Page 1

Stedelijk BouwNieuws nr. 2


Beste lezer, Wij presenteren u Stedelijk BouwNieuws nr. 2 en houden u op deze manier graag op de hoogte van de vorderingen van de bouw van het nieuwe Stedelijk. Inmiddels is de restauratie van de oudbouw nagenoeg voltooid en wordt de bouw van ‘de badkuip’ van de nieuwbouw voorbereid. Minder zichtbaar zijn de lastige keuzes waar we tijdens het bouwproces voor stonden – daarover meer in het interview met Bas van Stratum, Aryan Sikkema en mijzelf. Ik wens u veel leesplezier toe, Vriendelijke groet, Gijs van Tuyl directeur Stedelijk Museum


Karel Appel in de Appelbar in het Stedelijk Museum, 1949

Lichtdoorlatend plafond in de oudbouw met rooster voor het velum. Daaronder: de steiger die nodig is om het velum aan te brengen

Overzicht van de bouwput met op de achtergrond het ‘ezelsoor’ (ingang van de Albert Heijn) en het Concertgebouw

Bouwput met links het Stedelijk Museum en op de achtergrond de nieuwbouw van het Van Gogh Museum

Voormalige restaurant met een beschermingsmuur voor de muur­ schildering van Karel Appel

Puin in het voormalige restaurant met links nog een deel van de bibliotheekgalerij zichtbaar


Karel Appel in ‘de Appelbar’, 1951

Restaurator Louise Wijnberg aan het werk

10


Een oog op Appel Louise Wijnberg, sinds eind 1986 restaurator in het Stedelijk Museum, is een groot fan van Karel Appel. Haar eerste opdracht, 22 jaar geleden, was om samen met haar collega Elisabeth Bracht de zoge­ naamde Appelbar te herstellen, die destijds als opslag­ plaats werd gebruikt. Sinds de start van de verbouwing van het Stedelijk in 2004 brengt ze elke week een bezoek aan de Appelbar en de Appelwand, om de klimatologische omstandigheden te beoordelen. Doel: twee prachtig geres­ taureerde werken van Karel Appel in het nieuwe Stedelijk! Spotprent van protesterende ambtenaren

11

Omstreden werk Karel Appel werd in 1948 gevraagd om een muur te beschilderen van de kantine in het stadhuis van Amsterdam, destijds gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal. Deze grote geabstraheerde wandschildering, Vragende kinderen, was in maart 1949 gereed en zorgde onmiddellijk voor een enorme rel. De ambtenaren vonden het onaangenaam om onder de priemende, hongerende kinderogen en uitgestrekte bedelende handen hun boterhammen op te eten, en bovendien zei deze moderne kunst hen weinig. In kranten verschenen negatieve stukjes die getuigden van een groot wantrouwen tegen abstracte kunst, en de schildering in het stadhuis werd beschadigd doordat hij met potlood werd beklad en men er bovendien voorwerpen tegenaan had gegooid. Op 9 december van datzelfde jaar besloot B&W om de schildering aan het oog te onttrekken. In 1950 werd er een laag tengel en behang over aangebracht. Als een soort genoegdoening voor deze pijnlijke geschiedenis gaf Willem Sandberg, toenmalig directeur van het Stedelijk Museum, Karel Appel de opdracht om de koffiekamer in het museum te beschilderen. Deze kubusvormige ruimte was destijds een middelpunt in het gebouw; dat is nog te zien aan de vele deuren die erop uit komen. Hier kon Appel als het ware een driedimensionaal schilderij maken. Na enkele maanden van studie en voorbereiding, waarin hij verschillende schetsen en een schilderij maakte, ging Appel voortvarend aan de slag, op de voor hem kenmerkende spontane en directe wijze. Hij beschilderde de muren met stopcontacten en al, en nam ook de deuren, het rolluik en het plafond mee. Op een dag schijnt er een briefje van Sandberg gelegen te hebben met de boodschap: ‘Karel, maak je het niet te bont?’


De glas-appliqué rozet in de Appelwand

Appel gebruikte Keim mineraalverf, een soort verf waarbij de minerale pigmenten gemengd worden met vloeibaar waterglas (kalisilicaat). Na droging ontstaat een perfecte verbinding van verf en pleisterlaag. Op enkele plekken is de zwarte ondertekening, die hij later inkleurde, nog altijd te zien. De vrolijke dierfiguren en kinderen zweven en zwemmen als het ware in de ruimte, die al snel ‘de Appelbar’ werd genoemd. In 1956 maakte de kunstenaar in opdracht van het Stedelijk nog een muurschildering, in het restaurant. Hierbij incorporeerde hij bovendien een bijzonder glas-appliqué, voor die tijd geheel nieuw, dat hij als rozet integreerde in de schildering. Aan het eind van de ochtend scheen de zon direct door het gekleurde raam naar binnen, en verspreidde dan een warme gloed. Zelfs in het museum is de waardering voor Appels werk aan verandering onderhevig geweest. Hoewel de schildering in het restaurant een beeldbepalend en geliefd element was, is de Appelbar in de jaren tachtig tijdelijk als opslagplaats gebruikt. Ooit is zelfs de signatuur met de datering van de kunstenaar in de bar verdwenen onder de witkwast, maar in 1987 door Wijnberg en Bracht weer tevoorschijn gehaald, al ziet hij nog steeds wat bleekjes.

De thermo-hygrograaf meet de luchtvochtigheid en de temperatuur

Appel optimaal beschermd Het was voor het Stedelijk van groot belang dat tijdens de renovatie van het museum de Appelbar en de muurschildering in het restaurant optimaal beschermd en geconserveerd zouden worden. Er werd advies ingewonnen van Robert Crèvecoeur, specialist op het gebied van muurschilderingen bij het Instituut Collectie Nederland. Want hoe moest het klimaat in de ruimte vorstvrij en zo stabiel mogelijk gehouden worden? En hoe kon men de ruimte stofvrij houden en beschadigingen minimaliseren? Een veilige situatie is gecreëerd door de Appelbar af te sluiten en voor de muurschildering in het restaurant een wand te plaatsen,

Signatuur Karel Appel

12

waardoor ook daar een afgesloten ruimte ontstond. Beide ruimtes zijn voorzien van een thermo-hygrograaf, een apparaat dat de relatieve luchtvochtigheid en de heersende temperatuur meet. Het klimaat kan goed gereguleerd worden door luchtbevochtigers en -ontvochtigers en door de plaatsing van een klein kacheltje. Nu het klimaat rond het werk van Appel optimaal beheerst werd, moest er nog een manier gevonden worden om de omgeving schokvrij te maken. Geen eenvoudige opgave op een locatie waar gesloopt en geheid wordt. Aan de wanden is trillingsapparatuur gemonteerd, die een signaal afgeeft als de trillingen boven een bepaalde norm komen. Sinds het begin van de bouw is Stedelijk-restaurator Louise Wijnberg, soms met assistentie van Aad van der Elst van de technische dienst, elke week langs geweest voor controle. Dat kon oplopen naar wel twee keer per week en een keer zelfs een hele dag! In 2004, het eerste jaar van de renovatie, vonden er veel grove sloopwerkzaamheden en intensieve booractiviteiten plaats in het gebied rondom de Appelbar en de Appelwand. Bij overschrijding van de trillingsnorm stuurde de apparatuur automatisch een sms-bericht naar bouwopzichters Philip Nijman en Bob Looijenga of naar bouwuitvoerder Ton Woud (Midreth). Die kwamen dan direct polshoogte nemen, een enkele keer moesten ze de bouwwerkzaamheden zelfs stilleggen. Het was overigens veelvuldig loos alarm, meestal veroorzaakt door langsrijdende trams. Maar soms was het menens. Zo moest bijvoorbeeld een tussenvloer, die zich op 4 meter hoogte naast de Appelbar bevond, worden afgezaagd omdat slopen met een boorhamer teveel trilling zou veroorzaken. De wandschildering in het voormalige restaurant was klimatologisch kwetsbaarder dan de Appelbar, omdat deze aan een buitenwand grenst en dus gevoeliger is voor klimaatschommelingen.


Enkele kwetsbare delen zijn extra beschermd door ze te beplakken met rijstpapier en stijfsel; een traditionele methode. Het rijstpapier is inmiddels geel verkleurd: dit blijkt de nicotine te zijn die in de loop der jaren in de muren van het restaurant en in de schildering is getrokken. Het te verwijderen oude plafond, grenzend aan de wandschildering in het voormalige restaurant op de begane grond, vormde één van de vele heikele punten in het bouwproces. De constructie van het oude plafond zat deels in de muur met de schildering; met camera’s heeft men bekeken hoe dit zonder schade aan de wandschildering kon worden gesloopt. Om geen risico te nemen heeft men besloten om een deel van het oude plafond te laten zitten, namelijk daar waar het aansluit op de muur. Ook de reling en de omloop van de vroegere bibliotheek was gefixeerd in de muur met de wandschildering. Deze bleek echter eenvoudig te verwijderen. De ontstane gaten en andere onregelmatigheden in de muren met de schilderingen van Appel worden straks gerestaureerd door Ton Evers, al zeventien jaar bij het Stedelijk in dienst als schilder en voormalig restaurator van historische monumenten als De Nieuwe Kerk. Door de alertheid en kundigheid van de bouwopzichters en de bouwvakkers zijn beide kunstwerken tot nu toe goed bewaakt en bewaard gebleven en zijn er geen noemenswaardige beschadigingen opgetreden. Straks zijn de monumentale Appelbar en de Appelwand, na behandeling en oppervlaktereiniging, weer in hun volle glorie te zien. Er zijn plannen om in het voormalige restaurant op de wand tegenover de Appel­schildering een nieuwe muurschildering aan te laten brengen door een hedendaagse kunstenaar, zodat er een pendant ontstaat. We houden u van de ontwikkelingen op de hoogte.

Karel Appel voor de Appelwand, 1956

v.l.n.r.: Louise Wijnberg, Ton Evers, Philip Nijman, Ton Woud, Aad van Elst, Ronno Stegeman

13


Nieuwbouw, stand van zaken: de stalen constructie Aryan Sikkema, bouwcoördinator in dienst van het Stedelijk Museum, vertelt: “Op het grootste stuk is de badkuip, inclusief de luifel, 100 meter lang en 40 meter breed. De badkuip zelf, waar de tentoonstellingszalen, het auditorium en de video/filmzaal in worden gebouwd, is iets smaller. Dit enorme gevaarte, dat ook een beetje doet denken aan een gelande ufo, leunt straks op vier kolommen en een betonnen wand. Omdat kolommen, hoe dik ook, horizontaal kunnen bewegen, is er een zogenaamd stijf element nodig waarop het gebouw rust: de betonnen wand, die doorgaat in de fundering. Daaraan verleent de nieuwbouw zijn stevigheid. Eerst zijn honderden heipalen in de Amsterdamse klei geslagen.

Vervolgens is een dikke betonnen keldervloer gestort, met poeren erin. Dat zijn delen in de vloer die extra dik zijn gemaakt: die plekken waar de kolommen op rusten. Precies daaronder zijn bovendien extra heipalen geslagen, evenals onder het stijve element (de betonnen muur). Die extra stevigheid in de fundering is nodig, want straks worden via een stalen constructie de verticale en horizontale krachten naar vier kolommen en de muur geleid. Ze moeten dus wat kunnen hebben. In elk gebouw spelen krachten waar rekening mee gehouden moet worden. De badkuip is vergelijkbaar met een brug, die ook een heel stuk moet ‘overspannen’. Een ouderwetse spoorbrug met gekruiste stalen balken is de eenvoudigste manier om iets te overbruggen, en de stalen constructie die nu wordt gebouwd, lijkt daar op. Deze stalen constructie is als het ware een compositie van grote en

kleine driehoeken die de krachten verdelen, net als het vakwerk in de Zuid-Duitse en Oostenrijkse huizen. Zo wordt ook de schuine wand van de badkuip gesteund en gedragen. Het stalen frame wordt in het voor­jaar in heel veel delen aangevoerd, in honderden vrachtwagens, want in één vrachtwagen past maximaal een segment van ongeveer 6 meter. Het zijn enorm zware onderdelen die als stukken meccano pas op het bouwterrein met fikse bouten aan elkaar worden bevestigd. Het stalen frame vormt een skelet dat straks zal worden bekleed met het veelbesproken composiet, waarna het glanzend wit zal worden gecoat, zodat het er echt uitziet als een badkuip. “Het wordt nooit meer zo mooi als in de ruwbouw”, zegt Sikkema met een knipoog, “ga kijken nu het nog kan – op het ezelsoor heb je prima zicht op de werkzaamheden! En op onze site en op YouTube kun je de bouw ook volgen via filmpjes.”

Dwarsdoorsnede Stedelijk Museum. Links een deel van de oudbouw, rechts ‘de badkuip’ in het stalen frame

14


Facts & Figures Voor de restauratie van het oude gebouw en voor de bouw van het nieuwe gedeelte is heel veel materiaal gebruikt. Een aantal cijfers op een rijtje: -5  2.000 kubieke meter grond is uitgegraven voor het nieuwe gebouw -h  et museum krijgt er 8.000 vierkante meter tentoonstellingsoppervlakte bij -e  r is 4.800 kubieke meter beton onder water gestort, voor de keldervloer en de kelderwanden - a lleen al in het historische gebouw is maar liefst 10.000 vierkante meter museumwand - v oor die museumwanden is gebruikt: 20.000 vierkante meter berken multiplex van 12 mm dik voor de voorkant van de voorzetwanden 10.000 vierkante meter geperste plaat voor de achterkant van de voorzet­ wanden 49 kilometer stalen profielen om deze wanden te maken 4 kilometer ventilatiebuis - s pecialisten hebben 65.000 marmeren blokjes van 1 vierkante centimeter gelegd voor het herstel van de granito vloeren op de begane grond en de eerste verdieping in de oudbouw -d  ie granito vloeren zijn zoveel mogelijk hersteld naar hun originele staat uit 1895. Er zijn in Nederland slechts enkele experts op het gebied van negentiendeeeuwse granito vloeren, en die zijn ingeschakeld om de hal en de trap weer in hun oude luister te herstellen. -d  e liftput voor de vrachtwagens die komen laden en lossen is 9 meter diep - dagelijks zijn er 120 tot 150 bouwvakkers aan het werk -h  et geveloppervlak van de badkuip telt 2800 vierkante meter

Vloertje leggen Voor het nieuwe gebouw is er 52.000 kubieke meter grond uitgegraven. Aangezien op vijf meter diepte bouwputten vol lopen met grondwater, moest er onder water verder worden gegraven. De betonnen vloer, die de fundering van het gebouw vormt, moest in één keer gestort worden en eveneens onder water. Dat vond plaats in een weekend in november 2008; de wagens die de constante toevoer van beton moesten waarborgen, zouden in het weekend het minste overlast veroorzaken en zelf ook het minste last hebben van het verkeer. In overleg met het stadsdeel is een speciale route afgezet. Van vrijdag 17 uur tot zondag 17 uur is men bezig geweest met het storten van de vloer en reden 300 betonwagens af en aan, dag en nacht. Het onder water storten van het beton is gerealiseerd met behulp van verschillende ploegen Belgische duikers, die het beton dat via slangen naar beneden werd geleid, 15

onder water glad moesten maken. Het beton is vervolgens onder water uitgehard en daarna moest al het water worden weggepompt. Nu wilde het toeval dat er vanaf het ijsbaantje op het Museumplein al een waterleiding naar de Boerenwetering liep; er is toen een extra vertakking gemaakt van de bouwput naar die waterleiding. Het leeg­lopen van de put via die waterleiding zou zo’n twee tot drie weken in beslag nemen. De contracten met de exploitant meldden echter dat de ijsbaan voor die tijd al open moest – anders zou er veel schadevergoeding betaald moeten worden. In overleg met Waternet kon men via een extra put aan de Van Baerle­ straat in rap tempo de Stedelijk­ bouwput leegpompen en kon de ijsbaan precies op tijd open. Vervolgens moest het beton worden gewapend met staal, en het vlechten van de staaldraden is een klus die het beste met de blote handen gedaan kan worden. En dat in de vrieskou van de winter van 2008-2009... hulde aan de betonvlechters!


Een lange, betonnen T-balk wordt geplaatst om het dak van de kelder, de vloer van het plein, te dragen

16


17


Kritische keuzes, een interview

Gijs van Tuyl, directeur Stedelijk Museum

Aryan Sikkema, bouwcoördinator namens het Stedelijk Museum

Renovatie van een museum en de bouw van een nieuw gedeelte is geen sinecure. Om een idee te geven van de keuzes waar de verschillende partijen voor komen te staan, gunnen we u een blik achter de schermen bij beslis­ sende momenten in het bouwproces. Waarover is flink gediscussieerd? Wie probeerde wie te overtuigen van zijn standpunt? Aan de hand van zes concrete voor­ beelden leest u waarom het museum er straks uitziet zoals het eruit komt te zien.

Bas van Stratum, projectmanager bij het ProjectManagement Bureau van de gemeente Amsterdam

18

Aan tafel zitten drie partijen, zij stellen zich voor: – De gebruiker van het gebouw, het Stedelijk Museum, vertegenwoordigd door directeur Gijs van Tuyl. Hij is verantwoordelijk voor de inhoudelijke en artistieke keuzes: “Voor mij telt maar één ding: ik wil een bruikbaar huis voor de kunst. Er zijn veel musea die goed zijn voor de architectuur, maar niet goed voor de kunst.” [GvT] – De door het museum aangestelde bouwcoördinator Aryan Sikkema: “Ik ben de schakel tussen het museum, de gemeente en de bouw, en ik let erop dat zij de best mogelijke kwaliteit afleveren voor de gebruikers van het nieuwe gebouw.” [AS] – De opdrachtgever van de restauratie en uitbreiding, en toekomstige eigenaar van het gebouw, het ProjectManagement Bureau van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door Bas van Stratum, projectmanager: “Als vertegenwoordiger van de gemeente wil ik een kwalitatief goed gebouw neerzetten voor de gebruiker: het Stedelijk Museum en ook het publiek. In die zin vertegenwoordig ik als het ware twee partijen: de wethouder en het museum. Daarbij moet ik in eerste instantie rekening houden met belangrijke randvoorwaarden: financiën en planning.” [BvS] De discussie kan beginnen. 1. De roltrap Discussiepunt: de roltrap loopt van de kelder tot de eerste verdieping: op de begane grond zul je niet in- of uit kunnen stappen. Gijs van Tuyl: “In het ontwerp van Benthem Crouwel Architekten was de lange roltrap een belangrijk architectonisch element: een mooie diagonaal als tegenwicht voor de gevel. Ik was zelf eerst erg sceptisch over het feit dat je op de begane grond niet kon uitstappen, ik twijfelde aan de gebruikersvriendelijkheid. In het eerste ontwerp had Mels Crouwel bovendien de monumentale trap van de ingang aan de Paulus Potterstraat omge-


draaid. Maar ik wilde de ingang aan de Potterstraat graag behouden, voor groepen bijvoorbeeld. Die vertrouwde, monumentale trap moest dus zo blijven. Allerlei alternatieve plannen voor de roltrap zijn de revue gepasseerd, trap erin, trap eruit – op een gegeven moment werd het ‘die rot-trap’! Zo’n grote roltrap installeren is natuurlijk ook een kostbare operatie, dus we hebben alles uit­ geprobeerd. Uiteindelijk heeft Mels ons overgehaald dat het echt beter is om, nadat je je kaartje hebt gekocht en je jas opgehangen, niet meer terug te komen in dat entreegebied. Door de roltrap kun je vanuit de eerste verdieping direct naar de kelder en blijf je in de sfeer van de tentoonstelling. En bij de Mike Kelley-expositie waar we mee openen, zal dat meteen al heel theatraal werken dus ik ben blij dat hij me heeft overgehaald.” Aryan Sikkema: “In aanvulling daarop kan ik nog wel zeggen dat Mels ook mij heeft overgehaald, door ons erop te wijzen dat de hal eigenlijk relatief klein geworden was ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp, omdat Gijs meer tentoonstellingruimte wilde voor het museum. Als je in die drukke hal dan ook nog een stopplaats voor de roltrap zou maken, zou het alleen nog maar drukker worden en zelfs verstopping kunnen veroorzaken. We hebben alle aspecten tegen het licht gehouden en vier varian­ten van het ontwerp bekeken, en uiteindelijk toch voor de roltrap gekozen. Het nieuwe gebouw is ook een icoon, en die lange roltrap zal daar een belangrijke eyecatcher in zijn.”

De monumentale trap bij de oude hoofdingang

De roltrap die in de nieuwbouw direct de kelderverdieping met de eerste verdieping verbindt, zonder stop op de begane grond

19

Bas van Stratum: “Ook voor mij was een doorslaggevend argument dat de bezoekers in de sfeer van de tentoonstelling kunnen blijven, zonder met de drukke begane grond te worden geconfronteerd. De stilte van de routing speelde een belangrijke rol. Maar misschien geeft het langsdoorsnede B-B ook spanning: als Het Nieuwe Stedelijk Museum bezoeker zie je van buiten al die Benthem Crouwel trap, maar hoe kom je erop? Dat zal de toekomst uitwijzen.”


2. Doorbraak Erezaal Discussiepunt: in de achterwand van de Erezaal zijn twee doorgangen gemaakt naar de nieuwbouw. GvT: “De doorbraak was mijn idee. De Erezaal ken ik al van toen ik als conservator hier werkte [van 1969-1976, red.]. Met inrichten van tentoonstellingen was het altijd een lastig punt, de Erezaal was een beetje een cul de sac. De zaal heeft zelf geen dynamiek omdat je een rondje moet lopen. Wim Beeren vond dat trouwens ook al – ik stond hierin niet alleen. In het ontwerp van Mels was de aansluiting naar de nieuwbouw eerst weggefrommeld naast de Erezaal. Ik heb hem toen gevraagd om dat te wijzigen en dat heeft hij met veel enthousiasme gedaan.”

De Erezaal met in de linkermuur twee doorgangen naar de nieuwbouw

AS: “Ik had wel begrip voor het eerste ontwerp, waarin de Erezaal als een soort heilige ruimte werd ontzien. Er zijn nu nog steeds mensen die kritiek hebben op deze doorbraak: volgens hen is de Erezaal nu een verdeelruimte geworden, niet meer een zaal waar je naar toegaat, maar meer een circulatieruimte. Daardoor is het karakter van de zaal fundamenteel veranderd. De verbouwing van het historische gebouw en de plaatsing van het nieuwe gebouw daar net niet tegenaan – ze staan los van elkaar – is overigens met grote liefde en respect gedaan. En de doorgang zit op de best mogelijke plek, dat moet ik toegeven.” BvS: “Het prettige in het oude gebouw is dat alle zalen open waren, met nergens deuren, zodat je als bezoeker steeds kon meanderen door alle zalen. Nu de Erezaal is doorgebroken is dat ook een open ruimte geworden, met open deuren naar de nieuwbouw. Het wordt straks een nieuwe ruimte waar kunst hangt én waar mensen bij elkaar komen en naar de grote zaal van de nieuwbouw kunnen. Met de weggewerkte schuif-branddeuren is de vrije doorgang behouden en toch heel subtiel de compartimentering voor de brandveiligheid opgelost.”

Een velum wordt aangebracht

De parketvloeren in het oude Stedelijk

20


3. Het parket Discussiepunt: het oude visgraatparket, zoals de architect had voorgesteld, of een andere vloer? En wat te kiezen, aan houtsoort, houtkleur en motief? GvT: “Ik ben de schuldige. Opnieuw kiezen voor het oude visgraatmotief was voor mij onbespreekbaar. Ik vond het oubollig. Het moest wel weer parket worden, want een houten vloer is goed voor de kunst en is klimatologisch ook beter. Er ligt nu een vloer uit de Oekraïne, geen Frans hout, dat was te duur. Maar dit is echt mooi, en het heeft de goede kleur, niet te rood en niet te geel. Er liggen nu lange lijnen, zowel in de oudbouw als in de nieuwbouw, dat loopt mooi door, het wordt zo meer een eenheid.” AS: “Mels Crouwel heeft ook nog een tussenvoorstel gedaan, niet het visgraatmotief maar een soort zigzagpatroon. Mels heeft geprobeerd Gijs hiertoe over te halen...” GvT: “Ja, ’s avonds bij hem thuis, met een flesje wijn, maar het kwam er niet door!” AS: “We wilden niet teveel refereren aan wat iedereen thuis in de woon­ kamer heeft liggen, dus we hebben uiteindelijk gekozen voor de lange lijnen. En de planken zijn aan de randen getrommeld, zoals dat heet, zodat het hout er doorleefd uitziet. Ook de kleur is nog uitvoerig ter sprake geweest, misschien wilden we er een white wash overheen. Maar een bezoek aan de Fondation Beyeler in Basel heeft ons van dat idee afgeholpen. Daar was het parket inderdaad witgewassen, en je kon al duidelijk zien dat het niet goed schoon te houden was en er een sterk kleurverschil ontstond tussen de loopgebieden en de randen. Ook een gevlinderde vloer (heel hard en gladgemaakt beton) behoorde tot de mogelijkheden, maar parket is uiteindelijk het beste.”

De houten vloer in het nieuwe Stedelijk

BvS: “De discussies over de vloer heb ik grotendeels aan me voorbij laten gaan: het belangrijkste is dat de gebruiker er tevreden mee is. Voor de kosten maakt het niet veel 21

uit welk hout je gebruikt of welk motief je legt. De houdbaarheid van de vloer is wel belangrijk.” 4. Witte muren en een flexibel lichtsysteem Discussiepunt: welke basiskleur en sfeer geef je het museum mee? GvT: “Voor ons was het geen principe dat de muren wit werden en dat het museum een white cube zou worden net als in de tijd van Sandberg. De architect zei: ik lever het wit op, en als je het anders wilt dan kost dat meer geld. Aangezien wit een goede basis is voor het museum, worden de muren wit. Bovendien kan men voor elke expositie de wanden weer een andere kleur geven, zoals tegenwoordig vaak gebeurt. Zo zijn we vrij om te experimenteren.” AS: “Er is nog een discussie geweest met Monumentenzorg, die vonden dat de stukken muur die niet wit waren maar waar metselwerk zichtbaar was, hersteld moesten worden in de oorspronkelijke staat, met sjabloonschilderingen en al. Zoals ze in het Rijksmuseum ook hebben gedaan. Maar toen hebben wij gezegd: nee, het museum heeft een geschiedenis [red.: waarin Sandberg de muren ooit wit liet schilderen en daarmee de basis legde voor het museum als een white cube] en die willen we ook laten zien. Nu is in de oudbouw al het oude siermetselwerk gerestaureerd, maar wel wit gekwast. Voor de muren streven we weer naar het zogenaamde ‘Sandbergwit’. Het wordt kleur nummer 9010 om precies te zijn – dat is wit met een vleugje geel erdoor.” BvS: “Bij het herstellen van de oudbouw zijn ook de velums, de doeken tegen het plafond die het licht filteren, weggehaald en hoger teruggeplaatst, zodat de zalen ruimer ogen. Je kunt de togen, de afgeronde hoeken waar de muur overgaat in het in het plafond, weer zien. Het prachtige licht waar het Stedelijk bekend om stond, bleek voor de huidige museale eisen veel te fel. In het eerste Stedelijk


BouwNieuws is het licht al aan de orde geweest: nu is gekozen voor een flexibel lichtsysteem.” 5. De kabinetten in het oude gebouw Discussiepunt: op de eerste verdieping bevonden zich kenmerkende kabi­ netten; op de begane grond waren die omgebouwd tot een gang met wanden ertussen, zodat je een zigzagroute moest lopen. Bestond de wens om dat zo terug te brengen?

1. Doorkijkje kabinetten eerste verdieping

2. De vloer tussen de prentenkabinetten op de begane grond wordt verwijderd

AS: “De kabinetten op de eerste verdieping, waar het Stedelijk zo beroemd om was, lagen achter elkaar. Je had een doorkijk langs alle kabinetten van begin tot einde, een zogenaamde enfilade. Elk kabinet had zijn eigen hoge raam aan de Paulus Potterkant, zodat je als bezoeker met het ideale noorderlicht de kunstwerken kon bekijken. Dat was de ideale negentiende-eeuwse museumpositie, en die hebben we zo gelaten. Gijs wilde voor de kunst op de begane grond liever de zigzagroute behouden, zodat je steeds tegen een wand met kunst aan kijkt. Dan waren er nog de prentenkabinetten halverwege, aan weerszijden van de grote trap. Die zijn er ten tijde van Sandberg ingebouwd. Deze tussenverdiepingen hebben we nu weggehaald.” GvT: “Eigenlijk bleken de kabinetten op de eerste verdieping bij uitstek geschikt voor tekeningen en fotografie. Voor de ramen komen wel semi-transparante doeken te hangen, die het licht filteren voor deze kwetsbare werken. De conservatoren zijn zeer gelukkig met deze keuze. Op de begane grond in de oudbouw komt design en schilderkunst, en daar werkt de zigzagroute beter.” BvS: “Om aan de huidige museale eisen te voldoen moest overal het klimaat worden verbeterd. Daarom werden de schuine wanden van de kabinetten boven eerst afgebroken, zodat alle leidingen en afvoersystemen keurig konden worden weggewerkt in de muren. Die werden vervolgens weer opgebouwd. Het

3. Doorgang begane grond, langs de trap, nu zonder tussenverdieping.

22

was nog een discussiepunt met Monumentenzorg, daar wilden ze weten of die kabinetten origineel waren, anders kregen we geen vergunning om ze te slopen. Gelukkig vond iemand in een van die schuine wanden een stukje hout, en die houtsoort werd in de negentiende eeuw nog niet gebruikt. Conclusie: de schuine wanden van de kabinetten waren niet origineel, en mochten dus worden afgebroken. Uiteindelijk zijn ze weer herbouwd, en alle techniek is mooi weggewerkt.” 6. De kelder van de nieuwbouw Discussiepunt: van het nieuwe gedeelte bevindt zich een groot oppervlak onder de grond. Was dat bouwproces niet te duur en te tijd­ rovend, en is zo’n kelder zonder daglicht niet te donker…? GvT: “De kelder is karakteristiek voor het ontwerp: daarom stak Benthem Crouwel Architecten met kop en schouders boven de anderen uit. Omdat zij zoveel ruimte onder de grond hadden aangebracht, hoefden ze niet het hele Museumplein vol te bouwen. Het is waar dat een kelder weinig daglicht heeft. De grootste tentoonstellingszaal, van 1100 vierkante meter, bevindt zich daar. Maar met hedendaagse kunst is daglicht vaak juist een groot probleem, als je denkt aan videokunst. We hadden eerst het plan om het plaveisel op het voetgangersgebied gedeeltelijk van glas te maken, zodat de zaal bovenlicht zou hebben, maar dat bleek te kostbaar, lastig in onderhoud en bovendien beveiligingstechnisch onhaalbaar. Het gebouw voldoet trouwens aan vele randvoorwaarden, en is bijvoorbeeld ook heel elegant precies op twee assen in de stad gezet, de zestiende/ zeventiende-eeuwse as (de Spiegelstraat) en de negentiendeeeuwse as, de Paulus Potterstraat.” AS: “De essentie van het ontwerp van Mels was de verlegging van de entree naar de het Museumplein; dat kon alleen door veel ondergronds te maken. Een kelder heeft natuurlijk ook


nadelen: in Amsterdam is onder de grond gaan niet de gemakkelijkste weg. Het is heel goed gegaan, we hebben geen lekkages gehad. Het is een technisch hoogstandje, kostbaar en tijdrovend, en ook logistiek was het niet eenvoudig.” GvT: “Er is wel veel discussie geweest over de inrichting van de kelder; er was die grote zaal, kleinere zalen, dienstruimtes een educatieruimte. Oorspronkelijk zou ook het prentenkabinet beneden komen, maar dat werd gevoeld als een eilandje in de kelder, die verder voornamelijk voor tijdelijke tentoonstellingen zal worden gebruikt. Daarom zijn de tekeningen en de fotografie naar de oudbouw gegaan, naar de kabinetten, om het daar onderdeel van de vaste collectie te laten zijn.”

Kelder nieuwbouw wordt onder water uitgegraven

BvS: “En dan is er nog de kelder van het oude gebouw. In een groot gedeelte daarvan zijn technische installaties geplaatst voor de klimaatcontrole, de verwarming en luchtbehandeling van het museum. Ook de opslag van de bibliotheek komt daar, en er zijn enkele kleedkamers en opslagruimtes.”

Kelder nieuwbouw: links komt de roltrap, rechts de trap, midden: doorgang naar publieke toiletten

Techniekruimte in kelder nieuwbouw

23

Al met al is er steeds goed overleg geweest tussen de partijen; men heeft de tijd genomen de moeilijkheden en meningsverschillen uitvoerig met elkaar te bediscussiëren. Bovendien was er medewerking van bijvoorbeeld het Stadsdeel Oud Zuid. Wellicht speelt voor het Stedelijk uiteindelijk als voordeel de lange voorgeschiedenis van de bouwplannen, waardoor er al een bestemmingsplan lag van de gemeente, voordat er aan de bouw begonnen werd. Dit heeft enorm veel problemen, mogelijke protesten en vertragingen op voorhand opgelost. Van Tuyl, Sikkema en Van Stratum zijn het erover eens dat ze steeds in goed overleg en in goede harmonie alle grote en kleine beslissingen hebben kunnen nemen, van parketvloer tot roltrap.


Werkzaamheden op het bouwterrein

Een velum wordt op een hoogwerker aangebracht

Restauratie van de Karel Appelwand in het voormalige restaurant

Technische ruimte in de kelder van de oudbouw


Het nieuwe Stedelijk Museum

Het tijdspad

Opdrachtgever Gemeente Amsterdam

2003 De gemeente Amsterdam zegt € 67 miljoen toe voor de uitbreidingsplannen, onder voorwaarde dat sponsors het resterende bedrag bijeenbrengen. Joop van den Ende/ VandenEnde Foundation wordt als eerste Hoofd Founder; ABN AMRO, Teijin Ltd. en IMC volgen. Het Stedelijk wordt gesloten voor renovatie en vestigt zich van mei 2004 – oktober 2008 tijdelijk nabij Centraal Station.

Gedelegeerd opdrachtgever Project ManagementBureau Herman van Vliet Niko Koers Bas van Stratum Bouwmanagement DHV Bouw en Industrie BV Stedelijk Museum Gijs van Tuyl, directeur t/m december 2009 Ann Goldstein, directeur vanaf januari 2010 Aryan Sikkema, bouwcoördinator Architect Benthem Crouwel Architekten BV bna Mels Crouwel Joost Vos Constructies en lichtontwerp ARUP Installatietechnisch ontwerp Huisman & van Muijen Bouwfysisch advies Cauberg-Huygen raadgevende ingenieurs BV Bouwkundige aannemer Midreth Technische installaties Imtech / LTF liften / Lödige Benelux / Automatic Signal Kosten € 75 miljoen Oppervlakte voormalig museum 17.500 m2 bvo Oppervlakte nieuwe museum ruim 26.000 m2 bvo

2004 Benthem Crouwel Architekten BV bna krijgt de opdracht. 2004 – heden De Stichting Fondsenwerving en -beheer Uitbreiding en Renovatie Stedelijk Museum, met ondernemers als Cor van Zadelhoff, Rijkman Groenink en Morris Tabaksblat, werft € 26 miljoen voor de nieuwbouw – een record in Nederland. Teijin Ltd. levert als Hoofd Founder de synthetische vezels voor de ‘badkuip’. 12 april 2007 Een Groundbreaking Ceremony luidt de start van de bouw officieel in. mei 2007 Aannemer Midreth start de voorbereiding van de bouwwerkzaamheden. augustus 2008 IMC wordt Hoofd Founder. 19 december 2008 Diepste punt van de nieuwbouw wordt bereikt. juni 2009 Oplevering nieuwe depot Stedelijk. eind 2009 Restauratie historische hoofdgebouw in een ver stadium, kelder van de nieuwbouw constructief voltooid.


Het nieuwe Stedelijk Museum wordt gebouwd in opdracht van: Gemeente Amsterdam Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Gedelegeerd opdrachtgever ProjectManagement Bureau De bouw wordt mede mogelijk gemaakt door: Hoofd Founders

Colofon Tekst: Aukje Vergeest Ontwerp: Klaartje van Eijk, Amsterdam Druk: robstolk速 Fotografie: Stedelijk Museum, Hogers & Versluys, Willem van Beek, Carolien de Bruijn, Philip Nijman, Ron van Velzen, Louise Wijnberg Uitgave: Stedelijk Museum, afdeling Marketing en Communicatie, december 2009 Eventuele wijzigingen voorbehouden. Voorjaar 2010 verschijnt de derde editie van Stedelijk BouwNieuws. Voor vragen of reacties: bouwnieuws@stedelijk.nl.

Founders

Co-Founders Bouwfonds Cultuurfonds Gelderland Groep/Lensvelt Houthoff Buruma MAB Development Midreth Nemaco P2 Group Stedelijk Museum Business Club TNT De heer drs. C. van Zadelhoff twee anonieme Co-Founders meer dan dertig donateurs Subsidiegevers

Stedelijk BouwNieuws nr. 1 is nog verkrijgbaar. Wilt u het ontvangen, stuurt u dan een mail naar bouwnieuws@stedelijk.nl. U krijgt het dan kosteloos thuis gestuurd. Stedelijk Museum Postbus 75082 1070 AB Amsterdam +31 (0)20 5732911 info@stedelijk.nl


Op de hoogte blijven van het nieuwe Stedelijk Museum? Ga naar de website voor meer informatie, de actuele stand van zaken en meld je aan voor de digitale nieuwsbrief. www.stedelijk.nl

Stedelijk BouwNieuws 2  

Winter 2009/2010