__MAIN_TEXT__

Page 1

P.B. /P.P. 2/111 3000 LEUVEN MAIL  P802021. AFGIFTEKANTOOR 3000 LEUVEN MAIL

V.U. Koenraad De Meulder, Zirkstraat 36, B-2000 Antwerpen

stemband #11 DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM VZW JAARGANG 9, 09.2011 -> 11.2011, NR 11

1 // STEMBAND


// GENRE

INHOUD 3 ENGAGEMENT IN HET KOORLEVEN Jan Rispens over drie decennia Brecht-Eislerkoor 6 MUZIEK HOUDT JE WAKKER Dubbelinterview met Lieve Franssen en Heidi Cobbaert 8 HAND IN HAND, KAMERADEN? Marc Michael De Smet over het strijdlied 11 DAG VAN DE VLAAMSE KOORMUZIEK Compositiewedstrijd voor jonge componisten 12 SOCIAL SINGING Onderzoek naar de participatie van personen met een handicap 14 HOE MEER ZIELEN, HOE MEER VREUGD Het rijke Vlaamse koorleven III 17 LITURGISCHE MUZIEK Buiten de lijntjes kleuren 19 CD Portret van Schroyens’ koormuziek Camerata Aetas Nova - Nachtlied Encantar - La déclinaison de la femme 21 CD KORT 22 COLUMN Altijd iets te vieren

EVEN DIT… Til Ungdommen – Voor de jeugd Een vocaal eerbetoon! In Noorwegen kwamen deze zomer 77 mensen om het leven door de waanzinnige daad van één terrorist. Vooral kinderen en jongeren lieten het leven op het eiland Utøya. Woorden schoten tekort om dit onmenselijke leed te verwerken. De Noren vonden troost in een wondermooi lied dat op verschillende bijeenkomsten bijna neuriënd werd gezongen. De samenzang werkte helend en bezorgde ontroostbare familieleden en vrienden terug hoop. Uit respect voor de slachtoffers publiceren we hier de laatste vier strofen van het lied Til Ungdommen, een prachtige hymne over vrede en verdraagzaamheid. ^ Da synker våpnene  maktesløs ned!  Skaper vi menneskeverd  skaper vi fred.    Den som med høyre arm  bærer en byrde,  dyr og umistelig,  kan ikke myrde.    Dette er løftet vårt  fra bror til bror:  vi vil bli gode mot  menskenes jord.    Vi vil ta vare på  skjønnheten, varmen  som om vi bar et barn  varsomt på armen! 

Stop nu   het nutteloze wapengekletter!  Laten we elkaar respecteren en ijveren voor wereldvrede.     Wie weet   hoe waardevol en kostbaar het leven is, kan niet doden.   We beloven,   hier en nu   dat we onze planeet altijd zullen delen en respecteren.     Wij zullen haar   schoonheid en haar warmte   koesteren als een lieflijk kind   in onze armen.

oorspronkelijke tekst

vrije vertaling

Het gedicht Til Ungdommen werd geschreven in 1936 door de Noorse dichter Nordahl Grieg en refereert direct aan de Spaanse burgeroorlog die toen uitbrak. In 1952 schreef de Deense componist Otto Mortensen er muziek bij en in 1988 nam het bekende Noorse koor Grex Vocalis het op. Het werd nadien zeer populair in verschillende muziekgenres. Meer informatie hierover vind je op http://en.wikipedia.org/wiki/Til_Ungdommen KOENRAAD DE MEULDER // Directeur Koor&Stem

2 // STEMBAND


// JAN RISPENS

Engagement in het koorleven Jan Rispens over drie decennia Brecht-Eislerkoor Jan Rispens, begin jaren ‘80

vertoefde graag in het acteursmilieu en hield erg van dat soort werk. Maar de politiek geladen achtergrond van de teksten kwam nauwelijks aan bod - ik was mij daar toen ook nauwelijks van bewust. Later kwam ik tot de conclusie dat zonder die context deze stukken nauwelijks te begrijpen zijn. Toch blijf ik er van overtuigd dat de inhoud ervan mijn verdere leven beïnvloed heeft.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd mijn artistiek leven vooral in beslag genomen door drie bezigheden: lesgeven aan het Koninklijk Conservatorium van Gent, componeren en dirigeren van het Brussels Brecht-Eislerkoor. Het Brusselse koor maakte aanvankelijk deel uit van het Brecht-Eislerkoor, dat nog twee andere afdelingen telde, nl. één in Gent en één in Antwerpen. In 1979 was het plechtig boven de doopvont gehouden met een uitvoering van De Moeder, een leerstuk op tekst van Bertolt Brecht en op muziek van Hanns Eisler. Het was een indrukwekkende gebeurtenis – tachtig koorzangers, 3 solisten en voor de begeleiding 2 pianisten – maar ook bevreemdend – het geëmotioneerde verhaal van de Russische arbeidersstrijd, de revolutionaire zangen in het pluchen decor van de Concertzaal van het Gentse Conservatorium. Mijn inzet voor het geëngageerde koorleven had zijn verre wortels in de beweging van 1968. Hoewel de acties in Brussel aan de gematigde kant waren en niet te vergelijken met het revolutionaire vuur in Parijs, heb ik toch nog levendige herinneringen aan die boeiende en meeslepende periode. Er werd heel wat afvergaderd en als jonge snaak volgde ik de gesprekken met interesse. Tot mijn stomme verbazing werd er ook echt naar mijn opmerkingen geluisterd, ook door de sterren aan het toenmalige firmament van de klassieke muziek. Mijn eerste ervaring met democratie in de praktijk! In dezelfde periode kreeg ik ook de kans om als jonge repetent en dirigent mee te werken aan producties in de Vlaamse theaters, vnl. de KVS en het NTG. Zo kwam ik in contact met de stukken van Brecht: de Driestuiversopera, de toneelversie van de opera Mahagonny, en Moeder Courage, maar werkte ik ook mee aan een prachtige opvoering van Marat-Sade van Peter Weiss. Ik

Een volgende overrompelende ervaring was de Belgische creatie van Mistero Buffo in de Kleine zaal van de Koninklijke Muntschouwburg, waarbij ik als repetent zijdelings betrokken was. Niet alleen was het een onvergetelijke voorstelling, tijdens gesprekken in de cafés rond de Muntschouwburg werd ook de Internationale Nieuwe Scène geboren. Ze had een dubbel doel: het werk van de Italiaanse schrijver Dario Fo bij het Vlaamse publiek bekend maken en als kunstenaars een actieve rol spelen in de arbeidersstrijd. Daarna kwam Het spel van Angèle en Adèle op tekst van Stefan Van den Bremt over het ontstaan van de Belgische Staat. Het werd opgevoerd door “De Mannen van den Dam”, een afsplitsing van de Internationale Nieuwe Scène. Mark De Smet en ik stonden in voor het schrijven van de muziek. De samenwerking met Mark De Smet resulteerde in 1977 in de oprichting van de werkgroep “Muziek en Maatschappij”, met de bedoeling dieper in te gaan op de verhouding tussen die beide begrippen. Wij raakten er immers meer en meer van overtuigd dat muziek niet los gezien kan worden van zijn maatschappelijke context. Wij organiseerden een aantal lezingen over relevante onderwerpen in verband met dat thema. Er werd driftig gestudeerd en vurige debatten werden gehouden met afgevaardigden van wat toen Klein Links heette. Prachtige platformteksten kwamen op papier, o.a. van de hand van de schrijver Daniël Robberechts, waarmee wij een warm contact onderhielden. In het verlengde daarvan besloten Mark en ik compositie te gaan studeren bij Louis Andriessen aan het Koninklijk Muziekconservatorium in Den Haag. Deze componist stond bekend als oprichter van het orkest De Volharding – maatschappelijk engagement was hem dus niet vreemd – en hij had juist hoog gescoord met zijn nieuwe stuk De Staat op tekst van Plato. In 1978 sloeg Mark De Smet een andere richting in en nam hij contact op met Lucas Vis voor het volgen van lessen orkestdirectie. Parallel daarmee nam hij het initiatief een groot progressief koor op de been te brengen onder de naam BrechtEislerkoor. Via radio en pers, verenigingen zoals het Masereelfonds en bestaande koren ging men op zoek naar zangers en zangeressen voor de uitvoering van het leerstuk De Moeder. DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 3


// ENGAGEMENT IN HET KOORLEVEN

“Als de musici zich niet met de politiek bemoeien, zullen de politici zich ooit met de muziek bemoeien!” In 1978 kenden de zes opvoeringen in verschillende steden van het Vlaamse land heel wat weerklank. Het tweede project van het Brecht-Eislerkoor, in 1979, werd Het roer van de Staat, een speciale kooradaptatie van Het Spel van Angèle en Adèle. Zelf bleef ik tot 1985 regelmatig contact houden met Louis Andriessen. Vanaf 1979 startte onder zijn impuls een werkgroepje van vier componisten een project voor het maken van een collectieve compositie: het waren Cornelis de Bondt, Huub De Vriend, Boudewijn Tarenskeen en ikzelf. Boudewijn Tarenskeen moest al snel afhaken. De samenwerking resulteerde in een groots opgezet oratorium voor mannenkoor en groot instrumentaal ensemble. Het stuk kreeg de naam Guillotine en gebruikte teksten van revolutionairen die vanwege van hun ideaal om het leven waren gekomen: Patrice Lumumba, Rosa Luxemburg, Salvador Allende, Thomas Münzer en Louis Antoine Léon de Saint-Just. In 1980 besliste men de drie afdelingen (Gent, Antwerpen, Brussel) van het Brecht-Eislerkoor een meer onafhankelijke koers te laten varen. Het werd de start van het Brussels Brecht-Eislerkoor, dat ik als dirigent onder mijn hoede nam. Dit koor is het enige van de drie koren dat nu nog overblijft en ook vandaag de dag de traditie van het oorspronkelijk ideaal in ere houdt. Bijna spontaan koos het Brussels Brecht-Eislerkoor onmiddellijk voor een eigen niche: naast het zingen van de overbekende Eislerliederen werk uitvoeren van hedendaagse componisten, dat vaak speciaal voor het koor geschreven is. Het hoefde ook niet echt tonaal te zijn, de zangers en zangeressen stapten met interesse mee in het experiment om ook meer dissonante muziek uit te voeren. Vaak neem ik koormuziek mee uit Nederland, waar er al een langere traditie bestaat van geëngageerde koren en orkesten. En af en toe neem ik ook zelf het componeerpotlood ter hand. Start werden twee liederen in een soort Stravinskyaanse zetting, Dwaze moeders van Cornelis De Bondt en Als de bijl valt van Huub De Vriendt. Ondanks de moeilijkheidsgraad kreeg het koor de muziek snel onder de knie en had het er bovendien plezier in. Een volgend experiment, een echt atonaal stuk van Cornelis De Bondt Reaganlied vergde het uiterste van het koor. Het kostte bloed, zweet en tranen, en af en toe verliet een koorlid vertwijfeld en wanhopig de repetitie. Maar het lukte! En hoe heerlijk is het dan de wat gemakkelijkere liederen in te studeren, zoals Dat gebeurt in Vietnam van Louis Andriessen en hoe comfortabel zijn nu ineens de Eislerliederen!

4 // STEMBAND

In mei 1982 bracht het koor een eerste collage van liederen op het toneel. De productie heette Nootweer, concert uit wettige zelfverdediging. Het koor bestond uit een nog relatief kleine groep van zo’n twintig zangers. Onmiddellijk werd ervoor geopteerd een regisseur aan te trekken die kon zorgen voor aantrekkelijke kooropstellingen en een aangepaste belichting. Omdat wij het betreurden dat 1 mei zo weinig feestelijk gevierd wordt, namen wij contact op met wat toen nog de BRT heette en stelden hen de vraag of zij niet geïnteresseerd waren in onze productie. Zij reageerden positief en zo kregen we de kans op 1 mei 1983 in rechtstreekse uitzending vanuit Oostende op BRT 1 het 1 mei concert te verzorgen. Intussen groeiden onze rangen aan en ook ons repertoire. Met een flink uitgebreide groep gingen we op weg naar een volgende collage. Op 30 april 1986 stonden wij opnieuw op de planken van een gastvrije Beursschouwburg om er onze tweede collage te brengen onder de naam Nootzaak, tweedracht maakt volmacht. De koorwerking was een stuk geprofessionaliseerd, als gevolg van de noeste vlijt was de artistieke kwaliteit is er echt op vooruit gegaan, affiche en programmabrochure waren uiterst verzorgd. Om een democratische werking te realiseren en de artistieke werking te ondersteunen heeft het Brussels Brecht-Eislerkoor altijd een groot belang gehecht aan een stevige organisatiestructuur. Naast de dirigent koos het koor steeds een voorzitter om het organisatorische luik te coördineren. Hij was ook voorzitter van het bestuur, dat met de regelmaat van de klok zich verpopte tot “stuurgroep”, “ploeg” enz. Bovendien was er een artistieke werkgroep mede verantwoordelijk voor het algemene artistieke gedeelte. Bij elke nieuwe productie werd er een ad-hoc-werkgroep opgericht, die vergaderde onder de naam “Haddock”. Heel wat wekelijkse vergaderingen dus met soms felle en scherpe discussies, waarbij politiek inhoudelijke botsingen nooit gemeden, maar eerder opgezocht en genoten werden. En ongelooflijk veel plezier en lach en vriendschap. Het is ook een echte leerschool geweest voor mij; veel daarvan is mij in mijn latere leven goed van pas gekomen. Elke repetitie werd er ook tijd ingeruimd voor “forum”, ruimte voor mededelingen, vragen, discussie. Erg nuttig, want tijdens het repeteren zelf was discipline aan de orde. “Forum” was natuurlijk altijd te kort, maar moest beperkt gehouden worden, want één repetitie per week is zeker geen luxe.


// JAN RISPENS

Marc Michael De Smet, begin jaren ‘80

Het Brussels Brecht-Eislerkoor heeft altijd een brede waaier aan opinies onder zijn hoede genomen en ik ben ervan overtuigd dat iedereen die koos voor een bewust maatschappelijk engagement er zijn gading vond. Het voorstel om het leerstuk De Maatregel met muziek van Hanns Eisler op tekst van Bertolt Brecht op te voeren was echter aanleiding tot een intens debat van inhoudelijke aard dat alle vorige debatten in omvang en niveau overtrof. De discussie was zo fundamenteel dat ze meer dan één jaar in beslag nam. Ik vind De Maatregel zonder meer het allerbeste wat de beide kunstenaars ooit gemaakt hebben. De muziek ademt een strenge, polyfone Bachsfeer uit, geen noot te veel, geen noot te weinig en elke noot op de juiste plaats. Het stuk beschrijft de opleiding van een jonge kameraad, die in China de lont aan het revolutionaire vuur moet steken. Als gevolg van zijn onstuimig enthousiasme begaat hij echter fout op fout, waarbij hij ten slotte zelfs zijn dekmantel prijsgeeft en de jonge communistische beweging in gevaar brengt. Uiteindelijk besluiten zijn mentoren dat er geen andere uitweg is dan hem ter dood te brengen. De jonge kameraad ziet de juistheid van die beslissing in en aanvaardt ze. De inhoud van dit leerstuk bracht begrijpelijkerwijze een gewaardeerd koorlid in gewetensnood: als arts kon hij die op geen enkele wijze in overeenstemming brengen met de Hippocratische eed die hij gezworen had. De leerstukken die Brecht en Eisler produceerden hadden echter precies tot doel de discussie los te weken bij de kaderleden van de partij, vandaar de extreme stellingen die geponeerd worden. De finale discussie vond plaats tijdens de jaarlijks evaluatie op het einde van het seizoen. Na uren debat werd er uiteindelijk gestemd. Uitslag: 50 % voor, 50% tegen. Als Salomonsoordeel werd dan ten slotte beslist het stuk toch op te voeren in besloten kring. Waarna enkele koorleden helaas afgehaakt hebben. Ik zette me met veel plezier en toewijding in voor de koorwerking, maar het kostte bijna al mijn vrije tijd. Niet alleen moest ik de repetities nauwgezet voorbereiden, bovendien was het onontbeerlijk dat ik de meeste vergaderingen bijwoonde. Aan het einde van de jaren tachtig hadden Lieve Franssen en Jan Aertssen al een deel van het werk overgenomen. Ik voelde dat ik aan andere uitdagingen toe was. Gelukkig kreeg ik als afsluiter van mijn dirigentschap nog de leiding bij de opname van de CD Dwarsbalken. Het werd een groots en schitterend project: vier andere koren verleenden hun medewerking (voor sommige stuk-

ken waren er meer dan honderd zangers present!), het Combo Belge stond in voor de begeleiding. Componisten Guido Schiffer en Jan Emmery (†) schreven de uitstekende arrangementen. Tweeëntwintig van de beste nummers die het Brussels BrechtEislerkoor ooit uitgevoerd had werden op deze CD gearchiveerd. Het Brussels Brecht-Eislerkoor is belangrijk geweest voor nog twee andere essentiële aspecten in mijn leven. Ten eerste: deze periode betekende voor mij een intense zoektocht naar een ideologie waarmee ik de wereld beter zou kunnen begrijpen en misschien wat verbeteren. Dat was erg leerzaam, maar intussen heb ik het dogmatische ideeëngoed dat mij toen bezighield achter mij gelaten. En nog steeds schaar ik mij achter de leuze van Hanns Eisler: “Als de musici zich niet met de politiek bemoeien, zullen de politici zich ooit met de muziek bemoeien!”. Ten tweede: in dit ‘liefdeskoor’, zoals het door de kinderen van de koorleden werd genoemd, heb ik de vrouw ontmoet die mijn huidige echtgenote is geworden. // JAN RISPENS

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 5


// DUBBELINTERVIEW

Muziek houdt je wakker Lieve Franssen is de huidige dirigente van het Brussels Brecht-Eislerkoor (BBEK). We kennen haar ook als de pittige dame die vaak van zich laat horen bij manifestaties tegen de politieke stilstand in ons land. Denk maar aan het kunstenaarsdebat Niet in onze naam dat ze eerder dit jaar in de KVS organiseerde. Heidi Cobbaert is één van de dirigenten van het solidariteitskoor Amahoro, dat verbonden is aan de pastorale dienst van de Universiteit Antwerpen. We brachten Lieve Franssen en Heidi Cobbaert bij elkaar voor een gesprek over hoe ze het verschil willen maken met koormuziek. Welk label past het beste bij jullie koor? Solidariteitskoor? Wereldkoor? Strijdkoor? Heidi Cobbaert: ”Amahoro omschrijft zich in zijn visietekst als een solidariteitskoor. We willen bewust solidair zijn met andere culturen, minderheden, vluchtelingen en mensen die verdrukt worden. Partij kiezen en politiek engagement, zeg maar ‘strijd leveren’, dat is minder aan ons besteed. Onze naam betekent ‘vrede’ in het Rwandees. Met onze multiculturele boodschap van gerechtigheid, vrede en hoop willen we mensen samenbrengen.” Lieve Franssen: “Onze slogan is net wel ‘zingend partij kiezen’. Wij nemen met onze muziek wel degelijk standpunten in die kaderen binnen een historische strijdbeweging, in de traditie van Bertolt Brecht en Hanns Eisler. Beide heren namen tijdens hun leven duidelijk een standpunt in tegen het kapitalistische systeem en tegen een manier van muziek maken die geïnspireerd was door het kapitalistische denken. Ze wilden muziek voor de gewone mens, voor de arbeider. Muziek die een nieuwe functie kreeg, een andere sociale rol. Binnen die ideologie bouwden ze een repertoire uit. En eigenlijk proberen wij nog altijd net hetzelfde te doen.   In de beginjaren zei men over het BrechtEislerkoor: “Die zingen luid, vals en niet gelijk.” En we waren daar trots op! We

6 // STEMBAND

wilden ons afzetten tegen de ‘burgerlijke’ esthetiek. Wij deden uit principe niet aan stemvorming (lacht); het moest bruut klinken. Dat is intussen natuurlijk wel veranderd, maar de zoektocht naar een authentieke, directe zangwijze blijft ons bezighouden. Ook onze specifieke stedelijke context – Brussel, de multiculturaliteit, samenwerken met de Franstaligen – maakt het Brussels Brecht-Eislerkoor tot wat het vandaag is.” Het profiel van jullie koor en ook jullie persoonlijke achtergrond verschillen nogal, of zijn er meer gelijkenissen dan we denken? Heidi Cobbaert: ”Van opleiding ben ik klarinettist en ik heb theologie gestudeerd in Leuven. Mijn inspiratie is het christelijk geloof en de kracht die ik daaruit put. Momenteel werk ik halftijds bij de pastorale dienst van de Universiteit Antwerpen en volg ik een cursus biologische landbouw. Ook een beetje tegen de stroom in dus.”  Lieve Franssen: “Bij mij ligt het anders. Ik heb mijn opleiding aan het Lemmensinstituut genoten. Ik heb nog lang een kerkkoor gedirigeerd, van mijn zestiende af, maar ik ben in de loop der jaren atheïst geworden. Mijn inspiratie haal ik niet uit geloof in een God maar uit het geloof in een betere maatschappij – een heel concreet geloof dat het anders kan en dat de mogelijkheden er zijn.”

Heidi Cobbaert: “Maar ons engagement is duidelijk zeer gelijklopend, ook al komt onze inspiratie uit een andere hoek. Dat is het mooie. Wij hebben ook al enkele malen intensief samengewerkt aan projecten.” Lieve Franssen: “Koorwerking is voor ons beiden meer dan alleen een sociale en artistieke bezigheid. Wij gaan een stap verder en vragen van onze leden een maatschappelijk engagement. Zingen in koor als het onze is de directe uiting van een gezamenlijk én individueel engagement. Daarmee onderscheiden we ons ook van de traditionele koren.“ Lukt dat nog wel in onze hedendaagse maatschappij, een idee overbrengen via een lied? Lieve Franssen: “Daar ben ik rotsvast van overtuigd. Een concreet voorbeeld: met een delegatie van het BBEK zijn we al een paar keer naar Palestina gereisd om er te gaan zingen bij de checkpoints daar – in november 2009 voor het eerst, eerder dit jaar, in de Paasvakantie, opnieuw. Op een gegeven moment stonden we daar oog in oog met Israëlische soldaten. Die wisten zich geen houding te geven, heel merkwaardig. De Palestijnen voelden zich gesterkt door ons gezang en zongen vaak met ons mee. De Israëlische soldaten, die doorgaans heel agressief en denigrerend handelen, leken op dat moment wel ontdooid en voorzichtiger. Dan wordt zingen wel héél functioneel.”


// LIEVE FRANSSEN EN HEIDI COBBAERT

Naar aanleiding van zijn dertigste verjaardag hield het Brussels BrechtEislerkoor enkele jaren geleden een bevraging onder gelijkgestemde koren. Dat resulteerde in een profielschets van een veertigtal koren in Vlaanderen, een alternatieve koorcultuur die fel in beweging is en wat op een afstand van de traditionele koorwereld staat.

Heidi Cobbaert: ”Ik merk bij ons een verschuiving. Vroeger brachten we louter concerten, rond een bepaald thema en met een bepaalde boodschap. Het publiek was steevast onze kennissenkring en vrienden van vrienden. Maar die zijn al gewonnen voor onze zaak! Dit jaar zijn we enkele keren gaan zingen in het opvangcentrum van Antwerpen-Linkeroever en het Opvangcentrum Meihof in Lint. De liederen die we daar brengen, komen uit de geboortelanden van de mensen die daar verblijven. Zonder hun situatie te kennen, leg je contact met die mensen en bied je troost én plezier. Daar voel je aan den lijve de kracht van muziek met een boodschap, het houdt je wakker.” Jullie zijn minder gebonden aan een podium.

Bijna allemaal kan je ze plaatsen onder de noemer solidariteits-, wereld- of strijdkoor. Ze zijn gelijkmatig verspreid over de Vlaamse provincies en wat meteen opvalt zijn de welluidende namen: Doedit, Kontrarie, Abadabukileyo, Weerbots, Hei Pasoep… Ze zingen meerstemmig en laten zich graag door percussie en een bonte verzameling instrumenten begeleiden. De geëngageerde koren zijn geen eendagsvliegen – het oudste koor, Solied uit Brugge, bestaat al meer dan veertig jaar – en er komen er nog steeds nieuwe

bij. Maatschappelijke visie en het waarom van het zingen houdt hen enorm bezig. Hun instapdrempel is laag; ze staan vaak open voor ongeoefende stemmen. Solidariteits-, wereld- of strijdkoren zijn niet noodzakelijk gebonden aan het podium, ze gaan ook naar de mensen toe. Hun repertoire is heel specifiek en omvat grosso modo enerzijds de ‘klassieke’ strijdliederen (van Hanns Eisler, Kurt Weill, …) en anderszijds wereld- en volksliederen uit Afrika, Latijns-Amerika en andere culturen.

Lieve Franssen: “Het is een oude discussie; waar moeten we zingen? Voor wie? Het publiek van deSingel is duidelijk niet dat van een asielcentrum. Het BBEK bewandelt de twee. Onze podiumproducties moeten hedendaags zijn, muziektechnisch top, met goede composities en een professionele regie. We brengen dan een vorm van muziektheater. Wanneer we animatieoptredens houden (vakbondsbetogingen, Kleine Brogel en gelijkaardige manifestaties) zingen we een ander, gemakkelijker repertoire en volkse melodieën. We zingen vaak met de mensen samen en dan pas je je aan.”

Een ander project Shouting Fence (Nvdr. een korenproject rond de Palestijnse kwestie waar zowel het BBEK als Amohoro in 2009 aan deelnamen) is er gekomen via toevallige contacten, via het internet. Dat is verre van ideaal. We hebben weinig hedendaagse componisten die vanuit ons ideeëngoed willen schrijven. Tekstschrijvers zijn er voldoende, maar componisten… Nu, het komt ook niet in de opleidingen aan bod.“

Kan je even een idee van het repertoire geven? Lieve Franssen: “Het blijft een probleem. De zoektocht naar inhoudelijk sterke en muzikaal hoogstaande composities. We hebben uiteraard veel Eisler gebracht en we zingen al wel eens iets van Frederic Rzewski. We geven af en toe een opdracht, bijvoorbeeld aan Chris Carlier, die ook de muziek verzorgt voor onze nieuwe productie rond arbeidersliederen, Vive la Sociale!  

Heidi Cobbaert: “Bij Amohoro ligt het anders: het repertoire komt als het ware ‘uit de wereld aangewaaid’, uit de omgeving, uit de actualiteit. Elk solidariteitskoor reageert daar op een eigen manier op en zingt dus ook een andere set liederen. Zo is er een ruim aanbod ontstaan, dat we onderling ook vaak uitwisselen. ” Dames, bedankt voor het gesprek! Meer info// www.amahoro.be www.bbek.be

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 7


// REPERTOIRE: HET STRIJDLIED

Hand in hand, kameraden? Moet ik dat wel doen, een opdracht aanvaarden om een stuk te schrijven over het strijdlied en het strijdkoor? In Vlaanderen? Waar de sp.a krampachtig naar charismatische leiders zoekt? Waar de NV-A steeds meer centrumrechtse kiezers aantrekt? “The times they are a-changin’”. En of ze veranderen! Bestaan er nog strijdkoren? Worden er nog strijdliederen gecomponeerd? Heeft de tweedeling links-rechts nog zin? Komen er in Europa – in tegenstelling tot Zuid-Amerika – niet steeds meer conservatieve regeringen? Ja, er komen steeds meer conservatieve regeringen. Maar waar zijn de politieke krachten – en in hun zog misschien de artistieke – die zich ertegen verzetten? De bloeitijd van het strijdlied en strijdkoor ligt zo’n 90 jaar achter ons. In 1917 had Rusland voor een wereldrevolutie gezorgd en zou de communistische maatschappij, zoals beschreven bij denkers als Marx, Trotsky, Proudhon, Boecharin, Prokotin en vele anderen, gestalte krijgen. Het Russische experiment inspireerde revolutionairen overal ter wereld, tot in China en Zuid-Amerika. De droom was gigantisch en het draagvlak nooit

zo groot. Het ‘communistische avontuur’ kreeg voor het allereerst in de geschiedenis de kans een alternatief te bieden aan kapitalisme en imperialisme. Kunstenaars werden spreekbuizen van de droom en de hoop van miljoenen onderdrukten. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw hebben Russische avant-gardisten en Duitse antifascisten een artistieke productie geschapen op het meest hoogstaande niveau, die concurreerde met die van het establishment. Door de afloop van de geschiedenis – de dramatische mislukking van het communistisch avontuur – is deze productie stilgevallen. Wat in de nasleep nog als ‘linkse’ kunst doorging, haalde nooit meer dat prijzenswaardige niveau van die twee weergaloze decennia.

HANNS EISLER De muziek van de Duitse componist Hanns Eisler (1898 – 1962) staat op eenzame hoogte. Hij had geen belangrijke navolgers. De massale amateurkoren voor wie hij zijn stukken schreef – o.a. gedirigeerd door niemand minder dan Anton Webern – bereikten een fenomenaal niveau. De uitstraling van acteur/ zanger Ernst Busch (1900-1980) voor wie hij zijn strijdliederen schreef, werd nooit meer geëvenaard. Na de Tweede Wereldoorlog likte Europa zijn wonden. Het kapitalisme herleefde en overwon, ondanks een korte en hevige verzetsperiode in de jaren zestig van de vorige eeuw, waarin ook kunstenaars hun klein zegje deden. “L’imagination au pouvoir” was de Franse leuze. Het Chinese communistische model paste zich aan en linkse presidenten in Zuid-Amerikaanse landen proberen een dam op te werpen. In Vlaanderen noemen socialisten elkaar niet meer ‘kameraden’ maar ‘beste vrienden’. Een stuk schrijven over het strijdkoor dat er niet meer is en het strijdlied dat er nauwelijks nog is, moet dus gaan over het strijdlied en het strijdkoor die er ooit waren. Tenminste als we het willen hebben over artistieke producten die naam

8 // STEMBAND


Fragment uit Vandaag, 1960 Bron: Letterenhuis, Antwerpen.

// GENRE

waardig, als ze de vergelijking met kunstwerken die een andere ideologie vertegenwoordigen, kunnen doorstaan. Vriend en vijand moet beamen dat Hanns Eisler en Dimitry Sjostakovitsj zeer grote kunstenaars waren. Waar zijn hun navolgers van betekenis, die belangrijke muziek schreven voor hoogwaardige amateurkoren? Die zijn er niet. De voedingsbodem bestaat niet meer. Het linkse amateurkoor bestaat niet meer. De massaorganisatie die het arbeiderskoor moet aanjagen, bestaat niet meer. Er zijn individuele kunstenaars en verspreide ensembles die strijd leveren tegen racisme, voor mensenrechten, tegen milieurampen en daar, geïsoleerd, artistiek uiting aan geven. In de jaren twintig en dertig van vorige eeuw zette het arbeiderskoor zijn voet naast het kerkkoor. Er was een draagvlak en een netwerk. Kunst kon toen ‘nuttig’ zijn, ze had een doel. Ontvoogding en educatie gingen hand in hand. De maatschappij lijkt na de Tweede Wereldoorlog haar desillusies niet te boven te komen. “Hoe na Hiroshima nog kunst bedrijven?” schreef muzieksocioloog Theodor Adorno. De recente genociden hebben het geloof in de maakbaarheid van de samenleving een cynische neus gezet. Het zijn andere plagen dan de middeleeuwse pest, maar ze teisteren heviger. De ‘verworpenen der aarde’ ontwaken elke dag in rampscenario’s. Hun leiders bezinnen zich op overleving. Hun welstellende kunstenaars blijven prachtige kunstwerken maken. Maar de verworpenen der aarde aan goede muziek helpen, kan alleen door terug te vallen op wat er ooit was. Want Figures humaines of Un soir de neige, die mooie anti-oorlogstukken van Francis Poulenc (1899-1963) kunnen ze niet zingen, de prachtige Anne Frank cantate van de Nederlander Hans Kox (°1930) ook niet, laat staan de futuristische koormuziek van de westerse avant-garde à la Nono, Anthunes, Lombardi, Henze en consorten. Zelfs de Tien revolutionaire koren van Dimitri Sjostakovitsj (1906-1975) zullen voor veel goede amateurkoren te hoog gegrepen zijn.

Teruggrijpen naar de koorwerken van Hanns Eisler mag dan een noodgreep zijn, toch zal het – bij gebrek aan nieuw materiaal – iedereen verbazen hoe verrassend actueel ze nog zijn. Door hun artistieke kwaliteiten zullen ze voor altijd de moeite waard blijven om gezongen te worden. Bovendien behandelen ze thema’s die – helaas – de dag van vandaag nog steeds geldig zijn. Eislers strijd is onze strijd. Wie zich bij uitgeverij Universal Edition al de koorwerken van Hanns Eisler aanschaft, kan zich pijnlijk vergewissen van de actualiteitswaarde ervan. In Vorspruch wordt een koor letterlijk aangemaand om eens te zingen over de dingen die rondom gebeuren. Wie over dreigend fascisme wil zingen, zet Liturgie vom Hauch* op de lessenaar. Wie het over de discutabele rol van de vakbond wil hebben, neemt het ironische Der zerrissene Rock erbij. Titels als Auf den Straßen zu singen*, Ferner streiken: 50.000 Holzarbeiter* en Der Streikbrecher* spreken dan weer voor zichzelf. Nu de kerk weer in opspraak geraakt, vindt men in Bauernrevolution* een smakelijk spotlied op de onderdrukkende rol van de kerk, terwijl in In den Militärbaracken verzet tegen gehoorzaamheid en onbevoegde legerleiding weerklinken. Zeer ontroerend is Kohlen für Mike, dat de solidariteit onder behoeftige arbeiders bezingt. Über das Töten* is een soort filosofisch stuk, dat handelt over de heikele kwestie van de noodzaak om zelf te doden om aan het structurele doden een eind te maken. Strijdvaardig klinkt het in Kurze Anfrage, dat oproept zich te verzetten tegen werkloosheid en uitbuiting.

JAN BROECKX Maar, als dit niet de plaats is om eerherstel te vragen voor de Vlaamse, ‘linkse’ componist Jan Broeckx (1880-1966), dan weet ik niet waar dat wel zou moeten gebeuren. Natuurlijk * aanwezig in de bibliotheek van Koor&Stem

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 9


// REPERTOIRE: HET STRIJDLIED

Jan Broeckx omstreeks 1910-1914 Bron: Letterenhuis, Antwerpen

Het linkse amateurkoor bestaat niet meer. De massaorganisatie die het arbeiderskoor moet aanjagen, bestaat niet meer. Er zijn individuele kunstenaars en verspreide ensembles die strijd leveren tegen racisme, voor mensenrechten, tegen milieurampen en daar, geïsoleerd, artistiek uiting aan geven. De morgen daagt (SATB)

Jef Last

Ode aan de besten (SATB), uitg. Metropolis, in bib K&S

Jef Last  (naar Nordahl Grieg)

Memento (SATB), uitg. Metropolis, in bib K&S

Garmt Stuiveling

Ruimte (SATB-piano), uitg. Phaelesius

Achiles Mussche

Huldegroet (SATB), uitg. Metropolis

Piet Van Aken

Vandaag (Eerste Mei-zang”) (SATB)

Marcel Coole

Kameraadschap (SATB), uitg. Metropolis

Karel Beaujean

Vier rode strijdliederen (SATB), Eugène De Ridder uitg. Metropolis   - Rode Vlag, Rijst het rood, Rode jeugd, Rode belijdenis Socialisme (SATB), uitg. Vl. Fed. Voor Soc. Zangkoren, A’pen

Marcel Coole

Twee partisanenliederen (SATB), Armand Coenen uitg. Metropolis   - Ballade der XIde Brigade (G.M. Schneerson – Ernst Busch)  - Het bataljon ‘Edgar André‘ (Max Singer – Erich Weilmert) Ons denken doodt men niet Jan Peeters (de Anseele Vrienden)   - Versie voor SATB en versie unisono + piano  - Versie voor TTBB, in bib K&S

is Jan Broeckx geen Hanns Eisler geweest. Zijn progressieve maatschappelijke opstelling heeft zich niet vertaald in een even progressieve artistieke. Hij was en bleef een leerling van Lodewijk Mortelmans (1868-1852) en componeerde in een laatromantisch idioom. Maar de school van Mortelmans werd alom gerespecteerd voor zijn solide, artistieke basis. Onderstaand lijstje biedt inzicht in het ‘rode’ oeuvre van Jan Broeckx en laat zien dat zijn tekstschrijvers niet de minste waren. Voorts schreef hij nog heel wat eenstemmige liederen met pianobegeleiding waarvan de titels alleen al (Roode Turners, Arbeiderstaal, Ballade van den Rooden Zanger, Roode Jeugd, enz.) boekdelen spreken. Voor alle partituren van en documentatie over Jan Broeckx kan men terecht in het Letterenhuis (AMVC). Een aantal partituren is ook in de bibliotheek van Koor&Stem te vinden. Nu er de laatste tijd meer en meer initiatieven tot stand komen om het eigen patrimonium te herontdekken, zou een bloemlezing van het koor- en liedoeuvre van deze Antwerpse socialist daartussen zeker een plaats verdienen. // MARC MICHAEL DE SMET

10 // STEMBAND

Paix-Vrede (SATB), uitg. Metropolis, in bib K&S

Géo Delcampe Ned. J. Broeckx

Aan de jeugd (SATB),   uitg. Metropolis, Russisch volkslied, in bib K&S Ned. J. Broeckx Treurmars (SATB), Ndl. Marie Vos uitg. Metropolis, Russisch volkslied, in bib K&S Arbeiders oproep! (TTBB), uitg. Phalesius

Jan Peeters

Breek uw band (TTBB), uitg. Phalesius, in bib K&S

Ernest De Weert

Lied der Veensoldaten (TTBB), uitg. Metropolis, in bib K&S

Rudi Goguel, bew. Jan Broeckx


// DAG VAN DE VLAAMSE KOORMUZIEK

Compositiewedstrijd voor jonge componisten hij aan het Lemmensinstituut. Daar combineert hij compositiestudies (bij Jeroen D’hoe) met een opleiding tot muziekpedagoog en een bijkomende lerarenopleiding. Toch neemt vooral de compositie steeds meer een prominente plaats in wat leidt tot interessante artistieke projecten, zoals Componist te gast in opdracht van Koor&Stem met als opgave een koorwerk op maat van Jeugdkoor Waelrant. Bovendien werd hij gekozen tot één van de tien Belgische finalisten van de MusMA-compositiewedstrijd. Hij zingt momenteel in Jeugdkoor Waelrant, Capella di Voce, Kamerkoor Lemmensinstituut, Eurochor e.a.

Naar aanleiding van de Dag van de Vlaamse Koormuziek schreef Koor&Stem eind 2010 een compositiewedstrijd uit voor jonge koorcomponisten. De kandidaten moesten een kort eenvoudig religieus of profaan a cappellawerk schrijven voor driestemmig gemengd koor (sopraan, alt, bariton). Eenentwintig studenten van Vlaamse conservatoria, leerlingen hogere graad van muziekacademies en geïnteresseerde beginnende componisten stuurden hun werk in. Koor&Stem is tevreden met de eerder grote respons, hoewel veel inzendingen veel te moeilijk waren voor basiskoor. Ook tekstplaatsing- en accentuatie blijken veelal een probleem. Toch hoopt Koor&Stem dat jonge componisten blijven schrijven voor basiskoren opdat ook die koren met hedendaags werk in contact kunnen komen. De jury, bestaande uit Kurt Bikkembergs, Ludo Claesen, Noëlle Schepens en Joost Termont riep Hans Helsen (°1989) tot winnaar uit. Kristof Quaegebeur (°1982) werd verdienstelijk tweede. Het werk van beide jonge componisten zal als koorpagina verschijnen bij het StemBandnummer van november en op die manier in de koorwereld verspreid worden. Op de Dag van de Vlaamse Koormuziek worden beide werken uitgevoerd tijdens de feestelijke afsluiting van de dag, 17:00 in de Blauwe Zaal van deSingel.

DE WINNAARS Hans Helsen zong al als vierjarige knaap in een plaatselijk koor. Aan de SAMWDans te Herentals studeerde hij piano, instrumentaal ensemble en compositie, telkens met een grootste onderscheiding. Sinds 2007 studeert

Kristof Quaegebeur begon zijn muzikale opleiding in 1989 in de GAMWoord in Oud-Heverlee. Gedurende 12 jaar volgde hij viool en altviool bij Greet Verhulst waarna hij de muziekacademie vaarwel zegde. Na het beëindigen van zijn studies burgerlijk ingenieur keerde hij terug naar de academie, eerst voor de cursus experimentele muziek bij Paul Craenen en vervolgens voor harmonieleer bij Pieter Schuermans. Voorts is hij altviolist bij het strijkorkest Violet en bas in het koor Organum Heverlee.

DE WERKEN Parafrasie Paranoica van Hans Helsen Parafrasie Paranoica [verkeerd spreken door mensen met een psychische stoornis, doordat zij de woorden een verkeerde betekenis geven of zelf niet bestaande woorden erbij verzinnen] is een speelse compositie op tekst van Jan Coeck. Het stuk is opgebouwd uit drie korte segmenten waarbij de rusteloosheid en de tijdsdruk die onze samenleving karakteriseert aan het begin en het einde worden weergegeven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van ritmisch moeilijk ogende constructies, maar die zijn voor de dirigent een grotere uitdaging dan voor de koorleden. Voor de koorleden is de partituur gemakkelijker omwille van een grote en vaak terugkerende logica in elke stem. Naast zingen maken ook gefluister en klank op medeklinkers deel uit van het geheel. In het middelste deel komt de muziek even tot rust. Doorheen de hele compositie komt er melodisch materiaal voor in alle stemgroepen en wordt er gebruik gemaakt van frisse samenklanken die door basiskoren misschien nooit eerder verkend werden. Hopelijk zal deze compositie inspireren, koren uitdagen en zowel uitvoerders als luisteraars honger laat krijgen naar meer nieuwe muziek. Hans: “Ik hoop vooral dat het werk de uitvoerders kan plezieren, en het ‘gestoorde’ in elk van hen telkens even te voorschijn kan toveren.”

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 11


// SOCIAL SINGING

Social singing Verkeert van Kristof Quaegebeur Verkeert op een eigen tekst van Kristof Quaegebeur lijkt op het eerste gehoor een vrolijk lied over verkeer met toeterende auto’s en rinkelende fietsers. Wie de tekst echter van nabij bekijkt, merkt een ander verhaal. Auto’s zijn racemachines die zonder doel of gevoel door de steden rijden. Ze willen reizen en razen, altijd sneller. Enkel een ongeval met bijhorende file brengt even rust. “Oh wat een zaligheid, want we staan even stil,” klinkt het cynisch, terwijl de sirene van de ziekenwagen loeit. Dit is geen verkeer meer, dit is verkeerd. Die ironische dubbele bodem schemert hier en daar ook muzikaal door, door middel van dissonanten en maatwisselingen. De uitdaging voor het koor ligt vooral in het snelle tempo.  // LIESBETH SEGERS

Zingen in een koor is bij uitstek een sociale vrijetijdsbesteding. Zingen in groep werkt aanstekelijk en geeft mensen een geweldig gevoel van samenhorigheid. Mensen zingen vaak in een koor omdat hun vrienden, kennissen en familie er heel gedreven mee bezig zijn. Concerten, evenementen of andere toonmomenten brengen geïnteresseerden in contact met zingen. Zingen is niet alleen een sociaal gebeuren, het is bij uitstek een inclusief gebeuren. De koorwereld is een perfecte omgeving om mensen uit kwetsbare groepen te integreren. Zo kunnen mensen met een handicap als zanger of als luisteraar betrokken worden bij de koorwerking. In het project ‘Social Singing’ onderzoekt Koor&Stem op welke manier personen met een handicap op een actieve of passieve manier betrokken kunnen worden bij de koorwereld. Social Singing slaat bruggen tussen de koorwereld en mensen met een handicap en tracht zoveel mogelijk drempels weg te nemen.

INCLUSIE, EEN SPONTAAN GEBEUREN

Op de Dag van de Vlaamse koormuziek kunnen basiskoren een workshop eenvoudige hedendaagse koormuziek voor driestemmig basiskoor volgen onder leiding van Ludo Claesen en Ignace Thevelein met werk van Vic Nees, Lode Dieltiens, Joost Termont, Kurt Bikkembergs, Noor Sommereyns, Ludo Claesen e.a. met de nieuwe bundel van Koor&Stem Mi lanct na di als leiddraad en feestelijke instrumentale ondersteuning van I Solisti del Vento.

BLAUWE ZAAL, 13:30>16:30, www.dagvandevlaamsekoormuziek.be

12 // STEMBAND

De inclusie van personen met een handicap is in het koorleven een heel spontaan gebeuren. Heel wat koren zetten die stap zonder dat dat in de kijker komt te staan. Koor&Stem wilde wel eens weten hoe sterk die inclusiegedachte leeft binnen de koorwereld en voerde daarrond een onderzoek. In het voorjaar 2011 lanceerde Koor&Stem een enquête onder alle aangesloten leden waarbij vragen werden gesteld rond de actieve en/of passieve participatie van mensen met een handicap in de koorwerking. De enquête kreeg een heel ruime respons. 224 koren, oftewel 26% van de koren aangesloten bij Koor&Stem, werkten eraan mee. De algemene conclusie van dat onderzoek is toch wel opvallend: in 30 % van de koren zingt minstens één persoon met een handicap mee! In de meeste gevallen gaat het om personen met een fysieke handicap. Personen met een mentale handicap zijn heel wat minder betrokken bij de koorwerking.


// SOCIAL SINGING

Onderzoek naar de participatie van personen met een handicap KLEINE AANPASSINGEN ZIJN ESSENTIEEL Inclusie binnen de koorwereld blijkt mogelijk indien er kleine maar essentiële ingrepen worden gedaan: afspraken rond verplaatsingen, begeleiding van mensen tijdens de repetities of de concerten, kleine verbeteringen aan de infrastructuur van de repetitie- of concertruimtes of aanpassingen van de partituur. Het hoeft allemaal niet veel te zijn, maar het vraagt wel om permanente aandacht. We geven enkele concrete voorbeelden: • zorgen voor een pupiter waar je een braille-leestoestel   op kan plaatsen • hulp bieden bij het betreden van het podium • ruimte voorzien voor blindengeleidehonden • vaste plaatsen voorzien van pupiters, tafels en stoelen voor personen met een visuele handicap. • een duidelijke taakverdeling opmaken en deadlines stellen voor mensen met autisme • ervoor zorgen dat non-verbale communicatie verbaal gemaakt kan worden Het onderzoek toont verder aan dat de inclusie van personen met een handicap veelal steunt op de actieve inzet van vrijwilligers of zangers uit het koor. Zij informeren zich over de aard van de handicap en zorgen in overleg met de ouders, de begeleiders of de persoon zelf voor een perfecte integratie in de werking van het koor. Er wordt nauwelijks beroep gedaan op professionele hulp van instellingen of begeleiders. Je mag

dus terecht stellen dat het sociaal netwerk van de koorwereld echt werkt en open staat voor personen met een handicap. Koren betrekken personen met een handicap ook als luisteraars bij de werking van het koor. Het onderzoek wijst uit dat heel wat koren daarvoor open staan zonder er een actief beleid rond te voeren. Ook daar kunnen kleine ingrepen belangrijk zijn: keuze van een concertlocatie die toegankelijk is voor personen met een handicap, aanpassing van de prijzen, het voorzien van begeleiding, het reserveren van goede plaatsen, enz. Koorprojecten die werkelijk de brug slaan en een actief artistiek aanbod ontwikkelen voor personen met een handicap op lokaal vlak blijven eerder beperkt. Daar ligt de drempel misschien nog net iets te hoog. In de komende tijd zal Koor&Stem verschillende praktijkverhalen publiceren van koren die mensen met een handicap op een actieve en passieve manier in het koorleven laten participeren. Heb je zelf zo’n verhaal en wil je het aan ons kwijt, neem dan contact op met Dimitry Goethals, projectcoördinator van het project Social Singing: dimitry.goethals@koorenstem.be of   03 237 96 43. // KOENRAAD DE MEULDER Met dank aan Valérie Maginet,   studente Karel de Grote-hogeschool

Je mag stellen dat het sociaal netwerk van de koorwereld echt werkt en open staat voor personen met een handicap. DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 13


// KOORGESCHIEDENIS

Het rijke Vlaamse koorleven III

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd HET MASSA- EN ORATORIUMKOOR

PETER BENOIT

De negentiende eeuw was – onder (veel) meer – de eeuw van de convivialiteit. En dat was ook te merken in de koorwereld: niet alleen vonden koren elkaar in concoursen en groots opgevatte festivals, vele koren werden ook omvangrijker. Het oratoriumkoor werd geboren. Als aanzet van die tendens in de koormuziek wordt dan steevast verwezen naar het eeuwfeest van Georg Frideric Handels geboortejaar dat in Westminster Abbey door 300 zangers en 250 instrumentalisten werd gecelebreerd. Die zangers kwamen uit alle hoeken van Engeland en eens terug thuis droegen ze in hun lokale koorverenigingen de vreugde van het zingen in grote groep verder uit. Van toen af ging het molto crescendo: op het Handel-festival van 1786 waren er al 749 uitvoerders en in 1791- in aanwezigheid van Haydn - méér dan 1.000! Eenzelfde evolutie deed zich rond die zelfde tijd in Frankrijk voor. ‘Revolutionaire’ componisten als Étienne Nicolas Méhul, Charles Simon Catel en François-Joseph Gossec schreven in dienst van het nieuwe regime grote koorwerken, bedoeld om in open lucht door massale bezettingen te worden uitgevoerd. Voor de eerste verjaardag van de val van de Bastille schreef Gossec – opgeleid aan de Antwerpse kathedraal! – een   Te Deum dat door 1.000 zangers en een groot orkest werd gecreëerd. En in 1794 werd zijn Hymne à l’être suprême tot klinken gebracht door, naargelang van de bronnen, een koor van 2.000 man en 1.600 blaasinstrumenten, bij momenten versterkt door volkszang, nog eens goed voor zo’n 50.000 stemmen. Ook in de Duitstalige gebieden floreerden vanaf de eerste decennia van de negentiende eeuw de massale koortreffens. Die hele beweging werd trouwens in een versnelde beweging gebracht door het zich ontwikkelende treinverkeer. De stoommachine als motor van een exploderend koorleven…

Onze contreien bleven niet achter. Tijdens de grootse Rubensfeesten van 1840, toen de tweehonderdste verjaardag van de dood van de schilder werd gememoreerd, werd een groot koor op de been gebracht, bestaande uit 55 sopranen, 60 alten, 82 tenoren en 64 bassen (het begeleidende orkest was navenant: 65 violen, 20 altviolen, 23 cello’s, 18 contrabassen, 5 fluiten, 4 hobo’s, 5 klarinetten, 6 hoorns, 4 fagotten, 5 trompetten, 6 trombones, 1 ophicleïde en uitgebreid slagwerk). Op het programma stonden ondermeer een gelegenheidscantate van de Antwerpse componist Jean Simon Eykens, L’automne uit Haydns Les quatres saisons, fragmenten uit Le Messie en, tot slot, Beethovens Le Christ aux jardins des oliviers. Het is maar een van de vele voorbeelden van massale koortreffens die ook in Gent (o.l.v. Charles-Louis Hanssens en Eduard De Vos) en in Brussel (eveneens o.l.v. Hanssens) werden georganiseerd om de grote oratoria uit te voeren. In vele gevallen dienden koren uit verschillende windstreken hiervoor hun krachten te bundelen, al waren in Gent (Société royale Les Mélomanes en Société royale des chœurs) en Brussel (La Réunion lyrique) wel stevige zelfstandige oratoriumkoren actief. Maar het was Peter Benoit die er in Antwerpen in zou slagen om min of meer structureel een massakoor op de been te brengen. Hij kon daarbij terugvallen op zijn muziekschool, op de stadsscholen, en op de budgetten en de wervende organisatiekracht van de concertvereniging Société de Musique, die geleid werd door leden van de kapitaalkrachtige Duitse handelskolonie in Antwerpen. Door die achterban gesteund, kon hij zijn grootschalige oratoria componeren én uitvoeren. Voor De oorlog (1873), zijn eigen Sinfonie der Tausend, moest een leger van ca. 600 zangers op de been worden gebracht, een logistieke nachtmerrie. Een levendige inkijk in de moeizame voorbereidingen van zo’n grootschalig koorwerk krijgen we in een brief die Benoits assistent Edward Keurvels op 7 juli 1876 aan zijn esoterische vriend-componist Eduard Croegaert schreef, op een moment dat Benoit Beethovens koorsymfonie én een herneming van De oorlog repeteerde. Keurvels laat zijn vriend weten: “Dat wij de 9° symphonie van Beethoven hebben gerepeteerd en wat meer zegt: “De Oorlog” met een muziek, gelijk er in heel het Aardsch Paradijs geen is. (…) Dat de Baas [Peter Benoit] “goed gedineerd” had vóór die repetitie en bijgevolg uitspattend was van enthousiasme of verrukkinge. Dat de Oorlog in ‘t algemeen, en de worsteling ofte vechtpartij in ‘t bijzonder eenen brouhaba ofte verwarring geweest is zooals ik er nog nooit in mijn leven gehoord heb, en naar ik van de genade des Heeren verhope, nooit meer hooren zal; de oorzaak

14 // STEMBAND


// KOORGESCHIEDENIS

In opdracht van Stemband ging musicoloog Jan Dewilde op zoek naar de geschiedenis van ‘ het koor’, de roots en de wonderjaren van wat we nu kennen in Vlaanderen. In de derde aflevering maken we kennis met het fenomeen van de massa- en oratoriumkoren.

daarvan was, dat de kooren vóór en niet benevens het orkest geplaatst waren, zoodat den baas schier aan het uiteinde der zaal de maat stond te zwaaien (…); dat dit zoo bijna anderhalf uur geduurd en volgehouden heeft, zoodat ik er tot ‘s anderendaags veel koppijn van gehouden heb.” Een ander monumentaal koorwerk van Benoit is De muze der geschiedenis, dat hij in 1880 ter gelegenheid van een halve eeuw Belgische onafhankelijkheid schreef. Voor dat werk wou hij een monsterapparaat van tweeduizend zangers en instrumentalisten op de Groenplaats dirigeren. Het organisatiecomité stuurde een oproepingsbrief uit, maar wegens politieke wrijvingen tussen geuzen (liberalen) en meetingisten (katholieken) viel die niet bij iedereen in goede aarde. En dat de brief tweetalig was, zorgde ook voor irritatie en weerstand. Uiteindelijk kon Benoit een beroep doen op ‘slechts’ 1.468 uitvoerders, waaronder 300 meisjesstemmen, 300 jongensstemmen, 590 volwassen koristen, een harmonie-orkest, een fanfare, zes Thebaanse bazuinen, vier pauken, tien trommels, vier bekkens, twee triangels en een groot symfonisch orkest van 150 musici. Om die massabezetting te kunnen bemeesteren, maakte hij een even uitgekiend als bizar grondplan, de ‘groepeering der uitvoerende krachten’, die hem moest helpen

bij het ordenen van alle verschillende koren, ensembles en orkesten. Om de 1.468 uitvoerders zo te plaatsen dat dirigent én publiek hen konden zien, moesten grote stellages worden opgetrokken, waarbij zijn plan als basis diende. Benoit mobiliseerde graag grote koormassa’s. Op die manier hoopte hij zich van steun te verzekeren voor zijn plannen voor een geïntegreerd en gecentraliseerd Vlaams muziekleven en voor zijn strijd voor de verheffing van zijn muziekschool tot koninklijk conservatorium. Daarnaast was er steeds ook een achterliggende pedagogische intentie: het volk muzikaal opvoeden. Die intentie was ook uitdrukkelijk aanwezig in de Franse ‘orphéon’-cultuur die zich naar de arbeiders richtte. Componisten als Hector Berlioz, Ambroise Thomas en Charles Gounod leverden werken voor de massabijeenkomsten van die ‘orphéons’ die tot 10.000 koristen op de been brachten. Zo componeerde Berlioz in 1861 het dubbelkorige Le temple universel, bedoeld voor een koor van 8 à 10.000 zangers. Die massakoren passen dus in de tijdsgeest. Het is dan ook naast de kwestie om Benoits ‘voorliefde voor monsterbezettingen en monumentale structuur’ simpelweg als megalomanie te bestempelen en daar psychoanalytische verklaringen voor te zoeken. Los van het feit dat het psychisch analyseren van een dode dubieus lijkt, gaat dat helemaal voorbij aan de muziekcultuur van die tijd. Bovendien gaat het bij die grote koormassa’s niet altijd om meer kracht en volume. Een mooie getuigenis daaromtrent is te lezen in een brief die Felix MendelssohnBartholdy op 27 juni 1846 aan zijn zus Fanny schreef, van op het eerste koorfeest van het Vlaamsch-Duitsch Zangverbond in Keulen (zie het vorige nummer van Stemband). Hij had toen de repetities van zijn gelegenheidscantate Festgesang an die Künstler achter de rug, eerst met een beperkt aantal Duitse koren, nadien met 2.000 extra (Vlaamse en Duitse) koristen: “Er klingt recht flott. Andern Tages kamen die 2.000 an. Wie das klingt? Nicht schärfer stark, als jeder ander Chor (und darüber wundern sich die Leut immer), aber an dem gewissen Schwirren und Sausen merkt es ein jedes geübte Ohr gerade wo wie 30 Geigen nicht eigentlich stärker klingen als 10, aber anders, eindringlicher, massenhafter. Ich habe grosse Freude gehabt.” Inderdaad, niets indringender dan een door een massa unisono gezongen pianissimo… en dat staat ver van machismo.

VERMINKEN DER GENIALE SCHEPPINGEN Maar hoe was het nu gesteld met de kwaliteit van de koren, zo naar het einde van de negentiende eeuw toe? Als we componist en koordirigent Edward Blaes (1846-1909) mogen geloven: het kon beter, véél beter. Zijn brochure Aesthetische

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 15


// KOORGESCHIEDENIS

bemerkingen over koorzang opent hij met deze vaststelling: “Als men de meeste onzer koorzanguitvoeringen aandachtig nagaat, moet men bekennen dat samenzang te onzent, op verre na dien van volmaaktheid niet bereikt heeft, waar die kunst eventwel diende toe te komen. Wie bij zulke gebrekkige uitvoeringen met een kunstlievend harte toeluistert, voelt dat harte bloeden bij het hooren verminken der geniale scheppingen onzer groote meesters.” Naast enkele evidente problemen (zoals vals zingen) besteedt Blaes veel aandacht aan taal en uitspraak: “Het is niet meer dan natuurlijk dat, zonder goede uitspraak der woorden, de muziek, hoe zuiver, vloeiend en krachtig voorgedragen, veel van hare ware uitdrukking verliest. Meermaals hebben wij opgemerkt dat, wanneer zangers bij koorzangvoordracht hun dialekt gebruiken, de toehoorders, hoewel den zelfden tongval sprekende, hen weinig of niet verstonden. En dat is licht te begrijpen. Slecht gevormde, onbepaalde woorden hebben de kracht niet om tot de aanhoorders te geraken. Zij sterven of blijven in den mond der uitvoerders. Zelfs, door het bijvoegen van klanken worden ze soms gansch onverstaanbaar.” En hij toont zich een ware Benoit-adept waar hij “het uitvoeren van muziekale gewrochten in eene taal die men niet verstaat” afkeurt: “Zulks mag te recht dom en onverstandig genoemd worden. Met den besten wil van de wereld toch, kan men onmogelijk zulke muziek met de noodige uitdrukking weergeven, daar men, verre van zich met het stuk te hebben vereenzelvigd, niet eens zelfs de reden der vereischte uitdrukking gissen kan, en in ’t geheel niet weet wat sterke en zwakke lettergrepen zijn.” Ook fulmineert hij tegen de “ingewortelde kwaal die gansch Vlaamsch-België door, zangers en maatschappijen te hebben aangetast. ’t Is bij hen als eene ware razernij fransch en altijd en immer fransch te willen zingen, alhoewel soms ¾ der uitvoerders geen enkel woord verstaan van het hun voorgezegde, dat zij als echte papegaaien napraten.” En dan doet hij een plechtige oproep aan de dirigenten: “Hebt voortaan wat meer eerbied voor de kunst. Gij weet het, gij moet het weten dat poëzie en muziek onafscheidbaar, ten innigste met elkaar zijn verbonden en dat men de eene niet gebrekkig voordragen kan zonder tevens de andere te schaden. Vreemde talen leeren, voor dagelijksch gebruik is reeds reuzenwerk, en gij wilt ze doen dienen als tolk van de dichterlijke gewaarwordingen, der verhevene poëtische opvattingen eens kunstenaars. Zegt, zult gij dan nooit aan dien onzin verzaken? De moedertaal, zij alleen, - en dan nog dient men ze grondig te kennen, - is het geschikte middel om de edele zielsaandoeningen van dichter en toonkunstenaar te vertolken. Door ’t gebruik eener vreemde taal verlamt gij de beste

16 // STEMBAND

krachten uwer uitvoerders, benadeelt de kunst door haar het ideale te ontnemen, zonder hetwelk zij haar hoogste doelwit, veredeling van ’t gevoel, nooit kan bereiken. Verlaat dat dwaalspoor, volgt den weg die u door rede en plicht is gebakend…”

FLORERENDE ORATORIUMKOREN Tot slot, terug naar de oratoriumkoren die ook in de twintigste eeuw bleven floreren. Enkele sprekende voorbeelden (over elk is een boek vol te schrijven): in Antwerpen had je de concurrerende Chorale Caecilia van Lodewijk De Vocht en Arti Vocali van Flor Alpaerts en in Mechelen de Koninklijke Kunstkring Edgar Tinel met Henri Durieux en vanaf 1922 Staf Nees. In 1941 stichtte Aimé De Haene in Brugge Cantores; in 1948 werd de Koninklijke Gentse Oratoriumvereniging opgericht; de Nederlandse dirigent Eduard Flipse begon in 1965 het Philharmonisch Koor ten behoeve van de koorconcerten van De Philharmonie van Antwerpen en in 1969 groeide uit Singhet ende Weset Vro het Kortrijks Gemengd Koor met componist Herman Roelstraete als eerste dirigent. Een verre van een exhaustief lijstje… De meeste van die koren zijn nog actief, al slankten ze meer af dan de gemiddelde Weight Watchers-club en slaagden ze er niet meer in om honderd koristen op de been te brengen. Onder invloed van de ‘oude muziek-beweging’ is het klankideaal overigens grondig gewijzigd en zijn het de kamerkoren die sinds enkele decennia floreren. En dat heeft ook zo zijn gevolgen voor het repertoire: het is bijzonder moeilijk geworden om de grote romantische koorwerken, goed bezet en op hoog niveau, uit te voeren. Charles-Louis Hanssens’ Le sabbat, François-Auguste Gevaerts Jacob van Artevelde cantate, Benoits Quadrilogie religieuse en zijn oratoria, August Baeyens’ Lofzang aan de haven, Norbert Rousseau’s L’an mille, Roland Coryns Winds of dawn…, mocht iemand al de behoefte voelen om die werken nog te programmeren, dan stuit hij al op het praktische probleem dat er nauwelijks of geen oratoriumkoren zijn die de nodige vocale krachten kunnen mobiliseren. Een poging om met Philippe Herreweghe een KoorAcademie op te richten, droeg niet voldoende ver. Muziek zit er misschien wel in het symfonisch koor dat Bart Van Reyn met Octopus uitbouwt. Er is in Vlaanderen zeker nood aan een gespierd (semi-) professioneel oratoriumkoor. Als de overheid verschillende symfonische orkesten betoelaagt, wat niet genoeg te loven en te prijzen valt, moet er toch ook ruimte zijn om een groot en kwaliteitsvol koor te ondersteunen. // JAN DEWILDE De volgende keer: Opmerkelijke koren; recente evoluties…


// LITURGISCHE MUZIEK

Buiten de lijntjes kleuren HOE MOTIVEER IK MIJN PROFAAN KOOR OM TE ZINGEN IN DE LITURGIE? EEN INTERVIEW MET LUC ANTHONIS

Gedurende 10 jaar was ik als organist verbonden aan de St.-Lambertuskerk te Ekeren. In al die jaren had ik het voorrecht om op regelmatige basis samen te kunnen werken met de Ekerse C-Koren. Luc Anthonis is één van de dirigenten binnen die korengroep en hij is voor velen geen onbekende in de koorwereld. Hij won met Cantando de wedstrijd ‘koor van het jaar’, hij is docent koordirectie aan het Conservatorium te Antwerpen en is een veel gevraagd gastdirigent bij het VRT-koor. Ik was telkens onder de indruk van de ernst en discipline waarmee hij in Ekeren een viering muzikaal opluisterde, het groot aantal aanwezige koorleden en het passende repertoire bij de liturgie. De vaak moeizame communicatie tussen de parochie en de koren, en de beperkte band met de kerk bij vele koorleden stonden voor hem en zijn twee profane koren blijkbaar nooit in de weg om een mooi afgewerkt en zeer degelijk muzikaal geheel af te leveren. Kortom, er was altijd enthousiasme bij de zangers en het was af!

Welke koren dirigeer je in Ekeren? De koren die ik in Ekeren dirigeer zijn het ‘jeugdkoor Cantilene’ en ‘Cantando’. Het jeugdkoor Cantilene bestaat uit zangers tussen de 17 en 25 jaar en bij Cantando zingen meer gevormde stemmen. Beide koren vormen een onderdeel van de grootste korengroep in Vlaanderen, namelijk de C-koren. In 1968 richtte de toenmalige onderpastoor Jozef Cleymans twee parochiekoren op. Zo ontstonden het volwassenenkoor Con Amore en het kinderkoor de Lambertijntjes. Later volgden Carmina, Cantilene, Cantando, de Lambertijnen, Caljenté en ten slotte het gregoriaans koor Cantabo. De korengroep telt vandaag dus 8 koren met 380 leden en blijft nog groeien zodat we op dit ogenblik bij enkele koren zelfs met een wachtlijst moeten werken. Meer info i.v.m. de Ekerse koren kan je vinden op de website: www.c-koren.com Welke uitdagingen ga je met deze koren aan en welke accenten leg je?

We proberen in de eerste plaats mooie concerten te brengen. Met Cantando leggen we het accent op uitdagende muziek, Vlaamse creaties en internationale koorwedstrijden. We organiseren ook vaak concerten in eigen beheer waar we eerder het moeilijke koorrepertoire brengen. Het jongerenkoor Cantilene is bekend vanwege zijn finaleplaatsen tijdens twee recente deelnames aan de wedstrijd ‘Koor van het jaar’. Cantilene telt momenteel 54 zeer gemotiveerde koorzangers waarmee we een breed koorrepetoire zeer degelijk willen brengen. Daarnaast zijn de concertreizen en koorweekends een belangrijk onderdeel binnen de werking van dat jongerenkoor. Wanneer zingen jouw koren tijdens vieringen in Ekeren? De Ekerse koren zijn sinds hun ontstaan altijd met de parochie verbonden geweest. Vandaag minder intensief dan vroeger, maar de relatie is er nog steeds. In ruil voor het zingen van vieringen kunnen de koren repeteren

in een mooi gerenoveerde kapel die eigendom is van de parochie. Momenteel zingen de koren voornamelijk tijdens de feestdagen en daarnaast tijdens enkele bijkomende vieringen.     Vanwaar je interesse om met je profane koren te zingen in de liturgie en hoe motiveer je de koorleden om in die vieringen te zingen? Voor mij is het zingen in de liturgie waardevol omdat we als koor religieuze muziek in een juist kader kunnen plaatsen. Tijdens een dienst probeer ik met de koren eenzelfde niveau te bereiken als tijdens een concert. Een viering muzikaal opluisteren in Ekeren is ook een mooi moment om te zingen voor ons eigen publiek. Met Cantilene probeer ik een viering aan te sluiten op de wekelijkse repetitie, vb. Paaszaterdag. Bij Cantando komen zangers zelfs van Gent naar Ekeren om in een dienst te zingen, dus ook daar heb ik weinig gebrek aan koorleden tijdens vieringen. Bij mensen van Cantando maken de vaste

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 17


© Marcel Van Coile

// LITURGISCHE MUZIEK

gezangen zoals o.a. de Nederlandstalige misdelen nog deel uit van hun repertoire maar bij de leden van het jeugdkoor Cantilene valt het op dat die gezangen vaak niet meer gekend zijn. Ik probeer dat probleem op te vangen door ze samen met liederen uit Zingt Jubilate te gebruiken als inzingoefeningen tijdens de repetities. Wat is de verhouding tussen samenzang en koorwerken binnen de liturgie in Ekeren? De samenzang is absoluut een belangrijk onderdeel binnen de vieringen in Ekeren. Uit Zingt Jubilate zingen we altijd enkele liederen, acclamaties en een Nederlanstalige mis. Daarnaast zorgen we voor enkele passende koorwerken die vaak worden begeleid door het orgel. De parochie in Ekeren hecht veel belang aan het ‘samen zingen’ en ze zal dat onderdeel tijdens een dienst dan ook nooit laten vallen. Wanneer er geen koor aanwezig is tijdens zondagen door het jaar zal er altijd een cantor zijn die de volkszang stuurt. Een degelijke volks-

18 // STEMBAND

zang is in Ekeren een traditie en wordt nog aangenamer wanneer één van de C-koren als aanzingkoor fungeert, bijvoorbeeld tijdens een hoogfeest.     Het laatste koor dat aansloot bij de C-Koren is een gregoriaans koor. Wat is de plaats van dat koor binnen de korengroep? Het gregoriaans koor Cantabo was ook al voor de aansluiting bij de Ekerse koren erg actief binnen de liturgie. Ook in Ekeren zingt het, net zoals de andere koren, elk jaar tijdens enkele vieringen. Wanneer één van de koren door omstandigheden niet kan zingen tijdens één van de vieringen, neemt Cantabo die taak altijd op zich. Verder is één van hun leden verantwoordelijk voor de keuze van de koorwerken die de C-Koren brengen tijdens de liturgie. Hij zal eventueel advies geven aan sommige dirigenten en erover waken dat koorwerken op de juiste momenten binnen de liturgie worden geplaatst. I.v.m. de liturgische muziek is hij eveneens de verbindingspersoon tussen de koren en de parochie.

Heb je suggesties voor koordirigenten die met hun profaan koor een viering zouden verzorgen? - Laat je door iemand bijstaan indien je onzeker bent over de keuze van liederen en koorwerken tijdens de liturgie. Het is anno 2011 voor vele dirigenten niet meer zo evident om daarin de juiste keuzes te maken. Zorg bijvoorbeeld dat je koor geen ‘Christus factus est’ zingt met Kerstmis …   - Voel je zeker als dirigent of koor nooit te goed om te zingen tijdens een viering! Bedankt voor dit aangename   gesprek, Luc! // BART WUILMUS


// CD

Portret van Schroyens’ koormuziek

Montefagorum Productions, een recent initiatief van Kurt Bikkembergs, combineert naar eigen zeggen “de intentie om Vlaamse hedendaagse koormuziek meer in de kijker te stellen met een platform voor alle koren die een waardevolle geluidsopname willen maken. Een bewust en zeer gespecialiseerd programma wordt door een team professionelen omgetoverd tot een benijdenswaardig Vlaams exportproduct.” Het dient gezegd dat de nieuwste cd van Montefagorum – al de derde op rij – die intentie vervult en zeker een prima exportproduct is. Kurt Bikkembergs ploos in het VRT-archief en vond opnamen van diverse koorwerken van Raymond Schroyens in de uitvoering van het voormalig BRT-koor. De leiding van ons enige professionele concertkoor wordt verdeeld tussen zijn vroegere chef Vic Nees en de gastdirigent Erik Van Nevel. In zijn professionele loopbaan was Raymond Schroyens vooral een radioman. Hij was immers 30 jaar aan Radio 3 verbonden. Tot aan zijn pensioen in 1993 gaf hij tevens klavecimbelles aan

het Brusselse conservatorium, maar vond hij ook tijd om te componeren. In zijn meer dan honderd werken neemt koormuziek een belangrijke plaats in. Schroyens beschrijft zijn oeuvre zo: “Ik zou mijn muziek karakteriseren als eigentijds, laat-romantisch, wat betekent dat de verklanking is afgeleid van de hedendaagse esthetiek, terwijl de gevoelens en stemmingen enigszins verbonden zijn met het recente verleden. Mijn vocale muziek is sterk geënt op de natuurlijke prosodie van de tekst.” Die kenmerken vinden we terug in de composities op dit schijfje. Werken kiezen voor een portret-cd is altijd subjectief en dus moeilijk. Bovendien moest Bikkembergs ook rekening houden met de beschikbare opnamen in het VRT-archief. Toch kan men de uiteindelijke samenstelling als representatief bestempelen. De cd kreeg als titel Chanson d’Automne en omvat een vijftal bekende en minder geprogrammeerde koorcomposities: Pentalpha, Six Dickinson Miniatures, Emed, Drie Nocturnes en My love is like a red red rose. Je

kan natuurlijk een persoonlijke voorkeur hebben – in mijn geval zijn dat Pentalpha en Six Dickinson Miniatures – maar   Schroyens volgt consequent zijn compositorische lijn met een goed doordachte keuze van zijn tekstleveranciers: Heyse, Verlaine, Leopold en Blake (Pentalpha), Emily Dickinson, Karel Jonckheere (Emed), Alice Nahon (Drie Nocturnes) en Robert Burns (My love…). Allemaal grote namen in de Vlaamse, Amerikaanse of Europese literatuur. Raymond Schroyens heeft een groot voordeel: zijn schriftuur is duidelijk vocaal gedacht en dus relatief gemakkelijk te interpreteren. Deze natuurlijkheid typeert ook de zowel technisch als muzikaal sterke uitvoering van het Omroepkoor en het maakt niet veel uit wie het ensemble dirigeert. Het huidige Vlaams Radio Koor kreeg zijn hoge niveau tijdens de langdurige leiding van Vic Nees en de jongere generatie koordirigenten, Erik Van Nevel inbegrepen, werd door hem duidelijk beïnvloed. Alleen jammer dat het boekje, behalve de originele teksten, een zeer korte CV van de componist en het koor (in het Nederlands en Engels) vermeldt en niets over de uitgevoerde werken of Schroyens’ niet onbelangrijke betekenis voor de Vlaamse koormuziek. // MIREK CERNY

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 19


CD Cameratas Aetas Nova Nachtlied

Encantar La déclinaison de la femme

Jezelf een cd-opname schenken voor je tiende verjaardag is mooi. Camerata Aetas Nova o.l.v. Dieter Staelens, winnaar van de titel ‘Koor van het Jaar 2008’, vierde vorig jaar zijn tiende verjaardag en nam een schijfje op met heel wat koorwerken rond het begrip ‘Nacht’. Een mooie verzameling met zowel bekende, enkele onbekende – hier en daar een kleine ontdekking – en zelfs nieuwe composities. Het koor gaf de opdracht aan vier componisten, Vic Nees, Raymond Schroyens, Michaël Van Craeynest en Maarten Van Ingelgem om samen een vierdelige koorcantate te componeren met als titel: Nachtlied. De teksten zijn van Jos Stroobants. Het is een mooi geheel geworden. Daarnaast vinden we nog muziek van Arthur Sullivan, Daan Manneke, Benjamin Britten, Edvard Grieg, Camille Saint-Saëns, Reynaldo Hahn en Heinz Kratochwil. We vinden op deze opname opvallend veel Nederlandstalige teksten, gelukkig maar, want voor de Noorse tekst missen we een vertaling in het boekje, dat voor de rest zeer verzorgd is. Camerata Aetas Nova bezorgt ons een zeer verdienstelijke opname. Jammer dat de mannenstemmen soms wat te veel op de achtergrond blijven. De opname mist naar mijn gevoel bij momenten wat akoestiek, het had de groep wat meer glans kunnen geven. Een extra pluim gaat naar de koorsolisten die een knappe prestatie neerzetten. We wensen hen nog een (late) gelukkige verjaardag.

Het jonge Belgische ensemble Encantar bestaat uit vier zangeressen die zich toeleggen op de polyfone muziek van de renaissance. De exclusief vrouwelijke bezetting geeft een aparte kleur aan een repertoire dat voornamelijk was bedoeld voor mannen. Toepasselijk wijden de dames van Encantar hun eerste eigen cd ook aan een vrouw: de onfortuinlijke Margareta van Oostenrijk, van wie in twee prachtige liedboeken een bloemlezing composities over rouw en liefdesverdriet is bewaard. Een selectie daaruit wordt op de cd aangevuld door enkele motetten en instrumentale composities (het ensemble wordt subtiel ondersteund door twee luiten en een harp), die thematisch en muzikaal dezelfde melancholische sfeer uitademen. De opname laat horen dat Encantar kan rekenen op vier sterke stemmen. Dat bewijzen de chansons, uitgevoerd door één of twee solisten met luitbegeleiding. De jonge timbres zijn rijk en helder, misschien zelfs iets té geprononceerd voor het intimistische programma. De ietwat nadrukkelijke manier van zingen werkt prima wanneer het ensemble in lange gregoriaanse lijnen uitstijgt boven het instrumentaal gebrachte polyfone lijnenspel. Wanneer de vier stemmen zelf polyfoon gaan zingen is het resultaat soms wat strak en lijkt er af en toe ruimte voor subtielere nuances. Bovenal weerklinkt echter een harmonieuze sonoriteit, die tevens profiteert van de genereuze akoestiek van de opnamelocatie, de abdijkerk van Vlierbeek. De homogene versmelting van de vier stemmen en de fijnzinnige selectie van enkele minder courant uitgevoerde parels uit de renaissanceliteratuur maken van dit debuut alvast een opname die ook de luisteraar doet verlangen… naar meer!

// WIM VERDONCK

// SIMON VAN DAMME

20 // STEMBAND

nachtlied o.l.v Dieter Staelens


CD

KORT

Sinds de oprichting van zijn ‘Centre de Chant Choral’ in 1987 is Namen dé Waalse koorstad bij uitstek. Twee koren die er hun thuishaven hebben, realiseerden onlangs opmerkelijke cdopnamen. Verder stellen we koormuziek uit de hoogromantiek voor (Schumann, Brahms, Gounod) en ook twee cd’s met minder bekende componisten (Striggio en Sjtsjetynsky). De beste Waalse formatie, het Choeur de Chambre de Namur, nam, o.l.v. zijn nieuwe leider Leonardo Garcia Alarcón, en met tal van solisten en het barokorkest Les Agrémens, werken van Antonio Vivaldi op. Het gaat om psalmen en het Magnificat zoals ze tijdens de vesperdienst in de San Marco uitgevoerd werden. (Ambronay) I Fagiolini o.l.v. Robert Hollingworth, zorgde onlangs voor een revelatie met de uitvoering van de 40-stemmige mis (verdeeld over vijf koorgroepen) van Alessandro Striggio. De 16de-eeuwse Missa ‘Ecce beatam lucem’ dook onlangs in Parijs op. De cd werd met andere werken van Striggio, Galilei en Tallis aangevuld. Er is ook een dvd bij. (Decca) De ballade Der Königssohn van Robert Schumann wordt zelden vertolkt. Samen met diens Requiem vinden we haar op een interessante cd van het KammerChor Saarbrücken en de Deutsche Philharmonie Saarbrücken Kaiserslautern o.l.v. Georg Grün. Bij het stel goede solisten prijken Christoph Prégardien, Sibylla Rubens en Ingeborg Danz. (Hänssler classic)

geleden terug in Namen. Hun hoge niveau demonstreren de 12 zangers in de Musicalische Exequien van Heinrich Schütz. (Ricercar) Er zijn op dit ogenblik ongeveer vijftig opnamen te koop met Ein deutsches Requiem van Johannes Brahms en toch is de nieuwste geen overbodige. In 2009 vierde het hr-Sinfonieorchester (Radioorkest van Frankfurt) zijn 80-jarige bestaan. N.a.v. van dat jubileum werd het meesterwerk samen met het befaamde Zweeds Radiokoor opgenomen. Natalie Dessay en Ludovic Tézier zijn de solisten en Paavo Järvi dirigeert. (Virgin classics) Twee goede Oekraïense kamerkoren, Cantus uit Oezjhorod en Gloria uit Lviv, en het kamerorkest Leopoldis hebben de krachten gebundeld om religieuze werken van hun hedendaagse landgenoot Alexander Sjtsjetynsky op te nemen. Als je in zijn muziek invloeden van Schnittke, Pärt of Messiaen bespeurt, is dat geen toeval. (Naxos) Ook Charles Gounod schreef talrijke geestelijke werken, het Ensemble Vocal et Instrumental de Lausanne heeft met zijn stichter Michel Corboz, boegbeeld van de Zwitserse koordirigenten, twee belangrijke werken uit de Franse romantiek op cd gezet, het Requiem en de Messe Chorale. (Mirare) // MIREK CERNY

Het Waalse vocaal ensemble Vox Luminis van Lionel Meunier, werd in 2004 in Namen gesticht. Na een omweg via Den Haag vestigde het zich twee jaar

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 21


// COLUMN

Altijd iets te vieren In mei!

Tekst: Jan Pieter Heije (1809 - 1876)

In Mei

C

Pittig ( = 138)

! Y 43 C

in

! Y C

C

S C

C

g

in

g C

g

C

g

C

g

mei!

C

g

mei, leg - gen al - le

C

leg - gen

C C

vo - gels, in

Het weer is een dagelijkse bekommernis voor de meesten van ons. De natuur zelf slechts voor een minderheid. De kans bestaat dat jongeren uit de stad geen spreekwoorden meer kennen die over de natuur gaan. Weten mijn kleinkinderen nog dat in mei alle vogels een ei leggen? Ik was tijdens de oorlog een stadsjongen. Ik kende het spreekwoord dank zij een canon die wij op school leerden. Mijn leeftijdgenoten kennen deze canon waarschijnlijk ook. Hij staat hierbij afgedrukt. Zij mogen hem gerust nog eens zingen, al was het slechts om het eeuwfeest te gedenken van de componist ervan. Dat was Raymond Keldermans (1911-1984), een Mechelaar die zich voor de oorlog in de kerkmuziekschool van Berlijn-Charlottenburg ging specialiseren en daar vertrouwd raakte met de nieuwe lied- en koorbeweging die bij ons pas twintig jaar later doorbrak. Keldermans emigreerde na de oorlog naar de Verenigde Staten en werd een gerespecteerd componist, organist en beiaardier in Springfield, Ohio. Wie belang stelt in zijn werk, kan terecht op de Amerikaanse website raymondkeldermans.com. In de jaren tachtig voerde het toenmalig symfonieorkest van de BRT een symfonie van hem uit. Ik maakte met het omroepkoor toen ook een drietal opnamen van zijn koormuziek.

C

g C

leg - gen

al - le,

C

g

C

, g g C C C

C

leg - gen

S C

B

mei,

mei,

! Y C

S C

A

Muziek: Raymond Keldermans (1911 - 1984)

C

g C

g C

C

al - le, leg - gen

C

C

al - le,

C

C

C h

C h

g

C

g

C

C

al - le,

C

leg - gen

g

,

C

in

C

g

mei leg - gen al - le

C

mei!

in

C

in

S C

C

al - le,

C S

C

C

mei!

C

>

vo - gels een

C In

> C

S

ei.

Belgisch-Nederlandse componistendagen in Tongeren plaatsvonden, was Jan Mul leider van de Nederlandse delegatie. Met hem kwamen Matti Niël, Antoon Maessen, Jaap Geraedts en George Stam. De Vlaams-Belgische delegatie werd geleid door Willem Kersters en daarbij waren Norbert Rosseau, Herman Roelstraete, André Laporte en ik. Als ik de namen zo bij elkaar zie staan, realiseer ik mij dat André Laporte en ik nog de enige overlevenden zijn van deze rijk overgoten dagen. Alle Tongerse terrassen werden bezocht. Jan Mul was een geboren entertainer. Hij bleef dat ook tijdens de werksessies. Ieder van ons moest een compositie voorstellen van twintig à dertig minuten. Jan Mul hield het bij een motet van slechts 50 seconden.

Ik weet niet meer precies welke compositie André Laporte toen voorstelde. Ik denk dat het Le Morte Chitarre was. Dat werk dateert alleszins uit die periode. Ik was toen nog radioproducer en wij deelden samen een bureau op het Flageyplein. Zijn zesstemmige De profundis uit 1968 heeft hij toen aan mij opgedragen. Het is nog steeds het meest vernieuwende – maar ook zingbare – werk van de toenmalige Vlaamse koormuziek. André Laporte heeft veel representatieve orkest- en kamermuziek geschreven, het oratorium La vita non è sogno en Ook Jan Mul zou dit jaar honderd geworden zijn. Jan Mul (1911de opera Das Schloss. Af en toe heeft hij een uitstapje gemaakt © 2011, Centrum voor Vocale Muziek vzw, Antwerpen, info@cvm.be 1971) componeerde de muziek bij de film Fanfare van Bert naar de amateurkoren. Voor Karel Aerts en zijn toenmalig Haanstra, een Nederlandse succesfilm uit mijn jeugd. Toen in meisjeskoor Concinite componeerde hij de aantrekkelijke 8 1964 het cultboek Ik, Jan Cremer verscheen, componeerde hij Songs of Innocence op gedichten van William Blake, inmiddels een orkestsuite Ik, Jan Mul. Altijd voor een grapje te vinden, een succesnummer van vele meisjeskoren. Voor gemengd koor hoewel hij op de eerste plaats bekend stond als componist van is er de fijnzinnige zetting van het bekende gedicht van Hans kerkmuziek. Zijn missen en motetten staan nog steeds in de Andreus Voor een dag van morgen. Ook het meer dan veertig catalogus van uitgeverij Annie Bank. Toen omstreeks 1970 de jaar oude De profundis, toentertijd als moeilijk ervaren, is

22 // STEMBAND


André Laporte

Kamiel Cooremans

// COLUMN

inmiddels toegankelijk geworden voor ambitieuze gemengde koren. In juli werd André Laporte 80 jaar. Het is niet te laat om iets van hem bij een concert in te lassen. De profundis is geschikt voor november, Songs of Innocence zijn voor alle tijden. Doorgaans beperk ik mij tot verjaardagen van componisten. Ik maak een uitzondering voor iemand die zo uitzonderlijk is als Kamiel Cooremans. Kamiel werd evenals Laporte 80 in juli. Ik hoef aan de koorwereld niet uit te leggen wie hij is. Zestig jaar was hij actief in het milieu als dirigent, pedagoog, jurylid, en nog steeds is hij de evenwichtige en wijze leidsman van velen. Al die tijd was hij ook mijn betrouwbare compagnon de route. Wegbereider van de historische uitvoeringspraktijk, maar tevens voorloper bij de actualisering van het koorrepertoire. Hij bewerkte mijn doorbraak in 1964 met de première van de 5 Motetten op het tweede festival Europa Cantat in Nevers. Daarna met European Stabat Mater en Magnificat. Ik heb hem nooit expliciet bedankt voor zijn rol in het koorleven – in het bijzonder in mijn koorleven –, maar ik doe het langs deze weg publiekelijk. Het lied Herfst op een gedicht van Jo Gisekin heb ik speciaal voor zijn verjaardag gecomponeerd. Het schetst op symbolische wijze een beeld van zijn persoonlijkheid. Bedankt, Kamiel, en proficiat! // VIC NEES

DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VAN KOOR&STEM // 23


Aan dit nummer werkten mee:   Jan Rispens, Lieve Franssen, Heidi Cobbaert, Jan Stofferis, Marc Michael De Smet, Liesbeth Segers, Koenraad De Meulder, Jan Dewilde, Bart Wuilmus, Mirek Cerny,   Wim Verdonck, Simon Van Damme, Vic Nees. EINDREDACTIE: Ivo Jacobs COÖRDINATIE: Jan Stofferis Kooraansluiting: € 68, Individueel abonnement: € 20 Rek. nr. 735-0037517-63 t.n.v. Koor&Stem vzw DRUK Van der Poorten OPLAGE 3.000 ex. VORMGEVING apple-n, brand-ink.be

ZET JE ZINNEN OP ZINGEN

koorenstem.be 24 // STEMBAND

Profile for Koor&Stem vzw

Stemband #11  

geëngageerde koorzang

Stemband #11  

geëngageerde koorzang

Profile for stemband
Advertisement