Page 1

P O L D E R 9 E E S T NIEUWSBULLETIN VAN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT” ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND AFD. AWN NOORD-HOLLAND NOORD

mei 2013

Nr. 16

Van de redactie.......................................................................................................................................2 Silke’s column: Over beelden.................................................................................................................2

Terp Niekeland aan de Witsmeer ..........................................................................................................3

Opgraving Castricum - De Boogaert Fase 3..........................................................................................6

Verslag eerste fase Herenweg 97 te Schoorl ........................................................................................ 11 Gebruik van GPR op de Zanderij in Castricum ................................................................................. 13

Middeleeuwse turfwinning in Limmen en Heiloo ............................................................................... 14 Agenda .................................................................................................................................................. 16 Colofon.................................................................................................................................................. 16

-1-


Van de redactie n deze bomvolle 16de Poldergeest, niet alleen het informatieblad voor de Stichting RAG, maar nu ook voor de AWN Afd. Noord-Holland Noord, vindt u behalve de column van Silke Lange o.a. artikelen over de terp Niekeland aan de Witsmeer bij Schagen, fase 3 van de opgraving op de locatie De Boogaert in Castricum, een opgraving in Schoorl, een georadar-onderzoek op de Zanderij in Castricum en de middeleeuwse turfwinning in Limmen en Heiloo. We bedanken John van Lunsen, het driemanschap Louis Oppenheimer, Rino Zonneveld en Tom de Kleijn, Frans Diederik en Mark van Raaij voor hun mooie en royaal geïllustreerde bijdragen aan deze Poldergeest. Deze Poldergeest telt meer dan 40 afbeeldingen! Wat u voor het eerst sinds lange tijd niet aantreft, is het vertrouwde, welsprekende inleidende woord van RAGvoorzitter Ger Kalverdijk. Ger is helaas wegens ziekte tijdelijk niet beschikbaar. Wij wensen Ger veel sterkte en beterschap. Wijb Ouweltjes heeft afscheid genomen van het RAG-bestuur. We bedanken Wijb, een RAG-ger van het eerste uur, van harte voor zijn werk voor RAG en zijn trouwe bijdragen aan Poldergeest. U begrijpt, we zijn nu naarstig op zoek naar vernieuwing en versterking van ons bestuur. We konden in 2012 maar liefst 14 nieuwe RAG-donateurs welkom heten: Bert Buitink (Sint Pancras), Peter de Nijs (Broek op Langedijk), Marieke Neesen (Oudkarspel), Jan Vrouwe (Alkmaar), Klaas Bak (Heerhugowaard), Gerard Boekel (Dirkshorn), Kees Box (Groot-Schermer), Lou Sinke (Heiloo), Ben Dijkhuis (Medemblik), Saskia Forrester (Schagen), Mark van Raaij (Limmen), Michiel Bartels (Hoorn), Frits van Iterson Scholten (Alkmaar) en J.H. Nijenhuis (Den Helder). Totaal aantal RAG-donateurs ultimo 2012 bedraagt 82. AWN Afd. Noord-Holland Noord (AWN Afd. 9) heeft inmiddels een bestuur, zie de colofon op blz. 16. Ook dit bestuur kan nog extra versterking gebruiken. Zo zoeken we nog een voorzitter. Wie belangstelling heeft, melde zich bij de secretaris. De eerste afdelingslezing dit jaar zit er al weer op. Op 2 april hield Peter Bitter, stadsarcheoloog van Alkmaar, een uitermate boeiende lezing over archeologische opgravingen in Alkmaar met veel nieuwe feiten en waarbij het beroemde beleg van 1573 helemaal tot leven kwam.

I

Silke’s column: Over beelden Silke Lange

V

orige week was ik met de hele familie naar de animatiefilm “The Croods”, waarin een stel holbewoners in contact komt met de homo sapiens sapiens. Ik had van te voren al bedacht geen kritische opmerkingen te maken. Dit was een familie-uitje, en ik wilde genieten van puur entertainment. Mijn archeologische bril heb ik voor deze keer maar even thuis gelaten (in plaats daarvan moest ik een 3D bril op, maar dit terzijde). Bijna twee uur keek ik tenen krommend naar het voorgeschotelde beeld van grotje, boompje en (heel groot) beestje en een ontkiemende, verboden liefde tussen een eigenwijs neanderthalermeisje en een héél slimme sapiens-jongen. Wat je hiervan ook denkt, dit soort beelden blijven hangen bij mensen. De beelden bepalen hoe we over “vroeger” denken. Vertel je kinderen over de Middeleeuwen, duikt in hun hoofdjes het beeld van kastelen, ridders in glimmende rustingen en mooie jonkvrouwen op. Waarschijnlijk vliegt er ook nog ergens een vuurspuwende draak door hun gedachten. Wat te denken van de ideeën over de prehistorie, hoeveel mensen (ja, niet alleen kinderen) denken dat het grootste gevaar voor de prehistorische mens de tyrannus rex was (en wie de film the Croods heeft gezien, twijfelt hier niet meer aan). In het museumweekend komt vaak de vraag van kinderen, of we ook al een dino hebben opgegraven. Geef het toe, onze ideeën over het

verleden zijn ook beïnvloed door legendes, sprookjes en mythische verhalen. Archeologie is ook beeldvormend. Archeologen schrijven rapportages en leveren stof voor verhalen. Zo’n verhaal begint met het verzamelen van gegevens, het analyseren en vergelijken ervan. Heb je voldoende data, komt er misschien een theorie uit over het verleden. Een theorie behelst ideeën over hoe het verleden eruit heeft gezien. Precies, eruit heeft gezien.. We willen ons het verleden graag verbeelden. Maar verbeelding is niet hetzelfde als beeldvorming. Om je iets te verbeelden moet je moeite doen. Woon je in een nieuwbouwwijk, dan zal het niet gemakkelijk zijn om je voor te stellen hoe het er vierhonderd jaar geleden heeft uitgezien. Van de zandwegen, de houtwallen, de boerderijen en weilanden is meestal niets overgebleven.

Afbeelding 1 Golfterrein bij Heiloo -2-


Vorige week heb ik me een moment lang in een oud landschap gewaand. Net buiten Heiloo bevindt zich het golfterrein aan de oostkant van de strandwal. Dicht aan dicht liggen de kunstmatig opgeworpen heuvels op de golfbaan. Ze zijn bijna allemaal even hoog, en steken nauwelijks twee meter boven het maaiveld uit. In mijn verbeelding zag ik de glooiende heuvels als grafheuvels naast elkaar en associeerde het beeld met een grafveld uit de Bronstijd. Het mooie ervan is dat de golfbaan op geen kilometer afstand van de grafheuvel ligt die in het

plangebied Zuiderloo is opgegraven. De heuvels, de mist en de vroege ochtend hielpen me een glimp op te vangen van een beeld uit het verleden. Zo moet het zijn geweest, drieduizend jaar geleden. Door mensen opgeworpen heuvels waarin hun dierbaren zijn begraven. In de loop van de jaren zullen het er een heleboel grafheuvels zijn geworden, vaak naast elkaar of in groepen, langs een doorgangsroute op de strandwal. En voor een ogenblik straalde het golfterrein met de heuvels een bijna monumentale waardigheid uit.

Terp Niekeland aan de Witsmeer John van Lunsen

O

p enkele kilometers ten zuiden van de plaats Schagen, langs de provinciale weg N 241, is een duidelijke verhoging in het landschap te zien. Gelegen aan de oever van de - in 1632 - drooggelegde Witsmeer of Schagerwaard, heeft deze woonheuvel van oudsher de naam ‘Niekeland’. Rode draad in de geschiedenis van deze terp blijkt, naast een woonfunctie, de strategische ligging. Omdat de in de jaren '30 van vorige eeuw aangelegde provinciale weg deels de oostelijke rand van de terp heeft aangesneden, is het hoogte verschil vanaf die zijde t.o.v. het omliggende land minder goed zichtbaar door de geleidelijk meeglooiende weg. Staan we echter aan de westzijde van de terp, dan zien we duidelijk de sterk oplopende heuvel tot een hoogte van 2 meter boven het lokale waterpeil.

Afbeelding 2 Huidige boerderij op de terp Niekeland

Door de bodemvondsten en het geschrevene in de archieven weten we dat hier al bewoning was in de late middeleeuwen. Reeds voor het jaar 1337 vinden we de naam Gerard van Voorne verbonden aan 'het goed in Nikerslant' (de oude benaming voor het Niekeland). Gerard van Voorne was een leenman (beheerder) van de graaf van Holland, en zijn vader Albrecht van Voorne

-3-

zelfs hoveling van Floris V. Van Voorne (burcht van Voorne) was een machtige adellijke familie uit Zeeland en onder andere burggraaf van Zeeland. De periode Albrecht van Voorne en Floris V, past hier in de lijn van gelijktijdige aanwezigheid van een sluis en een blokhuis (verdedigingswerk), welke beide vrijwel aangrenzend ten noorden van het Niekeland waren gelegen. Van de sluis komen we een beschrijving tegen in het jaar 1319, waarbij deze in het jaar 1562 - door ouderdom en verval - in onbruik geraakte en vervolgens in 1586 definitief werd gedempt. Van het blokhuis vinden we al een datum 1288, waarnaast kan worden vastgesteld dat deze gebouwd is op een perceel met dezelfde Zeeuwse achtergrond. Maar we beperken ons hier tot ‘het goed in Nikersland’, eigendom van het huis Voorne en in het jaar 1354 in leen gegeven aan Hendrik van Heemskerk (Slot Heemskerk, heden Marquette). In 1372 zien we zijn schoonzoon Willem van Kronenburg als leenman van de terp. Willem van Kronenburg was eigenaar van kasteel Kronenburg in Loenen en kreeg door zijn huwelijk met Elisabeth van Heemskerk ook het ‘huis Castricum’ in handen, waarna dit huis tevens Slot Kronenburg werd genoemd. De laatste leenman van het Niekeland wordt in 1379 hun beider zoon Jan van Kronenburg, waarmee gelijktijdig een einde komt aan het bestaan van de lenen van Voorne, door het uitsterven der mannelijke lijn van dit geslacht. De voorgaande 14de eeuwse dateringen komen ook te voorschijn in de bodemvondsten. Toen de AWNwerkgroep Schagen in het voorjaar van 2012 een aantal grondboringen nam, bleek al snel dat er op geringe diepte oude funderingsresten aanwezig waren langs het watertje dat de terp aan de westzijde in tweeën deelt. Dit watertje komen we op oude kaarten en archiefstukken tegen als de 'Nijcklander uijtvaert', een afwatering naar de Witsmeer. De Nijcklander uijtvaert wordt in de volksmond ook wel het 'Niekeboe' genoemd, een verbastering van de naam Niekeland en Bliekebos. Het


Bliekebos was een voormalig schiereiland, gelegen ten westen van het Niekeland. Een 20-tal jaren terug kwam er - door walverzakking met aansluitend graafwerk - een deel fundering tevoorschijn langs deze 'uijtvaert' aan de Witsmeer. Volgens het geschrevene destijds in de krant, raakte een tweetal auteurs in hun schrijven over de regionale historie, in een tweestrijd m.b.t. de herkomst van de funderingsmuur. Deze muur werd toebedeeld aan een in 1649 afgebroken Roomse (schuil)Kerk die, zoals we nu weten, 1½ km meer naar het zuiden heeft gestaan. Voor de herkomst van de bewoningsrestanten moeten we dan ook verder terug in de jaartelling. Uit een boring op het hoogste deel van de terp kwam vanaf een diepte van ongeveer 70 cm een aardewerk randscherf omhoog, afkomstig van een vuurstolp (vuurklok), te dateren omstreeks 3de kwart 14de eeuw. Ter reconstructie is hier een vuurstolp van een soortgelijk model (rand) afgebeeld (Afbeelding 3). Welke 14de eeuwse bewoner zijn gloeiende kooltjes hieronder bewaarde, mogen we gissen. Een andere 14de eeuwse vondst is die van een muntgewicht – waarschijnlijk afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden – die gelijkende kenmerken vertoont voor de muntsoort ‘Gouden Peeter’. Dergelijke vroeg gedateerde muntgewichten waren voornamelijk in handen van een geldwisselaar (bankier) die hiermee het gewicht van een bepaald en bijbehorend type munt vergeleek. Gebruik hiervan op of om het Niekeland zou kunnen verwijzen naar betalingen bij de sluis naast

zijn eveneens te herleiden naar een gouden munt, ‘de Nobel’. Dat hier een persoon van goede komaf verbleef is wel duidelijk.

Afbeelding 4, Afbeelding 5, Afbeelding 6 Muntgewichten van de terp Niekeland

Eind 14de eeuw is het Niekeland in bezit gekomen van het graafschap Holland, Albrecht van Beieren. Via zijn zoon Willem VI komt het familiebezit in handen van Jacoba van Beieren (1401-1436). Het is waarschijnlijk dat het huis op Niekeland bewoond is geweest door een rentmeester van één dezer edelen. Naast muntgewichten, zijn er ook munten gevonden uit deze periode. Halverwege de 15de eeuw zien we dat het eigendom van het gebied verdeeld is geraakt. De Witsmeer is nu geheel in handen van het huis Egmond, en bijbehorende buitendijkse oeverpercelen in bezit van de kerken Barsingerhorn en Schagen, alsmede de heer van Schagen.

Afbeelding 7, Afbeelding 8 Zilveren ‘Groot’ muntstukken 15de eeuw

Afbeelding 3 Vuurklok

het blokhuis, als verbindingspunt tussen de Witsmeer en het achterliggende land. Deze betalingen vonden ook plaats bij een andere sluis aan de Witsmeer (buurtschap Tolke). De geringe bedragen die voor een sluisdoorvaart betaald moesten worden hebben echter géén verband met een gouden muntstuk. Twee andere muntgewichten uit de latere 16de eeuw, ook afkomstig van het Niekeland, -4-

Voorgaande geldt dan voor het land gelegen direct ten noorden en noordwesten van de terp. De aangrenzende percelen ten oosten van het Niekeland, waarop ook één der blokhuizen gelegen is, zijn in handen gekomen van een begijnenklooster te Alkmaar. Twee andere vondsten op de terp zouden eventueel met deze begijnen in verband kunnen worden gebracht; een mariabeeldje te dateren 1500 of vroeger, en een crucifix van een datum niet veel later. Het verliezen van dergelijke religieuze objecten is niet gebruikelijk. Plaatselijke gebeurtenissen tijdens de reformatie kunnen hier de oorzaak van zijn. Ook eind 16de eeuw maakt het Niekeland nog steeds deel uit van een katholieke enclave aansluitend aan de katholieke buurtschap Zijdewind. Een bewoonster van de terp treedt zelfs in dienst van de Haarlemse priester Joost Boudewijnsz. Cats.


In de 16de eeuw is er ook uitbreiding van bewoning rondom de terp. We kunnen inmiddels spreken over buurtschap Niekeland. In een notariële akte uit het jaar 1557 is te lezen dat er een ‘wagenweg’ over de terp loopt, waarover een geschil gaande was tussen de bewoners, betreffende het gebruik daarvan. Dit pad is ook heden ten dage nog aanwezig als zijnde het ‘Niekelanderlaantje’. Tot halverwege de 17de eeuw blijft de hoeveelheid bebouwing langs dit laantje groeien, waarna het aantal huizen geleidelijk aan minder wordt. Toch blijft de plek ook in de gouden eeuw een verblijfplaats voor de elite.

De Engels-Russische invasie in het najaar van 1799 heeft enkele kaarten opgeleverd, met ingetekende stellingen, waaronder die op de terpen rondom Schagen (Afbeelding 11). In diverse boekwerken wordt de strijd tussen deze troepen, tegen de Bataafse republiek, uitvoerig beschreven. De hoogte van de terp Niekeland bleek voor partijen schijnbaar van hetzelfde belang als de andere terpen waar zij op gelegerd waren. De vondst van 2 (halve) kanonskogels doet dit vermoeden. Op Afbeelding 12 staat de locatie van het verdwenen blokhuis met naastgelegen sluis aangegeven. Heden loopt hier de Provincialeweg N241 die grotendeels de sluis overlapt. De middeleeuwse sluis is in het verre verleden niet weggenomen, maar gedempt en ligt in zijn oorsprong nog op geringe diepte onder de weg. Deze weg gaat - in de nabije toekomst - in zijn geheel op de schop voor een tweetal parallelwegen. Ook een boerderij op de terp zal hiervoor moeten wijken en worden afgebroken. Een interessant archeologisch moment...

Afbeelding 9 Mariabeeldje; Afbeelding 10 Crucifix

Midden 17de eeuw zien we achtereenvolgens 2 burgemeesters wonen in een huis op de terp, beide met de toepasselijke achternaam Blokhuijs. Het daadwerkelijk nabijgelegen blokhuis werd in 1632 gelijktijdig met de inpoldering van de Witsmeer/Schagerwaard afgebroken. Een kaart uit 1593 laat goed het aantal huizen op en rond het 'Nycklant' zien. In de cirkel een drietal? huizen waar nu de boerderij staat volgens voorgaande foto.

Afbeelding 12 De huidige bebouwing op het Niekeland

Bodemvondsten: L. Okel

Afbeelding 11 Kaart uit 1799

-5-


Opgraving Castricum - De Boogaert Fase 3 Louis Oppenheimer, Rino Zonneveld, Tom de Kleijn

en zuidoostzijden van het verzorgingshuis (Hoven en Van Dalfsen, zie Afbeelding 16).

Afbeelding 13 Schets van Vlak 1 van de Zuidput 1 (8-82012)

B

ij de opgraving waren aanwezig medewerkers van de werkgroep Oer-IJ uit Castricum: Louis Oppenheimer, Ron van Wezop, Wim van Waveren, Albert Lourens, Tom de Kleijn en Rino Zonneveld. Er is gegraven in de gemeente Castricum op het terrein van het woonzorgcentrum De Boogaert, De Boogaert 20 te Castricum. De eigenaar is Stichting Kennemer Wonen. (zie Afbeelding 14 en voor een detail Afbeelding 15). In hetzelfde gebied heeft Hollandia Archeologen van 6 mei tot 9 oktober 2010 een opgraving uitgevoerd rondom het terrein van het centrale deel en de oude noordwestvleugel van het verzorgingshuis (Fase 1; Sonders en De Koning, 2010).

Afbeelding 15 Google Earth weergave van het oude gebouw van de Boogaert. Het opgravingsvlak (i.c. de Zuidputten) van de WOC is geel omlijnd.

Aan de amateurarcheologen van de werkgroep OudCastricum is Fase 3 toebedeeld met als doel de bouwput, die na de sloop van het oude gebouw van ‘De Boogaert’ ontstond, te onderzoeken alsmede de bodem langs het verzorgingshuis. Locatie RD-coördinaten 106.400/506.850.

Afbeelding 16 Projectie van de opgravingsputten van de Steekproef op contouren van het oude gebouw van de Boogaert en de sloopput (blauw omlijnd).

Afbeelding 14 Topografische kaart Castricum, met “De Boogaert” (blauw omcirkeld)

In een tweede fase (de perioden 20 maart tot 5 april en van 4 juni tot 20 juni 2012) is door De Steekproef Utrecht bv een opgraving uitgevoerd aan de zuidwest-6-

De opgravingsperiode loopt van 4 augustus t/m 2 september 2012 en heeft de toestemming van het RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Er is bewust gezocht naar vindplaatsen van archeologische artefacten op basis van de plattegrond met sporen zoals gemaakt in Fase 2 door De Steekproef (zie Afbeelding 17).


Afbeelding 18 De zuidwestzijde van de Boogaert met de drie WOC Zuidputten 1 (rood), 2 (blauw) en 3 (geel) en afstanden

Afbeelding 17 De sporenkaart bij de vondsten. Spoor 3 wordt later uitgewerkt tot Zuidput 1. Op grond van de vondsten volgt een uitbreiding naar Zuidputten 2 en 3 (zie Afbeelding 18). Spoor 4 wijst naar losse raapvondsten.

Een verkenning Op grond van de dichtheid en ligging van eerder gevonden sporen (zie Van Dalfsen, 2012, blz. 5) werd verondersteld dat een centrale vindplaats van archeologisch materiaal zich onder het gebouw van de oude Boogaert zou moeten bevinden. De spoordichtheid is namelijk het hoogst direct langs het gebouw van de Boogaert. Helaas werd door de sloop van en het uitgraven van de kelders van het gebouw van de Boogaert de grond onder het gebouw tot tenminste 130 cm onder het maaiveld verstoord. Daarna werd een laag van circa 30 cm aan bouwafval opgebracht waardoor systematisch zoeken in de bodem van de bouwput niet mogelijk was. Hier is sprake van raapvondsten zonder duidelijke context (Spoor 4, zie Afbeelding 17). Aan de hand van de sporenkaarten van De Steekproef (2012) werden twee sporen (Spoor 1 en Spoor 2) in de wanden van de bouwput getraceerd. Spoor 3 werd na het afsteken van de zuidwestzijde van de bouwput gevonden. V贸贸r de bouw van de Boogaert is ter plekke sprake geweest van gras en bebouwing. Het landschap maakt deel uit van het Oer-IJ landschap bestaande uit een hoge zandrug in het kwelderlandschap 200 meter noord van de oude Ciebeek.

-7-

Sporen De vondsten zijn gedaan door sporen in de wand van de bouwput put uit te graven (Sporen 1 en 2). In geval van Spoor 1 tot 220 cm onder het maaiveld. Bij Spoor 3 werd rondom het spoor een put gegraven (i.c. Zuid Put 1; zie Afbeelding 18) door de bouwvoor heen tot de natuurlijke mariene laag met schelpen op een diepte van ca 110 cm. Aan beide zijden van Zuidput 1 werden nog twee putten (Zuidput 2 en Zuidput 3) gegraven tot ca 150 cm beneden het maaiveld. Deze putten bevinden zich tussen de door sloop van de oude Boogaert ontstane put (blauw omlijnd) en een smalle put van De Steekproef (Fase 2) aan de zuidwestzijde van de oude Boogaert. Zoals eerder al werd aangeven varieerde de diepte bij het uitgraven van de diverse sporen en de drie putten van circa 110 cm tot 220 cm onder het maaiveld. Voor een exacte hoogtemeting beschikten de leden van de Werkgroep Oud-Castricum niet over de nodige apparatuur. Op basis van de sporenindicatie (Afbeelding 17) kan worden gezien dat de vondsten afkomstig zijn uit drie sporen in de wanden van de bouwput. Op iedere locatie werden meerdere vondsten gedaan en allen in het gebied (vierkant rondom de bouwput) dat wordt begrensd door RD-co枚rdinaten 106.380 / 506.831, 06.930 / 506.822, 106.402 / 505.863 en 106.415 / 505.853. Alle vindplaatsen bevonden zich in deels verstoord gebied. Een laag bouwafval vari毛rend van 30-60 cm was aanwezig, als gevolg van eerdere bouwactiviteiten rond het woongebied van De Boogaert en de sloop van het gebouw.


Zuid Put 1, 2 en 3 Bij Zuidput 1 (zie Afbeelding 19) bevond zich 30 cm onder de verstoorde bovenlaag (laag 1) een bruine en mogelijk oudere grondlaag (laag 2/3) die mogelijk uit de 14de of 15de eeuw dateert (zie ook De Koning, 2010). Direct onder deze laag werd een blauw-grijze zandlaag aangetroffen (laag 4; circa 40-70 cm onder het maaiveld) waaruit de eerste vondsten uit de Romeinse tijd werden aangetroffen. Daaronder bevond zich een lichtgrijze zandlaag (laag 5) die gezien kan worden als een cultuurlaag waaruit vondsten komen die in de Romeinse tijd dateren en waarin en waaronder de archeologische sporen aanwezig zijn. Laag 5 ligt op natuurlijke mariene afzetting (d.i. een donker-grijs zandlaag; laag 6). Volgens De Koning (De Koning, 2010, blz. 7) is dit zand afgezet door de getijden vanuit zee: “estuariene” afzettingen van het Oer-IJ, een oude verzande waterloop die nog een open verbinding met de zee had tot het begin van de jaartelling. De hoofdgeul van dit Oer-IJ liep ter hoogte van de huidige Provincialeweg (de N513) en liep via het traject van de huidige Schulpstet [Schulpvaart, samenstellers] richting zee. Er zijn nog incidentele overstromingen bekend uit de late eerste of vroege tweede eeuw. Hierbij werden enkele decimeters zand afgezet waarop later gewoond en geakkerd kon worden. Of het gebied ook na de Romeinse tijd nog is overstroomd, is niet bekend. Laag 6, de zandige laag onder de cultuurlaag uit de Romeinse tijd (laag 5), bestaat uit een pakket van fijn gelaagde kwelderafzettingen met af en toe een verslagen begroeiingsniveau" (blz. 7).

Afbeelding 19 Profiel - zuid-west aanzicht - van de proefsleuf/coupe van Spoor 3 (i.c. Zuidput 1)

De paalsporen in Zuidput 1 kunnen duiden op de wand van een schuur of woning. In Zuidput 2 is de onderkant van een paalspoor aangetroffen (op ca -150 cm diepte in spoor 2) dat mogelijk aansluit bij de paalsporen uit Zuidput 1. Voorts werd een groot aantal scherven aangetroffen in spoor 6 in Zuidput 2. Vondsten; specifiek In totaal zijn er 2016 vondsten geregistreerd met een totaal gewicht van bijna 45 kilo. De meeste vondsten dateren uit de Inheems-Romeinse periode (van 50 v. Chr. tot en met de vierde eeuw n. Chr). Bij de metaalvondsten bevonden zich geen munten. Hieronder een aantal bijzondere vondsten (zie Afbeelding 20 t/m Afbeelding 28).

De vondsten zijn met name afkomstig uit laag 5 (Zuidput 1) en in dezelfde laag van Spoor 1. De vondsten in Spoor 4 zijn raapvondsten. Na de vondst van Spoor 3 en een eerste verticale afgraving is rondom het spoor een vlak vrijgemaakt (Zuidput 1) en horizontaal afgegraven. De grondverkleuringen en vondsten zijn per laag aangegeven. Ook de Zuidputten 2 en 3 zijn horizontaal afgegraven en de vondsten zijn per laag en spoor geclassificeerd. De vondsten op de bodem van de bouwput zijn dan ook geclassificeerd als raapvondsten (Spoor 4). Spoor 3 maakt mogelijk deel uit van een Inheems-Romeinse woonkern onder het oude gebouw. Paalsporen, de vondst van een deel van bronzen leerbeslag (Romeinse tijd), vele scherven, veenplaggen en bot duiden op de restanten van een muur en een waterput. Vondsten; algemeen De vondsten bestaan uit aardewerk (Inheems-Romeins), metaal (brons en smeedijzer) en bot. De veenplaggen in Zuidput 1 wijzen op een waterput.

Afbeelding 20 Het (duim)potje, mogelijk het eerste baksel van een Fries meisje

Een zeer interessante (en leuke) vondst is een miniatuur potje of vaasje met voet (Vondstnummer 681, zie Afbeelding 20) in Spoor 1. Tot dusver wordt deze vondst door deskundigen beschreven als mogelijk “... een eerste baksel van een Fries meisje”. Aan de binnenzijde van het (duim)potje zijn nog nagelindrukken zichtbaar. Een belangrijke vondst was een deel van (Romeins) bronzen leerbeslag in Zuidput 1 (Vondstnummer 195; zie Afbeelding 21).

-8-


Afbeelding 24 Een weefgewicht of stuk huttenleem met een gat. Op het rechter beeld is links onder duidelijk

Afbeelding 21 Deel van bronzen leerbeslag

een duimafdruk te zien.

Curieus was de vondst van een viertal versteende keutels, mogelijk van een vos (Vondstnummer 231; zie Afbeelding 22) in Spoor 1 (vlak 2) als ook een versteende (vosse)keutel met veertjes (Vondstnummer 675; zie Afbeelding 23) in Spoor 1 (vlak 3).

Afbeelding 25 Boven en onderzijde van een aardewerken speelschijf gemaakt van de bodem van een pot

Nog twee aardewerken objecten die zijn aangetroffen in Spoor 1 (vlak 4) betreffen een aantal InheemsRomeinse scherven die tezamen mogelijk de voet van een vaas of een deksel van een pot vormen (Vondstnummers 232-236; zie Afbeelding 26) en de bodem van een pot (Vondstnummers 204-206; zie Afbeelding 27).

Afbeelding 22 Een viertal versteende (vosse)keutels

Afbeelding 23 Een (vosse)keutel met veertjes

In Zuidput 1 werd op 75cm diepte een brok leem met een duidelijke duimafdruk en een gat erin aangetroffen. Mogelijk betreft het hier een primitief weefgewicht (92 gram) of een stuk huttenleem (Vondstnummer 646; zie Afbeelding 24). In Spoor 1 werd in het 4de vlak een grote aardewerken speelschijf aangetroffen (ø 6,5 cm en 44 gram) die lijkt te zijn gemaakt van de bodem van een pot (Vondstnummer 676; zie Afbeelding 25).

-9-

Afbeelding 26 De voet van een vaas of een deksel zonder knop

Tenslotte zijn er enkele botten gevonden met duidelijke kras- of snijsporen. In Afbeelding 28 is één van deze botten weergegeven (Vondstnummer 28).


Afbeelding 27 Een bodemfragment van een pot.

Afbeelding 28 Een stuk bot met kras- of snijsporen (bovenste foto links van het midden en onderste foto rechts van het midden).

Conclusie De aanname dat zich onder het gebouw van de oude Boogaert een centrale vindplaats van archeologisch materiaal zou moeten bevinden (van Dalfsen, 2012) kon helaas niet worden bevestigd. Er restten ons slechts enkele raapvondsten. De bevinding en basis voor de eerder aanname, dat de spoordichtheid direct langs het gebouw van de Boogaert het hoogst is (van Dalfsen, 2012) werd in Fase 3 (WOC) van de opgraving bij de Boogaert bevestigd. Ondanks dat een zeer gering deel van de totale wand van de bouwput is onderzicht d.m.v. een beperkt aantal sporen en kleine putten, werd een groot aantal vondsten gedaan (i.c. 2016 vondsten variërend van keramiek, bot, metaal en hout; totaal gewicht 44,7 kilo). Uitgraven van de gehele wand had waarschijnlijk een veelvoud aan vondsten opgeleverd. Alhoewel voor een aantal vondsten, waaronder bot en keramiek, de exacte aard en datering nog moet worden vastgesteld, zijn de meeste vondsten kenmerkend voor de Inheems-Romeinse periode (i.c. 50 v. Chr - 400 n. Chr).

Afbeelding 29 Een topografische weergave van de vondstplaatsen op een brede stroomwal van noordwest naar zuidoost (zie de Koning, 2010; Mooij, 2006).

Gezien de vondsten kan Fase 3 van de opgraving bij de Boogaert gezien worden als een aanvulling op de opgravingen in Fase 1 (De Koning, 2010) en Fase 2 (Van Dalfsen, 2012). Ook ondersteunen de vondsten De Koning's (2010) veronderstelling dat het terrein van de Boogaert deel uitmaakt van een reeks nederzettingen of een zich over tijd verplaatsende nederzetting van “Kronenburg, de Oosterbuurt en Heemstede in het zuidoosten via vindplaatsen als de Rietkamp, Cieweg naar het terrein van De Boogaert in het noordwesten”. Interessant is dan de vraag of de verschillende vindplaatsen één of meerdere historische perioden beslaan. Deze vraag is belangrijk omdat volgens de grafiek van transgressiefasen (zie Behre, 2003; Bijl. XIV) in de periode van 50 v. Chr. tot 200 n. Chr. de waterstand in het gebied van het Oer-IJ met bijna 2 meter steeg. De woonbeweging zou dan naar steeds hogere locaties moeten zijn gegaan. In Afbeelding 29 wordt een aantal vindplaatsen van vroege bewoning op de hogere stroomwal in het Oer-IJ op de kaart van Castricum weergegeven (samengesteld uit Mooij, 2006; zie ook Mooij, 1969; Piepers, 1981).

- 10 -


Tenslotte Zoals al eerder werd aangegeven zijn een aantal vondsten nog onder studie om de exacte aard en datering te kunnen vaststellen. Zo zouden de keutels kunnen worden onderzocht door dhr. Henk van Haaster (bioloog, gespecialiseerd in paleoecologie, fysische geografie en ecologische prehistorie en werkzaam bij Biax) en het botmateriaal door dhr. Gerard Graas. Een aantal van de vondsten zal door de Werkgroep Oud-Castricum voor expositie en educatieve doeleinden in bruikleen worden gehouden. Onder deze vondsten bevinden zich de in dit rapport vermeldde vondsten (zie Afbeelding 20 t/m Afbeelding 28) alsmede nog enkele keramiek- en botvondsten.

Literatuur Behre K-E, 2003: Eine neue Meeresspiegelkurve für die südliche Nordsee. Transgressionen und Regressionen in den letzten 10.000 Jahren. Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet, 28, 963. De Koning, J. (2010). Evaluatie-rapport definitieve opgraving Castricum-De Boogaert Fase 1. Zaandijk: Hollandia archeologen. Mooij, E. (1969). Bouwfragmenten uit de 1e-3e eeuw (pottenbakkersoven). Opgraving aan de Boogaertsweg 1969. Castricum: Wergroep OudCastricum. Mooij, E. (2006). Castricummers in de Oer-IJ delta. Castricum: Werkgroep Oud-Castricum. Piepers, J. (1981). Verkennings- en opgravingsactiviteiten hoek Cieweg/Dr. de Jonghweg (westzijde). Castricum: Werkgroep Oud-Castricum. Van Dalfsen, J. W. (2012). Castricum, De Boogaert: Definitief archeologisch onderzoek, evaluatie- en selectierapport (Steekproefproject 201203/02U). Utrecht: De Steekproef bv.

Verslag eerste fase Herenweg 97 te Schoorl Frans Diederik

B

ij het verlenen van de vereiste vergunningen voor de bouw van dertien onderkelderde woningen op een perceel land achter Herenweg 97 te Schoorl, was verzuimd na te gaan of er archeologische waarden in het geding waren. Op verzoek van de gemeente (Mevr. B. Detmar) en haar adviseur Cultuurcompagnie NoordHolland (Mevr. C. Nyst) heeft de schrijver gedurende een aantal dagen de graafwerkzaamheden ter plaatse gevolgd en gedocumenteerd. Hoewel het graafwerk tot ongeveer drie meter onder het maaiveld reikte, werd daarmee de overstoven prehistorische/vroegmiddeleeuwse cultuurlaag, die overal in de omgeving aanwezig is, niet geraakt. Bij een vergelijkbaar project aan de Burgemeester Peecklaan werd eerder wél een decimeters dikke (akker)laag bloot gelegd, met daarin aardewerk uit de periode tussen het midden van de vijfde eeuw en het midden van de tiende eeuw. Hierna was het complex overstoven door bijna twee meter stuifzand. De top van dit zand bevatte al weer sporen van bewoning uit de dertiende eeuw. Een vergelijkbare situatie kon aan de Herenweg worden verwacht. En inderdaad bleek het stuifzand al in de twaalfde eeuw al weer tot akker ingericht. Over het gehele gebied bleek de eerste meter van het zand sterk humeus en alle eeuwen ingericht als akkerland. De groei van dit pakket moet te danken zijn geweest aan geleidelijke overstuiving en verbetering van de grond door aangevoerd materiaal. Aan de onderzijde van de akkerlaag, die overigens overal gespit bleek, vielen vooral de insluitsels van uiterst vette blauwe klei op.

. Afbeelding 30 Burgemeester Peecklaan, akkercomplex met overstuivingspakket.

Deze klei zal zijn aangevoerd uit de omgeving van de Rekere, een oude veenrivier die in de overstromingsfase van de twaalfde en dertiende eeuw meer het karakter van een getijdengeul had gekregen. Hierdoor werd in een ruime zone langs de oevers een zeer vette klei afgezet. Met deze klei werd de kwaliteit van het stuifzand verbeterd. Ook door bemesting werd organisch materiaal ingebracht. Met deze bemesting is ook redelijk wat gebruiksaardewerk op de akkers terecht gekomen. Omdat de datum van het ontstaan van de akkers het meest interessant was, werd uitsluitend materiaal gezocht en verzameld uit het onderste stratum. Dit leverde kogelpotaardewerk en verscheidene soorten importaardewerk op, globaal te dateren in de twaalfde en dertiende eeuw.

- 11 -


Het gehele gebied tegen de duinen aan lijkt anders te zijn ingericht dan de delen dichter bij de Rekere. Ook het wegenpatroon is aangepast. Er lopen zelfs twee ‘Heerenwegen’ op enige afstand van elkaar. De westelijke zal de oudste (deels overstoven) weg zijn en de oostelijke is later aangelegd. Ook valt op dat de bebouwing langs de Oude Herenweg in 1820 plots lijkt op te houden en dat langs de nieuwere Herenweg vanouds huizen staan. Het lijkt er op dat de oostelijke Herenweg het patroon van de overstuivingen van de tiende en elfde eeuw volgt.

Afbeelding 31 Schoorl, Heerenweg 97. Overzicht van de iets bol liggende akkers en de plaats van de greppels er tussen in. Het rechter akkertje bevatte als enige ploegsporen in plaats van spitsporen.

De langgerekte iets bol liggende akkers waren van elkaar gescheiden door greppels en moeten het beeld hebben opgeleverd van ‘kadetjesland’ zoals dat tot voor kort in West-Friesland overal nog te zien was. De onderlinge afstanden tussen de greppels varieerden tussen de negen en vijftien meter. Opvallend was de constatering dat de huidige zuid- en noordgrens van het perceel volledig binnen het ritme van de akkers viel en daarmee grenzen waren die dateren uit de periode van de inrichting van het gebied. Afbeelding 33 De twee Heerenwegen en het ontbreken van bebouwing rond 1820 zijn op deze kaart goed te zien.

Het feit dat het weggetje tussen de Oorsprongweg en de (westelijke) Herenweg, de Middelweg wordt genoemd, duidt op het feit dat het gebied ooit als geheel werd gezien met een weg in het midden.

Afbeelding 32 Plangebied op de oudste kadastrale kaart geprojecteerd.

Op de oudste kadastrale kaarten is de inrichting goed te zien en corresponderen zelfs enkele van de daar aangegeven sloten met de greppels die in 2013 werden geconstateerd.

Iets ten noorden van het punt waar de twee Herenwegen samenkomen, ligt de Smeelaan. Daar werd in 2012 een kleine opgraving verricht en kwam op een diepte van 90 cm onder maaiveld een uitgebreid patroon van paalgaten en ingravingen tevoorschijn, die wijzen op bewoning in de dertiende eeuw langs de Heerenweg. Heerenweg 97 zou eveneens sporen van bebouwing kunnen hebben, maar de gevonden akkers bevinden zich op te grote afstand van de weg, zodat die veronderstelling op dit moment niet getoetst kan worden. Daarmee blijft voorlopig ook onduidelijk welke van de twee Heerenwegen een bebouwingsas heeft gehad in de Late Middeleeuwen.

- 12 -


Gebruik van GPR, georadar op de Zanderij in Castricum Rino Zonneveld (Regionale archeologische Werkgroep Oer-IJ)

D

e beheerder van het Strandvondstenmuseum vertelde mij in 2007 over de houten spanten die hij en zijn vader rond 1970 gezien hebben tijdens het omzetten van het achter hun schuur liggende bollenland. De locatie is aangewezen door dhr. Twisk en vastgelegd op Google (Afbeelding 34). Een eerste boring met een grondboor naar een stukje hout voor dendrochronologie (jaarringenonderzoek) vond in augustus 2007 plaats. De grond bestond uit zeer fijn zand en bevatte enorm veel water. De poging is gestaakt.

Afbeelding 36

Toen dit bericht in de krant gepubliceerd werd, reageerde de heer Martin Meinster met een e-mail. Zijn bedrijf Empec Services BV heeft een aantal jaar geleden besloten dat ze elk jaar minstens een onderzoek, dan wel apparatuur en/of kennis belangeloos ter beschikking stellen voor de gemeenschap. Meestal is dit op het gebied van archeologie, waaronder het in kaart brengen van het fundament van een klooster dat in de 18de eeuw is verwoest in de buurt van Parijs en nog wat kleine klusjes her en der zoals onderzoek naar een paar grafheuvels en de fundatie van een oud scheepswerfje. Normaal zijn ze voornamelijk bezig met onderzoeken van wegen, dijken en waterlopen.

Afbeelding 34 Mogelijke ligging Romeins schip

Afbeelding 35 Gutsboor

Enkele jaren later in september 2010 werd wederom een poging gedaan en nu met een gutsboor (Afbeelding 35). Ook dit leidde tot het ophalen van waterig wadzand. Van boren naar radar Daarna kwam ik in contact met Ron van Wezop die kon beschikken over een grondradar. Dit onderzoekje vond plaats in maart 2013 en er werd een verstoring aangetroffen van 5 bij 15 meter ongeveer 2,5 m diep en nog aan de overzijde van het perceel 2 treffers die zouden kunnen wijzen op graven of waterputten.

Afbeelding 37

Het resultaat van de laatste onderzoeken met de apparatuur van Empec duiden na filteren van de data mogelijk op een beschoeide geul van 17 meter breed en tegen de oever aan een constructie van iets met een signaal dat duidt op twee stroken natuursteen of metaal met een lengte van 5 meter en 2.80 meter uit elkaar liggend. Het

- 13 -


diepste deel is 3.00 meter onder het maaiveld. Binnenkort is er een 3D-presentatie van de gegevens. Het vermoeden kan alleen door archeologisch onderzoek worden bevestigd. Empec EMPEC Services BV, gevestigd in Heerhugowaard, Nederland, is een klein ingenieursbureau opgericht in 2000, dat advies-en ingenieursdiensten voor de upstream olie-en gasindustrie in de hele wereld verstrekt. In 2004 is EMPEC Diensten uitgebreid met ground penetratingradar GPR voor weg-en waterbouw doeleinden. Zij zijn gespecialiseerd in wegen en bruggen onderzoeken evenals het opsporen en lokaliseren van kabels en leidingen in het suboppervlak. Zie ook: www.empecbv.nl

erop kon landen. GPR wordt sindsdien ook gebruikt om bijvoorbeeld de eigenschappen van bodemlagen te bepalen. Sinds de jaren 70 zijn de toepassingen sterk toegenomen, bijvoorbeeld in de geofysica. GPR maakt gebruik van elektromagnetische golven en kan tot 5 kilometer diep gaan. Andere veelgebruikte (Engelse) termen zijn: ground probing radar, subsurface radar, georadar en earth sounding radar.

GPR Een ground-penetrating radar (GPR) of bodemradar wordt volgens wiki gebruikt om de bodem en/of voorwerpen daarin te onderzoeken of te detecteren. Volgens de overlevering zou de eerste toepassing hebben plaatsgevonden in 1929 in Oostenrijk om de diepte van een gletsjer te bepalen. De technologie werd daarna toegepast om bijvoorbeeld in de poolgebieden de dikte van de ijslaag te meten, om te bepalen of een vliegtuig

Afbeelding 38

Middeleeuwse turfwinning in Limmen en Heiloo Mark van Raaij

I

n de vorige Poldergeest vertelde ik over de toenemende invloed van de zich sterk ontwikkelende stad Alkmaar in de 13de, maar vooral de 14de eeuw op de buurschappen in het nabij gelegen Heiloo en Limmen, waardoor steeds meer overgegaan werd op het aanleveren van producten waar vanuit de stad een sterke vraag naar was, zoals zuivel, vis, turf, klei en schelpen. De laatste twee hebben te maken met een opkomende baksteenproductie: de klei voor de stenen zelf en de schelpen werden in kalkovens gebrand ten behoeve van schelpspecie voor het metselen. Voor beiden was veel brandstof nodig en daarvoor werd turf (gedroogd veen) gebruikt. Over de laatmiddeleeuwse turfwinning in Limmen en Heiloo wil ik hier wat meer vertellen. Bij turfwinning wordt vaak gedacht aan grootschalige ontgravingen in eindeloze veenpolders, resulterend in laaggelegen veenloze landschappen, dan wel in moerassige polders waarin grote gaten of zelfs meren zijn ontstaan. De turfwinning in Limmen en Heiloo is echter van een hele andere orde. Het zijn vroege kleinschalige veenontgravingen van circa 1200 tot 1350. Ze liggen direct ten oosten van de strandwal daar waar het veen

nog met duinzand overstoven is. Er was een duidelijke voorkeur voor dit overstoven veen. Waarschijnlijk omdat het door de zandlaag erboven meer samengedrukt en daardoor compacter was. In afbeelding 2 ( de bodemkaart van de Roo) zijn de uitgeveende delen rood omlijnd. Het hier ten oosten van gelegen veengebied (tot aan de strandwal van Akersloot), welke niet overstoven is, is zo ver als bekend, niet uitgeveend. Er is niet veel over deze turfwinning bekend. Historische bronnen reppen er niet over (zover als mij bekend). Er zijn echter twee archeologische waarnemingen. Voor een datering was de opgraving door de Archeologische Werkgroep Limmen in 1996 aan de Oosterzijweg in het buurschap Laan belangrijk (afbeelding 2 bij B, precies daar waar de Laandervaart begint). De veenwinning begon hier al vlak achter een erf aan de Oosterzijweg. In de openliggende sleuf werd daarna huisafval gedumpt, dateerbaar rond 1200 ( vooral Pingsdorf en Andenne aardewerk). Zeer interessant was de aanwezigheid van een grote hoeveelheid tufsteen afval wat suggereert dat hier overslag heeft plaatsgevonden van via de Laandervaart aangevoerd, uit het

- 14 -


Duitse Eiffelgebied afkomstige, tufsteen. Vanuit Laan kon het tufsteen dan per kar vervoerd worden naar de kerken van Limmen of Heiloo, maar ook naar de Abdij van Egmond. In de 13e eeuw is het terrein opgehoogd en is er nog gewoond tot in de 14e eeuw.: tot aan de inkrimping in de 15e eeuw. Weten we nu dat de aanvang van de turfwinning hier dus in ieder geval rond 1200 is begonnen, over de einddatum is geen zekerheid. Aangenomen mag worden dat deze in ieder geval al stopte bij de crisis vanaf het midden van de 14e eeuw. Ook is niet bekend of de turfwinning in die 150 jaar continue (met ups en downs) door ging. Maar dat lijkt wel aannemelijk.

de foto is te zien liet men de sleuf daarna op natuurlijke manier dichtslibben.

Afbeelding 40 Een uitgeveende sleuf in profiel op perceel A van Afbeelding 39.

Afbeelding 39 Bodemkaart van Limmen en Heiloo met de uitgeveende percelen rood omlijnd

Over hoe men nu te werk ging zijn we goed ingelicht door waarnemingen bij een grondomzetting van een perceel ten oosten van de oude kerk aan de Zuidkerkelaan in Limmen in 1990 (zie Afbeelding 39 bij A). De toen door mij getekende ligging van de uitgeveende sleuven bleek veel later overeen te komen met wat nog steeds zichtbaar was op een luchtfoto uit 1945 (Afbeelding 41). Hoe een dergelijke sleuf er uit zag in profiel is te zien op Afbeelding 40. Eerst werd de bovenliggende zandlaag verwijderd en eventueel wat van de veraarde toplaag van het veen. Vervolgens werd de 60 cm dikke veenlaag in turven uitgestoken tot aan de dunne kleilaag direct onder het veen. De sleuven waren circa 2,5-3 m breed en tussen de sleuven werd ongeveer 5-7 m afstand gehouden, waarschijnlijk om de turven te drogen te leggen (legakkers). Om de 50 tot 80 m lengte werd een dwarssleuf aangelegd. Op de luchtfoto’s zijn de sleuven nog goed herkenbaar. Ze lagen zowel haaks op als parallel aan de strandwal. Op deze manier werd circa 25-30 % van het oppervlak uitgeveend. Zoals op

Opvallend is dus dat men de wat lager gelegen weideof hooilanden voor langere tijd opofferde. Blijkbaar bracht de turf meer op dan het vee dat men er op kon laten grazen. Dan wel was er helemaal geen gebrek aan weide of hooiland. Het akkerland (geestgronden) op de hogere strandwal (gelegen tussen de Westerweg en Oosterzijweg/Dusseldorperweg), waarvan de oostelijke helft ook overstoven veen is, liet men echter ongemoeid. Blijkbaar kon geen akkerland gemist worden. Vanaf circa 1350 werd er in Heiloo en Limmen waarschijnlijk geen turf meer gewonnen. De veel grootschaliger turfwinning in Zuid-Holland nam toen de markt over. Bovendien raakte vanaf toen de buurschappen voor een groot deel ontvolkt. Vooral op het eind van de Tweede Wereldoorlog is er echter nog veel turf gestoken.

Afbeelding 41 Luchtfoto uit 1945 met centraal perceel A van Afbeelding 39 waarop de uitgeveende sleuven nog zichtbaar zijn. Boven en onder (zwart) is de veenwinning op het moment van de foto nog in bedrijf (Tweede Wereldoorlog).

Daarvoor werden dezelfde locaties gebruikt, direct nabij de strandwal gelegen. Dit kon omdat op de in de late Middeleeuwen uitgeveende percelen nog zo’n 70-75 %

- 15 -


van het veen beschikbaar was. Deze latere uitvening heeft wel de sporen van de oudere uitveningen gewist: want nu werd over een groter oppervlak aaneengesloten uitgeveend (aan de bovenkant van Afbeelding 41 is zo’n groot uitgeveend blok zichtbaar). Door de oude luchtfoto’s hebben we toch een redelijk overzicht van het oppervlak wat in de late middeleeuwen is uitgeveend. Hoeveel turf is er toen in totaal gewonnen? Ik heb dit voor Limmen uitgerekend en kom op ruim 100 km aan sleuven, wat neerkomt op 150.900 m3 nat veen (hiermee kan je een piramide maken met zijden van 100m en een hoogte van 45m!). Als gedroogde turven geeft dit een totaal gewicht van 32,7 miljoen kilo, oftewel 27,25 miljoen turven. Een behoorlijke hoeveelheid! Moeten we dan toch aan een groot-

schaliger, georganiseerde turfwinning denken? Nee, want we moeten er aan denken dat dit waarschijnlijk in 150 jaar is gedolven. Hoewel in seizoensarbeid (maximaal circa 6 maanden van het jaar) want aangenomen mag worden dat het terrein een groot deel van het jaar te nat was. Bekijken we nu een kleinere periode dan werd ongeveer 30 meter sleuf per week uitgeveend. Dat komt neer op ruim 10.000 kg gedroogde turf (ruim 8300 stuks). Als dagtaak kan één persoon dit in een week steken. Maar de zandlaag moest er ook nog af, dus zeg twee personen. Meer waarschijnlijk lijkt dat de turf in deeltijd werd gestoken, bijv. door de boer/eigenaar zelf als bijverdienste. In dat geval kunnen dus meerdere boeren en/of knechten aan het werk zijn geweest. Maar het gaat toch maar om enkele personen.

Agenda In Natuurmuseum Westflinge is de tentoonstelling Archeologische opgravingen in het Geestmerambacht te zien. Met medewerking van het provinciaal depot presenteren Westflinge een nieuwe tentoonstelling over de archeologische opgravingen in het Geestmerambacht onder de titel: "Vroegste bewoning in het deelgebied De Druppels". www.museumwestflinge.nl. Meer archeologie en streekhistorie in de regio is te zien in: Ø Molenschuur bij molen "De Gouden Engel" in Koedijk (www.koedijk.org); Ø Museum van de Stg. Regionale Archeologie Baduhenna in Heiloo (www.baduhenna.nl); Ø Museum Het Regthuis in Oudkarspel (openingstijden en bereikbaarheid zie www.langedijkerverleden.nl) (NB Dit jaar geen archeologie in Het Regthuis. Door het grote aanbod van foto's uit de veertiger en vijftiger jaren was het museum genoodzaakt de archeologische vitrine dit jaar niet in te richten. De streekhistorie is wel aanwezig).

Verwacht: in het najaar een lezing i.s.m. Historische Vereniging Koedijk over archeologie in Koedijk. Houdt onze website in de gaten: www.rag-archeologie.nl. Uw e-mailadres graag! Wilt u van actuele zaken op de hoogte worden gehouden, bijv. van lezingen en excursies, geef ons dan a.u.b. uw emailadres door (mail naar info@rag-archeologie.nl). Heeft u geen e-mail, houd dan regelmatig onze website www.ragarcheologie.nl in de gaten (rubriek Agenda en nieuws). Heeft u geen beschikking over internet, geef dan door of u toch van actuele zaken op de hoogte gehouden wil worden (zie colofon voor onze telefoonnummers) en zo ja, hoe.

Colofon POLDER9EEST is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland en Afd. AWN Noord-Holland Noord en verschijnt twee maal per jaar. Bestuur Afd. AWN Noord-Holland Noord: Frans Diederik, bestuurslid Jaap van Rossum, secretaris Ruud Marcus bestuurslid Roel Zutt penningmeester

fransdiederik@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ruudmarcus@quicknet.nl roelzutt@quicknet.nl

tel. 0224-296548 tel. 072-5157122 tel. 0226-318639

Bestuur RAG: Ger Kalverdijk, Dick Zuiderbaan Jaap van Rossum, Frans Diederik, Arend Grijsen,

g.kalverdijk@planet.nl d.j.zuiderbaan@quicknet.nl javaros@hetnet.nl fransdiederik@quicknet.nl grijshaar@quicknet.nl

tel. 072-5330679 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122 tel. 0224-296548 tel. 0224-215391

voorzitter secretaris penningmeester bestuurslid bestuurslid

Stichting RAG

info@rag-archeologie.nl

Redactie Poldergeest: Jaap van Rossum

Inschrijvingsnummer van RAG bij Kamer van Koophandel: 37116370

- 16 -

Profile for Stichting RAG

Poldergeest 16  

Informatiebulletin Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord

Poldergeest 16  

Informatiebulletin Stichting RAG en AWN Afd. Noord-Holland Noord

Advertisement