Page 1

Woord vooraf

In het jaar 1932, toen ik in het buitenland verbleef, begon me duidelijk te worden dat ik spoedig vrij lang, misschien wel permanent afscheid zou moeten nemen van de stad waarin ik geboren ben. Ik had het inentingsproces verscheidene keren in mijn innerlijk leven als heilzaam ervaren; daaraan hield ik ook in deze situatie vast, en ik riep met opzet de beelden in me op die gewoonlijk in ballingschap het heimwee het sterkst tot leven wekken – ik bedoel die van de kinderjaren. Het gevoel van hunkering mocht daarbij de geest niet de baas worden, net zomin als de entstof het gezonde lichaam. Ik probeerde het binnen de perken te houden, en wel door het inzicht, niet in de toevallige biografische maar in de noodzakelijke maatschappelijke onherroepelijkheid van het verleden. Om deze reden treden de biografische trekken, die zich eerder in de continuïteit dan in de diepte van de ervaring aftekenen, in deze schetsen volledig op de achtergrond – en met hen de fysionomieën van zowel mijn gezin als die van mijn kameraden. Daarentegen heb ik mijn best gedaan de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse. Ik acht het mogelijk dat zulke beelden een eigen lot is beschoren. Ze missen nog de vaste vormen zoals die al eeuwenlang in het natuurgevoel tot beschikking liggen van herinneringen aan kinderjaren die op het platteland zijn doorgebracht. Maar de beelden van míjn kinderjaren in de grote stad zijn misschien in staat in hun binnenste latere historische ervaring al bij voorbaat vorm te geven. Ze 9


geven naar ik hoop te kennen hoezeer degene van wie hier sprake is, later de geborgenheid miste die zijn kinderjaren eigen was geweest.

10


Loggia’s

Zoals een moeder die het pasgeboren kind aan haar borst legt zonder het te wekken, gaat het leven lange tijd om met de nog tere herinneringen aan de kinderjaren. Niets sterkte die van mij inniger dan de blik op binnenplaatsen met hun donkere loggia’s. Een daarvan, die in de zomer door markiezen van schaduw werd voorzien, was voor mij de wieg waarin de stad de nieuwe burger legde. Het kwam voor dat de kariatiden die de loggia van de volgende verdieping droegen, hun plaats voor een moment verlaten hadden om aan deze wieg een lied te zingen dat weinig bevatte van wat mij later te wachten stond, behalve dan de spreuk waardoor de lucht van binnenplaatsen mij voor altijd een roes bezorgde. Ik geloof dat een rest van deze lucht nog om de wijnbergen van Capri hing, waar ik mijn geliefde omstrengeld hield; en juist in deze lucht hingen de beelden en allegorieën die mijn denken beheersen, zoals de kariatiden op de loggia’s over de binnenplaatsen van Berlijn-West heersen. Het ritme van de trams en het kloppen van matten wiegde mij in slaap. Het was de baktrog waarin mijn dromen gekneed werden. Eerst de vormeloze, die misschien doortrokken waren van het plenzen van water of de lucht van melk, vervolgens de lang uitgesponnen reis- en regendromen. De lente construeerde hier de eerste driften tegen een grauwe achtergevel; en als later in het jaar een stoffig bladerdak duizend keer op een dag langs de huismuur streek, gaf het slurpen van de takjes mij een les waar ik nog niet aan toe was. Want alles op de binnenplaats werd een wenk voor mij. Hoeveel boodschappen zaten er niet verscholen in het gekibbel van groene rolgordijnen die op11


getrokken werden en hoeveel jobstijdingen liet ik in het ratelen van de rolluiken, die in de schemer donderend neervielen, wijselijk aan me voorbijgaan! De plek op de binnenplaats waar de boom stond hield me het meest bezig. Die was uitgespaard in het plaveisel, waar een brede ijzeren ring in verzonken lag. Staven liepen erdoorheen, zodat ze het naakte aardrijk tralieden. Dit leek niet voor niets opgesloten; meermaals dacht ik erover na wat zich afspeelde in de zwarte trog waaruit de stam oprees. Later breidde ik dit gepieker uit tot de standplaatsen voor huurrijtuigen. Daar wortelden de bomen precies zo; bovendien waren ze van een hekwerk voorzien. Koetsiers hingen hun pelerines op aan dat hekwerk, terwijl ze voor hun paard het pompbekken, dat in het trottoir verzonken was, lieten vollopen met de slang die hooi en haverresten wegspoelde. Voor mij waren deze wachtplaatsen, waarvan de rust maar zelden verbroken werd door het komen of gaan van wagens, de meer afgelegen provincies van mijn binnenplaats. Waslijnen liepen van de ene muur van de loggia naar de andere; de palm zag er nog ontheemder uit toen het donkere deel van de aarde allang niet meer als zijn vaderland werd ervaren maar de naburige salon. Dat was de wil van de plek, waar ooit de dromen van de bewoners mee hadden gespeeld. Voordat die plek aan de vergetelheid ten prooi viel, had de kunst soms een poging gewaagd haar te verheerlijken. Weldra sloop nu eens een lamp, dan weer een bronzen beeld of een Chinese vaas haar domein binnen. En ook al deden deze oudheden de plek zelden eer aan, ze pasten wel degelijk bij wat er antiek aan was. Het Pompejische rood dat in een brede strook over haar muur liep was de passende achtergrond voor de uren die zich in die afzondering ophoopten. De tijd verouderde in deze schaduwrijke ruimtes die op de binnenplaats uitkeken. En juist daarom was de morgen, als ik er in onze loggia op stuitte, al zo lang morgen dat hij meer op zichzelf leek dan waar dan ook. Nooit 12


kon ik hier op hem wachten; altijd wachtte hij al op mij. Hij was er allang, alsof hij al over zijn hoogtepunt was, toen ik hem daar eindelijk opsnorde. Later ontdekte ik vanaf de spoordijk de binnenplaatsen opnieuw. Als ik op zoele zomermiddagen vanuit de coupé op ze neerkeek, leek de zomer zich erin te hebben opgesloten en het landschap de rug te hebben toegekeerd. En de geraniums die met rode bloemen uit hun bakken gluurden, pasten minder bij de zomer dan de rode matrassen, die ’s morgens over de balustrades hadden gehangen om te luchten. In de loggia kon je zitten op metalen tuinstoelen die van hout of door riet omwonden leken. We schoven ze bij als ’s avonds het leeskransje er vergaderde. Uit een rooden groengevlamde kelk viel het gaslicht op de Reclam-deeltjes. Romeo’s laatste verzuchting zwierf over onze binnenplaats op zijn zoektocht naar de echo die het graf van Julia voor hem in gereedheid hield. Sinds mijn kindertijd zijn de loggia’s minder veranderd dan de andere ruimtes. Niet alleen daarom voel ik me ermee verbonden. Dat komt ook door de troost die van hun onbewoonbaarheid uitgaat voor iemand die zelf niet meer echt tot wonen komt. Bij deze loggia’s bereikt de behuizing van de Berlijner haar grens. Berlijn – de stadsgod zelf – vindt er zijn oorsprong. Hij blijft zich daar zo van zichzelf bewust dat niets vluchtigs zich naast hem staande kan houden. Onder zijn hoede komen plek en tijd tot zichzelf en tot elkaar. Beide leggen ze zich aan zijn voeten. Maar het kind dat ooit in deze twee-eenheid was opgenomen, houdt zich, erdoor omlijst, in zijn loggia op als in een mausoleum dat hem allang is toebedacht.

13

Profile for Stichting CPNB

Kinderjaren in berlijn  

In het Boekenweekmagazine leest u bijvoorbeeld over de klassieker Kinderjaren in Berlijn waarin Walter Benjamin de overdonderende wereldstad...

Kinderjaren in berlijn  

In het Boekenweekmagazine leest u bijvoorbeeld over de klassieker Kinderjaren in Berlijn waarin Walter Benjamin de overdonderende wereldstad...

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded