Page 1

P O L D E R G E E S T NIEUWSBULLETIN STICHTING REGIONALE ARCHEOLOGIE ‘GHEESTMANAMBOCHT’ ARCHEOLOGISCHE WERKGROEP KOP VAN NOORD-HOLLAND Jaargang 6, nr. 12

mei 2011

Graven in de Westfriese Omringdijk En nieuws over o.a. • • • • •

bakstenen Heerhugowaard Heiloo zuurkool Napoleon

Afbeelding 1 “Ingewanden” (hier knuppelhout) van de Westfriese Omringdijk, sleuf 2 bij Oosterleek

Inhoud Poldergeest 12 Van de voorzitter....................................................................................................................................2 Graven in de ingewanden van de Westfriese Omringdijk ....................................................................4 Lezing Michiel Bartels in Koedijk, een verslag .....................................................................................6 Gezonken als een baksteen.....................................................................................................................7 Stukje Heerhugowaardse geschiedenis opgegraven ..............................................................................9 Ragebollen met Wijb Ouweltjes .......................................................................................................... 10 Lezing Jan de Koning over de archeologie in de stationsbuurt van Heiloo, een verslag ................... 10 Achter de gevel van Peter Verburg...................................................................................................... 13 Napoleon 200 jaar geleden in het Geestmerambacht.......................................................................... 14 RAGenda ............................................................................................................................................... 16

-1-


Van de voorzitter Ger Kalverdijk

I

k ben een week niet bereikbaar, want ik ga op retraite naar de camping in Eerbeek om eindelijk eens de artikelen voor Poldergeest af te kunnen maken. Dit had ik aan het RAG- bestuur gemaild, want net als bij Sinterklaasgedichten moet het bij mij altijd vlak voor de deadline gebeuren… Terwijl ik hier in mijn SMV-caravan zit te tikken aan de laatste van een drietal bijdragen voor de nieuwe Poldergeest, zie ik eveneens terug op een fiks aantal infowandelingen vanaf NIVON-camping ‘Het Hallse Hull’. De camping en het bijbehorende Natuurvriendenhuis worden bijna uitsluitend gerund door vrijwilligers, die elkaar bij toerbeurt afwisselen en op die manier, net als ik, plezier en werk combineren. Realistische idealisten zou ik ze willen noemen of idealistische realisten als men dat beter vindt klinken. Ik kan het dus iedereen, die wil nadenken om te schrijven, aanraden mèt laptop of pen, maar zonder ander storend media- gedoe, op retraite te gaan. En te luisteren naar de zanglijster, die speciaal voor jou, in de uiterste top van de boom naast je tijdelijke huisje, laat zien wat de essentie is van het leven. Hier laat ik me even te buiten gaan aan enkele van die essentiële nieuwe ervaringen, opgedaan in een inspirerend mooie omgeving met vriendelijke mensen: In de stilte van de nacht heb ik van een grijze IVNcollega de verschillende leefwijzen van de in dit bos aanwezige uilensoorten leren onderscheiden. In de kapschuur met de kerkuilkast demonstreerde een andere campingveteraan hoe hij met hennepvezels altijd zijn koetouwen vlocht. Ook weet ik van de 93 jarige boer, die nog naast zijn vroegere nu met bomen beplante weilanden woont, dat hij woont op een hul(l), een verhoogde zandkop in het landschap van broeken en sprengen. De (natte) broeken zijn restanten van gletsjerdalen en sprengen zijn kunstmatige beken, wisselend gevuld met aangeboord grondwater uit de omgevende gletsjerstuwwallen van de Veluwezoom. De sprengen waren nodig om meer water voor de papiermolens in o.a. Eerbeek te verkrijgen. Eerbeek is er groot door geworden, ten koste van Hall, maar heeft nu nog alleen een paar grote papierfabrieken èn een interessante olieschepradmolen in de oude (Eer)beek. Tot in de oorlog werd er ‘boek gegaard’, beukennootjes verzameld, om ze onder de z.g. kollergangen ‘boek te slaan’, dus plat te walsen (zie Afbeelding 2 en Afbeelding 3).

Afbeelding 2 De Oliebovenschepradmolen in Eerbeek

Het Apeldoorns Kanaal is omstreeks 1850 dwars door de marken (de gemeenschappelijk gronden van de geerfden der Saksische boerderijen) gegraven. De kleine weggetjes houden aan de ene kant van het kanaal op en gaan aan de overkant op de zelfde hoogte weer verder. Het kanaal heeft zijn ontstaan vooral aan de oude industrie te danken, maar is nu slechts een héél stil kanaal, zelfs ongeschikt voor grotere recreatievaart door gebrek aan water en goede technische voorzieningen.

Afbeelding 3 De oliemolen van binnen

-2-


Archeologisch is het dorpje Hall van hoge ouderdom en behoorde in de Karolingische tijd (ca. 800 na Chr.) tot de Saksische gouw Hameland, die zich tot diep in Westfalen uitstrekte. In de laat-gotische dorpskerk uit de 14de eeuw bewonderde ik de fraai gerestaureerde fresco’s (uit ca 1515) met afbeeldingen van de vier evangelisten tussen feestelijke vogels en sierlijke bloemenranken. Ik had alle tijd voor de muur- en plafondschilderingen, omdat ik op zondagmiddag in de met magnoliatakken versierde kerk een glashelder orgel- en zangconcert bijwoonde verzorgd door mannen en dames in de verhouding 1: 10. De koffie en koek na afloop gaf me de gelegenheid om de zondagse rust van de mensen te ondergaan. Later las ik op een picknickbank in een weiland tussen de paarswitte pracht van pinksterbloemdekens nog het volgende in de kerkbrochure: ‘Onderzoek van de tufstenen fundamenten’ door Halbertsma van de R.O.B. maakte duidelijk dat er een Romaanse voorganger uit de 11de eeuw moet hebben gestaan. Volgens de archieven was deze gewijd aan Liudger, de eerste bisschop van Munster, in 809 begraven in het klooster Werden. De Saksische evangelieprediker Liudger zou men wel kunnen vergelijken met de ons meer bekende Willibrordus, Bonifacius en Adelbertus, die met steun van de Franken in respectievelijk o.a. Heiloo, Dokkum en Egmond kerstenden. Al tikkende realiseer ik me dat de eigen (polder)geest enigszins met mij aan de haal is gegaan bij mijn beleven van het leven van nu in een herleefde wereld van toen. Terwijl van mij natuurlijk verwacht wordt in te gaan op de inhoud van deze nieuwe Poldergeest. Nu dan. Op 19 maart zijn we in de gezellige entourage van de molen in Koedijk samengekomen en hebben we als RAG de banden met COOG en de mensen van Koedijk kunnen verstevigen. Daardoor hebben zich opnieuw enkele leden gemeld, die wij graag hierbij welkom heten. Een flink deel van deze Poldergeest is aan de vergadering en de inhoud van de lezing van Michiel Bartels, stadsarcheoloog van Hoorn en acht gemeenten van oostelijk West- Friesland gewijd. We willen deze succesformule van samen een lezing of excursie organiseren in 2012 elders zo mogelijk herhalen. Archeologische veldonderzoek van een opgraving in Heerhugowaard is ons aangeleverd door een stagiair bij de gemeente Heerhugowaard, Björn Groenveld. Door

onze goede samenwerking zijn ook hier de grenzen uiteraard wat ruimer geworden. Met hartelijke dank aan Marielies van Lente, voorzitster van Baduhenna, en Jan de Koning (Hollandia Archeologen) mochten wij, als bevriende AWN-collegaafdeling, een verslag van een lezing over archeologie in de Stationsbuurt van Heiloo in deze Poldergeest publiceren. Raggen in de ruime regio is, ter vergelijking, altijd leerzaam. Onze eigen kampioenveldonderzoeker Wijb werd door Monique als RAGebol geïnterviewd en verdient ook zeker dat hij daarmee even in het zonnetje wordt gezet als een heel grote steun voor de praktische kanten van RAG. Het bestuur van RAG werd uitgenodigd bij de officiële aanvang van de restauratie van de al tien jaar in de steiger staande ‘zuurkoolgevel van Verburg’ en de bouw van twee series achterliggende woningen in NoordScharwoude. Vier RAG-bestuursleden waren aanwezig toen Burgemeester Cornelisse de troffel hanteerde, overhandigd door aannemer Henselmans en de Wooncorporatie-directeur Kees Kwadijk. In de Erfgoedcommissie hadden o.a. Jacob Keizer, Jan Tauber en ik het genoegen deze restauratie tot een goed eind te kunnen begeleiden. Zodoende is terecht een belangrijk stuk industrieel erfgoed voor Langedijk behouden gebleven. Het boekje ‘Achter de gevel van Verburg’ dat wij in ontvangst mochten nemen is geschreven door Jan van Baar, archivaris van het Regionaal Archief in Alkmaar. Een bespreking van dit boekje is te vinden in deze Poldergeest 12, evenals een korte weergave van het boek ‘Gezonken als een baksteen’ van Michiel Bartels. De in de Poldergeest 11 door mij beloofde recensie van ‘Een West-Friese affaire’ komt helaas pas in de Poldergeest 13. Frans Diederik was desgevraagd bereid zijn objectieve oordeel te geven, terwijl ik meer subjectief ook nog wel wat hoop in te brengen. De tijd om deze recensie grondig te voltooien ontbrak ons beiden helaas en die tijd verdient het opzienbarende boek van Björn toch zeker! Ten slotte: de welbekende RAGenda bevat hopelijk ook iets wat een uitdaging voor jullie is om alvast direct in jullie eigen agenda over te nemen!

Paardenmarkt Alkmaar

A

an het artikel over de Paardenmarkt in de vorige Poldergeest kunnen nog twee opmerkingen worden toegevoegd: 1- van de grafkisten waren ook de spijkers nog aanwezig. 2- Niet het hele prehistorische

-3-

graf is onderzocht door Glasgow, maar slechts een tandje. Er is een tand heen gestuurd voor een C-14 datering. De uitkomst is: het lijksilhouet dateert tussen 50 vóór en 90 ná Christus. (met dank aan Peter Bitter).


Graven in de ingewanden van de Westfriese Omringdijk Ger Kalverdijk

H

et is 28 juli 2010, hartje zomer en stralend weer. Een aantal leden van de seniorengroep Probus Heiloo zit uit te blazen van een lange wandeling vanuit Beets dwars door de weilanden naar de ringvaart van de Beemster. De steeplechase over de damhekken en het prikkeldraad werd vakkundig begeleid door Han van Zwet, wonende in Beets, maar ook lid van onze vereniging in Heiloo.

Afbeelding 4

Hoorn, tevens tijdelijk bestuur van afdeling 2 binnen de AWN, had Michiel namelijk al snel een e- mail naar ons gestuurd om nader kennis te maken. Dat dit nu zonder aankondiging op deze bijzondere locatie persoonlijk gebeurde is voor beiden een plezierige verrassing. Nadat Michiel als een gladiator is afgedaald in de Romeinse arena weet hij ons onmiddellijk te boeien met zijn bijzondere verhaal, geholpen door de voortreffelijke akoestiek vanuit het natuurlijk galmgat. Het publiek reageert af en toe enthousiast met spontane vragen als ze steeds meer willen weten over de mysterieuze hiërogliefen in de dijk. Het blijken aanmoedigingen voor de gladiator daar beneden om extra geestdriftig met zijn aanwijsstok te zwaaien teneinde het gevecht met de tien eeuwenoude dijkstier, opgefokt door zo’n twintig generaties Westfriezen, aanschouwelijker te maken (zie Afbeelding 6).

Afbeelding 5

Het terras, waarop uitgeblazen èn dorst gelest wordt, is gelegen voor de boerderij van Han, waar we eerder ook zijn arbeidsintensieve (te) grote erf hadden bewonderd. Han van Zwet is de auteur van het boek ‘Lofwaerdighe dijckagies en miserabele polders’, het proefschrift waarmee hij, in aanwezigheid van zijn vrienden, in 2009 zijn (tweede) doctorstitel had behaald (zie Poldergeest 9). Het bestuur van RAG was daarbij aanwezig. Hij is het ook, die het idee oppert nog diezelfde avond naar het ‘gat’ van Venhuizen te gaan. Enkele mensen zien dat niet meer zo zitten, maar de kwieksten onder de grijsaards zijn daarvoor wel te porren en zijn er spoorslags heen gereden. Onder anderen Allan de Monchy, die de meeste foto’s in dit ooggetuigenverslag heeft gemaakt. Als we ongeveer half acht arriveren aan de Westfriese Omringdijk bij Oosterleek/Venhuizen staat het al zwart van de mensen, die zich verzameld hebben zo’n tien meter boven het diepste punt van het gapende gat. Het is één van de sleuven, die zijn gegraven ten behoeve van archeologisch onderzoek onder leiding van Michiel Bartels, stadsarcheoloog van Hoorn, tevens regionaal archeoloog van oostelijk West-Friesland.

Afbeelding 6 Michiel Bartels in zijn ‘arena’

Michiel begroet ons groepje uit Heiloo al direct bij het begin omdat ik eerder contact met hem had gehad om de banden met oostelijk West- Friesland te versterken. Na de heroprichting van de onderwaterwerkgroep

De gehele dijksleuf is in een aantal terrassen verdeeld om de verschillende taluds niet al te steil te maken. Daarop konden de bulldozers rijden, terwijl de archeologen van daaruit in de wanden tijdlijnen hadden inge-

-4-


kerfd om de ophogingen van de dijk in verschillende perioden te markeren. Uit de onderste kern, die nog als bruin veen herkenbaar is, was materiaal voor pollenanalyse, dus stuifmeelonderzoek, verzameld (zie Afbeelding 5). Aan de kant van het IJsselmeer, beschermd door een tijdelijke aarden wal, staat op een hoger niveau nog het verminkte palenscherm, aangetast door de beruchte paalworm. De straf der goden werd dit genoemd, maar de nuchtere dijkbouwers hielden het hoofd koel en voerden via de Westfriese havens oneindig veel keien uit Drenthe en Scandinavië aan om de goden te trotseren. Wat er allemaal gebruikt werd om de inklinkende dijk tegen de altijd weer dreigende zee te beschermen, wordt ons hier concreet getoond. Wier- en veenresten, knuppels, vlechtwerk van rijshout, basaltzuilen en granieten keien, kleizoden en keileem, maar ook ijzerwerk en baksteenpuin zijn uitgestald om te kunnen fotograferen. Vele huizen vooral uit Enkhuizen, gesloopt in de tijd van verval na de Gouden Eeuw, vonden hun einde in het grote dijklichaam om de ingewanden te versterken of van een bypass te voorzien (zie Afbeelding 7 t/m Afbeelding 10). Bijna een uur hebben wij ademloos naar Michiel geluisterd en hij wordt dan ook beloond met een luid applaus van een dankbaar auditorium. Vervolgens luisteren we ook nog aandachtig naar de aanvullingen van de heer Messchaert van het Hoogheemraadschap Noord-Holland Noord. Hij legt onder meer uit, dat de zeven sleufonderzoeken van de Omringdijk plaats konden vinden in het kader van de algehele dijkophoging. Aldus is door het Hoogheemraadschap NHN met de nodige soepelheid aan de eis van de Wet van Malta voldaan. Op de internetsite www.hhnk.nl zijn uiteraard de resultaten van ophoging èn archeologisch onderzoek nog te volgen, want het interpreteren van de vondsten zal, zoals vaak het geval is na archeologisch onderzoek, relatief meer tijd vergen. Na afloop spreken we nog een van de hoofduitvoerders van het grondwerk, die tot onze verbazing nogal sceptisch tegen de ophogingswerkzaamheden aan kijkt. De ophogingen zouden op deze wijze aangebracht namelijk niet aan de verwachtingen voldoen. Zo zie je maar weer: de discussie over de dijkenbouw blijft door alle eeuwen heen actueel! Ook is er een kans om Michiel nog even aan zijn jasje te trekken en te vragen of hij een lezing voor RAG en COOG in Koedijk en mogelijk ook voor Probus Heiloo wil houden. De eerste lezing is inmiddels op 19 maart gehouden (zie blz. 6). Meer dan tevreden over de onverwacht benutte kans het Unesco- bekroonde WFO-

-5-

monument uit de 13de eeuw van binnen te hebben bezichtigd zijn we laat die avond thuis gekomen

Afbeelding 7

Afbeelding 8

Afbeelding 10

Michiel Bartels stuurde ons voor de lezing in Koedijk nog deze samenvatting. Van 2008 tot en met 2010 zijn ten behoeve van archeologisch onderzoek zeven sleuven door het zuidoostelijk deel van de Westfriese Omringdijk gegraven. Dit deel van de 126 km lange en nog bestaande dijk heeft de naam Zuiderdijk en is gelegen tussen Hoorn en Enkhuizen. De sleuven reikten tot op de natuurlijke bodem en besloegen in de meeste gevallen het volledige historische profiel van de dijk. Op enkele plaatsen werden resten uit de bronstijd onder het dijklichaam aangetroffen. Op de meeste plaatsen werd een primaire dijk teruggevonden, daterend uit de 13de eeuw, op één locatie werd een 14de/15de-eeuwse inlaagdijk gevonden. Op plaatsen bestaat nog enige onzekerheid over de datering van de dijk in de geografische ontwikkeling van zuidoostelijk West-Friesland. Bovenop de vroegste dijklichamen van kleizoden, werden diverse fases aangetroffen uit de 14de- 20ste eeuw bestaand uit zoden, wier, puin, rijshout en paalwerk. De dijk bereikte in de 20ste eeuw overal een omvang van ongeveer 5,5-7 meter hoog en 30-35 meter breed. In de lezing zal worden ingegaan op de bouw van de dijk en hoe deze werd onderhouden.


Lezing Michiel Bartels in Koedijk, een verslag Ger Kalverdijk

E

en nuttig en aangenaam bezoek van COOG en RAG bij de Historische Vereniging Koedijk op 19 maart 2011 Raggers en Coogers werden die zaterdag tussen negen uur en half tien vriendelijk ontvangen door de bestuursleden Jan Slikker, Cor Visser en Jan Bijpost op de zolder van de molenschuur naast de prachtige nieuwe graanmolen. Beneden in de schuur is het restaurant gevestigd, dat ons direct al van koffie voorzag. Boven konden wij de goed ingerichte expositie- en vergaderruimte van de Historische Vereniging Koedijk bewonderen. Koedijk heeft de naam dat hun toch wel eetbare pannenkoeken er aan één kant worden gebakken. Verklaring: de goed onderhouden huizen en boerderijen staan er aan één kant van de weg. Die eenzijdige degelijkheid is kennelijk in onze generatie voortgezet door twee vliegen in één klap te slaan met de bouw van de molen èn de molenschuur, waarin o.a. de Historische Vereniging zijn vele activiteiten organiseert. Om jaloers op te zijn! Omdat de Stichtingen COOG en RAG beide géén vast domicilie hebben werd onlangs besloten eenmaal per jaar in het Allemanshuis bij de Kerk van Oudkarspel bijeen te komen om de financiële en huishoudelijke zaken te bespreken, terwijl het ons zinvol leek een excursie of lezing te koppelen aan korte algemene vergaderingen van meer informatieve aard, afwisselend te houden bij een van de andere bevriende historische verenigingen. Voordelen zijn dat men wederzijds kennis kan nemen van elkaars wederwaardigheden en er op de aansluitende lezing of excursie meer publiek aanwezig is. Voorts kunnen de kosten met elkaar worden verdeeld, wat zeker ook een stimulans is om meer met elkaar te ondernemen. De woorden Coördinatie in COOG en Regionaal in RAG komen daardoor eens temeer tot hun recht, zoals in de statuten van beide stichtingen vermeld is. Dat juist Koedijk de eer had als eerste dit ‘experiment’ te ondergaan was geen toeval, want de contacten met de zeer actieve vereniging waren vooral de laatste tijd, na de periode dat het boek van Jo Geus als eerste COOGboek uitkwam, weer heel goed. En bovendien was Koedijk, gelegen op de Westfriese Omringdijk een uitgelezen plek om de lezing van Michiel Bartels over dit onderwerp te houden. Jan Slikker, de voorzitter van Historische Vereniging Koedijk, sinds kort de opvolger van Jack Muis, opent

-6-

om 9.30 uur de vergadering met een warm welkom aan het publiek, dat de zolder mudvol heeft gevuld om in molenaarstermen te spreken. Hij vraagt terecht aandacht voor de mooie expositie en enkele andere activiteiten van zijn vereniging en hoopt op een plezierige en leerzame ochtend met z’n drieën. Bij de uitgang wordt van bezoekers, die geen donateur zijn van een der organiserende clubs een vrijwillige donatie verwacht om de consumpties en de sprekerskosten te voldoen. Daarna opent de voorzitter Jan Kraakman de algemene vergadering van COOG. Tevreden terugziend op de goed bezochte excursie van 16 oktober 2010 wordt vooral informatie gegeven over de voortgang en het uitgeven in 2012 van het Coogboek NoordScharwoude. Hij bespreekt vervolgens de tijdelijke pauze, die is ingelast bij het schrijven van het overallboek, dat COOG i.s.m. RAG en de historische verenigingen nà de Coog-boeken van Noord- en Zuidscharwoude nog hoopt uit te geven. Na 10 uur neemt het bestuur van RAG de plaats in van het COOG-bestuur en volgen enkele mededelingen over de archeologische stichting, die met zijn 65 leden ook al weer ruim acht jaar bestaat. De voorzitter vertelt dat die vitaliteit vooral gebaseerd is op een handvol actieve bestuursleden, die daarom veel lof verdienen. Zij doen o.a. het veldwerk, onderhouden de contacten met de professionele archeologen en fungeren als ‘doorgeefluik’ naar de geïnteresseerde lezers van ons kleurige blad Poldergeest. Samen met de excursies en lezingen, die worden georganiseerd hopen we op nog meer, hopelijk ook actieve leden. Bestuursaanvulling is zeker ook een belangrijke voorwaarde om door te gaan met ons dankbare werk, dat getoond heeft in een flinke behoefte te voorzien. Michiel Bartels is intussen gearriveerd en als de beamer in de koffiepauze is geïnstalleerd kan zijn power- pointlezing beginnen. Ger kondigt hem aan en memoreert het feit dat Monique in Schellinkhout en hijzelf in Venhuizen onder de indruk waren gekomen van zijn redenaarsen gladiatorkwaliteiten in de diepe arena van de dijk en hem daarom hadden uitgenodigd. Daarop dankt Michiel voor de uitnodiging op deze prachtige molenlocatie met zo’n flink toegestroomd publiek. Hij laat zich positief uit over het werk van de RAG, dat hij in hun blad Poldergeest heeft kunnen volgen en prijst ook het initiatief hier samen te komen aan de zuidwestkant van de dijk, terwijl hij zal praten over de zuidoostkant van de dijk.


dijker gastheren en –dames namen we tevreden afscheid – uiteraard met een tot ziens! Wat betreft meer details over de drieledige inhoud van de lezing verwijzen we naar het artikel in deze Poldergeest: ‘Graven in de ingewanden van de Westfriese Omringdijk’ Voorts is kort samengevat de inhoud van het maritiem onderzoek te lezen in het eveneens in deze Poldergeest geplaatste artikel ‘Gezonken als een baksteen’ (zie hierna). Op onze website www.Ragarcheologie.nl kan men natuurlijk ook over de nieuwe ontwikkelingen op archeologisch gebied veel meer te weten komen! Afbeelding 11 Geboeid luistert men naar Michiel Bartels

Zijn lezing zal voornamelijk echter ook gaan over het onderwateronderzoek in het Hoornse Hop, dat met hulp van de amateurarcheologen van de AWN afdeling 2 uit Hoorn kon worden uitgevoerd. Daarom ook is zijn lezing getiteld ‘Scharrezootje of Schatkamer?’ De inhoud is grotendeels gebaseerd op de veelzijdige tekst en de vele kleurige illustraties van zijn boek ‘Gezonken als een baksteen’ dat tijdens de lezing in het zaaltje rondgaat en na afloop door velen wordt gekocht, zie blz. 7). Van half elf tot twaalf uur heeft Michiel ons werkelijk getrakteerd op een kwalitatief hoogstaande lezing. Een nieuwe wereld onder de waterspiegel van het Markermeer en onder het maaiveld van het oude Westfriese land (o.a. Medemblik) is voor onze ogen en oren geopend op die mooie morgen in Koedijk. Daarvoor hebben we hem dan ook met een welverdiende envelop en een krachtig applaus bedankt! Met dank aan onze Koe-

Afbeelding 12 Michiel Bartels aan het woord op de tentoonstellingszolder van de Hist. Ver. Koedijk

Gezonken als een baksteen Michiel Bartels

H

et Hoornse Hop is in de Gouden Eeuw en de eeuwen hierna een van de drukst bevaren stukken van de Zuiderzee. Handelsschepen, oorlogsbodems, vrachtvaarders en vissers voeren duizenden malen per jaar naar of van Hoorn. Vele schepen vergingen in het ondiepe Hoornse Hop. In 2002 verrichtte een schip van Rijkswaterstaat een controlemeting. Op enige afstand van de oude haven van Hoorn werd het complete silhouet van een middelgroot schip zichtbaar op de meetapparatuur (vgl. Afbeelding 14). Het bleek 18 meter lang en redelijk gaaf in de zachte zeebodem vast te zitten. Duikende amateurarcheologen uit West-Friesland werd gevraagd het wrak nader te inspecteren.

-7-

Afbeelding 13 Gele bakstenen uit de tjalk


Het wrak bleek vol te liggen met gele baksteentjes (zie Afbeelding 13), dakpannen, plavuizen en een groot aantal fraaie witte borden met de tekst ‘Makkum 1752’ (zie Afbeelding 15). Na een aantal succesvolle duiken en aanvullende studie, liep het onderzoek vast. Het schip bleef op de bodem van het Hoornse Hop liggen.

voormalige Zuiderzee en de risico’s waaraan het kwetsbare erfgoed op de zeebodem telkens blootstaat.

In 2010 werd een belangrijk historisch document ontdekt dat alle puzzelstukken op zijn plaats liet vallen. Het vrachtschip was de tjalk van de Friese schipper Karsten Hoytes komend van Makkum. Het verging onder mysterieuze omstandigheden in de nacht van 2 op 3 november 1752 in het zicht van de Hoornse haven.

Afbeelding 15 De voorzijde van een bord (salaadschotel) met de tekst ‘Een oog in ’t zeil Makkum 1752’

Afbeelding 14 Een driedimensionaal aanzicht van de tjalk aan de hand van de hoge resolutie-scans in 2010

Veel details over dit onderzoek zijn opgenomen in het recent verschenen boek ‘Gezonken als een baksteen’. Het is een veelzijdig boek geworden omdat het zowel de Fries-Westfriese maritieme handelsbetrekkingen als de productie en het gebruik van Fries aardewerk en bouwmateriaal illustreert. Tevens belicht het de functie van de tjalk als werkpaard van de Zuiderzee. Tenslotte wijst het op het nut van archeologisch onderzoek in de

Auteurs van dit boek zijn Michiel Bartels, stadsarcheoloog Hoorn, Henk Dessens, Directeur Collecties Het Scheepvaartmuseum Amsterdam, Christiaan Schrickx, archeoloog te Hoorn en historicus, Dieuwertje Duijn, keramiek specialist, Martin Sluis, duikend amateurarcheoloog en Timo Perger, RAAP-Friesland. De winkelprijs is € 17,50 (ex. verzendkosten), het boek telt 96 pagina’s en het ISBN-nummer is 978-90-816452-1-8, Uitgever Stichting Archeologie West-Friesland. Met samenvattingen in het Fries, Engels en Duits. Tot slot is er ook een tentoonstelling aan dit onderwerp gewijd, zie RAGenda op blz. 16.

Sint Pancras

I

n de afgelopen maand maart zou RAAP een proefsleuvenonderzoek uitvoeren op twee locaties aan de Benedenweg te Sint Pancras. Een en ander n.a.v. de resultaten van het vooronderzoek door ARC bv op deze locaties. Voor het onderzoek is door ARC bv een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Daarin staat dat voor het archeologische onderzoek gebruik gemaakt kan worden van amateurarcheologen. Het onderzoek is echter niet uitgevoerd, maar uitgesteld i.v.m. allerlei onduidelijkheid m.b.t. de onderzoeksmethode en de

-8-

uitvoerbaarheid daarvan. Inmiddels is alle onduidelijkheid opgelost en is het onderzoek opnieuw ingepland. Het zal nu plaatsvinden op dinsdag 21 en woensdag 22 juni. Op die data zijn leden van de historische verenigingen en/of archeologische werkgroepen uit de omgeving welkom om mee te helpen en/of een bezoek te brengen aan het onderzoek. Eventuele belangstellenden kunnen daarover contact opnemen met R.W. de Groot, via e-mail r.de.groot@raap.nl.


Stukje Heerhugowaardse geschiedenis opgegraven Björn Groenveld

Z

o kwam er op 17 januari ineens een stuk bakstenenvloer tevoorschijn op de hoek Middenweg-Van Eedenstraat. Archeologen Elisabeth De Nes en Ed Hoven van archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf waren drie dagen lang de grond aan het doorspitten om een stukje Heerhugowaardse geschiedenis in kaart te brengen. Op 18 januari was het ‘open dag’ en kon iedereen een kijkje nemen. Schoolklassen van de Paperclip en de Grote en Kleine Beer kwamen de archeologen een handje helpen. Ook drie jonge archeologen in spé konden die dag alvast hun droomberoep uitoefenen. ‘En dat is alleen maar goed’ volgens archeologe Elisabeth de Nes, ‘want zo leren ze op een leuke manier ook van hun eigen woonplaats de geschiedenis.’ En wat hebben ze uiteindelijk gevonden? Een bakstenenvloer, twee waterputten, een paar munten, houten paaltjes, spijkers, resten van een slootje en een paar (dierlijke) botten.

Wat dachten de archeologen aan te kunnen treffen. In het Programma Van Eisen voor het archeologisch onderzoek is het volgende te lezen. ‘Er bestaat een kans op het aantreffen van een buitenplaats die we kennen van de 17e-eeuwse kaart van Dou (uitwaterende sluizen). Op basis van het bureau- en booronderzoek wordt het volgende geconcludeerd: In een laag op 30-95 cm – mv werden 18e-eeuwse indicatoren aangetroffen (in een deel van het toen onderzochte gebied dat het gehele plangebied De Horst betrof). Het gaat waarschijnlijk om een boerderij die op de kaart van Dou uit 1680/1745 te zien is. Deze boerderij staat niet meer op de kadasterkaart uit 1811-1832 en is tussen 1745 en 1811 waarschijnlijk afgebroken. De precieze omvang van de boerderij is niet met boringen te bepalen. Een opvallend element is dat bij de Middenweg drie bomen in een rij staan. Deze bomen staan haaks op de Middenweg en wijzen waarschijnlijk op een oude oprijlaan. Aanvullend kunnen we van deze vindplaats het volgende zeggen. Henk Komen die onderzoek heeft gedaan naar deze buitenplaats geeft aan dat het gaat om twee opties: De stolp op de 17e-eeuwse kaart ligt wat van de Middenweg af en is omgeven door een water- en windsingel en een boomgaard (zie Afbeelding 16). In een acte uit 1750 wordt ‘een Heerenhuizing met plantagie’ op kavel C19 beschreven, wat overeenkomt met de kaart uit 1683. Echter op de eerste kadasterkaarten uit omstreeks 1810 staat er op kavel C19 niets meer, maar wel ernaast op kavel C18 een identieke boerderij met windsingel en zuidelijk een boomgaard. Dit kan op twee manieren verklaard worden: Optie 1: De boerderij op C19 is vóór 1810 gesloopt en na 1800 vervangen door een nieuwe

-9-

op C18 (zijnde boerderij Molenzicht, Middenweg 137). Optie 2: Het kan ook zijn dat op de kaart uit 1683 de boerderij op een verkeerde kavel is ingetekend, er staan meer foutjes op. Komen vindt de tweede optie het meest voor de hand liggend, omdat het niet waarschijnlijk is dat de grote boerderij gesloopt is en de singels gedempt om op de kavel ernaast de boomgaard te rooien om er een identieke boerderij te bouwen. De oude boerderij Molenzicht op C18 (zie Afbeelding 16) lag verder van de weg en werd gesloopt in 1913 en vervangen door een nieuwe stolp iets dichter bij de Middenweg. Deze stolp werd in 1965 gesloopt.’

Afbeelding 16 Uitsnede uit de Kaart van de Uitwaterende Sluizen uit 1680/1745. Met de buitenplaats binnen het kader.

Het huidige onderzoek zal naar verwachting bevestigen dat op deze locatie in de Schrijverswijk in 1857 een stolpboerderij stond, die in 1913 gesloopt is voor de bouw van een villa. In de jaren ’60 is deze villa, in de volksmond Villa Kostelijk genoemd (zie Afbeelding 17), ook weer gesloopt omdat de gemeente van plan was hier een weg aan te leggen. Die weg is er uiteindelijk nooit gekomen. Wat er wel komt is fase 2 van het project De Horst en dan komen op deze locatie appartementen, eengezinswoningen en vrije kavelwoningen.

Afbeelding 17 Villa Kostelijk, Middenweg 143


Ragebollen met Wijb Ouweltjes Monique Zwetsloot

V

an het begin af aan is Wijb Ouweltjes bij onze stichting betrokken. Hij was al bij de oprichting van de archeologische werkgroep. Ger Kalverdijk heeft hier het initiatief voor genomen en wat mensen gevraagd. Wijb was hij al tegen gekomen hij het Langedijker Verleden.

eeuwse Stad. Wijb zat samen met hem in de groep fysische chemie van het ECN te Petten. Bijna zijn hele werkzame leven heeft Wijb onderzoek gedaan naar de eigenschappen en mogelijke verbindingen ven uranium. Als er een opgraving is trekt Wijb als een van de eersten zijn overall aan en gaat meewerken. Hij is het liefst praktisch bezig met archeologie. Maar heeft ook ondertussen al veel gelezen. De kosmos en de geschiedenis van de graventijd van 1000 tot 1500 hebben ook zijn grote interesse. Zijn leukste opgraving was die bij de Nuwendoorn. Niet de recente renovatie maar al veel eerder. De slotgracht daar was veel breder en er was een waterloop naartoe, alles werd per schip aangevoerd, daar zijn de sporen van gevonden. Een van de frustraties vindt hij dat het rapport van de opgravingen altijd zo lang op zich laat wachten, dan ben je het bijna allemaal al weer vergeten door weer andere projecten.

Afbeelding 18 Wijb, RAG-ger van het eerste uur

De liefde voor archeologie heeft Wijb van de heer Cordfunke uit Schoorl die al meerdere boeken geschreven heeft over archeologie en historie, zoals de vroegste geschiedenis van Alkmaar in Van Boerderij tot Middel-

De wet Malta vindt Wijb wel goed, maar je moet het zoveel mogelijk in de grond laten zitten, dan blijft het het beste bewaard. Het meeste is toch al bekend, de woonplekken in NH en de grote lijnen. Technieken worden steeds beter zodat je er later ook meer mee kunt doen, zoals het DNA onderzoek wat je nu kunt doen op de Hollandse graven en andere overledenen. Het is voor Wijb hobby, hij doet mee met wat hij hoort zeggen en heeft al vele leuke opgravingen meegemaakt, zoals die in Warmenhuizen wat naar wij hopen in de volgende Poldergeest staat, maar Wijb heeft geen behoefte aan publiceren met zijn naam erbij. Toch zetten wij hem hier even in het zonnetje.

Lezing Jan de Koning over de archeologie in de stationsbuurt van Heiloo, een verslag Marielies van Lente

D

e door Baduhenna georganiseerde lezing door Jan de Koning van Hollandia Archeologen over de opgravingen in het stationsgebied van Heiloo op woensdagavond 20 april 2011 is druk bezocht ondanks het mooie weer. Meer dan honderd geïnteresseerden luisterden geboeid naar wat er in het gebied gevonden is. Het gebied zat vol met latere moesbedden, maar het

verhaal gaat over wat daaronder gevonden is of over het terrein waar die bedden niet aanwezig waren. Het zijn allemaal ‘flarden’ van opgravingen geweest: op het Stationsplein, op het terrein waar Taxi Zwart was, het gebied van de Rabobank, het Postkantoor en De Stolp. Gedurende de afgelopen jaren zijn daar op ver-

- 10 -


schillende tijdstippen een aantal opgravingen geweest. Al deze kleine opgravingen bij elkaar geven een beeld van de bewoningsgeschiedenis van dit voormalige buurtschap (Ewis) van Heiloo. Jan de Konings verhaal is ook een pleidooi voor het bij elkaar brengen van alle verschillende uitkomsten van diverse opgravingen om daar één verhaal van te maken. Hiervoor zet Baduhenna zich ook in. Door dingen met elkaar te vergelijken en in verband met elkaar te brengen wordt het steeds meer duidelijk dat er al vanaf de bronstijd bewoning is geweest in dit gebied. Ook kleine opgravingen hebben zeker hun nut. Het kan zomaar zijn dat tientallen meters geen spoor uit een bepaalde tijd is gevonden en dan ineens wel een mooi spoor of vindplaats gevonden wordt, bijvoorbeeld een waterput met scherven die gedateerd kunnen worden. In het stationsgebied zijn tot nu toe minimaal 46 waterputten gevonden uit verschillende tijden. Jan de Koning gaf een chronologisch verhaal over het gebied waarbij hij van de ene opgraving switchte naar de andere en weer terug. In een kuil bij het voormalig Postkantoor is aardewerk uit de 3e eeuw voor Christus gevonden. Aan de hand van de aardewerken potten met nagelindrukken en versiering van vingertopdrukken op de buik en een geometrische versiering van lijnen kon dit gedateerd worden in de overgang van midden naar late ijzertijd. Ook zijn er brokken maalsteen gevonden uit het Eiffelgebied. Dit betekent dat er handelscontacten in die tijd zijn geweest. Dat Heiloo geen geïsoleerde samenleving was is ook al uit de eerdere vondsten van de vuurstenen sikkels elders, bij de Krommelaan, in Heiloo gebleken. Er was een uitwisseling van luxe goederen en deze netwerken zijn dus tamelijk oud. De waterkuil in het gebied van het Postkantoor wijst erop dat bewoning niet ver afgelegen is geweest en er waarschijnlijk een boerenerf uit de 3e eeuw voor Christus aanwezig was. Verder is er in dit gebied nog aardewerk uit de 10e/11e eeuw na Christus gevonden bij een haardplaats. Er is kogelpotaardewerk gevonden dat lokaal vervaardigd is. Aan de andere kant van het spoor, de oostkant, waar Hollandia ook gegraven heeft, naast het station zijn 6 kuilen en een waterput gevonden uit de Romeinse tijd. In twee kuilen was voldoende aardewerk aanwezig om ze te dateren. In een kuil waren enkele potten ingegraven uit de 1e eeuw na Chr. Met zo’n ingegraven brede pot werd bijvoorbeeld een rituele maaltijd geofferd. Soms wordt de pot ook ritueel stukgeslagen. Het is in ieder geval geen afvalvondst. De grote ingegraven potten kunnen ook een verlatingsritueel zijn. Uit een waterput met een plaggenwand kwamen vele potfragmenten met vingertopversiering. Door de gekartelde randen konden de potten gedateerd worden op de 2e/3e eeuw na Christus. (Ook de kleine oortjes, staken nog niet boven de pot uit, dat zou op een latere datering wijzen.) Jan de

Koning gaf met tal van voorbeelden aan hoe je aan de hand van de vorm van het aardewerk (bijvoorbeeld een scherpe S-rand), en de versiering aan de voorwerpen een tijdsaanduiding kan geven. Opvallend is dat tot nu toe de 5e en 6e eeuw nog ontbreekt in Heiloo. Dit betekent echter niet dat er toen niets aanwezig was. Het kan zijn dat toevallig dit nog niet gevonden is. Op het Stationsplein is door Hollandia in 2005 aardewerk uit de 8e eeuw gevonden en Archol heeft er ook Badorf aardewerk gevonden, dat is uit de Karolingische tijd. Het Stationsplein bevatte ook kringgreppels uit de Late middeleeuwen. De plaatsen met kringgreppels werden gebruikt voor oogstopslag (bijvoorbeeld hooistapels). De oogstopslag kon dan afwateren op de kringgreppel. Ook bij De Stolp zijn kringgreppels gevonden. Kringgreppels worden veel meer gevonden in Noord-Holland en waren gedurende zeer lange tijd gebruikelijk. In West-Friesland zijn bijvoorbeeld veel kringgreppels uit de midden en late bronstijd gevonden en ook uit de Romeinse tijd, maar in Heiloo in het Stationsgebied zijn de kringgreppels dus uit de late middeleeuwen. Op het Stationsplein is ook een keldertje gevonden met plaggen uit de 12e /13e eeuw. Dit zijn kleine rechthoekige verlaagde sporen bij/aan een huis/boerderij. Er is een duidelijke toename van sporen bij het Stationsplein uit de 13e en 14e eeuw. De sporen zijn gericht op de Heerenweg, er zijn duidelijk 2 kavels met waterputten te onderscheiden. De putten, 13 in het totaal, zijn in deze tijd nog met plaggen en geen hout. Als fundering voor een put is een karrenwiel gebruikt. In het gehele Stationsgebied gebied zijn duidelijk 6 boerenerven te onderscheiden. Twee aan de Heerenweg, twee aan weerszijden van de Westerweg en twee bij het gebied van Taxi Zwart. In de 13e eeuw kan je duidelijk spreken van een buurtschap. De langwerpige vorm van de boerderijen is te vergelijken met wat gevonden is in de opgraving bij Limmen/De Krocht. Alleen waren daar de boerderijen veel langer. In Heiloo waren de boerderijen waarschijnlijk hooguit 20/25 meter lang terwijl in Limmen een dubbele lengte is gevonden. In de 14e eeuw komen er tonputten als waterputten. Hiervan zijn ook verschillende gevonden. In enkele houten tonnen die voor de waterputten zijn gebruikt, zijn ook kuipersmerken aangetroffen. De 14e eeuw is de eeuw van de tonputten. Hoewel Heiloo op een wat hogere strandwal gelegen is, is er blijkbaar altijd wel voldoende zoet water makkelijk uit de grond te verkrijgen geweest, gezien de vele waterputten. En ook tijdens de

- 11 -


opgravingen in de 21e eeuw ontstond er op een gegeven ogenblik een meer naast het station. Ook dit duidt erop dat nog steeds voldoende water aanwezig is op het toch hoger gelegen gebied. Er wordt nog even teruggekomen op de langwerpige keldertjes. In het stationsgebied van Heiloo is dus zo’n keldertje gevonden. De langwerpige keldertjes zijn bekleed met kleiplaggen en hebben een specifieke structuur. Deze keldertjes worden meer in deze regio gevonden en worden onderzocht door Mark van Raaij. Het keldertje zit aan de korte kant van de boerderij vast en aan de andere korte kant van de langwerpige boerderij is dan een haardplaats te vinden. Deze keldertjes zijn lang en smal en werden waarschijnlijk gebruikt voor opslag of om misschien wel kazen in te laten rijpen. Iemand uit het publiek vertelde ook dat zo’n 80 jaar geleden er ook nog dergelijke verlaagde bewaarplaatsen bij een huis werden gebouwd. [Baduhenna heeft achter boerderij Betsy’s Hof waarschijnlijk ook zo’n kaaskeldertje aangetroffen. Uit welke tijd die is, is nog niet bekend. MvL]. In het stationsgebied van Heiloo is vlak tegen het huis met het keldertje aan, ook een runderbegraving gevonden. De begraving van het rund heeft waarschijnlijk een rituele betekenis, zoals later bijvoorbeeld ook wel paardenkoppen in daken van boerderijen zijn terug te vinden. In de late middeleeuwen is er een overgang van houtbouw naar steenbouw net zoals van plaggen putten naar tonputten wordt gegaan. In de late 13e en vroege 14e eeuw is er een bloeiperiode in het stationsgebied geweest met tal van landbouwactiviteiten. Dit is niet zo verwonderlijk omdat het een gunstige ligging had langs de doorgaande weg naar de stad Alkmaar. In het midden van de 14e eeuw is er een duidelijke afname van activiteit. Dit kan veroorzaakt zijn door een landbouwcrisis, slechte oogsten, over-exploitatie of pestepidemie. Er is in die tijd een leegloop van het landelijk gebied en een trek naar de stad. In het stationsgebied is er een duidelijke afname van het aantal waterputten. Zoals al eerder opgemerkt zijn er in het totaal 46 waterputten gevonden waarvan de piek van de bewoning was in de tijd van de tonputten. In de 15e eeuw krijgt de waterput langzame versterking met steen. Vanaf de 16e/17e eeuw tot in de 19e eeuw ligt de verkaveling bij de Heerenweg eigenlijk vast.

In de 17e eeuw krijgt de buurt enige stedelijke allures. Er is namelijk een beerput uit de eerste kwart van de 17e eeuw gevonden. Op het platteland is dit een zeldzaamheid. Ook is er uit die tijd een strijkglas gevonden. In de 16e/17e eeuw zijn strijkglazen niet heel vaak voorkomend. [Op het terrein van kasteel Ypestein, het huidige GGZ-terrein aan de Kennemerstraatweg, is echter ook een strijkglas gevonden. Misschien zijn de kastelen en buitenplaatsen die Heiloo in vroegere tijden heeft gehad ook wel van invloed geweest op de levensstandaard in de stationsbuurt. MvL]

Afbeelding 19 13e eeuwse waterput te Heiloo. Houten wiel dat rust op een vierkant raamwerk van resthout. Daaronder, op de voorgrond, een compleet ossenjuk.

Uiteraard zijn er nog veel meer zaken door Jan de Koning verteld zoals over het houten juk dat gevonden is bij de opgraving van De Stolp (zie Afbeelding 19). Hierover kunnen we meer lezen als het rapport van de opgraving uitkomt. Door de lezing van Jan de Koning zijn we veel meer te weten gekomen over de activiteiten in het stationsgebied, die terug gaan tot de derde eeuw voor Christus. Het toont ook aan hoe belangrijk het is om archeologisch onderzoek te doen, hoe klein het gebied ook is, om meer te weten te komen over de bewoningsgeschiedenis van Heiloo en deze resultaten bij elkaar te brengen om er een verhaal van te maken. Jan de Koning heeft aan de hand van tal van voorbeelden ons een goede indruk gegeven over dit gebied. Het was een bijzonder leerzame lezing en Jan de Koning wordt hiervoor hartelijk bedankt. Het is een voorbeeld voor Baduhenna. De archeologische werkgroep van Heiloo streeft er ook naar om zo veel mogelijk opgravingsresultaten te verzamelen om uiteindelijk het verhaal over Heiloo te kunnen vertellen. Uit deze lezing blijkt ook dat nieuwe inzichten en nieuw onderzoek het verhaal weer verder kunnen invullen.

Bezoek ook “Poldergeest on line”, de website van de Stichting RAG

www.rag-archeologie.nl - 12 -


Achter de gevel van Peter Verburg

O

m de hoge invoerrechten op witte kool te omzeilen, verlegden Duitse zuurkoolfabrikanten hun productie naar de streek waar de kool werd verbouwd. In 1876 stichtte de Duitser Heinrich Wilhelm Stoll uit Frankfurt aan de Main via zijn vertegenwoordigers Hermann Rust en Johann Frank op de hoek Voorburggracht / Papemersloot te Noord-Scharwoude de eerste zuurkoolfabriek. Stoll was ook de eerste in Langedijk die een stoommachine in zijn bedrijf plaatste. De Duitse firma van Grelinger & Jansen vestigde twee jaar later, in 1878, een zuurkoolfabriek aan de Voorburggracht op het land van de invloedrijke gemeenteontvanger Albert Brinkman. Grelinger & Jansen zijn zelf nooit in Noord-Scharwoude ingeschreven – het heeft er alle schijn van dat de zuurkoolfabriek vanaf het begin door Albert Brinkman en zijn zoon Cornelis werd geleid. De Brinkmannen waren meesters in onderhandse regelingen. Veel van hun handelen bleef buiten de boeken. In 1894 ging de fabriek van Grelinger & Jansen over in handen van Peter Verburg. Nog geen jaar later, in april 1895, brandde de fabriek af. De fabriek werd herbouwd, maar nog zonder de monumentale gevel. Mede op grond van de bouwtekening van architect Cornelis Smit moet worden geconcludeerd dat de voorgevel pas in 1906 is opgetrokken. De fabrieksgevel is anno 2010 het laatste restant van de vermaarde onderneming. Hij herinnert aan Langedijk als land- en tuinbouwstreek en staat symbool voor een industrieel verleden.

De verandering in eetgewoonten zette door. De belangstelling voor blikgroenten nam steeds verder af; voortaan moest het vers of diepvries zijn. In 1997 was het echt gedaan en sloot de fabriek haar poorten. Waar de geschiedenis van de conservenindustrie van Langedijk eindigt daar begint het verhaal van de gevel. De gevel van Verburg was bij de bouw in 1906 al meteen opvallend en stijlvol en even imponerend als het bedrijf waaraan het gezicht gaf. Een eeuw lang was hij blikvanger en beeldbepalend in het dorpsgezicht van Noord-Scharwoude. Tot de fabriek met uitzondering van die gevel gesloopt werd. Het oorspronkelijke bedrijventerrein werd herontwikkeld tot een chique woonbuurt. De gevel bleef staan want iedereen begreep wel dat je zoiets moois niet snel sloopt. Met kunst- en vliegwerk en vooral veel stalen stutten hield de gevel zich staande, maar hoe die behouden en gerestaureerd kon worden was onduidelijk. Meerdere eigenaren en ontwikkelaars beten hun tanden erop stuk. Dat veranderde in 2008 toen Henselmans Ontwikkeling kansen zag voor woningbouw achter de gevel en Woningbouwvereniging Langedijk bij de plannen betrokken raakte. Er ontstond een plan voor 6 appartementen direct achter de gevel en twee blokjes met 15 Koopgarant appartementen daarachter. Met medewerking van de gemeente Langedijk heeft dat plan de eindstreep gehaald. Eind 2010 is de eerste paal geslagen. Een jaar later zal Langedijk verrijkt zijn met 21 woningen en zal de gevel weer in volle glorie te aanschouwen zijn. Dan ziet Langedijk weer iets terug van de rijke cultuurhistorie waarin de land- en tuinbouw, de varende tuinders in het eilandenrijk en de zuurkool- en conservenindustrie bepalende elementen zijn.

Afbeelding 20 Boekje n.a.v. van de restauratie van de ‘zuurkoolgevel van Verburg’

In 1978 telde de Noord-Hollandsche Conservenfabrieken Peter Verburg nog 320 werknemers. Maar toen al was het tij aan het keren. Een flink deel kreeg datzelfde jaar ontslag aangezegd. En het werd nooit meer beter.

Toen de verkoopbrochure verscheen wilden veel mensen die vooral hebben vanwege de prachtige historische foto’s van de gevel. Toen wist Woningbouwvereniging Langedijk al wat haar te doen stond: een boekje uitgeven met dezelfde fraaie beelden ondersteund door functionele tekst (zie Afbeelding 20). Het zorgvuldige en in een aantal opzichten zelfs baanbrekende onderzoek naar de zuurkool- en conservenfabricage in Langedijk maakt dit boekje bijzonder. Die eer komt toe aan Jan van Baar van het Regionaal Archief. Behalve hem bedanken we iedereen die aan de totstandkoming van deze uitgave heeft meegewerkt. Het boekje is o.a. verkrijgbaar bij het Regionaal Archief in Alkmaar en bij de boekhandel.

- 13 -


Napoleon 200 jaar geleden in het Geestmerambacht Jaap van Rossum

D

it jaar wordt op verschillende plaatsen en in een aantal media stilgestaan bij het bezoek dat Keizer Napoleon Bonaparte 200 jaar geleden aan NoordHolland bracht. Er wordt dit jaar zelfs een serie van zes tijdschriften uitgebracht onder de titel Napoleon in Nederland 1811-2011 (Uitgever Stichting ThemaTijdschriften). Centraal in deze tijdschriften staat de rondreis die keizer Napoleon in 1811 door een groot deel van Holland maakte. Het tweede lezenswaardige nummer (verschenen eind maart 2011) is geheel aan NoordHolland gewijd. De vraag daarbij rijst natuurlijk of Napoleon toen ook in het Geestmerambacht en in de Schager- of Niedorperkogge is geweest.

Afbeelding 21 Napoleon Bonaparte

Wat was de reden dat Napoleon dat jaar Noord-Holland met een bezoek vereerde? Om hier een antwoord op te geven is een kort geschiedenislesje nuttig. In de periode 1795-1813 beleefde Nederland de Franse Tijd. Deze begon met de val van de in 1588 ontstane Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met zijn stadhouders en steeds corrupter wordende regentenfamilies en duurde tot de komst van Koning Willem I, de oudste zoon van de laatste stadhouder, Willem V. De Franse tijd kan in drie perioden worden ingedeeld: 1. de Bataafse Republiek (1795-1806), 2. het Koninkrijk Holland (1806-1810) en 3. Nederland als Frans gebiedsdeel na volledige annexatie door Frankrijk (1810-1813). Nadat de Fransen en Nederlandse patriotten eind 1794 de Republiek waren binnengevallen en stadhouder Willem V in een visserspink naar Engeland was gevlucht, werd in 1795 de Bataafse Republiek uitgeroepen. Deze nieuwe republiek was niets minder dan een satellietstaat van Frankrijk en daarmee vijand van Engeland. In een poging zijn greep op de lage landen te versterken en om een krachtiger positie t.o.v. Engeland

te verkrijgen benoemde Napoleon in 1806 zijn broer Lodewijk als Koning van het nieuwe Koninkrijk Holland. Omdat Lodewijk naar de zin van de Franse Keizer te veel de belangen van de Nederlanden en te weinig die van Frankrijk behartigde, maakte keizer Napoleon al weer vrij snel een einde aan het koningschap van zijn broer en annexeerde hij op 9 juli 1810 de Nederlanden volledig. Napoleon stond nu nog sterker tegenover aartsvijand Engeland. In deze positie zou vooral het strategisch gelegen Den Helder als een ‘Gibraltar van het noorden’ een belangrijke rol moeten gaan spelen. Het zou de belangrijkste marinehaven worden in het Franse keizerrijk, compleet met forten als belangrijke verdedigingswerken. Het waren nu juist deze forten die de voornaamste reden vormden voor het bezoek van Napoleon aan Den Helder in oktober 1811 en dus voor zijn reis door Noord-Holland. In het tijdschrift Napoleon in Nederland 1811-2011 staat de route beschreven die Napoleon toen aflegde (zie Afbeelding 22). De heenreis naar Den Helder ging vanaf Amsterdam richting het noorden via Broek in Waterland, Monnickendam, Edam, Hoorn en Westwoud naar Medemblik. Vanaf Medemblik ging het westwaarts via Aartswoud, Hoogwoud, Veenhuizen en ’t Zand en verder in noordelijke richting naar Den Helder. Voor de terugreis werd een andere route gekozen, nl. langs de westkant van Noord-Holland: van Den Helder via Callantsoog, Bergen, Alkmaar, Castricum, Beverwijk, Velsen, Santpoort, Bloemendaal, Haarlem terug naar Amsterdam.

Afbeelding 22 ‘Route impériale’ door Noord-Holland

Bergen en Castricum, maar ook Koedijk, zijn plaatsen waar 12 jaar eerder (1799) fel is gevochten tussen Fran-

- 14 -


se en Bataafse troepen enerzijds en Engelse en Russische legers, die in Callantsoog vanuit zee aan land waren gekomen met het doel de Hollanders te bevrijden van het Franse juk, anderzijds. Deze bevrijdingspoging is overigens jammerlijk mislukt.

Afbeelding 23 Links het logement de Hollandse Tuin. J.A. Crescent, 1780

Cordfunke heeft in 1967 een artikel gewijd aan het (teleurstellend verlopen) bezoek dat Napoleon op 17 oktober 1811 bracht aan Alkmaar. Dat was dus op de terugreis van Den Helder naar Amsterdam. Wij citeren Cordfunke: ‘Op 17 oktober zou dan eindelijk het lang verbeide bezoek plaats vinden. Het stadsbestuur was die dag reeds vroeg te vinden in de uitspanning de Hollandsche Tuin (zie Afbeelding 23), om daar de komst van de keizer af te wachten. Door middel van koeriers zou de adjunct-maire (Jhr. Nanning van Foreest van Petten, red.) daar op de hoogte worden gehouden. Deze koeriers had hij op twee verschillende plaatsen in Koedijk laten posten (…): één koerier aan de Zijpersluis aldaar, en één aan het Noordeinde, waarbij de eerste bij het in zicht komen van het rijtuig van de keizer naar de tweede moest gaan, die op zijn beurt de adjunctmaire van Alkmaar op de hoogte moest stellen. De eerste koerier, op de plaats van de tweede, moest zo snel mogelijk naar Alkmaar gaan bij het vertrek van de keizer uit Koedijk. Om 10.30 uur kwam er inderdaad een koerier, maar met het bericht dat de keizer niet zou komen, waarop de menigte zich langzaam verspreidde. Maar om 12 uur verscheen plotseling Fontein Verschuir (burgemeester oftewel ‘maire’ van Alkmaar, red.) met de mededeling dat de keizer om één uur in

Alkmaar zou aankomen. Daarop ging iedereen weer naar zijn post. Het zou echter nog tot vier uur 's middags duren, aleer Napoleon zou verschijnen... (…) De sleutel van de stad werd door de adjunct-maire aangeboden, waarvoor de keizer zittend in de koets met een buiging bedankte. (…) In de Houttil hield de koets ongeveer 10 minuten stil om van paarden te verwisselen. De keizer, kennelijk slecht gehumeurd, reed daarna zo snel mogelijk de stad uit.’ Uit dit artikel blijkt dus dat Napoleon via het in Geestmerambacht gelegen Koedijk Alkmaar zou aandoen. Of dit in werkelijkheid ook zo gegaan is, blijft enigszins onduidelijk, maar toch wel waarschijnlijk. Napoleon blijkt in Alkmaar veel later aan te komen dan gepland, maar hij arriveert wel aan de aan de noordzijde van Alkmaar gelegen Friese Poort! Volgens de routebeschrijving uit het tijdschrift Napoleon in Nederland 1811-2011 zou hij uit Bergen moeten zijn komen. Als dit correct is zal de reis tussen Bergen en Alkmaar waarschijnlijk als volgt zijn geweest: van Bergen via de Kogendijk, Suurvensdijk en Haleweg (sinds 1904 heet dit gehele tracé Kogendijk), het bruggetje over de Nieuwe of Koedijker Vaart (ter plaatse van de Koedijkervlotbrug over het latere Noord-Hollands Kanaal) overgestoken en verder via de Rekerdijk langs Huiswaard naar de Friese Poort. Samenvattend kunnen we concluderen dat Napoleon op zijn reis door Noord-Holland in 1811 zowel de Niedorper Kogge (nl. op de heenreis langs Veenhuizen) als het Geestmerambacht (op de terugreis langs Koedijk) heeft aangedaan. Hij zal echter niet al te veel hebben gezien van dit deel van Noord-Holland. Veel dorpen en steden in Noord-Holland hadden zich overigens in die dagen uitgesloofd om het bezoek van de keizer een zo feestelijk mogelijk aanzien te geven. Maar door de haast die Napoleon had om zijn militaire speeltjes in Den Helder te bewonderen en te inspecteren, bleek dit alles in de meeste gevallen paarlen voor de zwijnen te zijn geweest. Maar dat heb je nu eenmaal met dictators… Gebruikte literatuur: Lexicon geschiedenis van Nederland en België, door: Liek Mulder & Jan Brouwers / Tijdschrift Napoleon in Nederland 1811-2011, uitgave van Stichting ThemaTijdschriften, www.thematijdschriften.nl / Napoleon in Alkmaar, 17 oktober 1811, door E.H.P. Cordfunke, in Alkmaars Jaarboekje 1967 / Straatnamen in Bergen door de eeuwen heen, Historische vereniging Bergen / Kadastrale kaarten 1811-1832 / Nederland, De vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu, door Han van der Horst.

Verantwoording van de afbeeldingen: Afbeelding 1, Afbeelding 13 t/m Afbeelding 15: Michiel Bartels; Afbeelding 2 en Afbeelding 3: www.dekorenmolen.com; Afbeelding 4 t/m Afbeelding 10: Allan de Monchy; Afbeelding 11 en Afbeelding 12: Gerard Verlind; Afbeelding 17: Stolpboerderijen in Heerhugowaard, Henk Komen; Afbeelding 19: Jan de Koning (Hollandia Archeologen); Afbeelding 21: www.cremeriedeparis.com/history.html; Afbeelding 22: Tijdschrift ‘Napoleon in Nederland 1811-2011’, uitgave van Stichting ThemaTijdschriften; Afbeelding 23: Beeldbank Regionaal Archief te Alkmaar; Afbeelding 18 en Afbeelding 24: Jaap van Rossum..

- 15 -


RAGenda

Afbeelding 24 Huis De Nijenburg en haar voormalige bewoners staan dit seizoen centraal op twee tentoonstellingen Prachtig Portret, de familie Van Foreest en het landgoed Nijenburg (zie Afbeelding 24), tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar, van 2 april tot 4 september 2011. Lees meer hierover op stedelijkmuseumalkmaar.nl. 'Welkom op Nijenburg!', een beeld van en een inkijk in het interieur van het huis Nijenburg in de periode 1920-2007. Te zien vanaf 12 april 2011 in de Oudheidkamer Heiloo, Bergeonstraat 30 Heiloo. Lees meer hierover op www.oudheiloo.nl. En bekijk ook www.nijenburgvanbinnen.nl. Pronken en Proosten, archeologisch glaswerk uit de Gouden Eeuw. Te zien van 21 april tot 21 augustus 2011. In een foyerpresentatie in het Stedelijk Museum Alkmaar laat het Archeologisch Centrum Alkmaar een selectie bijzondere vondsten uit deze periode zien. Lees meer hierover op stedelijkmuseumalkmaar.nl. De ene wesp is de andere niet, een tentoonstelling over wespen met als middelpunt een reusachtig wespennest afkomstig uit de woonzorgboerderij Zebra in Vogelenzang. Regionaal Natuurmuseum Westflinge te Sint Pancras, Kerkplein 2, 1834 ZG Sint Pancras. Lees meer hierover op www.museumwestflinge.nl. 3 april tot september 2011 in de Molenschuur van Molen ‘De Gouden Engel’, Kanaaldijk 235-236 te Koedijk de tentoonstellingen ‘Filarski terug in Koedijk’, ‘Koedijk in de Kunst’, Scheepsmodellen uit het Geestmerambacht, ‘Dorpsfeesten na 1945’ en ‘Luchtfoto’s van Koedijk’. Lees meer hierover op www.koedijk.org. Vanaf 14 januari 2011 is de vernieuwde vaste tentoonstelling ‘Archeologie van Nederland’ in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden te bezichtigen. Lees meer hierover op www.rmo.nl. Gezonken als een baksteen (een wrak van een Makkumer schipper, gezonken bij Hoorn, zie blz. 7), tentoonstelling in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek, 25 april - 2 juli 2011. Lees meer hierover op: www.friesscheepvaartmuseum.nl.

Colofon Poldergeest is het nieuwsbulletin van de Stichting RAG en verschijnt twee maal per jaar. Bestuur: Ger Kalverdijk, Monique Zwetsloot, Jaap van Rossum, Wijb Ouweltjes, Frans Diederik, Arend Grijsen, Stichting RAG Redactie: Jaap van Rossum

voorzitter, secretaris, penningmeester, bestuurslid, bestuurslid, bestuurslid,

g.kalverdijk@planet.nl m.zwetsloot@quicknet.nl javaros@hetnet.nl ouweltjes@quicknet.nl fransdiederik@quicknet.nl grijshaar@quicknet.nl info@rag-archeologie.nl

tel. 072-5330679 tel. 072-5095253 tel. 072-5157122 tel. 0226-313138 tel. 0224-296548 tel. 0224-215391

Inschrijvingsnummer Kamer van Koophandel: 37116370

Begunstiger worden van de St. RAG? Dit kost (m.i.v. 2011) slechts € 7,-- per jaar. Stort dit bedrag op betaalrekening 779146 t.n.v. Stg Reg Arch Gheestmanambocht te Alkmaar. Vermeld a.u.b. uw e-mail en bij internet bankieren ook uw adres.

- 16 -

Poldergeest 12  

Informatiebulletin Stichting RAG

Poldergeest 12  

Informatiebulletin Stichting RAG

Advertisement