voorgesteld om, naast vele andere objecten, Kleimeer als historischgeografisch element van zeer hoge waarde aan te melden voor opname in de Cultuur Historische Waardenkaart van de provincie Noord-Holland. De gemeente heeft deze voorstellen destijds niet gehonoreerd, maar de Erfgoedcommissie van Langedijk heeft de Kleimeer en omgeving nu wèl op de goedgekeurde historisch-geografische kaart van de gemeente Langedijk gezet. Een teken dat de gemeente Langedijk oog heeft voor de kroonjuwelen in haar grondgebied. Hopelijk zullen toekomstige generaties dit op waarde schatten en dit beleid, het respecteren van de kwaliteit van de Kleimeer als natuurgebied, verder voortzetten!

Afb. 59 Excursie naar de Kleimeer (Foto Harry Raat)

De archeologische waarde van de Kleimeer en omgeving Omdat grote delen van de Kleimeer ontsnapt zijn aan de egalisatie en het diepploegen van grond in de ruilverkaveling, is er ook archeologisch wel het een en ander te verwachten (volgens o.a. Frans Diederik en Peter Bitter). Ook het aangrenzende gebied van de Zijtwinde, heeft van de Erfgoedcommissie het archeologisch stempel “zeer waardevol” op de gemeentelijke archeologische waardenkaart gekregen. De gehele strook van Koedijk naar Langedijk kan als middeleeuws verbindingstracé voor mensen beschouwd worden, waarbij archeologische sporen te verwachten zijn. Men heeft bij de laatste opgravingen in het Geestmerambacht te zuide-

lijk, namelijk op de plek waar de vogelobservatiedijk Nieuwe Zijtwinde zou komen, gegraven om de oude Zijtwinde te kunnen aantonen. Meerdere onderzoekers van naam wezen op de grote waarde van dit belangrijke vis- en jagersdomein tussen twee voedselrijke meren, Kleimeer en Diepsmeer. Hier kwamen ook de drie bannegrenzen samen, mogelijk niet toevallig, omdat het voor onze voorouders een strategisch punt was, getuige de aangetroffen oeverbeschermingen (kerven, kribben) en sporen van moernering (=zoutwinningsactiviteiten). Belangrijke onderzoeken in het Zijtwindegebied zijn verricht door: •

Arie Schermer, die de vondsten als gevolg van de ruilverkavelingswerkzaamheden beschreef, noemt juist dit gebied rijk aan o.a. Romeins/Bataafs en ook Karolinisch aardewerk. Ook anderen o.a. Wagenaar, Westra, Pool, Geus en Diederik waren toen actief. J.P. (Jo) Geus citeert F. van Mieris, die de “Sijtwindt” als bannegrens van Oudkarspel o.a. vermeldt in een oorkonde gedateerd 29 februari 1432 van landoverdracht van Jacoba van Beieren aan Jan van Egmond. J.K. (Klaas) de Cock, die in zijn bekende doctoraalscriptie de Diepsmeer en omgeving aanduidt als een kleine middeleeuwse nederzetting in relatie met de grafelijkheid van Egmond, die korentienden in Noord-Scharwoude en omgeving ontving. Ir. P. (Piet) du Burck, die als ruilverkavelingslandmeter met zijn Stibokateam de hogere akkers met namen als Oostelijke en Westelijke Zijtwinde, Kromme Zijtwinde, Waaltje enz. als eerste toeschreef aan een Zijtwinde. Door vergelijking van de grondsoorten aan de noordzijde (zanderige Rekeregorsgrond op kleiachtige pikgrond) met die van de zuidzijde, waar de gorsgrond ontbrak, is door hem ook de vermoedelijke leeftijd (ca. 1200 na Chr.) vastgesteld.

De natuurwaarde van de Kleimeer De natuurwaarde van de Kleimeer is eveneens zeer hoog. Onderzoek heeft de laatste jaren verbluffend nieuws opgeleverd. In en om de Kleimeer kunnen in een jaar wel 120 soorten vogels worden waargenomen. In de Kleimeer komen vooral moeras- en weidevogels voor, maar ook roofvogels behoren tot de vaste populatie. Veel vogelparen komen in Kleimeer tot broeden. Helaas staan ook heel wat soorten op de Rode Lijst van in ons land bedreigde vogels zoals roerdomp, woudaapje, bruine kiekendief, porseleinhoen, snor, blauwborst en baardmannetje. Officieel is de grote ornithologische waarde van Kleimeer onderkend en deze mag worden vergeleken met die van het Zwanenwater en het Naardermeer. Door de toch wel goede waterkwaliteit heeft Kleimeer een interessante waterbiotoop, waarvan hier een greep: - de sloten zijn helder en dus ideaal voor de snoek (zichtjager); - de kleine modderkruiper stelt heel hoge eisen aan waterkwaliteit (beschermde soort); - de driedoornige stekelbaars is er als voedsel voor de lepelaar onmisbaar; - de zeelt houdt van water met veel waterplanten om in alle rust zijn voedsel te vinden; - de bittervoorn (beschermde soort) is een verhaal apart: Voor de voortplanting is de bittervoorn afhankelijk van de zwanenmossel of de schildersmossel. De eitjes worden in de

- 46 -


mossel gelegd en bevrucht. De mossel zuigt water naar binnen en filtert hieruit zijn voedsel. Hierdoor beschikken de eitjes over helder water. Als de eitjes zijn uitgekomen dan irriteren de jonge vissen de mossel, waardoor ze worden uitgespuugd. Als deze vis voorkomt dan weet je dat het water van goede kwaliteit is. Natuurlijk vindt je in Kleimeer diverse soorten amfibieën, insecten en vlinders. Ook de plantengroei is bijzonder met soorten als rietorchis, gevlekte orchis, echte koekoeksbloem, smeerwortel. De grote ratelaar is een parasiet die in de zomer een heldergeel tapijt vormt en het groene gras letterlijk verdringt. Het waterbeheer Het waterbeheer heeft men in de Kleimeer in eigen hand. Met een eenvoudig systeem kan water worden in- en uitgelaten. Om het riet te laten groeien is in de zomer een hoge waterstand nodig. Om het riet te kunnen oogsten staat de Kleimeer in de winter droog. Vroeger, voor de ruilverkaveling, werd de Kleimeer bemalen door echte watermolens. De laatste achtkantige watermolen is na 56 jaar trouwe dienst in 1922 afgebroken en vervangen door een overzeese gigant, de Hercules Metallicus: een zogenaamde Amerikaanse molen. In Nederland werden ze ook gefabriceerd, o.a. bij Bertus de Waal in Noord-Scharwoude en ingezet b.v. bij de olie-schaarste in de Tweede Wereldoorlog. Na precies 50 jaar trouwe dienst, in de winter van 1972/73, toen de ruilverkaveling werd doorgevoerd, werd Hercules overbodig. Het hele systeem van afwatering was veranderd en de ‘good old Yankee’ verdween naar de schroothoop. Het huidige kleine weidemolentje heeft dienst gedaan om water in het hoger gelegen Noorder-Kleimeer te malen, zodat de rietlanden in de zomer niet droog kwamen te staan. Intussen heeft ook deze molen zijn functie verloren en staat hij te verkommeren tot hij er straks bij neervalt (Afb. 60).

Afb. 60 De thans sterk vervallen weidemolen in de Kleimeer (Foto Harry Raat)

Via een vrije inlaat wordt nu nog in de drie omkade gedeelten een gemiddeld peil van 1.50 meter beneden N.A.P. aangehouden, variërend tussen de uitersten: 2,43-N.A.P. in het westelijke landbouwgebied tot 0,40 – N.A.P. in het natte rietgedeelte aan de oostkant. In de toekomstvisie wordt de inlaat van water uit het Noord-Hollands Kanaal waarschijn-

lijk geheel afgesloten om met schoner water o. a. de diversiteit van flora en fauna te bevorderen. Ook het riet zelf, dat ruimschoots aanwezig is, heeft een zuiverende functie! De ontwikkelingen rond het Geestmerambacht en de Kleimeer De recente aanleg van brugjes, paden, bankjes en andere voorzieningen, ook bij het natuurgebied, onderstrepen nog eens de waarde die men steeds meer aan de Kleimeer toekent. Het natuurgebied is ruim twee keer zo groot geworden en bedraagt nu ca. 150 ha, hetgeen vooral belangrijk is om het unieke vogelleven in stand te laten of te verbeteren. Het is een belangrijke schakel, die als steppingstone, voor vogels maar ook voor andere dieren zoals vlinders, een ecologische verbinding, die van kust via het binnenland naar kust leidt. Een groene oase tussen de grijze akkers, die aan onze vogels onmisbare voedsel en rust biedt. En hen er daardoor niet zelden toe verleidt te gaan broeden (Afb. 61).

Afb. 61 Blauwborst en baardmannetje (Foto’s Jan Stok)

De Stichting Kleimeer De Stichting Kleimeer is in 1991 opgericht, na in 1990 als actiegroep te zijn gestart. Het doel van de stichting is ‘het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke en ecologische waarden van Kleimeer als natuurgebied’ en ‘het behoud van groene en blauwe buffers tussen de gemeenten Alkmaar en Langedijk’. Door het kritisch volgen en het beïnvloeden van de besluitvormingsprocessen van gemeenteraden, colleges van burgemeester en wethouders, Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten heeft de stichting, mede door het leveren van onderbouwd commentaar, op allerlei terreinen resultaat geboekt. De stichting participeert in diverse organisaties en activiteiten en gaf/geeft gevraagd en ongevraagd advies aan de gemeenten Heerhugowaard, Alkmaar en Langedijk. Voorts is water als ecologiedrager, maar ook voor recreatief gebruik, een belangrijk aandachtspunt voor de stichting. Door verdergaande steun en samenwerking van de historische verenigingen (Sint-Pancras, Koedijk, Harenkarspel en Waarland) en de stichtingen Langedijker Verleden, RAG en COOG in het Geestmerambachtgebied kan de bijzonder grote waarde van de Kleimeer hopelijk behouden blijven en nog versterkt worden. Wij hebben u bij de hand mogen nemen voor een rondleiding door de geschiedenis van en de ontwikkelingen rond de Kleimeer. Wij hopen dat u met ons concludeert dat de Kleimeer een uniek en waardevol gebied is, waar we best trots op mogen zijn. En in de toekomst ook trots op mogen blijven!

- 47 -


Literatuur: − J.P. Geus, Uit de geschiedenis van Koedijk en Huiswaard. Uitgave Pirola, Schoorl. − J.P. Geus, Koedijk, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen. Uitgave: Stichting COOG, 1996 (Coördinatie Onderzoek OudGeestmerambacht). − C. Streefkerk, Duizend en een dijkgraven in Periodiek OudAlkmaar 1994, nr. 4. − J. Keizer, De Diepsmeer en zijn ontstaan (p. 114-118, 129-131) in: Oudkarspel, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen. − G. Kalverdijk, De Derg- en Kerkmeer is het behoud waard, in: Oudkarspel, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen met de oudste droogmakerijen, blz. 197-208. Uitgave: Stichting COOG. − B. de Vries, Een West-Friese affaire, malers in de Kerk- en Dergmeer. − J.W. Joosten, Uitgave Westfriese Geslachten, "Overzicht van de familie Kleimeer".

− −

− −

Kees Bakker en Jack Muis in het Nieuwsbulletin van HV SintPancras. Ook: Kees Bakker in COOG-boek van Sint- Pancras (Meer dan 4 eeuwen veld- en waternamen). 3. J. van Rossum en G. Kalverdijk: “Zijtwinde van NoordScharwoude, Oudkarspel en Koedijk nader verkend” in “Noord-Scharwoude, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen”, uitgave stichting COOG 2012. blz. 48-56. 4. Ir. P.du Burck: De bodemkartering van Nederland deel XVII, het tuinbouwdistrict Geestmerambacht. Uitgave Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, 1957. J. van Rossum en G. Kalverdijk: “Zijtwinde van NoordScharwoude, Oudkarspel en Koedijk nader verkend” in “Noord-Scharwoude, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen”, uitgave stichting COOG 2012. blz. 48-56.

Malen of ten onder gaan Een overzicht van de molens van en in de polder Geestmerambacht Bart Slooten

D

e polder Geestmerambacht moet vanouds een moerasachtig gebied zijn geweest, waar in de vroege middeleeuwen zich langzamerhand mensen hebben gevestigd vanuit de hoger gelegen geestgronden (vandaar de naam Geestmerambacht: Geestmannerambacht). Aanvankelijk waterde het gebied op natuurlijke wijze af op het omringend gebied, met name op de (toen nog onbedijkte) Heerhugowaard. De gang van zaken ging hier niet anders dan in het overgrote deel van laag Nederland: het werd uiteindelijk malen of ten onder gaan. Maaivelddaling door inklinking van veengronden zal hier niet de hoofdoorzaak zijn geweest, want de polder Geestmerambacht bestaat vnl. uit kleigronden, maar de behoefte aan een betere ontwatering t.b.v. de inmiddels daar bedreven landbouw zal een belangrijke drijfveer zijn geweest. Doordat men het moeras vanaf de zijkanten had ontgonnen, lag vervoer te water voor de hand en zo was er uiteindelijk een ontgonnen vaargebied van 4840 ha ontstaan. (Benoorden de Koorndijk en Selschardijk ligt de Ringpolder. Deze vormde in het begin een aparte polder van 910 ha, maar het gebruiksgemak in combinatie met het geringe peilverschil tussen beide polders maakte dat uiteindelijk de sluisjes in genoemde dijken werden weggeruimd en er de facto dus één gecombineerde vaarpolder van 5750 ha ontstond). In de eerste helft van de zestiende eeuw werd de situatie zodanig, dat de ingelanden op 20 september 1533 van het Hof van Holland toestemming kregen tot plaatsing van een viertal watermolens62 aan de Oosterdijk bij Langedijk, welk aantal in 1558 nog met twee werd vermeerderd. De Oosterdijk beschermde het gebied van de polder Geestmerambacht tegen de watermassa van de Heerhugowaard. Voorwaarde voor bemaling is uiteraard wel, dat het gehele gebied omdijkt is,

zodat het waterstaatkundig gezien afgesloten is van het omringende gebied. Zo’n waterstaatkundige eenheid die van de omringende gebieden gescheiden is en een horizontale waterstand heeft die kunstmatig kan worden geregeld, noemt men een polder en men kan dus stellen dat met het plaatsen van de eerste watermolens aan de Oosterdijk in 1534 de polder Geestmerambacht een feit was. De eerste watermolens in Nederland dateren uit 1407-1408 (o.a. een watermolen te Groet), dus men had al ervaring met polderbemaling. Vier molens en zelfs zes zijn onvoldoende om een gebied van 4840 ha droog te houden, maar men zal aanvankelijk getracht hebben het beste rendement tegen de laagste kosten te verkrijgen. Waterberging en bemaling Binnen Geestmerambacht lagen aanvankelijk de volgende meertjes al of niet omgeven door enig moerasland: De Oude of Weidgreb, 62 ha (1548)63, de Nieuwe of Rietgreb, 30 ha (+ 1550), het Kromwater, 17 ha (1546), het Warmenhuizer Kerk- of Debbemeertje, 20 ha (1632), het Kerkmeer, 65 ha (1547), het Dergmeer 45 ha (+ 1550), het Diepsmeer, 182 ha met het Moors- of Tjaarlingermeer, 45 ha (1594), het Daalmeer, 91 ha met de Mare, 26 ha en het Oudie, 8 ha (1561), het Grote en Kleine Kleimeer, 70 ha (1567) en het Vronermeer, 105 ha (1562). Bezien we de jaartallen van drooglegging, dan blijkt dat tussen 1546 en 1632 de polder in totaal 766 ha aan open waterberging en moerasland met waterbergend vermogen verloor. Voor de bemaling van Geestmerambacht leverde dat naast het verlies aan waterbergend vermogen een tweede nadeel op: de polder Geestmerambacht ontving nu ook nog eens het uitgemalen water van de droogmakerijtjes. De ambachtsmolens moesten ook dit extra water naast hun eigen waterbezwaar op de boezem uitslaan. Zes molens voldoen dan zeker niet meer.

62

In dit artikel worden met watermolens poldermolens bedoeld; in Holland is de term watermolen voor een windmolen die water maalt niet ongebruikelijk

63

- 48 -

Het jaartal geeft het jaar van droogmaking aan.


Uiteindelijk werd de windbemaling op bevredigende wijze uitgevoerd door 11 molens. Het totaal uiteindelijk te bemalen oppervlak bedroeg 4840 ha (Geestmerambacht) + 910 ha (Ringpolder) + 766 ha (de gezamenlijke droogmakerijtjes) Samen met de twee molens van de Ringpolder levert dat bij een opvoerhoogte van rond de meter een bemalingsoppervlak van 6516 ha : 13 = 505 ha per molen op. Deze 500 ha bemalingsoppervlakte bij 1 m opvoerhoogte is in de loop der eeuwen een goede maat gebleken om op wind een polder droog te kunnen houden. De molens van de polder hebben alle gestaan aan de Oosterdijk. Een gunstige plaats: door de overheersende westenwinden waait het water naar de Oosterdijk toe, zodat de molens in combinatie met het vele oppervlaktewater dat de toenmalige vaarpolder kende, altijd genoeg water opleverde. De molens hadden een letter ter aanduiding. Begonnen werd met A voor de zuidelijkste molen te Sint-Pancras tot en met L voor de noordelijkste te Kalverdijk. A staat te Sint-Pancras, B-E stonden te Broek op Langedijk, F en G te ZuidScharwoude, H te Noord-Scharwoude, I en K te Oudkarspel en L te Kalverdijk (de J werd bij de aanduiding niet gebruikt om verwarring met de I te voorkomen. Tot in de achttiende eeuw werden de I en J voor de ie- of j-klank nogal eens door elkaar gebruikt in de spelling, een erfenis uit het Latijn, dat wel de i, maar niet de j kent).

tweedehands daar is geplaatst. H stond aan het eind van de Wuiversloot bij het (nog bestaande, maar thans openstaande) schutsluisje te NoordScharwoude, ten oosten van het latere veilingterrein (en thans woningbouwterrein) van de Noordermarktbond. I zal aanvankelijk wel vrij gestaan hebben, maar stond aan het einde van zijn loopbaan redelijk ingebouwd tussen de huizen van Oudkarspel. Een van de weinige watermolens die in een dorp hebben gestaan. Hij werd gesloopt in 1902. De gebrekkige windvang en de mogelijkheid het erf voor woningbouw te verkopen zijn daar debet aan geweest. Hij stond ter hoogte van de toenmalige overhaal (en later schutsluis) daar waar nu een klein speeltuintje is tussen de Dorpsstraat en de ringsloot ter hoogte van nr. 940. K stond benoorden Oudkarspel aan de Ambachtsdijk aan het einde van de toenmalige Molensloot, thans ter hoogte van nr. 75 en L nabij Kalverdijk. Zijn plaats zou nu zijn aan de Ambachtsdijk, 125 m ten oosten van de N245 ter hoogte van de afslag naar industrieterreinen De Banne en De Dijken (Dirkshorn).

Afb. 63 Polder Geestmerambacht, Molen I te Oudkarspel, gesloopt in 1902.

Afb. 62 Polder Geestmerambacht, Molen A, zomer 1936 (Foto C.H. Kruse)

De molens Beginnen we bij molen A. Dit is de nog bestaande molen uit 1663 bij de bocht in de Twuyverweg te Sint-Pancras. Molen B stond iets noordelijker, aan het uiteinde van de sloot die onder de Broekerbrug in de Twuyverweg doorloopt (bij “Al wat adem heeft, looft de Heer” ). C en D stonden aan de Dijk te Broek op Langedijk. Toen er een verbrandde in 1867, was het polderbestuur zo verstandig deze niet meer vlak bij het dorp, maar ver in het veld te herbouwen. Dit is de nog bestaande molen D aan de Oosterdijk tegenover het industrieterrein De Zandhorst (Heerhugowaard). Noordelijker stonden de E en F resp. aan de (zuidelijke) Molensloot en bij de samenvloeiing van de (noordelijke) Molensloot en de Kraakmansloot. Deze beide zouden nu aan de rand van het woongebied Oosterdel staan. Aan en ten zuiden van de Langebalkweg stond molen G. Dit was de enige molen van afwijkend type: een wipmolen i.p.v. een Noord-Hollandse binnenkruier. Zijn type doet vermoeden dat het óf nog een der eerste molens uit de zestiende eeuw is geweest, óf ooit

Afb. 64 Polder Geestmerambacht, Molen E. Deze molen is in 1908 verbrand. Gezien de entourage (houten schuiten, drie van de vier vrouwen nog in klederdracht) stamt de foto van rond 1900 of zelfs iets eerder. Op de achtergrond de bebouwing van Broek op Langedijk en Zuid-Scharwoude.

Sommige molens hadden ook een naam: D heette ook wel de Dikke Molen (hij is ook inderdaad dik van model, zelfs voor het type binnenkruier), F de Muskogermolen, G de Kotmolen (vanwege het vierkante bovenhuis, het kot), H de Sluismolen, K de Trompersmolen en L de Serwieldermolen.

- 49 -


Het is de molens als volgt vergaan: A anno 1663, bestaat nog; B gesloopt in 1930; C verbrand door onweer in de zomer van 1887; D verbrand 18/19 juli 1867 door onweer, waarbij het molenaarsgezin van vijf personen omkwam. Herbouwd aan de Oosterdijk in 1868, bestaat nog; E verbrand door onweer in 1908; F gesloopt in 1930; G verbrand 23 augustus 1934 door met brandende rietsigaren spelende kinderen; H gesloopt in 1930; I gesloopt in 1902; K verbrand door onweer in 1879 en L gesloopt in 1910. De binnenpolders Polders slaan hun overtollig water gewoonlijk uit op een boezem. Een boezem is een stelsel van met elkaar in open verbinding staande wateren (sloten, vaarten, kanalen en meren) met een hoger peil dan de daar op uitmalende polders. De boezem loost op zijn beurt het teveel aan water door sluisgang of bemaling op het open water (de zee, het IJsselmeer, het Markermeer of de grote rivieren). Een enkele boezem loost weer op een andere boezem, die dan op zijn beurt het teveel aan water weer loost op een der bovengenoemde open wateren. Binnenpolders echter zijn polders omgeven door een andere polder waarop zij ook uitmalen. Dit nu was bij alle bovengenoemde droogmakerijtjes het geval: zij maalden alle uit op de polder Geestmerambacht. Voorts waren er nog twee andere binnenpolders bijgekomen in de loop der tijd, namelijk de Rekerkoog bij Schoorldam en de Westbeverkoog bij Sint-Pancras, beide ontstaan uit onderbemalen laag land. Al deze poldertjes hebben een molen gehad, waarvan alleen die van de Grebpolder te Schoorldam nog over is. De Rekerkoog (18 ha) had tot de Franse tijd een klein molentje, dat rond die tijd verdwenen is, waarna de bemaling werd overgenomen door de Grebpolder. Zijn waterlopen waren tot de ruilverkaveling van 1956 nog aanwezig, maar een en ander is toen geheel verdwenen. Heeft gestaan 150 m benoorden Huiskebuurtweg nr. 17 nabij Schoorldam, aan het thans aanwezige doodlopende wegje. Door de peilverlaging die de ruilverkaveling met zich mee heeft gebracht, kunnen de Rekerkoog en twee afdelingen van de Grebpolder hun water nu via een overstort lozen op de polder Geestmerambacht. De Grebpolder heeft zijn molen nog naast Molenweg nr. 1. De molen is in 1875 als vijzelmolen gebouwd als opvolger van een verbrande schepradmolen. Kan nog steeds de thans 100 ha grote polder bemalen. Er staat ook een gemaal naast de molen. Het Kromwater werd vanouds via een grondduiker naar de Dergmeer onder de toenmalige Bijnesloot door bemalen door de molen van de Kerkmeer. De Dergmeer heeft oorspronkelijk een eigen molen gehad, maar in 1864 besloot men tot gezamenlijke bemaling door middel van de molen van de Kerkmeer. Daartoe werd het water via een grondduiker onder de ringsloot door en via een op lager peil gebrachte sloot door Ambachtsland en een tweede grondduiker onder de ringsloot van de Kerkmeer door in deze laatste polder gebracht.

In 1925 kreeg de polder tevens een eigen motorgemaal, later bijgestaan door een windmotor. Thans heeft de Dergmeer een eigen gemaal aan de Dergmeerweg, 200 m ten noorden van de kruising met de Moorsmeer. De Kerkmeer had een binnenkruier met vijzel die op 29 december 1914 verbrandde door het onweer en toen vervangen werd door het nog bestaande gemaaltje, dat nu als monumentje in stand wordt gehouden. In november 1914 was net een nieuwe 22 kW Kromhout ruwoliemotor in de molen geplaatst als hulpaandrijving op de molenvijzel. Ofschoon de molen geheel afbrandde (hij was alleen varend te bereiken) overleefde de motor de brand zodanig, dat hij weer gebruikt kon worden. Het gemaalgebouwtje werd op de oude molenwaterlopen gebouwd. Het nieuwe gemaal staat aan de Kerkmeerweg, iets benoorden de kruising met de Hopmansweg.

Afb. 65 Kerk- en Dergmeer. De foto is genomen in november 1914, n.a.v. de installatie van een 22 kW Kromhout ruwoliemotor die de molenvijzel ook kon aandrijven d.m.v. een riem. Op 29-12 d.a.v. verbrandde de molen door blikseminslag, waarbij de motor zodanig uit de brand kwam, dat ie nog gebruikt kon worden. Links van de molen is de hervormde kerk van Oudkarspel te zien (de huidige Allemanskerk).

Het Warmenhuizer Kerk- of Debbemeertje. Het kleine molentje dat dit poldertje had, stond ter hoogte van de hoek van de Warmenhuizerweg en Engelakker, net ten noorden van de sportvelden aldaar. Het huidige gemaal ligt 350 m oostelijker aan de Warmenhuizerweg. De Dieps- en Moorsmeer. Deze twee polders werden oorspronkelijk bemalen door twee molens, De Noordermolen en de Zuidermolen, staande in de Diepsmeer, de eerste aan de Wagendwarsweg en de tweede in de zuidoostelijke hoek, daar waar nu nog de machinistenwoning staat (nabij de Wagenweg64 en aan de Molentocht, ten westen van 64

In de loop der tijd was er in de Diepsmeer een klein buurtschapje ontstaan en mede daardoor liep er in het midden van de polder noord-zuid een grasweg met een oost-west lopende zijweg. Deze Wagenwegen heetten niet voor niets zo, want je kon er met een wagen overheen, echter alleen binnen de polder, want deze (en dus ook het buurtschapje) was slechts varend te bereiken tot de aanleg van de Nieuweweg (de huidige N504) eind jaren dertig. De oude Wagenweg dient men echter niet te verwarren met de huidige, die alleen uit historisch oogpunt ernaar is vernoemd, maar een heel ander tracĂŠ heeft.

- 50 -


kampeerterrein Molengroet, adres: Diepsmeer 1, Oudkarspel. De molen aan de Wagendwarsweg werd in 1859 gesloopt, daar men van mening was het met één molen voortaan wel af te kunnen en dat is inderdaad het geval geweest. De Moorsmeer was met twee grondduikers en een tussensloot, de Pompsloot, verbonden met de Diepsmeer (pomp is een oude benaming voor grondduiker). Thans heeft de Moorsmeer een eigen gemaal aan de Rekerkoogweg, 1 km ten oosten van de kruising met de Diepsmeerweg (tussen de Nelsonhoeve en De Paarlberg in). De Diepsmeer is geen binnenpolder meer: bij de bouw van het nieuwe gemaal voor Geestmerambacht (ter hoogte van de ringsloot van eerstgenoemde polder) is een aparte pomp ingebouwd die het water rechtstreeks op de boezem brengt.

Afb. 66 Windmotor van de Kleimeer bij Koedijk. Deze foto stamt van net voor de ruilverkaveling. Die was er ter plaatse begin jaren ‘70, dus de foto zal rond die tijd gemaakt. zijn. De molen is al in niet al te beste staat meer: er ontbreekt anderhalf windblad.

De Kleimeer. De polder bestond uit drie delen: de NoorderKleimeer, de Zuider-Kleimeer en de Kleine Kleimeer, drie eilandjes die door grondduikers met elkaar waren verbonden. Het vijzelmolentje stond aan de Veersloot aan de noordzijde van de Zuider-Kleimeer. Gesloopt in 1922 en vervangen door een windmotor met hulpaandrijving. De Daalmeer met de Mare en het Oudie. Oorspronkelijk schijnt de Mare een eigen molentje gehad te hebben, maar al vrij spoedig kwam dit poldertje onder bemaling van de Daalmeer. De Daalmeer had een binnenkruier-vijzelmolen, die in de noordhoek van de polder stond. De gehele polder is thans ingenomen door Alkmaar-Noord. Toch is de plaats van de vroegere molen nog goed te bepalen: achter het witte boerderijtje dat met het schutsluisje de herinnering aan landelijker tijden levend houdt. Te vinden aan het einde van de Molentocht, bij het Molentochtpad, net ten zuiden van het busstation. De molen werd gesloopt in 1917 en vervangen door een windmotor met elektrische hulpaandrijving. Geen der drie gebiedjes is meer een polder: het Oudie is als recreatieplas weer onder water gezet (Oudieplas), de Mare is opgenomen in de opgespoten gronden rond het gelijknamige winkelcentrum en de Daalmeer kon door de ophoging der bouwterreinen hetzelfde peil krijgen als het hoogwatergedeelte van de polder Geestmerambacht, zodat

men nu de geheel volgebouwde Daalmeer via de geopende schutsluis kan in- en uitvaren. De Vronermeer. Evenals de vorige polder is het grondgebied van deze polder sterk veranderd door de uitbreiding van Alkmaar. Het zuidelijk deel is al ingenomen door bebouwing en het noordelijk deel zal binnenkort volgen. De polder was in drie delen verdeeld, gescheiden door twee vaarsloten op Ambachtspeil. De molen stond te Sint-Pancras-Zuideinde (toen behorend tot de toenmalige gemeente Koedijk) aan de westkant van de polder, in het middelste deel. Hij verbrandde door onweer op 20 juli 1925 en werd vervangen door een windmotor. Zijn oude standplaats is te duiden ongeveer 150 m benoorden De Keesman en 200 m oostnoordoost van de kruising van deze weg met de N245. De Westbeverkoog (140 ha). Deze polder ontstond in 1871 door vereniging en omkading van de laag gelegen landen bewesten de Beverkoog, die een grootte had van ongeveer 45 ha en die vanouds al was omkaad en werd bemalen door molen A van het Geestmerambacht (overigens als zijn taak er voor de grote polder opzat). Ook de Beverkoog werd in de nieuwe polder opgenomen. Men bouwde een eigen molen. Zijn plaats was waar nu de overstort van de polder is aan het einde van de Dijkstalweg. In 1926 werd hij gesloopt en vervangen door een windmotor. Dieper in de polder lag nog een stuk van 22,5 ha dat door een apart (wip)molentje werd bemalen op de Westbeverkoog. Bij beide molens was een schutsluisje, waardoor je vanuit de polder Geestmerambacht in de Westbeverkoog en vervolgens in het dieper gelegen deel kon komen. Het kleine molentje zou nu in het parkje staan dat gelegen is tussen de spoorlijn Alkmaar-Hoorn en het Kanaal Omval-Kolhorn, ongeveer waar het kanaal een flauwe bocht naar het noordoosten maakt. Wind zou er niet meer voor hem zijn! Windmotoren De meeste verdwenen molens zijn opgevolgd door gemalen. Noord-Holland was na Friesland echter dé provincie waar op grote schaal gebruik is gemaakt van windmotoren, de ijzeren opvolgers van de klassieke, oud-Hollandse windmolen, die ook wel bekend staan als Amerikaanse windmolens. Voor het hierboven beschreven gebied hebben de volgende polders een windmotor gehad. De Daalmeer in 1917 met vanaf het begin een elektromotor als hulpaandrijving. Vijzel, raddiameter 8 m; aantal bladen 27; gesloopt voor 1951; locatie: op de oude molenplaats. De Vronermeer sinds 1925; vijzel, raddiameter 6 m, aantal bladen 21; gesloopt tussen 1950-1961; locatie: op de oude molenplaats. De Westbeverkoog sinds 1926; vijzel, raddiameter 8 m, aantal bladen 24; gesloopt 1973; locatie: op de oude molenplaats. De Westbeverkoog (onderbemaling) sinds 1926; vijzel, raddiameter 3 m, aantal bladen ---; gesloopt + 1970; locatie: op de oude molenplaats. De Kleimeer sinds 1922; vijzel met dieselhulpmotor; raddiameter 5,5 m, aantal bladen 18; gesloopt tussen 1971'83; locatie: op de oude molenplaats. De Kerkmeer voor 1951; vijzel; raddiameter 4,5 m, aantal bladen 18; gesloopt tussen 1968-1971; locatie: 200 m zuidelijk van de oude molenplaats en het daar gebouwde gemaal. Gebouwd door schuitenmaker Bertus de Waal te Noord-Scharwoude. De Dergmeer voor 1940; vijzel; raddiameter 4,5 m, aantal

- 51 -


bladen 18; gesloopt na 1961; locatie: aan de oostkant van het poldertje. Gebouwd door schuitenmaker Bertus de Waal te Noord-Scharwoude. Het Warmenhuizer Kerk- of Debbemeertje onbekend bouwjaar; vijzel; raddiameter ---; aantal bladen 18; locatie: op de oude molenplaats bij het gemaaltje; gesloopt 1969. Gebouwd door schuitenmaker Bertus de Waal te NoordScharwoude.

Veel is door de ruilverkaveling (1969-1976) met de grond gelijk gemaakt (of zelfs daaruit verwijderd). In de Oosterdijk zullen ongetwijfeld nog enkele funderingen van verdwenen molens zitten, maar daar is nog nooit onderzoek naar gedaan. Kortom: veel verdwenen, iets bewaard, maar wat er nog is, is zeker de moeite van het behouden waard!

Wat is er nog over? Zoals we gezien hebben, zijn er nog drie molens over in het gebied: van de polder Geestmerambacht de molens A te SintPancras en D te Broek op Langedijk en van de binnenpolders de molen van de Grebpolder te Schoorldam. Verder resteert er nog een restant van de molen in de Noorder Kleimeer (Afb. 68). Van de windmotoren is niets bewaard gebleven. Voorts het belangwekkende gemaaltje van de Kerkmeer te Oudkarspel.

Literatuur: − Archief polder Geestmerambacht, Oosterdijk en Molengeerzen; − Archief polder de Dieps- en Moorsmeer; − mr. G. de Vries Azn., De Zeeweringen en Waterschappen van Noord-Holland, Haarlem 1864; − jhr. mr. J. W. M. Schorer, Idem; tweede, herziene uitgave, Haarlem 1894; − mr. G. de Vries Azn., Het Dijks- en Molenbestuur in Hollandsch Noorderkwartier; Amsterdam 1876; − Molens in Noord-Holland, G. H. Keunen e.a.; Amsterdam – Wormerveer 1981; − Bart Slooten, Iets over de Noordermolen van de Diepsmeer; Molenpost 1978 nr. 1, blz. 7-10; − Topografische Atlas Noord-Holland 1:25.000; Landsmeer 2012; − Grote Historische Atlas Noord-Holland; 1:25.000; Tilburg 2006; − Database van Verdwenen Molens; − Database van Nederlandse Windmotoren; − Fotocollectie Bart Slooten. Afb. 67 Molen D anno 2015 met op de voorgrond de Oosterdijk en rechts het Kanaal Omval-Kolhorn

- 52 -


Afb. 68 Molens in het Geestmerambacht, ingetekend op hedendaagse Google-kaart; groen: (deels) nog bestaand; rood: verdwenen

- 53 -


Stichting Langedijker Verleden en de geschiedenis van ’t Regthuis Dick Zuiderbaan

Afb. 69 en Afb. 70 ’t Regthuis anno 2015 STICHTING LANGEDIJKER VERLEDEN EN ‘T REGTHUIS

O

p 14 september 1984 kwam, op uitnodiging van Jan IJff, een groepje ‘minnaren der historie’ bijeen. Zij wilden bekijken of het mogelijk was de geschiedenis van de dorpen Broek op Langedijk, Zuid-Scharwoude, Noord-Scharwoude en Oudkarspel te onderzoeken, vast te leggen en te bewaren. Deze pioniers waren naast Jan IJff: Jan Otto, Dick Spee, Joop Zielstra, Dirk de Graaf, Henk Wagenaar, Jan Wijn en Cor Oudendijk. Zij besloten zichzelf ‘Verborgen Verleden’ te noemen. Ze waren bezorgd dat er na de ‘Negen Eeuwen Langedijk’-feesten in 1980, wegens de negen eeuwen bestaande benaming ‘Langedijk’, geen vervolg was geweest om de historie een plek te geven in Langedijk. Een half jaar na oprichting werd de club uitgebreid met Ida Tauber en Jaap de Groot en steunden ruim 50 geïnteresseerden uit Langedijk het enthousiasme van de pioniers. Vrijwel meteen na de oprichting van ‘Verborgen Verleden’ begonnen inwoners spullen te schenken, die noodgedwongen op een boetzolder werden opgeslagen. Via artikelen en oude foto’s in het plaatselijke weekblad werd de belangstelling voor de historie opgewekt en werden er nieuwe donateurs geworven. Ook werd begonnen met het inrichten van een jaarlijks wisselende tentoonstelling o.a. in Het Behouden Huis te Oudkarspel.

weer trouwerijen in een oud decor konden plaatsvinden (Afb. 71). Stichting Langedijker Verleden mocht het museumgedeelte inrichten en gaan beheren. Na een grondige verbouwing werd in april 1989 Oudheidskamer ’t Regthuis officieel geopend.

Afb. 71 Trouwzaal van ‘t Regthuis

Op 20 februari 1987 kreeg de club een officiële stichtingsstatus bij notaris Boon in Zuid-Scharwoude. Bestuurslid Jaap de Groot stelde voor om de naam ‘Langedijker Verleden’ te gaan voeren. Sommige mensen dachten namelijk dat ‘Verborgen Verleden’ aan spiritisme deed en dat was niet de bedoeling. Vrij kort na de eerste vergadering werd aan het gemeentebestuur van Langedijk gevraagd om het voormalige gemeentehuis van Oudkarspel, dat vrij van bewoning kwam, een openbare status te geven als trouwzaal annex oudheidkamer. Dit verzoek werd in 1988 gehonoreerd (Afb. 1). De vroegere raad- en trouwzaal zou zodanig ingericht worden dat daar

In de eerste jaren na de opening heeft de stichting zoveel spullen gekregen dat hiermee een complete kamer annex keuken in de stijl van de jaren ’20 kon worden ingericht (Afb. 3). Uit een huis in Noord-Scharwoude werd een bedstee ingebouwd compleet met ‘kreb’ en beddenkwast. Diverse Langedijker winkels schonken winkelspullen geschonken die zo veel mogelijk zijn uitgestald. Op de expositiezolder werden in de winter van 1993-1994 eigenhandig nieuwe vitrines en opbergruimtes gemaakt, zodat alles beter kon worden tentoongesteld.

- 54 -


DE GESCHIEDENIS VAN ‘T REGTHUIS

Afb. 72 De oudheidskamer in ‘t Regthuis

In 1995 is de stichting begonnen met de jaarlijkse uitgave van het blad "Van Otterplaat tot Groenveldsweid". Dit blad, dat zijn naam dankt aan de twee uiteinden van Langedijk; het Otterplaatje in Broek op Langedijk en de Groenveldsweid in Oudkarspel, biedt ieder jaar ruimte aan een groot aantal artikelen van zeer gevarieerde aard. Zo worden er artikelen beschreven over families, oude ambachten, geschiedenissen van landerijen, huizen, vaarten, enz. Het blad is rijkelijk voorzien van foto's waardoor het prettig lezen is. De stichting wordt momenteel gesteund door 880 donateurs. Deze donateurs krijgen: • gratis toegang tot 't Regthuis gedurende de openingstijden in het expositieseizoen, • het verenigingsblad "De Otterplaat", • een uitnodiging voor onze donateursavond met een interessante lezing, foto- en of filmpresentatie, • een uitnodiging voor een feestelijke opening van het expositieseizoen, • een inkijk in de interessante historie van onze dorpen. Elk jaar is ’t Regthuis geopend in de periode van half april (Nationaal Museumweekend) tot half september zondags van 13.00 uur tot 17.00 uur. Tijdens het museumweekend en de Open Monumentendag is ’t Regthuis ook op zaterdag geopend van 10.00 uur tot 17.00 uur. De regionale geschiedenis spreekt de donateurs erg aan. Oude foto’s met een verhaal of oude films trekken veel donateurs naar ‘t Regthuis. Vele duizenden foto’s zijn inmiddels gescand en digitaal opgeslagen. Waardevolle oude originele foto’s zijn overgebracht naar het Regionaal Archief Alkmaar waar ze onder ideale omstandigheden worden bewaard. De gescande foto’s en Otterplaten van 1995 t/m 2014 zijn te zien op www.langedijkerverleden.nl. Naast het bezoek op de vastgestelde openingstijden maakten de laatste jaren veel groepen een afspraak voor een bezoek aan ’t Regthuis. Het ging hierbij om familiebezoeken (reünies), bedrijfsuitjes, club- en verenigingsbezoeken.

Eerste Regthuis Het oudste bekende Regthuis werd waarschijnlijk gebouwd in 1618 en zal naar alle waarschijnlijk een voorganger hebben gehad. Het is wel aannemelijk dat de stichting van een Regthuis verband hield met een vorm van rechtspraak. Oudkarspel was een zogenaamde Vrije of Hoge Heerlijkheid en mocht zelf rechtspreken. Door de schepenbank, zeg maar een vorm van gemeenteraad, werd indien nodig een rechtscollege gevormd. Dit werd met een mooie term 'de vierschaar spannen' genoemd. Een voor ons wat moeilijke term die inhield dat er tafels in een vierkant werden opgesteld, waarbinnen de rechters dan plaatsnamen. De ‘vierschaar is gespannen’ is de oude term uit de middeleeuwen, toen het recht in de open lucht tussen een met touwen gespannen vierkant werd gesproken.. De schout trad op als aanklager in civiele zaken, min of meer vergelijkbaar met de huidige kantonrechter. Voor zwaardere delicten, bijvoorbeeld moord, kwam de baljuw uit Alkmaar en trad die op als aanklager. Van dit eerste Regthuis bestaan voor zover bekend geen afbeeldingen.

Afb. 73 ‘t Rechthuijs van Outkarspel, A. Schoemaker, 1726

Tweede Regthuis Het is niet bekend waarom, misschien was de bouwkundige staat niet goed, maar nog geen honderd jaar na de bouw werd besloten om een nieuw Regthuis te bouwen. Dit gebeurde in 1714. Van dit gebouw bestaan nog wel tekeningen. In Afb. 73 zien we een huis van de gemeente in renaissancestijl naast de herberg ’t Huis van Brederode’. Deze tekening is in 1726 gemaakt door Andries Schoemaker. Ook bestaat een complete tekening (Afb. 74) met bijbehorende tekst en het oude dorpswapen van Oudkarspel. ’t Tweede Regthuis zal gebouwd zijn om jaren mee te gaan. Er was evenwel nooit gerekend op een bloedig treffen aan het eind van de 18de eeuw. Door oorlogshandelingen in 1799 bij de invasie van de Engelse/Russische troepen bij Groote Keten kwam uiteindelijk ook Oudkarspel in de frontlinie te liggen. In de Woudmeer en aan het noordeinde van het dorp woedden zware gevechten tussen de Engelsen en de Frans/Bataafse troepen. Bij al dat vechten heeft ‘t Regthuis zo geleden dat het herbouwd moest worden.

- 55 -


Afb. 75 Wapen van Oudkarspel

Afb. 74 Outkarspel, A. Schoemaker, 1726.

De tekst luidt: Outkarspel behoort onder Geestmerambacht. De kerk aldaar hadde in de oude tijde tot hun beschutsheer Martinus. Heer Jacob van Dordrecht priester domdeken te Utrecht, was in den jaere 1539 pastoor van Oukarspel, de pastorij wier somwijlen vergeven door den Abt van Egmond, die de benaemde persoon voor stelde aan den Abt van westvriesland. Dit dorp is vrij groot gelegen in den langte hebbende een stene straat voor het rechthuijs dat ontrent midden in 't dorp staat: bovenaangewesen staat het dorpswapen: in de herberg die bij t rechhuijs staat hangt het huijs van Brederodenuijt, het bestaat uijt 161 huijsen: 191 morgen en 367 roede lands. De kerk staat aghter het dorp en heeft een dicke tooren sonder spits. De kerk en predicant van outkarspel staat onder het Classe van Alkmaar. Buijten het rechthuijs is aldaar noch een deftig heerenhuijs werdende het hofjen genaampt.

Derde Regthuis Het derde en huidige Regthuis werd in 1808 herbouwd met aan de achterzijde een waag, die per boot bereikbaar was. Het grondplan week weinig of niets af van zijn voorganger. Boven de ingangsdeur werd het wapen van de toen nog zelfstandige gemeente Oudkarspel aangebracht, een zwarte leeuw op een rode ondergrond (Afb. 75). Heraldisch gezien is dit een foute combinatie. In de heraldiek mogen twee kleuren nooit op elkaar worden geplaatst. Waarschijnlijk is de leeuw oorspronkelijk van zilver geweest en is het zilver zwart geworden en later niet meer goed overgeschilderd. In de noordmuur werd het wapen van de ambachtsheer Van Teylingen aangebracht (Afb. 76). Aangezien de familie Van Teylingen toen al geen ambachtsheer meer was, zal het zijn overgezet uit het verwoeste Regthuis.

In 1871 werd de buitenzijde van het gebouw bepleisterd in een trant die wordt aangeduid als 'geblokte lisenen'. Tegelijkertijd verrees links naast ‘t Regthuis een brandspuitboetje. In dit spuithuisje stond naast de noodzakelijke brandspuit ook een voorraad emmers, gieters en ladders klaar die bij brand beschikbaar moesten zijn. De spullen mochten onder geen beding worden uitgeleend op straffe van een boete. In het kozijn van het brandspuitboetje zit nog steeds een beweegbaar klosje hout met daarin de sleutel van het brandweerboetje (Afb. 77). Bij brand kon de eerst aangekomen persoon het klosje naar voren bewegen, de sleutel eruit halen en het brandweerboetje openen, zodat geen tijd verloren ging door het wachten op de persoon met de sleutel.

Afb. 76 Wapen van de ambachtsheer Van Teylingen

De waag Waaggebouwen of weeghuizen waren bedoeld voor het afwegen van waren, wagenvrachten en vee. Ze vervulden in de Nederlandse steden een economische sleutelpositie. Het laten wegen van goederen was niet geheel vrijblijvend. Iedere groothandelaar was verplicht de goederen die hij wilde verkopen, te laten wegen in een publieke waag. Dit om te voorkomen dat er conflicten zouden kunnen ontstaan tussen koper en verkoper. Er gold wel een minimum gewicht. In een dorp als Barsingerhorn was dat 25 pond.

- 56 -


ke van een zelfstandig waaggebouw. De plaatsing onder het raadhuis (Jisp, De Rijp) of in een aangebouwde ruimte tegen het stadhuis of tegen een kerk was ook gebruikelijk bij de minder grote steden. In een dorp als Oudkarspel bleef de uitvoering van de waag eenvoudig en verrees er geen architectonisch hoogstandje in steen. In de meeste gevallen kreeg de plaatselijke timmerman de opdracht, die over het algemeen geen onverdienstelijk werk leverde. In de loop van de 19de en de 20ste eeuw zijn veel waaggebouwen afgebroken omdat van lieverlee het gebruik van de waag afnam. Dit lot overkwam ook de eenvoudige waag van Oudkarspel.

Afb. 77 Klosje met daarin de sleutel van het brandweerboetje

In dorpen kwam een waag wel wat minder voor dan in een stad. Maar weinig mensen bezaten weegschalen en in het waaggebouwtje kon iedereen goederen, bijvoorbeeld zaad, groenten of kaas tegen een kleine vergoeding laten wegen. Het zogenaamde waagbriefje dat de koopman ontving was voor de afnemer een garantie voor het juiste gewicht van de koopwaar. Bovendien dienden de goederen ook gewogen en gemeten te worden om de accijnzen te kunnen vaststellen. Vanuit de behoefte aan openbare en betrouwbare maten en gewichten ontstond het waagrecht als een gemonopoliseerde nijverheid. De bouw en stichting van waaggebouwen in Nederland is niet beperkt gebleven tot een bepaalde eeuw. Vanaf het moment dat steden zelfstandig werden, wat gepaard ging met de opkomst en bloei van de handel tot aan het begin van de 20ste eeuw, zijn er waaggebouwen verrezen. In de meeste gevallen stond de waag op het centrale punt van de stad of daar waar het economische nut het grootst was. Vandaar dat in Oudkarspel werd besloten de waag achter 't Regthuis te bouwen (Afb. 78). Het waaggebouw moest goed bereikbaar zijn voor de aan- en afvoer van goederen. Hierin was voorzien door vanaf de Voorburggracht een 'lient' of 'diksloot' te graven, zodat schuiten tot vlakbij de waag konden komen. De vroegste waaggebouwen waren niet meer dan simpele houten gebouwtjes. Door de toenemende handel werden de gebouwen wat groter en velen werden voorzien van een overhangend dak of luifel om de goederen tegen weersinvloeden te beschermen. Een vierkant grondplan was voor de eerste stenen waaggebouwen gebruikelijk. Later, tussen 1500 en 1550, ging men in steden ook over op een rechthoekig grondplan. De grootte van het gebouw was afgestemd op de omvang van de handel. Er was ook bij veel wagen geen spra-

Afb. 78 Op basis van de plattegrond en het bestek uit 1901 heeft de waag in Oudkarspel er ongeveer zo uitgezien als op deze tekening (reconstructie Cor Oudendijk).

Politiewoning Uit een bestek van 1 september 1901 blijkt ‘dat ’s morgens te 11 uure ten raadhuize aldaar zal worden aanbesteed het bouwen eener politiewoning met bijlevering der benoodigde materialen, arbeidsloonen, transporten enz’. In artikel 1 van het bestek lezen we: 'Het bestaande waaggebouw achter het Raadhuis geheel weg te sloopen en de fundeeringen uit te rooden. De steen kan na vlak gebikt te zijn, weder worden verwerkt, zoomede de straatstenen en pannen’. Afbeeldingen van de waag zijn nooit gevonden. Wel kwamen bij de restauratie van 't Regthuis in 1988 op de oorspronkelijke westmuur de contouren van de waag tevoorschijn. Uit een bewaard gebleven schets weten we dat het gebouwtje een afmeting had van 3 el en 66 voet aan de korte zijde tegen het raadhuis aan en 4 el en 92 voet aan de lange zijde. Omdat in die tijd de oude aanduiding van ellen en voeten in het spraakgebruik nog werd gebezigd, weten we dat hier wel degelijk meters werden bedoeld. De afmetingen waren 3.66 meter bij 4.92 meter. Aan de noordzijde had de waag een deur en aan de zuidzijde een raam. Op de noordwestelijke hoek was een inpandige regenbak. Tegen de westelijke muur bevond zich een cel met een brits voor arrestanten. Deze cel was daar in 1882 aangebracht op voorstel van de toenmalige veldwachter Gerben Kots. De cel was bedoeld om 'personen in op te sluiten en tenminsten als zij in beschonken toestand verkeeren’ want dan zijn sommigen bijna gek of razend'. Vóór 1882 werden ook wel lieden in de waag vastgezet maar dan kon die persoon veel kwaad

- 57 -


doen aan de balansen, gewichten en schalen.

geplaatst, zodat zonder de vereiste toestemming aan de gevels geen veranderingen mogen worden aangebracht.

De laatste waagmeester was Ariën Mosk. Hij werd door de gemeenteraad benoemd op 29 januari 1877. Toen zijn werk overbodig raakte, werd de inventaris van de waag in februari 1900 verkocht. Hierna volgde, zoals gezegd, eind 1901 de sloop en kwam op de plek de al genoemde politiewoning (Afb. 79). Indeling Naast de voordeur van het raadhuis was aan weerszijden een kamer. Links één voor de burgemeester en rechts één voor de gemeenteontvanger. De kamer van de burgemeester was voorzien van een schouw, die van de ontvanger niet. Het overige deel was raad- en trouwzaal. Via een tussendeur kon de veldwachter van de aangebouwde politiewoning in de raad- en trouwzaal komen.

Afb. 80 ’t Regthuis bewoond door 2 families: links de familie Boot en rechts de familie Kuiper.

Toekomst van ’t Regthuis De gemeente Langedijk heeft per 31 december 2015 de huurovereenkomst met Stichting Langedijker Verleden opgezegd. De gemeente gaat ’t Regthuis afstoten. Dit heeft te maken met het nieuwe accommodatiebeleid. Er zijn twee opties van toepassing op ’t Regthuis. * ’t Regthuis wordt verkocht aan Stichting Langedijker Verleden op basis van een marktconforme situatie. * ’t Regthuis wordt verkocht in de markt en de gemeente zal een alternatieve huisvesting aanbieden aan Stichting Langedijker Verleden.

Afb. 79 ‘t Regthuis met links het brandweerboetje en rechts de politiewoning

Gemeentehuis af De samenvoeging van de vier Langedijker dorpen was al in het eerste kwart van de 20e eeuw ter sprake gekomen. Om uiteenlopende redenen, voornamelijk het verlies aan zelfstandigheid, kwam dit niet van de grond. Op 1 augustus 1941, toen Nederland door de Duitsers was bezet, vond de samensmelting tot de gemeente Langedijk plaats. Het gemeentehuis van Noord-Scharwoude, op dat moment het grootste en nieuwste, werd gekozen tot Langedijker gemeentehuis. Ondanks dat het oude raadhuis van Oudkarspel nog een functie als hulpsecretarie en distributiekantoor behield, verloor het gebouw haar officiële status als ‘huis der gemeente’. Nog korte tijd heeft kantoorhouder De Vries er zijn hulpkantoor van de PTT in gerund. Daarna werd het voormalige raadhuis door de grote woningschaarste al snel omgebouwd tot twee woningen. De vluchtelingenstroom uit Den Helder, in 1943, bracht in Langedijk een enorm woningtekort teweeg. De tussendeur tussen de voor- en achterzijde verdween. De achterzijde is lange tijd als woning in gebruik geweest door de familie Kuiper. De voorzijde werd bewoond door de familie Bood waarbij de raad- en trouwzaal woonkamer werd en men in de secretarie de keuken onderbracht. Op zolder verrezen van latten en karton opgetrokken slaapkamertjes (Afb. 80). Op 13 mei 1968 werd het gebouw op de monumentenlijst

Stichting Langedijker Verleden wil ’t Regthuis graag behouden. Cultuur en historie komen in dit gebouw naadloos bij elkaar. Of het lukt om ’t Regthuis te behouden is nog niet zeker. Dat hangt af van de verkoopprijs en of er voldoende sponsoren gevonden kunnen worden voor de aanschaf en onderhoud van dit rijksmonument.

Literatuur: − Renaissance-raadhuizen boven het IJ; C. Boschma-Aarnoudse; Walburgpers; 1992. − Eerdere artikelen in Van Otterplaat tot Groenveldsweid over ’t Regthuis. − Bestek en voorwaarden voor het bouwen eener politiewoning; 4 sept. 1901. − Tussen Buitenland en Luizeknip; 9 eeuwen ontwikkeling Langedijk; 1980. − Noordhollandsche Arkadia van Claas Bruins en Gerrit Schoenmaker; Kon. Bibliotheek.

- 58 -


E.H.P. Cordfunke blijft nog veel over archeologie vertellen Interview door Silke Lange

I

k geef eigenlijk zelden interviews, zegt de heer Cordfunke. Waarom, vraag ik hem, en hij vertelt me dat hij niet zo graag over zich zelf vertelt. Het hoeft van hem niet, al die belangstelling. Hij praat wel graag over de amateurarcheologen waarmee hij heeft samengewerkt, zoals over Arie Schermer en Jacob Westra. Hij zegt dat het vooral te danken is aan de inzet van deze heren tijdens de ruilverkavelingen dat er nog iets bekend is van de archeologie van het Geestmerambacht. Cordfunke was er soms bij, toen Schermer tussen de grote brokken klei op het omgezette land naar scherven zocht. De ruilverkavelingen en de gevolgen voor het oude cultuurlandschap hebben duidelijk indruk op hem gemaakt. Op grond van zijn beschrijving krijg ik de indruk van een soort maanlandschap na afloop van de ruilverkaveling. Hij laat me een foto van de heer Schermer zien uit 1969, “genomen op een zondagochtend, in de bloedhete zon. Daar zocht hij tussen de keiharde brokken klei naar scherven en legde de grondprofielen op heel nauwkeurige wijze vast.” Blijkbaar keek ik nogal verontwaardigd door zo weinig besef voor archeologie in de tijd van de ruilverkaveling, want Cordfunke laat mij meteen bedenken: “Geschiedenis moet je niet door je eigentijdse ogen bekijken. Archeologie was in de jaren ’50 tot ’70 heel anders dan nu, en hij vult aan: “De ROB was een kleine club mensen, te klein voor zoveel grond in ontwikkeling. Na de oorlog ging het om de wederopbouw, toen dacht men niet in de eerste plaats aan de archeologie.”

Afb. 81 Erik Cordfunke

Erik Cordfunke heeft ze allemaal meegemaakt, de archeologen van het eerste uur: Van Giffen, Renaud, Halbertsma, Waterbolk, Modderman, hij kende ze allemaal persoonlijk. Archeologen die van grote invloed zijn geweest op het vakgebied, op de ontwikkeling van de archeologie als wetenschap. Toen Cordfunke leerling was op de middelbare school heeft hij zijn passie voor de archeologie ontdekt. Zodra er een opgraving in de buurt was, heeft hij deze bezocht en er aan meegeholpen. Het waren onder meer de belangrijke opgravingen in Egmond (bij de abdij) en in Heiloo (Witte kerk en de Willibrordusput). Zodra de jonge Cordfunke kans zag, voegde hij zich bij het opgravingsteam. Aan het eind van zijn middelbareschoolcarrière heeft hij echter niet voor archeologie gekozen, maar voor scheikunde. In 1962 is hij ten slotte gepromoveerd aan de Universiteit te Delft. Vanaf 1975 was Cordfunke eerst bijzonder, later gewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. De archeologie heeft hem echter nooit losgelaten. Er zijn tal van boeken van zijn hand verschenen over de opgravingen in de Witte kerk van Heiloo en over de geschiedenis van de abdij in Egmond. Enkele recente titels: De abdij van Egmond en Floris V, een politieke moord in 1296. Hij schrijft en deelt zijn kennis met een breed publiek. “Ik zie het als een plicht om te publiceren. Mensen zijn geïnteresseerd in hun omgeving, in het verleden ervan. Bovendien is het ook gemeenschapsgeld waarmee de archeologie voor een groot deel wordt bekostigd”. We praten over de vindplaatsen op de strandwal, over de aanpak van archeologie in Alkmaar: “.. in Alkmaar is het goed geregeld, dat was ook al zo in mijn tijd. Ik heb altijd alle medewerking van het gemeentebestuur gekregen. Dat komt ook doordat ik iedereen erbij heb betrokken. Op het moment dat er iets werd gevonden, heb ik meteen de burgemeester en de wethouders ingelicht en geënthousiasmeerd. Ik heb zelfs op een zaterdagochtend gebeld bij de ontdekking van de oudste uitbreiding van Alkmaar en de ontdekking van huisplattegronden uit de 11de en 12de eeuw”. Meer dan dertig jaar was Cordfunke als regio-archeoloog actief in Noord-Kennemerland. Bekende vindplaatsen die hij buiten de stadskern van Alkmaar heeft onderzocht zijn bijvoorbeeld Huiswaard I en Huiswaard II in Alkmaar. De opgravingsberichten hierover zijn gepubliceerd in onder meer de Alkmaarse Historische Reeks en de Berichten van de ROB. Naast hem op de bank ligt al weer een nieuw project. Hij is dan misschien niet meer zelf aan het opgraven, maar vertellen over archeologie zal hij blijven doen.

- 59 -


RAGenda

Kijk voor actuele evenementen, lezingen enz. op onze website Poldergeest Online (www.rag-archeologie.nl à Agenda en nieuws). Bekijk voor andere, landelijke archeologie-evenementen de agenda op www.awn-archeologie.nl. De data van de eerstvolgende lezingen, georganiseerd door Stichting RAG, kunt u vast in uw agenda zetten (onder voorbehoud, raadpleeg altijd de website!): § Dinsdag 3 november 2015 (Sander Gerritsen) § Dinsdag 17 november 2015 § Dinsdag 8 december 2015 Plaats, tijd, sprekers en onderwerpen worden bekendgemaakt in de volgende Poldergeest, op de website, via e-mail en op Facebook.

Van de penningmeester van RAG Verzoek aan alle RAG-donateurs om hun financiële bijdrage 2015 aan de Stichting RAG over te maken. Een aantal heeft dit al gedaan; hiervoor onze hartelijke dank. Aan hen die nog niet hebben betaald vragen wij vriendelijk hun bijdrage 2015 van minimaal € 7,-- over te maken op rekening IBAN: NL85 INGB 0000 7791 46 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar. Stichting RAG heeft per 1 januari 2014 de status van Culturele ANBI. Dit betekent dat particuliere donateurs in de aangifte inkomstenbelasting 1,25 keer het bedrag van de gift mogen aftrekken. Ondernemingen mogen 1,5 keer het bedrag van de gift aftrekken in de aangifte vennootschapsbelasting. Meer over ANBI en RAG staat op www.rag-archeologie.nl.

Uw e-mailadres graag! Graag vragen we tot slot nogmaals uw aandacht voor het volgende. De uitnodigingen voor vergaderingen, lezingen en andere evenementen worden uitsluitend per e-mail en dus niet per papieren post verzonden (kosten- en tijdbesparing!). Poldergeest, het halfjaarlijks verschijnende informatiebulletin, wordt wel aan alle leden van AWN Afd. Noord-Holland Noord en de donateurs van Stichting RAG verzonden. Als u op de hoogte gehouden wilt worden, zorg er dan voor dat uw e-mailadres bij ons bekend is (d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl of j.van.rossum@rag-archeologie.nl). Of bezoek regelmatig de agenda van de website www.rag-archeologie.nl.

Colofon POLDERGEEST is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland en AWN Afd. 9 Noord-Holland Noord en verschijnt twee maal per jaar. Bestuur AWN Afd. 9 Noord-Holland Noord: Frans Diederik, bestuurslid, Jaap van Rossum, secretaris, Ruud Marcus, bestuurslid, Roel Zutt, penningmeester,

fransdiederik@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ruudmarcus@quicknet.nl roelzutt@quicknet.nl

Bestuur Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” (RAG): Silke Lange, voorzitter, s.lange@rag-archeologie.nl Dick Zuiderbaan, secretaris, d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl Jaap van Rossum, penningmeester, j.van.rossum@rag-archeologie.nl Ger Kalverdijk, bestuurslid, g.kalverdijk@rag-archeologie.nl John van Lunsen, bestuurslid, codex-1@hotmail.com Arend Grijsen, bestuurslid, grijshaar@gmail.com Stichting RAG Redactie Poldergeest: Jaap van Rossum

tel. 0224-296548 tel. 072-5157122 tel. 0226-318639 tel. 0226-393960 tel. 072-5337525 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122 tel. 06 26868078 tel. 06 42763709 tel. 0224-215391

info@rag-archeologie.nl Inschrijvingsnummer RAG bij Kamer van Koophandel: 37116370 Inschrijvingsnummer AWN Afd. 9 NHN bij Kamer van Koophandel: 58659277

Voor meer informatie over de kaart op de voorzijde van deze Poldergeest: zie Afb. 20 en toelichting op blz. 18.

- 60 -

Poldergeest nummer 20  
Poldergeest nummer 20  
Advertisement