Page 1

POLDER9EEST NIEUWSBULLETIN VAN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT” ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND AFD. 9 AWN I.O.

oktober 2012

Nr. 15

Schagen

Inhoud Poldergeest 15

Zuid-Scharwoude

Vijf Archeologische vondsten in Noord-Holland Noord

Heiloo

Zuiderloo

Limmen

Inhoud Polder9eest 15 Voor de kramen langs ............................................................................................................................2 Websites over lokale archeologie en historie .........................................................................................4 Silke’s column.........................................................................................................................................5 Hoe het in de 14e eeuw boterde tussen Heiloo en Alkmaar.... en wat verder ter tafel komt ...............6 Eerste verslag opgraving Schagen Nes-Noord 19 juli - 1 augustus 2012.............................................8 Hooghuizen, een “begraven hofstede” in Limmen en vroege bewoningssporen op de strandwal..... 13 Archeologisch onderzoek bij de Kooger Kerk op 13 september 2012 te Zuid-Scharwoude.............. 15 Agenda .................................................................................................................................................. 16 Colofon.................................................................................................................................................. 16

-1-


Voor de kramen langs Ger Kalverdijk Kraam: 1) oorspr. middelned. Craeme = uitgespannen zeildoek of tentzeil, 2) met doeken of gordijnen afgeschoten en beschutte tent of kraam(kamer), 3 alg. verzameling, koopwaar of kramerij, ook de korf of mars van een kramer of straatventer, 4) zegswijze: voor de kramen langs kunnen met iets of iemand = gezien mogen worden met of trots mogen zijn op iets of iemand, 5) zegswijze: dat komt in mijn kraam wel of niet te pas = daar kan ik wel of niet mijn voordeel mee doen, dat schikt me wel of niet, 6) uitkramen= = uitventen van koopwaar, losse kreten slaken.<uittreksels uit o.a. middelnederl. woordenboeken: Franck, Verdam, Huizinga, Koenen e.a.>

H

et afgelopen jaar stond vooral in het teken van de werkgroep Kop van Noord-Holland (KvNH) en de Stichting Regionale Archeologie ”Gheestmanambocht” (RAG), die op wisselende locaties best wel gezien mochten/mogen worden.

Afb. 1 RAG-tentoonstelling in Eenigenburg tijdens het Floris V-weekend op 23 en 24 juni 2012

RAG heeft, in samenwerking met de werkgroep Schagen, van haar gemis aan een vaste werk- en expositieruimte een deugd gemaakt, door onze exposities steeds van logeeradres te laten veranderen, waardoor een breder publiek in de regio kan worden bereikt. De laatste tijd is gebleken, dat zo’n “reizende archeo-kraam” bij de historische verenigingen en overheidsgebouwen in vruchtbare aarde valt. Zoals bloembollenkwekers hun z.g. “reizende bollenkraam” steeds verplanten naar verse, gezonde grond, hopen wij met een voldoende aantal bezoekers van onderstaande archeo-kramen ook succes te boeken, zodat we er letterlijk en figuurlijk mee “voor de kramen langs” kunnen: 1. De vorig jaar in het Gemeentehuis van Langedijk door Frans Diederik ingerichte tentoonstelling verhuisde kort geleden naar het Regthuysmuseum te Oudkarspel. Daar zullen de objecten uit de Noordkop van N-H met deskundige toelichting in de nieuw verworven vitrines van de Stg. Langedijker Verleden voor onbepaalde tijd te bewonderen zijn. 2. In museum Westflinge in Sint-Pancras is tot de zomer 2013 eveneens een tweede fraaie archeo-2-

bijdrage van Frans te bewonderen, die hij al in de vorige POLDER9EEST voor ons toelichtte. Omdat de vernieuwde tentoonstelling van het veelzijdige, wetenschappelijk verantwoorde museum ook speciaal gericht is op het Geestmerambacht is het extra de moeite waard de schreden derwaarts te richten. 3. In de schilderachtige terpkerk van Eenigenburg werd RAG voor de tweede keer uitgenodigd een tentoonstelling te organiseren, dit keer tijdens de Floris V-dagen op 23 en 24 juni 2012. Met een PowerPointpresentatie van Jaap van Rossum werd een boeiend overzicht van de natuur- en cultuurhistorische ontstaansgeschiedenis van het Geestmerambacht gegeven. Geologische en archeologische kaarten en ander materiaal uit het archief van Ger, aangebracht op panelen van de Cultuur Compagnie, werden door hemzelf een aantal keren per dag toegelicht (Afb. 1). Als hoofdmoot was er een uitermate originele Floris V-lezing van Gerard Alders, tussentijds sfeervol verluchtigd met middeleeuwse muziek van het gezelschap Wronghel en Wei. Al met al werd hier in de kerk in ongedwongen sfeer gezorgd voor een leerzame aanvulling van de expositie in het nabije museum en de middeleeuwse evenementen rondom de Nuwendoorn, zodat we konden terugzien op een geslaagd weekend met een redelijk aantal bezoekers, ondanks het bar slechte weer tijdens de tweede dag. Hierbij bedanken wij alle mensen die deze dagen mogelijk maakten. Mogelijk is er al sprake is van een jaarlijks terugkerend evenement, als de provinciale financiën het toelaten. 4. Bestuursleden van de Historische Vereniging Koedijk bezochten bovenstaande tentoonstelling en vonden hem interessant genoeg om te laten verhuizen naar hun expositiezolder bij de graanmolen Gouden Engel. Onze inbreng diende letterlijk en figuurlijk als (dakwand-)achtergrond voor de objecten uit vnl. Koedijker grond, die door de gemeente Alkmaar in nieuwe vitrines ter beschikking waren gesteld (Afb. 2).


Afb. 2 Archeologietentoonstelling op de expositiezolder van de Historische Vereniging Koedijk

5. Volledigheidshalve vermelden we hier uiteraard ook de mogelijkheid eens een bezoek te brengen aan de vaste tentoonstelling in de werkruimte van de Stg. Regionale Archeologie ”Baduhenna” te Heiloo, ondergebracht in de kelder van de GGZ (voormalige Willibrordstichting) aan de Kennemerstraatweg. 6. De werkgroep Kop van N-H te Schagen beschikt eveneens over een vaste ruimte in het gemeenschapsgebouw de Nieuwe Nes te Schagen, die op afspraak voor belangstellenden op woensdagavond open is vanwege de archeologische werkzaamheden van een trouwe groep mensen o.l.v. Frans en Arend. De openingstijden en adressen van deze reizende en vaste exposities zijn vermeld in de Agenda van deze POLDER9EEST en op de website www.ragarcheologie.nl. Uiteraard houdt de redactie zich aanbevolen voor het toesturen van gegevens van andere tentoonstellingen en activiteiten, bij voorkeur natuurlijk uit de afdeling 9 (i.o.) van de AWN. Nieuws uit de kraamkamer van AWN Afdeling 9 Om even in de kraamsfeer te blijven: hoe gaat het met de bevalling van de AWN Afdeling 9, die in de vorige POLDER9EEST was aangekondigd? Kunnen we het hatelijke i.o. (=in oprichting) laten vervallen en deze herfst meer zekerheid krijgen over de levensvatbaarheid van een spruit aan de AWN-boom? Afgesproken was dat het voorlopige bestuur deze herfst een definitieve oprichtingsvergadering zal beleggen met zoveel mogelijk AWN-leden. Maar ook niet-leden, die deze POLDER9EEST toegestuurd krijgen zijn van harte welkom, opdat een groot klankbord en een bestuur van minstens vijf leden kan worden gevormd. Graag -3-

ontvangen de tijdelijke voortrekkers Frans Diederik, Jaap van Rossum en Frans Müller daarom opgave van meer kandidaten, die in een definitief bestuur willen plaatsnemen. Laat valse bescheidenheid geen rem zijn je op te geven, want ook een bescheiden rol in het bestuur is welkom, hoewel Frans zijn functie als (a.i.) voorzitter door drukte met zijn archeologisch bedrijf vacant heeft gesteld. Het zou heel erg jammer zijn als wij de grote financiële en organisatorische voordelen, die verbonden zijn aan het (her)oprichten van een AWN-afdeling zouden mislopen! De meerwaarde van een goede samenwerking is al deels gebleken, maar kan nog aanmerkelijk toenemen als we allen onze schouders onder de 9 zetten! In het afgelopen jaar hebben we al kunnen constateren dat er goede contacten zijn ontstaan, zowel met het hoofdbestuur van de AWN als met andere werkgroepen. Wat in onze nieuwe P9-kraam te pas komt Evenals de vorige POLDER9EEST getuigt deze POLDER9EEST van de veelzijdige inbreng uit het gehele gebied van de nieuw op te richten afdeling 9. Allereerst is de column van Silke Lange, nu voor de derde keer, weer present. Als professionele archeoloog, verbonden aan de UVA, verrast zij ons opnieuw vanuit haar brede vakkennis met een boeiend verhaal. Wij zijn ook blij dat Ron Duindam en Mark van Raaij zich bij de auteurs uit de zuidflank van onze afdeling 9 hebben gevoegd. Als leden van de Archeologische Werkgroep Oer-IJ putten zij uit hun rijke ervaring om twee gedegen artikelen aan deze POLDER9EEST toe te vertrouwen. Frans Diederik bracht de geografische balans in evenwicht door uitvoerig verslag uit de noordflank te brengen over de opgraving in Schagen-Noord. Ook RAGgers en andere opgeroepen mensen uit afdeling 9 waren betrokken bij dit onderzoek, hetgeen veel waardering van iedereen heeft gekregen. En onze eigen trouwe veldwerker Wijb Ouweltjes gaf gevolg aan de oproep die Stg. RAG bereikte via de gemeente Langedijk om deel te nemen aan een opgraving achter de Kooger Kerk te Zuid-Scharwoude. De bij wet verplichte opgraving ging vooraf aan de bouw van een aan de kerk verbonden ontvangstruimte, die in de Erfgoedcommissie van de gemeente Langedijk uiteindelijk, na moeizaam overleg, groen licht kreeg. Allerlei andere kramerijen, die uitgekraamd dienen te worden Stichting RAG is in het laatste half jaar opnieuw verblijd met de toename van 11 nieuwe donateurs, nl. de volgende personen: Ben Dijkhuis (Medemblik), Bert Buitink (Sint Pancras), Gerard Boekel (Dirkshorn), Jan Vrouwe (Alkmaar), Kees Box (Groot-Schermer), Klaas Bak (Heerhugowaard), Lou Sinke (Heiloo), Marieke Neesen, (Oudkarspel), Mark van Raaij (Limmen), Peter de Nijs (Broek op Langedijk) en Saskia Forrester


(Schagen). Allemaal heel hartelijk welkom! Het aantal donateurs van RAG steeg daarmee naar 81. Het 6de boek van de Stichting Coördinatie Onderzoek Oud-Geestmerambacht is op 22 september 2012 gepresenteerd in Hotel De Burg te Noord-Scharwoude. Het boek “Noord-Scharwoude en de buitendijkse Noordscharwouder polder, Meer dan 4 eeuwen veld- en waternamen” is het kloeke resultaat van veel archiefonderzoek. De onderwerpen in het boek zijn zeer gevarieerd en hebben grotendeels te maken met het overwegend agrarisch verleden van de voormalige vaarpolder het “Rijk der Duizend eilanden” dat voor de jaren ’70 als belangrijkste vollegrondstuinbouwgebied bekend stond. Ger Kalverdijk en Jaap van Rossum schreven in het boek een artikel over de middeleeuwse Zijtwinde van Noord-Scharwoude en Koedijk als waarschijnlijk oudste ontginnings- en bannegrens met Oudkarspel. COOG-medewerkers Gerard Boekel en Klaas Bak meldden twee oude veldnamen van percelen bij NoordScharwoude met de naam (Kerk)sijtwinde. Omdat deze akkers recht in het verlengde van de Koedijker Zijtwinde lagen kon worden vastgesteld, dat de Zijtwinde omstreeks 1200 na Chr. een bijna rechte ontginningsgrens was door het gehele Geestmerambacht, uitgezonderd het gedeelte bij de Diepsmeer. De meeste Zijtwindes waren ook bannegrenzen, zodat ook hier het geval zal zijn geweest. De Zijtwinde, beginnend bij de Rekerdijk in Koedijk-Noord, was bovendien niet toevallig gericht op de doorvaart van de Langedijk, ter plaatse van de vroegere Mosselenbrug en de Wuyversloot, nabij het later veilingterrein. Zoals ook elders gebruikelijk werden deze doorvaarten tot wederzijds nut en om de kosten te delen gemeenschappelijk door de aangrenzende bannes gegraven en van bruggen voorzien, waarbij de kosten van de aanleg en het onderhoud ook samen gedragen werden. Omdat Oudkarspel verder geen doorvaart had, maar pas aan het noordeinde bij de Laansloot waarschijnlijk eerst een ebsluis was, die later overhaal en tenslotte schutsluis werd, lijkt het ons logisch dat de

eerder genoemde doorvaart is aangelegd door de aan elkaar grenzende bannes Oudkarspel en NoordScharwoude. Wij gaan er m.a.w. vanuit dat de ontginningsgrens Zijtwinde hier tevens de oorspronkelijke juridische grens van Oudkarspel en Noord-Scharwoude is geweest. De latere grens van deze beide dorpen is o.a. om economische reden na de drooglegging van de Heerhugowaard noordelijk afgebogen en verplaatst naar de Kalverdijksloot en de latere Spoorstraat.

Afb. 3 Nieuwe Zijtwinde, gezien richting Koedijk vanaf het voorlopige fietspad langs de Kleimeer

Op zaterdag 13 oktober heeft een enthousiaste groep van 14 fietsers het gehele tracé van de (nieuwe) Zijtwinde verkend (Afb. 3). Beginnend met een PowerPoint van Jaap in het Allemanshuis te Oudkarspel en onderweg in het Kleimeer-natuurreservaat begeleid door ornitholoog Gerard Langedijk, eindigden we in Koedijk op de gastvrije expositiezolder van de Hist. Ver. Koedijk, waar o.a. de RAG-tentoonstelling werd bekeken. Tot slot vond op zaterdag 20 oktober in het Allemanshuis te Oudkarspel een lezing van Dr. Chris de Bont plaats, georganiseerd door Stichting RAG i.s.m. Stichting COOG en de HV Langedijk. De bijzonder boeiende lezing, die zo’n 50 belangstellende toehoorders trok, ging over onderzoek naar middeleeuwse veenontginningen en het gebruik hierbij van het zgn. sub-recente topografisch archief, d.w.z. de negentiende-eeuwse kadaster- en topografische en militaire kaarten.

Websites over lokale archeologie en historie De verschillende archeologische clubs in het gebied van AWN Afd. 9 i.o. hebben elk een eigen website met veel interessante informatie. Bezoek ze eens. Dit zijn ze: o Archeologische Werkgroep Kop Noord-Holland: www.nieuwenes.nl o Archeologische Werkgroep Oer-IJ: www.oer-ij.nl o Historische Vereniging Koedijk: www.koedijk.org o Natuurmuseum Westflinge: www.museumwestflinge.nl o Stichting COOG: www.stichtingcoog.weebly.com o Stichting Langedijker Verleden: www.langedijkerverleden.nl o Stichting Oud Limmen: www.oudlimmen.nl o Stichting Regionale Archeologie Baduhenna: www.baduhenna.nl o Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht: www.rag-archeologie.nl o Stichting Werkgroep Oud-Castricum: www.oudcastricum.com o Website van de landelijke AWN - Vereniging van vrijwilligers in de archeologie: www.awn-archeologie.nl -4-


Silke’s column Silke Lange

E

ind september werd het tweede Internationale Congres over “Archaeological & Historical Wood Utilization” in Egmond aan Zee gehouden. Onderzoekers uit de hele wereld – zelfs uit Litouwen en Chili – zochten elkaar op om over het belang van archeologisch en historisch hout te praten. Telkens weer verbaasde men zich over de hoeveelheden hout uit archeologische opgravingen, waar de Nederlandse collega’s over vertelden.

Afb. 4 Heiloo-Zuiderloo, scheplepel van elzenhout uit de Bronstijd, detail met snijsporen

Onze lage landen kennen de meest gunstige omstandigheden waarin archeologisch hout bewaard kan blijven. Afgesloten onder veen of klei in een zuurstofarme omgeving en onder het grondwaterpeil, liggen de houten relicten veilig in de bodem. Wanneer het hout bij opgravingen aan het licht komt, lijkt het alsof het kort geleden pas begraven is; zo duidelijk zijn de bewerkingssporen met bijl of dissel op het houtoppervlak te herkennen. “Hout was de olie van het verleden”, meent mijn collega Laura Kooistra. Of het nou om bouwhout, brandstof, keukengerei of om (stelen van) gereedschap gaat, hout bleek onontbeerlijk. Hout heeft zelfs een rol gespeeld in rituele offers in de prehistorie. Men heeft sommige houtsoorten (vaak gewoon takjes, of een deel van een wortel) doelbewust met andere offergaven in -5-

een kuil gelegd. In de Broekpolder (tussen Heemskerk en Beverwijk) en in Schagen zijn in de spreiding van deze kuilen patronen herkend die mogelijk met offertradities te maken hebben gehad. De combinatie van boten houtmateriaal suggereert dat het waarschijnlijk om offers gaat die met seizoensvieringen te maken hebben gehad. Bijna altijd is ook hout van els (Alnus) of jeneverbes (Juniperus) in deze kuilen aanwezig, soms bewerkt en soms is er sprake van “natuurlijk” hout, omdat het hout geen sporen van bewerking (meer) vertoont. Naar de redenen waarom juist els en jeneverbes bij een offer bleken te horen, kunnen we slechts gissen. Hmm, gaat het dan bij els om de bloedrode kleur van het hout na de kap? Trouwens, die is slechts van tijdelijke aard. Iedereen die een vers gekapte elzenstam heeft gezien weet dat de rode kleur al naar enkele dagen verbleekt. En jeneverbes dan, een boom die in de prehistorie veel groeide op de strandwallen, was het omdat jeneverbes tot de altijd groene houtsoorten (niet bladverliezend) behoort? Mijn collega en ik praten veel over deze veronachtzaamde materiaalgroep, over hout. Twintig jaar geleden werd nauwelijks naar hout van opgravingen gekeken. Indien het hout geschikt was voor een dateringsonderzoek (dendrochronologie), dan werd hiervoor een plak van de vondst gezaagd en opgestuurd. Eventueel werd ook nog een stukje van de houtvondst bewaard om de houtsoort te achterhalen. Vaak genoeg kom ik in oude opgravingsverslagen tegen dat “palen van berk” waren. Dit is dan op het oog bepaald. Laten we meteen een mythe uit de wereld helpen; de schors van elzenhout slaat wit uit tijdens het opgraven, en de houtsoort wordt dan vaak voor berkenhout aangezien. Archeologisch hout is gewoon donker, bijna zwart nadat het in de grond heeft gezeten. Een houtsoortbepaling kan meestal alleen met behulp van de microscoop worden uitgevoerd. Terug naar hout als archeologische materiaalgroep. Terwijl bij opgravingen elk stukje aardewerk nauwkeurig wordt gedocumenteerd, gebeurt dit bij lange na niet met houtvondsten. Het hout wordt vaak niet eens geborgen, of het wordt na berging al direct “gedeselecteerd” (mooie term voor weggooien), voordat het is gewassen en beschreven. Het verschilt nogal per PvE (afkorting voor het Programma van Eisen, waarin staat hoe het onderzoek op de betreffende locatie moet worden uitgevoerd) en per archeologisch bedrijf hoe het hout in het veld en daarna wordt behandeld. Bij de opgravingen in Heiloo, in het plangebied Zuiderloo, is de taak van de archeologen wel om het hout in zijn geheel te bergen en te laten onderzoeken. Dat dit een juiste aanpak blijkt te zijn, is onlangs opnieuw gebleken. Niet alleen de planken en hoekstaanders van de


constructie zelf maar ook het “losse” hout uit de insteek van een vroegmiddeleeuwse waterput zijn verzameld.

Afb. 5 Heiloo-Zuiderloo, helft van eikenhouten afgodsbeeld uit vroegmiddeleeuwse waterput, vooraanzicht en zijkant*.

Uit dit bulkmonster kwam de helft van een eikenhouten beeld aan het licht. Dat werd pas ontdekt in het houtlab, waar men de houtvondsten met water voorzichtig heeft gereinigd en gedocumenteerd. Het gaat waarschijnlijk om een heidens beeld, een zogenaamd afgodsbeeld. De vondst is uniek in Nederland, tot nu toe. Maar ja, deze vondst had je zeker gemist, wanneer alleen het bouwhout was verzameld en het “losse” hout niet. En dan vallen alle houtvondsten die op het oog niet bewerkt zijn (omdat ze nog onder de modder zitten) of niet deel uitmaken van een constructie, in de categorie “los hout”. Ik vraag me af hoeveel “toevallige” houtvondsten er nog nodig zijn voordat hout eindelijk de aandacht krijgt die het verdient? Mijn buitenlandse collega’s op het houtcongres blijken archeologisch hout meer op waarde te kunnen schatten dan veel Nederlandse archeologen. Ik denk dat het vooral komt, omdat er zo veel minder archeologisch hout in deze landen bewaard is gebleven. * Kijk ook op www.oneindignoordholland.nl/nlNL/verhaal/8185/een-idool-van-hout

Hoe het in de 14e eeuw boterde tussen Heiloo en Alkmaar.... en wat verder ter tafel komt Mark van Raaij

I

n Heiloo is de laatste jaren aardig wat archeologisch onderzoek verricht, met name rond het Stationsplein (tussen de Heerenweg en de Westerweg) waar, wordt aangenomen, het middeleeuwse buurtschap Ewis heeft gelegen. Daarbij werden niet minder dan acht kuilen met kleiplaggenwanden aangetroffen, waarvan zes in buurtschap Ewis. Allen 14e eeuws. Eerder was in 1996 een dergelijke kuil opgegraven in Limmen. Dit onderzoek in Heiloo heeft veel kennis opgeleverd van vooral de 14e t/m 16e eeuw, een tijdvak dat voor het platteland archeologisch onderbelicht is. Zo is er onder meer nu wat meer inzicht in het opkomen en de ontwikkeling van een buurtschap op de strandwal, ook in relatie tot erven en wegen en de ontwikkeling (waaronder de verstening) van de boerderij en de rol van de kelder daarbij. Gecombineerd met bekende historische gegevens is een eerste beeld verschenen van de relatie stad (Alkmaar) en platteland (Heiloo en Limmen). Het gaat om grote rechthoekige (max. 2 x 6,5 m) tot bijna vierkante kuilen (max 5 x 5 m) waarvan de wanden bekleed zijn met kleiplaggen. De diepte is meestal een kleine meter onder het maaiveld. De vloer was bedekt met klei. In veel gevallen is sprake van begeleidende ingegraven palen waaruit blijkt dat de kelder is aangebouwd aan een schuur (keldergebouw genoemd, zie Afb. 6) of als kelder achter een groot gebouw (woonstalhuis) dan wel als zelfstandig vrijstaand bouwwerk voorkomt (kelderhut genoemd). Hierbij -6-

blijkt ook dat hier bij huizenbouw het gebruik van ingegraven (dakdragende) staanders doorgaat tot in de 14e eeuw (wat ook de laatste jaren elders in Nederland is vastgesteld). Bij mijn onderzoek naar andere verdiepte structuren in Nederland voor de periode 11e t/m de 15e eeuw ben ik geen vergelijkbare keldergebouwen of -hutten tegengekomen. Wel komen in Oost-Nederland even grote vrijstaande vierkante verdiepte structuren voor, echter zonder begeleidende paalsporen. Daarnaast komen bij Utrecht in de 14e/15e eeuw vrijstaande kelders voor nabij boerderijen. Dit kan een aanwijzing zijn dat het gebruik van een kelder op het platteland eerst is begonnen als een vrijstaand bouwwerk of aangebouwd aan een schuur en later achter een woonstalhuis. Deze laatste versie kennen we aan het Stationsplein ook van baksteen en is dan 15e eeuws. Deze kelder achter het gebouw werd in een volgende fase (eind 15e/begin 16e eeuw) vervangen door een grote bakstenen kelder als zijdelingse aanbouw aan het voorhuis. Het gebouw zelf, een langhuisboerderij, kon gereconstrueerd worden door de aanwezigheid van drie overgebleven poeren en de waarschijnlijke achtermuur (het bouwen met ingegraven staanders was in de 15e eeuw dus verdwenen). De afmeting van de boerderij was ongeveer 7 x 19 m. De kelder ongeveer 5 x 7 m. Achter de kelder lag een beerput.


Afb. 6 Plattegrond van keldergebouw K2, Stationsplein in Heiloo. A = karnhok met aangebouwde kelder, 14e eeuw; B = kelder van baksteen, 15e eeuw; C = runderbegraving

De aanwezigheid van een beerput is ongewoon op het platteland evenals de zeer grote kelder. Waarschijnlijk gaat het hier om een herenboerderij met zogenaamde stenen kamer. Dit waren boerderijen in eigendom van welgestelde lieden (vaak stedelijke kooplieden of adel) die de boerderij verpachtten. De stenen kamer is een onderkelderde aanbouw met opkamer en eigen haard waarin de heer (tijdelijk) kon verblijven. Op de kaarten van Laurens Pieterz uit 1560 met percelen uit Heiloo komen vijf van dergelijke L-vormige plattegronden voor, waarvan drie in de kerkbuurt (Afb. 7). In Limmen zijn er twee goed bekend: Dampegeest en Clevesteijn. Beiden in bezit van respectievelijk de adel (Van Tetrode) en een Amsterdamse koopman (Willem Cornelisz). Deze langhuisboerderijen met stenen kamer werden vanaf de 17e eeuw allemaal vervangen door of verbouwd tot (langhuis)stolpen. Zo werd in de 18e eeuw de langhuisboerderij aan het Stationsplein op dezelfde plaats vervangen door een stolp (die weer werd gesloopt in de 20e eeuw). Overigens lagen op dit erf aan de Heerenweg de grenzen vast vanaf de 14e eeuw. Dit is ook bij andere opgravingen in de oude dorpskernen van Heiloo en Limmen wel vastgesteld. Dat verschilt dan nauwelijks met een stad als Alkmaar! Wanneer de geheel inpandige kelder in gebruik kwam is niet helemaal precies bekend. Dat de inpandige kelder al bij het langhuis voorkwam weten we van een opgraving in het verlaten buurtschap Benes in Uitgeest waar door de AWN Zaanstreek in 1979 een dergelijke -7-

boerderij (uit circa 1600) werd opgegraven. In ieder geval worden, landelijk gezien, bij boerderijen geen aan-of inpandige kelders aangetroffen van plaggen, hout of keien (met als mogelijke uitzondering Haagsittard in Limburg). Daaruit blijkt dat de aanvang van deze inpandige kelders gelijk op gaat met de verstening van het platteland. Waarschijnlijk is dat in ieder geval in de 16e eeuw, maar toch vooral de 17e eeuw met de introductie van de (langhuis)stolp waarbij ook de hooiberging inpandig was. De functie van de kelder bij de historische boerderij is goed bekend en heeft vooral te maken met zuivel: essentieel bij de productie van boter, met name het koel kunnen opromen van de melk. Na het karnen kon de (gezouten) boter bewaard worden in de kelder. Voor de productie van kaas was een kelder niet van belang. Dat gebeurde in de werkruimte en stal, waar ook de kaas op planken werden gelegd. We hebben het hier over zuivelproductie bedoeld voor de handel. Deze functie was vrij zeker ook van toepassing op de 14e eeuwse plaggenkelders van Heiloo en Limmen. Een grote impuls voor deze zuivelhandel zal de vraag naar deze producten zijn geweest vanuit de zich in de 14e eeuw explosief ontwikkelende stad Alkmaar. Bovendien was er een export van boter naar Brabant en Vlaanderen. Anderzijds ging het met de graanhandel minder want we zien dat men overging op verbouw van vlas (voor linnen) en hennep (voor touw).

Afb. 7 Heiloo Kerkbuurt in 1560 met drie langhuizen met stenen kamers (zijdelings aangebouwd aan voorhuis)


Dit was mede een gevolg van import van (goedkoop) graan die op gang kwam nadat de veenweidegebieden door de vernatting (bodemdaling door ontwatering) over gingen op veeteelt. Er was tevens een toenemende activiteit anders dan landbouw. Zo groeide de binnenvaart in Limmen en in Heiloo en Limmen de turfstekerij. Op het einde van de 14e eeuw was het echter crisis in de kuststreek, maar ook in de Kop van NoordHolland. De bevolking nam hier sterk af (zoals dat ook in veel gebieden in Europa voorkwam, zogenaamde Wüstungen). Men zocht zijn heil massaal aan de Zuiderzee en de Zaanstreek waar de (internationale) scheepvaart toen op gang kwam. Daarvoor zijn meerdere oorzaken aan te wijzen zoals een landbouw- en arbeidscrisis, bevolkingsoverschot, pestepidemieën, overstromingen, vorming van de Zuiderzee ....maar is een verhaal op zich. In ieder geval werden veel buurtschappen in Kennemerland verlaten (zoals Ewis) en er ontstond een meer verspreide zuiver agrarische bewoning aan de randen

van de strandwal. Waarschijnlijk heeft de oorsprong van het grondbezit van adel en kooplieden met zijn herenhuizen en -boerderijen (zoals hierboven genoemd) hier zijn oorsprong: land en goed was toen voor een appel en een ei te koop. Alkmaar herstelde zich al weer aan het eind van de 15e eeuw. Waarna vanaf de 16e eeuw de kaashandel een grote vlucht nam. Ook in Heiloo en Limmen werden toen enorme hoeveelheden kaas gemaakt en zuivel was van groter belang dan de akkerbouw. De kelders werden nog steeds gebruikt voor de productie van boter. We weten nu dat dit al in de 14e eeuw was begonnen. Dit artikel verschijnt veel uitgebreider onder de titel ‘De laatmiddeleeuwse kelderhutten van Heiloo en Limmen’ in het rapport van Jan de Koning, 2012: ‘Een laatmiddeleeuwse nederzetting langs de Westerweg. Opgraving Heiloo-De Stolp’. Te zijner tijd gratis te downloaden op www.hollandia-archeologie.nl en binnenkort op www.oer-ij.nl.

Eerste verslag opgraving Schagen Nes-Noord 19 juli - 1 augustus 2012 Frans Diederik

D

e site werd helaas niet ontdekt door het vlakdekkend booronderzoek uit 2005, maar tijdens graafwerk voor de nu aangelegde brug waren er door de schrijver wel enkele scherven gevonden in een soort akkerlaag van vette klei. De dichtheid van vondsten was niet heel erg groot en het was voorstelbaar dat zo’n plek bij het boren over het hoofd was gezien. Gedacht werd dat tijdens de verdere aanleg van waterpartijen gekeken kon worden ‘of er meer zat’. Groot was dan ook de verbazing dat in juni van dit jaar bij de aanlanding van enkele persbuizen een gigantische hoeveelheid scherven op de stort te vinden bleek. Het materiaal leek in eerste instantie heel veel op dat wat in 2011 in het zelfde gebied was opgegraven door het ADC. Overleg tussen projectontwikkelaar Vliedlande BV, de gemeente Schagen, de Provincie Noord-Holland en de Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland, leidde gelukkig tot het nemen van verantwoordelijkheid voor dit stuk belangrijk bodemarchief. De Werkgroep bood aan de site te onderzoeken en de andere partners in het overleg zegden (financiële) medewerking toe, mits de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed haar toestemming zou verlenen. Dit gebeurde enkele dagen later, zodat de opgraving gepland kon worden.

-8-

Vooruitlopend op een grote put moest eerst het leidingentracé voor de nutsvoorzieningen worden onderzocht; dit nam twee dagen in beslag en leerde het volgende: De laag waar de vele scherven uit tevoorschijn waren gekomen was 12 tot 15 cm dik en bestond uit as, scherven en botten, waarvan alles was verbrand. Deze laag had in het oosten een scherpe scheiding met een venige zwarte kleilaag waarin uitsluitend onverbrand materiaal aanwezig was. Onder de aslaag en iets daar buiten bleek een laag plaggen te zijn aangelegd, waarschijnlijk ter versteviging van een loopvlak. De scheiding met de middeleeuwse klei bovenop de aslaag was heel scherp, zodat gedacht werd aan het tijdelijk ‘bloot’ liggen van de vondstenlaag. Voorts werd geconstateerd dat de gehele laag waarin zich vondsten bevonden, absoluut niet vlak lag, maar dat er sprake was van grote hoogteverschillen op korte afstand. Dat er in dit kleine onderzoek toch al een middeleeuwse sloot werd gevonden, was niet erg verbazingwekkend, aangezien dit, in het eerder genoemde onderzoek van het ADC, vele tientallen keren het geval was geweest. De vondsten gaven aan dat de plek ergens tussen 350 en 275 v. Chr. bewoond moet zijn geweest.


Afb. 8 Doorsnede van de laag met as en scherven waar het allemaal mee begonnen was. Op de onderste (wad)afzettingen ligt een restant van venige vette klei, dan de vondstenlaag die afgedekt wordt door zeer vette (kwelder)klei.

Afb. 9 Op deze foto is goed de accidentatie van de ondergrond te zien; de vondstenlaag is hier in zijn geheel al verwijderd. In de put waren twee lage stukken aanwezig, die het gevolg zijn van ongelijke klink van de bodem daaronder.

Voor het grotere onderzoek werd via eigen kanalen de hulp ingeroepen van vrijwilligers. Uiteindelijk hebben 25 vrijwilligers meegedaan aan het onderzoek dat 12 dagen in beslag heeft genomen. Samen leverden deze mensen ruim 90 werkdagen – een fantastisch resultaat! Onder de vrijwilligers bevond zich een drietal archeologiestudenten voor wie dit een mooie gelegenheid was om veldervaring op te doen.

Omdat alles dat zich in de vloer bevond was verbrand, maar er geen sporen waren van een catastrofe zoals het verbranden van het huis, wordt nu gedacht aan het opzettelijk verhitten van oud aardewerk om het daarmee hard genoeg te maken voor verharding. De gevonden scherven zijn alle bijzonder hard en perfect bewaard, in tegenstelling tot de niet verbrande scherven buiten de vloer.

RCE Onderzoeksmelding 52752 Dat is de code waarmee het onderzoek bij de RCE staat geregistreerd. Op 19 juli ging het onderzoek daadwerkelijk van start met het graven van een werkput van 35 bij 10 meter; bij goede resultaten kon daar nog een tweede, even grote put zuidelijk naast worden gelegd. De machine en machinist waren beschikbaar gesteld door de firma G. Noor.

Onder de huisvloer kwamen overal de plaggen tevoorschijn die uitermate rijk aan fosfaten waren. Ook had er op enig moment afzetting van natuurlijk gevormd ijzer plaatsgevonden; in de vorm van ijzer ‘pijpjes’ en concreties op vooral scherven.

De put werd aangelegd tot een niveau waarop de eerste vondsten zichtbaar waren en zou verder met de hand worden uitgegraven. Er werd gekozen voor de ‘Engelse aanpak’, dat wil zeggen dat vondstenlagen werden gevolgd, ook al leverde dat geen vlak onderzoeksveld op. De grote accidentatie van de vondstenlaag zou een onnodig ingewikkeld beeld opleveren als gekozen was voor waterpas aangelegde vlakken. Bovendien was er voldoende menskracht aanwezig voor deze arbeidsintensieve aanpak. Sporen en vlakken Bij het blootleggen van het eerste vlak kwam de laag met as en scherven al snel tevoorschijn en tekende zich redelijk scherp af tegen de donkere vette humeuze klei daarnaast. Dit spoor werd verondersteld een huisvloer te zijn en werd verdeeld in 4 stroken van ieder drie meter breed om op deze wijze eventuele materiaalgroepen later te kunnen plaatsen. -9-

Voorts bleken ook nog aanwezige stukken veen geheel ‘verijzerd’ te zijn. Hoewel wat laat in het proces van uittroffelen van de laag werd het belang van deze veenbrokken duidelijk: zij vormden de begrenzing van de huisvloer en maakten waarschijnlijk ooit deel uit van de fundering van de muur. Bij het volledig vlakken van de onderkant van de vondstenlaag, bleken er gelukkig nog voldoende brokken veen aanwezig om deze veronderstelling te staven. Paalgaten, noch enige andere door mensen gemaakte ingravingen werden waargenomen. Hieruit kan worden aangenomen dat er ten tijde van de bewoning nog minstens een halve meter natuurlijk veen aanwezig geweest moet zijn. De hoeveelheid en verscheidenheid aan aardewerk is zo groot (enkele duizenden randen en bodems) dat hier kwantitatieve berekeningen op losgelaten kunnen worden, net als op het voorkomen van de verschralingswijzen.


gebruik zijn daarin geen patronen als spitsporen of ploegsporen meer te herkennen. Omdat deze akkerlaag door het mooie weer veranderd was in een betonbaan waar een Boeing op had kunnen landen, is deze maar voor een klein gedeelte onderzocht.

Afb. 10 Duidelijk zichtbaar zijn hier de plaggen onder de vondstenlaag.

Afb. 12 Profiel van de akker: alleen de onderste laag bevat IJzertijd materiaal; de twee andere zijn van later datum en zijn niet antropogeen.

Vondsten De overgrote meerderheid van de vondsten bestaat uit aardewerk. Weinig, en dan meest verbrand, bot werd gevonden. In het veld werden paard, schaap en hond aan gebitsdelen herkend. Een fragment van een slijpsteen, een stuk van een hamersteen (kubussteen) en (later) uit de akker een complete kubussteen, waren de enige stenen voorwerpen.

Afb. 11 De roestbruine verkleuringen zijn ijzerhoudende turven die mogelijk onderdeel van de fundering van de wanden van het huis zijn geweest.

Akker Naast de middeleeuwse sloot die in het vooronderzoek al tevoorschijn kwam, bleken er nog vier (post)middeleeuwse sloten het opgravingsvlak te verstoren. Zo kon de overgang van de huisplaats naar de akker, westelijk daarvan, niet exact bepaald worden. De akker bestaat nu uit een laag van 10 tot 15 cm zeer vette roestige grijze klei die vooral onderin (relatief) veel scherven bevat. Het vlak onder de akker bevat bewerkingssporen, maar waarschijnlijk door zeer vele jaren van

Er werden enkele spintollen en opvallend veel speelschijfjes gevonden. Opvallend onder het gebruiksaardewerk zijn met plastische vingerrijen versierde potten die mijns inziens in deze ‘overall-decorated’ vorm tot nog toe in de literatuur onbekend zijn. Ook andere plastische versieringswijzen zijn tot nog toe in NoordHolland niet eerder gevonden, maar lijken wel contemporaine parallellen te hebben in de omgeving van Den Haag! Naast deze mogelijk zuidelijke invloed zijn ook Ruinen-Wommels vormen goed vertegenwoordigd. Opvallend is het redelijk ruime voorkomen van geometrisch aardewerk dat in Noord-Holland maar sporadisch is aangetroffen. Het volledig ontbreken van streepbandaardewerk geeft in ieder geval een ‘terminus-antequem’, evenals het ontbreken van ‘wilde’ krassen en lijnen. Ook de later veel voorkomende versiering met kamstreek komt vrijwel niet voor (een enkel stukje gezien).

- 10 -


Afb. 13 Delen van een geheel met vingertop/nagel versierde pot uit spoor 18. Uit andere sporen zijn bodem en rand bekend, zodat dit type pot waarschijnlijk op papier volledig kan worden gereconstrueerd.

Afb. 15 Afbeelding uit Van Heeringen 1989 van een pot gevonden aan de Laan van Meerdervoort te Den Haag, met een opmerkelijke gelijkenis met de pot uit Nes Noord. De datering is vanaf 300 v. Chr.

Afb. 16 Geometrisch versierd aardewerk, vers uit de grond; de tientallen fragmenten zijn tot nog toe de grootste hoeveelheid die ooit in Noord-Holland is gevonden.

Afb. 14 Frequent komen echter potten voor met rillen en brede groeven op de schouder; deze worden gezien als voorlopers van het streepbandaardewerk en dateren waarschijnlijk van rond 300. Op de doorsnee is duidelijk de â&#x20AC;&#x2DC;rilâ&#x20AC;&#x2122; te zien.

Een groot gedeelte van het aardewerk is verschraald met potgruis; een kleiner gedeelte met schelpgruis en maar enkele stuks verschraald met zand. Opmerkelijk zijn enkele scherven (veel moet er nog worden schoongemaakt) waarin fijngestampt gecalcineerd bot is verwerkt! Goede vergelijkingen kunnen worden gemaakt met het aardewerk van Texel dat door Woltering is gepubliceerd. Maar ook de indeling van het aardwerk uit het Romeinse fort Velsen, waar veel IJzertijd keramiek aanwezig was, is goed toepaspaar op het aardewerk uit Nes Noord.

Waarschijnlijk is het nu mogelijk om een echte NoordHollandse stijlgoep van Midden-IJzertijd aardewerk te destilleren uit deze drie vindplaatsen.

Afb. 17 Voorlopige opgravingsplattegrond met de belangrijkste sporen zonder maatvoering (de bovenste lijn is 35 m en de gem breedte is 11 meter). Blauw is bestaand water; grijs zijn middeleeuwse sloten; donkergrijs is venige vette klei; oranje is de huisvloer en de kleine bruine stukjes daar omheen zijn veenbrokken. Wit is recent verstoord.

- 11 -


Afb. 18 Bijna 1:1 afbeelding van enkele van de meer dan 35 fragmenten van een unieke pot met fijn geknepen richeltjes met daartussen verticale lijnen. Andere delen hebben nagelindrukken of indrukken van kleine stokjes tussen de richels.

- 12 -


Hooghuizen, een “begraven hofstede” in Limmen en vroege bewoningssporen op de strandwal Ron Duindam, werkgroep archeologie Limmen

E

nkele jaren geleden werd door de archeologische werkgroep Limmen op een luchtfoto uit 1945 van de Royal Air Force een grachtenstelsel ontdekt in Limmen in een weiland genaamd Hooghuizen en op het aangrenzende weiland genaamd de Hoge Weid (Afb. 19). Beide percelen worden gescheiden door een smalle middeleeuwse sloot. De percelen zijn in bezit van twee eigenaren. Het terrein ligt op een uitloper van de strandwal van Limmen. Het grachtenstelsel is gesitueerd op het uiterste puntje van deze strandwal. Het tijdstip van de opnames van de luchtfoto’s, namelijk februari 1945, zorgde er voor dat verdwenen ondergrondse structuren zichtbaar werden (groeistress genaamd).

Afb. 19 Luchtfoto uit 1945 van de weilanden Hooghuizen en de Hoge Weid

Nader onderzoek door middel van een terreinbezoek en boringen door de archeologische werkgroep Limmen maakte duidelijk dat het om een systeem van concentrische grachten gaat met als kern een rechthoekig omgracht terrein. Het binnenterrein meet 80 x 100 meter, tot de buitenkant gemeten komen we op 125 x 125 meter. De Provincie werd ingeschakeld en besloten werd om door middel van grondradar een onderzoek te laten instellen. Uit dit radaronderzoek kwam de bevestiging dat er inderdaad sprake was van een grachtenstelsel. Besloten werd om een proefsleufonderzoek in te laten stellen door archeologisch bedrijf Diachron. Menno Dijkstra kreeg de opdracht om dit onderzoek uit te voeren. Uit het booronderzoek kwam naar voren dat er behalve een cultuurlaag uit de ijzertijd, Late Middeleeuwen, ook een tweede dieper gelegen prehistorisch niveau aanwezig was. Uit een eerder booronderzoek op het terrein de Hoge Weid waren al verschillende cultuurniveaus in kaart gebracht door de werkgroep en sluit daarmee aan op de bevindingen van Hooghuizen. De sporen van grachten en sloten die in verband kunnen worden gebracht met de begraven hofstede Hooghuizen zijn te dateren in de Late Middeleeuwen. Uit historische bronnen is niets bekend over dit kasteelterrein. Het

centrale middenterrein was bereikbaar via een toegangsweg uit het oosten en was 6 meter breed. De baksteenvondsten uit de binnengracht zijn te dateren tussen 1375-1625. In het binnenterrein stonden één of meer met leisteen bedekte stenen gebouwen. De verdedigbare functie van de buitenring lijkt symbolisch, maar was door de aanleg van meerdere ringen wel effectief genoeg om de potentiële vijand te vertragen in de aanval. Op basis van de naam Hooghuizen, de aanwezigheid van een centrale gracht en het gebruik van bakstenen zou de vindplaats op het eerste gezicht gekarakteriseerd kunnen worden als een kasteelterrein. Het is alleen de vraag of we daarbij moeten denken aan een effectief verdedigbaar kasteel. Juist in de Late Middeleeuwen, vanaf 1450, treffen we een groot aantal omgrachte adellijke huizen aan die niet verdedigbaar waren. Voor Hooghuizen kunnen we het beste spreken van een “begraven Hofstede” (begraven betekent omgracht of omgraven). Op grond van zeldzaamheid is Hooghuizen zeker behoudeniswaardig, het is één van de weinige vindplaatsen van een begraven hofstede in de regio. Ondanks naarstig speurwerk zijn wij er tot nog toe niet in geslaagd om vast te stellen wie de eigenaar/bewoner van dit gebouwencomplex is geweest. Over het op korte afstand gelegen (verdwenen) Dampegheest, gesitueerd op het voetbalterrein van de vv Limmen, is heel veel bekend, terwijl beide gebouwen ongeveer in dezelfde periode hebben bestaan. Prehistorie Er valt wel een kanttekening te plaatsen bij de vondst van de prehistorische eergetouw ploegsporen, het is alleen bij een constatering gebleven, er zijn helaas geen monsters genomen om vast te kunnen stellen uit welke periode de sporen afkomstig zijn. Op het perceel de Hoge Weid namelijk is door de werkgroep Limmen door middel van een megaboor een jaar eerder onderzoek verricht. Door een hoge boordichtheid toe te passen kwam als resultaat een compleet ondergronds landschap tevoorschijn. De maalsteen van Limmen is aan dit ondergrondse landschap te relateren en is te dateren Laat Neolithicum / Vroege Bronstijd. Een booronderzoek door ons verricht vorig jaar ter voorbereiding van het proefsleufonderzoek op het terrein van Hooghuizen voor Diachron leverde o.a. een steentijd/bronstijdscherfje op in de edelmanboor (rood/bruin, steengruis gemagerd). De maalsteen van Limmen is van graniet en werd 30 jaar geleden gevonden bij het egaliseren van het terrein van Hooghuizen in de directe nabijheid van de begraven hofstede (Afb. 20). Wat de maalsteen bijzonder

- 13 -


maakt is dat de zgn. wrijfsteen of loper tezamen met de ligger is gevonden. Waarom een dergelijke complete maalsteen werd achtergelaten blijft een raadsel, zeker als men bedenkt dat een maalsteen voor de mensen een grote waarde vertegenwoordigde. Graniet komt in onze streek niet voor en kan afkomstig zijn van Wieringen of de Veluwe. Het voert te ver om van allerlei veronderstellingen uit te gaan over de reden van het achterlaten van deze maalsteen. De maalsteen bevindt zich bij de Stichting Oud Limmen.

Afb. 21 Ruinen Wommels 1 pot

Afb. 20 De maalsteen van Limmen

Ruinen Wommels In 1952 werd een waterleiding gelegd voor het transport van water uit het IJsselmeer naar de duinen, tijdens het graven van de sleuf door het weiland Hooghuizen werden scherven gevonden van een Ruinen Wommels 1 pot (Afb. 21), samen met enkele scherven van een 2e pot, tot op dat moment een unieke vondst. Later werd een RW pot gevonden op het terrein van Hoogovens en ook bij Zandvoort werd een dergelijke vondst gedaan. Ruinen Wommels 1 is te dateren 600 v. Chr. (IJzertijd.). De RW pot bevindt zich bij de Stichting Oud Limmen. Bijlfragment In de directe nabijheid is ongeveer 25 jaar geleden een stenen bijlfragment gevonden (Afb. 4). De bijl was gebroken op het boorgat en werd in een aardbeienbed gevonden. Het fragment is in particuliere handen en is nooit meer boven tafel gekomen. Dit bijlfragment is te dateren Laat Neolithicum of Vroege Bronstijd. De conclusie is dat de verschillende indicatoren ons met zekerheid vertellen dat wij aan de oostkant van de strandwal van Limmen de tot nog toe vroegste bewoningssporen op de strandwal hebben aangetroffen.

1944 Tot slot: Op het terrein van Hooghuizen is in 1944 een De Havilland Mosquito jachtbommenwerper ter hoogte van de buitenste gracht van de hofstede neergestort, er werd tijdens het archeologisch onderzoek een aantal aluminium fragmenten gevonden van de motor van het vliegtuig en diverse 20 mm patroonhulzen, een gesp en een koperen doosje. De vliegenier en de navigator zijn op het kerkhof bij de protestantse kerk aan de Zuidkerkelaan in Limmen begraven.

Afb. 22 Het bijlfragment uit Limmen

- 14 -


Archeologisch onderzoek bij de Kooger Kerk op 13 september 2012 te Zuid-Scharwoude Wijb Ouweltjes

A

chter de kerk, op de plaats waar het onlangs gesloopte ‘lijkenhuisje’ stond, wordt archeologisch onderzoek gedaan naar eventuele resten van vroegere kerkgebouwen op de plaats van de huidige kerk. Op deze plaats wordt binnenkort een multifunctioneel gebouw geplaatst hetgeen dit onderzoek noodzakelijk maakt (Afb. 23).

Afb. 23 De opgraving achter de Kooger Kerk

De oppervlakte van het te onderzoeken gebied is ± 50 m² en bevindt zich aan de oostkant van de kerk. Aansluitend aan deze plek is in zuidelijke richting is een poos geleden door RAAP al onderzoek naar bouwresten gedaan waarbij niets is gevonden. Het onderzoeksgebied is tot een diepte van 1.40 m onder het maaiveld voorzichtig afgegraven. Op deze diepte bevindt zich een laagje puin van ± 5 cm dik met daarin veel stukjes leisteen, vermoedelijk weggewerkt puin van een voorganger van de huidige kerk. Behalve de fundering van het onlangs gesloopte ‘lijkenhuisje’ worden geen resten van vroeger bouwwerk aangetroffen. In de volledig verstoorde bodem wordt een tweetal losse vondsten gedaan. De eerste is een kapotte grafsteen van Pietertje Nol, geboren in 1870, echtgenote van Louris Bo….. De tweede vondst is het skelet van een volwassen persoon. De ligging van de overblijfselen is ruw verstoord door vroegere beweging in de bodem. Een heupgewricht ligt tegen de linkerwang. De schedel, in de grond nog enigszins intact, valt bij lichte aanraking in stukken uiteen. De resten zijn zo goed mogelijk verzameld en worden op het kerkhof op een apart plekje ‘bijgezet’ (Afb. 24).

Het onderzoek wordt uitgevoerd door RAAP WestNederland. De leiding heeft Ferry van der Wal met medewerking van Nadine Conradi, junior medewerkster van RAAP. De begeleiding namens de gemeente wordt gedaan door Gerard Alders van de Cultuurcompagnie. Veel aanvullende informatie over de kerk en de omgeving komt van J.A. Jong van de Stichting SintPieterskerk. Het soms lastige graafwerk wordt zeer goed uitgevoerd door het bedrijf DENZO. De kerk van Zuid-Scharwoude wordt voor het eerst genoemd in 1094 op een in Utrecht bewaarde oorkonde waarin melding wordt gemaakt van een kapel in ‘Sudrekercha’. Vermoedelijk was het een houten of tufstenen gebouw(tje). Aan het eind van de twaalfde eeuw werd daar een driezijdig koor aan gebouwd. In de vijftiende eeuw komt er een nieuwe bakstenen zaal kerk met een zware toren aan de westkant. De huidige kerk is van 1819 en volledig herbouwd op de oude funderingen. In 1905 is de inpandige toren gebouwd. Er zijn geen kaarten of tekeningen van oudere kerken op deze plek bekend. In 1981 zijn bij een inpandig onderzoek door Dr. H. Halbertsma bouwresten van de voorgangers van de tegenwoordige kerk gevonden*.

Afb. 24 Twee schedeldelen

Het onderzoek is hiermee voltooid. Dat er weinig is gevonden is geen probleem, want in de archeologie geldt: Geen vondstresultaat is ook resultaat.

*Opgravingen in de Sint-Pieterskerk te Zuid-Scharwoude, zie www.koogerkerk.nl/geschiedenis/opgravingen/opgr.htm

- 15 -


Agenda In Natuurmuseum Westflinge is nog steeds een speciale archeologiehoek rond een nieuw aangeschafte vitrine te bekijken. In deze door RAG verzorgde vitrine worden bijzondere vondsten uit de wijde regio getoond. Kijk voor openingstijden op de website van Natuurmuseum Westflinge www.museumwestflinge.nl. Meer archeologie in de regio is te zien in: Ø Museum Het Regthuis in Oudkarspel (openingstijden en bereikbaarheid zie www.langedijkerverleden.nl); Ø Molenschuur bij molen "De Gouden Engel" in Koedijk (www.koedijk.org); Ø Stg. Regionale Archeologie ”Baduhenna in Heiloo (www.baduhenna.nl). Lees meer over deze exposities in Voor de kramen langs op blz. 2 e.v.

Bezoek “Poldergeest on line” www.rag-archeologie.nl Oók voor actuele agendagegevens

Van de penningmeester De meeste RAG-donateurs hebben hun financiële bijdrage aan de Stichting RAG inmiddels overgemaakt. Hiervoor onze hartelijke dank. Op de betaling van enkele donateurs wachten wij echter nog. Aan hen het vriendelijke verzoek hun bijdrage 2012 van minimaal € 7,-- over te maken op betaalrekening 779146 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar.

Colofon POLDER9EEST is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland en Afd. 9 AWN i.o. en verschijnt twee maal per jaar. Voorlopig bestuur Afd. 9 AWN i.o.: Frans Diederik, voorzitter, Jaap van Rossum, secretaris Frans Muller penningmeester

fransdiederik@quicknet.nl javaros@hetnet.nl fl.muller@hccnet.nl

tel. 0224-296548 tel. 072-5157122 tel. 0224-591290

Bestuur RAG: Ger Kalverdijk, Dick Zuiderbaan Jaap van Rossum, Wijb Ouweltjes, Frans Diederik, Arend Grijsen,

g.kalverdijk@planet.nl d.j.zuiderbaan@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ouweltjes@quicknet.nl fransdiederik@quicknet.nl grijshaar@quicknet.nl

tel. 072-5330679 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122 tel. 0226-313138 tel. 0224-296548 tel. 0224-215391

voorzitter, secretaris, penningmeester, bestuurslid, bestuurslid, bestuurslid,

Stichting RAG

info@rag-archeologie.nl

Redactie: Jaap van Rossum

Inschrijvingsnummer Kamer van Koophandel: 37116370 Begunstiger worden van de St. RAG? Dit kost € 7,-- per jaar. Stort dit bedrag op betaalrekening 779146 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar. Vermeld a.u.b. uw e-mail en bij internet bankieren ook uw adres.

- 16 -

Profile for Stichting RAG

Poldergeest 15  

Informatiebulletin Stichting RAG

Poldergeest 15  

Informatiebulletin Stichting RAG

Advertisement