Page 1

P O L D E R 9 E E S T NIEUWSBULLETIN VAN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT” ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND AFD. AWN NOORD-HOLLAND NOORD

OKTOBER 2013

Nr. 17

Van de redactie................................................................................................................. 2 Silke’s column .................................................................................................................. 3

Een militaire begraafplaats uit 1799 ............................................................................... 4

Middeleeuwse bewoning in het centrum van Heiloo ...................................................... 6

Egmond, de Abdij en de overstuivingen: een natuurramp............................................ 9

Waterberging in de Zijpe............................................................................................... 11 Over de geschiedenis van Sint Pancras ......................................................................... 13 Archeologie in Koedijk .................................................................................................. 15 -1-


Van de redactie Over RAG Toen begin deze eeuw de verdubbeling van het recreatiegebied Geestmerambacht en de uitvoering van de Groene Loper bij de Twuyverweg in Sint Pancras zich aandiende, maakte een aantal mensen zich grote zorgen over de archeologische waarden in dit gebied. In de ruilverkavelingtijd waren er immers verschillende aanwijzingen uit de Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen aangetroffen, zo lazen we al in Poldergeest nummer 1. In samenwerking met de historische en archeologische verenigingen wilden deze mensen de archeologische waarden, die grotendeels verloren dreigden te gaan of onzichtbaar dreigden te worden, opsporen en bewaren. Het was om deze reden dat zij in 2003, dit jaar dus 10 jaar geleden!, een werkgroep startte. Deze werkgroep kreeg een officieel karakter toen op 17 januari 2005 bij notariële acte de Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht werd opgericht. De mensen van het eerste uur waren Wim Dekker, Wijb Ouweltjes, Johan van der Molen, Jan Barsingerhorn, Charles Barten, Frans Diederik en Ger Kalverdijk. Zij vormden het bestuur van RAG. In de jaren die volgden is het bestuur aardig van samenstelling veranderd, maar was het voorzitter Ger die al die tijd de constante factor én de grote motor en inspirator van Afb. 2 Ger Kalverdijk onze archeologische club bleef. Helaas is nu ook aan dit tijdperk een einde gekomen. Gedurende de laatste twee bestuursvergaderingen heeft Ger aangegeven graag de voorzittershamer neer te leggen. Niet omdat hij niet langer voorzitter van RAG wilde zijn, integendeel, maar omdat zijn fysieke gesteldheid het hem niet langer toestond deze te blijven vervullen. Het bestuur (en we weten zeker dat we ook namens onze donateurs spreken) bedankt Ger voor zijn jarenlange enthousiasmerend voorzitterschap. Gelukkig blijft Ger voorlopig nog wel bestuurslid en kunnen we gebruik blijven maken van zijn onuitputtelijke kennis van het Geestmerambacht. Minstens zo gelukkig zijn we erover dat wij tijdens de laatste bestuursvergadering van RAG op 2 september 2013 een nieuwe voorzitter welkom konden heten. Lezers van Poldergeest kennen haar al: Silke Lange; zij verzorgt al twee jaar een prachtige column voor ons lijfblad. Silke is archeoloog, woont en is actief in onze regio en werkt thans o.a. aan de afronding van haar proefschrift over de strandwalarcheologie Afb. 1 Silke Lange van Noord-Holland. Behalve een nieuwe RAGvoorzitter mogen we ook een nieuwe donateur verwelkomen: Leon Keijzer uit Kolhorn. Helaas hebben we afscheid moeten nemen van een van onze oudste donateurs: Dirk van der Wie-

-2-

len uit Koedijk. Op blz. 13 van deze Poldergeest meer over deze markante RAG-ger.

Over AWN Afd. Noord-Holland Noord De AWN afdeling Noord-Holland Noord (AWN Afd. 9) heeft dit jaar tot nu toe drie nieuwe leden kunnen bijschrijven: Karel Numan (Schagen), Jac Moras (Waarland) en de heer of mevr. Van Weenen (Castricum). De eerste twee leden zijn ook RAG-donateur. Helaas hebben we ook afscheid moeten nemen van enkele leden. Op 2 april 2013 vond in de Nieuwe Nes te Schagen een algemene ledenvergadering (ALV) van AWN afd. NoordHolland Noord plaats. Hierbij was ook Jan Venema (hoofdbestuurslid AWN) aanwezig. Frans Diederik trad op als voorzitter. Het bestuur kent voorlopig een roulerend voorzitterschap en is nog steeds op zoek naar een definitieve voorzitter. Wie belangstelling heeft voor deze functie, melde zich bij de afdelingsecretaris, Jaap van Rossum. Een van de agendapunten was het onderzoeksrapport “Grenzen overschreden?”, dat RCE vorig jaar publiceerde. Uit dit onderzoek bleek onder andere dat de voorlichting over de wet- en regelgeving op het gebied van archeologie gebrekkig is. Overheid en instellingen nemen zelf weinig maatregelen om illegale handelingen te voorkomen en te bestrijden. Hierdoor is de grens tussen legaliteit en illegaliteit onduidelijk en is het juridische kader te ver van de praktijk af komen te staan. Overtredingen vinden ongehinderd plaats, er gaat geen afschrikwekkende werking uit van de wet. Ook is gebleken dat er binnen de overheid en de beroepsgroep geen overeenstemming bestaat over de ernst van de bedreiging van het erfgoed. Bovendien is er onduidelijkheid over eigendom van vondsten en het melden van vondsten. Ook in Noord-Holland Noord gebeurt het een enkele maal nog steeds dat in een gemeente bouwactiviteiten plaatsvinden in archeologisch gevoelige gebieden zonder dat er archeologisch onderzoek plaats vindt. Recent voorbeeld is Schoorl, zie het artikel in Poldergeest 16. Verder worden er niet veel onrechtmatigheden gesignaleerd. Tijdens de vergadering werd geconstateerd dat er ook met amateurdetectors weinig problemen zijn; met deze amateurs zijn er doorgaans goede contacten en ervaringen (later dit jaar zou blijken dat dit laatste iets genuanceerder ligt: steeds vaker worden er metaaldetectoramateurs van buiten de regio (Amsterdam, Haarlem) waargenomen, die locaties “afgrazen”, die in de publiciteit zijn geweest (terpen bijvoorbeeld) en daardoor aantrekkelijk zijn geworden voor “schatgravers”). Op de vraag of plattelandsgemeenten niet beter gezamenlijk een professionele archeoloog in dienst kunnen nemen, wordt geantwoord dat de Cultuurcompagnie deze functie al vervult. Hoogtepunt van de ALV was de lezing over “Archeologische sporen van het Beleg van Alkmaar” door Peter Bitter. Bij deze boeiende en uitgebreide lezing, waarin veel nieuwe feiten en inzichten naar voren kwamen, waren 15 toehoorders aanwezig. Het eindrapport over de vondsten op de Paardenmarkt verschijnt binnenkort.

Over Poldergeest 17 In de Poldergeest, die nu voor u ligt, vindt u artikelen over archeologische wetenswaardigheden uit alle hoeken en gaten


van Noord-Holland Noord. In de eerste plaats natuurlijk Silke’s column. Verder een artikel door John van Lunsen over een militaire begraafplaats uit 1799 bij Sint Maarten, een bijdrage van Silke over Middeleeuwse bewoning in Heiloo, een artikel door Mark van Raaij over een middeleeuwse natuurramp in het gebied van Egmond en de Abdij en Frans Diederik doet verslag over onverwachte archeologische vondsten bij Schagerbrug en Oudesluis tijdens de aanleg van

een waterbergingsproject in de Zijpe. U kunt verder lezen over twee nieuwe boeken over de geschiedenis van Sint Pancras met een toelichting door auteur Bert Buitink en over de lezing die Peter Bitter voor HVK en RAG hield over archeologie in Koedijk. Tot slot ontbreekt natuurlijk de agenda niet. Iedereen die een bijdrage heeft geleverd aan deze Poldergeest bedanken wij van harte.

Silke’s column Allemaal voor de wetenschap Silke Lange

A

an het eind van de dag word ik gebeld. Of ik even langs kan komen bij de Witte Kerk. Daar is een kabel vervangen naar de meterkast en de elektricien schrok van “allemaal botten” in de sleuf. Mijn alarmbelletjes gaan rinkelen en ik haast me naar de plek des onheils. Direct naast de noordmuur van de toren ligt een twintig centimeter brede geul, wel zeventig centimeter diep. Daarnaast een berg zand. Men durfde de botten niet aan te raken. Het ligt nog allemaal in en op het zand. In mij borrelt het verontwaardigd, maar ik ben blij dat er is gebeld. Want dat dit een rijksmonument is en dat graven helemaal niet aan de orde is, daar is men zich niet van bewust geweest. Het was gewoon gevaarlijk, deze kapotte kabel, en het moest onmiddellijk worden vervangen. Nee, volgende keer gaan we eerst bellen om te vragen of het mag.

Afb. 3 Witte Kerk in Heiloo (litho uit 1820) Wat is er eigenlijk aan de hand? Ik bekijk de gegraven sleuf en de berg. Op deze plek blijkt de grond al in het verleden verstoord te zijn geweest, waarschijnlijk in de jaren ’60 tijdens restauratiewerkzaamheden bij de ingang. Toen zijn al oude graven geraakt. Wat ik uit de zandberg trek, is niet afkomstig van één individu. De botten zijn inderdaad oud, maar ik kan natuurlijk niet zien hoe oud. Een trouwe vrijwilliger helpt me met het inzamelen van het bot: kaken, twee schedelfragmenten, scheenbeen, vingerkootjes, maar geen aardewerk of ander vondstmateriaal. Het is al laat en de schemering zet in. Mijn drie kinderen komen nog even kijken naar de lugubere inzamelactie van hun moeder. Ook de burgervader, Hans Romeijn, bleek gewaarschuwd en komt op visite. Veel tijd voor uitleg hebben we niet. Gestaag zoeken

-3-

we in het zand naar losse stukjes bot. Ik ben niet bijgelovig, maar ik wil toch graag weg voordat het echt donker is. De volgende dag overleg ik met mijn collega van de gemeente. We besluiten het botmateriaal te laten onderzoeken naar geslacht, leeftijd en ouderdom. Om de ouderdom van de botten te bepalen zullen we monsters opsturen voor een 14Ckoolstofdatering. De vraag is: wat doen we straks met de botten? Tenslotte zijn het resten van mensen die hun laatste rust hadden moeten vinden op het voormalige kerkhof. Men oppert om ze een waardige herbegraving te geven. Er zijn echter zo veel kleine botfragmenten, die kunnen we niet allemaal aan verschillende individuen koppelen (of je moet elk stukje met behulp van DNA-analyse laten onderzoeken). Een knekelkistje, dat lijkt de oplossing. En dan een mooie plek vinden bij de Witte Kerk. Maar ook de begraafplaats is een archeologisch monument. Daar mag je niet zomaar een gat graven! Moeten we een ander kerkhof kiezen? Dan ligt een deel van het skelet hier en een deel elders? Een tweede optie zou zijn om het materiaal naar het depot te brengen. Ik leg het probleem voor aan mijn collega’s. Lisette Kootker, fysisch-antropologe aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, heeft dit soort discussies vaker meegemaakt. Ze vertelt dat een deel van het skeletmateriaal van de Grote Kerk in Alkmaar opgeslagen in de kelder van de kerk ligt. Ook een deel van het menselijk skeletmateriaal van de vindplaats in Oldenzaal zal op het nabij gelegen begraafplaatsen herbegraven worden. In de gemeente Doorn zijn twee skeletten zelfs na heuse kerkelijke dienst weer in een kist (!) voor de kerk herbegraven. Lisette is van mening het materiaal in een archeologisch depot op te slaan: “Wie weet wat we er over 10 jaar mee kunnen doen”. Annabel Médard is archeologe bij het archeologische bedrijf ARGO en heeft meegemaakt dat een plaatselijke kerk opmerkelijk weinig aandacht had toen de oude begraafplaats tijdens de herinrichting op de schop ging.

Afb. 4


“De schedels en andere botten rolden zo van het stort, staken uit kabelsleuven. We zagen niet alleen losse botten maar ook nog de contouren van wat ooit houten kisten waren.” Na melding bij de stadsarcheoloog is de ontgravingsdiepte uiteindelijk aangepast. Annabel: “Van de kerk had het allemaal niet gehoeven. Uit archeologische oogpunt is het al niet bepaald in orde en van een kerk vond ik het (hoewel ik zelf totaal niet religieus ben) schokkend dat er op deze manier met de oude begraafplaats werd omgegaan.” Het is beslist ook een maatschappelijke kwestie. Handelen we in dit soort situaties puur wetenschappelijk en deponeren het materiaal in het depot? Of vervolgen we het oorspronkelijke plan (van

de mensen in het verleden) en geven we de botten terug aan hun oude rustplaats? Als we ons druk maken om menselijk skeletmateriaal uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, waarom dan niet ook over prehistorische begravingen? Tenslotte hebben we de crematieresten uit de IJzertijd, die bij het onderzoek in Zuiderloo aan het licht kwamen ook niet teruggegeven aan de aarde. Het onderzoek naar de botten uit de kabelsleuf bij de Witte kerk is nog niet afgerond. Zodoende hebben we nog een beetje respijt. Wat het ook wordt, herbegraven of deponeren, er is in ieder geval goed over nagedacht.

Een militaire begraafplaats uit 1799 John van Lunsen

M

utations des Propriétés non Bâties staat op het voorblad van een boek uit het jaar 1812. Dit boek, achtergelaten en afkomstig uit de Napoleontische periode, werd in de vroege 19de eeuw gebruikt voor bijschrijvingen van eigendomsoverdracht met perceel- en huisnummering, welke nummering hier als voorbeeld diende voor het latere kadastrale systeem in de voormalige Gemeente Sint Maarten. Daarin o.a. te lezen het jaar 1825, een perceel genummerd 23, met tekst: “Dit perceel is sedert de Engelsche invasie in onbruik geweest; en dus tot deze verkoop niet aangeslagen” (Afb. 5). M.a.w. het bewuste land heeft men gedurende ±25 jaar niet kunnen of mogen gebruiken, voortgekomen uit de invasie van 1799. Vanaf 1825 was het verbouwen van gewas aldaar weer mogelijk. Er is weinig fantasie voor nodig om de reden van een kwart eeuw ongebruikte akker te kunnen verklaren. Gelijk andere - en oudere - archiefstukken is er in meerdere overeenkomstige gevallen sprake van een kerkhof. Omdat de Franse perceelsaanduiding niet parallel loopt aan de eerste kadastrale nummering van ±1830, werd de locatiebepaling een aardige puzzel. Dit resulteerde in het voorlopig onderzoeken van kadastraal perceel Sint Maarten (oud) Sectie A81/A83, ofwel een tweetal belendende stukken land ten oosten van het dorp Sint Maarten. Als hier sprake zou zijn van een geruimd kerkhof, dan is het vinden van uniformknopen een goede aanwijzing.

Afb. 5

Landverkaveling (1954) had de oude situatie inmiddels verschoven, waarbij eveneens een lichte heuvel was vlak getrokken over het perceel.

De vondsten Al snel werd het steekproefsgewijs zoeken beloond met een gevonden knoop, voorzien van het nummer 49 midden tussen krans en kroon. Het betrof hier een vergulde knoop afkomstig van een (officier's) uniform van het Engelse 49th Herfordshire regiment of foot (Afb. 6 en Afb. 7). Een tweede knoop volgde, eveneens gedragen op een Engels uniform. Deze (tinnen) knoop was voorzien van het cijfer 9 ofwel behorende tot het 9th East Norfolk regiment of foot (Afb. 8 en Afb. 9).

Afb. 6 Afb. 7 Op een derde knoop was het cijfer niet meer leesbaar, maar verder identiek aan voorgaande, Engels (tin). Het vinden van de vierde knoop gaf een extra verrassing; een knoop van een Frans uniform, waarmee duidelijk werd dat

-4-


soldaten van beide strijdende partijen op locatie aanwezig zijn geweest, in leven of overleden (Afb. 10 en Afb. 11).

Afb. 8 Afb. 9 Op de afgelegen vindplaats heeft echter géén strijd plaatsgevonden. Wel aldaar enkele verloren (ongebruikte) musketkogels, deels met beschadigingen van hedendaagse landbouwmachines. Verwacht wordt dat er in de toekomst meer knopen tevoorschijn gaan komen. Of de vindplaats ook daadwerkelijk de locatie van begraafplek is geweest, zal verder archiefonderzoek moeten uitwijzen.

nen in de strijd tussen de Frans-Bataven contra de EngelsRussische invasiemacht in augustus/september 1799. In hetzelfde artikel lezen we, dat het niet vinden van skeletten waarschijnlijk zou zijn voortgekomen uit opgraving of ruimen van de menselijke botten t.b.v. de lijmindustrie (beenderlijm). Deze lezing is echter onjuist, om meerdere redenen. Zowel overleden vriend als vijand werd – voor zover de omstandigheden het toelieten – op “Christelijke” wijze begraven, geruimd of nadien bijgezet in een knekelruimte van het plaatselijke kerkhof. De beenderlijmindustrie kwam pas in de late 19de eeuw op gang (o.a. Delft), waarbij voornamelijk gebruik werd gemaakt van het slachtafval van varkens, naast rund en schaap. Hiervan werd door slachtplaats en lijmfabrikant een zorgvuldige administratie bijgehouden. Rekeningen, ontvangstbevestigingen etc. van menselijke botten voor verwerking in beenderlijm zijn nooit in de archieven gevonden. Belangrijker is het gegeven dat opgegraven botten ongeschikt waren voor verwerking tot lijm, ongeacht afkomst van mens of dier. De onzuivere gelatine die als basis diende voor de beenderlijm, bestaat uit collageen/ossëine, voornamelijk uit kraakbeen gewonnen. Hetzelfde benodigde kraakbeen verdwijnt al spoedig zodra het skelet wordt begraven.

Bij toeval gevonden militairen uit 1799 Het niet vinden van begraafplaatsen komt simpelweg omdat er (nog) geen gedegen archiefonderzoek hiernaar heeft plaatsgevonden. Toch zijn in de afgelopen decennia meerdere skeletten uit de strijd gevonden. Naast het bekende “Russengat” te Bergen, kwam men o.a. skeletten tegen in de Grafelijkheidsduinen bij Den Helder (1895), Bergen (1916), Schoorl (1949), Oudkarspel (1979), Hargen (jaren '80) en natuurlijk het “Botgat” te Groote Keeten (2011, 2012). Dat ondanks de hevige strijd op de vlakte van Groote Keeten, het aantal begravenen tot nu toe beperkt is gebleven tot het vinden van slechts een paar incomplete skeletten, is op zich niet vreemd. Hetzelfde “Botgat” is in het voorjaar van 1944 voorzien van 2 uitgestrekte mijnenvelden, t.b.v. de Duitse Atlantikwall. Deze mijnenvelden werden in juli 1945 geruimd met behulp van Duitse krijgsgevangen. Later werd de vlakte voor een groot deel in het beton gezet om als schietoefenterrein te fungeren. Kortom, alleen al in de afgelopen eeuw is het “Botgat” 3 maal op de schop geweest. Het is dan ook meer dan waarschijnlijk dat daar eerder gesneuvelden uit 1799 zijn gevonden.

Afb. 10 Afb. 11

Een broodjeaapverhaal In het Nieuwsblad van Castricum 6 februari jl. konden we een artikel lezen waarin leden van de Werkgroep OudCastricum zich afvroegen waarom er géén resten van “massagraven” werden gevonden, verwijzende naar de overlede-

Knoopvondsten : L. Keijzer

Archeologiecontactdag 31 augustus 2013

V

oor iedereen met interesse in de Noord-Hollandse archeologie organiseerde Cultuurcompagnie NoordHolland in opdracht van de Provincie Noord-Holland op zaterdagmiddag 31 augustus de derde Archeologiecontactdag voor vrijwilligers in de Noord-Hollandse archeologie. De dag vond plaats in het Provinciaal Depot voor bodemvondsten in Wormerveer. Het thema was ‘vondsten’; van de vondst in het

-5-

veld tot conservering, melding en overdracht naar het depot. Het doel van de bijeenkomst was elkaar te ontmoeten en kennis uit te wisselen, ook in verband met de bouw van het Archeologisch Informatie Centrum en depot (AIC) in Castricum, in het najaar van 2014. Het programma, gepresenteerd door dagvoorzitter Birgitta Fijen, Hoofd Cultureel Erfgoed


Cultuurcompagnie Noord-Holland, bevatte de volgende onderwerpen: Ontwikkeling Archeologisch Informatiecentrum (Rob van Eerden, Beleidsadviseur Archeologie provincie NoordHolland), Conservering van metaalvondsten (Karin Abelskamp en Johan Langelaar, conserveringsspecialisten ADC Archeoprojecten), Melden in Archis (Arthur Sloos, senior medewerker Archis Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), Deponeren van archeologisch materiaal en documentatie

(Martin Veen, Depothouder Provinciaal Depot voor bodemvondsten NH) en Leskisten archeologie en Monumentenkoffer (Ceciel Nyst, Adviseur Archeologie Cultuurcompagnie Noord-Holland). Het verslag van de Archeologiecontactdag en de powerpointpresentatie van Martin Veen kunnen worden gedownload van de website van de Cultuurcompagnie: www.cultuurcompagnie.nl/portfolio/uitgelicht/archeologieco ntactdag-31-augustus (zie ook www.rag-archeologie.nl).

Middeleeuwse bewoning in het centrum van Heiloo Silke Lange

R

ondom de Witte Kerk en langs de oude verbindingswegen op de strandwal is de archeologische beleidskaart van de gemeente Heiloo rood ingekleurd. Rood staat voor een hoge archeologische verwachting. Rood betekent hier: de kans op bewoningsresten in de ondergrond is groot en bij grondverstoringen is archeologisch onderzoek bijna altijd verplicht. De archeologie wordt bedreigd zodra er wordt gesloopt en (opnieuw) gebouwd. Het gemeentebeleid is zodanig dat er bij bouwaanvragen per locatie wordt gekeken wat de plannen inhouden en welke vorm van archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Vóór de komst van het Verdrag van Valetta en het verstoorder-betaalt-principe is er al veel in het oude centrum verloren gegaan. Zo is het winkelcentrum ’t Loo bij de Witte Kerk ontwikkeld zonder dat er archeologisch onderzoek is verricht. Ten zuiden van de Witte Kerk konden amateurarcheologen op het Raadhuisplein bij de uitbreiding van het gemeentehuis wel nog waarnemingen verrichten. Dit onderzoek van de archeologische werkgroep Heiloo (AWH), toen nog onderdeel van de Historische Vereniging Oud Heiloo, is uitgevoerd in 1988. Daarbij zijn bewoningssporen uit de 13de tot de 17de eeuw aan het licht gekomen, waaronder perceleringsgreppels, twee waterputten en de resten van een goed bewaarde vlechtwerkwand. De hoeveelheid sporen en vondsten van het onderzoek op het Raadhuisplein is indicatief voor de laatmiddeleeuwse en jongere bewoning rondom de Witte Kerk en laat vermoeden wat er aan archeologie bij de bouw van het winkelcentrum verloren is gegaan.

een cultuurlaag met vondstmateriaal uit de 7de en 8ste eeuw worden gekoppeld. Pas in de 17de eeuw werd op deze locatie een zandstenen put gebouwd. Daarvoor was de plaggenput al vervangen door een bakstenen exemplaar, getuige de resten ervan die bij de opgraving aan het licht kwamen.2 Prehistorische bewoningssporen zijn in en om de Witte Kerk niet aangetroffen. Ook niet op het Raadhuisplein of verder ten zuidoosten, aan de Kennemerstraatweg. Hier is in 2006 een opgraving gedaan onder leiding van de auteur. Reden was de bouw van het appartementencomplex Kennemerstaete aan de Kennemerstraatweg 408-414.

Kennemerstraatweg 408-414 De resultaten van de opgraving aan de Kennemerstraatweg 408-414 waren opmerkelijk om meerdere redenen. Ten eerste was de verwachting op intacte archeologische waarden relatief klein: een vierde van het terrein was reeds diep verstoord door een bodemsanering waarbij een oude olietank is uitgegraven en de verontreinigde grond is afgevoerd. Bovendien is uit bureauonderzoek gebleken dat al in de vorige eeuw de bebouwing op het terrein enkele keren is gesloopt, veranderd en er telkens opnieuw is gebouwd. De sporendichtheid overtrof echter alle verwachtingen (zie Afb. 15 t/m Afb. 18 op blz. 8).

Witte Kerk en Willibrordusput De opgravingen in de Witte Kerk en van de Willibrordusput liggen verder terug in de tijd. In de jaren ’70 van de vorige eeuw heeft de archeoloog Herre Halbertsma enkele opgravingscampagnes uitgevoerd. Halbertsma was in die tijd werkzaam bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, de huidige RCE (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)1. Concreet zijn er aanwijzingen gevonden voor de bouw van een houten voorloper van de tufstenen kerk die in de 16de eeuw eerst door brand en later door de bende van Sonoy is verwoest. Een kleine hoeveelheid Karolingische aardewerkscherven suggereert dat de bouw van de oudste kerk uit de 8ste eeuw dateert. Bij de aanleg van een opgravingsput direct naast de stenen mantel van de huidige Willibrordusput werd door Halbertsma een met plaggen beschoeide waterput aangetroffen. Volgens hem kan de aanleg van de plaggenput aan 1

Halbertsma 1966.

-6-

Afb. 12 Heiloo-Kennemerstraatweg 408-414. Aanleg onderzoeksvlak (vanuit noorden gefotografeerd) 2

Halbertsma 1967; Voor een overzicht van de archeologie en historie van de Witte Kerk en de Willibrordusput wordt verwezen naar Streefkerk et al., 1995: “Heiloo vóór en na Willibrord”.


Vanaf circa min 0,45 m NAP zijn archeologische sporen waargenomen. Aan de oostkant waren resten van een veenlaag aanwezig met een datering in de Late-Bronstijd. Daaroverheen lag een pakket fijn, kalkloos duinzand. Uit de Vroege-Middeleeuwen zijn slechts enkele losse scherven gevonden, zonder dat hieraan bewoningssporen konden worden gekoppeld. In de 10de en 11de eeuw stonden op het terrein zo’n vier opeenvolgende boerderijen, met daaromheen diverse perceelsgreppels, kuilen, paalgaten en waterputten. Van de boerderijgebouwen zelf is vrijwel niets teruggevonden. Alleen langs de zuidrand van de opgraving is een deel van een plaggenwand en twee paalgaten van een deurpost bewaard gebleven. Doorgaans was echter alleen nog de om de boerderij gegraven drupgoot aanwezig. De woonerven stonden haaks op de richting van de Kennemerstraatweg (vroeger: de Oosterweg) en de oriëntatie komt goed overeen met de moderne perceelsrichtingen. Vanaf de 12de eeuw was er geen bewoning meer op het terrein. Mogelijk heeft dit te maken met de verplaatsing van de bewoning in de richting van de Witte Kerk. Wat resteerde waren diverse perceelsgreppels, die vrijwel dezelfde oriëntatie aanhielden als ten tijde van de woonerven. Vanaf de Late-Middeleeuwen is het gebied tot een aaneengesloten akkergebied ingericht in de vorm van een met plaggenbemesting opgehoogd esdek. Uit de laat-18de en 19de eeuw stammen enkele erfstructuren en afvalputten in het noordwestelijke terreingedeelte. Op de kaart van Dou uit 1730 zijn twee gebouwen (een boerderij en een bijgebouw) ten noorden van het terrein te herkennen. Waarschijnlijk kunnen de jongere sporen en vondsten op het terrein aan deze bewoning worden gekoppeld.

fragmenten van draaischijfaardewerk gedetermineerd. Het overgrote deel van de vondsten bestond uit fragmenten van kogelpotten uit de Volle-Middeleeuwen (Afb. 13). Kogelpotten dienden als kookgerei. Tussen de 8ste en 13de eeuw is de kogelpot het meest voorkomende aardewerktype. Om de klei meer stevigheid te geven werd deze gemagerd. Meer dan de helft van het kogelpotaardewerk was met fijn zand gemagerd, enkele vertoonden een grof zand en/of steengruismagering. Een bijzondere vondst was afkomstig uit een waterput met een datering in de 10de/11de eeuw. In de onderste vulling is een schijffibula van tin met een diameter van 2,1 centimeter gevonden (Afb. 14). De voorkant is gedecoreerd met concentrische ringen. Op de achterkant zijn nog twee oogjes bewaard voor een naald, waarmee de fibula aan de kleding werd bevestigd.

Afb. 14 Schijffibula 10e/11e eeuw

Middeleeuwse verkaveling De oriëntatie van de middeleeuwse verkaveling is niet gericht op de Witte Kerk, maar blijkt georiënteerd aan de ligging van de Kennemerstraatweg. Dit verandert pas in de 17de eeuw, wanneer de kerk het centrum van de bewoning gaat vormen en de uit historische bronnen bekende ‘kerkbuurt’ ontstaat. Deze is onder andere op het ‘t Hyló-er Ryskaartje uit 1704 goed te herkennen. Literatuur − Halbertsma, H., 1966: Een onderzoek met de spade in het Witte Kerkje te Heiloo. Alkmaars Jaarboekje 2, Alkmaar, 62-67. − Halbertsma, H. 1967: De Willibrordusput te Heiloo, opgravingen en historische achtergronden. Alkmaars Jaarboekje 3, Alkmaar, 41-63. − Lange, S. 2007: Middeleeuwse bewoning ten zuidoosten van de 'Witte Kerk', definitief archeologisch onderzoek aan de Kennemerstraatweg 408-414, gemeente Heiloo, (AACnotities 47), Amsterdam. − Ridder, de, T., 1992: Jaarverslag Heiloo 1991, Mededelingenblad van de AWN. afdeling Noord-Holland noord 7, Haarlem. − Streefkerk, C., et al. 1995: Heiloo voor en na Willibrord, Heiloo. Verder: − Historische kaart uit 1730 van Jan Jansz Dou − ‘t Hyló-er Ryskaartje uit 1704

Afb. 13 Heiloo-Kennemerstraatweg 408-414. Randfragmenten van kogelpotaardewerk.

Vondsten Bijna alle sporen hebben dateerbaar aardewerk opgeleverd. Nauwelijks een handje vol scherven stamt uit de Vroege-Middeleeuwen. Het betreft een enkele scherf uit de Merovingische periode, namelijk een stukje ruwwandig draaischijfaardewerk van een grijs baksel. Verder zijn twee scherven uit de Karolingische periode als wand-

-7-


Afb. 15 De verkaveling op de onderzoekslocatie gerelateerd aan de verkaveling van het minuutplan (1821) en aan de ligging van het voetpad op de kaart van Dou (1730).

Afb. 17 Heiloo-Kennemerstraatweg 408-414. Fase 1 t/m 5. Huisplaatsen en overige erfstructuren van de10e tot 11eeeuwse bewoningsfasen.

Afb. 16 Heiloo-Kennemerstraatweg 408-414. Alle-sporenkaart.

Afb. 18 Heiloo-Kennemerstraatweg 408-414. Fase 6. Jongere oostwestverkaveling met karresporen, moestuinbedden en spitsporen, alsmede de ligging van het esdek in de noordoosthoek.

-8-


Egmond, de Abdij en de overstuivingen: een natuurramp Mark van Raaij

R

ecente archeologische waarnemingen aan de binnenduinrand rond Egmond-Binnen, waar overstoven akkers aan het licht kwamen, werpen in combinatie met de historische gegevens een betere kijk op een wel zeker uiterst moeilijke periode in de historie van Egmond en zijn Abdij.

Afb. 20 Hetzelfde gebied als hoogtekaart. In rood de hoge jonge duinen. In oranje en geel de jongste overstuivingen waaronder de oude akkers liggen. Begrensd aan de oostkant door de Hogedijk (donkerblauw) Afb. 19 Ligging van de sleuven (in blauw) ten zuiden van Egmond-Binnen. Akkerland is wit.

De overstuivingen De laatste waarnemingen zijn van september en begin oktober dit jaar. Het gaat om waarnemingen in sleuven voor een watertransportleiding t.b.v. de bollenvelden ten zuiden en noorden van Egmond-Binnen, begrensd door de Zanddijk/Duinweg in het zuiden, Egmond aan de Hoef/Zeeweg in het noorden, de Herenweg in het westen en de Hogedijk in het oosten (Afb. 19 en Afb. 20). In dit hele gebied komt op 1,2 tot 1,5 m onder het maaiveld een akkerlaag voor die, behalve op enkele diep omgezette percelen, intact is gebleven. De oudste vondsten in deze akker betreft late bronstijd/vroege ijzertijd (circa 800-600 v Chr.). Uit deze periode zijn onder de akkerlaag eergetouwsporen en greppeltjes waargenomen (Afb. 21). In de akker komt verder op veel plaatsen Inheems Romeins en vroeg middeleeuws aardewerk voor. Het jongste materiaal betreft kogelpot met zandmagering en ronde randen uit de periode 10de/11de eeuw. In het zuidelijkste deel van het gebied lijkt ook nog 13de eeuws materiaal in de akkers voor te komen. Dit wordt bevestigd door een archeologisch onderzoek aan de zuidelijk gelegen Duinweg (Bakkum-Noord) waar in dezelfde akkerlaag in een greppel nog (vroeg) baksteen voorkomt. Ook bij een bouwput in de nog zuidelijker gelegen Castricum-Zanderij aan de binnenduinrand werd een akker waargenomen met Inheems Romeins t/m 13de eeuws aardewerk (kogelpot met bezemstreek).

-9-

Afb. 21 De eergetouwsporen uit de late Bronstijd/vroege IJzertijd onder de akker langs de Limmerweg ten zuiden van Egmond-Binnen. Anderzijds werd aan de Herenweg in het centrum van Egmond-Binnen bij een opgraving een akkerlaag aangetroffen met Romeins en vroegmiddeleeuws aardewerk maar geen materiaal uit de volle middeleeuwen. Na een overstuiving met een 1,5 tot 2 m dikke zandlaag werd deze locatie vanaf circa 1200 opnieuw bewoond. Blijkbaar zijn in het noorden van deze regio de overstuivingen al in de 11de -12de eeuw begonnen en in het zuiden in de 13de – 14de eeuw. Daarna is er op dit zand opnieuw geakkerd. Het oudste materiaal in de


toplaag was niet ouder dan de 16de eeuw. Blijkbaar zijn de landerijen langere tijd niet in gebruik geweest. Wat niet moeilijk voor te stellen is!

het Liobaklooster een 12de eeuwse waterput ontdekte in het vlak van een afgeplagd terrein (Afb. 22).

Ondanks dat er materiaal uit zo’n lange periode in de akker voorkomt, manifesteert hij zich toch grotendeels als één pakket zonder al te veel gelaagdheid. Dit is opvallend omdat iets meer naar het westen, direct ten westen van de Herenweg, er zich tussen de Romeinse, vroegmiddeleeuwse en laatmiddeleeuwse niveaus zich stuifzandlagen bevinden. Het kan zijn dat de oostelijk gelegen akkers inderdaad pas vanaf de 11de 14de eeuw weer werden overstoven of dat de overstuivingen zo dun waren dat ze makkelijk weggeploegd konden worden. Maar het is ook mogelijk dat tussentijdse overstuivingen weer zijn verstoven en zelfs de akkers hebben geërodeerd. Dit laatste zou dan ook de oorzaak kunnen zijn van het gebrek aan reliëf, het gebied is als het ware door de wind geëgaliseerd. De top van de akkers ligt van west naar oost op 1,5 tot 0,4 m +NAP. De late Bronstijd-/vroege IJzertijdakkers komen ook meer oostelijk in het lage deel voor tot onder NAP. Bij de genoemde opgraving nabij het centrum van Egmond-Binnen lag de top van de Romeins-middeleeuwse akker op 0,65-1,0 m +NAP. Het vroegmiddeleeuwse maaiveld lag op het terrein van de Abdij direct ten oosten van Egmond-Binnen op circa 1,0 m +NAP. De vroegmiddeleeuwse nederzetting die hier bij de opgravingen in de 20ste eeuw is aangetroffen lag dus ongeveer op dezelfde hoogte als de rondom gelegen akkers. Van een reliëf was nauwelijks sprake. Na de laatste middeleeuwse overstuiving lag het maaiveld op 1,4 m +NAP, Deze overstuiving van 40cm was dus aanmerkelijk minder dan de 1,52m dikke laag meer westelijk in het centrum van EgmondBinnen.

De gevolgen Het blijkt dus dat het terrein van de Abdij zelf ontsnapt is aan een overstuiving met een meters dikke laag stuifzand. De hoogteligging is ook voldoende geweest om droge voeten te houden bij de middeleeuwse overstromingen: de ligging van de Abdij was goed gekozen! Heel anders zal dat geweest zijn voor land en bewoners in de overstoven delen. De alles overdekkende dikke laag zand zal grote gevolgen hebben gehad: wegen waren onbegaanbaar, akkers onvruchtbaar, waterputten bedolven etc. Feitelijk was de overstoven regio onbewoonbaar geworden. Dit gebied rond Egmond-Binnen heette voorheen Arem voor het zuidelijk deel en Rinnegom voor het noordelijke. De naam Arem is na 1215 verloren gegaan. Waarschijnlijk door het ontvolkt raken van de streek. De grensnaam Aremerzwet (zwet=grens) werd nog wel langer gebruikt. Egmond-Binnen werd hoogst waarschijnlijk gesticht in de 13de eeuw na de laatste grote overstuiving. Dat bleek in ieder geval bij de opgraving in het centrum aan de Herenweg. De bermgreppels en -sloot die dit jaar bij het vervangen van het riool langs de Herenweg werden ontdekt waren uit de 13de/14de eeuw. Het wegenpatroon is dus waarschijnlijk uit dezelfde tijd evenals waarschijnlijk alle wegen in het besproken gebied. Vooralsnog zijn 11de/12de eeuwse bewoningssporen in en bij Egmond uiterst schaars (behalve op het Abdijterrein zelf). Het toeval wil dat ik enige weken geleden ten westen van Egmond-Binnen in de duinen achter

Afb. 22 De 12de eeuwse waterput ten westen van het Liobaklooster Alleen de onderkant resteerde nog. De hoogte van het vlak is maar liefst 4,7 m +NAP. Aangenomen dat de waterput tenminste een diepte had van 1m betekend dat het maaiveld in de 12de eeuw hier op circa 5,7 m +NAP heeft gelegen. Verder werd alleen de onderkant van een sloot gevonden. Verder onderzoek wees uit dat de laatmiddeleeuwse cultuurlaag opgegaan was in een post middeleeuwse akker (vanaf de 16de/17de eeuw). Alleen de diepste sporen bleven gespaard. Een waterput duidt op plaatselijke bewoning. Zo hoog in de jonge duinen worden zelden laatmiddeleeuwse bewoningssporen gevonden. Mogelijk waren bepaalde delen van de duinen wel geschikt voor de boeren. Zo zou het verlies aan landbouwgrond die eerder onderstoof ook gedeeltelijk opgevangen kunnen zijn, door het nog niet overstoven deel. Dit zal dan wel versnippering van landbouwgrond hebben veroorzaakt. We zagen dit ook bij de opgraving Limmen-De Krocht waarbij in de 12de en 13de eeuw een dergelijk opdeling van percelen optrad en de gebouwen steeds talrijker maar kleiner werden. De historisch geograaf van Kennemerland, De Cock, wees in zijn dissertatie er ook nog op dat er rond 1215 meer aan de hand was. De monniken kwamen toen op de proppen met een vervalste oorkonde van 1083 waarin de jurisdictie werd opgeëist van al het land tussen het Wimmenummerzwet en het

- 10 -


Aremerzwet. Bovendien schonk graaf Willem I het klooster al het drooggevallen buitendijks land (van de Egmondermeer) in hetzelfde gebied. Hoewel Hof (monnik en historicus van de Abdij van Egmond) een zuiver politiek beeld schetst ben ik het ook met De Cock eens. Die vermoedt dat door de on-

rust en de ontvolking door de overstromingen en overstuivingen de Abdij de kans greep om al het land op te eisen met tevens de jurisdictie. En het nieuwe land konden ze na het verlies door de overstuivingen goed gebruiken!

Waterberging in de Zijpe Frans Diederik

V

leggen aan de hand van de geologische waarnemingen die ik samen met de bekende geoloog Peter Vos kon doen op het terrein.

Eigenwijs als de Werkgroep uit Schagen is, werd in mei toch een bezoek gebracht aan de werkzaamheden. Dit leverde direct twee locaties op waar sprake was van menselijke activiteit: een plek uit de Late IJzertijd en een plek uit de Vroege Romeinse Tijd. De laatste plek leverde bovendien enkele scherven van Romeins import aardewerk op. Hier werd door de werkgroep een klein onderzoekje gedaan, dat duidelijk maakte dat ‘het allemaal niet zo eenvoudig was’; zeker niet om ‘eventjes’ op te graven.

Afb. 24 Peter Vos bij een oeverwallen systeem van Westfriese afzettingen met daarop nog een vegetatie horizont

roeger werd in polders geen rekening gehouden met extreme en/of langdurige regenval. Met het toenemen van het aantal huizen en bedrijven in polders, is daarmee het risico financieel gezien nu veel hoger dan vroeger een ondergelopen weiland was. Reden voor de waterschappen om extra berging te maken binnen zogenaamde peilgebieden. In de oude polder Zijpe moest daarom op twee locaties voor waterberging worden gezorgd. Hiervoor werden terreinen uitgezocht die iets konden worden verlaagd, waardoor de capaciteit wordt vergroot. Bij Schagerbrug is een groot terrein gerealiseerd en ook bij Oudesluis. Voorafgaand aan de werkzaamheden is een archeologisch bureauonderzoek en een aanvullend booronderzoek gedaan. Beide locaties gaven geen aanleiding tot ander vervolgonderzoek dan het begeleiden van het verdiepen van een deel van het terrein bij Schagerbrug; dat leverde niets op.

Afb. 23 Afgetekende sporen in een stukje intact veen Ik hoop dat U zich ook afvraagt hoe het mogelijk is dat op een ‘vrijgegeven’ terrein toch nog belangrijke archeologische sporen gevonden kunnen worden. Dat zal ik proberen uit te

Gerekend vanaf de Westfriese Dijk bevindt zich tot ruim een halve kilometer naar het westen een pakket afzettingen die te maken hebben met het grote geulsysteem waaruit geheel West Friesland is ontstaan. De hoogteligging is van dien aard dat bewoning uit Neolithicum en Bronstijd zeker tot de mogelijkheden had kunnen behoren. Dit pakket is niet vlak, maar bevat enkele stuwwallen die tot dicht onder het maaiveld reiken. Verder naar het westen eindigen deze gronden en is een dik pakket veen in de lage delen ontstaan. Uiteindelijk is het veen ook over de Westfriese afzettingen heen ‘gekropen’ en in de IJzertijd lagen deze gronden blijkbaar hoog en droog genoeg om er op te wonen. Door oxidatie is het pakket veen op de afzettingen sterk geslonken en op enkele plaatsen zelfs verdwenen. Hier overheen is eerst in de diepere delen een laag (Middeleeuwse?) klei afgezet en waren de hoger gelegen al wat geoxideerde veen pakketten onderhevig aan eb en vloed vanuit de Zijpe. Zavelige klei die vol met schelpen zit, zijn daarvan het bewijs. Bovenop de klei en de zavelige afzettingen bevindt zich een laag stuifzand die vanaf de tiende eeuw vanaf de kust grote delen van de Zijpe heeft overdekt. Dan zijn er de sporen van de mens, die er de oorzaak van zijn dat de boringen die in het terrein zijn gezet een sterk verstoord beeld gaven.

- 11 -


Afb. 25 Profiel over ruim 50 meter waarin enkele oeverwallen zijn te zien, maar ook de kleiafzettingen op een laagje restveen Na de aanleg van de Westfriese Dijk was het land erbinnen geheel boomloos, vanwege de hoeveelheden zout water die er overheen waren gespoeld. Brandstof was dus duur en buiten de dijk lagen enorme lagen veen onder een laag klei en zand. In de rustige zomermaanden werd dit veen ontgonnen en werden lange, smalle stroken veen gestoken tot men door water gedwongen niet verder kon. De turven werden op de kant gezet en na droging naar huis gebracht. De gaten die achterbleven, raakten bij de eerste hoge vloed in het najaar en winter wel weer vol met klei. Zo is de dunnere laag veen op de Westfriese afzettingen deels afgegraven evenals vrijwel het gehele dikke (soms meer dan anderhalve meter!) pakket veen verder naar het westen.

dat het veel beter is een proefsleuvenonderzoek te doen – dan was de situatie meteen geheel duidelijk geweest. Aardig te vermelden is, dat er ook sporen van een oudere inpoldering van de Zijpe werden gezien. Een greppelpatroon dat schuin door de huidige (1597) verkaveling loopt en waarvan duidelijk is te zien dat deze greppels ‘verwaterd’ zijn. Een ander fenomeen zijn kleiputten die volgestoven zijn met zand. Dit is waarschijnlijk in de zestiende eeuw gebeurd.

Afb. 27 Afgetopte zandopduiking met een daaromheen dagzomende rest veen

Afb. 26 Een tweetal in elkaars verlengde liggende kleiwinputten die met stuifzand zijn gevuld Zo bleven er maar weinig stukjes grond over die nog de natuurlijke opbouw hadden en zo kon worden geconcludeerd dat het grootste deel van het terrein bestond uit weggeslagen (= weggegraven) veen dat was overdekt met zandig en kleiig sediment. Hoewel er op punten kritiek mogelijk is op de aannames van de onderzoeker, is de uitslag van het booronderzoek leidend geweest in het advies. Hier blijkt weer eens

In Oudesluis is sprake van een enorm uitgestrekt veengebied, waar het veen diktes heeft gehad van meer dan twee meter! Omdat de ontgraving ter plaatse maar een klein gedeelte van dit veen heeft blootgelegd, konden ook maar weinig waarnemingen worden gedaan. Ten eerste is ook hier sprake van grootschalige veenwinning en is er maar weinig van het oorspronkelijke oppervlak intact. Op een plek werden enkele scherven en botten gevonden en een in het veen geslagen paaltje. Van deze plaats kan met zekerheid worden gezegd dat hier in de 12de en mogelijk 13de eeuw werd gewoond. Deze bewoning past geheel bij wat bekend is uit de Anna Paulowna Polder, waar tientallen waarschijnlijke huisplaatsen en zelfs enkele kerkhoven aangeven dat hier complete dorpen lagen. Wat wel tegen het licht moet worden gehouden is de aanname dat de oudste ontwatering van de regio plaats heeft gevonden via het Oude Veer en het Amstelmeer. De aanwezigheid van het enorme pakket veen doet een veel minder dynamisch gebied veronderstellen. Over verder onderzoek naar de Plekken bij Schagerbrug zal in de komende maanden nog overleg plaatsvinden tussen het Waterschap, de Gemeente Schagen en Cultuurcompagnie.

- 12 -


Dirk van der Wielen overleden Jaap van Rossum

D

irk van der Wielen, een Fries van geboorte, overleed 93 jaar oud op 28 juli 2013 in Zorgcentrum De Marke in Bergen. Hij was vanaf de oprichting donateur van Stichting RAG. We herinneren ons Dirk als een man met een grote belangstelling voor de lokale geschiedenis. Hij beschikte over een groot, geordend historisch archief. Onvergetelijk was zijn lezing voor COOG op een regenachtige zaterdagmorgen in ’t Regthuis in Oudkarspel, waar hij inging op de betekenis van het woord koe in het toponiem Koedijk. Volgens Dirk had dit woord niets te maken met de melkgevende viervoeter, maar betekende het woord koe iets als overstrekte hoek (= hoek > 180°). Inderdaad ligt het oude Koedijk precies op een hoek in de vroegere rivier de Rekere, thans Noord-Hollands Kanaal. Dirk kwam met talloze voorbeelden van toponiemen in binnen- en buitenland, waarbij het woord koe in verband gebracht kon worden met min of meer rechte hoeken in dijken of wegen. En wat dacht u van woorden als koevoet, koepoort en koedek? Verder verzorgde Dirk in 2003, net als 2013 Jaar van de boerderij, het unieke boekje Tekeningen van boerderijen in Koedijk door Gerrit Kooijman (1880-1958), een uitgave van de Historische Vereniging Alkmaar. In dit boekje

staat ook de prachtige stolp waarin Dirk van der Wielen zelf jarenlang woonde (Afb. 28).

Afb. 28 De stolp van Dirk van der Wielen, getekend door G. Kooijman.

Over de geschiedenis van Sint Pancras Jaap van Rossum/Bert Buitink

O

p 18 september 2013 presenteerde de Historische Vereniging Sint Pancras in dorpshuis De Geist op feestelijke wijze twee hagelnieuwe boeken over de geschiedenis van Sint Pancras: De geschiedenis van Sint Pancras tot ca.1900 en Het tuindersleven in Sint Pancras, geschreven door resp. Bert Buitink en Siem Wognum (met enkele bijdragen van anderen, o.a. Siem de Haan), beide trouwe donateurs van Stichting RAG. Het derde deel zal, als alles goed gaat, in september 2014 uitkomen.

Afb. 29 Boek Bert Buitink

Afb.30 Boek S. Wognum e.a.

Op de avond van de presentatie maakte Siem Wognum aan de hand van een PowerPointpresentatie een virtuele wandeling van zuid naar noord en terug door het Sint Pancras uit de

jaren dertig van de vorige eeuw. Geen huis, geen boerderij, geen afgebeelde persoon, jong of oud, de negentigjarige Siem wist over ieder detail wel een prachtig verhaal te vertellen. Geert van Diepen vertelde over het verleden van Sint Pancras, Siem de Haan over het Westfriese dialect en Kim de Boer besloot de avond met een prachtig lied in onvervalst Westfries. Een aantal van deze onderwerpen komt terug in het boek Het tuindersleven in Sint Pancras. We laten nu Bert Buitink zelf aan het woord over zijn boek De geschiedenis van Sint Pancras tot ca. 1900: “Met mijn boek over de historie tot ca. 1900, heb ik een poging gedaan die geschiedenis voor het eerst in één samenhangend verhaal te beschrijven. Veel thema's waren reeds beschreven, doch verspreid over allerlei literatuur. Ik heb getracht een, voor een breed publiek, goed leesbaar boek te schrijven en daarom zijn er geen literatuurverwijzingen en noten in de tekst opgenomen, al noem ik bij belangrijke punten regelmatig de bron. Uiteraard is er een opgave van de gebruikte literatuur. Sint Pancras en zijn voorganger Vronen lagen in Westfriesland en in het Geestmerambacht. Er waren veel relaties (niet altijd vriendelijk) met Alkmaar en Kennemerland. Bij het bespreken van de geschiedenis van Vronen en Sint Pancras heb ik de omgeving dan ook bij het verhaal betrokken. Het boek bestaat uit tien hoofdstukken, waarvan het eerste De prehistorie heet. Hierin komt o.a. het ontstaan van de strandwal aan de orde. Dan drie hoofdstukken die met name betrekking hebben op Vronen: 2. Het dorp Vronen ontstaat, 3. Moeras, land, water, 4. Vronen en de Hollandse graven.

- 13 -


Hoofdstuk 5, Het dorp Sint Pancras ontstaat, kun je zien als een overgangshoofdstuk omdat hierin de gevolgen van het verdwijnen van Vronen nog aan de orde komen. De hoofdstukken 6 t/m 10 gaan overwegend over Sint Pancras en zijn omgeving: 6. Oorlogen en rampen, 7. Kerk, geloof en traditie, 8. Sint Pancras en zijn bestuur, 9. De infrastructuur, 10. De bestaansmiddelen. Ik heb veel literatuur bestudeerd en er dankbaar gebruik van gemaakt, maar de naam J.P. Geus wil ik toch apart noemen. Geus heeft ongelofelijk veel archiefonderzoek met betrekking tot onze regio gedaan en daarover vele uitstekende artikelen en boeken gepubliceerd, maar dit betekent niet automatisch dat ik zijn gevolgtrekkingen altijd deel. Soms kom ik tot een andere conclusie. Zo meen ik bijv. dat de banne Sint Pancras niet in 1488 is ontstaan, toen de parochie ontstond, maar in 1433, toen Sint Pancras een aparte heerlijkheid werd. Ook geloof ik niet dat het Vronlegeistmerambacht alleen bestond uit het deel ten zuiden van de Zijdwinde, het was gewoon de naam van het Geestmerambacht voor de vernietiging van Vronen. En bij de discussie over de ontginning van het Geestmerambacht volg ik in grote lijnen de opvatting van De Cock. In tegenstelling tot Gerard Alders zie ik Vronen niet als een domein, alleen al niet omdat de graaf in 1299 bijna alle grond

in de banne Vronen heeft geconfisqueerd. De grond was van de inwoners! En voor de verklaring van de naam Franla (de oudst bekende spelling van Vronen), zoek ik het niet in een 'koninklijk bos' maar ga mee met de neerlandicus J. de Vries, die Franla zag als een lo (Germaanse offerplaats) gewijd aan de god Frô/Frey. Uiteraard motiveer ik mijn opvattingen. Tijdens mijn opleiding MO-aardrijkskunde is mijn belangstelling voor de historische geografie gewekt en daarvan is zeker wat te merken in het boek: ontginningen, drooglegging, dijkaanleg, waterhuishouding, infrastructuur etc. krijgen ruime aandacht, maar grote delen zijn 'gewoon' geschiedenis, zoals het hoofdstuk over kerk, geloof en traditie, al geef ik dan toch weer met een kaartje aan waar de schuilkerk 'De Jagersplaats' zich precies bevond. Het totale aantal afbeeldingen in het boek bedraagt 138, waarvan 29 kaarten/kaartjes. Hiervan is een aantal door mij gemaakt of bewerkt (voorbeeld: Afb. 31). Het totaal aantal bladzijden is 189, inclusief de bijlagen. Het boek is uitgebracht in A4-formaat en heeft een harde kaft. Beide boeken zijn in een oplage van 500 exemplaren gedrukt en van mijn deel zijn er op het moment dat ik dit stukje schrijf ruim 400 verkocht. Belangstellenden kunnen zich wenden tot Gert Leyen, tel. 072-562 3356.”

Afb. 31 Situatieschets van Alkmaar, Vronen en omgeving in 1252. Bron: B. Buitink, De geschiedenis van Sint Pancras tot ca. 1900, blz. 53

Strandwallen/oude duinen: geel, dijken: groen (behalve de Westfriese Omringdijk, die bruin is), a, b, c en d zijn een deel van de Omringdijk. Wegen: grijs, water: lichtblauw. 1. Bergen 2. Broek 3. Alkmaar 4. Huiswaard 5. Vronen 6. Oudorp 7. Oterleek 8. kasteel Torenburg A. Rekere B. Daalmeer C. Grote Waert (Heerhugowaard) D. Bergermeer E. Vronermeer F. Egmondermeer G. Zwijnsmeertje H. Achtermeer (een verbreding van de Die) I. Voormeer J. Zeglis K. Schermeer

a. Noorderrekeredijk b. Koedijk c. Oudorperdijk d. Huygendijk e. Nesdijk f. de Dijk van Alkmaar naar Bergen g. Dijk (de dam in de Rekere) h. Houttil i. Langestraat j. Koningsweg k. Westerweg 1. Koorstraat- RitsevoortKennemerstraatweg m. Breede weg (nu Bovenweg) n. Achterweg o. Langedijk p. Twuverweg q. verdwenen dijk, die begon bij de Dijkstalweg en langs Oudorp naar het zuiden liep en aansloot op de Omringdijk. Later is de Oosterdijk hiervoor in de plaats gekomen.

Van de penningmeester van RAG De meeste RAG-donateurs hebben hun financiële bijdrage 2013 aan de Stichting RAG inmiddels overgemaakt. Hiervoor onze hartelijke dank. Op de betaling van enkele donateurs wachten wij echter nog. Aan hen het vriendelijke verzoek hun bijdrage 2012 van minimaal € 7,-- over te maken op betaalrekening 779146 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar.

- 14 -


Archeologie in Koedijk Jaap van Rossum

U

heeft het al eerder gelezen in de Poldergeest: in de expositieruimte van de Historische Vereniging Koedijk, in het Molencomplex “De Gouden Engel”, is al vanaf vorig jaar een vaste expositie te zien van archeologische vondsten uit Koedijk. De Vakgroep Archeologie van de gemeente Alkmaar verzorgt deze tentoonstelling. De voorwerpen worden met een duidelijk uitleg gepresenteerd.

Afb. 32 PowerPoint van RAG op de expositieruimte bij de Gouden Engel. De Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht (RAG) heeft de tentoonstelling aangevuld met de geschiedenis van het Geestmerambacht d.m.v. kaarten en een powerpointpresentatie. Deze PowerPoint is overigens ook te zien op de website van RAG (www.rag-archeologie.nl). Meer informatie over het bezoek aan de expositie staat op de website van de HVK (www.koedijk.org). Bij verscheidene opgravingen in Koedijk is aardig wat kennis verzameld over de geschiedenis van dit dorp en zijn er vele, vaak unieke voorwerpen gevonden. Naar aanleiding van de tentoonstelling gaf Peter Bitter, stadsarcheoloog van de Gemeente Alkmaar, op maandagavond 23 september 2013 in het gezellige restaurant van Molencomplex “De Gouden Engel” een lezing over de archeologische opgravingen in Koedijk. Niet minder dan ongeveer 60 bezoekers waren deze avond een en al oor bij het verhaal van Peter Bitter, die aan de hand van duidelijke lichtbeelden boeiend vertelde over de landschapsgenese rond, de bewoninggeschiedenis van en enkele opgravingen in het dorp Koedijk. Zo kregen de toehoorders -zeer kort samengevat- te horen dat het dorp Koedijk ooit is gesticht en wel aan het deel van de reeds omstreeks 1250 gereedgekomen Westfriese Omringdijk, dat aan de toenmalige rivier de Rekere lag (thans NoordHollands Kanaal). Deze dijk was aangelegd omdat door de ontginning van het veenlandschap de bodem belangrijk was ingeklonken en dus gedaald, de zeespiegel was gestegen, het land daardoor makkelijk kon overstromen en de bewoners in het Geestmerambachtgebied de voeten dus niet meer droog konden houden.

De eerste bewoners vestigden zich in Koedijk rond het jaar 1300. Deze bewoners kwamen uit het nabijgelegen Westfriese Vroonen. Zij vestigden zich niet vrijwillig in Koedijk, maar werden daartoe gedwongen door de Graaf van Holland, die in 1297 tijdens een hevige veldslag op de Vroonergeest de Westfriezen een definitieve nederlaag toebracht. Hierbij werd het dorp Vroonen volledig verwoest. De (overgebleven) bewoners van dit dorp moesten de Vroonergeest verlaten en zich vestigen op de dijk langs de Rekere: de Koedijk, rond het gebied waar de kerk staat. Vóór 1300 was er voor zover bekend op deze plaats nog geen sprake van bewoning. Aan de hand van opgravingen tussen 1998 en 2006*, die Peter Bitter stuk voor stuk toelichtte, is duidelijk geworden dat het toenmalige woongebied waarschijnlijk niet organisch is gegroeid, maar planmatig is aangelegd als een langwerpige terp tegen de dijk aan; er was dus geen sprake van afzonderlijke terpjes. De terp is verkaveld door slootjes, waarvan er één bij archeologisch onderzoek is teruggevonden. Tijdens het beleg van Alkmaar in 1573 is Koedijk verwoest. Bij de wederopbouw heeft men van de gelegenheid gebruik gemaakt de oorspronkelijke dijksloot te dempen (en te bebouwen) en verder naar achteren een nieuwe sloot te graven. Zo ontstonden er op de terp grotere kavels. De nieuwe “achtersloot” is nog aanwezig. Tot slot vertelde Peter Bitter dat op de plaats van het gesloopte Zonnehof aan de Kanaaldijk tussen de oude betonnen heipalen de resten van een “wiel” zijn gevonden. Een wiel is een kolkgat dat ontstaat bij een dijkdoorbraak. Langs de huidige Westfriese Omringdijk zijn nog veel prachtige voorbeelden van wielen te vinden. Het ontdekte wiel (bij de vm Wielsloot) is mogelijk ontstaan tijdens de Elizabethsvloed in 1421, was 5 meter diep en is later gedempt. Er is hier aardewerk uit de 15de eeuw aangetroffen. Tot zover slechts een kleine greep uit de vele wetenswaardigheden over de geschiedenis van Koedijk, waarover Peter Bitter vertelde.

Afb. 33 Peter Bitter in het restaurant van De Gouden Engel.

- 15 -


* In Poldergeest nr. 11 (november 2010, blz. 6 en 7) staat een artikel over een van deze opgravingen, nl. de opgraving bij de voormalige brandweerkazerne aan de Kerkelaan tussen het voormalige raadhuis aan de Kanaaldijk en de kerk van Koedijk. Het artikel is een samenvatting van de uitgebreide rap-

portage, die verscheen in de publicatie RAMA 14, Sporen onder het maaiveld, Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie, Gemeente Alkmaar, 2009. Poldergeest 11 is te bekijken op www.rag-archeologie.nl (Archief).

Agenda Kijk voor actuele evenementen, lezingen enz. op onze website www.rag-archeologie.nl (Agenda en nieuws). Archeologie en streekhistorie in de regio is o.a. te zien in: − − − − − −

Natuurmuseum Westflinge in Sint Pancras (www.museumwestflinge.nl); Molenschuur bij molen "De Gouden Engel" in Koedijk (www.koedijk.org); zie ook blz. 14; Museum van de Stg. Regionale Archeologie Baduhenna in Heiloo (www.baduhenna.nl); Museum Het Regthuis in Oudkarspel (www.langedijkerverleden.nl); Het Sterkenhuis Bergen NH: Tentoonstelling ‘De invasie in Noord-Holland, oorlog en leed in 1799’ (www.museumhetsterkenhuis.nl); Ook Bezoekerscentrum De Hoep in Bakkum besteedt tussen 12 oktober 2013 en 6 januari 2014 aandacht aan de strijd in 1799 (Expositie en film “Soldaat onder het zand”: www.pwn.nl). Lees ook het artikel van John van Lunsen over een militaire begraafplaats uit 1799 op blz. 4 van deze Poldergeest.

Uw e-mailadres graag! Graag vestigen we tot slot nogmaals de aandacht op het volgende. De uitnodigingen voor vergaderingen, lezingen en andere evenementen worden uitsluitend per e-mail en dus niet per papieren post verzonden. Poldergeest, het halfjaarlijks verschijnende informatiebulletin, wordt wel aan alle leden van AWN Afd. Noord-Holland Noord en de begunstigers van Stichting RAG verzonden. Als u van deze evenementen op de hoogte gehouden wilt worden, zorg er dan voor dat uw e-mailadres bij ons bekend is (d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl of j.van.rossum@rag-archeologie.nl). Of bezoek regelmatig de agenda van de website Poldergeest on line (www.rag-archeologie.nl).

Colofon POLDER9EEST is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland en Afd. 9 NoordHolland Noord en verschijnt twee maal per jaar. Bestuur Afd. AWN Noord-Holland Noord: Frans Diederik, bestuurslid Jaap van Rossum, secretaris Ruud Marcus bestuurslid Roel Zutt penningmeester

fransdiederik@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ruudmarcus@quicknet.nl roelzutt@quicknet.nl

tel. 0224-296548 tel. 072-5157122 tel. 0226-318639 tel. 0226-393960

Bestuur RAG: Silke Lange, Ger Kalverdijk, Dick Zuiderbaan Jaap van Rossum, Frans Diederik, Arend Grijsen,

s.lange@rag-archeologie.nl g.kalverdijk@rag-archeologie.nl d.zuiderbaan@rag-archeologie.nl j.van.rossum@rag-archeologie.nl fransdiederik@quicknet.nl grijshaar@gmail.com

tel. 072-5337525 tel. 072-5330679 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122 tel. 0224-296548 tel. 0224-215391

Stichting RAG Redactie Poldergeest: Jaap van Rossum

voorzitter bestuurslid secretaris penningmeester bestuurslid bestuurslid

info@rag-archeologie.nl Inschrijvingsnummer van RAG bij Kamer van Koophandel: 37116370 Inschrijvingsnummer van AWN Afd. 9 NHN bij Kamer van Koophandel: 58659277

- 16 -

Profile for Stichting RAG

Poldergeest 17  

Informatiebulletin Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord

Poldergeest 17  

Informatiebulletin Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord

Advertisement