Page 1

P O L D E R 9 E E S T NIEUWSBULLETIN VAN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT” ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND AFD. AWN NOORD-HOLLAND NOORD

AFD. 9 MEI 2014

Nr. 18

Voorwoord........................................................................................................................ 2

De Ursulakerk in Warmenhuizen revisited .................................................................... 3 Silke’s column Jagers en verzamelaars hadden een hekel aan boeren............................ 6

Zoektocht naar de Arnaudsput bij de plaats Winkel ..................................................... 6 De oorsprong van de naam Koedijk.............................................................................. 10 Begraafplaatsen uit de oorlog van 1799 ........................................................................ 12

Boerderij uit Vroege Bronstijd in Heiloo gevonden..................................................... 14 Agenda ............................................................................................................................ 16 -1-


Voorwoord Silke Lange

D

e provincie heeft 2014 uitgeroepen tot het jaar van de archeologie van Noord-Holland. Dit als voorbereiding op de opening van “Het huis van Hilde” in januari 2015. Het “Huis van Hilde” is de nieuwe locatie van het depot voor archeologische bodemvondsten uit Noord-Holland dat tot heden in Wormer is gevestigd. Het nieuwe depot zal ook een publieksfunctie verkrijgen, een tentoonstellingszaal met vijf tijdsvakken die elk een tijdperk weergeven. Voor elke periode wordt een mensfiguur op basis van een gezichtsreconstructie gemaakt. Onlangs is Cees gepresenteerd aan het publiek, een man uit de Steentijd die in de buurt van Aartswoud op de Mienakker is gevonden. We kennen allemaal Hilde, de naamgeefster van het nieuwe depot, opgegraven in de Oosterbuurt in Castricum. Tijdens de opgraving werd Hilde nog schertsend Maaike genoemd, verwijzend naar Maaike Sier, de archeologe die leiding gaf aan het onderzoek. Welke naam zal de vrouw uit spoor 148 ooit hebben gedragen tijdens haar leven? Het zal niet Hilde (of Maaike) zijn geweest. Hetzelfde geldt voor Cees en de overige individuen waarvan het gelaat nog zal worden gereconstrueerd. Door namen te geven aan het onbekende probeert men archeologie en geschiedenis toegankelijker te maken voor het grote publiek. De wetenschappelijke discussie over de vindplaatsen wordt op een ander niveau gevoerd. Hier komen geen namen maar uitsluitend (vondst- en spoor)nummers aan bod.

depot in Nederland met een dergelijke museumfunctie. De toekomst moet uitwijzen of de ambitie gerechtvaardigd is. Het doel voor de opzet van Het huis van Hilde is om de archeologie in Noord-Holland beter zichtbaar te maken. Tenslotte hebben we in NoordHolland geen hunebedden en zijn de meeste archeologische monumenten voor het oog verborgen in de ondergrond. Door belangrijke vondsten uit de regio te laten zien, probeert de provincie de kennis over de oudste geschiedenis te delen en het draagvlak voor archeologie in Noord-Holland te vergroten. Het interesse voor archeologie en historie ontstaat vaak door nieuwsgierigheid naar de eigen leefomgeving, door verhalen over vroeger en in sommige gevallen door een archeologisch onderzoek dat in de buurt plaatsvindt. De inzet van lokale en regionale erfgoedinstellingen blijft dan ook essentieel voor het succes van Het huis van Hilde. Laten we daarom het jaar van de archeologie van Noord-Holland vooral ook aangrijpen om aandacht te vragen voor lokale aangelegenheden, zoals de actuele stand van zaken rondom het Kerk- en Dergmeer. Dit bijzondere gebied zal hopelijk binnenkort als gemeentelijk monument worden aangewezen. Graag wil ik u ook aanbevelen om eens de expositie “Hoog water, droge voeten” in het Regthuis te Oudkarspel te bezoeken. De vrijwilligers van de Stichting Langedijker Verleden hebben hier met veel enthousiasme aan gewerkt. Er zijn onder andere historische kaarten en bouwtekeningen, unieke historische foto’s en teksten te bewonderen. Er is zelf een onderdeel van een oude vijzel van een molen tentoongesteld. Ik wens u veel plezier met de voorliggende Poldergeest.

Afb. 1 Huis van Hilde in aanbouw

De ambitie van de provincie is groot. Men verwacht circa 40.000 mensen, voornamelijk dagjesmensen en schoolkinderen. Op dit moment is men nog op zoek naar een exploitant die straks de bezoekers wil voorzien van koffie, thee en broodjes, en nog leuke snuisterijen aan de man (of vrouw) brengt. Met Het huis van Hilde hebben we een primeur: er is geen ander archeologisch

-2-

Wilt u meer weten over genoemde onderwerpen? Op de website van de provincie vindt u meer over het archeologische depot van de provincie Noord-Holland. Te downloaden via deze link: file:///C:/Users/Gebruiker/Downloads/Programma_van_ Eisen.pdf Meer over de bewoning in de 2e t/m 4e eeuw na Chr. is te lezen in het rapport van J.-K.A. Hagers en M. Sier, 1999: Castricum-Oosterbuurt, bewoningssporen uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 53).


De Ursulakerk in Warmenhuizen revisited Frans Diederik

D

e geschiedenis van de Ursulakerk in Warmenhuizen gaat terug tot het begin van de veertiende eeuw als er aanstellingen van priesters worden vermeld; met dat gegeven in de hand ging in 1943 de heer Lutjeharms de zeer bouwvallige kerk binnen om daar wat graafwerk te verrichten. Hij groef zowel binnen als buiten de kerk, vond oud muurwerk en compileerde in 1949 een lezenswaardig boekwerkje over zijn bevindingen. Hierin reconstrueerde hij het vroegste kerkgebouw aan de hand van de muren die hij had gezien. Hij beschrijft ook de stenen die hij ‘Oud Hollandse reuzenmoppen’ noemt. Hij vermeldt daar tevens bij dat er stenen van verschillend formaat waren gebruikt. Nu, 70 jaar later, weten we dan ogenblikkelijk dat dat betekent dat er ouder materiaal met nieuwere stenen is verwerkt – waarschijnlijk bij een tweede verbouwing. De datering voor de kerk zoals die wordt gesuggereerd, is zeker niet juist, omdat vóór 1250 baksteen als bouwmateriaal nog maar zelden werd gebruikt; de kerken van de twaalfde eeuw en ouder waren steevast opgetrokken uit tufsteen en daarvan vond ook Lutjeharms geen splinter. In de jaren ’60 van de twintigste eeuw is de kerk ‘opgeknapt’ cq gerestaureerd; daarbij is geen onderzoek gedaan en van de werkzaamheden is geen aantekening gemaakt. Het simpele feit dat nu, in 2013/2014 de gehele vloer verwijderd ging worden voor de aanleg van vloerverwarming, was een gouden – en voorlopig laatste – gelegenheid om iets te zien. De werkzaamheden, uitgevoerd door Pronk Bouw, hielden in dat de zerken alle werden opgenomen en dat er een halve meter van de daaronder liggende grond werd verwijderd. Dat was niet veel, maar mogelijk viel er toch het een en ander waar te nemen. Om met het ergste te beginnen: in de jaren ’60 is de helft van het middeleeuwse muurwerk onder de noordgevel gesloopt en vervangen door een mooi stuk gewapend beton. Dit precies op de plaats waar Lutjeharms zijn zware kloostermoppenmuren had gevonden. Waarschijnlijk was de kerk over deze oude fundering heen gescheurd en werd hij om die reden weggehaald. De noordmuur is gebouwd in het begin van de zestiende eeuw met een steenformaat van 21/10/5 en de fundering steekt ongeveer een meter onder de huidige vloer. Op de overgang van de betonfundering en de oorspronkelijke zestiende-eeuwse, bevond zich het enige stuk Middeleeuwse muur; het was een deel van een hoek die verder in de reconstructie van Lutjeharms niet past. Hij heeft dit muurwerk ook nooit kunnen zien, omdat in

-3-

1943 de vloer daar ter plaatse nog bestond uit een betonplaat die pas in de jaren ’60 is verwijderd.

Afb. 2 De reconstructie van Lutjeharms (rood) geprojecteerd op de inmeting uit 1954 (Het noorden is links).

De noordelijke zuilenrij bleek ook al ontdaan van zijn oorspronkelijke fundering en ook daar werd beton waargenomen. De onderkanten van de zuilen waren geheel nieuw gemetseld; wel met oude steentjes, getuige de blauwe verf ooit onderdeel van een boerderij. De rij zuilen was de plek waar Lutjeharms de noordmuur van de kloostermoppenkerk had gezien. De zuidelijke zuilenrij, die nu onderdeel uitmaakt van de zuidelijke buitenmuur, bleek individueel en vrij ondiep gefundeerd te zijn. Wel werd waargenomen dat veel zuilen iets waren ‘afgeschoven’ en dat de funderingsblokken soms erg gescheurd waren. De opvulling tussen de zuilen van de noordmuur dateert uit de negentiende eeuw


en is een schoolvoorbeeld van het stapelen van losse brokken oude steen zonder cement, totdat het maaiveld werd bereikt. Het is wel zo dat deze opvullingen alleen hun eigen gewicht hoeven dragen, omdat de zuilen aan de bovenzijde met bogen zijn verbonden. Het kleinere steenformaat (28/14/7) dateert waarschijnlijk uit het begin van de veertiende eeuw (1310-1350). Toen is blijkbaar de kerk geheel verbouwd en is het koor toegevoegd. De fundering van het koor is overal gelijk en bestaat uit hele en halve stenen van beide formaten. Ook het in het koor staande altaarblok is opgemetseld uit twee formaten stenen. Afb. 5 Pilaarfundering in de zuidmuur, waarbij rechts de los gestapelde stenen van de 19de-eeuwse opvulling te zien zijn, maar ook hoe een deel van de fundering is weggekapt om plaats te maken voor een begraving. De fundering is bovendien geheel gescheurd.

Afb. 3 De intacte vroeg zestiende-eeuwse fundering van de noordmuur; onder het meetlint gaat nog een halve meter fundering schuil.

Afb. 4 Oorspronkelijke hoek van vroeg veertiende-eeuws metselwerk onder een deel van de noordmuur.

-4-

Een echte kloostermoppenmuur is de onderbouw van de toren; deze bestaat uit grote, uniforme stenen, rood van kleur en met een formaat dat waarschijnlijk rond 1260 is te dateren (30/14/7,5). Dit zijn de grotere stenen die Lutjeharms samen met de kleinere formaten heeft gezien. Dat stenen in die tijd kostbaar waren, blijkt wel uit het feit dat de voegen een respectabele breedte hadden van twee en een halve centimeter!

Afb. 6 Noordoost hoek van de toren met de grote kloostermoppen; de metselwijze ‘strekken en koppen’ is hier goed te zien, net als de extreem dikke lagen mortel.


Afb. 7 In het koor was de helft van het altaarblok aanwezig; de stenen onderbouw waarop de harstenen plaat van het altaar lag, was net zo breed als de muur van de koorsluiting daarachter. Goed is hier te zien dat, ondanks de halve meter grond die hier al is verwijderd, het pleisterwerk op de wand doorloopt. Dit bewijst dat het koor ooit op dezelfde hoogte lag als het schip van de kerk.

Een verrassing was de noordoost hoek van de kerk, met de aansluiting van het koor: daar stak nog een geweldig dikke muur van kloostermoppen onder de huidige muren. De totale breedte die wij konden waarnemen is al anderhalve meter en dan staat de huidige kerkmuur van 60(?) centimeter dikte daar ook nog op. In later tijd is veel van dit muurwerk gesloopt, mogelijk ten behoeve van wat Lutjeharms wel heeft gezien en ‘de fundatie van de preekstoel’ heeft genoemd. Deze vrijwel ronde fundatie, die is opgemetseld uit allerlei steenformaten (ook 16de-eeuwse!!), is alleszins opmerkelijk en moet dan ook na de Reformatie zijn gebouwd.

Afb. 9 Verzilverde koperen Penning van het Graafschap Holland uit het begin van de zestiende eeuw. 16de eeuw: Hollandse penning z.j. Muntheer: Philips de Schone (1482-1506), Muntplaats: Dordrecht (1505-1506), Referentie: Van Gelder/Hoc 124-6.

Afb. 8 In de noordoost hoek van de kerk bevond zich een oorspronkelijk deel van een kerkmuur die begint in het donkere putje en doorloopt tot onder de huidige oostmuur. Met zijn breedte van waarschijnlijk ruim twee meter, is zijn functie volkomen onduidelijk.

-5-

De vondsten Stenen zijn in dit geval de grootste groep losse vondsten: kloostermoppen van de genoemde formaten, maar ook fraai gehakte en gezaagde stenen die ooit deel uitmaakten van lijsten langs ramen en bogen. Deze laatste stammen alle uit de laatste bouwfase van begin 16de eeuw. In de kerk is eeuwenlang begraven en dan vind je overal botjes – dat was nu niet anders. Tijdens het wegzuigen van het zand kwamen honderden losse ‘onderdelen’ van oude Warmenhuizers tevoorschijn; deze werden alle verzameld en zijn inmiddels binnen de muren van de kerk herbegraven.


Naast botten werden er ook scherven gevonden! Dat lijkt opmerkelijker dan het is. Ze zijn meegekomen met (vuile) grond waarmee rond 1880 het gehele koor is opgehoogd en delen van het schip. Af en toe is er een zeventiende-eeuwse scherf bij, maar het merendeel is negentiende-eeuws. Het kruikje van de ‘VICTORIA BRUNNEN’, nog voorzien van de kurk, heeft vast de koffie van een van de arbeiders bevat. Naast de scher-

ven werden enkele muntjes gevonden; te noemen vallen een Hollandse Penning uit het begin van de zestiende eeuw, enkele duiten en oorden uit de tijd van de Republiek en wat losse centen. Het dubbeltje uit 1957 en de tankdop zijn ongetwijfeld in de jaren ’60 onder de vloer geraakt.

Silke’s column Jagers en verzamelaars hadden een hekel aan boeren Silke Lange

J

agers en verzamelaars hadden een hekel aan boeren, kopte de Volkskrant onlangs. Het stond boven een berichtje over de uitkomsten van onderzoek aan menselijk botmateriaal uit de Steentijd. Pontus Skoglund en Mattias Jacobsson van de universiteit in het Zweedse Uppsala hebben het genetische profiel van zeven neolithische jagers-verzamelaars en van vier neolithische boeren bestudeerd. De resultaten vergeleken ze bovendien met de genetische profielen van moderne mensen. Ze kwamen tot de conclusie dat er nauwelijks sprake was van vermenging van het genetische materiaal tussen beide groepen. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat er af en toe weliswaar een boerin door een jager-verzamelaar werd geschaakt, maar andersom was dit blijkbaar minder het geval. Dat betekent dat de groepen vrijwel gescheiden naast elkaar hebben bestaan. We moeten ons idee over de tijd van de eerste boeren en de overgang naar een sedimentair bestaan dus nuanceren. Decennialang hebben onderzoekers gedacht dat het boerenbestaan zo veel voordelen had ten opzichte van het nomadisch bestaan, en daarom zo aantrekkelijk moet zijn geweest, dat de jagersverzamelaars de sedimentaire levenswijze overnamen en hun eigen manier van leven tenslotte opgaven. Dit beeld blijkt niet te kloppen. De akkerbouw is 10.000 jaar geleden tussen Turkije, Syrië en Iran ontstaan. In de discussie omtrent de neolithische revolutie is vaak sprake van een succesmodel als het gaat om de komst van de eerste boeren. Deze hebben circa 7500 jaar geleden vanuit het oosten Midden Europa bereikt. Maar of de toenmalige inwoners dit ook zo hebben ervaren

wordt nu in twijfel getrokken. Opeens waren er de nieuwkomers die het bos op de voor hun geschikte plekken rooiden of zelfs afbrandden, de aarde met een eergetouw openscheurden en gewassen inzaaiden. Bovendien hielden deze mensen ook nog eens dieren. Dieren die allerlei ziektes met zich mee brachten, zoals mazelen en pokken. Het is goed mogelijk dat de jagers en verzamelaars die voor het eerst met deze ziektes in aanraking kwamen, er massaal aan stierven. Uit het onderzoek van Skoglund en Jacobsson is ook gebleken dat de groepen jagers-verzamelaars kleiner waren en een minder genetische variatie vertoonden dan de neolithische boeren. Waarschijnlijk komt het er uiteindelijk op neer dat de boeren de jagers en verzamelaars hebben verdrongen. Onderzoek aan genetisch materiaal levert steeds meer gegevens op over regionale herkomst en migraties van groepen in het verleden. Je kunt je eigen genetisch profiel achterhalen door mee te doen aan het genografische project dat door National Geographic in het leven is geroepen. Voor slechts 250 euro ontvang je na aanmelding (en betaling) een dna-kit. Nadat je een staafje met je wangslijm hebt ingestuurd, ontvang je enkele weken later informatie over je eigen wortels en kom je erachter of je afstamt van de Neanderthaler of toch van de homo denisova, een uitgestorven mensachtige waarvan resten in een grot in Siberië zijn opgegraven. Dat zijn vragen die ons toch allemaal enorm bezig houden. :)

Zoektocht naar de Arnaudsput bij de plaats Winkel John van Lunsen

I

n het archief van het Meertens Instituut in Amsterdam is een collectie van zo’n 45.000! sagen, legenden en sprookjes bijeengebracht door liefhebber en verzamelaar van volksverhalen Jacques R.W.

-6-

Sinninghe (1904-1988). De Collectie Sinninghe herbergt 45 laden met duizenden uitgetypte systeemkaarten en 29 verhuisdozen vol verhalen. Eén van de onderwerpen in zijn collectie is de "Noord-


Hollandse heilige put", onderverdeeld in de Adelbertusput te Egmond, de Willibrordusput te Heiloo, de Runxputte te Heiloo, de Engelmondsput te Velsen (vergraven door het noordzeekanaal?) en de Arnaudsput te Winkel, een vergeten waterput. Het verhaal achter de vrij onbekende Arnaudsput wordt nogal eens door de (hedendaagse) historici in twijfel

Afb. 10 Adelbertusput

getrokken, waarmee gelijktijdig ook de aanwezigheid van de put. Toch heeft deze heilige waterbron wel degelijk bestaan. De put dankt zijn naam aan graaf Arnoud van Holland (Arnaud, Arnulf van Gent), geboren ca.951 als zoon van graaf Dirk II van Holland en Hildegard van Vlaanderen.

Afb. 11 Willibrordusput

Het verhaal: “De Westfriezen, door Volkmarus, Bisschop van Utrecht, opgehitst, weigerden den Graave hulde te doen(s). Arnoud wendde wel alle poogingen aan, om hen hier toe te beweegen. Zelfs gelukte 't hem, den Bisschop, de zyde der Westfriezen te doen verlaaten. Doch deezen, voor 't wassend gezag des Graaven bedugt, stonden, in 't jaar negen honderd+drie en negentig, openlyk tegen hem op(t). De Graaf, eene aanzienlyke magt byeen gebragt hebbende, trok, in den nazomer des zelfden jaars, waarschynlyk langs den zoom van Kennemerland aan den Duinkant, tot in 't hert van Westfriesland. Deeze Landstreek bestondt toen meest uit gebroken land; dat de Ingezetenen genoegzaam ongenaakbaar voor vyandlyke aanvallen maakte. Ook zal ons 't gevolg deezer Historie doen zien, dat de Westfriezen, doorgaans des Zomers, als de wateren droogst zyn, of des Winters, over't ys, zyn beoorlogd. In 't Noordwesten deezer Landstreeke, alwaar men thans de Schageren Nieuwdorper Kogge heeft, ryst de grond wat hooger, dan elders, en is minst van water voorzien. Hier heenen begaf zig de Graaf, zig nederslaande in eene vlakte, Winkelmade genaamd, en gelegen, op of omtrent de plaats, alwaar thans het Dorp Winkel legt. Deeze vlakte hadt hy tot het slagveld uitgekooren. Ook bevondt zig, hier omtrent, de magt der Westfriezen. Eer 't op een stryden ging, gebeurde 'er iets zonderlings, 't welk de behoudenis van een goed deel van's Graaven Leger was. 't Volk, vermoedelyk afgemat, door eenen moeielyken togt, in een heet jaargetyde, hadt, in de vlakte van

-7-

Afb. 12 Runxput

Winkelmade, gebrek van zoet water. Westfriesland was, ten deezen tyde, overvloedig voorzien van Meeren; doch deezen schynen allen met de Zee gemeen gelegen, en dus niet dan brak water in gehad te hebben. Sommige Kronykschryvers verhaalen, dat Graaf Arnoud, begaan met zyn volk, zig in 't gebed begaf, en daar na hun eene plaats aanwees, alwaar zy, graavende, zoet water vonden(u). 't Gevegt viel zo voorspoedig niet uit. 's Graaven Leger werdt zo fel aangevallen van de Westfriezen, dat het wel haast ontschaard en te rug gedreeven werdt. Arnoud zelf werdt in de vlugt gegreepen en gedood. Onze Kronyken plaatsen den Veldslag en's Graaven omkomen op den agttienden van Herfstmaand des jaars negen honderd drie en negentig(v), en schryven hem eene Regeering van vyf jaaren toe(w).Graaf Arnoud werdt, te Egmond, begraaven.” Het verhaal wordt over de eeuwen heen - in diverse versies - beschreven door de kroniekschrijvers, waarbij enkel als bron de vier regels uit de rijmkroniek van Melis Stoke (1301-1305) voorhanden zijn geweest. De 18de eeuwse kroniekschrijver Cornelis van der Woude geeft in zijn boek “Kronyk den Stad Alkmaer met omgeleegene dorpen” zo mogelijk (en na later blijkt bewijsbaar) de juiste vertaling aan de 14de eeuwse rijmregels en locatie van de waterbron: “Anno 993. Als Graef Arnout derde Graef van Holland regeerde, zyn de Vriesen wederom gekomen onze landen verwoestende : tegen den welken den Grave met een groote macht optrok : ende alsoo zyn volk grooten


dorst hadden, ende geen geleegentheit en konden vinden om drinken te krygen ; zoo heeft desen goede Grave God Almachtig dezaeke ogedragen ende om drinken gebeden Ende ziet wat wonder dat hier gebeurde : Terstont ontsprong daer een water-beek Fonteyn ofte Bronput uit der Aerden ; daer te vooren geen water en was ende desen bronput is daer nog te vinden by het Dorp Winkel, inde Winckeler-were ; ende niet tot Winkelmade ofte Winkelermade gelyk als Schriverius de Cronyk van Egmont, ende andere, uit de Rym Cronyk door een Drukfoutjen qualyk hebben verstaen : want daar en is geen Winkelermade. Door zulke kleyne drukfoutjes komen zomtyds misverstanden.”

“verscheijde oorloge in westfrieslant sijn geweest, ende in Cronicken gedacht werdt, van een groote veldslach, die tusschen den grave van Egmont, ende de vriesen, op den Soutkage ende daer ontrent soude sijn gevallen. Ende dat den gedachten Graeve en sijn volck van dorst willende versmaghten, op sijn gebeten tot God almachtich een bron in de Zoutkage soude sijn ontsprongen, welcke bron daer noch gevonden werd, en altijd vloeijende is. Oock vind men op een hoger stuck lands aen 't Soutkaegh, meenigte van doode beenderen ende seer lange schenkels.” Ook sceptici zullen hiermee erkennen dat er in de 17de en 18de eeuw een nog werkende waterbron voorhanden was, die men 350 jaar geleden aan Graaf Arnaud toe verwees. Adriaan Westphalen, een Alkmaarse advocaat en verzamelaar van oude geschriften, gaat in het jaar 1685 een kijkje nemen bij de waterbron en omgeving. In zijn aantekeningen lezen we: “Barsingerhorn heeft veel licht landts ende riedt lant onder den soutendijck, maer het is niet nae an die dijck gemeten, doch affter en besuijden de huijsen seer out lant en kostelijck, beoosten dit hoochlant en kerck is de zoute caech laech lant daer graeff arnulphus van hollant voor sijn bidden een bron off groote gods zich opwellende cuijl verrees voor sijn leger met vers water. Ick anno 1685 noch gesien en gesproken die in droge somers veel gelts had an verdient om daer meer als hondert ton waters uijt te halen en te colhorn etc vercoffte en niet minderde” Bewoners van de nabijgelegen plaats Kolhorn worden hier aangehaald als afnemers van het water uit de bron, waar blijkbaar voor betaald werd. Ook anderhalve eeuw later is de verwijzing "droge zomers" aanleiding om de put aan te spreken. Alkmaarse Courant, Staatscourant en andere kranten, datum 12 en 13 september 1842:

Afb. 13 Arnould de Hollande

De Weere (eerder Winkelerweere) is een buurtschap gelegen tussen de plaatsen Barsingerhorn en Lutjewinkel, ten oosten van Schagen. Aansluitend aan de buurtschap vinden we de zoutkaag (weg), een oud slingerend en doodlopend weggetje (dijkje) in de Weerepolder. De 17de eeuwse Niedorpse Notaris en Secretaris Reyer van der Bijl schrijft omstreeks 1652, in één van zijn notities, het volgende over de waterbron in zijn regio:

-8-

“Men verneemt van goeder hand, dat de heer K. Slooves,woonachtig in het dorp Winkel en Burgemeester aldaar, bij de aanhoudende droogte, gedurende den loop dezes zomers, zoo mogelijk in de behoefte zijner gemeente willende voorzien, op het denkbeeld is gekomen om den aldaar in de nabijheid nog aanwezigen, doch alstoen digt en overgroeiden put, welken graaf Arnoud, in de maand September van het jaar 993, in een veldtogt tegen de West-Friezen, in de vlakte van Winkelmade (thans de Zoutkaag genaamd), had doen graven, van deszelfs onreinheden te ontdoen en geheel te doen zuiveren; vijf man waren gedurende zes dagen hieraan met ijver werkzaam, toen men het geluk had, het water ter diepte van 3 ellen en 16 duim (Ned. maat), te ontdekken ; hetselve was aan de oppervlakte met een groenachtig schuim bedekt, doch is later helder en goed


van smaak geworden, zoodat voornoemde heer burgemeester in dit zijn oogmerk allezins is geslaagd en, gelijk in vele andere opzigten, op nieuw een blijk heeft gegeven, volgaarne ten behoeve van zijne dorpelingen te willen werkzaam zijn. De mond van den put heeft thans eenen omtrek van 25 Ned. ellen” (1 el = 69 cm).

Dit betekent dat de 5 gravers mogelijk zelf - tijdens de zomer van 1842 - water nodig hadden, en de grond reeds eigendom was van de gemeente (Winkel). Één van de gemeentelijke landerijen, nabij genoemde zoutkaag, heeft als veldnaam “bronland”. Een waterbron in het bronland zou verklaarbaar zijn. Het “bronland” komt al voor in de 17de eeuwse archieven, verhuurd t.bv. de Armen van Winkel. Ook de “zoutkaag” is nauwkeurig te bepalen, middels een kaart uit 1598, waarop deze naam staat genoteerd als strook grond, belend een groot gebied van aaneensluitende landerijen afkomstig van het Alkmaarse klooster “Maria van Nazareth” (= niet vreemd bij een heilige waterput). Al met al waren er genoeg aanwijzingen om in het veld onderzoek te gaan doen.

Het lezen van al het voorgaande brengt de vraag: waar is/was de waterput gelegen, wat is hiervan nog terug te vinden en is de werkelijke ouderdom wel zoals de legende verteld... In de gemeentelijke notulen van 1842 en aansluitende jaren, zijn geen aantekeningen aanwezig waarmee een evt. kadastraal nummer en/of eigenaar vermeld wordt alwaar het graafwerk heeft plaatsgevonden (voor zover het archief hierin compleet is). .

1. veldnaam de Zoutkaag, 16de eeuw. 2. veldnaam Bronland, 17de eeuw. 3. de Zoutkaagweg, in de 16de eeuw nog Winterwech genaamd. 4. landerijen in eigendom van het Alkmaarse klooster “Maria van Nazareth”, 16de eeuw. 5. eendenkooi, 17de eeuw. 6. veldnaam Bronslootbos, 17de eeuw. 7. voormalige Zoutkaagmolen. 8. water de oude gouw. 9. Kanaal Alkmaar – Kolhorn (1934). 10. percelen land bij de zoutkaag die dikwijls beschreven werden als zijnde gelegen in de zoutkaag. − gearceerde strook langs de oude gouw, onderzocht met metaaldetectors. − rode pijl, boringen archeologische werkgroep Schagen. A. boerderij bouw ±1870. B. boerderij bouw na 1920. Afb. 14 Zoutkaag Over de eeuwen wordt met de naam Zoutkaag, een groter gebied bedoeld dan de veldnaam in oorspronkelijke omvang is geweest (1).Volgens een resolutie uit het jaar 1594, was de Zoutkaag een eigen waterschap binnen de Weerepolder. In 1851 is de beschrijving van de Zoutkaag: 'onbehuisd polderland van (slechts) 27 bunder binnen de Weerepolder, gelegen tussen de vogelkooi (5) en de watermolen (7)'. Tien jaar na de opgraving van 1842 zou de waterbron nog in het land aanwezig zijn geweest. Uit een krantenartikel van augustus 1921 is op te maken dat de put toen niet meer in gebruik was. De droge warme zomer van dat jaar gaf een drinkwater-

-9-

tekort, waardoor er regionaal onderzoek werd gedaan naar de waterkwaliteit in gasbronnen. Al het water – uit de onderzochte gasbronnen – werd echter afgekeurd voor gebruik als drinkwater, behalve bij één gasbron, gelegen in de zoutkaag, toeval of niet. Op basis van hoogte – en verkavelingskaarten, luchtfoto's, archiefstukken, en navraag bij (oud) bewoners, heeft de werkgroep Schagen een paar boringen gedaan. Gelijk het met metaaldetector onderzochte terrein, brachten ook de boringen géén resultaat. De waterput is daarmee nog niet boven water. Wordt vervolgd…


De oorsprong van de naam Koedijk Bert Buitink

I

n Poldergeest nr. 17 stond een bericht over het overlijden van Dirk van der Wielen. Ik kende hem niet en las in het bericht dat hij zich had bezig gehouden met de herkomst van de naam Koedijk. Hij had daar een uitgesproken mening over: de dijk zou zo zijn genoemd omdat er een bocht met een stompe hoek in zit en zo'n bocht werd – volgens Dirk – in de Middeleeuwen 'koe' genoemd. Ik ging meteen rechtop zitten toen ik dat las, want een aantal jaren geleden had ik op een website gelezen dat koe bocht (stompe hoek, als ik me goed herinner) zou betekenen. Er stond bij dat er in Duitsland dijken met kuh in de naam voorkomen bij een bocht in de rivier. Dit intrigeerde mij en is me steeds bijgebleven. Daarom besloot ik, naar aanleiding van dit overlijdensbericht, eens te gaan uitzoeken hoe het zit met de naam Koedijk. In het midden latend of Dirk van der Wielen gelijk had met zijn bewering, we kunnen hem in ieder geval in ere houden als iemand die de vroege geschiedenis van onze omgeving na aan het hart lag en die een bijdrage aan de discussie over de naam Koedijk heeft geleverd. Ik ging dus direct kijken of de betreffende website was terug te vinden, maar dat bleek niet het geval. Vermoedelijk bestaat die niet meer of is de inhoud ervan gewijzigd. De tekst die ik destijds had gelezen was er vermoedelijk door Dirk zelf opgeplaatst, mogelijk als ingezonden stuk. 1.) Bovendien lukte het me niet om op Duitse kaarten of via internet dijken met kuh te vinden. Wel ontdekte ik dat Dirk in 2006 een artikel had geschreven over dit thema. Ook zou hij een archief hebben nagelaten met o.a. informatie over dit onderwerp. Dit archief is bij de H.V. Koedijk terecht gekomen. Cor Visser, bestuurslid, wist me te vertellen dat er helaas geen aanvullende informatie over het onderwerp 'de naam Koedijk' in is te vinden. Ook navraag bij de familie van de overledene heeft niets opgeleverd. Het artikel van Dirk van der Wielen staat in de COOG-Blick van november 2006. Ik heb het samengevat in een negental Romeins genummerde punten: I. de naam Koedijk komt voor het eerst in Hollandse oorkonden voor in 1297. II. het is twijfelachtig of toen koeien al zo werden genoemd. III. het lijkt onwaarschijnlijk dat een dijk naar een dier wordt genoemd. IV. ik heb vele Nederlandse en buitenlandse namen van dijken, straten, wateren met koe- beginnende verzameld en heb geconcludeerd dat er een gemeenschappelijke eigenschap aan ten grondslag moet liggen. V. in het Rijnland (Duitsland) ontdekte ik een 'Kuhdeich' waar een grote bocht in zat. Vanaf dat moment was ik ervan overtuigd dat een grote bocht, grote knik, stompe hoek of een elleboog in vroeger tijd een ‘koe’ genoemd werd. VI. De ontwerpers van onze Koedijk moeten op de tekentafel reeds de naam hebben bepaald. VII. Een brug met een knik aan het eind werd een koebrug. Een schuine uitloop werd een koeklep enzovoort.

VIII. een dijk met aan beide einden een knik (Scharwoude) noemde men de Coken, de Koeken of Keukendijk. Dit zijn drie pogingen om het meervoud van koe aan te duiden. IX. de Kalverdijk in Leeuwarden vertoont een aantal kleine knikken (de Kalverstraat in Amsterdam idem). Mogelijk was een koe een grote knik en een kalf een kleine. Opmerkingen bij deze punten: I. Dit is onjuist. 'Coedijc' wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van 20 maart 1323 waarin staat dat graaf Willem III tien Hollandse pond per jaar beschikbaar stelt voor de parochiepriester van Koedijk, waar de voormalige inwoners van Vronen op zijn grond en op zijn kosten een kerk hebben gesticht. Op 27 maart 1297 vond de slag bij Vronen plaats, die door de Hollanders en Zeeuwen werd gewonnen; de Westfriezen werden definitief door de Hollandse graaf onderworpen. In oorkonden van 7 november 1299 staat welke straf de Westfriezen door de graaf kregen opgelegd. Vronen werd extra zwaar gestraft: de inwoners werden verbannen en hun grond werd door de graaf in beslag genomen. Koedijk wordt daarbij niet genoemd. Het dorp Koedijk moet vlak na de verbanning zijn ontstaan toen de inwoners van Vronen die de veldslag hadden overleefd zich langs die dijk vestigden. Ze vestigden zich waarschijnlijk op de Koedijk omdat ze vandaar uit het land waarmee ze bekend waren konden bewerken, echter nu als pachter. De dijk was geen persoonlijk eigendom van de Vronenaren, dus werd ook geen bezit van de graaf. Vermoedelijk was deze dijk juridisch van het Geestmerambacht (tot die tijd Vronlegeister ambacht). Dit ambacht heeft het dus aan de berooide Vronenaren toegestaan zich op de Koedijk te vestigen. Of misschien vlak langs die dijk, waar mogelijk een smalle strook grond ook aan het ambacht toebehoorde. II. Toch wel. Oudste attestatie van 'coe': West-Vlaanderen, 1285. 2.) III. Het lijkt mij ook onwaarschijnlijk dat de dijk naar een dier is genoemd. Vrijwel alle dijken in het Noorderkwartier zijn genoemd naar topografische/geografische kenmerken of naar eigenschappen van de dijk zelf. Bv. Oosterdijk, Nesdijk, Kogendijk, Langedijk, Hogendijk, Zanddijk, Oudendijk, Lage dijk, Kromme dijk, Hofdijk, Zomerdijk, Heilooërdijk, Wierdijk, Valkkogerdijk, etc. Een enkele keer is een dijk naar een persoon genoemd, zoals de Huygendijk. Dijken die naar dieren zijn genoemd zijn niet te vinden. En de Kalverdijk dan? Calvert is kaalkop in het Middelnederlands, dus een kale dijk zonder voorland, waardoor hij afkalft. 3.) De Schapenlaan bij Bergen is ook een vroege dijk, doch die naam is later ontstaan; de dijk heette in de Middeleeuwen Oudendijk. 4.) IV. Jammer dat van die verzameling namen van dijken, straten en wateren met koe- beginnende, niets is terug te

- 10 -


vinden. Ook jammer dat hij niet een flink aantal overtuigende voorbeelden heeft gegeven in zijn artikel. V. Een 'Kuhdeich' waar een grote bocht in zat. Tja, in vrijwel alle dijken zit een bocht. Ik vrees dat Dirk er hier wel erg snel van overtuigd was dat koe/kuh bocht betekent. Als die overtuiging er eenmaal is, kan het beruchte fenomeen 'tunnelvisie' optreden. Was dat bij Dirk misschien ook het geval? VI. Ik denk niet dat de dijk op een tekentafel is ontworpen. Men heeft vermoedelijk gewoon de oever van de Rekere gevolgd. VII. Van koebrug zijn enkele betekenissen te vinden. Op sommige schepen kwam een koebrug voor. Dit is vermoedelijk een verbastering van kooibrug. De naam 'koedek' werd ook gebruikt. 5.) Andere koebruggen (niet op een schip) lijken gewoon bedoeld te zijn voor o.a. koeien. In sommige koebruggen zit een knik, maar in vergelijkbare bruggen met een andere naam eveneens. Een schuine uitloop werd een koeklep. Het woord koeklep komt in een beperkt aantal betekenissen voor, maar ik heb niets in de richting van schuine uitloop gevonden. Behalve koebrug en koeklep geeft Dirk in zijn artikel geen enkel ander voorbeeld. In het overlijdensbericht in Poldergeest nr. 17, noemt Jaap van Rossum nog de volgende mogelijkheden van woorden met 'koe' als 'stompe hoek': koevoet, koepoort en koedek. Koevoet. Niet dat ik veel verstand heb van inbrekersgereedschap, maar dat ding heet toch echt koevoet omdat het aan de onderkant een v-vormige inkeping heeft en zo lijkt op de gespeten hoef van een koe. Koepoort. Bekijk afbeeldingen van koepoorten en je ziet dat de poort zelf vrijwel altijd rond aan de bovenkant is. Soms zit in het dak een stompe hoek, maar in vele daken zit zo'n hoek. Koedek. Verbastering van kooidek. Zie boven. Het woord koebocht bestaat ook! Maar dat is geen bocht met een stompe hoek... Het is een plaats in het weiland waar vroeger, vooral bij slecht weer, de koeien werden gemolken. De plek is omzoomd met bomen om beschutting te geven tegen wind en regen. Bij dezelfde bron vond ik nog koebos en koedam, beide ook naar het dier koe genoemd. 6.) VIII. Ik moet hier weer aan het begrip tunnelvisie denken. IX. En hier ook. De naam Kalverdijk is bij punt III verklaard. Ik geef toe dat ik aanvankelijk (net als heel wat anderen) gecharmeerd was van het idee dat koe vroeger de betekenis had van stompe hoek en dat zo de naam Koedijk kon worden verklaard. Maar ik ben tot het inzicht gekomen dat er geen enkele grond is om aan dit idee vast te houden. Marianne Teunis geeft in hetzelfde nummer van COOGBlick nog wat informatie over de naam Koedijk, in drie punten samengevat: 1. Kudik betekent: plaats waar het vee samengedreven kon worden op een ‘diek’, bv. bij hoog water. Er ligt een plaatsje Kudik (aan een riviertje) net over de grens voorbij Hommersum. In het hele land zijn veel meer koedijken, heel vaak ook

met opvallend veel haakse bochten. Zit daar een onbekende betekenis van ‘koe’ achter? 2. De naam Cooghen (buitendijks land) vindt zijn oorsprong op Texel. Het kan dus alleen een koogdijk zijn als het een dijk rond een voormalige koog is. 3. Door Van Berkel & Samplonius "Nederlandse plaatsnamen" wordt de koog-verklaring afgewezen. Wel wordt geopperd: Het 1e lid ws /koe/, of ms. /koop/ (vgl. mnl /coman/=koopman). De vraag blijft dus waar de naam Koedijk vandaan komt. Als we afzien van bocht, kan het eerste lid van de naam nog een aantal andere betekenissen hebben. De volgende mogelijkheden worden wel genoemd: het rund, kade, koog en koop. Ik zal ze achtereenvolgens bespreken, waarbij ik er van uit ga dat het dorp Koedijk, toen het – naar we mogen aannemen – in november 1299 ontstond, naar de toen reeds bestaande dijk is genoemd. Deze dijk, die thans Noorder-Rekerdijk heet, moet ca. 1200 zijn aangelegd tijdens de laatmiddeleeuwse transgressie. 7.) Het is onwaarschijnlijk dat er voor 1300 reeds bewoning was langs de Koedijk. Het rund Er zijn heel wat koedijken in Nederland en er zal zeker een aantal bij zijn dat naar ons melkgevend rund is genoemd. Echter golden elders vaak andere culturele en fysische omstandigheden. Zo dienden in 't Gooi koedijken juist om het vee te weren. Dit waren met struiken begroeide wallen tussen akker en weide. 8.) Van Berkel & Samplonius acht het waarschijnlijk dat het eerste lid van de naam koe is. Maar ik acht het (met Dirk van der Wielen) onwaarschijnlijk dat onze Koedijk naar het agrarisch huisdier is genoemd. Ten eerste om redenen die bij punt III zijn genoemd: dijken werden hier niet naar dieren genoemd, ten tweede omdat de dijk zich op grote afstand van Vronen bevond: de boeren zullen hun melkvee zeker dichter bij huis hebben gehouden. Ten derde kunnen we aannemen dat de dijk in de begintijd een lage veendijk was, die door de druk van de koeienpoten zou kunnen beschadigen. Als er al dieren op liepen dan meer waarschijnlijk schapen. Kade Kade was in het Middelnederlands kaaj (verwant aan het Franse quai). Dit zou wellicht tot koe kunnen verbasteren, hoewel dit veel minder voor de hand ligt dan met koog (zie onder). Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat de dijk langs de Rekere een kade werd genoemd. Een kade of kaaj was een waterkering voor binnenwater, scheiding van waterniveaus binnen een polder, boezemkaden etc. Zeeweringen en dijken langs wateren die in open verbinding stonden met het zeewater, werden dijk genoemd. Toen de Rekeredijk werd aangelegd was de Rekere nog een getijdenstroom! Daarnaast had en heeft kade ook de betekenis van 'versterkte oever' waar schepen kunnen aanleggen. Een dergelijke kade zal er niet zijn geweest voordat het dorp Koedijk ontstond. Koog De achternaam Koeman is volgens het Meertens Instituut afgeleid van koopman. Analoog hieraan zou koogdijk tot koedijk kunnen verbasteren. Maar waren er kogen – stroken

- 11 -


buitendijks land – langs de Koedijk? Kogen aan de westkant van de Rekere waren er zeker; hier lagen de dijken op grotere afstand van de hoofdstroom. Voor zover bekend liep de Rekere vlak langs de Koedijk en was er dus geen ruimte voor kogen aan de oostkant van de Rekere, maar zeker is dit niet. Mogelijk waren er omstreeks 1200 toch wel smalle kogen langs de rivier. Ook zou er theoretisch een eerdere dijk geweest kunnen zijn die oostelijker lag, zodat later met de aanleg van de NoorderRekeredijk kogen zijn ingepolderd. Van een dergelijke eerdere dijk is echter noch in documenten, noch in het landschap of in toponiemen iets terug vinden. Marianne Teunis schreef: Het kan dus alleen een koogdijk zijn als het een dijk rond een voormalige koog is. Maar waarom kan de dijk niet Koogdijk worden genoemd als hij grenst aan een niet-ingepolderde koog? Niet iedere dijk waarmee een koog werd ingepolderd werd koogdijk genoemd; bv. de Oosterdijk bij Sint Pancras. Er was dus geen regel wat dat betreft. J.P. Geus vermeldt nog ergens een toponiem 'op de koog' in Koedijk, maar dat is helaas niet terug te vinden. 9.) Als er toch sprake was van een koog of van kogen langs de oostkant van de Rekere, dan is het heel goed mogelijk dat Koedijk van Koogdijk (coechdijk etc.) is afgeleid: Het is bekend dat de e vroeger werd gebruikt om een korte klinker lang te maken, zoals in Wassenaer, heemraed, etc. Om de i te verlengen heeft deze methode stand gehouden, zoals b.v. in bier. De methode werd ook gebruikt om de o te verlengen. Zo werd Vronen soms als Vroenen geschreven. En wat betreft kogen geef ik de volgende voorbeelden: de Heerenkoog werd in 1319 aangeduid als Heren Coech 10.), in rekeningen uit 1393-1396, komt 'Heren Hughen coech' voor en bij Sint Pancras lag de Beverkoog, die in 1480 als Binencoech voorkomt. 11.) Coechdijk wordt coedijk; doordat de meeste namen in NoordHolland die op -dijk eindigen het eindaccent hebben, kan assimilatie naar een vorm zonder g-klank gemakkelijk optreden. Laten we hierbij ook niet vergeten dat het dier koe in het Fries ko is. In de dertiende eeuw was er hier vermoedelijk nog heel wat Friese invloed in het dialect. Ook als men coe schreef bleef de uitspraak voorlopig ko (immers van koog) en dit ko zal wel niet met een 'ronde' o zijn uitgesproken. Het zal eerder iets in de richting van het Engelse cow zijn geweest (welk woord dezelfde Oud-Saksische oorsprong heeft). Geleidelijk is men, onder invloed van het Hollands en in combi-

natie met de schijfwijze met oe, coe op de huidige wijze als koe gaan uitspreken. Zelfs als koog hier niet met oe werd geschreven is een ontwikkeling naar koe nog goed denkbaar: coogdijk wordt codijk en dat wordt coedijk (analoog aan coopman – coman – koeman). Koop Van Berkel & Samplonius zegt dat het eerste lid van de naam misschien koop was (vgl. mnl /coman/=koopman). Ik denk dat we deze gedachte kunnen laten varen omdat de Koedijk er eerder was dan het dorp van die naam. Voor 1300 waren er geen kooplieden. Conclusie Kade en koop zijn te onwaarschijnlijk om in aanmerking te nemen. Bocht is totaal ongeloofwaardig. Koe is – zeker in die tijd en in deze regio – wat mij betreft onwaarschijnlijk. Blijft over: koog, welk woord bovendien zeer gemakkelijk in koe kon veranderen. En het is mogelijk dat er één of enkele kogen langs de dijk lagen. Deze zijn misschien later als gevolg van erosie verdwenen, toen de Rekere in de dertiende eeuw met grote kracht het land binnendrong. Of ze zijn bij de aanleg van de Pettemervaart in 1531 vergraven. 12.) Maar al weten we dan ook niet precies hoe de ligging van deze koog of kogen was, de oorsprong van de naam Koedijk is zeer vermoedelijk Coechdijc. Noten 1. Merkwaardig genoeg had Marianne Teunis dezelfde ervaring: het niet kunnen terugvinden van een webpagina met koe = bocht. 2. http://gtb.inl.nl/, Vroegmiddelnederlands Woordenboek: coe. Maar het woord moet veel ouder zijn, gezien de gemeenschappelijke Germaanse oorsprong van koe, kuh, cow, ku, ko, kýr. (Respectievelijk Nederlands, Duits, Engels, Scandinavisch, Fries en IJslands.) 3. G. Kalverdijk, in: Warmenhuizen meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen, St. COOG, p. 4. 4. De Cock, 1965, p. 237. (Het was de oude westelijke dijk van Rekere.) 5. http://www.vocsite.nl/woordenlijst/index.html?of=150 6. Glossarium Nederlands Landschap, http://davdree.home.xs4all.nl/NL/glossarium.htm 7. Zie o.a. J.K. de Cock, 1965, hoofdstuk V. 8. http://www.meertens.knaw.nl/nfb, bij de naam Koedijk 9. Als 8. Marianne Teunis heeft dit toponiem niet in haar databanken kunnen vinden. 10. De Herenkoog lag ten noorden van Aartswoud en is in zee verdwenen. 11. J.P. Geus, in: Sint Pancras, Zuideinde en Oudorp, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen, St. COOG, p. 22. 12. Mogelijk bevond zich in de oksel van de knik in de dijk bij het oude centrum van Koedijk een stukje buitendijks land (een koog), omdat de rivier/getijdenstroom waarschijnlijk een minder scherpe bocht zal hebben gemaakt dan de dijk! Juist op deze plek – waar later het dorp ontstond – werd de dijk Koogdijk genoemd.

Begraafplaatsen uit de oorlog van 1799

I

ncidenteel worden er afzonderlijke skeletten gevonden van gesneuvelde militairen afkomstig uit de strijd tussen het Frans/Bataafse en Engels/Russische leger in 1799. Het merendeel van de omgekomen militairen is echter (zoals gebruikelijk) begraven op aangewezen begraafplaatsen. In de komende nummers van Poldergeest beschrijven wij een aantal van deze begraafplaatsen. Deel II zal gaan over het Botgat (Groote Keeten), deel III over Bergen (Russenduin, de Franschman etc.) en deel IV over Huisduinen en diverse regionaal gevonden (losse) skeletten, Oudkarspel, Langedijk etc. In deze Poldergeest beginnen we met:

- 12 -


Deel I: Wijk aan Duin, een Engelse begraafplaats in de duinen J. van Lunsen Je zou er niet op komen om de archieven van padvinders te gaan raadplegen voor het vinden van allerlei grondsporen in bossen en duinen aan de kust. Zo ontving ik onlangs (bij toeval) een padvindersboek uit 1911, bewerkt door auteur Gos de Voogt. Gos de Voogt was tevens verslaggever bij de Telegraaf en schreef in 1913 het volgende artikel ofwel wandeling in de omgeving van Wijk aan Duin met toegevoegde schetstekening. Een gedeelte hieruit:

der tekende prenten tekenaar A.J. Eijmer het monument in 1837 (collectie Rijksmuseum, Afb. 16) en schreef er bij: Gedachtenisnaald in het duin tusschen de Beverwijk en Heemskerk opgericht na het vertrek der gelandde Engelsche en Russische troepen in 1799, in de richting der toen aangelegde linie van defensie. Op de voorzijde staat: si vis pacem parra bellum )te 1800. Dat is: begeert gij vrede, houd u strijdwaardig. Naar de natuur geteekend.

Afb. 15 Kaart 1913

Afb. 16 Monument in 1837, op de achtergrond de kerk van Beverwijk.

....Langs de kerk wandelt men Beverwijk uit over den straatweg, die naar het “Gedenkteeken” leidt. Tulpveldjes rechts en links; duinzicht vóóruit. Bij de eerste wegsplitsing volge men vooral den weg links. Het Gedenkteeken even voorbij de begraafplaats is een vrij verwaarloosd steenklompje met zeer gebarsten witsteenen medaillon, waarop een bekende spreuk: SI VIS PACEM PARA BELLUM . Volgens de overlevering moeten hier Engelsche soldaten begraven zijn, toen York de terugtrekkende troepen van Brune tot Beverwijk volgde. Dat was in 1799 toen de Engelschen en Russen Holland binnenvielen en door den Franschen generaal Brune met zijn bevelhebbers der circa 30.000 man troepen nl. Daendels, Dumarceau en Desjardin) tegengehouden moesten worden in Noord Holland, Zeeland en de noordelijke provincies. Die strijd en vooral de slag bij Bergen kostte aan de verdedigers toch nog 3000 man. Op 2 en 3 October 1799 na den slag bij Castricum weken zij zelfs terug tot op Wijk aan Zee, daar de troepen van den hertog van York woest vooruitdrongen. Bij die schermutselingen vielen de soldaten waarvoor het Gedenkteeken werd opgericht. De plaats daar heet Wijk aan Duin . Vandaar neme men den zandweg rechts rechthoekig op de daar zichtbare telefoonlijn, die men dus achter zich laat .... De positie van de gedenksteen of monument op de schetskaart is hier getekend (en gezien) ten zuiden van de telefoonlijn (de telefoonlijn als oriëntatiepunt). Eer-

De linie was een lijn van lunetten die in het jaar 1800 werden aangelegd (onder generaal Kraaijenhoff ) ten noorden van Beverwijk, ter voorkoming van een herhaling van 1799. Één van de lunetten - veelal aangeduid met nr.15 - was gelegen nabij de gedenksteen, maar (let op) ten noorden van de telefoonlijn (zie Afb. 17, kaartuitsnede uit 1924). Het monument is ter plaatse minstens 2 maal naar een andere locatie verhuisd. Nog vóór 1877 kwam het monument bovenop genoemde lunet nr.15 te staan, duidelijk meer in het zicht dan de lager en zuidelijker gelegen plek als getekend op de prent van 1837 en tekening 1913. Aanleg van de openbare begraafplaats “Duinrust” (1907) bracht de gedenksteen blijkbaar – in de vroege 20ste eeuw – weer terug naar zijn oude plek in de laagte. Het is namelijk daar waar deze werd gezien door de schrijver in 1913. Deze minimale verplaatsing werd overigens niet veranderd op enkele topografische kaarten. Het monument werd later een “sta in de weg” tijdens uitbreiding van de openbare begraafplaats in de jaren '30. Ook paste de steenklomp met strijdbare tekst niet meer in de schoonheid van de in “Engelse stijl” aangelegde begraafplaats. Besloten werd om het monument te verhuizen naar de nabij gelegen lunet (nr.14) aan de Creutzberglaan waar deze nog 2 maal werd vernieuwd. Het is de verplaatsing van lunet naar lunet dat sommige auteurs de gedachte heeft gegeven dat de gedenksteen

- 13 -


primair is geplaatst vanwege de bouw van de lunetten en secundair de terugtocht van de Russen/Engelsen aangeeft. En daar gaat het dan mis ...

De éérste zerken werden merkwaardig genoeg als een ring om een tweetal kleine bestaande heuveltjes geplaatst zonder deze te doorgraven. Ook heden is dezelfde situatie nog zichtbaar op het oudste gedeelte van de begraafplaats. Vraag blijft dan wat in het midden van deze heuveltjes of duintjes te vinden is. Door uitbreiding van de begraafplaats werd lunet nr.15 (2) later vergraven. In de 19de eeuw was de begraafplek nog in het bezit van het adellijk geslacht “Boreel”. Mogelijk is in het familiearchief Boreel nog iets te vinden over de gebeurtenissen aldaar in 1799. Vergoeding van geleden schade zal zeker beschreven staan ( NoordHollands Archief). Tenslotte mag nog opgemerkt worden dat er in de jaren '70 musketkogels gevonden zijn in een greppel tussen de begraafplaats en naastgelegen Bankenlaan. En wie weet wat er nog meer gevonden is…

Afb. 17 Kaart 1924

Op de kaart (1924): 1. aanvankelijke plaats monument, 2. 2de locatie van het monument >1870, 3. 3de locatie (vanaf de jaren '30), 4. telefoonlijn: de zwarte lijn). Oorspronkelijk is het monument namelijk bewust als gedenk-steen geplaatst, aanwijzende locatie van de gesneuvelden, die daar tevens begraven zouden zijn. De Latijnse tekst op het medaillon kreeg vervolgens een dubbelzinnige betekenis door de aanleg van de nabij gelegen lunetten. Bewust was ook de keuze om vanaf punt (1) te starten met de aanleg van de openbare begraafplaats in 1907, wetende? dat daar toch al gesneuvelden willekeurig? lagen. Dat het gebied gelijktijdig gezien werd als een liefelijke plek werd daarin meegenomen.

Afb. 18 Musketkogels

Boerderij uit Vroege Bronstijd in Heiloo gevonden Silke Lange*

H

et terrein aan de Kennemerstraatweg in Heiloo, pal tegenover de ingang van de voormalige Willibrordstichting, lag meer dan drie jaar braak. Nu wordt hier onder de naam Craenenbroeck een zorgvilla gebouwd. In december 2013 en in januari 2014 heeft op deze plek archeologisch onderzoek plaatsgevonden. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder leiding van Jan de Koning van Hollandia archeologen. Eerst werd het terrein met proefsleuven verkend. Ondanks de sloop- en egalisatiewerkzaamheden was de grond nog relatief onverstoord. In een pakket duinzand werd nog net het

laatste deel aangetroffen van moesbedden uit de vroege 20ste eeuw. Deze circa 60 cm brede en 2 m lange vakken waren met humeuze grond opgevuld en hebben over een groot deel van het terrein gelegen. Alleen de randzones zijn onverstoord gebleven. Onder een laatste restpakket van duinzand met moesbedden kwam een dikke veenlaag tevoorschijn die aan de bovenzijde duidelijk belopen was. Overal waren hier hoefindrukken van koeien te zien die ooit in de natte venige grond hebben gelopen. Na hun vertrek droogde de grond uit en waaiden de afdrukken dicht met stuifzand (Afb. 19).

- 14 -


Afb. 20 Eergetouwkrassen (Foto: Hollandia)

Afb. 19 Sporen van hoefafdrukken (Foto: Hollandia) De grootste verrassing kwam onder het veen vandaan: op circa 1 meter onder het huidige maaiveld bevond zich een grijze akkerlaag met duidelijke bewerkingssporen. Dit waren sporen van een eergetouw, een voorloper van een ploeg. Met een eergetouw werd de grond bewerkt voordat het graan of andere gewassen werden ingezaaid. Een eergetouw keert de zode niet, zoals dat wel bij een ploeg gebeurd. Vandaar dat men bij het aantreffen van dit type spoor ook van “eergetouwkrassen” spreekt. Opmerkelijk was dat de eergetouwkrassen ook onder de veenlaag zijn gevonden (Afb. 20). Omdat we weten dat het veen in de Bronstijd is gegroeid, is het goed mogelijk dat deze sporen ouder zijn, mogelijk wel in de late steentijd dateren. De ontdekking gaf aanleiding tot een meer uitgebreid onderzoek, waarbij in feite het hele terrein is opgegraven. Daarbij zijn aan de noordkant van het terrein paalsporen gedocumenteerd die tot een boerderijplattegrond bleken te behoren (Afb. 21). Direct daaromheen lag het akkerland. Toen de boerderij verlaten was, is deze plek ook in gebruik genomen als akkerland. We weten dus nog niet of het akkerland dat is aangesneden gelijktijdig is met de bewoning. De ontdekking van een nederzetting onder het veen is bijzonder. Niet eerder is in onze streek een boerderij uit de vroege bronstijd of, late steentijd, opgegraven. Tot het vondstenspectrum behoorden stukjes bewerkt vuursteen, waaronder enkele werktuigjes zoals een schrabber en een kling.

Aardewerk is, op drie ondetermineerbare brokjes na, niet gevonden. Het aardewerk uit de bronstijd is in het algemeen zacht en mogelijk door latere grondbewerking sterk geërodeerd en daardoor uit elkaar gevallen. Andere vindplaatsen op de strandwal Limmen-HeilooAlkmaar, onder meer in het plangebied Zuiderloo, leverden eveneens weinig aardewerk uit deze periode op. De uitwerking van de opgraving is in volle gang en de rapportage zal pas over minimaal een jaar gereed zijn. Het is nu wachten op de radiokoolstofdateringen. Een datering in de late steentijd of vroege bronstijd periode zou zelfs nationaal gezien erg bijzonder zijn. In heel Nederland zijn er nauwelijks plattegronden bekend uit deze periode. Heiloo Craenenbroeck zou daarmee een “typesite” kunnen worden voor deze periode binnen de Nederlandse archeologie.

Afb. 21 Boerderijplattegrond (Foto: Hollandia) *Met dank aan Jan de Koning voor commentaar en fotomateriaal

- 15 -


Agenda Kijk voor actuele evenementen, lezingen enz. op onze website Poldergeest Online (www.rag-archeologie.nl à Agenda en nieuws). Ø Op zondag 22 juni 2014 organiseren wij een excursie naar het Kerk- en Dergmeergemaal van Björn de Vries in Oudkarspel. We starten om 10.00 uur in ’t Regthuis in Oudkarspel. Na de koffie en de benodigde info die we via een beamer presenteren gaan we via de Dorpsstraat en Ambachtsdijk naar het gemaal aan de Kerkmeerweg. Onderweg kan er nog het een en ander over de geschiedenis van dit stukje Langedijk verteld worden. Ø Zomer 2014 is veldwerk gepland ter plaatse van een nederzetting uit Late IJzertijd/Vroege Romeinse tijd bij Schagerbrug. Hou Poldergeest Online in de gaten voor nadere info. Archeologie en streekhistorie in de regio is o.a. te zien in: Ø Ø Ø Ø Ø Ø

Molenschuur bij molen "De Gouden Engel" in Koedijk (www.koedijk.org); Museum van de Stg. Regionale Archeologie Baduhenna in Heiloo (www.baduhenna.nl); Museum Het Regthuis in Oudkarspel (www.langedijkerverleden.nl). Zie ook het voorwoord op blz. 2. Museum Eenigenburg (www.eenigenburg.nl); Poldermuseum Heerhugowaard (www.poldermuseumheerhugowaard.nl); Natuurmuseum Westflinge (www.museumwestflinge.nl).

Voor landelijke archeologie-evenementen bekijk de agenda op www.awn-archeologie.nl. Uw e-mailadres graag! Graag vestigen we tot slot nogmaals de aandacht op het volgende. De uitnodigingen voor vergaderingen, lezingen en andere evenementen worden uitsluitend per e-mail en dus niet per papieren post verzonden (kosten- en tijdbesparing!). Poldergeest, het halfjaarlijks verschijnende informatiebulletin, wordt wel aan alle leden van AWN Afd. Noord-Holland Noord en de begunstigers van Stichting RAG verzonden. Als u van deze evenementen op de hoogte gehouden wilt worden, zorg er dan voor dat uw e-mailadres bij ons bekend is (d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl of j.van.rossum@rag-archeologie.nl). Of bezoek regelmatig de agenda van de website Poldergeest on line.

Colofon POLDER9EEST is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland en AWN Afd. 9 Noord-Holland Noord en verschijnt twee maal per jaar. Bestuur AWN Afd. 9 Noord-Holland Noord: Frans Diederik, bestuurslid, Jaap van Rossum, secretaris , Ruud Marcus, bestuurslid, Roel Zutt, penningmeester,

fransdiederik@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ruudmarcus@quicknet.nl roelzutt@quicknet.nl

Bestuur Stichting Regionale Archeologie “Gheestmanambocht” (RAG): Silke Lange, voorzitter, s.lange@rag-archeologie.nl Ger Kalverdijk, bestuurslid, g.kalverdijk@rag-archeologie.nl Dick Zuiderbaan secretaris , d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl Jaap van Rossum, penningmeester, j.van.rossum@rag-archeologie.nl Arend Grijsen, bestuurslid, grijshaar@gmail.com Stichting RAG Redactie Poldergeest: Jaap van Rossum

tel. 0224-296548 tel. 072-5157122 tel. 0226-318639 tel. 0226-393960

tel. 072-5337525 tel. 072-5330679 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122 tel. 0224-215391

info@rag-archeologie.nl Inschrijvingsnummer RAG bij Kamer van Koophandel: 37116370 Inschrijvingsnummer AWN Afd. 9 NHN bij Kamer van Koophandel: 58659277

- 16 -

Profile for Stichting RAG

Poldergeest 18  

Informatiebulletin Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord

Poldergeest 18  

Informatiebulletin Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord

Advertisement