Page 1

POLDER9EEST NIEUWSBULLETIN VAN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE “GHEESTMANAMBOCHT” ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND AFD. 9 AWN I.O.

Jaargang 8, nr. 14

mei 2012

Archeologie in Westflinge

En verder o.a.:

• • • •

Castricum Sint Pancras &Vronen Grootschermer De oudste droogmakerij

Inhoud Poldergeest 14 Van de voorzitter van AWN Afdeling 9.................................................................................................2 De POLDER9EEST dansend in de Negensprong .................................................................................2 Websites over archeologie ......................................................................................................................3 Vronen, een omstreden gebied ...............................................................................................................4 Archeologisch Onderzoek in St Pancras................................................................................................5 De plek van het oude gemaal van de Kerk en Dergmeer; een onderzoek waard? ...............................7 Silke’s column.........................................................................................................................................7 Welke is de oudste? ................................................................................................................................8 Een Middeleeuwse duinbeek op de Zanderij te Castricum ..................................................................9 Uw e-mailadres graag! ......................................................................................................................... 13 Archeologie in natuurmuseum ‘Westflinge’........................................................................................ 14 In memoriam Drs. Carla Rogge........................................................................................................... 15 Agenda .................................................................................................................................................. 16 Colofon.................................................................................................................................................. 16

-1-


Van de voorzitter van AWN Afdeling 9 Frans Diederik

A

ls voorzitter van de AWN-afdeling 9, NoordHolland Noord, heet ik alle leden van de AWN, Vereniging van vrijwilligers in de archeologie, die vandaag dit blad ontvangen, hartelijk welkom in een heropgerichte afdeling die de ambitie heeft om met een blad en een lezing- en excursieprogramma de leden dichter bij de archeologie te brengen. Eind 2011 is er een tijdelijk bestuur aangetreden dat zich tot doel heeft gesteld om binnen een jaar een samenwerkingsverband aan te gaan met alle verenigingen en werkgroepen die de archeologie in ons gebied een warm hart toedragen en uit die samenwerking een definitief bestuur te vormen dat door iedereen wordt gedragen. Dan pas heeft heroprichting van de AWN in onze regio werkelijk zin. De eerste besprekingen van vertegenwoordigers uit Heiloo, Limmen en Castricum (Baduhenna, Werkgroep Oer-IJ) met mensen van de RAG en de werkgroep uit

Schagen, hebben al plaatsgevonden in een positieve sfeer. We hopen hen in juni te betrekken bij de besprekingen. Samenwerking tussen de RAG en de werkgroep uit Schagen was al een feit en het blad ‘Poldergeest’ werd mede gevuld door nieuws uit Schagen en omstreken. Het ligt in de bedoeling om de Poldergeest om te bouwen (= uit te breiden) tot een tijdschrift voor alle in archeologie geïnteresseerden binnen het werkgebied van AWN afdeling 9. Nieuws uit het Geestmerambacht, overig Noord-Kennemerland en Schagen kan dan door een veel breder publiek worden gelezen. Bovendien willen we de actualiteit en de rechtstreekse contacten ook graag gaan onderhouden met een regelmatige emailing. Namens het nieuwe bestuur wens ik u veel leesplezier en hoop u dit najaar te treffen op een van de lezingavonden die wij van plan zijn te organiseren.

De POLDER9EEST dansend in de Negensprong Ger Kalverdijk

D

e lezer zal het niet ontgaan zijn dat de rust van de blauwe POLDERGEEST-letters op het titelblad is verstoord door een rood cijfer 9 op de plek, waar al weer 7 jaar lang een letter G stond. Een vergissing van de drukker bij het grabbelen in de digitale letterbak ligt voor de hand: de gelijkenis in de vorm van letter en cijfer is redelijk aanwezig. Maar de bloedkleur van het negenoog. een steenpuist tussen tien blauwe lettertenen, liegt er niet om: hier zal wel sprake zijn van een creatief redactioneel plaagstootje. De bescheiden opgegroeide Poldergeest lijkt door deze karbonkel, ook nog op de elfde plaats, letterlijk even uit het lood gebracht en uit de teen te vallen. Of wilde de redactie een rode vuursteen als sieraad aan de voet van ons trotse Poldergeest laten flonkeren, geïnspireerd door Silke’s mooie verhaal over haar Helgolandse vuurstenen in de vorige POLDERGEEST? Onze intelligente lezers (dat zijn de meeste archeologen) weten natuurlijk al lang dat bovenstaande letterspielerei verklaard kan worden door de ondertiteling in de kop van ons nieuwsbulletin. Daarin wordt namelijk de AWN-afdeling 9 voor het eerst naast de RAG en de WKNH aangekondigd. Over de herrijzenis als Afdeling 9 van de ingeslapen Afdeling 2 door een initiatief van onze twee werkgroepen heeft Frans Diederik, als trekker van de nieuwe afdeling, hiervoor al een inleidend woord geschreven.

-2-

Wij zijn blij dat Frans Diederik, Jaap van Rossum en Frans Müller bereid waren het voortouw te nemen om de herrezen afdeling dit jaar naar een statutair volwassen status te slepen. Daarbij hopen wij dat het mag lukken aan het einde van dit jaar een definitief bestuur te vormen, waarvoor onze loyale steun wenselijk is. De rode vuursteen-9 kan men dus maar het beste beschouwen als een symbolische prikkel die wij laten uitgaan naar het bijna verdubbelde aantal lezers dat kennismaakt met deze nieuwe Poldergeest. Zo’n vijftig AWN-ers tussen Texel en Heemskerk zullen deze POLDERGEEST ontvangen, naast de ongeveer honderd lezers die de opbloei van ons kleurige archeoregioblad eerder meemaakten. In de nazomer starten pas de eerste activiteiten van Afdeling 9, omdat na het administratieve deel eerst ook de financiële rompslomp met o.a. het Hoofdbestuur van de AWN geregeld moet zijn. Dan pas kan de sprong naar Afdeling 9 gemaakt worden. Op de Agenda zijn echter de activiteiten al deels aangekondigd. Andere zullen nog nader besproken worden in de volgende Poldergeest. Nieuwe ontwikkelingen bijv. over de opgravingen worden, met hopelijk in de toekomst ook jullie inzendingen, zo goed mogelijk actueel gehouden op de website van onze onvolprezen redacteur webmaster Jaap van Rossum. De Polder9eest-redactie wordt trouwens liefst ook geen “pollergeist”, die steeds moet aankloppen om de honger


aan kopij te stillen. Geen bedelman maar een edelman. De Poldergeest kan dan, door de sprong naar een verdubbeld aantal lezers in Afdeling 9, waardig als een edelman in de Negensprong meedansen. De Negensprong beschouwe men maar als een moderne Noordhollandse variant van de Zevensprongdans. De laatste geldt nog altijd als de bekendste gezongen volksdans in grote delen van Europa. De rondgaande kringdans begint met de handen op elkaars schouders en in de zang wordt gevraagd of je wel dansen kan, waarna het enthousiaste antwoord luidt: “Ik kan dansen als een edelman” Vervolgens wordt dat gedemonstreerd met zeven steeds heftiger wordende sprongen naar het midden. De dans wordt ook zeven keer herhaald en de laatste dans eindigt met alle neuzen in het midden bij elkaar. Met veel vrolijkheid wordt hiermee de eenheid van de kringdansers centraal bekrachtigd. De symboliek lijkt me duidelijk en kan als voorbeeld voor onze nieuwe afdeling van de AWN gelden. Voor de Afdeling-9 èn voor de Poldergeest geldt: allen voor één, maar ook één voor allen! Ook dit woordenspel over de negensprong is alleen maar als symbolische prikkel bedoeld. Het zou te gewaagd zijn te veronderstellen dat wij, als serieuze gravers ook gaan volksdansen en zingen. Hoewel de vreugdedansen in 2010 van Marielies bij de verrassende vondst door een klein kind achter hun boerderij en van Ron in 2011 bij de sensationele ontdekking van een hamerbijl verdacht veel overeenkomst vertoonden met de zojuist beschreven Negensprong. Na deze vooruitblik op een hopelijk zonnige toekomst nog even iets over de inhoud van deze POLDER9EEST. Allereerst hebben wij het overlijden van Carla Rogge willen gedenken die zoveel voor de cultuurhistorie in Alkmaar en onze regio heeft betekend. Wij danken Rino Zonneveld, voorzitter van de OER-IJ-groep voor zijn uitvoerige en goed gedocumenteerde verhaal, een mooie bijdrage van een groep harde werkers. In navolging van de eerder in de POLDERGEEST geplaatste

artikelen uit de zuidelijke regio van Simon Bakker, Marielies van Lente, Chris Streefkerk en Silke Lange is het goed op deze manier van elkaars kennis en ervaringen te leren. Onze trouwe veldwerker Wijb Ouweltjes brengt verslag uit van de opgravingen in het afgelopen jaar in SintPancras. Het (herhaalde) onderzoek van het oude Vronekerkhof in hetzelfde dorp was de reden voor Frans Diederik een verhaal te schrijven over de achtergronden bij de schedels, die nog getuigen van de verloren Westfriese onafhankelijkheidsstrijd in de 13de eeuw. Heel inspirerend voor de toekomst vinden we de prettige samenwerking met het wetenschappelijk verantwoorde Westflingemuseum in Sint-Pancras. In het voormalige gemeentehuis tegenover de kerk heeft Arie de Boer met zijn staf van vele vrijwilligers weer een vernieuwde veelzijdige collectie ondergebracht. Daarbij is voor ons een speciale hoek en een fraaie forse vitrine gereserveerd, door Frans Diederik ingericht. Bij de museumopening van 4 maart en de open museumdag op 15 april heeft hij voor een flink publiek een lezing gehouden over de getoonde objecten. Een bezoek à raison van slechts één euro entree is zeker aanbevolen! Wij zijn blij dat Silke de column weer heeft gevuld met heel veel interessante ondergrondse en bovengrondse nieuwtjes uit Heiloo en omgeving. En last but not least: het bestuur prijst zich heel gelukkig met de vervulling van de secretarisvacature door de toetreding van Dick Zuiderbaan uit Oudkarspel. Als secretaris van de Stg. Langedijker Verleden is hij een bindende kracht met een voor ons heel belangrijke achterban. Welkom in onze archeologische kring Dick! Ook heel welkom zijn de 12 donateurs, die gedurende het jaar 2011 het aantal begunstigers van Stichting RAG opvoerden tot 68. Hier zijn hun namen: J.J.M. (Jac) Moras, P.J. Droog, B. (Bertus) Hoeve, A. (Arie) Kaan, J.J. Verhoog, Cor Visser, W. v. Schaik, N.P. Stroet, H.J. Tijssen, Simon l'Ami, J. van den Kommer en P.C. (Piet) Mosch.

Websites over archeologie De verschillende archeologische clubs in het gebied van AWN Afd. 9 i.o. hebben elk een eigen website met veel interessante informatie. Bezoek ze eens. Dit zijn ze: o o o o o o

Archeologische Werkgroep Kop Noord-Holland: Archeologische Werkgroep Oer-IJ: Stichting Oud Limmen: Stichting Regionale Archeologie Baduhenna: Stichting Regionale Archeologie Gheestmanambocht: Stichting Werkgroep Oud-Castricum:

www.nieuwenes.nl www.oer-ij.nl www.oudlimmen.nl www.baduhenna.nl www.rag-archeologie.nl www.oudcastricum.com

Website van de landelijke AWN - Vereniging van vrijwilligers in de archeologie: www.awn-archeologie.nl -3-


Vronen, een omstreden gebied Frans Diederik

I

n november 2011 werden de resultaten bekend gemaakt van het onderzoek naar de menselijke resten die in 1991 waren gevonden bij het verdwenen plaatsje Vronen - het resultaat van het onderzoek bracht oorlogsmisdaden aan het licht. Geschiedenis De oudste vermelding, uit 1083, noemt ‘Vranla’, ‘Het Koninklijke Bos’ en de kerk daarvan die eigendom is van de Graaf van Holland. De bron van de oudste geschriften over dit grafelijk bezit gaat waarschijnlijk al terug tot het eind van de tiende eeuw, het begin van het Graafschap Holland. Wat was er zo belangrijk aan Vronen dat het rechtstreeks in handen was van de Graaf? Strategische ligging Hoewel ‘Frisia’ zich aanvankelijk over geheel Holland uitstrekte, werd de naam Holland steeds vaker gebruikt voor het gebied ten westen van de rivier de Rekere. Hierbij werd een nog ouder gebied ‘Kinhem’ (Kennemerland) in twee delen geknipt, omdat van oudsher tevens de Geestmerambacht tot Kennemerland werd gerekend. Dit was natuurlijk niet zo vreemd, omdat de Geestmerambacht was ontgonnen vanuit Schoorl en Bergen die deel uitmaakten van Kinhem. Hoe het ook zij, de Rekere maakte het moeilijk om van het ene deel in het andere te komen. Slechts op een paar plekken was de rivier ondiep en bezat een harde bodem, zodat ze daar doorwaadbaar was. Aan het eind van de strandwal waar Limmen en Alkmaar op liggen, lag de ‘Ossenvoorde’, de strategisch belangrijke doorwaadbare plek. Vroege grafelijke bemoeienis Voor alle verkeer tussen Kennemerland en ‘Frisia’ konden belastingen (tol) worden geheven bij de ‘Occenvorde’ zoals we de plek in geschriften ook wel genoemd vinden. Dit betekende dat er een steunpunt in de vorm van een kasteel in de nabijheid moest worden aangelegd voor het geval men niet vrijwillig de tol wilde betalen. Uiteindelijk werden er zelfs drie kastelen op korte afstand van elkaar neergezet: de Torenburg, de Nijenburg en de Middelburg. Deze drie kastelen waren echt niet allemaal nodig om de passerende boertjes en handelaren te controleren, maar inmiddels was de verstandhouding met de West-Friezen zo slecht geworden dat je zelfs kon spreken van oorlog… West-Friese oorlogen Naarmate de Hollandse graven meer macht kregen, probeerden ze ook hun grondgebied verder uit te breiden en werden er redenen gezocht om de West-Friezen aan te vallen. Het bezitten van ‘massadestructie wapens’ was een argument dat toen nog niet werkte, maar -4-

de West-Friezen beschuldigen van moord op een van je voorvaderen, was iets dat een wraakactie legitimeerde. Graaf Arnulf was waarschijnlijk ergens in Zuid-Holland bij een schermutseling bij de ‘Winkelmade’ om het leven gekomen (993), maar de zwarte Piet werd doorgeschoven naar de West-Friezen die hem zogenaamd bij Winkel zouden hebben vermoord. Het resultaat was een serie van wederzijdse aanvallen waarbij in 1166 een grote groep West-Friezen de Ossenvoorde oversteekt en Alkmaar in de as legt. Vrede na rampspoed In de winter van 1169 op 1170 woedt er een zware storm die gepaard ging met hoge waterstanden, waardoor grote delen van Holland en West-Friesland worden getroffen. Het is even stil aan het front, maar in 1180 trekt Graaf Floris III naar Niedorp en Winkel en legt beide plaatsen in de as. In 1184 wordt er vrede gesloten die lang zou duren; pas in 1256 vernemen we dat Willem II, een uiterst ambitieuze jonge man die het tot Keizer van het gehele Roomse Rijk had geschopt, in een expeditie tegen de West-Friezen door het ijs was gezakt en was gesneuveld. Dit deed hij pas nadat in 1248 de West-Friezen opnieuw grote klappen hadden gehad van een bijna alles verwoestende watersnoodramp. Willems zoon Floris zou uiteindelijk opnieuw de strijd aangaan, maar deed dat ook door de bouw van een aantal kastelen. Dat er tijdens de bouw van deze kastelen nog flink strijd werd geleverd, blijkt wel uit de verwoesting van het Huijs ten Nuwendoren, dat nog niet eens was voltooid. In 1287 viel voor de West-Friezen de genadeklap toen wederom natuurgeweld hun aantallen decimeerde en zij konden niet anders dan samen met de Hollanders de wederopbouw van het verwoeste land realiseren. In 1288 werd het vredesverdrag ondertekend.

Afbeelding 1 Sporen van de gruwelen aangedaan aan de bevolking van Vronen tijdens of vlak na de slag in 1297.


Moord op Floris V en chaos daarna In 1296 werd een poging gedaan om Floris, die nauwe banden had met de Engelse koning, te ontvoeren met het waarschijnlijk onbedoelde resultaat dat hij in paniek werd vermoord. De West-Friezen hadden zich met een legertje op weg begeven om de Graaf te bevrijden uit het Muiderslot waar hij gevangen werd gehouden. Floris’ zoon Jan moest nog uit Engeland overkomen om zijn vaders plaats in te nemen, maar de Bisschop van Utrecht manipuleerde de West-Friezen tot een opstand. Toen de legers zich op weg begaven naar de Ossenvoorde, werden ze daar opgewacht door Jan van Renes-

se die, na een wisselend verlopende strijd, de WestFriezen uiteindelijk wist te verslaan op 27 maart 1297. Wat er is gebeurd tijdens de periode tot 7 november van dat jaar toen de uiteindelijke vrede werd getekend, weten we niet, maar duidelijk is dat mannen, vrouwen en kinderen van het dorp Vronen gruwelijk werden verminkt en gedood door zwaarden en speren (Afbeelding 1). Mogelijk was deze daad bedoeld om te vredesonderhandelingen te bespoedigen…. Het dorp Vronen werd in de ban gedaan en werd van de aardbodem geveegd.

Archeologisch Onderzoek in St Pancras Wijb Ouweltjes

D

it artikel is een samenvatting uit het rapport 2457 van het Archeologisch Adviesbureau RAAP van drs. R.W. de Groot. Het rapport doet verslag van het onderzoek op de percelen Benedenweg 30 en 212 te St Pancras. Het dorp Sint Pancras is de opvolger van het aan ’t eind van de 13e eeuw verwoeste dorp Vronen. Dit dorp is mogelijk al in de vroege Middeleeuwen (vóór het jaar 1000) gesticht. Mogelijk zijn er in de kern van het dorp archeologische resten uit die tijd te vinden. Zulke vondsten zijn tot heden niet bekend. Verder is er waarschijnlijk een vacuüm in de bewoning tussen ± 1300 en ± 1450 n. Chr. In juni 2010 is op 4 locaties vooronderzoek door boringen verricht en op grond daarvan is voor bovenstaande twee locaties een opgraving geadviseerd. Het veldwerk hiervoor is op 21 en 22 juni 2011 uitgevoerd. Doel van de opgraving is het in kaart brengen van de geologische opbouw van de strandwal waar St Pancras op ligt als ook het opsporen en ex situ behouden van evt. aanwezige archeologische resten. Het blijkt dat de beide percelen op de westelijke flank van de strandwal liggen. Aan de basis is strand(wal)zand aangetroffen waarop zich de Oude Duinen hebben gevormd. Op beide plekken zijn op het Oude Duinzand afwisselend kleilagen en stuifzand afgezet. Hieruit blijkt dat overstromingen vanuit het zeegat Zijpe het gebied in de Middeleeuwen hebben bereikt. Mogelijk is daardoor een deel van het vóórmiddeleeuwse duinlandschap verdwenen. Na deze overstromingen is er (vermoedelijk na 1300) door verstuiving Jong Duinzand afgezet. Daarna hebben de Pancrassers d.m.v. het opbrengen van grond het maaiveld op deze plekken afgevlakt en geschikt gemaakt voor de huidige inrichting. De oudste sporen van bewoning dateren uit de eerste helft van de 13e eeuw. Op Benedenweg 212 betreft het een loopvlak, waarin aardewerk- en botresten en ook enkele paalkuilen zijn aangetroffen. Op basis van het -5-

loopvlak en de grote hoeveelheid nederzettingsafval op beide locaties is het niet uitgesloten dat zich binnen het gebied en in de directe nabijheid ervan nog bewoningssporen uit de Middeleeuwen bevinden. De overige sporen dateren hoofdzakelijk uit de Nieuwe Tijd (vanaf de 15e / 16e eeuw) en bestaan uit kuilen en greppels die aan agrarisch gebruik herinneren.

Afbeelding 2 Pijpaarden beeldje, vrijwel compleet, alleen de voeten ontbreken.

Er is een aantal vondsten te melden, zoals een pijpaarden beeldje (Afbeelding 2), een verfrommelde prop lood, z.g. lakenloodjes van onbekende oorsprong, een gesmede ijzeren spijker en een drietal fragmenten dierlijk bot. Deze vondsten komen uit z.g. ophogingslagen en komen van elders. Zij hebben dus geen relatie met de oorspronkelijke bewoners. De grote hoeveelheid afval, met name in het plangebied Benedenweg 30 lijkt er op te wijzen dat er dicht in de buurt een boerderij uit de eerste helft van de 13e eeuw heeft gestaan. Dit is echter niet zeker. Ook de fragmenten aardewerk uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe


Tijd zijn over ’t algemeen afkomstig uit de ophogingslagen of de recente bouwvoor. Conclusie onderzoek Benedenweg 212 Het gebied werd in de Middeleeuwen voor agrarische doeleinden gebruikt. Er zijn in de sleuven geen aanwijzingen van bewoning ter plaatse gevonden. Wel bevindt zich op de flank van de strandwal een loopvlak of cultuurlaag met materiaal uit het begin van de 13e eeuw. Mogelijk zijn in de nabije omgeving nog resten van met dit loopvlak betrokken bebouwing te vinden. Conclusie onderzoek Benedenweg 30 Het gebied Benedenweg 30 ligt ook op de flank van de strandwal en binnen een gebied dat agrarisch werd gebruikt. Vanaf begin 13e eeuw zijn er enkele greppels gegraven, mogelijk voor de afvoer van water. Sporen van bebouwing zijn ook hier niet aangetroffen. Een relatief grote hoeveelheid aardewerk daterend tussen 1220 en 1250 die in een greppel is gevonden kan er op wijzen dat in de nabijheid werd gewoond.

Afbeelding 3 Veldwerk Bovenweg 30

Als gevolg van overstromingen resp. overstuivingen in de Late Middeleeuwen (en/of de door brandschatting eind 13e eeuw? Wijb ) is de omgeving tijdelijk verlaten. In de nieuwe tijd is er een laag klei op gebracht om het gebied te egaliseren en weer in cultuur te brengen. Enkele sporen op grond van het gevonden aardewerk duiden op bewoning in de eerste helft van de 13e eeuw ( 1200 – 1250 n. Chr). De overige sporen zijn van ca -6-

1400 n.Chr. en later. Oudere sporen zijn niet gevonden. Het is onzeker of ze er niet zijn, of dat ze zich op een lager niveau, wat niet is onderzocht, wèl bevinden. De aanbeveling is om, als de gelegenheid zich voordoet, in het gehele gebied van St Pancras verder onderzoek te doen naar de geschiedenis van de strandwal en de vroegste bewoners. Noordeinde In 2009 is aan de oostkant van het Noordeinde van St Pancras door Hollandia Archeologen een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is later uitgebreid tot een echte opgraving. Het rapport hiervan is in voorbereiding. Er zijn daar sporen gevonden vanaf het Laat Neolithicum tot en met het midden van de IJzertijd, uit de 13e eeuw en vanaf de 15e eeuw tot heden. Het gebied ligt op de oostelijke flank van de strandwal. Aan de basis (vanaf 1,9 m –NAP) is strandvlaktezand aangetroffen. Daarop ligt een ± 30 cm dikke laag doorworteld duinzand. Het duinzand is afgedekt door een dun kleilaagje waarop veen is aangetroffen. Op het veen is stuifzand afgezet. In het oude duinzand zijn sporen uit het Laat Neolithicum gevonden zoals kuiltjes en langwerpige ondiepe greppels. Dit op het niveau tussen 1,7 en 1,2 – NAP. Er is één runderkies gevonden. De datering is gebaseerd op het feit dat het z.g. Hollandveen vanaf ongeveer ± 2850 tot 300 v. Chr. is gevormd. Op dit veen zijn sporen van beweiding en indrukken van koeienpoten gevonden. De volgende fase dateert uit de Midden of Late Bronstijd en is aangetroffen bovenin het Hollandveen. Ook hier sporen van beweidingen indrukken van koeienpoten. Deze fase is relatief gedateerd op de datering van de bovenkant van het veen, ca 1600 v. Chr. en de datering van het stuifzand waarmee het is afgedekt ca 900 v. Chr. In het stuifzand zijn sporen uit Midden IJzertijd gevonden. Het betreft mogelijk een waterput. Daarbij is Ruinen-Wommels aardewerk aangetroffen ( 600-400 v. Chr ). Ook is er een kringgreppel gevonden die vermoedelijk rond een opslagplaats van landbouwproducten (hooi?) liep. Verder veel sporen uit de Late Middeleeuwen, vooral uit de 13e eeuw. Het betreft waterputten, sloten, een greppel, paalsporen enz. Deze sporen zijn ingegraven in het stuifzand waarin zich ook sporen uit de IJzertijd bevinden. De datering van de sporen valt samen met het feit dat het dorp Vronen eind dertiende eeuw is verlaten en pas in de vijftiende eeuw weer bewoond is geraakt. Ook uit deze volgende periode zijn sporen gevonden zoals erfstructuren, waterputten, kuilen en een sloot. De laatste sporen binnen de opgraving aan de oostkant van St Pancras kunnen gekoppeld worden aan de resten van een 18e/19e eeuwse boerderij en het voormalig schoolgebouw uit de 21e eeuw.


De plek van het oude gemaal van de Kerk en Dergmeer; een onderzoek waard? Frans Diederik

I

n opdracht van de Gemeente Langedijk is door Archeocultura uit Schagen een bureauonderzoek gedaan naar de mogelijke archeologische waarde(n) binnen het terrein van de voormalige molen en het latere gemaal van de Kerk- en Dergmeer en het bijbehorende molenhuis. Vooral de naamgeving van het perceel ‘Kerkhof’ die vanaf de 17de eeuw wordt gebruikt, heeft aanleiding gegeven tot grote speculatie over de aanwezigheid van een echt kerkhof en daarmede dus ook van een kerk of kapel. Het onderzoek geeft aan dat er voor beide veronderstellingen weinig aanwijzingen zijn, gelet op het ontstaan van de bodem ter plekke als ook de specifieke

plek die minder voor de hand liggend is, met de kerk van Oudkarspel letterlijk in het zicht. Toch is het niet uitgesloten dat in de late Middeleeuwen menselijke resten zijn begraven, gelet op de vondst van een schedel bij de aanleg van een schuur in de jaren ’70 van de vorige eeuw. De resten van de in 1916 verbrande molen en zijn eventuele voorgangers zijn echter reden genoeg om dit terrein als belangrijk te classificeren. Uitsluitsel over de aanwezigheid van een kerkhof kan alleen worden verkregen door een gedeelte van het terrein te onderzoeken door middel van een of meer proefsleuven; zulks uit te voeren door een erkend archeologisch bedrijf.

Silke’s column Silke Lange

O

p een zondagmiddag heb ik - min of meer per toeval - een prachtige archeologische expositie ontdekt in Grootschermer! In de galerij van Nic Jonk staat de verzameling van amateurarcheoloog Kees Box uitgestald. Je kijkt je ogen uit.

Compleet gerestaureerde borden van 17e eeuws slibaardewerk, Majolica aardewerk, faience, tinnen lepeltjes, speelgoed, benen gereedschap, een grote verzameling aan knopen, glazen en... een groene vuurklok! Zo’n type heb ik eerder gezien, namelijk tijdens het onderzoek op landgoed Ter Coulster in Heiloo. Toen zijn er ook delen van een groen geglazuurde vuurklok gevonden. Bart van der Feen de Lille, eigenaar van het landgoed, is er druk mee bezig om die stukjes aan elkaar te plakken. Wat zal hij ervan opkijken als hij dit exemplaar ziet! Ik stuur een berichtje aan Marielies van Lente, voorzitter van de Stichting Regionale Archeologie Baduhenna met een idee voor het volgende uitje.

Afbeelding 5 17e eeuwse slibaardewerk

“Jullie moeten hier beslist een kijkje nemen, het vondstmateriaal lijkt op wat wij bij Ter Coulster hebben gevonden”, schrijf ik enthousiast. Zo werkt het namelijk.

Afbeelding 4 De groene vuurklok, een type dat ook op landgoed Ter Coulster is gevonden -7-


Ondanks dat er veel is veranderd in het archeologische bestel hebben we hier in Noord-Holland een goed werkend netwerk. Men weet elkaar te vinden. Wat me telkens opvalt, en dan in positieve zin, is de behoefte bij de amateurarcheologen om kennis te delen. Zoals in het geval van Kees Box. Hij laat zijn verzameling trots op de bewuste zondag aan mij zien en hij weet er leuke anekdotes over te vertellen. Kees struinde al als jonge jongen de slootkanten af op zoek naar vondsten. Wanneer sloten werden geschoond, stond Kees ernaast in kaplaarzen en viste de “oude dingetjes” uit de modder. Ik kom erachter dat hij bevriend is met een andere, enthousiaste amateurarcheoloog, namelijk Harrie van der Meij uit Hoogwoud. Van Harrie weet ik onder meer dat hij schoolkinderen regelmatig op een avontuurlijke wijze een stukje (steentijd)geschiedenis laat beleven. Samen met de kinderen loopt hij dan langs een oude waterloop van de Toevlucht naar Zandwerven. De kinderen trekken een kano aan een touw met daarin een zware maalsteen die ze zogenaamd hebben opgehaald van de keileembult bij Wieringen. Onderweg vertelt Harrie over de dieren in de steentijd, hoe de mensen op jacht gingen en hoe ze handig gebruik wisten te maken van de waterwegen in hun omgeving. Kennis delen, vertellen en vondsten laten zien; het schept een draagvlak voor de archeologie. Of het nou om kinderen of om volwassenen gaat, zodra het verhalen zijn die te maken hebben met de lokale geschiedenis, dan komt het verleden heel dichtbij. Niet iedereen neemt de moeite om naar Leiden af te reizen en daar in het Rijksmuseum van Oudheden (het RMO) belangwekkende vondsten uit het hele land te bewonderen. Naar een museum – of een expositie – in eigen dorp, daar komt men wel. Minder glossy dan we van de grote musea gewend zijn, maar met veel liefde en betrokkenheid ingericht! Mensen willen toch graag zien wat bij hun “om de hoek” is gevonden óf juist laten zien wat ze zelf hebben gevonden. Ik ervaar zo een expositie als in Grootschermer dan ook als een pareltje. Wat mooi dat zo’n klein dorp een eigen expositie heeft! Daarbij is het ook nog zo

prachtig ondergebracht in het museum van kunstenaar Nic Jonk, inclusief een beeldentuin en een wonderschoon uitzicht op de Eilandspolder. Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik me opeens dat dit netwerk best mag worden uitgebreid. Professionals, en dan bedoel ik archeologen die commercieel in de archeologie bezig zijn, mogen ook best meer informatie delen. Ben je als bedrijf in de regio bezig, neem dan contact op met de aanwezige archeologische en/of historische vereniging. Geef ze de mogelijkheid om langs te komen, of misschien zelf mee te helpen aan het onderzoek. Daarbij mag je als professional best wel amateurs raadplegen, daar is niks mis mee. Je zult dan informatie verkrijgen die vaak niet in Archis te vinden is (het landelijke registratiesysteem voor onderzoek, vondsten en vindplaatsen). Aan de andere kant, als archeologische en historische vereniging mag je tevens ook een rapport van het archeologische onderzoek verwachten.

Afbeelding 6 Kees Box in de Beeldentuin Nic Jonk met enkele topstukken Adres Beeldentuin Nic Jonk: Museum en beeldentuin Nic Jonk, Haviksdijkje 5, 1843 JG Grootschermer. Geopend van 21 maart tot 4 december op woensdag, donderdag en vrijdag van 11 tot 17 uur; op zaterdag en zondag van 13 tot 17 uur. www.beeldentuinnicjonk.nl

Welke is de oudste? Jaap van Rossum

I

n het laatste nummer van ‘Oud Alkmaar’ (nr. 1, 2012), tijdschrift van de Historische Vereniging Alkmaar, verscheen van de hand van Diederik Aten m.m.v. Harry de Raad en Edith M. van Schoor een artikel, getiteld: ‘Nyeuwen lande... uuyte Achtermeer, discussie rond de Achtermeer als eerste droogmakerij’. Dit artikel raakt een kwestie die o.a. in de Poldergeest al meermalen ter sprake is gekomen, nl. welke droogmakerij mag aanspraak maken op de vroegste in Holland? Is dit de Kerkmeer of de Dergmeer in het Geestmerambacht (bij Oudkarspel) of is dit toch de Achtermeer bij

-8-

Alkmaar? Aten maakt korte metten met eerdere illusies, die ten gunste van de voormalige meertjes in het Geestmerambacht uitpakten. Hij stelt vast dat de Achtermeer zeker de eerste (gedocumenteerde) droogmakerij van Holland is (droog in 1533). Er zijn geen aanwijzingen dat aan de drooglegging van dit meertje kleinere projecten voorafgingen, zoals Prof. Borger eerder veronderstelde. Met andere woorden de Kerkmeer (droog in 1547), de Dergmeer (droog in 1542), het Kromwater (droog in 1548) en de Oude of Weidgreb (droog in 1548) zijn jonger dan de Achtermeer.


Een Middeleeuwse duinbeek op de Zanderij te Castricum Rino Zonneveld

D

e activiteit betreft een archeologische verkenning van een bouwput gelegen aan de Duinenboschweg 28, 1901 NR te Castricum op 20 mei 2009 (Afbeelding 7).

Afbeelding 7 De bouwput bevindt zich in het zwarte vierkant.

De provinciaal medewerker dhr. Rob van Eerden, maakte tijdens een vergadering van de werkgroep OerIJ de leden attent op een mogelijke cultuurlaag die hij waarnam toen hij langs de bovengenoemde bouwput reed. Marc Harsveld en Rino Zonneveld vormden een team dat op onderzoek uit ging. Dank aan Gerard Graas die het botmateriaal determineerde en dank aan aannemer Mulder Obdam voor de hoogtegegevens en de geologische boorgegevens.

en 20e eeuw, heeft de binnenduinrand van Castricum een heel ander aanzien gekregen en is de Zanderij ontstaan. Veel zand is gebruikt voor de aanleg van de spoorlijn tussen Alkmaar en Amsterdam rond 1865. De RD-coördinaten zijn 105.190 en 507.365. Ongeveer op de plaats van een gesloopte 20e eeuwse woning wordt een nieuwe woning gebouwd met een basement. Van de oude bewoner is bekend dat hij west van zijn woning altijd al een natte plek had waar hij toen een vijvertje van heeft gemaakt. Dit vijvertje heeft zonder twijfel op de beek gelegen die mogelijk onder de bouwvoor nog veel water afvoerde. Het gebied is geologisch interessant omdat onder de Oude duinen het vooormalige ‘Oer-IJ estuarium’ ligt. Relevante bodemlagen liggen tussen -0.5 en 3.0 m NAP. In de Romeinse tijd zandde de monding van het Oer-IJ dicht. Daarna vormden zich lage kustduinen. Deze vorming van de oude duinen ging door tot in de middeleeuwen. In het duingebied zijn vele duinbeken geweest om op natuurlijke wijze af te wateren naar het lagere gebied. Ook zijn er de handgegraven duinrellen die dezelfde functie hadden.

Samenvatting De Zanderij is een duinafgraving uit 1850. Op ongeveer 2 meter onder het huidige maaiveld zijn sporen herkenbaar van een watering en op dit niveau stellig uit vervlogen tijden. Dankzij de bouwwerkzaamheden konden we verticaal schaven en een dwars- en langsprofiel zag het daglicht. Aan de hand van scherfmateriaal kan de beek, die is overstoven door de Oude Duinen gedateerd worden op middeleeuws. Inleiding Er was geen opdrachtgever. De aanwezige mensen van Mulder Obdam hadden geen bezwaar tegen een verkennend onderzoekje. De reden van verkenning is dat op de locatie inheems-romeinse sporen verwacht zouden kunnen worden in en op de antropogene (door de mens bewerkte) laag. De grootte van de bouwput was zeker 10 bij 10 meter. Er was al geheid en er was bronbemaling aanwezig. De wanden waren gaaf. Onderzoeksgebied De locatie ligt in Castricum in het gebied de Zanderij. Door het afgraven van duinzand, in de loop van de 19e

-9-

Afbeelding 8 Kaart van Hubart uit 1854

Dat de duinen zeer nat geweest zijn is nog terug te vinden in toponiemen als Watervlak, Vennewater, Vogelwater, Swaensdal, Waterstall en Mareveldt. Een commissie schetste in 1798 het volgende beeld: Alle deeeze vlakten zijn bedekt met eene meenigte van onderscheide grassen en planten, men vindt er zelfs t’elkens veel witte en ook roode klaver, zo dat wij van de meeste kunnen


zeggen, ’t geen wij boven van de Meente op Texel verklaarden, dat zij als ongebruikte Weilanden moeten gerekend worden. Veele Greppels zijn ook door de Natuur gevormd, van welke de geenen die tusschen Noortdorp en de Beverwijk liggen haare uitloozing hebben door beekjes die na de binnenwateren vloeien. Indien dezelve slechts verbreed of tot slooten werden gemaakt, om het water betere afleiding te bezorgen; en de gronden naar behooren werden toegemaakt, zou hier eene aanzienlijke meenigte van Runder Vee zelfs, kunnen geweid worden. Me dunkt dat het een zeer nat gebied geweest is, dat heden ten dage door grondwaterwinning en beplanting in vergelijking met vorige eeuwen een dorre boel is. De bouwput ligt in het gebied van de oude duinen. Het gebied heeft hoge archeologische verwachting omdat de mens regelmatig actief is geweest in het duingebied. De door de aannemer blootgelegde profielwand is door leden van de werkgroep Oer-IJ opgeschoond en daarbij zijn er artefacten gevonden. De periode die in de lagen zichtbaar werd, is onderhevig geweest aan regelmatige verstuivingen die de oorzaak waren van het ontstaan van de Oude Duinen. Het bodemarchief wordt verstoord bij diepe bouwputten zoals deze en maakt ook het verleden zichtbaar. Op een kaart van Hubart (Afbeelding 8) uit 1854 zijn de oorspronkelijke oude duinen in het oostelijk duingebied goed zichtbaar. Rechtsboven de hoek Bakkummerstraat-Vinkenbaan. De zevensprong is bij jachthuis Kijk-Uit.

De lagen liggen grofweg als volgt: Op 1750 +NAP een subrecente verstoring (bouwvoor) Op 1500 + NAP eolisch zand (jonge duinen) Op 400 - NAP een antropogene laag Op 800 - NAP is aquatisch zand (strandzanden)

Afbeelding 9

Onderzoeksmethode Er is gebruik gemaakt van een verkennende fase die terreininspectie omvatte. De profielen in de wand van de bouwput en de bodem waren met het blote oog zichtbaar en konden met minimale verstoring worden waargenomen. Er is niets anders waargenomen dan de sporen van een waterloop.

In het zand, de eolische laag vinden wij een schakering van blauwgrijs naar omhoog lopend lichtgeel zand. In deze laag ligt de duinbeek. Op Afbeelding 10 en Afbeelding 11 is het dwarsprofiel van de beek zichtbaar.

Voor de karterende fase zijn maten genomen en zijn sporen ingetekend. Tijdens het schaven van de profielwand kwamen enkel artefacten aan het licht die middels keramisch materiaal tot datering leidden. De hoofdmeetlijn is ingemeten aan de hand van de bovenkant van heipalen. Het centrumcoördinaat is op de GPS 52 33’8.31 NB en 4 39’9.27 OL. De hoogtegegevens zijn afkomstig van AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) en van Mulder Obdam Bouw BV (Afbeelding 9). Het land om het betreffende woongebied varieert van 1.59 tot 1.80 boven NAP. De oude woning lag hoger en de hoogtes bestrijken hier 2.05 tot 2.99 boven NAP.

Afbeelding 10 Dwarsprofiel duinbeek 1

- 10 -


De onderkant van de bouwput bestaat volgens de aannemer uit natte zandhoudende klei (17kN/m3), daarop ongeveer 60 cm veenhoudende klei (13 kN/m3), daarop ongeveer 40 cm verzadigd zand (20 kN/m3) met schelpgruis. Dan volgt nulpunt van het huidige NAP. Daarboven ongeveer een meter aardvochtig zand (17 kN/m3) en daarop tot het maaiveld de bouwvoor van ongeveer 60 cm. (Afbeelding 15).

Afbeelding 11 Dwarsprofiel duinbeek 2

In het langsprofiel op Afbeelding 12 en Afbeelding 13 is de laagopbouw van verstuiving heel mooi zichtbaar.

Afbeelding 12 Schaven langsprofiel met de stroom- of overstuivingsrafelingen

Afbeelding 13 Langsprofiel duinbeek

Onder de kleilaag onder de veenlaag (400-1000 na Chr.) zullen waarschijnlijk de zgn. wash-over lagen bestaande uit zand en schelpen liggen uit een tijd rond het jaar 0 dat het oer-ij estuarium soms werd overspoeld. De beek ligt duidelijk in eolisch zand met fijne schelpdeeltjes. In de bovenste zandlaag zijn nauwelijks of geen schelpdeeltjes meer aanwezig. Op basis van geomorfologie is bekend dat de verstuivingen vanaf de achtste eeuw plaats vinden.

Afbeelding 14 Intekenen van het profiel

Afbeelding 15 Profieltekening

- 11 -


Wat is in de beek gevonden? Er is ĂŠĂŠn spoornummer. Dat is in dit geval CAS 26-2. Vondstnummer 26-2-4. n Vindplaats 4 Op de diepste plek is aangetroffen de kaak van een rund (DB) en twee stukjes kogelpot. (KER) (Afbeelding 16).

Afbeelding 18 Vindplaats 3

Afbeelding 16 Vindplaats 4 Afbeelding 19 Vindplaats 3

Vondstnummer 26-2-3. n Vindplaats 3 Iets links van vindplaats 4 is botmateriaal (ODB en DB) gevonden en zeven stukjes zwartgrijs aardewerk van een kogelpot (KER) (Afbeelding 17 t/m Afbeelding 20). .

Afbeelding 20 Vindplaats 3 Afbeelding 17 Vindplaats 3

Rond vindplaats 3 zijn gevonden twee stukjes Pingsdorf en drie stukjes rozebakkende Andenne waaronder een stukje lensbodem. Het aardewerk dateert uit de 12e en 13e eeuw.

Vondstnummer 26-2-2. n Vindplaats 2 Op vindplaats 2 boven in de beek is een gelige grof gemagerde scherf gevonden. Dit is mogelijk de rand van een proto-steengoed kan (Pingsdorf baksel) uit periode 1225-1250 na Chr. (Afbeelding 21 en Afbeelding 22).

- 12 -


Afbeelding 23 Vindplaats 1

Onderzoeksresultaten Wat zegt de vondst over het verleden? De cultuurlaag is een laag veen met ingestoven zand. Of de laag antropogeen is, hebben we niet kunnen vast stellen. De organische antropogene laag is gevormd op het bovenste dele van de Oer-IJ monding afzettingen. De verwachting was hier materiaal of ploegsporen te vinden uit de Romeinse tijd. Die werden hier na verkenning van de gehele put niet gevonden. De waarneming past in het bestaande beeld en geeft aan dat elders in het gebied van de Zanderij / Duin en Bosch - op deze dieptes - veel meer archeologie verwacht kan worden.

Afbeelding 21 Vindplaats 2

Het beekprofiel laat ons alsnog getuige zijn van de overstuivingen van rond de tiende eeuw na Chr. De vondsten wijzen op duinbewoning hier in de periode van 1000 tot 1300. Gezien de omvang van de beek zal er veel water doorgestroomd zijn. Tevens laat het zien dat de duinen zeer waterrijk zijn geweest. De beek ligt in de oude duinen en is overstoven door het zand van de latere jonge duinen. Dit zand bevat heel fijn schelpgruis. Het op deze wijze waarnemen van de oude beek is tot nu toe uniek in de archeologie van Castricum. De vondsten en dit verslag worden gedeponeerd bij het Archeologisch Provinciaal Depot te Wormer.

Afbeelding 22 Vindplaats 2

Vondstnummer 26-2-1. n Vindplaats 1 Op vindplaats 1 is gevonden 2 fragmenten Pingsdorfaardewerk, 1 fragment kogelpot en 2 stukjes botschilfer (Afbeelding 23).

Literatuur: Vos, P.C., R.A. van Eerden, J. de Koning, 2009: Paleolandschap en archeologie van het PWN duingebied bij Castricum. Tegenwoordige staat der duinen van het voormaalig gewest Holland; zijnde het eerste deel van het algemeen rapport der Commissie van superintendentie over het onderzoek der duinen. Leiden, 1798

Uw e-mailadres graag!

W

ilt u van actuele zaken op de hoogte worden gehouden, bijvoorbeeld van lezingen en excursies, geef ons dan a.u.b. uw e-mailadres door (mail naar info@rag-archeologie.nl). Heeft u geen e-mail, houd dan regelmatig onze website in de gaten (rubriek Agenda en nieuws). Heeft u ook geen beschikking over internet, geef dan aan een van de bestuursleden door of u toch van actuele zaken op de hoogte gehouden wil worden (zie colofon voor onze telefoonnummers) en zo ja, hoe (telefonisch of schriftelijk). Poldergeest verschijnt twee maal per jaar. Hierdoor is het niet altijd mogelijk actuele zaken in dit informatiebulletin tijdig op te nemen. Hartelijk dank voor uw begrip en medewerking.

- 13 -


Archeologie in natuurmuseum ‘Westflinge’ Frans Diederik

I

n Natuurmuseum ‘Westflinge’ in Sint Pancras is een tentoonstelling ingericht over de archeologie van noordelijk Noord-Holland. In de vitrine is een selectie van voorwerpen uit vrijwel alle perioden waarin mensen ons gebied bewoonden, samen gebracht. Deze vitrine met archeologische voorwerpen is het eerste resultaat van de verregaande samenwerking van diverse archeologische ‘clubs’ uit Noord Kennemerland en de Kop van Noord-Holland. Op 9 november 2011 hebben

zij zich verenigd in de Afdeling 9 van de landelijke ‘AWN, Vereniging van Vrijwilligers in de archeologie’. Onder andere door tentoonstellingen en lezingen wil de nieuwe afdeling de krachten bundelen om op die manier een zo groot mogelijk publiek voor de archeologie te interesseren. Voor wie belangstelling heeft om lid te worden van de AWN of van de RAG, ligt er een folder en een inschrijvingsformulier in het museum klaar.

Afbeelding 24 Greep uit de topstukken, die te bewonderen zijn in Natuurmuseum Westflinge in Sint Pancras

Toelichting bij de inhoud van de vitrine De aller-oudste bewoners van westelijk Nederland leefden en jaagden vele meters diep onder onze voeten, toen grote delen van de huidige Noordzee nog land waren – van deze mensen vinden we zelden iets terug bij opgravingen, maar vaker komen we werktuigen van hen tegen bij baggerwerkzaamheden of, onbedoeld, in visnetten gevangen op de bodem van de zee. West Nederland is nog maar zo’n 6000 jaar bewoond, maar altijd maar voor een betrekkelijk korte periode omdat de zee het ontstane land voor een tijd weer overspoelde. De oudste vondsten in de vitrine zijn dan ook afkomstig van Wieringen, waar jager-verzamelaars werktuigen maakten van de vuursteen die ze op het latere eiland vonden. Wieringen en Texel zijn beide vele tienduizenden jaren oud en het resultaat van schuivende ijsmassa’s en puin in de voorlaatste ijstijd. Sporen van de Enkelgrafcultuur, die bij ons duurde van 3000 tot 2400 v. Chr. zijn inmiddels op meerdere plaatsen aangetroffen langs de flanken van het getijden en waddengebied dat in stand werd gehouden door het ‘Gat van Bergen’, een opening in de kust waardoor water en zand naar binnen werd gevoerd. In perioden van een ‘rustige’ zee, kon op de hoogste delen van het kweldergebied worden gewoond. Men woonde permanent in dorpen, maar in de wijde omgeving werden kleine tijdelijke kampementen gemaakt waar men vee weidde of grondstoffen verzamelde. In de Bronstijd werd er op de kust gewoond en in het inmiddels geheel drooggevallen gebied van oostelijk West-Friesland. In onze streken zijn sporen van Bronstijdbewoning bekend uit Alkmaar, Koedijk (dat is een nieuwtje!) en Schagen, maar de scherf in de vitrine die in de jaren 1970 werd gevonden bij Oudkarspel, behoort zeker tot deze periode.

Langs de kust kan men altijd blijven wonen, omdat die hoog genoeg ligt, maar het binnenland wordt dusdanig nat dat men hier voorlopig wegtrekt. Interessant is wel dat op de strandwal even ten westen van Sint Pancras, toch in de achtste eeuw v. Chr. al weer word gewoond en geboerd. Deze bewoning is echter van korte duur, want geheel Noord-Holland wordt in de eeuwen daarna overdekt met een dik pakket veen.

- 14 -

Afbeelding 25 Vitrine in Natuurmuseum Westflinge


Pas in de Late IJzertijd wordt het mogelijk in het hoogveengebied te gaan wonen langs het rivierstelsel van de Rekere en haar zijtakken. Dit bewoningspatroon blijft gehandhaafd tot aan het eind van de derde eeuw n. Chr. als het opnieuw te nat wordt voor grootschalig gebruik van het gebied. Op slechts enkele plaatsen blijft men wonen tot in de 5de eeuw. De bevolkingsgroep uit de Late IJzertijd en de Romeinse Tijd, noemen we Friezen; vanaf 300 zien we sporen van de Saksische cultuur. De oudste Middeleeuwse restanten van menselijke activiteit vinden we natuurlijk terug op de kust, maar ook in de Geestmerambacht en bij Schagen. De ontwatering van het veen was blijkbaar al vrij vroeg weer verbeterd, zodat het veengebied kon worden ontgonnen en ingericht. Dit gebeurde, net als in de Romeinse Tijd, door het graven van parallelle sloten die aansluiting hadden op de van nature aanwezige waterlopen. Zo werd Oudkarspel het eerste dorp in de Geestmerambacht en werd er voor het jaar 1000 al gewoond en gewerkt waar nu de Allemanskerk staat. Warmenhuizen was echter de oudste vestiging van mensen in het stroomgebied van de Rekere. Uit de tijd van Karel de Grote (rond 800) stamt heel veel aardewerk dat de mensen gebruikten. Dit werd

niet zelf vervaardigd, maar ingevoerd vanuit Duitsland. Met de scherf van de wel zelfgemaakte ‘kogelpot’ valt het verschil tussen ‘import’ en ‘inheems’ goed te zien. Die kogelpot was een blijvertje, want deze potvorm bleef bijna de gehele middeleeuwen in gebruik – van rond 750 tot 1350 aan toe! De periode vanaf 1100 werd erg moeilijk voor de bewoners van Noord-Holland door een tijdelijke verandering van het klimaat; hierdoor steeg het niveau van het zeewater en kwamen er regelmatig zware stormen voor. Ook was het niveau van het veenlandschap door ploegen en bewerken sterk gedaald. Deze twee factoren samen, leidden er toe dat grote delen van het landschap permanent onder water kwamen staan en dat grote overstromingen kans kregen tot diep in het land binnen te dringen. Men moest daarom overgaan tot het leggen van kaden en dijken en het ophogen van de eigen woonplaats tot terpen. Pas na de aanleg van de Rekerdam, kon er geen zeewater meer doordringen tot in Alkmaar en bij de definitieve sluiting van de Westfriese Dijk in het begin van de dertiende eeuw, was ook WestFriesland voorlopig veilig.

In memoriam Drs. Carla Rogge Ger Kalverdijk In onze vorige Poldergeest van oktober 2011 was nog aangekondigd dat Carla ten derden male (na Broek op Langedijk en Oudkarspel) een kerkenexcursie zou verzorgen, dit voorjaar als rondleider in en rond de Ursula- kerken in Warmenhuizen. Helaas is Carla Rogge echter na een korte, maar fatale ziekte op 26 maart 2012 overleden te midden van haar familie te Amsterdam. Ruim 15 jaar was zij als buitengewoon enthousiaste bouw- en architectuurhistorica werkzaam geweest bij de afdeling monumentenzorg en archeologie van de gemeente Alkmaar. Haar vakkennis met oog voor detail en datavermeerdering werden door haar collega’s alom geroemd. Maar na haar pensionering in 2006 bleef zij nog volop actief met publicaties en lezingen o.a. over de Doopsgezinde en Remonstrantse kerken in Alkmaar. Zij had nog zoveel plannen, maar heeft dus maar kort kunnen genieten van haar pensioen. Volkomen belangeloos gaf zij al kort na de eeuwwisseling steun aan cultuurhistorische inventarisaties van vele huizen en monumenten in de gemeente Langedijk, uitgevoerd op initiatief van Langedijk Waterrijk met enkele historische verenigingen en stichtingen o.a. COOG en RAG. Het streven naar behoud van het Kerk- en Dergmeercomplex werd door haar vanaf het begin van harte ondersteund met een waardevolle bijdrage in het historisch onderzoek. Het heeft niet meer zo mogen zijn om haar enthousiaste stem te horen spreken over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar speciaal over haar meest geliefde architectuurhistorische thema: de kerken in Alkmaar, maar dus ook in onze regio. De Stichtingen RAG en COOG wensen de familie van Carla alle sterkte toe en zullen haar in dankbaarheid als een vriendelijke en karaktervolle vrouw blijven gedenken. Brekend nieuws Vlak voor het ter perse gaan van deze Poldergeest bereikte ons nieuws over de opgravingen in Zuiderloo (Heiloo), die in april van dit jaar plaatsvindt. Nauwelijks 40 cm onder het huidige maaiveld zijn vroegmiddeleeuwse sporen en vondsten aangetroffen. Een boerderij ligt aan de zuidkant van de afgegraven houtwal. Deze merovingische boerderij met ingangen aan weerszijden van de brede kant (dus niet op de kopse kant) en veeboxen in het oostelijke deel komt nog het meest overeen met een type uit Katwijk. Het is de eerste merovingische boerderijplattegrond in Noord-Kennemerland, en dan ook nog compleet! Hout is niet bewaard, wel zijn de bijna altijd vierkante paalgaten duidelijk te herkennen geweest.

- 15 -


Agenda In Natuurmuseum Westflinge is een speciale archeologiehoek rond een nieuw aangeschafte vitrine te bekijken. In deze vitrine worden bijzondere vondsten uit de wijde regio getoond (zie ook blz. 14). Kijk voor openingstijden op de website van Natuurmuseum Westflinge www.museumwestflinge.nl. Bericht van de kleine musea in Langedijk Er is voor de kleine musea in Langedijk nieuw presentatiemateriaal ontwikkeld in de vorm van nieuwe folders, posters etc. De nieuwe website heet "Koik op Langedijk" of alternatief "Verscholen museumpareltjes in Langedijk" (www.koikoplangedoik.nl). Twee van deze pareltjes zijn Natuurmuseum Westflinge en Historisch Gemaal Kerk- en Dergmeer. Chris de Bont, historisch geograaf, houdt in het najaar van 2012 een lezing voor RAG-donateurs en andere belangstellenden. Onderwerp, plaats en tijd volgen. Houdt www.rag-archeologie.nl in de gaten. Het boek ‘Noord-Scharwoude en de buitendijkse Noord-Scharwouder polder, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen’ verschijnt naar verwachting op 8 september 2012. In dit door Stichting COOG uit te geven boek wordt o.a. de Zijtwinde van Noord-Scharwoude, Oudkarspel en Koedijk opnieuw nader verkend. Verwacht: Floris V-dag op en rond de Nuwendoorn in het weekend van 23 en 24 juni 2012. Bezoek regelmatig de website www.rag-archeologie.nl voor data van lezingen en excursies. Diegenen van wie wij een e-mailadres hebben, houden wij per e-mail op de hoogte (zie ‘Uw e-mailadres graag!’ op blz. 13).

Bezoek “Poldergeest on line” www.rag-archeologie.nl Oók voor actuele agendagegevens Verantwoording van de afbeeldingen in deze Poldergeest: Afbeelding 1: Provincie Noord-Holland; Afbeelding 2 en Afbeelding 3: Charles Barten; Afbeelding 4 en Afbeelding 5: Silke Lange; Afbeelding 6: Kees Box; Afbeelding 7: Google Maps; Afbeelding 8 t/m Afbeelding 23: Rino Zonneveld/Wg Oerij; Afbeelding 24 en Afbeelding 25: Frans Diederik.

Colofon Poldergeest is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG, Archeologische Werkgroep Kop van Noord-Holland en Afd. 9 AWN i.o. en verschijnt twee maal per jaar. Voorlopig bestuur Afd. 9 AWN i.o.: Frans Diederik, voorzitter, Jaap van Rossum, Frans Muller

fransdiederik@quicknet.nl javaros@hetnet.nl fl.muller@hccnet.nl

tel. 0224-296548 tel. 072-5157122 tel. 0224-591290

Bestuur RAG: Ger Kalverdijk, Dick Zuiderbaan Jaap van Rossum, Wijb Ouweltjes, Frans Diederik, Arend Grijsen,

g.kalverdijk@planet.nl d.j.zuiderbaan@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ouweltjes@quicknet.nl fransdiederik@quicknet.nl grijshaar@quicknet.nl

tel. 072-5330679 tel. 0226-313722 tel. 072-5157122 tel. 0226-313138 tel. 0224-296548 tel. 0224-215391

voorzitter, secretaris, penningmeester, bestuurslid, bestuurslid, bestuurslid,

Stichting RAG

info@rag-archeologie.nl

Redactie: Jaap van Rossum

Inschrijvingsnummer Kamer van Koophandel: 37116370 Begunstiger worden van de St. RAG? Dit kost slechts € 7,-- per jaar. Stort dit bedrag op betaalrekening 779146 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar. Vermeld a.u.b. uw e-mail en bij internet bankieren ook uw adres.

- 16 -

Profile for Stichting RAG

Poldergeest 14  

Informatiebulletin Stichting RAG

Poldergeest 14  

Informatiebulletin Stichting RAG

Advertisement